← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels

De Boomvogels (Coracornithes). (continued 7)

Reading edition

De levenswijze en de gewoonten van den Ortolaan, verschillen weinig van die der andere Gorsen. Hij bewoont ongeveer dezelfde soort van plaatsen als de Geelgors en is hier op dezelfde wijze werkzaam; ook zijn gezang is van soortgelijken aard, hoewel iets aangenamer. De loktoon klinkt als “gief gerr”, de zachte klank “gie” of een nauwelijks hoorbaar “piek” geeft teedere gevoelens te kennen; een onaangename gewaarwording wordt geopenbaard door luid “gerk” te roepen. Het nest en de eieren gelijken op de reeds beschrevene. Het nest is dicht bij den grond gelegen, gewoonlijk in de dichtste twijgen van lage boomen; het bevat bij het broeden 4 à 6 eieren, die op roodachtig grijzen grond met blauw-zwartachtige vlekjes en krulletjes geteekend zijn.

Reeds bij de oude Romeinen was het smakelijke, malsche vleesch van den Ortolaan als een buitengewone lekkernij bekend; zij mestten hem in bepaaldelijk hiervoor ingerichte kooien, die des nachts door lampen verlicht werden. Naar het voedsel, dat zij dezen Vogel gaven (gierst = “mil”), noemden zij hem “Miliaria”. Op dezelfde wijze heeft, naar gezegd wordt, het mesten nu nog plaats in Italië, het zuiden van Frankrijk en vooral op de Grieksche eilanden. Daar worden de Ortolanen in menigte gevangen, gedood, nadat zij den gewenschten graad van vetheid bereikt hebben, vervolgens geplukt en schoongemaakt, gekookt, en bij 200 of 400 stuks met azijn en kruiderijen in kleine vaatjes ingemaakt, die daarna verzonden worden. Voor Ortolanen, die op deze wijze toebereid zijn, worden door fijnproevers hooge prijzen betaald.

In het zuidoosten van Europa, vooral in Griekenland voorts in Klein-Azië, Palestina, West-Azië en Noord-Afrika, vindt men, behalve de Ortolaan, ook de Roestgors (Emberiza caesia), die zich van dezen, zijn naasten verwant, onderscheidt door de grijze kleur van den kop, de grijze dwarsbanden over den krop, de licht kaneelroode keel, de donker kaneelroode onderdeelen, de kleinere, witte vlek aan het uiteinde van de buitenste staartpennen en den koraalrooden snavel. Soms worden Vogels van deze soort in Zuid-Duitschland en op Helgoland geschoten.

1) Ortolaan (Emberiza hortulana), 2) Kapgors (Emberiza melanocephala). ⅝ v. d. ware grootte.
1) Ortolaan (Emberiza hortulana), 2) Kapgors (Emberiza melanocephala). ⅝ v. d. ware grootte.

1) Ortolaan (Emberiza hortulana), 2) Kapgors (Emberiza melanocephala). ⅝ v. d. ware grootte.

Een van de fraaiste leden van dit geslacht is de in ons vaderland nog niet waargenomen Tsiepgors (Emberiza cia); zij is 18 cM. lang (staartlengte 7.6 cM.). De kop en de nek zijn aschgrauw, de zijden van den kop, de keel en de krop iets lichter, een breede streep boven de oogen, de wangen en de kin witachtig grijs; twee strepen, die de wenkbrauwstreep van boven en van onderen begrenzen en een derde, die, van den mondhoek uitgaande, om de wangen heen zich met de onderste der beide reeds genoemde strepen verbindt, zijn zwart; de mantel en de schouders zijn roestroodbruin, alle veeren met donkere schaften, de staartwortel, de bovendekveeren van den staart en de onderdeelen kaneelroestrood, op het midden van den buik lichter, de slagpennen zwartbruin, de achterste armpennen en hare dekveeren met roestbruinen zoom; de bovendekveeren van den vleugel zijn donkergrijs, de groote zwart met vaal roestkleurige eindzoomen, die een dwarsband op den vleugel vormen; de staartveeren zijn, met uitzondering van de beide middelste, donkerbruinzwart, de tophelft van de beide buitenste is op de binnenvlag wit, de buitenhelft van de buitenste ook. Het oog is donkerbruin, de bovensnavel zwart-, de ondersnavel lichtbruin, de poot lichtgeelachtig.

In Duitschland bewoont de Tsiepgors, die haar gebied al verder en verder noordwaarts uitbreidt, de Rijnstreken en ook het zuidoosten van Baden, hier beperkt tot de hoogste dalen van het gebergte, ginds tot de wijnbergen van den rechter Rijnoever; niet minder zelden komt zij in Oostenrijk voor. Veelvuldig daarentegen is zij in Zuid-Europa, n.l. in Spanje, Italië en Griekenland, bovendien in West-Azië. Van hier uitgaande doorreist zij het grootste deel van Azië tot aan den Himalaja, in welks westelijke gedeelten zij geregeld voorkomt. Zij is een bewoner van het gebergte, en vermijdt de vlakten. Het liefst bewoont zij berghellingen met het grootst mogelijk aantal rotsspleten. Hier zwerft zij op de wijze van de overige Gorsen tusschen en op de steenblokken rond.

Het nest vindt men aan den Rijn, waar zij in sommige streken niet zelden nestelt, in de spleten en holen van de muren, die de wijnbergen omgeven. De 3 of 4 eieren vertoonen op witachtig grijzen grond een teekening bestaande uit zwartachtig grijze draden met eenige grijze daartusschen; deze draden vormen dikwijls in het midden van het ei gordels; daar zij niet kort afgebroken zijn, verschilt de teekening dezer eieren aanmerkelijk van die der Geelgorsen. Ook de Tsiepgors broedt waarschijnlijk tweemaal per jaar.

Een niet minder fraaie Vogel is de Wilgengors (Emberiza aureola). De meeste leden van deze soort broeden in het noorden van Azië, de overige bevolken in groote getale het noordoosten van Europa. Van deze dwalen op den trek niet zelden eenige exemplaren naar West-Europa af, in plaats van met de meerderheid in het zuiden van China, Cochinchina, Assam, Birma en de overige landen van het westelijke Himalaja-gebied te overwinteren. Eénmaal is er een op een vinkenbaan te Harderwijk gevangen (Albarda). De Wilgengors is 18 cM. lang en heeft een 4.5 cM. langen staart. De hoofdkleur van haar vederenkleed is roestbruin.

Zuidoost-Europa, te beginnen bij Italië (namelijk Dalmatië en Griekenland benevens vele eilanden van de Adriatische Zee), en een groot deel van Zuidwest-Azië (van de Levant tot aan de noordelijke en westelijke provinciën van Indië) worden bewoond door de hierneven afgebeelde Kapgors (Emberiza melanocephala); nergens is deze soort echter sterker vertegenwoordigd dan in Perzië. Zij is 18.5 cM. lang en heeft een 8 cM. langen staart. Met uitzondering van den zwarten bovenkop is de hoofdkleur van alle bovendeelen helder kaneelroodbruin, van alle onderdeelen hooggeel; de vleugels en de staart zijn donkerbruin, de pennen met vaalbruinen, de kleine vleugeldekveeren met geelgrijzen, de groote met witten eindzoom. De oogen zijn donkerbruin, de pooten bruinachtig geel, de snavel is vuilblauw. Het wijfje mist de zwarte kap; haar bovenkop is even als de overige bovendeelen grijsachtig roestrood, de onderdeelen zijn met uitzondering van de witte keel roestgeelachtig wit.

Uit hare winterkwartieren terugkeerend, komt de Kapgors tegen het einde van April in Griekenland, een weinig later in Istrië aan. Op een fraaien lentemorgen zou men in Griekenland alle struiken aan het zeestrand, waar den vorigen dag geen enkele van deze Vogels te vinden was, letterlijk bedekt kunnen zien met Kapgorsen, die hier gedurende den nacht zijn aangekomen. Onmiddellijk begeeft ieder paar zich naar zijn broedplaats, de soms in een van de wijnbergen der vlakte, soms op een nog onbebouwden met salie- en doornstruiken (Paliurus) begroeiden heuvel gelegen is; het bouwt een nest, broedt, voedt de jongen en verlaat het vaderland weer tegen het einde van Juli of in Augustus om zich te begeven naar het land, waar het overwinteren zal. De Kapgorsen trekken echter niet naar het zuidwesten, maar naar het zuidoosten. Waarschijnlijk is Perzië het brandpunt van haar verbreidingsgebied; van hier zijn zij uitgegaan en hebben Klein-Azië en het Balkan-schiereiland eerst later gevonden; door Perzië, waar zij nog altijd en (tot op een hoogte van bijna 3000 M.) overal veelvuldig zijn, reizen zij naar hare winterverblijven. Weinige weken na haar vertrek uit Europa verschijnen zij in Dekhan en in de noordelijke provinciën van Hindostan, vereenigen zich hier tot ontzaglijke zwermen, richten groote verwoestingen aan in de graanvelden en verlaten dit land eerst weder in Maart.

Het nest staat op den bodem in of naast stekelig struikgewas, gewoonlijk zeer verborgen; het is slordig gebouwd: droge stengels van kruiden en bladen vormen den wand, die van binnen met fijne worteltjes, halmpjes, bladvezels en paardehaar gevoerd is. In de eerste helft van Mei worden er 5 à 7 eieren ingelegd, die op bleek blauwachtig groenen grond met duidelijk begrensde of uitvloeiende, aschgrauwe, groenachtige of roodachtig grijze vlekken geteekend zijn. In Perzië verzamelen de Kapgorsen zich na den broedtijd tot zwermen van duizenden en tienduizenden individuën, die van de eene plaats naar de andere zwerven en nog meer gevreesd worden dan de Sprinkhanen, daar zij reeds lang voordat de tijd van trekken daar is, de akkers beginnen te plunderen.

De Wevervogels (Ploceidae) behooren tot de aantrekkelijkste eigenaardigheden van de dierenwereld in het Ethiopische faunistische Rijk. In deze familie, die buiten Afrika alleen in Zuid-Azië en Indië vertegenwoordigd is, worden omstreeks 300 zeer verschillende, voor ’t meerendeel Afrikaansche soorten van Zangvogels vereenigd. Deze hebben met elkander gemeen den meer of minder dikken, doch steeds kegelvormigen snavel, welks rug naar achteren afgeplat, aan den wortel breed en daar als ’t ware tusschen de veeren van den voorkop verborgen is, den van voren met kleine plaatjes, aan de zijden met een doorloopende plaat bekleeden loop en de samenstelling van het handgedeelte van den vleugel, dat steeds tien pennen bezit.

De Wevervogels worden zoo genoemd, omdat vele soorten van deze groep een groot, kunstig geweven nest vervaardigen. Deze nesten verschaffen aan sommige boomen van Middel-Afrika en Zuid-Azië een prachtigen opschik. De gevederde kunstenaars geven de voorkeur aan boomen, die met een deel van hun kroon een water overschaduwen; soms zijn deze letterlijk bedekt met nesten. Koloniën van Wevervogels kunnen als een in ’t oog loopende eigenaardigheid van Middel-Afrika, Indië en de eilanden van den Indischen Archipel beschouwd worden. Een kenmerkende eigenschap van deze aanvallige bouwmeesters is, dat zij bij ’t broeden steeds tot groote gezelschappen vereenigd zijn. Het is een zeldzaamheid aan een boom niet meer dan één Wevervogelnest aan te treffen, gewoonlijk vindt men er 20, 30, zelfs 100 of meer bijeen. De buitengewone stevigheid van deze nesten maakt, dat zij jaren lang aan weer en wind weerstand bieden. Het komt daarom wel voor, dat men aan den boom, die nu door een kolonie van Wevervogels in beslag genomen is, nog de nesten van drie of vier vroegere jaren ziet hangen. Boomen, die op deze wijze versierd zijn, ontmoet men binnen het verbreidingsgebied van de bekwaamste Wevervogels overal, in het gebergte zoowel als in de vlakte, in het woud zoowel als onmiddellijk boven het huis van den dorpeling.

De werkzaamheden van sommige soorten van Wevers in Neder-Guinea worden door Pechuel-Loesche op de volgende wijze beschreven: “In of bij de dorpen of factorijen nestelen vooral de Zware Wever (Ploceus nigerrimus) en de Halsbandwever (Ploceus cinctus) op oliepalmen en nog liever op afgezonderd staande wolboomen (Bombax). In het dichte gebladerte van de wolboomen blijven de stevig en kunstig gevlochten, buidelvormige nesten, die men er niet bij honderden, maar bij duizenden in vindt, gedeeltelijk verborgen; op de oliepalmen, die door de handige bouwmeesters gewoonlijk geheel beroofd worden van hunne gevinde of vedervormig samengestelde bladen, vallen de nesten des te meer in ’t oog. Daar het den inboorlingen niet in de gedachten komt de rusteloos werkzame Vogels lastig te vallen, bekommeren deze zich in het geheel niet om de handelingen der menschen. Zij zijn even argeloos als bedrijvig en vlijtig en maken bij den strijd om de beste nestelplaatsen, bij het broeden en voederen der jongen en bij hunne pogingen om als zangers op te treden een groot, maar toch gezellig geraas. De buigzame en taaie grondstof voor ’t weven ontleenen zij bij voorkeur aan de naburige oliepalmen; in den regel kiezen zij echter een van deze hiervoor uit, die er derhalve slecht aan toe is. Zij gaan bij dezen arbeid volgens een bepaalden regel te werk. Fladderend vatten zij met den snavel den rand van een der blaadjes aan op de plaats, waar dit aan den algemeenen bladsteel gehecht is, en scheuren hiervan over de geheele lengte een strook af, door zich te laten vallen; op dezelfde wijze halen zij een tweede en een derde strookje enz., totdat er van het blaadje alleen de dunne middelnerf is overgebleven. Daarna verscheuren zij het naastbij liggende en de daarop volgende blaadjes en eindelijk, als er aan het eene reusachtige blad geen spoor van groen meer overgebleven is, vallen zij op het volgende aan. Als er zeer vele Vogels aan den arbeid zijn, worden verscheidene bladen tegelijkertijd verscheurd. Met rusteloozen ijver zwieren de kleine bouwmeesters om den boomstam heen; in grooten getale vliegen zij af en aan, bij hun vertrek lange, fladderende strookjes medevoerend; zij gaan hun gang zonder zich te laten afschrikken door de menschen, die van beneden naar de groote, hier aangerichte verwoestingen kijken. Na verloop van korten tijd is de volle kroon van den fieren palm verdwenen; wat er van overblijft, gelijkt op bezemrijsjes. Dan wordt een tweede en vervolgens een derde palm op dezelfde wijze behandeld; dikwijls moeten er een dozijn geplunderd worden, voordat de nestenstad voltooid is.

De Wevers (Ploceinae) zijn de grootste leden van de naar hen genoemde familie, waarvan zij de kern uitmaken. Meestal slank gebouwd, kenmerken zij zich bovendien door hun betrekkelijk langen en slanken, maar toch altijd krachtigen, kegelvormigen snavel, door hunne pooten, die een langen loop met lange teenen hebben en met harde, sterk gekromde nagels gewapend zijn, door hunne lange, maar stompe vleugels, van welker slagpennen gewoonlijk de vierde de langste is en door hun korten, zwak afgeronden staart; zij kunnen dus niet licht met andere leden van dezelfde familie verward worden. Geel of roodachtig geel en zwart zijn de kleuren, die bij hen de overhand hebben; er zijn echter ook grootendeels zwarte, roode, muschachtig grijze en witachtige Wevers. Gewoonlijk is de kop, of althans het aangezicht, donker van kleur; de rug is meestal groenachtig of roodachtig geel, terwijl de onderdeelen een zuiver gele, lichtroode of donkerroode kleur hebben.

Alle Wevers zijn op de plaatsen, waar zij voorkomen, veelvuldig, vooral omdat bij hen een buitengewone neiging tot gezelligheid bestaat, die zelfs gedurende den voortplantingstijd niet vermindert. Na den broedtijd vereenigen zij zich tot vluchten, die zeer dikwijls aangroeien tot zwermen van vele duizenden, welke soms groote verwoestingen op de akkers aanrichten. Nadat zij geruimen tijd rondgezworven en intusschen geruid hebben, keeren zij terug naar den boom, die hun of hunne jongen tot wieg heeft gediend, of althans naar het oord, waar deze boom staat of gestaan heeft. Hier neemt men nu eenige maanden lang een groote bedrijvigheid waar, veroorzaakt door het bouwen van de nesten, dat veel tijd vereischt. Dat de Wevers met grooten ijver en een waren hartstocht voor het bouwen bezield zijn, blijkt o.a. uit het feit, dat zij dikwijls een nest, dat nagenoeg gereed is, weer afbreken om aan een nieuw te beginnen. Hunne nesten zijn, zonder uitzondering, kunstig gebouwd van plantaardige vezelstoffen of van buigzame grashalmen, waaraan zij, naar het schijnt, door hun speeksel een nog grootere buigzaamheid verschaffen; deze bouwstoffen worden laagsgewijs opeengestapeld of dooreengeweven. Waarschijnlijk broeden alle Wevervogels meermalen per jaar; zóó althans wordt het verklaarbaar, dat er in verschillende maanden van het jaar versche nesten en eieren gevonden zijn in weinig van elkander afwijkende gewesten, die deel uitmaken van hetzelfde land. Door de plaats, waar het nest gebouwd wordt, is de veiligheid der jongen goed verzekerd. Zoomin de Meerkatten als de andere op het berooven van nesten beluste Zoogdieren, durven zich vasthouden aan de zwiepende twijgen, die deze nesten dragen: ieder, die ze met roofzuchtige bedoelingen nadert, loopt gevaar op den grond of in het water te vallen. Sommige soorten van Wevers, b.v. de Mahalis (Ploceus mahali), beveiligen hun nest bovendien nog tegen een aanval door er doornen, met de spits naar buiten gekeerd, in te vlechten. Zoowel oude als jonge Wevers kunnen in hunne nesten iederen gewonen vijand trotseeren.

De bewoners van Oost-Afrika beschouwen de merkwaardige kunstwerken van hunne gevederde landgenooten met een onverschillig oog; andere volken hebben er wel degelijk acht op geslagen, zij het dan ook op de wijze van een sprookjesdichter. Zoo hebben de kluitjes leem, die in sommige nesten voorkomen, aanleiding gegeven tot het verhaal, dat de Wevervogel des nachts van Glimwormpjes gebruik maakt om zijn nest te verlichten en dat het leem moet dienen als blaker voor deze kaarsen. Volgens Bernstein berust op de stevigheid van het nest van den (o.a. op Java levenden) Baya-wever (Ploceus baya) de Maleische sage, dat hij, die zoo gelukkig is één van deze nesten los te pluizen zonder er een halm van te breken, daarbinnen een gouden bal zal vinden.

Zaden van allerlei soort, vooral van grassen en zeggen, vormen het liefste voedsel van de Wevers. Bovendien maken zij ijverig jacht op Insecten; hiermede brengen zij hunne betrekkelijk talrijke jongen groot. Tot ontzaglijk groote zwermen vereenigd, ondernemen zij, hoofdzakelijk na den broedtijd, plundertochten op de bebouwde velden. Dan zijn de menschen, en wel vooral de bewoners van arme gewesten, die geen andere bezittingen hebben dan hunne korenakkers, genoodzaakt ernstige maatregelen te nemen tot verdediging van hun eigendom. Behalve van de menschen hebben de Wevers ook veel te lijden van de Edelvalken en Sperwers, die in hun vaderland zoo talrijk zijn.

Verscheidene soorten van Wevervogels, doch vooral West-Afrikaansche, komen op onze vogelmarkt tamelijk overvloedig voor; omdat zij een taai leven hebben en goed bestand zijn tegen de bezwaren, ontberingen en kwellingen van den overtocht. Wanneer men ze op een eenigszins doelmatige wijze verzorgt, kan men ze zeer goed in de kooi in ’t leven houden; zij beginnen hier spoedig te weven, wanneer men hun de gelegenheid verschaft deze kunst uit te oefenen; niet zelden planten zij zich in de gevangenschap voort. Om deze redenen kan men ze rekenen onder meest aanbevelenswaardige kooivogels, die de familie der Vinken oplevert. Hun gezang is niet veel waard, toch is het een lust naar hen te kijken, daar zij steeds buitengewoon ijverig bezig zijn met het weven van hunne kunstige woningen.

*

De Veewevers (Textor) onderscheiden zich door hun aanzienlijke grootte, hun dikken, kegelvormigen snavel, die aan den wortel een gezwollen rand heeft, hunne zeer stevige pooten en de afgeronde vleugels, welker spits door de vierde of vijfde slagpen wordt gevormd.

1) Veewever (Textor Dinemelli), 2) Alekto-wever (Textor albirostris). ½ v. d. ware grootte.
1) Veewever (Textor Dinemelli), 2) Alekto-wever (Textor albirostris). ½ v. d. ware grootte.

1) Veewever (Textor Dinemelli), 2) Alekto-wever (Textor albirostris). ½ v. d. ware grootte.

Tot dit geslacht behoort de Alekto-wever (Textor albirostris), die 25 cM. lang is, waarvan 9 cM. op den staart komen. Zijn vederenkleed is effenkleurig, dofglanzig zwart, de kleine veeren echter zijn aan den wortel wit, welke kleur op sommige plaatsen zichtbaar wordt; sommige slagpennen (de 2e tot de 5e) hebben in ’t midden van de buitenvlag een smallen witten zoom; het oog is bruin, de snavel vuilgeel, aan de zijranden en aan de spits blauwachtig, de poot vuilgrijs.

Aanmerkelijk kleiner, 20 cM. lang, is de Veewever (Textor Dinemelli). De kop en de onderdeelen zijn wit, de mantel, de slagpennen en de staart chocoladebruin, alle veeren met lichteren zoom, een vlekje bij het polsgewricht, de staartwortel en de dekveeren van den staart zijn karmijnrood, de teugel is zwart. De snavel is vuil zwartblauw, de poot donkerblauw.

De Alekto-wever bewoont geheel Middel-Afrika, de Veewever het binnenland van dit werelddeel en Abessinië. De eerstgenoemde wordt in Zuid- en Oost-Afrika vervangen door nauw verwante vormen, door den Buffelwever of Roodbekwever (Textor erythrorhynchus) en den Middelsten Wever, die hier vermeld worden, omdat de nu volgende levensbeschrijving gedeeltelijk op hen betrekking heeft.

De Veewevers behooren tot de meest in ’t oog vallende leden van hun familie. Zij verloochenen de zeden en gewoonten van hunne verwanten niet, maar herinneren toch in meer dan een opzicht aan de Lijsters. Hoewel zij Wevervogels zijn, hebben hunne nesten meer overeenkomst met die van onze Eksters dan met de sierlijke woningen, die door hunne verwanten gebouwd worden. Alle soorten leven bij voorkeur op weiland, waar vee graast, het liefst in de nabijheid van kudden, meestal in gezelschap van Purperspreeuwen en Ossenpikkers. Van den Buffelwever zegt A. Smith het volgende: “Eerst toen wij ten noorden van den 25en graad Z. B. gekomen waren, ontmoetten wij dezen Vogel; volgens de verzekering der inboorlingen komt hij zelden verder zuidwaarts voor, om de eenvoudige reden dat daar de Buffels zeldzamer zijn. Overal, waar wij hem aantroffen, vonden wij hem steeds in gezelschap van deze dieren, op welker rug hij zat en waartusschen hij rondvloog. Hij trippelde op hun lichaam rond als een Ossenpikker en was voortdurend bezig hier zijn voedsel te zoeken, dat hoofdzakelijk bestaat uit de Tieken, die zich aan den huid der Buffels vastgehecht hebben en uit hetgeen hij op den grond op den drek van deze dieren vindt. Dit bleek voldoende uit het onderzoek van den maaginhoud van den Vogel. Deze bewijst door het wegpikken van woekerdieren een groote dienst aan de Buffels, die bovendien door hem gewaarschuwd worden, zoodra zich het een of ander verdachte verschijnsel voordoet. Alle Buffels steken dan den kop omhoog en vluchten. De Buffelwevers bezoeken alleen de Buffels en deze hebben geen andere schildwachten; de Ossenpikkers daarentegen behooren bij het Neushoorndier.” Hoewel ik de Alekto-wever niet op vee heb zien zitten, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat zij aan de Runderen van Oost-Soedan nu en dan dezelfde diensten bewijzen. Hunne nesten, waarvan ik er soms achttien op denzelfden boom aantrof, zijn voornamelijk van de doornachtige twijgen van den garat-mimosa gebouwd en hebben minstens één Meter middellijn. Een opening ter grootte van een vuist, waarop een veel nauwere gang volgt, leidt naar de nestholte. Volgens Heuglin zijn sommige nesten 2 à 3 M. lang en 1 à 1½ M. breed en hoog. Deze bevatten dan ieder 3 à 8 broedplaatsen, ieder afzonderlijk met gras en veeren gevoerd. Iedere nestendragende boom wordt in een bepaalden tijd van het jaar door een buitengewoon luidruchtig gezelschap bewoond en is hieraan reeds op een afstand kenbaar. In de nabijheid van Khartoem merkte ik op, dat de Zwarte Wever in het begin van het regenseizoen, dus omstreeks het einde van Augustus, broedt. In de Samhara nestelt hij in April.

*

De Wielewaalwever (Ploceus galbula) is een van de kleinste soorten van het geslacht der Boomwevers (Ploceus), daar zijn lengte ongeveer 13 cM. bedraagt. De voorkop tot aan den voorrand van het oog, de teugel, de zijden van den kop en de kin zijn kastanjekleurig roodbruin, de bovenkop, de hals en de onderdeelen geel, de bovendeelen olijfkleurig geel, de slagpennen olijfbruin, de buitenvlag met een olijfgelen, de binnenvlag met een breederen, zwavelgelen rand; de gele spitsen van de grootste bovendekveeren vormen op den vleugel een dwarsband; de staartveeren zijn bruinachtig olijfgeel, aan de buitenvlag en aan de spits met olijfgelen zoom. De iris is rood, de snavel zwart, de poot vleeschkleurig.

De Wielewaalwever bewoont Abessinië van de kust van de Roode Zee tot in het hooge gebergte, bovendien echter geheel Oost-Soedan; op voor hem geschikte plaatsen is hij zeer talrijk.

Bij de Boomwevers komen als ’t ware de eigenschappen van verschillende Vinken vereenigd voor. Dit is aan geheel hun uiterlijk zichtbaar. Karakteristiek is hun onverminderde neiging tot gezelligheid in alle omstandigheden. Des morgens en des avonds verschijnen zij in troepen op bepaalde boomen, gedurende den broedtijd natuurlijk op die, welke de nesten dragen. De mannetjes zitten zingend op de toppen der hoogste twijgen. Dit gezang, hoewel in ’t geheel niet fraai, is zeer gezellig en onderhoudend. Het is een mengelmoes van spinnende, smakkende, ratelende en fluitende geluiden, waaruit men niet recht wijs kan worden. Nadat het gezelschap zich op deze wijze bezig heeft gehouden tot een paar uur na zonsopgang, gaat ieder voedsel zoeken. In de middaguren komen verscheidene vluchten, soms duizenden individuën, in boschjes rondom poelen of bij een ondiepte van de rivier bijeen; zij schreeuwen en krioelen in de struiken op de wijze van onze Musschen; plotseling vliegen zij alle tegelijk naar den waterkant, nemen hier een teug en snellen zoo schielijk mogelijk weer in het struikgewas terug. Voor dit haastig drinken hebben zij goede redenen, want boven de boomen loeren hunne ergste vijanden, de Sperwers en kleine Valken, die pijlsnel op de Wevers neerschieten, zoodra deze hunne veilige zitplaatsen in het struikgewas verlaten. Gewoonlijk blijven de Wevervogels uren lang op zulk een plaats en vliegen in dien tijd misschien tien- of twintigmaal naar den waterkant. In den namiddag zoeken zij opnieuw voedsel, om zich des avonds weer op denzelfden boom als ’s morgens te verzamelen en er hetzelfde lied te zingen. In den ruitijd, die in Oost-Soedan in de maanden Juli en Augustus plaats vindt, zijn de zwermen nog grooter dan gewoonlijk.

Het bouwen van het nest vangt aan met het vervaardigen van een geraamte van lange grashalmen, dat aan de uiterste spits van lange, buigzame twijgen bevestigd is en reeds duidelijk den vormt vertoont, dien het nest zal krijgen; men kan er echter nog overal doorheen zien. Vervolgens worden vooral de wanden der nestholte zeer zorgvuldig waterdicht gemaakt, door er in de eerste plaats zooveel mogelijk halmen van boven naar onderen door te steken; later worden ook in dwarse richting halmen ingevoegd. Een cirkelrond vlieggat wordt gewoonlijk aan de zuidzijde opengelaten. Het nest heeft nu den vorm van een stompen kegel, die op een halven bol rust. Om het te voltooien, wordt de opening aan het boveneind verlengd tot een buis, die bij den geheelen wand langs naar beneden loopt en er stevig mede verbonden is, zoodat nu het vlieggat zich onderaan bevindt. Eerst daarna wordt het nest ook van binnen afgewerkt en met een legplaats van uiterst fijne grashalmen voorzien. Het mannetje is de eenige bouwmeester van het nest, het wijfje bepaalt zich tot het aanbrengen van eenige verbeteringen van het inwendige. Als één twijg niet voldoende wordt geacht, worden twee twijgen aaneen verbonden door een brug, die nu als aanhechtingspunt dient voor het schommelend gebouw. Soms begint het wijfje te leggen reeds voordat de woning geheel gereed is. In den tusschentijd en zelfs gedurende het broeden bouwt het mannetje nog steeds ijverig voort. Het broedsel bestaat uit 3 à 5 eieren, die op groenen grond bruin gevlekt zijn.

Wevervogels: 1) Bandvogel (Spermestes fasciata); 2) en 3; Paradijsweduwe (Vidua paradisea): 2) Wijfje, 3) Mannetje; 4) Vuurvogeltje (Habropyga minima); 5) Oranjewever (Euplectes franciscanus).
Wevervogels: 1) Bandvogel (Spermestes fasciata); 2) en 3; Paradijsweduwe (Vidua paradisea): 2) Wijfje, 3) Mannetje; 4) Vuurvogeltje (Habropyga minima); 5) Oranjewever (Euplectes franciscanus).

Wevervogels: 1) Bandvogel (Spermestes fasciata); 2) en 3; Paradijsweduwe (Vidua paradisea): 2) Wijfje, 3) Mannetje; 4) Vuurvogeltje (Habropyga minima); 5) Oranjewever (Euplectes franciscanus).

De Boomwevers en hun nest leveren in dezen tijd een aardig schouwspel op. Hun bedrijvigheid, die reeds gedurende den broedtijd buitengewoon groot is, neemt nog toe, nadat de jongen geboren zijn. Bijna iedere minuut ziet men het wijfje naar binnen gaan om haar hongerig kroost te voederen. Daar het eene nest dicht bij het andere hangt en vele Vogels af en aan vliegen, herinnert de geheele boom levendig aan een bijenkorf.

*

Wanneer in het zuiden van Nubië de doerra, die iedere voor bebouwen geschikte strook gronds van den Nijloever bedekt, rijp begint te worden, kan men een prachtig tafereel aanschouwen. Een eenvoudig, tjilpend gezang maakt, dat men de oogen vestigt op een bepaald deel van het veld; hier ziet men op een van de hoogste vruchtdragende halmen een prachtigen Vogel zitten, die op een flikkerend vlammetje gelijkt, terwijl hij zich onder vroolijke bewegingen heen en weer draait. Hij is de zanger, wiens lied men hoorde. Het eenvoudige wijsje vindt weldra weerklank in de hartjes van andere vuurvlammetjes; hier en daar komt er een te voorschijn, over het geheele veld zijn zij verdeeld; bij dozijnen, bij honderden misschien, klauteren de vuurroode schepseltjes omhoog en vormen een wonderbaarlijk schoonen tooi voor den groenen akker. Het is, alsof iedere uit de diepte oprijzende zanger zich er op toelegt om zijn prachtig gekleurd vederenkleed van alle zijden te laten bewonderen. Hij richt de vleugeldekveeren omhoog, maakt wendingen en buigingen en zet zelfs een hooge borst te midden van het felle zonlicht. Even snel als hij gekomen is, verdwijnt hij weer, maar alleen om weinige minuten later opnieuw naar boven te klimmen.

De hier bedoelde Vogel is de Oranjewever (Euplectes franciscanus). Alle dieren van deze soort, mannetjes, wijfjes en jongen, dragen buiten den paartijd een buitengewoon bescheiden, muschkleurig kleed; het wijfje behoudt dit voortdurend; bij het mannetje verandert het tegen den broedtijd geheel en al, niet alleen wat de kleur, maar ook wat de gesteldheid der veeren betreft. Deze zijn dan zacht en fluweelachtig; de onder- en de bovendekveeren van den staart, welker baarden geen samenhangende vlag vormen, hebben zich aanmerkelijk verlengd, zoodat zij de stuurpennen nagenoeg geheel bedekken; deze zoowel als de slagpennen hebben haar bruine kleur behouden; de bovenkop, de wangen, de borst, de zijden en de buik zijn fluweelachtig zwart, de overige lichaamsdeelen vermiljoenrood met karmijnkleurige tint, behalve de mantel en de schouders, welker tint bruinachtig is; de slagpennen en vleugeldekveeren zijn aan haar rand aanmerkelijk lichter gekleurd dan in het midden, waardoor op den donkerbruinen vleugel een vaalbruine teekening ontstaat. De snavel is zwart, de oogen zijn bruin, de pooten bruinachtig geel. Totale lengte 12, de staartlengte 4 cM.

De Oranjewever bewoont alle doerra- en dohhenvelden van de waterrijke gewesten, die zich van het midden van Nubië tot diep in het binnenland van Afrika uitstrekken. Steeds geeft hij aan bebouwde streken de voorkeur boven onbewoonde; alleen in geval van nood kiest hij rietvelden tot woonplaats. Een doerra-veld is het paradijs, waaruit hij zich moeielijk laat verdrijven. Hier leeft hij meer op de wijze van de Rietzangers dan op die der overige Wevervogels. Behendig klimt hij, evenals gene, bij de halmen op en neer, vlug sluipt hij op den bodem tusschen het rietgras door, en evenals de Rietzangers verbergt hij zich in tijd van gevaar te midden van dicht bijeengroeiende halmen. Eerst nadat het koorn, dat hem gedurende den broedtijd een schuilplaats verschafte, van de velden is binnengehaald, begint de Oranjewever, evenals de andere leden zijner familie, in het land rond te zwerven.

De nesten zijn op kunstvolle wijze geweven, maar toch veel slordiger gebouwd dan die der andere Wevervogels. De jongen zijn reeds uitgevlogen vóór den doerra-oogst; daar de ouden en de jongen zich tot groote zwermen vereenigen, worden zij dikwijls tot een plaag voor het land. Dan zijn de arme Nubiërs, die ieder strookje vruchtbaren slikgrond moeten gebruiken en bebouwen, genoodzaakt om tot afwering van de Vogels, die tot dusver het prachtigste sieraad van hunne velden vormden, wachten uit te zetten, die door de plunderaars voortdurend bezig worden gehouden.

De Oranjewever komt bij ons dikwijls levend op de vogelmarkt; zij die dezen Vogel niet kennen, zien hem echter licht over het hoofd, daar hij slechts gedurende weinige maanden zijn prachtkleed draagt. In de kooi kan men hem met gewoon vogelvoer gemakkelijk in ’t leven houden.

*

De Weduwen (Vidua) behooren in Afrika thuis; de meeste soorten van dit geslacht hebben in het donkere werelddeel een uitgestrekt verbreidingsgebied; toch vindt men in het zuiden zoowel als in het oosten en het westen karakteristieke soorten. Meer dan de andere Wevervogels herinneren zij aan de Gorsen. Gedurende den broedtijd leven zij paarsgewijs; zoodra het broeden en het ruien afgeloopen zijn, vereenigen zij zich tot talrijke vluchten. De mannetjes wijzigen hunne gewoonten in verband met het kleed dat zij dragen. Als zij in hun bruiloftskleed prijken, dwingt de lange en zware staart hen tot eigenaardige standen en bewegingen. Bij het zitten laten zij hem eenvoudig naar beneden hangen; bij het gaan moeten zij hem hoog dragen en wippen er daarom een weinig mede, wat zij in andere tijden van ’t jaar niet doen. Een zeer grooten invloed oefent de staart op hun wijze van vliegen uit. De snelle bewegingen, die zij anders maken, worden er door verhinderd; met zichtbare inspanning sleepen zij hem door de lucht, vooral bij eenigszins vermeerderde windkracht. Na het ruien bewegen zij zich gemakkelijk en vlug op de wijze van de andere Wevervogels.

De meeste soorten zoeken, naar het schijnt hun voedsel, dat grootendeels uit afgevallen grasvruchten, doch ook uit Insecten bestaat, voornamelijk op den grond. Vooral de mannetjes zitten gedurende den broedtijd meestal op boomen en zoeken hun voedsel, daar de lange staart de beweging op den grond bemoeielijkt. “De Weduwen,” schrijft Pechuel Loesche uit West-Afrika, “bezoeken ook gedurende den broedtijd dikwijls bij paren dorpen en boerenerven. Op open terreinen pikt het eenvoudig gekleede wijfje haar voedsel van den grond, terwijl het met lange, zachte staartveeren pronkende mannetje van tijd tot tijd om haar heen dartelt en op het gebied der vliegkunst kunstjes verricht, die door sierlijkheid en bevalligheid iedereen tot bewondering nopen. Zij en andere Vogels, die voor ’t meerendeel in Europa genoegzaam bekend zijn en dikwijls in kooien gehouden worden, bezoeken op deze wijze zonder schroom de door menschen bewoonde oorden; zij worden hier beschouwd als geliefde gasten, in welker kleurenpracht en bewegingen men telkens weer behagen schept. Om hun een groot genoegen te bereiden, worden soms eenige paddestoelvormige woningen van Termieten uit de naburige vlakte gehaald en voor hen stukgeslagen. Dan snellen zij van alle kanten toe en smullen heerlijk; op zulk een feest gaat het zeer vroolijk toe; in het bonte gewemel van allerlei Vogels, ziet men dikwijls ook zeldzame bezoekers verschijnen.”

De broedtijd valt samen met de lente van hun vaderland, kort nadat het mannetje zijn bruiloftskleed voltooid heeft. In Soedan heeft het broeden plaats in het laatst van Augustus, in de Abessinische gebergten in onze lentemaanden. De nesten gelijken op die van de Wevervogels.

Het mannetje van de Paradijsweduwe (Vidua paradisea) is grootendeels zwart van kleur; een breede halsband, de zijden van den hals en de krop zijn oranjekleurig kaneelrood, de overige onderdeelen bleek roestgeel, de slagpennen donkerbruin, aan de buitenzijde vaalbruin gezoomd. De iris heeft een zwartachtig bruine, de snavel een zwarte, de poot een bruine kleur. Het wijfje komt in kleur eenigszins met een Musch overeen. De lengte van dezen Vogel bedraagt, zonder de 15 cM. lange staartveeren, 15 cM.

De Paradijsweduwe bewoont Midden-Afrika en wel bij voorkeur de ijle bosschen der steppe. Zij komt niet gaarne in de nabijheid van bewoonde plaatsen, ofschoon zij geen reden heeft om den mensch en zijn bedrijf te mijden. In boomrijke gewesten van Midden-Afrika treft men haar overal, gedurende den voortplantingstijd paarsgewijs, in andere tijden van ’t jaar in kleine gezelschappen of zelfs in groote vluchten aan. Haar prachtkleed draagt zij gedurende het regenseizoen, ongeveer 4 maanden lang.

Gevangen Paradijsweduwen worden geregeld naar Europa gebracht: zij kunnen als kooivogels verscheidene jaren in ’t leven blijven, zijn gemakkelijk te onderhouden, maar planten zich in de gevangenschap niet of uiterst zeldzaam voort.

*

Om ook een voorbeeld te geven van een dunsnaveligen Wevervogel, geven wij een korte beschrijving van het Vuurvogeltje, ook wel Kleine Amaranthe of Kleine Roode Astrilde (Estrelda) genoemd (Habropyga minima). Het geslacht der Prachtvinken (Habropyga), waarvan deze soort een vertegenwoordiger is, omvat de kleinste Wevervogels. Het 10 cM. lange Vuurvogeltje is purperkleurig wijnrood, op den mantel en de schouders reebruin, iedere veder aan de spits met purperkleurigen zoom, de borstzijde met witte stippeltjes geteekend. De slagpennen en de staartveeren zijn bruin, op de buitenvlag met purperrooden zoom. Het reebruine wijfje is alleen op den teugel en den staartwortel purperrood, op de borst echter eveneens wit gestippeld. Het oog is donkerbruin, de snavel rood, de poot roodachtig.

Het Vuurvogeltje bewoont geheel Middel-Afrika van de westkust tot aan de oostkust en van 22° NB tot 25° ZB. In bepaalde tijden van ’t jaar ontbreekt het in geen enkel dorp van Zuid-Nubië en van Oost-Soedan; men vindt het dan zelfs bij iedere hut midden in ’t woud. Het is een der eerste Vogels van de keerkringslanden, die men opmerkt, als men van Egypte naar Soedan reist. Gewoonlijk ziet men het in de nabijheid van de dorpen met andere leden derzelfde familie tot zwermen vereenigd, die dikwijls uit tallooze individuën bestaan; het woont echter ook ver van den mensch in de eenzame steppe en zelfs in het gebergte tot op een hoogte van 1500 M., ofschoon het hier zeldzamer voorkomt.

Aan het Vuurvogeltje kan men niet slechts wegens zijn sierlijke kleuren, maar ook wegens zijn aanvalligheid en lieftalligheid veel genoegen beleven. Hoogstens in de middaguren zoekt het in het schaduwrijke loover der altijd groene boomen beschutting tegen de drukkende zonnehitte. Overigens is het bezig, zoolang de zon boven de kim staat en vliegt onverpoosd van twijg tot twijg, of trippelt met groote bedrijvigheid op de takken, op de huizen en ook op den bodem rond. Wat de snelheid van ’t vliegen betreft, wordt het slechts door zeer weinige verwanten overtroffen, ongetwijfeld is geen hunner echter met een zoo rusteloozen ijver bezield. In de laatste maanden van het droge seizoen is het ruien afgeloopen; zoodra de eerste lenteregen valt, ongeveer in het begin van September, begint de voortplantingsperiode. Tot dusver waren de Vogels tot zwermen vereenigd; deze verdeelen zich nu in paren, die onbeschroomd in de dorpen en steden komen en uitzien naar een geschikte nestelplaats onder het dak van een der kegelvormige, van stroo vervaardigde huizen of van een der dobbelsteenvormige leemen hutten der inboorlingen. Hier wordt op den een of anderen geschikten grondslag een verwarde hoop van droge halmen bijeengebracht, die, een goed afgeronde, maar toch volstrekt niet zorgvuldig bekleede nestholte bevat. Ingeval van nood broedt het Vuurvogeltje op boomen of zelfs dicht bij den bodem. Het nest bevat 3 à 7 witte, nagenoeg bolvormige eieren met gladde schaal, die door beide ouders in 11 à 13 dagen worden uitgebroed.

Wegens zijne fraaie veeren en lieftalligen aard heeft men getracht het Vuurvogeltje in Cayenne te acclimatiseeren; voor zoover ons bekend, hebben deze pogingen echter geen gunstige uitkomst opgeleverd. Op de vogelmarkt komt dit diertje veelvuldig voor. Wanneer het eerst de vermoeienissen van de reis te boven is gekomen, kan men er lang genoegen van hebben; het zal allicht in de gevangenschap broeden en jongen grootbrengen.

*

De Bandvogel of Halsbandvink (Spermestes fasciata), mag beschouwd worden als de meest bekende vertegenwoordiger van de Amadinen (Spermestes). Zijn snavel is zeer dik, de lengte overtreft de breedte en de hoogte slechts weinig; de bovensnavel is bij het begin van den snavelrug plat en aan de zijden door een boogvormig naar achteren gerichte lijn van den voorkop afgescheiden; de ondersnavel is zeer breed; de vleugels zijn middelmatig lang, de staart is kort en afgerond. Dit sierlijke vogeltje is ongeveer zoo groot als een Kanarie, 12.5 cM. lang. Bij het mannetje is de hoofdkleur fraai vaalbruin; de rug is donkerder, de onderdeelen zijn lichter, iedere veer is met een zwarte, dwarse zigzaglijn geteekend of (op de bovenborst) zwart gezoomd; enkele veeren van de borst en van de zijden vertoonen een zwarte, V-vormige, de bovendekveeren van den vleugel aan de spits een groote, grijsroodachtige vlek, die door een ervoor gelegen, zwarte halvemaan bijzonder in ’t oog valt; de slagpennen zijn bruin met valen zoom, de staartveeren dofzwart, van onderen grijsachtig, de buitenvlag der buitenste stuurpennen is gedeeltelijk wit, de overige hebben aan ’t einde een witte vlek, met uitzondering van de beide middelste, die geheel zwart zijn. Het mannetje onderscheidt zich van het wijfje door fraaiere kleuren en door een breeden, prachtig karmijnrooden halsband, die van het eene oog naar het andere loopt en een witten zoom heeft, waardoor het beter uitkomt. Het vogeltje ziet er uit, alsof men het in de keel gesneden had; vandaar zijn Fransche naam, Cou-coupé, en de Engelsche, Cut-throat. De oogen zijn donker-, de snavel en de pooten lichtbruin.

Sedert eenige eeuwen is de Bandvogel als bewoner van West-Afrika in Europa bekend; zijn verbreidingsgebied is echter volstrekt niet tot de westelijke landen van het donkere werelddeel beperkt, maar reikt van hier tot aan de oostkust. In de Nijllanden ontmoet men hem bezuiden den 16en graad N. B. overal in de ijle wouden der steppen. Hij vermijdt de eigenlijke woestijn; aan de grens van den regengordel begint hij zich te vertoonen; daar, waar hij aangetroffen wordt, is hij niet zeldzaam. In de oerwouden ontbreekt hij; wanneer hij ze al eens bezoekt, blijft hij er slechts korten tijd. Deze wouden missen de zaadrijke grassen en andere laag bij den grond groeiende planten, waaraan hij zijn voedsel ontleent. De Bandvogels in de kooi pikken graag in fruit; vermoedelijk zullen zij dus dergelijk voedsel in de vrije natuur niet versmaden. Hun hoofdvoedsel blijft echter altijd zaad.

Rijstvogel (Spermestes oryzivora). ½ v. d. ware grootte.
Rijstvogel (Spermestes oryzivora). ½ v. d. ware grootte.

Rijstvogel (Spermestes oryzivora). ½ v. d. ware grootte.

In het noordoosten van Afrika ontmoet men ze gewoonlijk in gezelschappen van 10 à 40 stuks. Zulke zwermen naderen onbeschroomd de hutten der dorpelingen. In de voormiddaguren ziet men ze op den grond rondloopen, waar zij ijverig bezig zijn met het oppikken van voedsel; nooit klimmen zij echter in de lage grashalmen; gedurende de middaguren zit het gezelschap, in een halve sluimering verzonken, in de twijgen van een schaduwrijken boom. Des namiddags vliegen zij nogmaals uit om voedsel te zoeken.

De broedtijd valt, in Oost-Afrika althans, in de maanden September en October, dus in een deel van ’t jaar, dat met onze laatste lentemaanden vergeleken kan worden. De in gevangenschap levende dieren brengen de bouwstoffen, die men hen verschaft, tot een meer of minder geregeld gebouwd nest bijeen en leggen hierin 6 à 9 witte eieren, de beide ouders broeden om beurten gedurende 13 dagen; gemeenschappelijk brengen zij hunne jongen groot, die, zoodra hunne veeren zich ontwikkeld hebben, in kleur met de ouders overeenstemmen.

In de landen van den Boven-Nijl maakt niemand, in West-Afrika bijna iedereen jacht op den Bandvogel om hem aan de vogelhandelaars in de kustplaatsen te verkoopen. Door tusschenkomst van deze lieden komen ieder jaar duizenden van Bandvogels naar Europa, daar zij de bezwaren van de reis zeer goed te boven komen. Zij zijn zeer gemakkelijk te verzorgen en planten zich, wanneer zij paarsgewijs in de kooi worden gehouden, geregeld voort. Aanvankelijk bekoren zij hun eigenaar door de fraaiheid van hunne veeren en de bevalligheid van hunne bewegingen mettertijd begint men ze echter even vervelend te vinden als al hunne verwanten.

De meest bekende van de Aziatische Amadinen is de Rijstvogel (Spermestes oryzivora). Deze soort is gemakkelijk te herkennen aan de fraai grijze kleur der bovendeelen, den zwarten, meestal wratten-dragen den kop, de licht wijnroode onderdeelen, den zwarten staart met bovendekveeren van gelijke kleur, terwijl de onderdekveeren wit zijn; de snavel is helder rozerood, aan de spits en aan de randen parelwit. De iris is bruin, het ooglid echter rood, de poot roodachtig. Het verbreidingsgebied van dezen Vogel, die ongeveer zoo groot is als een Putter, omvat Malakka en de Soenda-eilanden. Zijn eigenlijk vaderland is echter Java. In sommige werken leest men, dat de Rijstvogel in zijn vaderland “padda” wordt genoemd, omdat hij aan de rijstvelden als woonplaats de voorkeur geeft, en de rijst in de landstaal “padda” heet. Dat men hem hoofdzakelijk in de rijstvelden aantreft, is waar, de rijst heet echter niet “padda” maar “padi” en de Vogel in ’t geheel niet “padda”, maar Gladdik.

“Evenals onze Europeesche Musch,” schrijft Bernstein, “bewoont de Rijstvogel uitsluitend bebouwde landstreken; hij is hier zeer veelvuldig. Zoo lang de rijstvelden of sawahs door het water bedekt zijn, d. i. van November tot Maart of April, zoo lang de rijst groeit en allengs geschikt wordt voor den oogst, houden de Rijstvogels zich bij paren of kleine familiën in de tuinen en hakhoutboschjes der dorpen en in het struikgewas op, waar zij, behalve verschillende zaden en velerlei kleine vruchten, ook wel Insecten en Wormen als voedsel gebruiken. Menigmaal althans heb ik ze op de wegen enz. den bodem zien afzoeken, waar moeielijk iets anders te vinden geweest kan zijn dan dierlijk voedsel; bovendien kwam het mij voor bij ’t onderzoeken van den maaginhoud van verscheidene dezer Vogels, dat zich hierin overblijfselen van zulke voedingsstoffen bevonden. Zoodra echter de rijstpluimen een gele kleur beginnen aan te nemen en de sawahs door het laten afvloeien van het water drooggelegd worden, begeven de Rijstvogels zich, dikwijls in groote zwermen, naar de voor hen zoo aanlokkelijke akkers. Zij richten hier niet zelden een aanmerkelijke schade aan, zoodat men allerlei middelen aanwendt om ze te verdrijven. In de gewesten, die het meest van deze bevederde dieven te lijden hebben, bouwt men te dien einde in de sawah een op vier hooge bamboespalen rustend, klein wachthuisje, op een groot rijstveld meer dan één. Van hier gaan naar alle richtingen een groot aantal draden uit, die verderop vastzitten aan dunne bamboesstokken, welke op bepaalde afstanden van elkander in den grond gestoken zijn. Aan deze draden hangen groote, droge bladen, bonte lappen, poppen, houten kleppers en dergelijke voorwerpen. Zoodra nu de inboorling, die, als een spin te midden van haar web, in het wachthuisje zit, aan de draden trekt, zullen gelijktijdig alle droge bladen beginnen te ratelen, terwijl de poppen zich bewegen, de klepperhoutjes geluid geven, enz.; vol schrik vluchten nu de ongenoode gasten. Ook nog na den oogst vinden de Vogels op de sawahs, die tot aan het begin van het regenseizoen, d. i. tot omstreeks November, braak blijven liggen, rijkelijk den kost, niet alleen omdat er vele rijstpluimen achtergelaten zijn, maar ook omdat tusschen de stoppels in ongeloofelijk korten tijd allerlei soorten van onkruid welig opschieten, waarvan de weldra rijpende zaden den gragen gast een gewenscht voedsel verschaffen. In dezen tijd zijn zij tamelijk vet en dik; vooral de jonge Vogels leveren dan een smakelijk gerecht op; op hen wordt daarom ijverig jacht gemaakt. De gevangen rijstvogels worden alleen door de vogelhandelaars, die ze naar Europa zenden, in ’t leven gehouden.”

Het nest vond Bernstein in de kroon van verschillende soorten van boomen of tusschen de talrijke woekerplanten, die de stammen der arenga-palmen bedekken, De grootte en vorm van het nest verschillen in overeenstemming met de plaats waar het gebouwd wordt. De nesten op de boomen zijn meestal groot en hebben over ’t algemeen een tamelijk regelmatige, half bolvormige gedaante; die, welke tusschen de slingerplanten van de palmenstammen voorkomen, zijn kleiner en hebben een minder bepaalden vorm. In ’t eene zoowel als in ’t andere geval, worden zij bijna uitsluitend vervaardigd van de halmen van verschillende grassen; daar deze niet zeer stevig ineengevlochten zijn, kan het nest niet veel weerstand bieden. Het broedsel bestaat uit 6 à 8 glanzig witte eieren.

Op Zanzibar is de Rijstvogel inheemsch geworden. In Japan, waar hij sinds overouden tijd gefokt wordt, heeft men een zuiver wit ras verkregen, dat in den laatsten tijd geregeld op de Europeesche vogelmarkten komt. De Witte Japansche Rijstvogel is geen albino, maar het product van een langdurige, moeitevolle teeltkeus. Hij heeft donkere oogen en krijgt soms eenige donkere veeren. Niet zelden ontmoet men bonte exemplaren.

De Troepiaal-vogels (Icteridae) hebben een slank, maar toch krachtig gebouwd lichaam, met een langwerpig kegelvormigen snavel; deze is soms iets korter, soms een weinig langer dan de kop; het achterste gedeelte van den bovensnavel is min of meer schildvormig tusschen de veeren van den voorkop verlengd; de pooten zijn krachtig, de vleugels en de staart middelmatig lang. Onder de kleuren van het tamelijk zachte en glanzige vederenkleed hebben zwart, geel en rood de overhand. De grootte wisselt af tusschen die van een Kraai en die van een Vink.

De Troepiaal-vogels leven uitsluitend in Amerika. Alle soorten van deze familie zijn gezellig, opgewekt, beweeglijk van aard en tot zingen bekwaam. Zij bewonen en verlevendigen de wouden; hun voedsel bestaat uit kleine Gewervelde en Gelede dieren en uit Schelpdieren, uit vruchten en zaden; sommige halen zich den haat van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten; andere zijn zeer nuttig. Hunne nesten, welke dikwijls, wat sierlijkheid betreft, voor die van de Wevervogels niet behoeven onder te doen, zijn soms koloniesgewijs aan de boomen opgehangen; de leden van één ondergeslacht bouwen echter geen nesten en broeden niet, maar vertrouwen hunne eieren aan den zorg van vreemde Vogels toe.

Onder de Noord-Amerikaansche soorten van de familie verdient de Baltimorevogel of Baltimore-troepiaal, door de Anglo-Amerikanen Hangnest genoemd (Icterus galbula), als de meest bekende, in de eerste plaats vermelding. Hij vertegenwoordigt het soortenrijke geslacht der Troepialen (Icterus). De kop, de hals, de kin en de keel, de mantel, de schouders, de vleugels en de beide middelste staartveeren zijn donkerzwart, de bovendekveeren van vleugels en staart, de staartwortel en de onderdeelen (met uitzondering van de reeds genoemde) zijn hoog oranje; de armpennen hebben een breeden, de handpennen (doch alleen aan ’t topgedeelte) een smallen, witten buitenzoom; de witte eindhelften van de dekveeren der handpennen vormen gezamelijk een breeden dwarsband over den vleugel; de staartpennen, met uitzondering van de beide middelste, zijn oranjekleurig, op het wortelgedeelte met breede, zwarte dwarsstreepen. Het oog is bruin, de snavel zwartachtig loodgrijs, de poot loodgrijs. Totale lengte 20, staartlengte 8 cM. De kleuren in het wapen van Lord Baltimore, den vroegeren eigenaar van Maryland, zijn zwart en oranje, evenals die van dezen, o.a. in Maryland levenden Vogel; vandaar zijn naam.

Het broedgebied van den Baltimorevogel omvat de oostelijke staten van Noord-Amerika, van Canada tot aan de hoogvlakten in ’t westen. Van hier trekt hij in den winter naar West-Indië en Midden-Amerika. Volgens Audubon is hij op de voor hem geschikte plaatsen zeer veelvuldig, terwijl hij andere slechts op den trek bezoekt. Heuvelachtige landschappen behagen hem, naar ’t schijnt, het meest. In het eerstgenoemde gebied is hij een zomervogel, die in ’t begin van de lente bij paren in ’t land komt en dan zeer spoedig voor de voortplanting begint te zorgen. Zijn nest is verschillend ingericht, al naarmate het door hem bewoonde land heeter of kouder is; altijd echter is het zeer kunstmatig gebouwd en aan een slanke twijg opgehangen. (Vandaar de Engelsche naam van dezen Vogel.) In de zuidelijke staten van Noord-Amerika bestaat het eenvoudig uit zoogenaamd “Spaansch mos” en is het zoo los gebouwd, dat de lucht er overal gemakkelijk doorheen kan dringen; zelfs wordt het van binnen niet met slechte warmtegeleiders gevoerd en aan de noordzijde van de boomen opgehangen. In de noordelijke staten daarentegen wordt het bevestigd aan twijgen, die aan de zonnestralen blootgesteld zijn en van binnen met de warmste en fijnste bouwstoffen gevoerd. De nestbouwende Vogel vliegt naar den grond, zoekt hier geschikte materialen op, hecht ze met het eene einde aan een twijg vast en vlecht alles op zeer kunstmatige wijze dooreen. De Baltimore-vogel kan, terwijl hij bezig is met het bouwen van een nest, soms last veroorzaken aan de menschen in de buurt, o. a. door het wegnemen van het garen van de bleek. Dikwijls heeft men kluwens zijden draden in den wand van zijn nest aangetroffen.

Bobolink (Agelaeus oryzivorus). ½ v. d. ware grootte.
Bobolink (Agelaeus oryzivorus). ½ v. d. ware grootte.

Bobolink (Agelaeus oryzivorus). ½ v. d. ware grootte.

Als het nest gereed is, legt het wijfje er 4 à 6 eieren in, die op lichtgrijzen grond een uit donkerder vlekken, stippels en strepen bestaande teekening vertoonen. Nadat zij veertien dagen lang bebroed zijn, komen de jongen uit; 3 weken later kunnen zij vliegen. Waarschijnlijk broedt, althans in de zuidelijke staten, het paar nog eens in denzelfden zomer. Vóórdat de jongen uitvliegen, kruipen zij vaak als jonge Spechten uit en in het nest en gaan er dikwijls buiten op zitten. Hierna volgen zij ongeveer 14 dagen lang hunne ouders, die hen intusschen voederen en terechtwijzen. Zoodra de moerbeien en de vijgen rijp beginnen te worden, bezoeken zij de plaatsen, waar deze vruchten groeien; hier kunnen zij tamelijk groote verwoestingen aanrichten, zooals vóór dien tijd in de kerse- en andere vruchtboomgaarden. In de lente daarentegen voeden zij zich bijna uitsluitend met Insecten, die zij van de twijgen en bladen afzoeken of met groote behendigheid in de vlucht vangen.—Reeds vroeg beginnen zij hun reis naar het zuiden. Over dag vliegen zij hoog, meestal ieder afzonderlijk, onder luidklinkend geschreeuw en met grooten spoed. Eerst tegen zonsondergang strijken zij op de boomen hunner keuze neer, zoeken haastig eenig voedsel, slapen, ontbijten, en zetten vervolgens de reis voort.

De bewegingen van den Baltimore-vogel zijn sierlijk en gelijkmatig. Hij vliegt rechtuit zonder op te houden; op den bodem loopt hij tamelijk goed. In zijn volle kracht toont hij zich te midden van de twijgen der boomen, hier wedijvert hij met de Meezen in behendigheid.

Wegens zijn schoonheid wordt deze Vogel dikwijls in een kooi gehouden. Zijn gezang, hoewel eenvoudig, is zeer aangenaam door de volheid, kracht en welluidendheid van de 3 of 4, hoogstens 8 of 10 tonen, waaruit het bestaat.

*

Tot het geslacht der Hordevogels (Agelaeus) behooren de kleinste soorten van de geheele familie. Hun snavel heeft een rechten rug, de zijrand is aan den mondhoek hoekig naar beneden gebogen. De achterteen draagt een spoorvormigen klauw. Het vederenkleed van de jongen herinnert dikwijls aan dat van de Gorsen; de oude Vogels zijn zeer verschillend van kleur en teekening.

Een der veelvuldigste en meest gehate Vogels van Noord-Amerika, de Bobolink, ook wel Rietvogel, Rijsttroepiaal of Paperling geheeten (Agelaeus oryzivorus), verdient in de eerste plaats vermelding, omdat hij half Vink, half Troepiaal schijnt te zijn.

Het ondergeslacht der Rijsttroepialen (Dolychonyx), dat door hen vertegenwoordigd wordt, onderscheidt zich door den middelmatig langen, dikken, kegelvormigen, zijdelings samengedrukten snavel, welks bovenste deel smaller is dan het onderste en welks kaakranden op soortgelijke wijze binnenwaarts gebogen zijn als bij de Gorsen; de loop is tamelijk lang en krachtig, de romp gedrongen, de kop groot, de vleugel middelmatig lang. Totale lengte 18, staartlengte 6 cM. In het prachtkleed van het mannetje zijn de voor- en de bovenkop, alle onderdeelen en de staart zwart; de nek is bruinachtig geel; de veeren van den bovenrug zijn zwart met breeden, gelen zoom. De schouder- en staartwortelveeren zijn wit met gelen weerschijn, de slagpennen en vleugeldekveeren zwart, alle met gelen zoom. Het oog is bruin, de bovensnavel donkerbruin, de ondersnavel blauwachtig grijs, de poot lichtblauw.

De Bobolink is in Noord-Amerika een zomervogel, die zeer geregeld komt en vertrekt. Op zijn reis naar ’t zuiden doet hij Middel-Amerika en vooral West-Indië aan, misschien ook de noordelijke landen van Zuid-Amerika; naar het schijnt, dringt hij echter niet tot Brazilië door. Het nest wordt op of kort boven den bodem zonder groote zorg, maar toch altijd tusschen gras- of graanhalmen aangelegd; het is, zooals van zelf spreekt, het middelpunt van het woongebied van een paar. Terwijl de wijfjes met het leggen of broeden bezig zijn, vliegen de mannetjes stoeiend en elkander najagend, boven het halmenwoud rond. Nu en dan verheft een hunner zich al zingend in de lucht en dartelt hier met eigenaardige rukken op en neer. Door dit lied tot navolging geprikkeld, stijgen de mannetjes weldra in menigte omhoog, onder het zingen van dezelfde liefelijke en vroolijke melodie. Met recht roemen de Noord-Amerikanen het gezang van den Bobolink; het bevredigt zelfs het verwende oor van den liefhebber van Europeesche Zangvogels. Met grooten ijver wordt het zingen volgehouden; de tonen zijn rijk aan afwisseling, maar volgen zeer snel en schijnbaar in bonte verwarring op elkander; dit maakt dat men soms het gezang van een half dozijn Vogels meent te hooren, hoewel er in werkelijkheid slechts één zingt.

In de laatste dagen van Mei vindt men in het nest 4 à 6 eieren, die op bruinachtig gelen of blauwachtigen grond met zwartbruine vlekken en krullen geteekend zijn. De jongen worden hoofdzakelijk met Insecten gevoederd, hebben een snellen wasdom en vereenigen zich na het verlaten van het nest met andere van hun soort tot vluchten. Nu vooral bedrijft de Bobolink de daden, die hem door de landbouwers zoo kwalijk genomen worden. Kolossale zwermen van deze Vogels strijken op de graanvelden neer, eten de nog weeke zaden met evenveel smaak als de reeds rijpe en veroorzaken door hun ontzaglijk aantal den boer groote schade. Alle geweren zijn in gebruik tot het verdrijven van de plunderaars, die bij duizenden en honderdduizenden gedood worden; dit baat echter niet veel; de verwoesting duurt toch voort. Hoogstens laten de Vogels zich van het eene veld naar het andere drijven. Zoodra zij hun vernielingswerk in ’t noorden volbracht hebben, trekken zij op de plantages der zuidelijke staten los. Zoo gaat het verscheidene weken achtereen; over dag houden de roovers zich in de graanvelden op, des nachts slapen zij in de rietbosschen. Daarna trekken zij langzamerhand verder zuidwaarts.

In de kooi eet de Bobolink dadelijk met smaak den gevangeniskost; na korten tijd is hij hier even vroolijk en onbezorgd als in de vrije natuur; hij klimt, gymnastiseert en zingt zóó, dat het een lust is hem te zien en te hooren; om hem eenige jaren lang in ’t leven te houden, moet men hem vooral niet overdadig voeren.

*

Van het ondergeslacht der Veetroepialen (Molobrus) is de beroemde of beruchte Cow-bird of Koevogel (Agelaeus pecoris) de meest bekende soort. Zijn kop en hals zijn roetkleurig bruin, alle overige veeren bruinachtig zwart, op de borst met blauwachtigen, op den rug met groenen en blauwen glans; de oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten bruinachtig zwart. Totale lengte 19, staartlengte 8 cM.

De Koevogel is eveneens over het grootste gedeelte van Noord-Amerika verbreid en, in eenige gewesten althans, zeer veelvuldig. Hij bewoont hoofdzakelijk moerassige oorden, vooral die, waar vee wordt geweid, daar hij gaarne te midden van de Runderen en Paarden vertoeft. Zijne slaapplaatsen zoekt hij in het struikgewas of in de rietbosschen aan de oevers der rivieren. In kleine vluchten verschijnt hij in het laatst van Maart of in het begin van April in het noorden van de Vereenigde Staten. Tegen het einde van September verlaat hij dit land weer, gewoonlijk in gezelschap van andere Vogels. Zijn voedsel is in hoofdzaak hetzelfde als dat, waarmede zijne verwanten zich verzadigen. Hij gelijkt op onze Spreeuwen in zoover, dat ook hij van den rug van het vee dikwijls de woekerdieren afzoekt, die zich hier hebben vastgehecht.

Koevogel (Agelaeus pecorus). ½ v. d. ware grootte.
Koevogel (Agelaeus pecorus). ½ v. d. ware grootte.

Koevogel (Agelaeus pecorus). ½ v. d. ware grootte.

De Koevogels en andere leden van zijn ondergeslacht onderscheiden zich door de belangrijke eigenaardigheid, dat zij niet zelf broeden, maar hunne eieren aan den zorg van andere Vogels toevertrouwen; bovendien is bij hen de huwelijksband even los als bij onzen Koekoek. “Als men,” zegt Potter, “een vlucht Koevogels gedurende den broedtijd nagaat, zal men zien, dat het wijfje op een gegeven oogenblik haar gezelschap verlaat, onrustig rondvliegt en ten slotte geruimen tijd blijft zitten op een plaats, van waar zij de bewegingen van andere Vogels kan bespieden. Toen ik eens een wijfje op deze wijze zag zoeken, besloot ik, zoo mogelijk de reden van haar gedrag na te sporen en reed haar langzaam achterna. Ik verloor haar soms uit het oog, maar zag haar telkens spoedig weder. Zij vloog naar iedere met struikgewas dicht begroeide plek, onderzocht met groote zorg alle plaatsen, waar de kleine Vogels gewoon zijn hunne nesten te bouwen, schoot ten slotte pijlsnel neer op een dicht boschje van elzen en doornstruiken, bleef hier 5 of 6 minuten en keerde vervolgens naar haar gezelschap op het veld terug. In de struiken vond ik het nest van een Grondwoudzanger of Geelborstje (Geothlypis trichas) en hierin het ei van een Koevogel. Het komt mij zeer waarschijnlijk voor, dat deze parasiet met geweld in het nest van andere Vogels doordringt en hen uit hun rechtmatig eigendom verdrijft. Alleen wanneer dit niet mogelijk is, tracht hij langs sluipwegen zijn doel te bereiken.”

Het ei is, evenals dat van den Koekoek, kleiner dan men, op de grootte van den Vogel afgaande, vermoed zou hebben; het is op lichtgrijzen grond met omberbruine vlekken en strepen geteekend, die in de nabijheid van het dikste uiteinde het dichtst opeengehoopt zijn. Volgens Audubon legt de Koevogel nooit meer dan één ei in hetzelfde nest, ongetwijfeld legt hij er echter verscheidene gedurende ieder voortplantingstijdperk. Na een bebroeding van 14 dagen komt de jonge Vogel te voorschijn en wordt op dezelfde wijze grootgebracht als de jonge Koekoek.

Bijna even veelvuldig als de Bobolink is de Roodvleugel, de Redwinged Blackbird (Roodvleugelige Zwartvogel) der Amerikanen, ook wel Epaulettenspreeuw genaamd (Agelaeus phoeniceus). Het bruiloftskleed van het mannetje is donkerzwart, over de schouders loopt een breede, prachtig karmijnroode band, die van onderen door een bruinachtig gele strook begrensd wordt. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.

Ook de Roodvleugel is over geheel Noord-Amerika verbreid en overal, waar hij voorkomt, veelvuldig; in het noorden van de Vereenigde Staten broedt hij geregeld; in het zuiden komt hij slechts in den winter, tijdelijk in zeer grooten getale voor. De eerste jongen vliegen in ’t begin van Juni uit, die van het tweede broedsel in de eerste dagen van Augustus. In dezen tijd is het graan in de middelste staten nagenoeg rijp; de landbouwers moeten dan ernstige maatregelen nemen om de verwoestingen te keer te gaan van de uit tallooze individuën bestaande zwermen Roodvleugels, die hunne akkers komen plunderen. Gewoonlijk echter is zelfs hun grootste ijver vruchteloos; het ontzaglijk aantal Vogels verijdelt hun streven.

Wegens zijn schoonheid wordt de Roodvleugel dikwijls in de kooi gehouden; hij is niet veeleischend, zingt vlijtig, is voortdurend opgewekt en bedrijvig, steeds blijmoedig en, althans in het verkeer met Vogels, die tegen hem opgewassen zijn, verdraagzaam. Hij is een sieraad voor een volière.

*

Nauw verwant met de Hordevogels zijn de Frontvogels (Cassicus), de grootste leden van hun familie. Zij zijn slank gebouwd, hebben een langen, spits kegelvormigen snavel, die van boven schildvormig tusschen de veeren van het voorhoofd verlengd is; aan hun breed, halfrond voorhoofd danken zij hun naam. De pooten zijn sterk en met lange teenen voorzien, de vleugels tamelijk lang en toegespitst; de staart is lang en uit breede veeren samengesteld; het zwartachtige vederenkleed is glanzig en met geel en rood afgezet.

De Frontvogels, die in Amerika tot op zekere hoogte de plaats van onze Raven innemen, zijn fraaie, levendige en beweeglijke dieren, die in de wouden en steeds op de boomen leven. Als de granen en vruchten rijp zijn, komen zij onbeschroomd in de nabijheid van woningen en plantages, waar zij soms lastig worden. In het woud maken zij jacht op Insecten, de grootste soorten ook op kleine Gewervelde Dieren; bovendien eten zij vruchten en zaden. Hun stem is niet zoo welluidend als die van de Hordevogels, maar klinkt toch in ’t geheel niet onaangenaam en onderscheidt zich door groote buigzaamheid. Volgens Schomburgk worden sommige soorten door de Europeesche bewoners van Guyana “Spotvogels” genoemd. Zij bootsen niet alleen de geluiden van alle om en naast hen zingende en schreeuwende Vogels, maar ook die van Zoogdieren na.

Bijna even merkwaardig als hun stem is hun nestbouw. Zij vormen broedkolonies en hangen hunne buidelvormige, tamelijk kunstige nesten gemeenschappelijk aan denzelfden boom op, niet zelden in broederlijke eendracht met verwante soorten, die na hun broedtijd hun eigen gang gaan en zich om de medebewoners der kolonie niet meer bekommeren. De nesten zijn langwerpig fleschvormig en zoo doorluchtig, dat men den licht gekleurden staart van den broedenden Vogel door den nestwand heen zien kan. Het bouwen van deze nesten vordert veel tijd, behendigheid en moeite. Enkele soorten gebruiken geen andere grondstof dan de op naaigaren gelijkende strooken of vezels, die zij van de bladen der palmen afschillen.

Een merkwaardige vertegenwoordiger van dit geslacht is de Sjapoe (Japoe) of Kuiftroepiaal (Cassicus cristatus). Hij is 40 à 45 cM. lang en heeft een 18 à 19 cM. langen staart. Op het midden van den bovenkop zijn de veeren smal en vormen een kuif. De vijf buitenste paren stuurpennen hebben een citroengele kleur; de staartwortelveeren en de dekveeren van den staart zijn licht kastanjebruin; overigens is de geheele Vogel glanzig zwart. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner dan het mannetje.

Met uitzondering van de westelijke districten van Zuid-Brazilië, is de Sjapoe over de geheele oostelijke helft van Zuid-Amerika verbreid, noordwaarts tot in Guatemala. Hij is een woudbewoner en wordt alleen dan op plantages of bij menschelijke woningen aangetroffen, wanneer deze dicht bij het woud gelegen zijn. Zijn gezellige aard verloochent hij zelfs gedurende den broedtijd niet; op een kleine ruimte ziet men dan dikwijls 30, 40 of meer paren van deze Vogels bezig met het bouwen van hunne merkwaardige nesten, die soms alle te zamen aan de twijgen van één enkelen hoogen of wijd getakten boom van het oerwoud hangen.

Het nest van den Sjapoe is een smalle, lange, van onderen afgeronde, 1 à 1.5 M. lange buidel, welks onderste gedeelte, dat de ligplaats voor de jongen bevat, een wijdte heeft van 13 à 17 cM.; het bovenstuk is geslingerd om, en hierdoor stevig bevestigd aan een tamelijk slanke twijg, die ongeveer zoo dik is als een vinger. De langwerpige, volkomen onbeschutte opening voor het in- en uitvliegen bevindt zich aan het dunne gedeelte van den uit een los vilt samengestelden buidel, die wegens zijn vorm en buigzaamheid in hooge mate blootgesteld is aan de werking van den wind en reeds door een zwakke luchtstrooming in beweging wordt gebracht. Dit nest, dat op zeer kunstige wijze vervaardigd wordt van ineengevlochten en tot vilt verwerkte vezels van tillandsia’s, gravatha’s en andere planten, is zoo stevig, dat het moeite kost het te verscheuren. Op den bodem van den diepen buidel liggen de eieren (1 of 2) en later de jonge Vogels op een laag mos, droge bladen en boombast. De met nesten beladen boom, de groote, fraaie Vogels, die af- en aanvliegen en ijverig werkzaam zijn, leveren voor den natuuronderzoeker en den jager een zeer aantrekkelijk schouwspel op. Het grootst en het fraaist zijn de mannetjes; als zij hun stem zullen laten hooren, spreiden zij den prachtigen staart uit, lichten op de wijze van een Zwaan hunne vleugels een weinig op, houden den kop omlaag en verwijden den krop. In plaats van den kort afgebroken, heeschen, eenigszins krassenden loktoon, brengen zij dikwijls een zonderling, doch niet onaangenaam klinkend, fluitend keelgeluid voort, dat met den loktoon en andere klanken vereenigd wordt tot een vreemdsoortig, niet onbehagelijk gezang.

Sjapoe (Cassicus cristatus). ⅖ v. d. ware grootte.
Sjapoe (Cassicus cristatus). ⅖ v. d. ware grootte.

Sjapoe (Cassicus cristatus). ⅖ v. d. ware grootte.

Gevangen Sjapoes kunnen jaren achtereen in ’t leven gehouden worden; zij toonen ook in de kooi hun opgewekten en bedrijvigen aard. Binnenshuis zijn zij echter hinderlijk door de onaangename lucht, die zij verbreiden.

De Spreeuwvogels (Sturnidae) zijn middelmatig groot, hebben een gedrongen lichaamsbouw, een korten staart en tamelijk lange vleugels; hun snavel is langer dan de kop en even lang als deze: hij is recht en slank, en neemt in de richting van de spits gelijkmatig in breedte en hoogte af; de pooten zijn middelmatig lang en tamelijk forsch, de veeren tamelijk overvloedig, maar hard; haar kleur is zeer ongelijk.

Evenals de Troepialen voor Amerika, zijn de Spreeuwvogels voor de Oude Wereld in hooge mate karakteristiek; beide familiën zijn ongeveer even rijk aan soorten; die van de Spreeuwvogels heeft in ieder deel van het oostelijk halfrond vertegenwoordigers, in ’t geheel ongeveer 150. Evenals de genoemde, in hooge mate gezellige Vogels, vormen ook zij, zoowel in als buiten den broedtijd, meer of minder groote gezelschappen en verrichten hunne bezigheden gemeenschappelijk. Hun gang is stappend, een weinig waggelend, maar toch vlug en goed; zij vliegen gemakkelijk, met behendige vleugelslagen, snel en met gedruisch; te midden van de twijgen en in de rietvelden weten zij zich flink te bewegen. Alle soorten van Spreeuwen hebben een levendigen en onrustigen aard: zij zijn onophoudelijk werkzaam en houden zich ook gedurende den korten rusttijd vaak met eenigen arbeid bezig. Hun voedsel bestaat uit Insecten, Wormen en Slakken, bovendien ook uit vruchten en plantendeelen; zij worden echter niet schadelijk voor den mensch. Hun nest is groot en onregelmatig gebouwd; het wordt in holten van boomen, rotsen, muren enz. gevonden. Het aantal eieren, waarop de Vogel broedt, wisselt van 4 tot 7 af. Alle soorten verdragen de gevangenschap licht en gedurende langen tijd; sommige van hen kan men tot de vermakelijkste kooivogels rekenen.

Onze algemeen bekende Spreeuw (Sturnus vulgaris), wordt in Groningen Sproa of Sprotter, in Friesland Sprotter, in Overijsel Sproa, in Gelderland Spraan, te Amsterdam Panlijster, in het land van Kuik Sproon genoemd. De jongen heeten in Groningen Kale Dotter, in Overijsel Doddekonte. De kleur is in verband met leeftijd en jaargetijde verschillend. Het kleed van het oude mannetje is in de lente zwart met groenen en purperkleurigen weerschijn; de kleur van de vleugels en van den staart schijnt lichter wegens de breede, grijze randen der veeren; enkele veeren van den rug hebben geelachtig grijze eindvlekken. De oogen zijn bruin, de pooten roodbruin; de snavel is zwart. Geheel anders is het kleed kort na het ruien. Dan zijn de spitsen van alle veeren van den nek, den bovenrug en de borst witachtig van kleur; het geheele dier ziet er dan gestippeld uit. Tevens wordt de snavel donkerder. Het wijfje gelijkt op het mannetje, maar is ook zelfs in het lentekleed sterker dan hij. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM.

1) Spreeuw (Sturnus vulgarus). 2) Eénkleurige Spreeuw (Sturnus unicolor). ½ v. d. ware grootte.
1) Spreeuw (Sturnus vulgarus). 2) Eénkleurige Spreeuw (Sturnus unicolor). ½ v. d. ware grootte.

1) Spreeuw (Sturnus vulgarus). 2) Eénkleurige Spreeuw (Sturnus unicolor). ½ v. d. ware grootte.

In het zuiden van Europa wordt onze Spreeuw vervangen door den Eénkleurigen of Zwarten Spreeuw (Sturnus unicolor). Deze onderscheidt zich door den eigenaardigen vorm van de kop-, borst- en nekveeren, die zeer lang en smal zijn, en ook door de teekening; daar het leikleurige kleed, dat een zwakken metaalglans vertoont, bijna geheel vrij van vlekken is.

Bij IJsland en de Fär-öer te beginnen, wordt de Gewone Spreeuw in ’t grootste deel van Europa, althans gedurende een deel van ’t jaar, aangetroffen, zoo ook in de voor hem geschikte gewesten van Middel-Azië, o. a. in het zuidwesten van Siberië en in Klein-Azië. In Europa is hij volstrekt niet overal standvogel. In alle zuidelijke provinciën van Spanje, in Zuid-Italië en in Griekenland b. v., vertoont hij zich slechts gedurende de wintermaanden, hoewel hij in de Pyreneeën en de Zuidelijke Alpen broedt. Hij geeft de voorkeur aan vlakke gewesten en bewoont hier het liefst boschrijke weidegronden, maar blijft ook in de streken, die hij anders alleen op den trek bezoekt, wanneer men hier doelmatige broedkasten voor hem plaatst. Lenz heeft op deze wijze gemaakt, dat hij in het Thüringer-woud inheemsch werd. In de meeste koude en gematigde gewesten is hij een trekvogel; intusschen blijven in zachte winters vele exemplaren hier, evenals ook in Groot-Brittannië en zelfs in het zuiden van Zweden. Op de Fär-öer, waar hij in de nabijheid van de talrijke schapenkudden een overvloed van voedsel vindt, is hij standvogel, hoewel hij vele streken van Middel-Europa, die veel verder zuidwaarts liggen, tegen den winter verlaat. Bij ons komt de Spreeuw vroeger terug dan de meeste andere trekvogels, soms reeds in Februari, gewoonlijk in Maart; hij blijft tot laat in den herfst. Zijn reis strekt zich hoogstens tot Noord-Afrika uit; in Algerië en Egypte komt hij iederen winter geregeld voor. Het hoofdleger blijft echter in Zuid-Europa achter en zwerft hier met allerlei andere Vogels, vooral Raven en Lijsters, het land rond. Zoodra hij meent, dat zijn geboortegrond hem weer voedsel kan verschaffen, begeeft hij zich op den terugweg; men ziet hem daarom bij ons in den regel reeds vóór het smelten van de sneeuw. Vooral daar, waar de menschen hem gedurende den winter het blijven gemakkelijk maken, vertrekt hij niet naar ’t zuiden; op vele plaatsen, waar hij vroeger niet overwinterde, is hij in den laatsten tijd begonnen dit wel te doen.

Er bestaat misschien geen opgewekter, blijmoediger, vroolijker Vogel dan de Spreeuw. Als hij bij ons terugkomt, is het weer dikwijls nog zeer ongunstig, de sneeuwvlokken dwarrelen door de lucht, het voedsel is nog schaarsch, kortom, de geboortegrond heeft den reiziger geen vriendelijke ontvangst bereid. Toch laat hij reeds van den eersten dag af zijn lied hooren en plaatst zich daartoe, als gewoonlijk, op de hoogste punten, waar hij van alle kanten aan weer en wind is blootgesteld. Hij beschouwt de omstandigheden met de kalmte en de gelijkmoedigheid van een wijsgeer en verliest er in geen geval zijn onveranderlijk blijde gemoedsstemming door. Ieder, die hem kent, moet van hem houden en wie hem nog niet kent, kan ik ten sterkste aanbevelen, zich met hem te bemoeien. Hij wordt voor den mensch een lieve vriend, die de aan hem besteede zorg duizendvoudig vergeldt.

Onmiddellijk na hun terugkomst in de lente, vertoonen de mannetjes zich op de hoogst gelegen plaatsen van het dorp of van de stad, op den kerktoren of op oude boomen, om hier onder levendige bewegingen met de vleugels en den staart te zingen. Hun gezang is niet veel bijzonders, meer een gekweel dan een lied, het bevat ook eenige onaangename, krassende tonen; maar, daar het met zooveel vuur en vroolijkheid wordt voorgedragen, hoort men het toch zeer gaarne. Het buitengewoon talent van nabootsing, dat den zanger eigen is, verhoogt zeer de onderhoudendheid van zijn gezang. Alle geluiden, die in een streek gehoord worden, het ingehouden gefluit van den Wielewaal zoowel als het krijschen van de Vlaamsche Gaai, het luide geschreeuw van den Buizerd zoowel als het kakelen van de Hoenderen, het klapperen van een molen, het knarsen van een deur of van een windvaan, het slaan van den Kwartel, het neuriën van den Boomleeuwerik, geheele strophen uit het gezang van Rietzangers en Lijsters en van het Blauwborstje, het gekweel van de Zwaluwen, al deze en dergelijke klanken worden met een geoefend oor aangehoord, met grooten ijver bestudeerd en daarna op de vermakelijkste wijze weergegeven. Zelfs het gefluit van den mensch bootst hij zeer getrouw na, zooals blijkt uit het volgende bericht van G. Dieck: “Een van mijne Spreeuwen gaf aanleiding tot een zeer grappig voorval. Daar ik aan een keelaandoening lijd, ben ik gewoon, mijne tuinlieden te roepen door te fluiten. Nu was het reeds meermalen gebeurd, dat een van hen snel kwam aanloopen, zonder dat ik gefloten had en zelfs, terwijl ik in ’t geheel niet thuis was. Wij konden hiervoor geen verklaring vinden. Ten slotte bleek het, dat een van de Spreeuwen, die in de nabijheid van mijn woonhuis nestelen, mij dit gefluit had afgeluisterd en het dikwijls nauwkeurig en luid liet hooren.”—Des morgens vroeg begint de Spreeuw te zingen, hij zwijgt gedurende een deel van den dag en geeft ’s avonds nogmaals een langdurige voordracht ten beste.

In het begin van Maart wordt het nest gebouwd. In bosschen van breedbladige boomen kiest de Spreeuw hiervoor holle stammen; wanneer hij zulke door de natuur gevormde broedplaatsen niet tot zijn beschikking heeft, vestigt hij zich in gebouwen; het liefst maakt hij echter gebruik van de broedkastjes, die door den mensch voor hem vervaardigd zijn. Dit zijn uitgeholde stukken van boomstammen van 50 à 60 cM. hoogte en 20 cM. middellijn, die van boven en van onderen met een plankje gesloten en op korten afstand van het bovenste plankje met een opening van 5 cM. middellijn voorzien zijn, of kistjes, die uit aaneengespijkerde plankjes bestaan en overigens ongeveer dezelfde inrichting hebben. Zij worden in de boomen gehangen, op palen geplaatst of aan den gevel van het huis bevestigd. De onderlaag van het slordige nest bestaat uit stroo en grashalmen; van binnen is het bekleed met veeren van Ganzen, Hoenderen en andere groote Vogels; des noods behelpt de Spreeuw zich echter ook wel met stroo of hooi en in het woud met verschillende korstmossen. Tegen het einde van April is het eerste broedsel compleet: 5 à 6 langwerpige eieren, welker eenigszins oneffen schaal een fraaien glans en een lichtblauwe kleur bezit. Met het broeden houdt alleen het wijfje zich bezig. Zoodra de jongen uit het ei gekomen zijn, hebben de beide ouders het zoo druk met het aandragen van voedsel dat de vader weinig tijd voor ’t zingen overhoudt; een enkel uurtje weet hij echter hiervoor nog wel te vinden. In dezen tijd ziet men daarom de eerwaardige familievaders tegen den avond bijeenkomen en zich met gezang vermaken.

Wanneer de jongen 3 à 4 dagen lang onder de leiding van hunne ouders in de buitenwereld hebben verkeerd, zijn zij in staat om zichzelf te redden. Zij voegen zich bij andere jongen van hun soort en vormen nu reeds tamelijk talrijke vluchten, die zonder bepaald doel rondzwerven. Intusschen beginnen de ouders met hun tweede broedsel en zoeken, als ook deze jongen ver genoeg ontwikkeld zijn, door hen vergezeld, de jongen van het eerste broedsel op. Van nu te beginnen slapen zij niet meer op de broedplaatsen, maar in het bosch en later ook in de rietvelden aan den kant van ’t water. “Van mijlen ver,” zegt Lenz, “trekken zij naar zulke plaatsen; van alle zijden komen zij iederen avond opzetten en verzamelen zich tot troepen. Tegen het einde van Augustus zijn de riethalmen en de lischdodden in de rivieren, poelen en meren hoog en sterk genoeg om hen te dragen; zulke plaatsen zoeken zij op; des daags over een gebied van vele mijlen verspreid, vereenigen zij zich des avonds tot zwermen van duizenden, ja zelfs honderdduizenden stuks, die uren lang, soms bijeengevoegd, soms gescheiden, als wolken door het luchtruim zwieren, nu eens op de weiden, dan weer op het riet neerstrijken en zich eindelijk, als de nacht invalt, snorrend, kweelend, fluitend, zingend, krijschend, twistend te ruste begeven, nadat ieder hunner voor zich een plaatsje uitgekozen of vechtend veroverd heeft op een halm, die door zijn zwaarwichtigen persoon naar beneden gebogen wordt. Als de halm onder den last bezwijkt, vliegt de daarop gezeten Vogel met geraas omhoog en neemt op even luidruchtige wijze een nieuwe rustplaats in bezit. Als een schot of een andere even ernstige rustverstoring een panischen schrik heeft teweeggebracht, stijgt het geheele leger onder hevig gesuis en gebruis in het luchtruim omhoog en zwiert hier een tijdlang rond, voordat het weer nederstrijkt. Als het einde van September naakt, zetten de zwermen hun gezellig, vroolijk leven nog een tijdlang voort; de oude paren evenwel gaan naar hunne nesten terug en zingen hier ’s morgens en ’s avonds, alsof er in ’t geheel geen winter in aantocht is; zij verdwijnen echter uit onze gewesten en trekken met de lieve jeugd naar het zuiden, zoodra de eerste strenge vorst invalt of de eerste sneeuw de velden overdekt. Als het weer gunstig is, blijven zij tot de laatste week van October of tot de eerste week van November; daarna zijn zij door geen enkele reden te bewegen om hun reis tot later uit te stellen.” In hunne winterkwartieren leiden zij hetzelfde leven als bij ons. Men kan ze in Januari van de torens van de Domkerk van Toledo en in Egypte van den rug van de Buffels hun lied hooren voordragen.

Hoewel onze Spreeuwen in de wijnbergen een belangrijke, in de kersenboomgaarden en groentetuinen nu en dan een niet onaanzienlijke schade aanrichten, hoewel zij in de rietvelden, waar zij in grooten getale overnachten, door het breken der halmen aanzienlijke verliezen kunnen veroorzaken, is overigens hun nut zoo buitengewoon groot, dat men ze als de beste vrienden van den landman kan aanmerken. “Bij geen Vogel,” zegt Lenz, “kan men zoo gemakkelijk als bij den Spreeuw waarnemen, hoe nuttig hij is. Als de jongen van het eerste broedsel uitgekomen zijn, brengen de ouders in den regel des voormiddags om de drie minuten voedsel naar het nest, des namiddags alle vijf minuten: in ’t geheel dus iederen voormiddag in 7 uren 140 vette Slakken (of in plaats van deze hun equivalent aan Sprinkhanen, rupsen enz.), des namiddags 84. Voor de twee ouders te zamen reken ik per uur minstens 10 slakken; dus in 14 uren 140, in ’t geheel worden dus door de familie dagelijks 364 vette Slakken verorberd. Na het uitvliegen dezer jongen gebruikt het gezin nog meer voedsel; later komen ook de jongen van het tweede broedsel om hun portie; door hen vermeerdert het aantal leden der familie tot 12; indien ieder familielid per uur 5 Slakken eet, verdelgt het Spreeuwengezin dagelijks 840 Slakken. Ik heb nesthokjes voor Spreeuwen aan mijne gevels, onder de lijsten en aan de boomen, die dicht bij mijne gebouwen staan, te zamen 42. Als deze alle bezet zijn, breng ik, ieder gezin op 12 stuks rekenend, ieder jaar van mijn woning uit een troep van 504 Spreeuwen in ’t veld, die per dag een leger van 35.280 groote, dikke, vette Slakken om ’t leven brengen en verzwelgen.”

Roséspreeuw (Pastor roseus). ⅗ v. d. ware grootte.
Roséspreeuw (Pastor roseus). ⅗ v. d. ware grootte.

Roséspreeuw (Pastor roseus). ⅗ v. d. ware grootte.

Een fourageerende Spreeuw levert een alleraardigst schouwspel op. Bedrijvig loopt hij op den bodem rond, rusteloos keert hij zich nu eens naar den eenen, dan weer naar den anderen kant, zorgvuldig doorzoekt hij ieder kuiltje, ieder boschje gras. Bij deze gelegenheid wordt de snavel met zooveel behendigheid en op zoo verschillende wijzen gebruikt, dat het een lust is om te kijken naar den kunstenaar, die met zulk een eenvoudig werktuig zoo velerlei werkzaamheden kan verrichten. Wat aan het oog ontgaat, wordt met de tong opgespoord; met de prooi, die heden niet gevangen wordt, wordt morgen de disch voorzien.

Onze groote soorten van Valken, vooral de Haviken en Sperwers, voorts de Kraaien, Eksters en Vlaamsche Gaaien, bovendien de Edelmarters, Wezels, Eekhoornen en Zevenslapers, zijn erge vijanden van de Spreeuwen. De eerstgenoemde brengen de voor ’t vliegen geschikte Vogels in gevaar, de laatstgenoemde de nog hulpbehoevende jongen, die zij uit de nesten halen, hoe dapper de ouders zich ook tegen de roovers verzetten. De sterke vermenigvuldiging van onze Vogels vergoedt echter weldra alle verliezen, die geleden mochten zijn; bovendien wordt het gevaar verminderd door de schranderheid van den Vogel. Deze houdt zich b.v., wanneer hij in ’t veld voedsel zoekt, in gezelschap van Kraaien en Roeken op, maakt zich aanhoudend hun waakzaamheid te nutte en vlucht bij de nadering van een roofdier, vooral van een Roofvogel, terwijl deze door de moedige Kraaien aangevallen wordt. Tegen vervolging door den mensch is hij gelukkig gevrijwaard door zijn lieftalligheid en in hoogere mate nog, doordat zijn vleesch onsmakelijk, ja zelfs bijna oneetbaar is. In de kooi wordt hij minder dikwijls gehouden, dan hij verdient. Hij is niet veeleischend, zeer schrander, buitengewoon leerzaam, vroolijk, opgeruimd, tot spelen en stoeien geneigd, leert wijsjes nafluiten en woorden naspreken, sluit een innige vriendschap met zijn verzorger, kan bijna een menschenleeftijd lang in de kooi blijven leven en vereenigt zoo vele goede eigenschappen in zich als nagenoeg geen andere kamervogel van dergelijk slag.

*

De naaste, in Europa wonende verwant van onze Spreeuw is de Roséspreeuw (Pastor roseus), een vertegenwoordiger van het geslacht der Steppenspreeuwen (Pastor). Zijne veeren hebben aan den kop, waar zij een lange, hangende nekkuif vormen, en aan den hals, van voren tot aan de borst, van achteren tot daar waar de mantel begint, een zwarte kleur met donkervioletten, metaalachtigen weerschijn; zwart met groenen weerschijn zijn de vleugels, de staart, de dekveeren van den staart; de overige veeren zijn licht rozerood; de snavel is rozerood, de poot roodachtig bruin. Totale lengte 21 à 23, staartlengte 7 cM.

De Roséspreeuw behoort tot de “Zigeunervogels”, daar hij in sommige jaren in grooten getale voorkomt in bepaalde streken, waar hij in andere jaren in ’t geheel niet gevonden wordt, hoewel naar allen schijn de omstandigheden in hoofdzaak dezelfde zijn gebleven. De steppen van Centraal-Azië moeten als het brandpunt van zijn verbreidingsgebied beschouwd worden; van hier te beginnen vindt men de plaatsen, waar hij geregeld broedt, aan den eenen kant tot in Zuid-Rusland en de Donau-laagvlakte, aan den anderen kant tot in Klein-Azië en Syrië, oostwaarts bovendien tot in Mongolië en China. Op den trek begeeft hij zich iederen winter naar Indië; ook bezoekt hij, hoewel niet ieder jaar, Griekenland en Italië, zeer zelden soms ook Afrika. Bovendien komt het nu en dan voor (en wel gewoonlijk des zomers, ongeveer in den broedtijd), dat hij de grenzen van zijn verbreidingsgebied ver overschrijdt en niet alleen in de richting, die hij op den trek volgt, maar ook straalsgewijs naar verschillende zijden reist. Hij vertoont zich dan in alle deelen van Italië en Griekenland, voorts in de andere gewesten van het Balkan-schiereiland, in de Donau-laagvlakte en in Hongarije, ook wel in alle overige kroonlanden van Oostenrijk, voorts in Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, Nederland, België, Denemarken, Groot-Brittannië, ja zelfs op de Fär-öer. In Nederland werden in 1856, 1874, 1885, 1886 en 1893 exemplaren van deze soort gevangen, in ’t eerstgenoemde jaar in Juli, in de overige jaren in September of October.

De Roséspreeuw is veel onrustiger dan onze Spreeuw: iederen dag doorkruist hij een zeer uitgestrekt gebied, herhaaldelijk vertoont hij zich in den loop van den dag op dezelfde plaatsen, houdt zich hier echter steeds slechts korten tijd op, doorzoekt een streek, stijgt omhoog en vliegt weg, om misschien eerst verscheidene kilometers verder hetzelfde spel te hervatten. Van tijd tot tijd, vooral in de middaguren, zwerft de geheele vlucht een kwartier uurs of langer hoog in de lucht rond, waar deze Vogels op de wijze van de Bijeneters Insecten vangen, om vervolgens weer op den bodem neer te strijken en hier zoo ijverig te zoeken, alsof zij hoog boven den grond in ’t geheel niets gevonden hadden.

Het gezang van deze Vogels is slechts een tamelijk heesch gesnap, waarin de loktonen nog de welluidendste, alle overige geluiden echter ratelend en krijschend zijn, zoodat het geheel ongeveer weergegeven kan worden door de syllaben “etsj retsj rietsj riets sjerr tsierr tswie sjierr kier” enz.; “rietsj” en “sjierr” zijn de veelvuldigst voorkomende klanken.

Insecten van allerlei slag, vooral groote Sprinkhanen en Kevers, bovendien bessen en vruchten zijn het voedsel van de Roséspreeuwen. Met het verdelgen van de terecht gevreesde Treksprinkhanen houden zij zich zoo ijverig bezig, dat de Tartaren en Armeniërs ook thans nog tot afwering van het dreigende gevaar processies houden bij het verschijnen van deze Vogels, omdat zij hen als de voorloopers van de Sprinkhanenzwermen beschouwen.

Bij de keuze van een broedplaats legt de aanwezigheid van water groot gewicht in de schaal; in de steppe vindt men daarom de Roséspreeuwen in den broedtijd zoo goed als uitsluitend in de nabijheid van rivieren, beken of meren. Ook thans nog even gezellig als in de andere jaargetijden, zijn zij op de broedplaatsen meestal tot ontzaglijk groote zwermen van duizenden en nogmaals duizenden exemplaren vereenigd, zoodat er weldra evenzeer gebrek is aan geschikte gelegenheden om te nestelen, als aan slaapplaatsen. Het nest wordt gebouwd in door hen zelf gegraven holen, in allerlei spleten en gaten van gesteenten en van muren, ook wel, ofschoon zeldzamer, in holle boomen. Daar echter de goede nestplaatsen weldra bezet zijn, moeten vele zich behelpen met de tusschenruimten van houtstapels, steenhoopen of afgevallen takken; vele nesten worden zelfs op de eerste de beste plaats gebouwd en zijn niet eens beschut of overdekt.

*

De Ossenpikkers (Buphaga) onderscheiden zich van alle overige Spreeuwen hoofdzakelijk door het maaksel van den snavel en van de pooten, in niet geringe mate echter ook door hun levenswijze. De snavel is korter dan de kop, aan den wortel breed en afgerond, volgens de ruglijn eerst een weinig neergedrukt, verder naar voren gewelfd, de spits een weinig voor die van den ondersnavel gelegen en naar beneden gebogen, terwijl de voorhelft van de onderkaak stomphoekig naar boven klimt. De pooten hebben een dikken, korten loop en lange teenen met sterk gekromde, spitse, zijdelings samengedrukte nagels.

De Roodsnavelige Ossenpikker (Buphaga erythrorhyncha), de meest bekende van de beide soorten van dit geslacht, is van boven olijfbruin; de zijden van den kop, de kin en de keel zijn lichter van kleur, de overige onderdeelen licht roestgeelachtig vaal, de slagpennen en de onderdekveeren van den vleugel donkerbruin. De iris en een naakte ring om het oog zijn goudgeel, de pooten bruin; de snavel is lichtrood. Totale lengte 21, staartlengte 9 cM. Het verbreidingsgebied van dezen Vogel omvat geheel Middel-Afrika. De andere, iets grootere soort—de Geelsnavelige Ossenpikker (Buphaga africana)—bewoont Senegambië en Zuid-Afrika en wordt ook op sommige plaatsen nevens zijn verwant aangetroffen.

Men ontmoet de Ossenpikkers in kleine gezelschappen van 6 à 8 stuks, steeds in de nabijheid van groote Zoogdieren, zonder welke zij, naar het schijnt, in ’t geheel niet zouden kunnen bestaan. Zij volgen de kudden van grazende Runderen of Kameelen, maar worden ook bij afgezonderd levende exemplaren aangetroffen en strijken gewoonlijk op één dezer dieren neder. Uit de berichten van reizigers in Zuid-Afrika blijkt, dat zij aan de Olifanten en Neushoornen dezelfde diensten bewijzen als aan het vee. Volgens Levaillant zoeken zij ook de Antilopen, waarschijnlijk dus alle groote Zoogdieren op. Vooral op dieren, die open wonden hebben, waarop de Vliegen azen, zijn zij werkzaam. Hierdoor hebben zij zich de haat van de Abessiniërs op den hals gehaald, die in de meening verkeeren, dat het pikken met den snavel de gewonde plaatsen prikkelt en de genezing verhindert; deze Vogels worden echter voornamelijk aangelokt door de Horzellarven, die zich onder, en door de bloedzuigende Teeken, die zich op de huid van de Zoogdieren hebben gevestigd. De eerstgenoemde halen zij uit hunne schuilhoeken te voorschijn, de laatstgenoemde zoeken zij van alle lichaamsdeelen hunner vrienden af. Gezonde Zoogdieren, die sinds hun jeugd aan deze Vogels gewoon zijn, laten nooit blijken, dat het pikken hun lastig is, integendeel zij gaan met de Buphaga’s steeds zeer vriendschappelijk om en laten hen begaan, onverschillig hoe zij ook bezig zijn, zonder ooit met den staart naar hen te slaan: daarentegen gaan de dieren, die met de Ossenpikkers niet bekend zijn, op onzinnige wijze te keer, als zij plotseling een bezoek krijgen van deze met de beste bedoelingen verschijnende Vogels. Zoo verhaalt Anderson, dat eens des morgens de ossen van zijn wagen met de komiekste sprongen, in wilde wanorde wegrenden, omdat zij een bezoek kregen van een zwerm Ossenpikkers.

Een Paard of Kameel, dat met deze Vogels bedekt is, levert een grappig schouwspel op. Ehrenberg merkt zeer terecht op, dat zij op het vee rondklauteren evenals de Spechten op de boomen. Zij houden zich onder aan den buik tusschen de pooten vast, klimmen hierlangs met den kop naar boven of naar beneden op en af, gaan op den rug of op den neus zitten, kortom zij zoeken in den letterlijken zin van ’t woord het geheele lichaam af. De Vliegen en de Dazen pikken zij behendig van het vel op, de maden pluizen zij uit de door hen opengepikte huid weg. Hoe zij ook werken, de dieren waarop zij zitten, houden zich volkomen rustig, omdat zij weten, dat de pijn, die hun wordt aangedaan, met een voor hen heilzame operatie gepaard gaat.

Ossenpikker (Buphaga erythrorhyncha). ½ v. d. ware grootte.
Ossenpikker (Buphaga erythrorhyncha). ½ v. d. ware grootte.

Ossenpikker (Buphaga erythrorhyncha). ½ v. d. ware grootte.

De Ossenpikker van zijn kant stelt alleen in de dieren vertrouwen; voor den mensch neemt hij zich zeer in acht. Zoodra deze nadert, vooral als het een vreemdeling is, klimt het geheele gezelschap schielijk op den rug van het dier, waarop het zich bevindt, en blijft hier zitten, om voorzichtig naar den naderenden persoon uit te kijken. Dat de in ’t wild levende dieren langzamerhand de gewoonte aannemen om op de waarschuwing van den Ossenpikker te letten, is zeer licht te begrijpen.

*

De prachtigste leden van de familie zijn die, welke het geslacht der Glans-, Pracht- of Purperspreeuwen (Lamprotornis) vormen; deze Vogels zijn van gedrongen lichaamsbouw, hebben een middelmatig langen, krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel met gewelfden rug, lange pooten met tamelijk lange teenen, middelmatig lange vleugels, een staart van verschillende lengte en een prachtig, glanzig kleed.

De Purperspreeuwen bewonen Afrika, bevolken de meest verschillende oorden, zijn hoogst gezellig, levendig, opgewekt, driest en snapachtig; zij voeden zich zoowel met plantaardige als met dierlijke stoffen; hun gang is snel, meer stappend dan huppelend; zij vliegen zonder inspanning en behendig, maar op eenigszins slepende wijze; zij zingen ijverig, maar slecht en broeden in holten of in groote, slordig samengestelde, koepelvormige nesten op 5 of 6 gevlekte eieren.

De meest bekende soort is waarschijnlijk de Langstaartige Glansspreeuw of Glansekster (Lamprotornis aeneus), wiens totale lengte 50 cM. bedraagt en die een 30 cM. langen staart heeft. De kop, de kin en de bovenkeel, zijn zwart met een goudkleurigen weerschijn, de bovendeelen en de slagpennen donker metaalachtig groen; elke bovendekveer van den vleugel is met een kleine, dof fluweelzwarte vlek versierd: het midden van de keel, de staartwortel, de bovendekveeren van den staart, de onderdeelen en de stuurpennen zijn donker purper-violet: iedere staartpen is met meer of minder duidelijk zichtbare, donkerder dwarsbanden geteekend, de veeren van het midden van de borst hebben een meer koperroode tint. Het geheele vederenkleed heeft een prachtigen glans. De oogen zijn lichtgeel, de pooten zwart.

West-, Middel-, Oost- en Zuid-Afrika zijn het vaderland van deze prachtige Vogels. Levaillant verhaalt, dat zij, tot groote vluchten vereenigd, op boomen leven, maar ook op den grond afdalen om Wormen en Insecten te zoeken, dat zij zich op den bodem bewegen als Eksters en onophoudelijk schreeuwen, maar weet overigens niets van hen te berichten. De paren of vluchten begeven zich vaak op den grond en bewegen zich hier geheel op de wijze van onze Eksters; de overeenkomst valt te meer in ’t oog, omdat, de Purperspreeuw zijn prachtigen staart geheel als de Ekster naar boven gericht draagt. Al wat vreemd is, boezemt dezen Vogel argwaan in; hij is ook daar schuw, waar hij den mensch alleen van zijn goede zijde heeft leeren kennen. Zijn stem is heesch en krijschend, maar zoo eigenaardig, dat men haar niet licht met die van een anderen, ons bekenden Vogel verwarren zal; zijn gezang, dat men, behalve in den ruitijd, tot vervelens toe hoort, is niets anders dan een in ’t oneindige voortgezette herhaling en vervorming van de gewone stemgeluiden of een voortdurend gekrijsch, gekras, geratel en gekwiek.

Zijn voedsel bestaat uit Insecten, zaden en vruchten van allerlei soort. De Insecten worden van den grond opgezocht en in de vlucht gevangen, en zelfs uit doode dieren losgepeuterd.

Omdat het niet moeilijk is de gevangen Langstaartige Glansspreeuwen met voedsel te voorzien, komen zij niet zelden levend in Europa. Bij goede verzorging houden zij zich jaren lang goed in de kooi, waar zij zich ook wel voortplanten.

In Noordoost-Afrika ontmoet men tamelijk veelvuldig den Groenstaartigen Glansspreeuw (Lamprotornis chalybeus), wiens totale lengte 27 cM. bedraagt en die een 9 cM. langen staart heeft. Zijne veeren zijn, met uitzondering van een onduidelijke vlek in de oorstreek en van de dekveeren van den onderarm, donker metaalglanzig groen; de armpennen en de grootste bovendekveeren van den vleugel zijn ieder aan de spits met een roodachtige fluweelzwarte vlek versierd. De veeren hebben een bewonderenswaardigen glans en weerschijn; al naar het licht valt, wijzigen zich de kleuren; het geheel maakt een indruk, die nauwelijks met woorden weer te geven is. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat in dit opzicht geen verschil.

De Groenstaartige Glansspreeuwen bewonen de dichte wouden der rivierdalen zoowel als de meer ijle bosschen van de steppe of van het gebergte. Gewoonlijk leven zij paarsgewijs, alleen na den broedtijd vormen zij kleine vluchten. Deze ontmoet men zoowel in het dichtste struikgewas als op de rotsblokken, die over den bodem verspreid zijn. De Groenstaartige Glansspreeuwen zijn opgewekt en bedrijvig, evenals alle leden van hun familie; zij verkeeren veel op den bodem en in lage struiken, maar houden zich tegen den avond in hooge boomen op. Hun eigenaardige wijze van vliegen, die hen voor een deskundige op iederen afstand kenbaar maakt, is volkomen in overeenstemming met hunne fluweelen vleugels; deze veroorzaken een zachte beweging, die betrekkelijk weinig moeite kost, maar niet snel is. Zij loopen zeer snel, meer springend dan stappend, komen goed vooruit en zijn rusteloos in beweging. Op hunne andere begaafdheden valt niet te roemen. Hun gezang mag ternauwernood dezen naam dragen, omdat het niet veel anders is dan een voortdurende herhaling van den wanluidenden en krijschenden loktoon met een daartusschen ingevoegd geratel en gekras. Toch vergeeft men den Vogel al deze wanklanken met het oog op zijn voorkomen, dat gewoonlijk schranderheid, levendigheid, zelfbewustzijn en zelfs behaagzucht verraadt; hij houdt zich steeds zorgvuldig rein, gaat niet met andere Vogels om, is (met uitzondering alleen van de middaguren) onophoudelijk in de weer en tracht steeds zijne eigenschappen en begaafdheden goed te doen uitkomen. Hierdoor reeds wekt hij belangstelling, die echter tot bewondering stijgt, wanneer men op de pracht van zijn vederenkleed let. De reiziger, die de duistere wouden van Afrika doorkruist, zal menigmaal plotseling een helder schijnsel waarnemen, alsof ergens in de omgeving een zonnestraal wordt teruggekaatst door een spiegelend voorwerp van metaal of glas. Dit schijnsel is inderdaad niets anders dan de weerkaatsing van het zonlicht door het vederenkleed van den Glansspreeuw; als men den Vogel gevonden heeft, kan men opmerken, dat hij bij iedere beweging een zonnestraal weerspiegelt. Onmiddellijk na den dood verliezen de veeren grootendeels haar schoonheid; in haar volle pracht vertoonen zij zich alleen, zoolang de Vogel leeft.

Bij de Abessinische zangers en dichters speelt de Groenstaartige Glansspreeuw een belangrijke rol; want, meer lettend op den ijver dan op het resultaat, schrijven zij aan hem de uitvinding van het gezang toe. Toch wordt deze Vogel in Noordoost-Afrika door niemand in de kooi gehouden; men ziet hem minder dikwijls dan zijne verwanten levend in Europa.

De Prachtige Glansspreeuw (Lamprotornis superbus) wordt in ’t geheel 21 cM. lang en heeft een 6.5 cM. langen staart. De bovenkop en de nek zijn zwart met zwakken, goudkleurigen weerschijn, de bovendeelen metaalachtig groen, de keel, de voorhals en de krop blauwgroen; de overige onderdeelen, die door een smallen, witten dwarsband van de donkere bovenborst gescheiden zijn, hebben een fraaie, kaneelbruine kleur; de beide onderste reeksen van bovendekveeren van den vleugel en de dekveeren van den staart zijn, zooals bij de meeste Glansspreeuwen, met ronde, fluweelachtige vlekken versierd, die twee dwarsbanden vormen. De oogen zijn wit, de snavel en de pooten zwart.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings