De Boomvogels (Coracornithes). (continued 14)
Reading edition
Door onzen IJsvogel “Zitvogel” te noemen, zou men hem geen onrecht aandoen. Halve dagen achtereen zit hij roerloos op dezelfde plaats, altijd zwijgend, de blikken voortdurend naar het water gericht, geduldig wachtend op een buit, onverschillig voor al het overige, het evenbeeld van een echten hengelaar. “Zijne kleine pootjes,” zegt Naumann, “schijnen alleen voor ’t zitten, niet voor ’t gaan geschikt; hij loopt uiterst zelden en doet ook dan slechts eenige pasjes, b.v. op de kleine oppervlakte van een steen of van een paal, nooit echter op den vlakken grond. Als hij niet gestoord wordt, verandert hij alleen dan van zitplaats, wanneer hij de hoop om hier iets te vangen moet opgeven. Als het geluk hem gunstig is, brengt hij verreweg het grootste deel van den dag op dezelfde plaats door. Wie hem met geduld waarneemt, ziet hem af en toe plotseling den hals uitstrekken, zich vooroverbuigen, zoodat de snavel bijna loodrecht naar onderen gericht is, en zich eensklaps als een Vorsch, of, juister gezegd, als een pijl uit een boog in het water storten, zonder daarbij gebruik te maken van de vleugels. Gewoonlijk verdwijnt hij geheel onder den waterspiegel, eenige vleugelslagen brengt hem echter naar de oppervlakte terug, hij vliegt weer op zijn zetel, schudt het water van de veeren, brengt deze misschien ook een weinig in orde en herneemt zijn vroegere houding. Als hij meermalen tevergeefs gedoken of in ’t geheel geen Visch gezien heeft, besluit bij eindelijk tot het opzoeken van eene andere uitkijkplaats. Voor het vliegen moet hij, naar alle waarschijnlijkheid, al zijne krachten inspannen; de korte vleugels kunnen den zwaren romp bijna niet voortslepen en moeten zoo snel bewogen worden, dat men iedere afzonderlijke beweging niet meer onderscheiden kan. Toch, of misschien juist om deze reden, vliegt hij buitengewoon snel, maar ook op een zeer eenvormige wijze. De IJsvogel schiet, zoolang hij kan lijnrecht voort, altijd op gelijke hoogte boven den waterspiegel; hij maakt geen andere wendingen, dan die welke noodig zijn om de bochten van de rivier of beek te volgen, hoogst ongaarne verlaat hij deze. Verder dan 500 of 600 schreden strekt zulk een vlucht zich niet vaak uit; tenzij hij gestoord wordt, vliegt hij niet verder dan tot aan de naastbijgelegen zitplaats. De honger of andere drogredenen nopen hem echter soms tot vliegkunstjes, die men niet van hem verwacht zou hebben. Dikwijls ziet men hem boven het water opstijgen, zich plotseling met fladderende of snel wapperende vleugelbeweging stil op één plaats houden, zorgvuldig den waterspiegel onderzoeken en zich op eens van deze hoogte af in de diepte storten. Zulke kunstjes, die bij andere leden van zijn familie veelvuldig voorkomen, verricht hij meer bepaaldelijk boven een breed water, welks oever hem geen geschikte loerplaatsen oplevert, vooral in den tijd dat voor het talrijke kroost voedsel moet worden gezocht; dit is dus als ’t ware het laatste middel, tot het verkrijgen van een buit, waarvan hij gebruik maakt.
Het voedsel van den IJsvogel bestaat hoofdzakelijk uit kleine Visschen en Schaaldieren, bovendien uit Insecten; met deze worden meer bepaaldelijk de jongen grootgebracht. Van een keuze van bepaalde soorten van Visschen is bij hem geen sprake; hij neemt die, welke hij krijgen kan en ziet zelfs kans om een tamelijk grooten Visch mee te voeren. Hij beloert deze als de Kat een Muis. De snavel is zijn eenig wapen en vangwerktuig; hij doet daarom niet zelden een vergeefsche poging en moet zich dikwijls zeer inspannen, voordat hij iets vangt. Zijn eigenaardige wijze van visschen noopt hem tot groote omzichtigheid bij de keuze van een uitkijkplaats; het water, waarin hij vischt, mag niet te ondiep zijn, omdat hij in dit geval licht tegen den bodem zou stooten en zich door de hevigheid van den schok zou kwetsen; het moet echter ook niet te diep zijn, omdat hij zijn buit dan licht zou missen. Langdurige regens, die het water troebel maken, brengen den IJsvogel dikwijls in nood, ja zelfs in ’t verderf; ook de winter wordt hem niet zelden noodlottig, want, om zijn bedrijf te kunnen uitoefenen, moet hij de Visschen kunnen zien. In den winter moet hij zich behelpen met de weinige open plaatsen, die in de ijskorst overgebleven zijn; hij loopt dan gevaar onder het ijs te geraken en de opening niet weer te vinden. Op deze wijze verliest menig IJsvogel het leven. Soms zelfs wordt een gelukkige vangst voor hem noodlottig: hij tracht een grooten Visch te verzwelgen en stikt. Vischgraten, schubben en andere harde bestanddeelen van zijn voedsel spuwt hij in ballen weer uit.
Gedurende den paartijd hoort men den IJsvogel dikwijls, anders zelden; zijn stem is een schel, snijdend, als “tiet tiet” of “sie sie” klinkend geluid, dat dikwijls en snel achtereen herhaald wordt; in den paartijd voegt hij aan deze gewone tonen andere, bijzondere toe; bovendien maakt hij dan zeer ongewone bewegingen; bij ’t spelend vervolgen van ’t wijfje verwijderden beide zich wel 200 of 300 schreden van ’t water en zaten met hoog opgericht lichaam op de boomen te midden van ’t veld. “Zoodra, in ’t midden van Maart of in het begin van April de IJsvogels gepaard hebben,” zegt mijn vader, “zoeken zij een plaats voor hun nest. Steeds nestelen zij op een drogen, steilen, geheel van gras bevrijden oever, waarbij geen Waterrat, geen Wezel en geen ander roofdier kan opklimmen. In dezen loodrechten muur hakken de IJsvogels op een afstand van 30 à 60 cM. van den bovenrand een rond gat, dat gewoonlijk een middellijn van 5 cM. heeft, O.5 à 1 M. diep is, een weinig naar boven stijgt en aan den onderrand van den uitgang twee groeven vertoont. Aan haar achterste uiteinde verwijdt deze gang zich tot een rondachtige holte, die op een bakkersoven gelijkt, 8 à 10 cM. hoog en 10 à 13 cM. breed is. De bodem van deze holte is als ’t ware met vischgraten geplaveid; de holte zelf is droog en van boven glad; op de genoemde, weinig uitgeholde grondlaag liggen 6 of 7 zeer groote, bijna bolvormige, eieren, welker glanzig witte schaal een roodachtig gele tint vertoont wegens het doorschemeren van den roodachtigen dooier. Zij zijn buitengewoon glad en glanzig; de leege dop is zoo wit als het fraaiste email. Daar zij ongeveer zoo groot zijn als die van de Zanglijster, is het mij onverklaarbaar, dat de IJsvogel ze met zijne korte en harde veeren alle bedekken kan.
“Het nest van den IJsvogel herinnert aan dat van den Specht, hoewel deze in boomen, die van binnen vergaan zijn, gene in den drogen grond nestelt. De IJsvogel bewoont zijn gang verscheidene jaren achtereen, wanneer hij er geen stoornis ondervindt; indien echter de ingang tot het nest verwijd wordt, legt hij er nooit meer eieren in. Dat een nest meermalen gebruikt werd, is gemakkelijk te zien aan de aanwezigheid van de talrijke koppen en vleugels van Waterjuffers tusschen de vischgraten; in een sinds kort aangelegd nest komen veel minder graten voor; ook zijn deze, voordat de jongen het ei verlaten hebben, niet met overblijfselen van Waterjuffers vermengd. Een IJsvogel-nest is op het eerste gezicht te onderscheiden van het hol van een Waterrat of van een ander Zoogdier; om te weten of het bewoond is, behoeft men er slechts aan te ruiken; aan de vischlucht is het versche nest te herkennen.
“Met merkwaardige volharding bebroedt de IJsvogel zijne eieren en houdt hij zijne nog onbevederde jongen warm. Hij blijft zitten, hoe hard men ook tegen den oever klopt; zelfs wanneer men de gang begint te verwijden, verlaat hij zijn nest niet; dit geschiedt eerst, als men hem na op het lijf komt.”
Naumann bericht, dat enkele nesten meer dan 7 (soms wel 11) eieren bevatten en verhaalt van de jeugd van den IJsvogel nog het volgende: “De jongen zijn in den eersten tijd van hun leven buiten den eischaal leelijke dieren: volkomen onbevederd, verscheidene dagen lang blind en zeer ongelijk van grootte; sommige zijn ternauwernood half zoo groot als de overige. Zij zijn zeer hulpbehoevend, maken dikwijls een trillende beweging met den kop, sperren soms den bek wijd open, piepen zacht, als zij hongerig zijn of voedsel krijgen en kruipen als Wormen door elkander heen. In dezen tijd worden zij door de ouders gevoederd met larven van Insecten en vooral met Waterjuffers, waarvan vooraf de kop en de vleugels afgebeten zijn; later krijgen zij ook kleine Visschen. Allengs groeien hunne veeren, die aanvankelijk op blauw-zwarte stekels gelijken, daar de zeer lange veerscheeden niet schielijk opengaan. Na het uitvliegen worden de jongen door hunne ouders naar de rustigste hoeken van den oever gebracht, vooral in struiken, bij walbeschoeiingen of tusschen de blootgespoelde wortels van boomen aan den waterkant. Het duurt lang, voordat zij Visschen vangen.”
Het is niet bekend, dat het een of ander roofdier op den IJsvogel jacht maakt. In volwassen toestand is hij door zijn levenswijze gevrijwaard tegen vele vervolgingen, waaraan andere Vogels blootgesteld zijn.—Niet altijd slaagt men er in dit fraaie dier aan de gevangenschap te gewennen. Jong uit het nest genomen IJsvogels kunnen met vleesch en visch grootgebracht en hiermede vervolgens lang in ’t leven gehouden worden. Op lateren leeftijd gevangen Vogels zijn in de kooi zeer druk en angstig, weigeren dikwijls het voedsel en fladderen tegen de traliën, totdat zij van uitputting sterven; er zijn echter uitzonderingen op dezen regel. De getemde IJsvogel is, wanneer hij een voor hem geschikte verblijfplaats bewoont, een aanminnige huisgenoot.
*
De Stootvisschers (Ceryle) verschillen van de leden van het vorige geslacht voornamelijk door de langere en spitsere vleugels en den breederen staart. Het vederenkleed is ook bij hen dicht en glad aanliggend, maar niet prachtig van kleur, zelfs bijna zonder glans; het is bij de mannetjes en wijfjes min of meer verschillend. Dit geslacht is vooral in Amerika sterk vertegenwoordigd, maar ontbreekt in Afrika en Azië niet; het omvat de sterkste en behendigste en daarom roofgierigste leden van de geheele familie.
De Grauwe Visscher (Ceryle rudis) heeft zeer bescheiden kleuren; de bovendeelen zijn zwart en wit gevlekt, de onderdeelen zuiver wit met uitzondering van één of twee zwarte banden over de borst. Het wit van de zijden van kop en hals wordt afgebroken door een breede, zwarte streep, die aan den mondhoek begint, over de oorstreek naar achteren en vervolgens over den nek naar den rug loopt. De oogen zijn donkerbruin, de pooten bruin, de snavel is zwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.
De Grauwe Visscher heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied. Men ontmoet hem in bijna alle landen van Afrika, in Syrië, Palestina en Perzië, bovendien in Indië en andere deelen van Zuid-Azië. Uit Egypte en Syrië zijn herhaaldelijk exemplaren van deze soort naar Europa, doch alleen naar Griekenland en Dalmatië, afgedwaald. In de Nijllanden komen zij menigvuldig voor: gewoonlijk ziet men ze, met de witte borst naar den stroom gekeerd, zitten op de staken, waaraan de voor ’t waterscheppen dienende emmers hangen. Soms kiest hij een tak van een palm of een mimosa, die in de onmiddellijke nabijheid van den oever staat, en dus een ruim uitzicht toelaat, als zitplaats uit; even gaarne strijkt hij neer op het houtwerk van de door ossen bewogen schepraderen, waardoor de aan alle reizigers welbekende en door allen verwenschte “Nijl-muziek” veroorzaakt wordt. De Grauwe Visscher is niet zoo schuw als onze IJsvogel. Hij gevoelt zich veilig in zijn vaderland; hij weet, dat hij den Egyptenaar vertrouwen kan en van hem niets te vreezen heeft. De gemeenzaamheid van dezen in vele opzichten merkwaardigen Vogel met den mensch is voor den vreemdeling een hoogst verrassend schouwspel. Vlak boven den knaap, die de Runderen aan het scheprad met de zweep aanspoort en letterlijk binnen het bereik van deze tuchtroede, zit hij zoo rustig, alsof hij door den knaap getemd en gedresseerd is en dezen als zijn heer en meester erkent; hij vliegt zoo dicht langs en over de waterscheppende vrouwen heen, alsof hij deze van den rivieroever wil wegjagen. In tegenstelling met onzen IJsvogel is hij vriendelijk en verdraagzaam van aard, d. w. z. men merkt weinig broodnijd en meer gezelligheid bij hem op. Het mannetje en het wijfje blijven trouw bijeen; daar waar het eene is, zit gewoonlijk ook het andere; in den regel ziet men de beide echtgenooten dicht bij elkander van uit denzelfden tak hun prooi beloeren.

Grauwe Visscher (Ceryle rudis).
In den regel vischt de Grauwe Visscher op de manier, die door onzen IJsvogel wordt gevolgd, wanneer zijn gewone handelwijze geen voldoenden buit oplevert; hij beloert de Visschen dus niet, terwijl hij een hooge zitplaats inneemt, maar terwijl hij met snellen vleugelslag boven het water op dezelfde plaats blijft zweven (wat men ook wel “bidden” of “zwemmen” noemt); om den buit te vangen schiet hij plotseling naar beneden. Hij vliegt op een geheel andere wijze dan de IJsvogel. Ook zijne vleugels worden zeer vlug bewogen; dit geschiedt echter niet “snorrend”: de afzonderlijke slagen kunnen nog zeer goed onderscheiden worden. Dit maakt, dat hij niet zoo snel vliegt als de IJsvogel, maar dit veel behendiger doet, d. w. z. meer afwisseling kan brengen in den door hem gevolgden weg. De IJsvogel schiet vooruit als een pijl uit den boog, de Grauwe Visscher vliegt bijna als een Valk, wendt en keert naar verkiezing, blijft vele minuten achtereen op dezelfde plaats zweven, begeeft zich naar een ander punt, wanneer hij gedurende het “bidden” geen buit bemerkt heeft en begint hier op nieuw stil te staan. Wanneer hij op zijn buit aanvalt, legt hij de vleugels geheel tegen het lichaam aan en schiet nu in eenigszins scheeve richting pijlsnel in ’t water neer, verdwijnt onder de golven en werkt zich na verloop van eenigen tijd met krachtige vleugelslagen weer omhoog. Niet zelden trouwens stort hij zich gedurende het vliegen, dus onder een zeer geringen hoek, in ’t water om daarna zoo schielijk weer omhoog te stijgen, alsof hij door den waterspiegel werd teruggekaatst. Het is waarschijnlijk en ook zeer goed verklaarbaar, dat de Grauwe Visscher behendiger is dan onze IJsvogel; toch mist hij dikwijls zijn doel, wegens het onjuist schatten van de diepte, waarop een door hem waargenomen Visch zwemt. Als zijn vangst gelukkig is geweest, vliegt hij onmiddellijk naar zijn gewone zitplaats terug en verslindt hier den buit, die dikwijls vooraf door hem herhaaldelijk tegen een tak wordt geslagen, zooals vele andere leden van zijn familie gewoon zijn te doen. Als hij niet uitvliegt om te jagen, scheert hij met gelijkmatigen vleugelslag tamelijk kort boven den waterspiegel langs, om zich zooveel mogelijk regelrecht naar een tweede zitplaats te begeven, in welker nabijheid hij plotseling omhoog stijgt. Overdag is hij gewoonlijk stil, maar wordt tegen den avond meer opgewekt en toont dan zelfs eenigen lust in spelen; dan hoort men ook dikwijls zijn stem: een luid, snerpend, dikwijls herhaald geschreeuw.
Bij hoogen waterstand ziet de Grauwe Visscher zich dikwijls genoopt, zijn geliefden stroom te verlaten, omdat het water van den Nijl dan gewoonlijk zoo troebel is, dat het niet mogelijk is er een Visch in te onderscheiden. De talrijke kanalen van Egypte verschaffen hem trouwens hiervoor een voldoende vergoeding. Hun water is reeds eenigermate bezonken, zoodat de vischvangst hier goede uitkomsten oplevert. Volgens de mededeelingen van Tristram worden de Grauwe Visschers ook aan de zeekust aangetroffen; bij dozijnen ziet men ze “op ongeveer 100 M. afstand van het land zonder beweging in de lucht drijven.”
In Egypte begint de broedtijd van den Grauwen Visscher, als de Nijl nagenoeg zijn laagsten stand heeft bereikt, dus in Maart of April. Men heeft opgemerkt, dat deze Vogel in Palestina echte broedkoloniën vormt. Een van deze koloniën bevond zich in een steilen aarden wand bij de uitmonding van de Moedawarah-beek in het meer van Genesareth. De toegangen naar de holen waren niet meer dan ongeveer 10 cM. boven den waterspiegel gegraven en konden niet anders dan zwemmend bereikt worden. Iedere gang was ongeveer 1 M. diep en zijwaarts verwijd tot een eenvoudig hol. Nergens werden tusschen de eieren vischgraten gevonden; nevens ieder nest met jongen bevatte het hol echter een rottenden hoop vischgraten en drek. De jongen lagen op een hoop gras en onkruid.
De Jager-ijsvogels (Halcyoninae) onderscheiden zich van de Visch-ijsvogels door de meerdere ontwikkeling der vliegorganen, die bij enkele zelfs uitmuntend zijn. Bovendien is hun snavel, welke over ’t geheel genomen op dien van den IJsvogel gelijkt, in den regel veel breeder; ook de voeten zijn gewoonlijk forscher en hebben een langeren loop. Het vederenkleed is losser en vertoont niet de vettige gladheid van dat der Visch-ijsvogels; het prijkt echter met schitterende kleuren; enkele soorten wedijveren in pracht met de fraaiste leden dezer klasse.
Afrika, Zuid-Azië en Australië met de eilanden, die tusschen deze werelddeelen liggen, zijn het vaderland van deze soorten- en vormenrijke onderfamilie. In Amerika en Europa ontbreken zij geheel. In meerdere of mindere mate behooren zij in de wouden thuis; die, welke een voorliefde voor het water toonen, vormen een kleine minderheid. Enkele soorten visschen, naar men zegt, eenigermate op de wijze van de IJsvogels; de meeste komen echter in levenswijze veeleer met de Baardvogels overeen. Vele soorten hebben zich geheel onafhankelijk gemaakt van het water en leven in de droogste gewesten, voorzoover deze niet geheel zonder boomgewas zijn; want boomen zijn hun, naar het schijnt, volstrekt onontbeerlijk.
In verband met de goede inrichting hunner ledematen zijn de Jager-ijsvogels veel beter in staat om zich te bewegen dan hunne verwanten; zij overtreffen zelfs de meest begaafde Visch-ijsvogels door hun lichte, sierlijke en behendige wijze van vliegen, welke aan die der Bijenvreters herinnert. Van een verheven zitpunt bespieden zij met opmerkzame blikken de omgeving, vliegen, zoodra zij een buit bemerken, op dezen toe, of vervolgen hem en keeren met hun vangst naar de oude zitplaats terug. “Zij houden zich gaarne op een bepaalde standplaats in de Savanna op,” schrijft Pechuel-Loesche, “en maken jacht op Insecten door haastig heen en terug te vliegen, zelden door “biddend” boven de grasgronden te zweven. Onverwachts schiet de wakkere, prachtig gekleurde jager, die van een niet hooge, overschaduwde zitplaats aan den rand van een kreupelhoutboschje zijn klein gebied in de campine met een waakzaam oog overziet, naar buiten in den zonnegloed, grijpt een buit en keert vergenoegd op zijn tak terug. Pas zit hij op den boom, of hij bespeurt een nieuw slachtoffer en vliegt terug naar ’t open veld.” Op den grond zijn onze Vogels vreemdelingen. Hun geschiktheid om in ’t water voedsel te zoeken, staat ver achter bij die van de IJsvogels; het is zelfs waarschijnlijk, dat slechts enkele (en ook deze niet dan bij uitzondering) Visschen of andere waterdieren zelf uit het water halen. Hun stem is luid en eigenaardig.
Het voedsel van deze dieren bestaat uit Insecten van allerlei slag, bij voorkeur uit Sprinkhanen en groote Kevers; de sterkste soorten overvallen ook Krabben en kleine Gewervelde Dieren uit alle klassen. Enkele worden geacht, omdat zij op Slangen jacht maken; van andere wordt gezegd, dat zij vogelnesten plunderen. Door hun roofzucht evenaren zij de Visch-ijsvogels.
De meeste soorten broeden in holle boomen, enkele in door de natuur gevormde holen in den grond of in het gesteente; alle bouwen een meer of minder volkomen nest. De eieren zijn zuiver wit en glanzig, zooals die van den IJsvogel. Hun aantal is, naar het schijnt, niet bijzonder groot.
De Jager-ijsvogels verdragen de gevangenschap goed en gedurende langen tijd, omdat zij spoedig aan een goed gekozen gevangeniskost gewend geraken. Er is wel eenige reden om ze meer vreemdsoortig dan aantrekkelijk te vinden; hierbij moet men echter niet uit het oog verliezen, dat ook zij vaak een warme genegenheid voor hun meester aan den dag leggen en met dezen op een allerliefste wijze omgaan.
*
Tot het geslacht der Bosch-ijsvogels (Halcyon) behoort de Halfblauwe Bosch-ijsvogel (Halcyon semi-coeruleus) die 22 cM. lang is met inbegrip van den 6.5 cM. langen staart. De boven- en achterkop zijn lichtbruinachtig, de nek en de achterhals lichter; aan de zijden en van onderen tot aan de borst is de hals wit; de overige onderdeelen zijn kaneelroodbruin, de mantel, de schouders en de bovenste vleugeldekveeren met de slagpennen zwart; de buitenvlag en de dekveeren van de handpennen, de duimveeren, de staartwortel en de staart zijn glinsterend kobaltblauw. De oogen zijn bruin, de snavel en de pooten rood.
Deze Vogel werd in West-Afrika ontdekt, later echter ook op de Kaapverdische eilanden en door geheel Middel-Afrika heen tot in Abessinië gevonden. Gedurende den geheelen dag ziet men hem van een boomtak af jacht maken op Sprinkhanen en andere Insecten en telkens weer naar zijn zitplaats terugkeeren. Hij houdt dit vol, zoolang hij van deze plaats uit voedsel kan verkrijgen en niet gestoord wordt. Jegens den mensch is hij volstrekt niet schuw.

Reuzen-ijsvogel (Halcyon giganteus). ⅔ v. d. ware grootte.
De meest bekende Australische soort is de Reuzen-ijsvogel (Halcyon giganteus). De kop, de hals en alle onderdeelen zijn wit, vuil roestkleurig vaal getint; de teugel en een breede streep over de oorstreek, een breede vlek op het midden van de kruin en den achterkop, de mantel, de schouders en de vleugeldekveeren zijn bruin, de laatstgenoemde (de middelste althans) aan de spits met teer berylblauwen zoom; breede, zwarte dwarsbanden versieren de roodbruine bovendekveeren van den staart en de roodachtige stuurpennen; de laatstgenoemde hebben breede, witte eindzoomen. De iris is donkerbruin, de bovensnavel zwart, de ondersnavel lichtgeel, de poot donkerbruin. Totale lengte 45 à 47, staartlengte 16 cM.
De Reuzen-ijsvogel trok reeds de aandacht van de eerste reizigers en onderzoekers, die Australië bezochten; zijn levenswijze is echter eerst in lateren tijd, vooral door de berichten van Gould bekend geworden. “Ieder, die Nieuw-Zuid-Wales bewoont of bezoekt,” zegt Gould, “zal dezen Vogel opmerken; zoowel door zijn grootte als door zijn buitengewone stem trekt hij de aandacht. Daarbij komt nog, dat hij, wel verre van den mensch te schuwen, op elk verschijnsel, dat zijn nieuwsgierigheid prikkelt, afgaat, om er kennis mede te maken. Zoo ziet men hem dikwijls zich neerzetten op een dorren tak van een boom dicht bij dien, waaronder reizigers zich gelegerd hebben, zeer nauwkeurig acht gevend op het aanleggen van het vuur of het bereiden van het maal. Toch wordt men zijn aanwezigheid zelden gewaar, voordat hij zijn gorgelend gelach laat hooren, dat telkens den aanwezigen de opmerking ontlokt: “Kijk daar hebben wij onzen vriend, Lachende Hans.” Zijn geluid is zoo opmerkelijk, dat iedere schrijver over Australië er melding van maakt. Caley zegt, dat men het schreeuwen en lachen van den Reuzen-ijsvogel op een aanzienlijken afstand kan hooren. Volgens Kapitein Sturt beantwoordt het aan de voorstelling, die men zich van een koor van booze geesten kan vormen; het is wel in staat een reiziger, die in gevaar meent te verkeeren, schrik in te boezemen en op het denkbeeld te brengen, dat zijn ongeluk met een spottend hoongelach wordt begroet. Volgens Bennett, hoort men dit zonderlinge, hortende gelach, dat zacht begint en allengs hooger en luider wordt, dikwijls in alle deelen van de kolonie. Het weerklinkt in de schemering en bij zonsondergang en is als ’t ware een avondgroet voor allen, die het als zoodanig willen opvatten. Uitvoeriger wordt het besproken door den Engelschen natuuronderzoeker, die onder den pseudonym “the old Bushman” zijne ontmoetingen in de Australische wildernissen beschrijft. “Een uur voor het aanbreken van den dag wordt de jager gewekt door woeste geluiden; het is alsof een helsche legermacht krijschend, schreeuwend en lachend om hem heen manoeuvreert. Deze geluiden zijn het morgengezang van “Lachenden Hans”, die zijne bevederde gezellen het einde van den nacht aankondigt. In het middaguur hoort men hetzelfde woeste gelach, dat als de zon in het westen verdwijnt, opnieuw door het woud weerklinkt. Nooit zal ik den eersten nacht vergeten, dien ik in Australië onder den blooten hemel in het kreupelhout doorbracht. Na een onrustigen slaap ontwaakte ik met het aanbreken van den dag; het duurde echter eenigen tijd, voordat ik mij kon bezinnen, waar ik mij bevond, zoo overweldigend was de indruk, dien de vreemdsoortige tonen op mij maakten. Het helsche gelach van den Reuzen-ijsvogel vormde met de zwakkere stemgeluiden van de “Ekster,” die op de tonen van een fluit gelijken, met het heesche gekakel van de Loophoenderen, met het gekrijsch van duizenden Papegaaien en met de stem van verscheidene andere Vogels zulk een wonderbaarlijk geheel, als ik nog nooit gehoord had. Later heb ik honderden malen dit concert bijgewoond, maar er nooit dezelfde aandoeningen bij ondervonden als toen. “Lachende Hans” is de tijdaanwijzer van den jager in de Australische wouden, die dezen alles behalve schuwen en zelfs gezelligen Vogel tot op zekere hoogte als een tentkameraad beschouwt. Om deze reden en meer nog wegens zijn vijandschap tegen de Slangen is hij in de oogen van de “Bushmen” geheiligd.”
De Reuzen-ijsvogel komt zoomin in Tasmanië als in West-Australië voor; hij wordt, naar het schijnt, alleen in het zuidoosten van Nieuw-Holland aangetroffen. Hij is volstrekt niet gebonden aan een bepaald terrein, maar bezoekt ieder oord: het weelderig groeiende houtgewas langs de kust zoowel als de ijle bosschen der bergstreken. Nergens evenwel is hij veelvuldig. Overal ontmoet men hem, doch steeds alleen of bij paren. Zijn voedsel is verschillend, maar altijd aan het Dierenrijk ontleend. Aan Kruipende Dieren en Insecten en ook aan Krabben schijnt hij de voorkeur te geven. Gretig valt hij Hagedissen aan; niet zelden ziet men hem met een Slang in den snavel naar zijn zitplaats vliegen. “Eens,” zegt onze berichtgever, “zag ik een paar “Lachende Hansen” op de doode takken van een ouden, grijzen boom zitten en van hier af en toe op den bodem neerschieten. Zij hadden zooals mij bij nader onderzoek bleek, een “Tapijtslang” gedood en gaven door hun gesnap en gelach een levendige vreugde hierover te kennen. Ik kan trouwens niet verzekeren, dat zij Slangen eten, want de eenige Kruipende Dieren, die ik ooit in hun maag gevonden heb, waren kleine Hagedissen.” Zij maken wel op kleine Zoogdieren jacht. Water schijnt niet tot hunne levensbehoeften te behooren; zooals reeds gezegd werd, worden deze Vogels zelfs in de droogste wouden gevonden; de gevangen exemplaren toonen geen bijzonder verlangen naar water, zoomin om te drinken als om zich te baden.
De broedtijd valt in de maanden Augustus en September. In een voor dit doel geschikte holte van een grooten eucalyptus legt het wijfje hare prachtig parelwitte eieren op het vermolmde hout. Moedig verdedigen de ouders hun kroost en brengen soms den nestroover met den snavel wonden toe, die niet ongevaarlijk zijn.
De gevangen dieren kunnen gemakkelijk in ’t leven worden gehouden; zij zijn met zeer eenvoudig voedsel tevreden n.l. met grof gesneden stukken vleesch. Muizen en Visschen; hier vinden zij dus geen aanleiding om het verlies van hun vrijheid te betreuren. In een ruime kooi herkrijgen zij weldra hun vroegere opgewektheid en gedragen zich geheel op dezelfde wijze als in hun vaderland. Gewoonlijk zitten zij stil en, als een paar de kooi bewoont, dicht bij elkander op de meest geschikte plaats. De hals is dan zoover ingetrokken, dat de kop onmiddellijk op de schouders rust; aan ’t ordenen van de veeren wordt weinig zorg besteed. Tot afwisseling zet de eene of andere de veeren van den kop overeind, waardoor deze de dubbele grootte verkrijgt van vroeger en hun gelaat een ernstige uitdrukking aanneemt; ook wippen zij soms met den staart. Het traag, somber en slaperig uitzicht van den Reuzen-ijsvogel wordt gelogenstraft door de onrustig rondblikkende, listig glinsterende oogen, waarmede hij de omgeving voortdurend bespiedt en alles opmerkt, wat hier voorvalt.
In de kooi toont de Reuzen-ijsvogel zijn bekendheid met de tijdverdeeling op dezelfde wijze als in de Australische bosschen; hij schreeuwt in den regel alleen op de hierboven aangeduide tijdstippen. Hij wijkt echter in bijzondere omstandigheden van dezen regel af en beantwoordt een voor hem verstaanbaren groet met geschreeuw; op dezelfde wijze (en ook wel zonder voorafgaande uitnoodiging) begroet hij zijn verzorger.
*
Karakteristieke bewoners van de eilandenwereld tusschen Australië en Azië zijn de Raketstaartige IJsvogels (Tanysiptera), die zich van de Bosch-ijsvogels door de trapsgewijs verlengde stuurpennen onderscheiden; de beide middelste zijn zeer lang, haar vlag is grootendeels smal, doch aan de spits spatelvormig verbreed.
Een van de prachtigste vertegenwoordigers van dit geslacht is de Galatea (Tanysiptera Galatea). De bovenkop, de veeren van het handgewricht en de beide middelste staartpennen (met uitzondering van haar witten, spatelvormig verbreeden top) zijn schitterend lichtblauw; de bovenrug, de schouderveeren, de vleugels en een breede band over de zijden van den kop zijn donker zwartblauw; wit zijn de onderrug, de staartwortel, de geheele onderzijde en de 4 paar buitenste staartveeren met uitzondering van een smallen, lichtblauwen zoom. De snavel is licht koraalrood. Deze Vogel, die, evenals de overige leden van zijn geslacht, ongeveer de grootte van onzen Middelsten Bonten Specht bereikt, bewoont Nieuw-Guinea en de naburige eilanden.
De Platsnaveligen (Todidae), die met de Zaagbekscharrelaars de kleine onderorde van de Todivogels (Todi) vormen, hebben een zeer vreemdsoortigen snavel. Deze is middelmatig lang, recht en zoo plat, dat hij strikt genomen slechts uit twee dunne, stompe platen bestaat, daar de rug van den bovensnavel bijna niet meer te onderscheiden is. Van boven gezien heeft de snavel den vorm van een in de lengte gerekten, van voren afgeknotten driehoek. De top van den bovensnavel is recht, d. w. z. niet naar onderen gebogen, de onderkaak stomp afgeknot, de zijranden zijn uiterst fijn getand; de mondspleet reikt tot achter de oogen. Zij zijn beperkt tot de Groote Antillen.
Bij den Todi of Groenen Platsnavel (Todus viridis) hebben alle bovendeelen een prachtig glinsterende, grasgroene kleur; aan den onderrand van het oog merkt men een zeer smallen, rooden zoom op. De kin- en keelveeren zijn fraai karmijnrood, met een uiterst smallen, zilverwitten rand aan de spits; de geheele keelvlek wordt zijwaarts begrensd door een zacht grijsblauwe, overlangsche streep en van onderen door een witte vlek. De zijden van den krop en de borst zijn groenachtig, de zijden van den schenkel, de onderste vleugel- en staartdekveeren licht geelachtig, de borst en het midden van den buik geelachtig wit; terwijl eenige bundelsgewijs bijeenstaande veeren aan de zijden van den buik een zachte, rozeroode kleur hebben. De iris is lichtgrijs, de bovensnavel vuilroodachtig, de ondersnavel vuilgeelachtig, de poot bruinrood of vleeschkleurig. Totale lengte 12, staartlengte 3.8 cM.
“In alle deelen van Jamaica,” zegt Gosse, “is de Groene Platsnavel een zeer gewone Vogel. Zijn glanzig, grasgroen kleed, met fluweelachtig roode keelvlek trekken spoedig ieders opmerkzaamheid. Daar hij bijzonder mak is, kan iedereen hem gemakkelijk naderen; dat hij dit toelaat, is waarschijnlijk eer een bewijs van onverschilligheid dan van argeloosheid. Wanneer hij opgejaagd wordt, vliegt hij hoogstens naar de naastbijgelegen twijg. Wegens zijn gemeenzaamheid is hij algemeen bemind, hetgeen blijkt uit de vleiende benamingen, die het volk hem geeft.”
Hij voedt zich met Insecten, die in de vlucht gevangen worden en nestelt in holen in den grond op de wijze van de IJsvogels. In de kooi wordt hij zeer tam.
De naaste verwanten van de Platsnaveligen—de Zaagbek-scharrelaars of Momots (Momotidae)—gelijken op de Scharrelaars, maar meer nog op de IJsvogels. Zij bewonen alle Mexicaansche en Zuid-Amerikaansche wouden, maar worden nergens in grooten getale bijeen gevonden; zij leven afzonderlijk of bij paren en blijven gewoonlijk ver van de woningen der menschen verwijderd. De zijranden van hun tamelijk langen en flauw gebogen snavel zijn met fijne, tandvormige inkervingen voorzien. De pooten eindigen in tredvoeten en hebben een korten loop. De vleugels zijn tamelijk kort en afgerond; de staart is wigvormig.
Een van de meest bekende soorten is de Braziliaansche Momot, de Hoetoe der inboorlingen (Prionites brasiliensis). De voorhoofdsrand, de teugel en de oogstreek, benevens een vlek op de kruin zijn zwart; vóór deze vlek is de bovenkop hemelsblauw, daarachter donker ultramarijnblauw; het achterste deel van den hals en de onderdeelen zijn groen met roestkleurig kaneelbruinen weerschijn; de roodbruine veeren van den nek vormen een dwarse vlek; eenige iets langere en breedere, zwarte veeren op het midden van de keel hebben een smallen, hemelsblauwen zoom; de rug, de vleugels en de staart zijn donker grasgroen; de slagpennen aan de binnenzijde met zwarten, de handpennen aan de buitenzijde met groenachtig blauwen, de vier buitenste paren staartpennen aan den top met breeden, donker marineblauwen zoom, de beide middelste, voor zoover zij achter de overige uitsteken, breeder en levendiger van kleur, doch met zwarten eindzoom. Totale lengte 50, staartlengte 28 cM.
Deze fraaie Vogels bewonen de woudrijke gewesten van Suriname, Cayenne en van het noorden van Brazilië. Zij zijn hier algemeen bekend: reeds vóór zonsopgang schalt van uit het dichte oerwoud hun klagende, droefgeestige stem, die uit de duidelijk geïntoneerde klanken “hoetoe hoetoe” bestaat. Azara, die ze in de gevangenschap heeft nagegaan, noemt ze schuw en wantrouwig, maar nieuwsgierig van aard, en zegt, dat hunne bewegingen plomp en stijf zijn, hoewel zij zeer aardig met den kop knikken en den hals heen en weer bewegen. Zij aten brood, maar nog liever rauw vleesch, dat zij vooraf met den snavel meermalen tegen den grond stootten, alsof het een buit was, die eerst nog gedood moest worden. Kleine Vogels, die zij geruimen tijd vervolgden en ten slotte op deze wijze doodden, waren zeer naar hun smaak.
De onderorde van de Koekoekvogels (Coccygiformes) omvat slechts één groep (Coccyges), tot welke de familiën van de Koekoeken en Pisangvreters behooren. Zeer na verwant aan deze groep is die der Glansvogels (Galbulae) met de familiën van de Glansvogels en van de Baardkoekoeken. Van deze vier familiën heeft alleen die der Koekoeken (Cuculidae), die in vier onderfamiliën wordt gesplitst, één enkelen, inheemschen vertegenwoordiger.
De Boomkoekoeken (Cuculinae), die de eerste onderfamilie vormen, kenmerken zich door den flauw gebogen, gewoonlijk tamelijk dunnen, aan den wortel zich verbreedenden snavel, die in lengte met den kop overeenkomt, door de korte of hoogstens middelmatig lange voeten met vier teenen, waarvan den binnenste steeds naar achteren gekeerd is, de buitenste echter naar verkiezing naar voren of naar achteren kan worden gericht, door de lange, smalle en spitse vleugels, welker derde handpen in den regel de langste is, door den langen, afgeronden of wigvormig toegespitsten, uit 10 pennen samengestelden staart en eindelijk door het dichte vederenkleed, welks bijzonder lange bestanddeelen zwak in de huid bevestigd zijn. In den regel is het verschil van kleur tusschen het mannetje en het wijfje gering, tusschen de ouden en de jongen groot.
De leden van deze onderfamilie, ongeveer 80 in getal, zijn verbreid over de Oude Wereld en Australië. In Indië en Afrika zijn zij bijzonder talrijk, in het noorden evenwel slechts door één enkele soort vertegenwoordigd. Alle zonder uitzondering bewonen het woud en verlaten slechts tijdelijk de nabuurschap der boomen. Zoover de boomgroei reikt, worden zij overal gevonden, boomlooze streken daarentegen vermijden zij geheel en al. De in ’t noorden broedende soorten trekken, die van ’t zuiden zwerven hoogstens in het land rond. Zij zijn onrustig, onstuimig en schuw van aard, vermijden het gezelschap van hunne soortgenooten en houden zich over ’t algemeen niet gaarne bij andere Vogels op. Snel doorkruisen zij vliegend een tamelijk groot gebied, zoeken de boomen af, schieten van hier neer op het door hen opgespoorde dier, ook wel op den bodem, zonder zich hier neer te zetten; op deze wijze zwerven zij, vliegend, etend en roepend hun gebied rond. Hun voedsel bestaat bijna geheel uit Insecten en meer bepaaldelijk uit Insectenlarven, vooral echter uit behaarde rupsen, die door de overige Vogels versmaad worden. De haren van deze rupsen hechten zich gedurende de spijsvertering zoo stevig aan de maagwanden, dat deze er uitzien, alsof zij van nature behaard zijn, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot verkeerde gevolgtrekkingen. Van de groote soorten dezer familie wordt gezegd, dat zij Kruipende Dieren niet versmaden; alle worden, misschien niet geheel ten onrechte, als nestroovers beschouwd, die niet slechts eieren uit het nest werpen, maar ze ook verslinden. Deze eenigszins in ’t oog vallende roofzucht vindt haar verklaring in de voortplantingswijze der Boomkoekoeken. Alle leden van deze onderfamilie broeden n.l. de eieren niet zelf uit, maar leggen ze in de nesten van andere Vogels, die zich met de verzorging van de Koekoeksjongen belasten. In den regel neemt het Koekoekwijfje vooraf een ei uit het nest van de Vogels, die door haar tot pleegouders van haar kroost verkozen worden. Dat dit ei niet zelden door den Koekoek verslonden wordt, is vaak ontkend; volgens vele waarnemingen is dit feit echter boven allen twijfel verheven. Op zeer verschillende wijzen heeft men trachten te verklaren, waarom de Koekoeken niet zelf broeden, zonder tot dusver een voldoende reden voor dit verschijnsel te kunnen aangeven.
Het komt sommigen nog twijfelachtig voor, of men de Koekoeken als nuttige, dan wel als schadelijke Vogels moet beschouwen. Het valt niet te ontkennen, dat zij ons groote diensten bewijzen door het verslinden van de harige rupsen, die door hare verdedigingsmiddelen tegen de vraatzucht van andere insectenroovers gevrijwaard zijn; evenmin kan men echter loochenen, dat zij door het leggen van hunne eieren in de nesten van kleinere Vogels eenige schade veroorzaken; daar het grootbrengen van een Koekoek altijd den dood van de jongen van zijn pleegmoeder ten gevolge heeft. Hier kan echter tegen in gebracht worden, dat één Koekoek meer Insecten verslindt dan vijf of zes kleine Zangers. Het komt ons daarom voor, dat de Koekoeken de bescherming van den mensch volkomen verdienen.
*

Koekoek (Cuculus canorus). ½ v. d. ware grootte.
Onze Koekoek (Cuculus canorus) is aan de bovenzijde blauwachtig aschgrauw of donker aschgrauw, aan de onderzijde witachtig grijs met zwartachtige, dwarse golflijnen; de keel, de wangen, de gorgel en de zijden van den hals tot aan de borst zijn zuiver aschgrauw, de vleugels loodkleurig zwart, de stuurpennen zwart met witte vlekken. De oogen zijn hooggeel, de pooten geel, de snavel is zwart met uitzondering van den gelen snavelwortel. Totale lengte 37, staartlengte 17 cM.
In Europa, Azië en Afrika zijn weinige landen of gewesten, waar de Koekoek niet waargenomen werd. Als broedvogel bewoont hij het noorden van de Oude Wereld, van China en de Amoer-landen tot aan de kust van Portugal, van de Noordkaap tot Syrië en Palestina, van Algerië tot Perzië. Van hier trekt hij naar het zuiden: van Siberië tot naar de Soenda-eilanden en Ceylon, van Europa tot in Zuid-Afrika. Ook in ons land is hij zeer algemeen; men treft hem in de meeste groote en kleine bosschen en zelfs in groote tuinen aan. Hij komt hier gemiddeld op den 23en April, soms later (7 Mei), soms vroeger, bij uitzondering ook wel in het begin van April (2 April) onverschillig of het weer gunstig is of niet. In Duitschland, waar de Koekoek eveneens algemeen verbreid is, wordt 18 of 19 April opgegeven als tijd van aankomst. In Zuid-Europa is hij veel zeldzamer dan bij ons, toch legt het wijfje ook daar eieren. Verder noordwaarts wordt hij veelvuldiger; in Skandinavië behoort hij tot de algemeenste Vogels van het land.
Ieder mannetje kiest voor zich een gebied van een tamelijk grooten omvang en verdedigt het hardnekkig tegen mededingers, zoo deze komen opdagen. Als een Koekoek door een soortgenoot verdrongen wordt, vestigt hij zich dicht bij den overwinnaar en gaat dan bijna iederen dag een poosje met hem bakkeleien. Dat dezelfde Vogel op dezelfde plaats terugkeert, is door waarnemingen bewezen. Onophoudelijk doorkruist het mannetje zijn gebied en verschijnt daarom iederen dag verscheidene malen geregeld op bepaalde boomen. Het wijfje daarentegen let niet op de grenzen van eenig gebied, maar zwerft gedurende den geheelen zomer, althans zoolang de legtijd duurt, zonder eenigen regel door het gebied van verscheidene mannetjes en leeft met ieder van deze in goede verstandhouding. Het aantal wijfjes is vermoedelijk ongeveer de helft van dat der mannetjes.
Onze Koekoek is onrustiger en bedrijviger dan al zijne mij bekende verwanten en maakt ijveriger dan deze van zijne vleugels gebruik. Van den morgen tot den avond is hij in beweging, in Skandinavië zelfs gedurende het grootste deel van den nacht. Onophoudelijk is hij met eten bezig; hij is even vraatzuchtig als beweeglijk en schreeuwlustig. Licht en sierlijk, min of meer op de wijze van een Valk, doch minder snel, komt hij aanvliegen, zet zich op een tak neder en ziet naar voedsel uit. Als hij een buit heeft opgemerkt, schiet hij er met een paar behendige zwenkingen op toe, pikt hem op en keert naar zijn vorige zitplaats terug, of vliegt naar een anderen boom, waar hetzelfde bedrijf plaats vindt.
De Koekoek is trouwens alleen in ’t vliegen behendig, in alle overige bewegingswijzen onbeholpen. In ’t klimmen is hij volstrekt niet, in ’t gaan zeer weinig bedreven; op den vlakken bodem moet hij zich bepalen tot huppelen. Beter, doch niet gaarne, beweegt hij zich te midden van de twijgen. In de lente zal hij nooit verzuimen na het neerstrijken op een boom herhaaldelijk zijn stem te laten hooren; hij doet dit, als de liefde in hem ontwaakt is, zoo dikwijls, dat hij er ten slotte werkelijk heesch door wordt. Op het bekende “koekoek” laat hij dikwijls een zacht, lachend geluid volgen, dat als “kwawawa” of “haghaghaghag” klinkt. De stem van het wijfje is een eigenaardig gegrinnik, dat het best vergeleken kan worden met “wik wik”.
De Koekoek wordt dikwijls als zeer twistziek afgeschilderd. Toch leeft hij alleen met zijne soortgenooten op een voet van oorlog; de geheele overige vogelwereld laat hem koud, tenzij hij zich tegen een vijand verweren moet, of bezig is aan andere Vogels de rol van pleegouders van zijn kroost op te dringen. De bewering, dat de Koekoek onverdraagzaam zou zijn, wordt weersproken door het feit, dat dit dier met verscheidene andere Vogels—Papegaaien, Appelvinken, Kardinalen, Hoorn- en Kalander-leeuweriken, Hoppen, verscheidene soorten van Zangers, Helmvogels, Ruigpootduiven, enz.—in dezelfde kooi geleefd heeft, zonder dat de verstandhouding iets te wenschen overliet; de Koekoek dacht er niet aan met zijne lotgenooten te vechten of te kibbelen. Ook heeft hij een tijdlang samengewoond met kleine, West-Afrikaansche Vinken, zonder ze ooit lastig te vallen. Zelfs Koekoeken, die op lateren leeftijd gevangen zijn, worden soms zeer schielijk tam. Het is echter een feit, dat de eene mannelijke Koekoek den anderen niet kan uitstaan.
Reeds aan de Ouden was het bekend, dat de Koekoek zijne eieren in vreemde nesten legt. Voor het uitbroeden van het koekoeksei en het grootbrengen van het hieruit voortkomende jong zorgt de Zangvogel, in wiens nest het ei gelegd werd. Men heeft thans reeds in nesten van 117 soorten van Vogels een koekoeksei gevonden; zonder twijfel zou door een nauwkeuriger onderzoek van het geheele verbreidingsgebied van dezen merkwaardigen Vogel deze lijst nog belangrijk vergroot worden. De Rietzangers, Kwikstaarten, Grasmusschen genieten de voorkeur; van vele andere Vogels wordt het nest alleen in den uitersten nood en misschien wel bij vergissing gebruikt.
De eieren van den Koekoek zijn, in verhouding tot de grootte van den Vogel, buitengewoon klein, nauwelijks grooter dan die van de Huismusch; zij hebben een stevige, zware, niet zeer glanzige schaal, in verschen toestand meestal een meer of minder levendige, geelachtig groene grondkleur, met paarsachtig grijze of dofgroene ondervlekken en bruine, scherp begrensde stippeltjes. Zij zijn echter soms grooter, soms kleiner, bovendien verschillend van vorm en zeer ongelijk van kleur en teekening. Bij geen anderen Vogel, wiens eieren men kent, komen zulke groote afwijkingen voor. In verband met de verschillende plaatselijke gesteldheid heeft nu eens deze, dan weer een andere kleur de overhand. Ieder wijfje legt slechts één ei in ieder door haar gekozen nest en doet dit in den regel eerst, wanneer het nest van de toekomstige pleegouders reeds eieren bevat. Waarschijnlijk geeft ieder wijfje aan het nest van een bepaalde soort van Vogels de voorkeur en tracht zij haar ei steeds in zulk een nest te leggen; slechts in geval van nood maakt zij van het nest van een anderen Vogel gebruik.
Nog voordat haar ei rijp, d. w. z. voor het leggen geschikt is, vliegt het wijfje uit om een nest te zoeken. Het mannetje, dat zich trouwens, naar het schijnt, in ’t geheel niet om zijn nakomelingschap bekommert, vergezelt haar niet op deze reis. Zij vindt het gezochte nest soms reeds onder het vliegen, soms na eenigen tijd in de struiken rondgeklauterd te hebben of na het bespieden van de Vogels, die voor pleegouders zijn uitgekozen, bij het bouwen van het nest.
Zijn gewone schuwheid overwinnend, komt het Koekoek-wijfje bij deze gelegenheid zeer dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van woningen en zelfs in gebouwen, b.v. bergplaatsen en schuren. Wanneer de tijd van ’t leggen gekomen is, zal het Koekoek-wijfje, indien de bouwtrant en de standplaats van het nest dit toelaten, hier op gaan zitten; indien dit niet mogelijk is, wordt het ei op den grond gelegd, in den snavel genomen en zoo in het nest overgebracht. Niet al te zelden komt het voor, dat het wijfje, als het oogenblik van ’t eierleggen gekomen is, om het gewenschte nest te bereiken in een holte moet sluipen, door welks ingang het zich slechts met moeite kan heenwringen, zelfs heeft men wijfjes, die in dit geval verkeerden, gevangen, omdat zij niet spoedig genoeg konden vluchten.
De Koekoek keert na het leggen van het ei herhaaldelijk naar het nest terug om er eieren of zelfs jongen van de rechtmatige eigenaars uit te werpen. De bewering, dat de Zangvogels er zeer mede ingenomen zijn, als een vrouwelijke Koekoek hun nest nadert en er een ei in legt, mist allen grond. Opmerkelijk is het daarom, dat de bedoelde Vogels, die iedere verstoring van hun nest zeer onaangenaam vinden en hierdoor zelfs genoopt worden het broeden te staken, in dit geval een uitzondering maken en het koekoeksei behandelen, alsof het van hen zelf afkomstig is. Zij haten het wijfje van den Koekoek, maar laten het vreemde ei of het hieruit gekomen jong niet boeten voor wat zijn moeder misdreef.
De jonge Koekoek, die gemakkelijk te herkennen is aan zijn wanstaltig dikken kop en groote pupillen, verlaat het ei als een zeer hulpbehoevend wezen. Aanvankelijk groeit hij snel, weldra ontspruiten uit zijn zwartachtige huid stoppelvormige veeren, die hem een zeer leelijk uiterlijk verschaffen. Zijn eetlust is verbazend; hij heeft meer voedsel noodig dan zijne pleegouders hem kunnen verschaffen; een gevolg hiervan is, dat de jongen, die met hem het voer zouden moeten deelen, verhongeren; hij werpt ze ook wel ten slotte uit het nest, als zij niet door zijn moeder weggenomen of om ’t leven gebracht worden. Daarom is de Koekoek in de latere tijdperken van zijn ontwikkeling steeds de eenige bewoner van de kinderkamer.
De barmhartigheid, die de kleine Zangvogels bij het grootbrengen van den Koekoek toonen, is werkelijk treffend. Met grooten ijver voorzien zij het vraatzuchtige monster, dat de plaats van hun eigen kroost ingenomen heeft, met een overvloed van voedsel. Zij brengen het kevertjes, Slakken, rupsjes, Wormen en sloven zich van ’s morgens tot ’s avonds tevergeefs af, om hun pleegkind te bevredigen en zijn als “tsies tsiesies” klinkend hongergekrijt te doen ophouden. Zelfs na het uitvliegen volgen zij het nog dagen lang, hoewel het zich niet door hen laat leiden, maar naar eigen verkiezing rond vliegt, willen de trouwe pleegouders het niet verlaten. Wanneer de Koekoek geboren is in een hollen boom, komt het soms voor, dat hij wegens de engheid van de opening niet in staat is het nest te verlaten; in dit geval blijven zijne pleegouders om zijnentwil tot laat in ’t najaar achter en voederen hem aanhoudend. Om deze reden heeft men wijfjes van Kwikstaarten hier zien blijven, nadat reeds al hunne soortgenooten naar ’t zuiden waren afgereisd.
De volwassen Koekoek heeft weinige vijanden. Zijn bekwaamheid in ’t vliegen beveiligt hem tegen de vervolgingen van de meeste Valken; van de klimmende roofdieren heeft hij waarschijnlijk nooit iets te vreezen. Vaak wordt hij echter geplaagd door kleine Vogels: niet alleen door die soorten, welke hij in den regel met de verzorging van zijn kroost belast, maar ook door andere. Het meest heeft hij, zooals te verwachten was, van de moedige Kwikstaarten te lijden. Voor den mensch is hij in den regel goed op zijn hoede; alleen iemand, die het geluid van den Koekoek volkomen zuiver weet na te bootsen, zou hem kunnen naderen. Nog moeielijker is het een volwassen Koekoek levend te bemachtigen.
Men doet wèl den Koekoek in ieders welwillendheid aan te bevelen. Hij mag in het woud niet ontbreken; daar hij het niet slechts verlevendigt, maar ook medewerkt om het in stand te houden. Voor ons gevoel treedt met het geroep van den Koekoek ook de lente het woud binnen; de ervaring leert ons, dat dit klankvol geluid nog een geheel andere en meer belangrijke beteekenis heeft. Het verraadt de terugkomst van een der trouwste beschermers onzer bosschen. Zijn voedsel bestaat uit allerlei Insecten en slechts bij uitzondering uit bessen; hij verdelgt zelfs die Insecten, welke tegen andere vijanden gewapend zijn, n.l. behaarde rupsen. Dat vele van deze dieren afschuwelijke boschvernielers zijn, is algemeen bekend en ook, dat zij zich dikwijls zeer sterk vermenigvuldigen. De niet zelden onrechtvaardig veroordeelde Koekoek is hun ijverigste bestrijder. Zijn onverzadelijke eetlust is een weldaad voor het woud; de vraatzucht is zijn beste aanbeveling althans in de oogen van den verstandigen houtteler. De Koekoek doet aan de schadelijke Insecten veel meer afbreuk dan de mensch zou kunnen doen.
*

Goudkoekoek (Chrysococcyx cupreus). ⅘ v. d. ware grootte.
De prachtigste van alle Koekoeken bewonen de keerkringsgewesten van Afrika, Azië en Nieuw-Holland. De namen Bronskoekoeken en Goudkoekoeken (Chrysococcyx) zijn geheel onvoldoende tot aanduiding van hun schoonheid; daar hun kleed met veel prachtiger kleuren prijkt, dan eenig metaal of metaalmengsel vertoont.
De Goudkoekoek of Diedriek (Chrysococcyx cupreus of auratus) is op de geheele bovenzijde, met uitzondering van eenige lichter gekleurde plekken, glanzig goudgroen, met koperkleurigen weerschijn; vele veeren hebben echter bovendien nog een blauwachtigen glans aan haren rand, enkele hebben één of twee dergelijke vlekken. Langs het midden van de kruin strekt zich voor en achter het oog een witte streep uit, een andere met goudgroenen zoom gaat van den mondhoek uit. De geheele onderzijde is licht bruinachtig of geelachtig wit. De veeren van de zijden, die van den staart en de ondervleugeldekveeren zijn groenachtig, de eerste hand-, alle arm- en de buitenste stuurpennen vertoonen witte banden op donkergroenen grond. De oogen zijn levendig geelbruin, gedurende den paartijd bij het mannetje cochenille-rood, het ooglid is koraalrood, de snavel donkerblauw, de poot lichtgrijsachtig blauw. Totale lengte 19.5, staartlengte 8.5 cM. Het wijfje is gemakkelijk te herkennen aan de gevlekte onderzijde. Het jeugdkleed gelijkt veel op het volkomen kleed; de onderdeelen hebben dan echter een gele tint, de borst en de keel zijn als ’t ware dicht bedekt met metaalachtig groene schubben; de veeren van de bovenzijde hebben roestgele randen en de slagpennen roestgele vlekken.
Veelvuldig komt hij in Zuid-Afrika voor, minder algemeen is hij in Midden-Afrika. Zijn loktoon is een luid gefluit, dat door de lettergrepen “diediediediedriek” of “hoeïedhoeïedhoeïedie” nagebootst wordt. Het wijfje laat slechts een zachten, als “wiek wiek” klinkenden toon hooren.
Levaillant vond, naar hij bericht, 83-maal een ei van den Goudkoekoek in het nest van insectenetende Vogels en verzekert waargenomen te hebben, dat het wijfje zijn ei met den snavel overbrengt in het nest van de Vogels, die het tot pleegouders heeft bestemd.
Een tweede onderfamilie wordt gevormd door de Gaaikoekoeken (Coccystinae), welker grootste vertegenwoordiger—het eenige lid van het geslacht der Maskerkoekoeken (Scythrops)—de Reuzenkoekoek, de Ameao van de bewoners van Celebes (Scythrops novae-hollandiae)—Australië bewoont, van waar hij in het najaar naar Timor, Batjan, Halmahera en Celebes trekt. Zoowel in het eerstgenoemde als in het laatstgenoemde gebied wordt zijn komst als een voorteeken van regenachtig weer gehouden; vandaar de naam Voorspeller, waarmede hij soms wordt aangeduid. De snavel, die dezen Vogel de eer heeft verschaft van als een overgangsvorm tusschen de Koekoeken en de Pepervreters beschouwd te worden, is langer dan de kop, groot, dik en stevig, aan den wortel tamelijk hoog en breed, zijdelings samengedrukt, met sterk gebogen snavelrug en haakvormig gekromde spits. De kop en de hals zijn fraai aschgrauw, de bovendeelen (met inbegrip van de vleugels en den staart) grijsbruin, alle veeren van den mantel, van de schouders en van den staartwortel en alle bovendekveeren van den staart hebben breede, omberbruine randen. De oogen zijn bruin en met een onbevederden, karmijnrooden kring omgeven; de snavel is vuilgeelachtig, de pooten zijn olijfbruin. Totale lengte 65, staartlengte 26 cM.
Uit zijne handelingen en gewoonten, zijn wijze van beweging, van voeding en van voortplanting, blijkt duidelijk, dat hij tot de Koekoeken behoort. Het doordringende geschreeuw, dat hij zoowel gedurende het zitten als onder het vliegen laat hooren, weerklinkt vooral, als hij een Roofvogel ziet. In zijn maag vond men behalve Insecten ook vruchten en zaden, vooral die van den rooden eucalyptus en van den pepermuntboom (Eucalyptus amygdalina en piperita).
Uitvoerige berichten over de voortplanting van dezen Vogel ontbreken tot dusver; het schijnt zeker te zijn, dat ook hij zijne eieren aan de zorg van vreemde Vogels toevertrouwt. Gould kreeg er één, dien men, naar gezegd werd, door twee Vogels van een andere soort had zien voederen. Een jonge Reuzenkoekoek werd gebracht in een kooi, waarin zich reeds een Reuzenijsvogel bevond en hier door Bennett in ’t oog gehouden. Onmiddellijk na zijn aankomst opende de blijkbaar hongerige nieuweling den snavel en tot ieders verwondering ontfermde de Reuzenijsvogel zich over het weeskind. Hij nam een stukje vleesch, bewerkte het met den snavel zoo lang, tot hij het week genoeg achtte en stak het zijn voedsterling zorgvuldig in den mond. Met dit bedrijf ging hij voort, totdat de jonge Koekoek in staat was zelf te eten.
*
Zuid-Azië en Oost-Indië werden bewoond door een klein geslacht van groote Gaaikoekoeken, die men Goekels (Eudynamis) heeft genoemd. De beroemdste soort van dit geslacht is de Koeïl der Hindoes, de Koesil der Maleiers, de Toehoe of Tsjoeli der Javanen (Eudynamis nigra). Het mannetje is glinsterend groenachtig zwart, het wijfje glinsterend donkergroen, aan de bovenzijde witgevlekt, op de slagpennen en den staart met witte banden, van onderen wit met zwarte vlekken. Het mannetje is 41 cM. lang, zijn staart 21 cM.
Het wijfje van dezen in Indië zeer populairen Vogel legt haar ei, naar het schijnt, uitsluitend in de nesten van de beide Indische soorten van Kraaien: vooral in dat van de Glanskraai (Corvus splendens), veel zeldzamer in dat van de Krengenkraai (Corvus culminatus). Algemeen verbreid is de meening, dat het wijfje van dezen Koekoek het kraaiennest, waarin zij haar ei gelegd heeft, uit de verte in ’t oog houdt, om te zien of haar jong er uitgeworpen wordt. Naar het heet, geschiedt dit, zoodra het gevlekte jeugdkleed zich ontwikkeld heeft, omdat de pleegmoeder dan het jegens haar gepleegde bedrog bemerkt; de echte moeder zou dan de zorg voor het nog hulpbehoevende kind overnemen en het voederen, totdat het zich zelf kan redden. Betrouwbare berichtgevers verzekeren echter, dat de Kraai de haar opgedrongen taak tot aan het einde trouw vervult, hoewel het haar bekend is, dat zij een ondergeschoven kind verzorgt. De Koeïl heet zoo, wegens zijn stemgeluid, dat alleen in den voortplantingstijd, maar dan hinderlijk dikwijls, gehoord wordt. Het mannetje brengt bovendien nog andere geluiden voort. Deze dieren gebruiken, naar het schijnt, uitsluitend plantaardig voedsel, vooral besschen en andere vruchten; hiermede en met gekookte rijst kunnen zij in de gevangenschap jaren lang in ’t leven gehouden worden.
*
Het vrij talrijke geslacht der Gaaikoekoeken i. e. z. (Coccystus), dat zich kenmerkt door de tot een kuif verlengde veeren van den bovenkop, de staartlengte, welke die van de andere Koekoeken overtreft en de rankheid der gestalte, heeft vooral in Afrika vertegenwoordigers. Een daarvan—de Kuifkoekoek (Coccystes glandarius)—is veelvuldig in sommige gewesten van Egypte en Nubië en in West-Afrika, op zijn minst genomen niet zeldzaam in Arabië en Palestina; in Algerië komt hij eveneens voor; van hier vliegt hij meer of minder geregeld naar Zuid-Europa over, zelfs is hij een enkele maal in Duitschland (o. a. te Lübben in ’t Spree-dal) geschoten. Zijn winterreis strekt zich tot in Middel-Afrika uit; ongetwijfeld begeven alleen de in Europa woonachtige exemplaren zich zoo ver zuidwaarts. De Egyptische verlaten hun vaderland niet in de maanden, die met onzen winter overeenkomen. Deze geven beslist de voorkeur aan de over ’t Nijldal verspreide, kleine mimosaboschjes. Zelden ontmoet men dezen Vogel hier alleen. Of de paartijd op zijn gezelligheid eenigen invloed oefent, is mij niet bekend; wel vonden wij de Kuifkoekoeken juist gedurende den broedtijd tot gezelschappen vereenigd, waarin echter geen vreedzame stemming heerschte.

Koeïl (Eudynamus nigra). Jong mannetje. ⅓ v. d. ware grootte.
De kop van den Kuifkoekoek is aschgrauw, de rug grijsbruin, de onderzijde grijsachtig wit; de keel, de zijden van den hals en de voorborst zijn roodachtig vaalgeel; de vleugeldekveeren en armpennen eindigen in groote, breede, driehoekige, witte vlekken. Totale lengte ongeveer 40, staartlengte 22.5 cM.
Behalve in de wijze van vliegen bestaat er tusschen dezen Koekoek en den onzen weinig overeenkomst in uiterlijk en levenswijze. Gene bepaalt zich tot een veel kleiner gebied en keert veel vaker naar dezelfde plaats terug. Hij heeft een geheel andere stem, n.l. een lachend geschreeuw, hetwelk aan dat van den Ekster herinnert en ongeveer klinkt als “kiau kiau”. Tot waarschuwing roept hij “kerk kerk”.
In de maag van gedoode exemplaren werden allerlei Insecten, ook rupsen, gevonden. In Egypte en Spanje, werd opgemerkt, dat de Kuifkoekoek zijne eieren in de nesten van Kraaien en Eksters legt. Jonge Vogels van deze soort kunnen in de kooi gemakkelijk met vleesch in ’t leven worden gehouden.
De onderfamilie der Kreupelhoutkoekoeken (Zanclostominae) omvat alle Koekoekachtigen, welker loop langer is dan de middelste teen of even lang als deze.
Onder den naam Malkoha’s (Phoenicophaeus) worden door Schlegel een aantal Oost-Indische soorten samengevat, welker groote snavel zoowel als het vederenkleed veelal met fraaie kleuren prijkt. Zij hebben tamelijk korte, afgeronde vleugels, een min of meer verlengden staart en veelal een naakten kring om de oogen.
Tot dit geslacht behoort de op Java levende Lontok (Phoenicophaeus melanognathus); deze heeft bronsgroene bovendeelen; de achterhelft der staartpennen is kastanjebruin, de onderzijde ros, de ondersnavel zwart, de bovensnavel geel. Men treft hem aan in streken, die dicht met struiken begroeid zijn en ziet hem dikwijls met uitgebreide vleugels op dichte struiken rusten, zonder dat hij zich met de pooten vasthoudt. De zeer na verwante Lewajèn (Phoenicophaeus erythrognathus) heeft een roode onderkaak en bewoont Sumatra. Nog opzichtiger zijn de kleuren van den Prachtsnavel (Phoenicophaeus callirhynchus) van Celebes, bij wien de bovenkaak van achteren helder geel, van voren zwart, de ondersnavel van voren rood is. De staart is buitengewoon lang, fraai metaalglanzig blauw met purperen weerschijn; de overige veeren zijn roodbruin met uitzondering van den bovenkop en de buik, die grauw zijn, terwijl de achterhelft der vleugels een staalblauwe kleur heeft.
*
Amerikaansche Koekoeken of Koelikoe’s (Coccygus) gelijken, wat vorm en lengte van den snavel betreft, veel op onzen Koekoek. De loop is is echter bij hen even lang als de middelste teen, de staart lang en trapvormig; de vleugels zijn zoo lang, dat zij het midden van den staart bereiken. Hun vederenkleed is buitengewoon zacht. Zij houden zich in bosschen en plantsoenen op, zijn schuw, houden van de eenzaamheid, bewonen meestal de dichtste gedeelten van het kreupelhout, sluipen hier behendig tusschen de twijgen door en komen nu en dan ook wel op den bodem. Hun voedsel bestaat uit Insecten en vruchten, vooral echter uit behaarde rupsen. Soms plunderen zij de nesten van kleine Vogels, verslinden althans hunne eieren en kunnen hierdoor schade doen. Daarentegen werken zij de vermenigvuldiging van deze Vogels niet tegen door hen met de zorg voor vreemde jongen te belasten; want zij broeden in de regel zelf en leggen, naar het schijnt, slechts bij uitzondering, misschien slechts in geval van grooten nood, een van hunne eieren in een vreemd nest.
Bij den Regenkoekoek (Coccygus americanus) zijn de veeren van de bovenzijde met inbegrip van de vleugeldekveeren en de beide middelste staartpennen, licht bruingrijs met zwakken metaalglans, de geheele onderzijde en de zijden van den hals melkwit met een teer grijs waas; de wortelhelft van de derde tot zevende slagpen is roodachtig kaneelkleurig; de overige slagpennen zijn op de buitenvlag en op de spits bruin evenals de rug, de staartveeren met uitzondering van de beide middelste zwart met witte spits, de buitenste ook op de buitenvlag wit. De iris is donkerbruin, de rug van den bovensnavel bruinachtig zwart, de ondersnavel geel, de poot blauwgrijs. Totale lengte 33, staartlengte 17.5 cM.
De Regenvogel—zoo genoemd, omdat zijn als “kau kau” of “koek” klinkende stem, die vooral in Mei en Juni in de bosschen weerklinkt, als voorteeken van regen geldt—bewoont de Vereenigde Staten, van Canada tot Florida en van de Atlantische kust tot aan die van de Stille Zuidzee en broedt bovendien op vele West-Indische eilanden. Waarschijnlijk is hij in de zuidelijkste gedeelten van dit gebied zwerfvogel, uit de noordelijke staten trekt hij geregeld tegen het midden van September naar Middel-Amerika. In de boomkronen beweegt hij zich met de behendigheid van een Mees; als hij, ’t geen zelden geschiedt, op den bodem komt, huppelt hij hier onbeholpen rond. Het plunderen van vogelnesten heeft hem bij alle kleine Vogels zoo gehaat gemaakt, dat deze hem even ijverig en hevig vervolgen als onzen Koekoek, zoodra hij zich vertoont.
Het ondiepe nest is op zeer eenvoudige wijze van gras met eenige droge twijgen gebouwd en rust, evenals dat van de Gewone Duif, waarop het veel gelijkt, op horizontale twijgen, dikwijls op manshoogte. De eieren hebben een levendig groene kleur. Audubon zag zulk een nest in het begin van Juni te Charleston: “Een van de oude Koekoeken, die er op zat, verliet zijn plaats eerst, toen de hand van den knaap, die in den boom klom, nog slechts weinige centimeters van hem verwijderd was en vloog toen zonder gedruisch naar een anderen boom. Twee jonge Koekoeken, die bijna reeds vliegen konden, verlieten ijlings hun wieg en kropen tusschen de takken, maar werden spoedig gevangen. Het nest bevatte nog drie Koekoeken, die echter alle in grootte verschilden. Blijkbaar was de kleinste eerst pas uitgekropen, de volgende stellig slechts een paar dagen oud, terwijl de grootste reeds tamelijk bevederd was en waarschijnlijk na verloop van een week geschikt zou zijn geworden om uit te vliegen. Naast deze jongen lagen nog twee eieren in ’t nest: het eene bevatte reeds een jong, het andere was nog versch en was dus stellig eerst sinds kort gelegd. Toen wij alle jonge Koekoeken naast elkander plaatsten en vergeleken, zagen wij tot onze groote verwondering, dat er geen twee van gelijke grootte bij waren. Het was niet te betwijfelen, dat de jongen op verschillende tijdstippen uit den dop gekomen waren en het oudste minstens drie weken ouder was dan het jongste.” Terwijl het wijfje broedt, houdt het mannetje in de nabijheid trouw de wacht en waarschuwt bij het naderen van een gevaar. Beide brengen met veel zelfverloochening hunne vraatzuchtige jongen groot en toonen dezen hun groote liefde op allerlei wijzen, ook door de listen, die zij aanwenden, om hun kroost voor gevaar te behoeden.
*
Op de Groote Antillen leven de Takko’s of Hagediskoekoeken (Saurothera); deze staan hoog op de pooten en komen veel op of dicht bij den grond.
De op Jamaica levende soort wordt daar Regenvogel genoemd (Saurothera vetula). Bij deze soort is de snavel langer dan de kop, bijna volkomen recht, dun, zijdelings samengedrukt, aan de spits haakvormig. De sterk trapvormige staart is 17 cM. lang, bij een totale lengte van 40 cM. De bovendeelen zijn bruin, de keel en de wangen wit, de onderdeelen ros. Deze Vogels broeden zelf en hebben hun nest op boomen. Men ontmoet ze overal, doch slechts in het lage houtgewas. Zij vliegen zelden en laag bij den grond; dikwijls laten zij hun stem hooren, die als “takko” of “kwa kwa” klinkt. Zij loopen vlug, zoowel op den grond als langs de takken. Vaker nog bewegen zij zich sluipend en klimmend tusschen de twijgen door. Hun voedsel bestaat niet slechts uit allerlei Insecten, maar ook uit verschillende Gewervelde Dieren, vooral Muizen en Hagedissen.
“Eén of twee dagen na mijn aankomst op Jamaica,” verhaalt Gosse, “deed ik in gezelschap van een kleinen jongen een uitstapje naar een heuvel, die gedeeltelijk met bijna ondoordringbare struiken begroeid was. Toen wij hier toch in doordrongen, zag ik een vreemdsoortigen Vogel weinige meters voor ons, die schijnbaar met de grootste belangstelling naar ons keek. Mijn kleine gids zei mij, dat het de Regenvogel was, die men echter wegens zijn dwaze nieuwsgierigheid ook wel “Gekke Thomas” noemde. Zonder verder te spreken greep de knaap een steen en trof hiermede den weetgierigen Vogel zoo goed, dat deze op den grond viel en door mij werd medegenomen.”
*
Afrika, Oost-Indië tot de Philippijnsche eilanden en Nieuw-Guinea, benevens Australië worden bewoond door een geslacht van op den grond levende Koekoeken, die men Koekals (Centropes) noemt; zij heeten ook wel Spoorkoekoeken, omdat de binnenste van de beide naar achteren gerichte teenen in den regel met een langen, slanken, bijna rechten, spitsen klauw voorzien is, die met een spoor wordt vergeleken. Laag, verward struikgewas, rietwildernissen en zelfs graswouden verschaffen hun verblijfplaatsen. Hier rennen zij veel op den bodem rond, dringen met muisachtige behendigheid door de meest verwarde samengroeiingen van planten heen en doorzoeken op deze wijze allerlei plaatsen, die voor andere Vogels bijna onbereikbaar zijn; zij maken jacht op groote Insecten, Duizendpooten en Scorpioenen, zelfs op Hagedissen en Slangen, plunderen vogelnesten en versmaden in een woord geen enkelen dierlijken buit.
De Australische Fazant-koekal (Centropus phasianus) heeft een dofzwarte grondkleur, waarop de glanzig zwarte schaften een soort van teekening vormen. De vleugels hebben op roestbruinen grond geelachtig witte, zwart gezoomde dwarsvlekken, de staart is donkerbruin met groenen weerschijn en rosachtige, grootendeels tot dwarse banden vereenigde stippels. Totale lengte 63, staartlengte 37 cM.
Deze Vogel houdt zich op in moerassige, met laag houtgewas, gras en riet weelderig begroeide, moerassige streken en leeft bijna uitsluitend op den bodem, waarover hij met gemak voortrent. Slechts in geval van nood vliegt hij op hooge boomen. Zijn groot, van droog gras vervaardigd nest staat te midden van een kleine, uit grassen bestaande verhevenheid, soms onder de bladen van een pandanus. Het is overwelfd en van twee tegenover elkander staande openingen voorzien, waardoor het wijfje bij het broeden den kop en den staat steekt. De Fazant-Koekal kan zonder bijzondere moeite aan de gevangenschap en aan een doelmatigen, gemakkelijk verkrijgbaren, gemengden kost gewend worden; hij verdraagt langdurige zeereizen zonder bezwaar; reeds verscheidene malen heeft men hem levend naar Europa, vooral naar Engeland, overgebracht.
Een nog grootere, 78 cM. lange Koekal—de Reuzen-spoorkoekoek (Centropus Goliath)—bewoont Halmaheira en Batjan; hij is zwart van kleur, met een groote, witte vlek op elken vleugel en zoekt Insecten op den grond.

Ani (Crotophaga minor). ½ v. d. ware grootte.
Evenmin als de vorige soort komt de in Afrika veelvuldige Egyptische of Senegalspoorkoekoek (Centropus senegalensis), met de echte Koekoeken in uiterlijk en levenswijze overeen; de grondkleur van zijn vederenkleed is roodachtig bruin. Totale lengte 37, staartlengte 19.5 cM. Hij leeft bijna uitsluitend in oorden, waar groote rietbosschen voorkomen. Zijn voedsel bestaat uit velerlei Insecten, vooral uit Mieren, die hem dikwijls een zeer onaangename lucht doen verbreiden. Als lekkernij maakt hij bovendien gebruik van twee groote soorten van Landslakken.
Hoogst eigenaardige Koekoeken zijn de Madeneters (Crotophaginae), die een uit weinige soorten bestaande, tot Middel- en Zuid-Amerika beperkte onderfamilie vormen. Hun belangrijkste kenmerk is de zijdelings samengedrukte, hooge snavel, welks rug tot een scherpen kam is uitgegroeid. De bovensnavel is van binnen hol, d. w. z. evenals bij de Pepervreters en Neushoornvogel uit zeer dunwandige hokjes samengesteld.
De Madeneters hebben een zeer eigenaardige levenswijze, welke volstrekt niet gelijkt op die van de andere Koekoeken, maar eerder met die van onze Eksters en Kraaien overeenstemt, hoewel zij ook aan die van de Pepervreters herinnert. Men ziet ze altijd gezelschappen vormen, die zich in de nabijheid van menschelijke woningen of ook wel in de bosschen van de steppen ophouden; het liefst zoeken zij echter de vochtige weidegronden in de dalen op en huppelen in den regel bij het vee rond. Zij schuwen de tegenwoordigheid van den mensch niet; zelfs toonen zij in sommige gevallen een driestheid, die ons waarlijk onbegrijpelijk voorkomt. Hun voortplantingswijze is niet minder vreemdsoortig: het groote, gewoonlijk uit slingerplanten samengestelde nest, dat zij gemeenschappelijk op een boom bouwen, dient als legplaats voor verscheidene wijfjes, die naast elkander zittend de eieren uitbroeden en gezamenlijk de jongen verzorgen.
*
De meest bekende en verst verbreide soort van het eenige geslacht, dat tot deze onderfamilie behoort, wordt in Brazilië Ani, in Cayenne Oiseau-du-Diable, in Suriname Sinonzovogel, op Haïti Bout-de-tabac genoemd (Crotophaga minor). Hij is 35 cM. lang, waarvan 17 cM. op den staart komen. De donkerzwarte veeren vertoonen op de vleugels en op den staart een metaalachtig blauwen weerschijn; die van den kop èn van den hals eindigen in een breeden, metaalachtig bruinen zoom; die van den mantel en den schouder, van den krop en van de borst hebben eindzoomen met zwartblauwen weerschijn.
De Ani bewoont het grootste deel van Zuid-Amerika ten oosten van de Andes-keten. Zijn verbreidingsgebied reikt van het oosten van Brazilië tot Middel-Amerika met inbegrip van West-Indië en de Antillen. Men vindt hem in Brazilië overal, waar open vlakten afwisselen met kreupelhout en kleine bosschen; steeds mijdt hij echter de groote, aaneengeschakelde wouden. Op Jamaica ziet men hem op alle vlakten, vooral in de steppen en op de weidegronden, die door paarden- en rundveekudden bezocht worden. “Hun rustelooze bedrijvigheid,” zegt Schomburgk, “levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op, dat uren lang ons kon bezig houden. Behendig huppelen zij om het rundvee heen of sluipen door het gras om Insecten te vangen.” Telkens weer laten zij hun stem hooren, een vreemdsoortig geluid, waarvan men een voorstelling verkrijgt door den naam, die hun in Brazilië gegeven wordt, met een neusklank uit te spreken, of door de lettergrepen “troe-ï troe-ï” of “oooï.”
Hun voedsel is van gemengden aard. Waarschijnlijk vormen Kruipende Dieren, Insecten en Wormen er de voornaamste bestanddeelen van; gedurende een deel van het jaar gebruiken de Madeneters bijna niets anders dan vruchten. Zij zoeken het ongedierte van het rundvee af en houden daarom zoo graag op weiden verblijf. Men ziet ze op de beesten rondloopen zonder dat deze hierover ongenoegen te kennen geven; soms zitten verscheidene Vogels tegelijkertijd op één Rund, hetzij dit ligt of staat.
De houding van de Madeneters tegenover den mensch is verschillend. Voor ruiters vluchten zij òf in ’t geheel niet òf eerst bij nadering tot op zeer geringen afstand, vooral als de rit ophoudt; voetgangers vertrouwen zij minder. Op plaatsen, waar zij weinig met den beheerscher der aarde verkeeren, grenst hun driestheid aan het ongeloofelijke.
Er wordt geen jacht gemaakt op de Madeneters behalve door enkele Cubanen, die het vleesch van deze Vogels eten, hoewel het zich door een eigenaardigen reuk onderscheidt. Die, welke men van den boom afschiet, vallen niet altijd den jager in handen, omdat zij een zeer taai leven hebben.
Pisang- of Bananeneters (Musophagidae) noemt men de leden van de tweede familie der Koekoekvogels, hoewel deze naam een geheel onjuiste voorstelling geeft van het voedsel, dat deze dieren gebruiken. Hun grootte wisselt af tusschen die van een Raaf en die van onzen Vlaamschen Gaai. De romp is slank, de hals kort, de kop middelmatig groot, de snavel kort, hoog en breed, aan den rugrand sterk gekromd, aan den onderrand een weinig benedenwaarts gebogen, langs de zijranden getand, d.i. met inkervingen voorzien; de vleugels zijn middelmatig lang en sterk afgerond: de vierde of vijfde handpen steekt voorbij de overige uit; de staart is tamelijk lang en afgerond; de pooten zijn dik en hebben een betrekkelijk langen loop met één achterteen en drie voorteenen, waarvan de buitenste een weinig zijwaarts bewogen kan worden. De veeren zijn zacht, bij enkele soorten bijna haarvormig gebaard en prijken voor een deel met prachtige kleuren.
De Pisangeters bewonen de groote, aangeschakelde wouden van Middel- en Zuid-Afrika. In boomlooze gewesten vindt men ze niet. Zij leven gezellig, in kleine troepen, die van 3 tot 15 stuks kunnen aangroeien, houden zich veel op te midden van de twijgen der boomen, maar komen ook dikwijls op den bodem.
Zij voeden zich hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend, met plantaardige stoffen, met bessen en andere vruchten, met zaden en bladknoppen, die zij in de kronen der boomen, in het kreupelhout en op den grond bijeenzoeken; bij voorkeur bewonen zij daarom landstreken, die rijk aan water en bijgevolg ook rijk aan vruchten zijn. De wijze, waarop zij zich voeden, maakt het gemakkelijk hen aan het leven in de gevangenschap te gewennen en bij eenigszins zorgvuldige behandeling jaren lang te behouden. Enkele soorten behooren tot de aangenaamste kamervogels, die men hebben kan. Zij interesseeren ons door de pracht van hunne veeren, zoowel als door hun opgewekten aard en stellen weinig eischen.
*
De keerkringsgewesten van West-Afrika, van Sierra-Leone tot Gaboen, en het eiland Fernando-Po, zijn het vaderland van de Reuzen-toerako of Koko (Corythaeolus cristatus)—de eenige vertegenwoordiger van het geslacht der Toerako’s (Corythaeolus)—, een Vogel, die een totale lengte van 65 à 75 cM. heeft en dus in grootte ongeveer met een Fasant overeenkomt. De grijsgroene veeren van de rugzijde en van den hals vertoonen een prachtigen, lazuur- en kobaltblauwen weerschijn, aan de borst zijn zij groenachtig geel, aan den buik, de schenkels en de stuit roestrood. De staartveeren zijn bij den wortel blauw, bij den top zwart met een blauwen eindzoom; het middelste gedeelte van de drie buitenste paren staartveeren wordt ingenomen door een breeden, groenachtig gelen dwarsband. De gele, zijdelings samengedrukte snavel heeft een scherpen rug. De zwarte kuifveeren zijn tot aan den top breed.
Deze prachtige Vogel leeft paarsgewijs in de dichte, uitgestrekte wouden van het gebergte en van de vlakte, maar begeeft zich ook wel naar de houtrijke savannas, wanneer de velerlei daar groeiende vruchten rijp zijn. De plaats, waar hij zich ophoudt, wordt verraden door zijn buitengewoon luide, wijd en zijd weerklinkende stem; deze heeft hem den naam “Koko” verschaft, waarmede hij door de inboorlingen wordt aangeduid.
*
Tegen het einde van de vorige eeuw ontdekte de Duitsche natuuronderzoeker Isert in de wouden van Agra aan de Goudkust een Vogel, dien hij Bananeneter (Musophaga violacea) noemde. Deze werd later ook verder noordwaarts tot in Senegambië en meer zuidwaarts tot in Gaboen aangetroffen. Swainson prijst hem als een “vorst onder de gevederde schepselen.” “Andere Vogels,” zegt hij, “zijn fraai, sierlijk, schitterend, prachtig; de kleur van den Bananeneter is koninklijk. Het iriseerende, purperkleurige zwart, dat de overhand heeft, maakt een betooverend schoon effect naast de prachtige, hoogroode slagpennen. De snavel, hoewel betrekkelijk groot, vertoont geen wanverhoudingen; hij heeft zoomin een phantastischen vorm gelijk bij de Neushoornvogels, als een kolossalen omvang gelijk bij de Pepervreters; de donkergele, in hoogrood overgaande kleur, waarmede hij prijkt, doet de schoonheid van het donkere vederkleed des te beter uitkomen.” Totale lengte ongeveer 50, staartlengte 22 cM.
“Aan de Goudkust,” zegt Schlegel, “behoort hij niet onder de gewone Vogels; intusschen werden er herhaaldelijk levende voorwerpen van deze landstreek voor onze diergaarden aangevoerd.”
*
De Helmvogels (Corythaix) vormen de kern van de familie, zijn in alle deelen van het door haar bewoonde gebied vertegenwoordigd en komen veelvuldiger voor dan al hunne verwanten, van welke zij zich onderscheiden door den korten, driehoekigen snavel, de voor een deel door de voorhoofdsveeren bedekte neusgaten, de korte, afgeronde vleugels en den middelmatig langen, afgeronden staart. Hun kleed is rijk voorzien, grootendeels groen van kleur; de vleugels echter zijn in den regel prachtig purperrood. De veeren van de kruin zijn tot een kuif of “helm” verlengd.

Reuzen-toerako (Corythaeolus cristatus). ⅕ v. d. ware grootte.
De Witwangige Helmvogel (Corythaix leucotis) bewoont Abessinië. Zijn helm is zwart met groenen weerschijn, overigens is de kop (evenals de hals, de mantel en de onderdeelen tot aan den buik) fraai lichtgroen; de buik en de overige onderdeelen zijn donker aschgrauw, de nog niet genoemde deelen van de bovenzijde hebben een blauwachtig leikleurig grijze kleur en evenals de zwarte stuurpennen een metaalachtig groenen weerschijn; de slagpennen met uitzondering van de laatste armpennen zijn donker karmijnrood; een vlek vóór het oog en een andere, die, onder het oor beginnend, zich langs den hals uitstrekt, zijn sneeuwwit. Een uit kleine wratjes bestaande ring van vermiljoenroode kleur omgeeft het lichtbruine oog. De snavel heeft een bloedroode spits, van hier tot aan de neusgaten is de bovensnavel groen; de pooten zijn bruinachtig grijs. Totale lengte 45, staartlengte 21.5 cM.
In Abessinië ontmoet men deze Vogels in de met bosch bedekte waterrijke dalen van tamelijk hoog gelegen bergstreken, daar waar de candelaber-euphorbia gevonden wordt, hetzij in troepen of in kleine familiën, welker wijze van vliegen aan die van onzen Vlaamschen Gaai herinnert. Zij zijn bedrijvig en onrustig, zwerven over dag voortdurend heen en weer, keeren echter geregeld op bepaalde boomen van hun gebied terug, vooral op sycomoren of tamarinden, die aan alle zijden door laag geboomte omgeven zijn. Zulke boomen zijn als ’t ware plaatsen van bijeenkomst voor het geheele gezelschap: hier verzamelen zich de leden van den troep, die zich verstrooiden om voedsel te zoeken; van hier begeven zij zich op nieuw naar hunne voederplaatsen.
De stem is moeielijk te omschrijven; zij klinkt als die van een buikspreker en geeft aanvankelijk aanleiding tot een onjuiste schatting van den afstand, waarop de schreeuwende Vogel zich bevindt. Men kan haar voorstellen door de lettergrepen, “jahoehajagagoega,” die tot een samenhangend geheel verbonden zijn.
In de maag van gedoode exemplaren heeft men geen andere dan plantaardige stoffen, vooral bessen en zaden, gevonden. Zeer dikwijls bezoeken de Helmvogels struiken, die buiten het bosch groeien, zoodra deze rijpe bessen dragen; zij blijven hier echter nooit lang. Zij snoepen als ’t ware slechts even van de vruchten en keeren daarna zoo spoedig mogelijk naar hunne veilige schuilplaatsen in de boomkronen terug. De Abessiniër vervolgt den Helmvogel niet; evenmin komt het in hem op den fraaien Vogel te vangen om hem in een kooi bij zich te houden. Dit zal wel de reden zijn, waarom deze Vogel bij ontmoetingen met Europeanen niet bijzonder schuw is. Hij wordt het echter, zoodra hij vervolging te verduren heeft gehad.
Met het leven van den Helmvogel in de gevangenschap is men bekend geworden sedert de oprichting van onze diergaarden. Meermalen heb ik dieren van deze soort verzorgd; mijns inziens behooren zij tot de lieftalligste kooivogels, die de keerkringsgewesten ons leveren. Buiten de middaguren, die zij rustend doorbrengen, zijn zij voortdurend in beweging en vertoonen zich dan in hun volle pracht. Zij zijn het schoonste sieraad van een behoorlijk groote vogelkooi. Vooral in volières, die in de open lucht geplaatst zijn en een voldoende ruimte aanbieden voor het vliegen, maken zij een prachtig effect. In de vroegere morgenuren en ’s avonds zijn zij het meest opgewekt; voor het sterke daglicht nemen zij de wijk naar donkere plaatsen te midden van de bladen of naar andere, tegen het zonlicht beschutte ruimten. Niet minder afkeerig dan van de zon zijn zij van hevige regenbuien, die hunne droge veeren zoo nat maken, dat zij bijna ongeschikt worden om te vliegen. Jegens medegevangenen zijn zij zeer verdraagzaam, of liever, zij bekommeren zich bijna niet om hen. Ik heb hen met de meest verschillende soorten van Vogels in dezelfde kooi gehouden, zonder ooit op te merken, dat zij met den een of anderen lotgenoot in twist geraakten. Zelfs wanneer een van deze vlak naast hen gaat zitten, zich letterlijk tegen hen aanvleit, ondergaat hun goedaardig voorkomen geen verandering.

Witwangige Helmvogel (Corythaix leucotes). ⅖ v. d. ware grootte.
Zeer eenvoudig is het voedsel, dat men aan deze Vogels geeft: hoofdzakelijk gekookte rijst, gemengd met verschillende groenten en eenige vruchten. Zij eten veel, maar stellen overigens zeer geringe eischen.
*
Van de tot dusver genoemde Pisangeters onderscheiden zich de Schettervogels (Schizorhis) voornamelijk door de niet ronde, maar spleetvormige neusgaten en de eenvoudige kleuren van hun vederenkleed. Zij hebben een slanke gestalte, betrekkelijk lange vleugels en een dikken, hoogen snavel met sterk gekromden rug en slechts zwak getande zijranden. Zij zijn tot Afrika beperkt.
De Goegoeka (Schizorhis zonura) bewoont de wouden van Abessinië. De geheele bovenzijde is tamelijk gelijkmatig donkerbruin, de onderzijde, bij de bovenborst beginnend, licht aschgrauw, langs de schaften bruinachtig gestreept; de wit gezoomde, verlengde, smalle en puntige veeren van de kruin vormen geen kuif, maar zijn toch een weinig opgeheven; de veeren van den rug, voor zoover zij onder de toegevouwen vleugels verborgen zijn, hebben een blauwgrijze kleur; de slagpennen zijn zwartbruin, de handpennen, op de eerste na, ieder met een groote, witte, vierhoekige vlek op de binnenvlag geteekend, welke vlekken gezamenlijk een dwarsband vormen, de middelste stuurpennen lichtbruin; de eveneens lichtbruine topgedeelten van de vier buitenste paren stuurpennen zijn door een breeden, witten dwarsband van de roetkleurige wortelgedeelten gescheiden. Het oog is grijsbruin, de snavel groengeel, de voet donker aschgrauw. Totale lengte 51, staartlengte 25 cM.
De stem van den Goegoeka verschilt zeer van het zachte buikspreken van den Helmvogel; zij herinnert zoo sterk aan die van de Apen, dat de jager er soms door bedrogen wordt en meent, dat het afkomstig is van een troep Grijsgroene Meerkatten, die iets verschrikkelijks hebben gezien. De naam, dien de inboorlingen den Vogel geven, is een verkorte nabootsing van zijne luide, gillende klanken “goe goe goek gie gak ga gier goe gie gee goe,” die zich, omdat alle Vogels door elkander schreeuwen, tot een gorgelend geluid vermengen. Op dit getier afgaande, ziet men weldra de zeer in ’t oog vallende levenmakers, bij paren of tot kleine familiën vereenigd, op een van de hoogste boomen van het gebergte zitten, elk mannetje naast zijn wijfje. Alleen in de morgen- en avonduren begeven zij zich naar de lage struiken, waaraan allerlei soorten van bessen groeien, die hun tot voedsel dienen. Gedurende de overige uren van den dag blijven zij in hunne boomkronen; vooral in de middaguren zoeken zij het dichtste lommer op.
De familiekenmerken van de Glansvogels (Galbulidae) zijn: een slank lichaam met langen, hoogen, scherpkantigen, priemvormigen snavel; kleine, zwakke pootjes met zeer korten loop, de tweede en de derde teen zijn naar voren, de eerste en de vierde naar achteren gericht (bij één soort ontbreekt de vierde of buitenteen); korte vleugels, lange, trapvormige staart en een zacht, los vederenkleed met prachtigen, goudkleurigen glans; de veeren om den snavelwortel zijn in borstels veranderd. Evenals de Baardkoekoeken onderscheiden de Glansvogels zich bovendien door hun uiterst dunne huid.
Bij den Jacamar (Galbula viridis) zijn de bovendeelen en de borst prachtig goudgroen, de overige onderdeelen roestrood, de buitenste veeren van den staart roestrood met groene spitsen; de keel is bij het mannetje wit, bij het wijfje vaal roestgeel. Totale lengte 21.5, staartlengte 9 cM.
De Jacamar bewoont de wouden van het geheele kustgebied van Brazilië en Guyana. De Brazilianen noemen hem “Bejaflor Grande” (Groote Kolibri). Evenals zijne verwanten leeft hij eenzaam en stil in vochtige bosschen en schaduwrijk kreupelhout; gewoonlijk zit hij aan den waterkant op lage twijgen; hij vliegt snel, maar niet ver; droefgeestig, stil en somber van aard, schijnt hij letterlijk iedere beweging te vermijden. Geduldig wacht hij, tot er een Insect in de nabijheid komt, vangt dit in snelle vlucht en keert even schielijk naar zijn vorige zitplaats terug. Soms blijft hij uren achtereen traag en zonder beweging zitten. Zijn stem is een luide, schelle, dikwijls harde toon. Evenals zijne verwanten bouwt hij zijn nest in een rond gat aan den oever.
De familie der Baardkoekoeken (Bucconidae), die de keerkringsgewesten van Zuid-Amerika bewoont, omvat ruim 40 soorten van Vogels. Hare kenmerken zijn: een krachtige, dikke romp, een zeer groote kop, een snavel van verschillende lengte, soms langs den geheelen rug, soms alleen aan de spits gebogen of zelfs haakvormig, zonder groeven of inkervingen, tamelijk zwakke pooten, welker teenen denzelfden stand hebben als bij de vorige familie, staart en vleugels kort of middelmatig lang, deze kenbaar aan de talrijke en groote dekveeren; de veeren zijn buitengewoon los, slap en zacht; zij zijn somber van kleur en aan den snavelwortel in baardborstels veranderd.
Van alle soorten geldt in hoofdzaak, wat Burmeister zegt van den Trappist (Monastes fusca): “Uit een dierkundig oogpunt beschouwd, is hij een zonderling mengsel; daar bij hem de lichaamsbouw van de drieste, beweeglijke, schreeuwerige Koekoeken met het sombere kleed en den tragen aard der Nachtzwaluwen vereenigd voorkomen. Zij leven afzonderlijk of bij paren in de wouden en vereenigen zich hoogstens tijdelijk tot kleine troepen. De Insecten, die zij als voedsel gebruiken, vangen zij van een vaste standplaats uit. De Brazilianen noemen hen (doch ook de Glansvogels) “Joao Doido” (Domme Hans). Een anderen spotnaam, die “Woudrechters” beteekent, danken zij aan hun bedaarde houding. Daar traagheid, luiheid en domheid hunne meest in ’t oogloopende karaktertrekken zijn en het veel moeite kost hen in de kooi op doelmatige wijze te voeden, wordt met de jacht, die men op hen maakt, geen ander doel beoogd, dan het verkrijgen van een smakelijk gebraad.”
De Uilen (Strigidae) zijn duidelijk te onderscheiden van hunne verwanten. Hun romp schijnt door de veeren dik, maar blijkt bij nader onderzoek zeer slank en smal en weinig vleezig te zijn. Hun kop is buitengewoon groot en dicht bevederd, van achteren bovendien breed. De oogen zijn zeer groot, naar voren gericht en door straalsgewijs gerangschikte, gekrulde veertjes omgeven; zij zijn onbeweeglijk in hunne ondiepe kassen; de kop kan echter op den korten, 9 wervels bevattenden hals buitengewoon goed draaien. De vleugels zijn breed en lang, aan de onderzijde trogvormig; de staart is meestal kort. De snavel is van den wortel af sterk naar beneden gebogen, kort haakvormig en niet met een tand voorzien; de washuid is kort en altijd onder de lange, stijve, borstelvormige veeren van den snavelwortel verborgen. De pooten, welker bevedering zich gewoonlijk tot aan de klauwen uitstrekt, zijn middelmatig lang of tamelijk lang, de teenen betrekkelijk kort en in lengte weinig van elkander verschillend; de achterteen is gewoonlijk iets hooger ingeplant dan de voorteenen; van deze is de buitenste een “keerteen,” daar hij willekeurig naar voren en naar achteren gericht kan worden. De klauwen zijn groot, lang, sterk en gebogen en buitengewoon spits, op de dwarse doorsnede bijna zuiver rond. De veeren, ieder afzonderlijk beschouwd, zijn groot, lang en breed, aan de spits afgerond, met zeer fijne baarden voorzien en hierdoor zacht en buigzaam, bij aanraking knetterend; die van het gelaat zijn fijner en stijver; zij vormen een sluier, die meestal uit vijf min of meer volledige, kringvormige reeksen van veertjes bestaat en aan den kop van den Uil het katachtige uiterlijk verschaft. De slagpennen zijn tamelijk breed, aan het einde afgerond en naar het lichaam gebogen; de buitenvlag van de eerste, tweede en derde is, althans bij de echte Daguilen, op zonderlinge wijze met franjes voorzien of zaagvormig getand; de binnenvlag van de slagpennen daarentegen is, wegens de zachtheid van de baardjes, zijdeachtig of wollig. De eerste slagpen is kort, de tweede iets langer, de derde of vierde de langste van alle. De staartpennen, die zich op soortgelijke wijze naar beneden krommen als de vleugelveeren, zijn in den regel gelijk van lengte; de staart is in den regel aan het einde recht afgesneden, bij uitzondering echter ook wel trapvormig, met naar het midden toe langer wordende pennen. De kleur van de veeren is gewoonlijk somber, bij uitzondering echter betrekkelijk levendig; in de meeste gevallen steekt zij weinig af bij de kleur van den bodem of van de boomschors; toch is het vederenkleed soms op velerlei wijzen uiterst sierlijk geteekend. De bek kan zeer wijd geopend worden, de slokdarm is niet tot een krop verwijd, de maag is vliezig en kan zich zeer sterk uitzetten.
Zeer opmerkelijk zijn de zintuigen van de Uilen. Het hoornvlies van het buitengewoon groote oog is zoo sterk gewelfd, dat het op een halven bol gelijkt; het harde oogvlies, voor zoover het door den ring van beenplaten wordt gesteund, is op een vreemdsoortige wijze, nagenoeg cilindervormig, binnenwaarts verlengd; de binnenste gedeelten van den oogbol zijn buitengewoon beweeglijk, want de pupil vergroot of vernauwt zich bij iederen ademtocht. Achter het oog bevindt zich bij de Uilen, die het best ontwikkelde uitwendige oor bezitten, een huidplooi of klep, die zich over een groot deel van den afstand tusschen den mondhoek en de kruin uitstrekt. Zij kan opgericht en achterwaarts omgeslagen worden en bedekt in ’t laatstgenoemde geval een daarachter voorkomende, uitgestrekte, ondiepe holte (de tot een oorschelp verwijde gehooropening). De voorvlakte van de oorklep is door de daarop groeiende sluierveeren bedekt; dergelijke veeren omgeven den achterrand van de gehooropening, zijn bij de Ooruilen zeer sterk verlengd, vormen pluimpjes, die zich duidelijk boven de overige veeren van den kop verheffen en vergrooten op deze wijze het klankopvangend gedeelte van het gehoororgaan.
De Uilen zijn wereldburgers: zij bewonen alle werelddeelen, alle aardgordels, alle gewesten, alle terreinen, van de ijskoude landen om de noordpool tot den evenaar en van de zeekust tot op een hoogte van 5000 M. In het zuiden is het aantal soorten grooter dan in het noorden, dat er echter volstrekt niet arm aan is; in ’t geheel onderscheidt men er thans 150. De bosschen zijn hun eigenlijk woongebied; men vindt ze echter bovendien zoowel in steppen, woestijnen en gebergten zonder plantengroei als in volkrijke oorden en steden. De naam Nachtroofvogels, die hun soms gegeven wordt, vereischt eenige toelichting. Hoewel verreweg de meeste het rooversbedrijf niet vóór de schemering beginnen uit te oefenen, houden verscheidene zich ook over dag en zelfs gedurende de middaguren met de jacht bezig. Oogen, die op geringen afstand buitengewoon scherp kunnen zien, een merkwaardig fijn gehoor en de opmerkelijke zachtheid van de veeren stellen de Uilen in staat, om ook nog in de duisternis met goed gevolg op buit uit te gaan. Zonder gedruisch te maken, vliegen zij op betrekkelijk geringe hoogte langs den bodem; omdat hun eigen beweging in alle stilte geschiedt, kunnen zij het onbeduidendste geritsel nog hooren en ondanks de duisternis het kleinste Zoogdier onderscheiden.
De gevoeligheid van het uilenoog voor het daglicht schijnt grooter dan het is. Dat de leden van sommige soorten de oogen halverwege of nog verder sluiten, als zij aan het volle daglicht zijn blootgesteld, kan niet als bewijs gelden, dat zij het daglicht niet kunnen verdragen. Deze beweging moet veeleer opgevat worden als een onwillekeurig gebaar van verrassing, misschien ook wel als een listig voorgewende slaperigheid. Volkomen ongegrond is althans de bewering, dat zij over dag niet kunnen zien. Bij helder daglicht kunnen zij niet slechts in een open ruimte, maar ook, zonder zich ergens tegen te stooten, door het dichte boomgewas vliegen.
De vreemdsoortig gebouwde vleugels en de zachte veeren leiden onmiddellijk tot het vermoeden, dat de Uilen op een eigenaardige wijze vliegen. De onhoorbare beweging geschiedt betrekkelijk langzaam; zij houdt het midden tusschen zweven, glijden en fladderen; sommige Daguilen vliegen op de wijze van de Spechten, door beurtelings volgens een booglijn op te stijgen en plotseling te dalen; zoodoende komen zij snel vooruit, maar worden, naar het schijnt, schielijk vermoeid; lang houden zij daarom dezen arbeid niet vol. Alleen wanneer zij langere reizen ondernemen, verheffen de Uilen zich tot op een afstand van 100 M. van den bodem en bewegen zich dan gelijkmatig met vele vleugelslagen of zwevend vooruit. Op den grond zijn de meeste Uilen zeer onbehendig; de langpootige vormen gaan echter zoo goed, dat zij loopend kunnen jagen, waarbij dan trouwens altijd ook de vleugels dienst moeten doen. Alle kunnen zich uitmuntend redden te midden van de twijgen; enkele klimmen, op een zonderlinge wijze huppelend en springend, zeer snel van de eene twijg op de andere. Gaarne nemen zij zeer verschillende standen aan, beurtelings vertoonen zij zich ineengehurkt en zoo hoog mogelijk uitgerekt; zij wenden, buigen en draaien den kop op een voor den toeschouwer vermakelijke wijze en kunnen evenals de Luiaard hun gelaat geheel rugwaarts keeren.
Hun stem is gewoonlijk luid, maar zelden aangenaam. Door het woedend klapperen of happen met den snavel en door een heesch geblaas geven zij hun gewone gemoedsstemming te kennen; hun eigenlijke stem hoort men alleen ’s nachts of als zij in zeer groot gevaar verkeeren. Enkele soorten laten een afschuwelijk gekrijsch hooren, andere brengen schelle geluiden voort. Wat geestvermogens betreft, staan zij achter bij de meeste Dagroofvogels. Er zijn onder hen eenige soorten, welker opgewektheid en vlugheid van beweging aanleiding zouden kunnen geven tot een verkeerde opvatting over den aard van hun geest; gezamenlijk zal men ze evenwel niet tot de werkelijk schrandere Vogels kunnen rekenen, hoewel er eenige uitzonderingen kunnen bestaan. Alle zijn schuw, maar niet voorzichtig, kunnen nauwelijks een werkelijk aanwezig van een denkbeeldig gevaar onderscheiden, leeren zelden hunne vrienden kennen, en houden ieder vreemd wezen in meerdere of mindere mate voor een vijand; men kan ze gewennen aan een bepaalde plaats, nooit echter africhten tot iets, dat werkelijk inspanning van den geest vereischt. Zij zijn in den hoogsten graad oploopend en doldriftig, onverschillig en wreed. Met andere dieren van hun soort leven zij in vrede en vriendschap, tenzij de eene of andere hartstocht, b.v. vraatzucht, hen overheerscht; met volkomen gemoedsrust zullen zij echter den kameraad, waarmede zij jaren lang eendrachtig samengeleefd hebben, verslinden, zoodra deze op de een of andere wijze verongelukt is. Vogels, die uit hetzelfde nest afkomstig zijn, overvallen elkander niet zelden en de onderliggende partij wordt geregeld gedood en opgegeten.
Alle Uilen eten, wanneer zij in vrijheid leven, geen anderen dan een door hem zelf overmeesterden buit. Dat zij nagenoeg nooit aas aanraken, vloeit voort uit het eenstemmig getuigenis van de meest verschillende waarnemers. Vooral aan de kleine Zoogdieren hebben zij den oorlog verklaard; de sterkste Uilen vallen echter ook grootere Zoogdieren aan, zelfs zulke, die, evenals zij, het roovershandwerk uitoefenen; ook maken zij jacht op Vogels, gelijk de Valken doen; enkele zijn visschers, andere insectenjagers. Uiterst gering is het aantal van hen, die den mensch schade toebrengen, verreweg de meeste zijn hem voortdurend nuttig. Uit nauwgezette onderzoekingen blijkt, dat de inheemsche Uilen nagenoeg uitsluitend jacht maken op Muizen en met uitstekend gevolg in deze richting werkzaam zijn. Juist als de gehate Knaagdieren het brutaalst optreden, beginnen de Uilen hun handwerk. Onhoorbaar zweven zij dicht bij den bodem langs en onderzoeken dezen zorgvuldig van uit de hoogte; in den regel vangen zij iedere Muis, die zij opmerken. Veel dienst hebben zij hierbij van hunne korte, beweeglijke, met naaldscherpe, sterk gekromde klauwen gewapende teenen. Reddeloos verloren is de Muis, die eens door een Uil gegrepen werd: dolken doorpriemen haar, nog voordat zij aan de vlucht kan denken. Zoodra de Uil een buit genomen heeft, vliegt hij naar een naburige rustplaats en begint te eten. Ook dit geschiedt op een eigenaardige wijze.
“Niets is meer in staat om walging te wekken,” zegt mijn vader, “dan de wijze van eten van een Uil, daar hij kolossale brokken verzwelgt en zich hierbij zeer moet inspannen. Terwijl andere dieren bij het eten in een behagelijke stemming verkeeren, is het alsof de Uil een hem opgelegde taak afwerkt, als hij zijne groote pillen naar binnen stuurt. Ik heb gezien, dat een Ooruil een groote Muis, dat een Kerkuil, een oude mannelijke Huismusch met de pooten en nagenoeg alle veeren in haar geheel doorslikte. Hij nam de Musch in den eenen poot, bracht hem naar den snavel, zoodat de kop het eerst in den bek kwam, en begon toen, den hals achteroverbuigend, de Musch naar binnen te werken, hetgeen eindelijk na groote inspanning gelukte. Toen de Vogel in den slokdarm kwam, puilde deze zoo uit, dat hij van den hals gescheiden scheen. Ik heb hem deze proef verscheidene malen laten herhalen; gewoonlijk echter plukte de Uil dan den Vogel, voordat hij hem verslond. Het verzwelgen van Muizen kost den Kerkuil geen groote moeite. Als het dier, dat hij met den snavel opneemt, te groot is voor zijn lichaam, spuwt hij het weder uit, drukt het met den snavel en de pooten samen en bewerkt het zoolang, totdat het kan passeeren. Het verzwelgen van een groote prooi door een Uil zou iemand mijns inziens een denkbeeld kunnen geven van het walgingwekkende vreten der Slangen. Van zeer groote dieren verslinden zij eerst het vleesch van de borst en de hersenen; het overige bewaren zij tot later. De Ooruil vreet het vleesch onder de huid weg, vouwt deze weer toe en vrijwaart op deze wijze het overschot tegen uitdroging. Ten slotte verslindt hij ook de huid.”
De meeste Uilen kunnen maanden lang zonder water leven, misschien omdat zij genoeg hebben aan het bloed van hunne slachtoffers; soms drinken zij echter met veel smaak; ook hebben zij water noodig om te baden. Hun spijsvertering geschiedt zeer vlug; door de krachtige werking van het maagsap wordt al het voedsel in korten tijd ontleed. Beenderen, haren en veeren klonteren samen tot ballen en worden daarna onder hoogst vermakelijke gebaren uitgespuwd, hetgeen gewoonlijk op bepaalde plaatsen geschiedt. Daartoe sperren de Uilen den snavel wijd open, buigen den kop ver omlaag, rusten afwisselend op den eenen en den anderen poot, knijpen de oogen dicht, kokhalzen en schudden zich en raken eindelijk van den hen bezwarenden bal verlost. Altum, die vele honderden van deze ballen onderzocht, kwam tot het besluit, dat de Duitsche Uilen hoofdzakelijk Muizen en Spitsmuizen, bij uitzondering echter ook Ratten, Mollen, Wezels, Vogels en Kevers verslinden.