← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels

De Boomvogels (Coracornithes). (continued 9)

Reading edition

Als de broedtijd nadert, vereenigen zich duizenden Roeken op een zeer kleine ruimte, bij voorkeur in een boschje te midden van het veld. Het eene paar nestelt hier naast het andere; op iederen boom vindt men zooveel nesten, als er maar geplaatst kunnen worden. Een onverpoosd gekras en geschreeuw vervult dit oord, terwijl een zwarte wolk van Kraaien de lucht in de nabijheid van deze nestboomen verduistert. Eindelijk bedaart deze drukte eenigszins. Elk wijfje heeft hare 4 of 5 lichtgroene, aschgrauw en donkerbruin gevlekte eieren gelegd en is bezig ze uit te broeden. Weldra echter komen de jongen uit en wordt het gedruisch nog twee- of driemaal zoo erg, want de kleintjes willen voedsel hebben en weten hun verlangen op zeer duidelijk waarneembare wijze door allerlei leelijke geluiden te kennen te geven. Dan kan men het werkelijk in de nabijheid van zulk een broedkolonie niet uithouden.

Hoe groot ook het aantal Vogels is, die zulk een kolonie bevolken, met de zwermen die zich vormen, als de reis naar ’t zuiden zal aanvangen, zijn zij niet te vergelijken. Duizenden voegen zich bij duizenden en het leger groeit aan, naarmate het verder trekt. Niet alleen soortgenooten, maar ook de Kauwen, die uit sommige landen van Middel-Europa wegtrekken, worden er in opgenomen.

In het Zuiden van Europa en in Noord-Afrika ziet men zelden zulke groote vluchten Roeken als bij ons. Het ontzaglijk groote leger, dat allengs bijeenkwam, heeft zich langzamerhand weer in benden verdeeld, die van de verschillende terreinen zoo goed mogelijk partij trachten te trekken. Het gaat hun echter in den vreemde, vooral in Afrika, dikwijls ver van voorspoedig. Het vruchtbare Nijldal biedt, naar het schijnt, geen ruimte en voedsel genoeg aan alle Roeken, die hier den winter komen doorbrengen. Zij begeven zich dan naar de nabijgelegen woestijnen om voedsel te zoeken, vinden het niet en bezwijken bij honderden van gebrek.

In de gevangenschap zijn de Roeken minder gezellig en vermakelijk dan de Raven en Kauwen; zij worden daarom niet zoo dikwijls als deze in de kooi gehouden.

Jonge Kraaien van allerlei soorten worden in verscheidene streken door de arme lieden gaarne gegeten; zij leveren over ’t algemeen een niet onsmakelijk gerecht.

Ten zuiden van den 18en graad N.B. ontmoet men voor ’t eerst een over Afrika en Madagaskar verbreide, kleine Raaf met zwakken snavel, die zich door de eigenaardige kleur van hare veeren onderscheidt: de Schildraaf (Corvus scapulatus); de Hollanders van Zuid-Afrika noemen haar “Bonte Kraai”. Met uitzondering van de geheele borst, een deel van den buik en een breeden band over den mantel, die schitterend wit zijn, is zij glanzig zwart. De donkere veeren iriseeren, de lichte hebben den glans van satijn. De oogen zijn lichtbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 45 à 50, staartlengte 16 cM. Deze aan de Kaap zeer menigvuldige Vogel houdt zich hier en in de andere deelen van zijn verbreidingsgebied bij voorkeur in de nabijheid van menschelijke woningen op. In levenswijze komt zij met de gewone Kraai overeen.

Een andere Afrikaansche vertegenwoordiger van het Ravengeslacht is de Krengraaf (Corvus crassirostris). De reusachtige, buitengewoon dikke snavel, die langer is dan de kop, de lange vleugels en de tamelijk sterk trapvormige staart, zijn de belangrijkste kenmerken van deze soort, die 70 cM. lang wordt, waarvan 24 cM. op den staart komen. De koolzwarte veeren van de zijden van den hals hebben een donker purperkleurigen weerschijn, de overige veeren zijn blauwzwart, met uitzondering van de kleine dekveeren van het handgewricht, waar kastanjebruin en zwart dooreengemengd voorkomen, terwijl de achterkop en de nek ieder een peervormige, witte vlek vertoonen. De oogen zijn kastanjebruin, de pooten zwart, de snavel is aan de spits wit, overigens zwart.

Deze Vogels bewonen de gebergten in het noorden van Oost-Afrika, vooral die van Abessinië en van het Somali-land; waarschijnlijk strekt hun verbreidingsgebied zich westwaarts tot diep in de binnenlanden van Afrika uit; zij zijn echter alleen te vinden op hoogten van minstens 1200 M. tot aan de sneeuwgrens. Hier, op hoogvlakten en bij voorkeur in de nabijheid van veeperken en slachtplaatsen, leven zij paarsgewijs of tot kleine gezelschappen vereenigd, zonder de menschen te mijden of te vreezen. Gezellig en verdraagzaam, evenals de meeste andere Raven, leven zij in goede verstandhouding met de krengen-etende Vogels, maar laten zich door hen niet van het aas verdrijven. In geval van nood eten zij Kevers en andere Insecten, waarschijnlijk ook allerlei vruchten; hun voornaamste voedsel bestaat echter uit afval van vleesch en beenderen. Om deze te verkrijgen, bezoeken zij de plaatsen, waar menschen wonen, volgen zij de kudden en ook de legers. Waarschijnlijk gelijkt de Krengraaf in ieder opzicht en dus ook door haar rooversbedrijf op haar verwante, de Zuid-Afrikaansche Ringhalskraai (Corvus albicollis), welker levenswijze door Levaillant beschreven is. Deze Vogel eet wel bij voorkeur krengen, maar valt ook levende dieren, vooral Schapen en jonge Gazellen aan, die hij de oogen en de tong uitpikt, om ze vervolgens te dooden en te verscheuren. Bovendien volgt hij de kudden van Buffels, Runderen en Paarden, zelfs den Neushoorn en den Olifant, die hem eveneens voedsel moeten verschaffen. Hij zou voor deze dieren gevaarlijk worden, als hij er de noodige kracht voor had; nu echter moet hij zich bepalen tot het hakken met den snavel in de wonden, die door Teeken en maden veroorzaakt zijn. Vele der genoemde Zoogdieren worden zoo erg gekweld door parasiteerende Gelede Dieren, dat zij de Halsbandkraai gaarne in hun rug laten pikken, zelfs als deze van het haar verleende verlof misbruik maakt en hun bloed laat vloeien, door behalve de Insecten ook de hun als woonplaats dienende etterende wonden uit te vreten.

Krengraaf (Corvus crassirostris). ⅕ v.d. ware grootte.
Krengraaf (Corvus crassirostris). ⅕ v.d. ware grootte.

Krengraaf (Corvus crassirostris). ⅕ v.d. ware grootte.

*

De kleinste van de inheemsche Raven is de Kauw, Kerkkauw of Torenkraai, in Friesland Ka, Akke of Torenkraai genoemd (Colaeus monedula). Zij is 33 cM. lang en heeft een 18 cM. langen staart. Wegens haar korten en dikken, van boven weinig gebogen snavel wordt zij als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd; de mondspleet is veel korter dan de loop. De veeren zijn op den bovenkop en de kruin donkerzwart, op den achterkop en den nek aschgrauw, op de overige bovendeelen blauwzwart, op de onderdeelen leikleurig of grijsachtig zwart; de iris is zilverwit, de snavel en de pooten zijn zwart. Witte en isabelkleurig witte Kauwen zijn niet al te zeldzaam.

Ook de Kauw komt niet slechts in het grootste deel van Europa, maar ook in vele landen van Azië voor; naar ’t noorden strekt haar verbreidingsgebied zich minstens zoover uit, als de graanbouw reikt. In het zuiden van Europa is zij zeldzamer dan in Nederland en Duitschland, nergens echter ontmoet men haar zoo veelvuldig als in Rusland en Siberië. Hier te lande en in Duitschland broedt zij volstrekt niet overal, waar men haar op grond van de aanwezigheid van geschikte nestelplaatsen zou kunnen verwachten; zij vestigt zich in het eene oord wel, in het andere niet, zonder dat men hiervoor een geldige reden weet aan te wijzen. Waar zij bij ons voorkomt, is zij met den Spreeuw en de Musch als ’t ware een huisvogel geworden; zij nestelt in onze dorpen en steden in menigte in schoorsteenen, op kerken of bouwvallen; bovendien ontmoet men haar in bosschen met breedbladige boomen, vooral in boschjes, die te midden van het veld staan, voor zoover hier holle boomen te vinden zijn. In Rusland en Siberië bevolkt zij alle dorpen in grooten getale, vestigt zich op de blokhuizen en nestelt onder de met hout bekleede daken, achter de vensterluiken en in alle andere eenigszins beschutte ruimten, waar plaats genoeg is voor het bouwen van een nest.

De Kauw is een wakkere, levendige, behendige en schrandere Vogel. In alle omstandigheden weet zij haar goede luim te behouden en de door haar bewoonde streek op een werkelijk aardige wijze te verlevendigen. Haar buitengewoon gezelligen aard toont zij niet slechts door zich met andere Vogels van haar soort tot groote zwermen te vereenigen, maar ook door zich te voegen bij vluchten van andere Kraaien, vooral van Roeken; zij trekt zelfs met deze mede naar ’t zuiden en vliegt om harentwil zoo langzaam mogelijk, want zij zelf is ook in ’t vliegen zeer bekwaam en gelijkt in dit opzicht meer op een Duif dan op een Kraai. Het vliegen kost haar zoo weinig inspanning, dat zij zich zeer dikwijls door allerlei koene wendingen tracht te vermaken, zonder doel of reden stijgt en daalt en allerlei bevallige bewegingen maakt. Zij is even schrander als de Raaf, maar toont alleen de beminnelijke eigenschappen van dezen Vogel. Haar lokstem klinkt als “jek” of “djer” en is werkelijk welluidend; in andere gevallen roept zij “krè” en “krie-jè. Haar loktoon “jek jek” gelijkt sprekend op dien van den Roek; dit zal er ook wel toe bijdragen om de beide soorten zoo nauw met elkander te verbinden. Terwijl zij aan ’t minnekoozen is, snapt zij allerliefst; haar stem is trouwens buigzaam en vol afwisseling. Hierdoor is het verklaarbaar, dat zij zonder groote moeite het napraten van woorden of het nabootsen van andere geluiden, b.v. van hanengekraai, kan leeren.

Door de wijze waarop zij zich voedt, komt de Kauw nog het meest met den Roek overeen. Het lijdt geen twijfel, dat allerlei Insecten, Slakken en Wormen, het hoofdbestanddeel van haar maal uitmaken. De Insecten zoekt zij op de weiden en akkers bijeen of pikt ze van den rug der groote huisdieren af; vol vertrouwen volgt zij den ploegenden landman; op de straten wroet zij in den mest, bij de huizen in het afval; behendig vangt zij Muizen en jonge Vogels; eieren zijn voor haar een lekkernij. Niet minder graag is zij op allerlei plantaardige stoffen, vooral graankorrels, jonge spruitjes van graangewassen, knolvormige plantendeelen, jonge plantjes en uitspruitsels van groenten, bessen en ander ooft enz.; zij kan op deze wijze in groente- en oofttuinen een zoo niet groote, dan toch merkbare schade aanrichten; in Rusland en Siberië plundert zij ook wel de graanschoven en de dorschvloeren. Toch komt het mij voor, dat de diensten, die zij op de velden en akkers bewijst, niet minder groot, zoo niet van grooter belang zijn dan de door haar veroorzaakte schade.

De Kauw is in ons geheele land standvogel, ook in sommige gewesten van Duitschland, vooral in de zeeplaatsen; zelfs in Rusland en Siberië blijven vele Kauwen den winter over, hoe streng de koude hier ook zij. Uit vele streken van Duitschland trekken zij met de Roeken weg en keeren ter zelfder tijd als deze in ’t vaderland terug. Haar winterreis strekken zij uit tot het noordwesten van Afrika, het noordwesten van Azië en Indië. Zoodra de winter ons voor goed verlaten heeft, hebben alle paren hunne gewone broedplaatsen weer ingenomen, waar nu veel drukte en beweging heerschen. Enkele Kauwen nestelen te midden van de Roeken, verreweg de meeste echter hebben hiervoor gebouwen uitgekozen. Hier vindt elke spleet in den muur hare bewoners, zelfs zijn er gewoonlijk meer liefhebbers dan plaatsen. Dit geeft aanleiding tot vele twisten; iedere bouwlustige Kauw tracht hare mededingers zooveel mogelijk te verschalken. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 eieren, zwartbruin gevlekt op licht groenachtig blauwen grond. De jongen worden door hunne ouders met Insecten en Wormen grootgebracht, met groote liefde behandeld en in geval van nood met grooten moed verdedigd. Zoodra een Uil, een Wouw of een Buizerd zich vertoont, wordt deze onder vreeselijk geschreeuw door een geheel leger van Kauwen aangevallen en uren ver vervolgd.

Geen der Raven wordt veelvuldiger in gevangenschap gehouden dan de Kauw. Haar vroolijke aard, behendigheid en schranderheid, gehechtheid aan haar meester, goedaardigheid en nabootsingsgave zijn wel geschikt om haar vrienden te verschaffen. Zonder moeite kan men haar, als zij jong gevangen is, aan het uit- en invliegen gewennen. Weldra heeft zij zich aan het huis van haar meester zoozeer gehecht, dat zij het zelfs in den herfst niet verlaat, of, zoo zij al met hare soortgenooten in zuidelijk gewesten gaat overwinteren, niet zelden in de volgende lente naar de woning, die haar dierbaar geworden is, terugkeert.

In Duitschland is op vele plaatsen de meening verbreid, dat de Kauwen bij ’t naderen van de cholera de steden verlaten, die het eerst aan de beurt zijn om door de gevreesde ziekte bezocht te worden. Het is volkomen waar, dat de Kauwen nu en dan voor een tijd weggaan; zij vluchten dan echter niet voor de cholera, maar begeven zich eenvoudig naar de akkers, zoodra de veldvruchten rijp zijn.

*

De Eksters (Pica) zijn langstaartige Raven, welker snavel over ’t geheel genomen denzelfden vorm heeft als die der Kraaien, hoewel de snavelrug sterker gekromd is; zij staan hoog op de pooten, hebben korte, afgeronde vleugels, welker spits gevormd wordt door de vijfde handpen, een sterk trapvormigen staart, die langer is dan het overige lichaam, en een goed gevuld vederenkleed.

Het verbreidingsgebied van de Ekster omvat Europa en Azië, van den noordelijken woudgordel tot Perzië en Kasjmir. In de meeste landen en gewesten komt zij veelvuldig voor, in andere ontbreekt zij bijna geheel; zoo ziet men haar in vele provinciën van Spanje in ’t geheel niet, terwijl zij in andere gemeen is; bovendien vermijdt zij in den regel hooge gebergten, boomvrije vlakten en uitgestrekte bosschen. Boschjes te midden van het veld, boschranden en boomgaarden zijn hare eigenlijke woonplaatsen. Gaarne vestigt zij zich in de nabijheid van menschelijke woningen; overal, waar men haar duldt, wordt zij buitengewoon gemeenzaam of liever gezegd indringerig. In Skandinavië, waar men haar in zekeren zin als de heilige Vogel van het land beschouwt, slaat zij niet in den tuin, maar in de hofstede zelf haar woning op en bouwt op bepaaldelijk voor haar aangebrachte uitbouwsels onder de daken haar nest. Overal, waar zij voorkomt, is zij standvogel in den volsten zin van ’t woord. Haar eigenlijk woongebied is klein en zij verlaat het nooit. Als zij in een dorp uitgeroeid wordt, duurt het vele jaren, voordat zij van de grenzen af er weder binnenkomt. Alleen in den winter zwerft zij, hoewel steeds nog in beperkte mate, verder rond dan gewoonlijk.

De levenswijze en gewoonten van de Ekster herinneren wel is waar in vele opzichten aan die van de Kraaien, maar verschillen er toch in andere niet onbelangrijk van. Zij gaat stappend als een Raaf, maar heeft daarbij een andere houding; want zij heft den langen staart omhoog en beweegt hem wippend, zooals de Lijsters en de Roodborstjes doen. Haar logge wijze van vliegen, welke geheel anders is dan die van de eigenlijke Raven, vereischt veelvuldige vleugelslagen en wordt reeds bij eenigszins krachtigen wind onzeker en langzaam. De Raaf vliegt voor haar vermaak uren lang rond; de Ekster gebruikt hare vleugels alleen, als zij moet. Zij begeeft zich van den eenen boom naar den anderen of van den eenen struik naar den naastbijzijnden, nooit echter zonder noodzaak. Hare zintuigen zijn, naar het schijnt, even volkomen als die van de Raaf; ook door haar verstand staat zij volstrekt niet bij deze achter. Zij weet zeer goed ongevaarlijke menschen en dieren van gevaarlijke te onderscheiden: jegens menschen is zij steeds op haar hoede, jegens dieren, die zij niet behoeft te vreezen, driest en in sommige gevallen wreed. Gezellig van aard, evenals alle leden van haar familie, mengen de Eksters zich gaarne onder de Raven en Kraaien en zwerven ook wel met de Notenkrakers rond; zij vereenigen zich echter bij voorkeur met andere dieren van haar soort tot kleine of groote vluchten, welker leden gemeenschappelijk jagen en over ’t algemeen innig deelnemen aan elkanders vreugde en leed. Gewoonlijk ziet men ze familiesgewijs. Haar heesche stem klinkt als “sjak” of “krak”, welke beide klanken dikwijls verbonden worden tot “sjakerak”. Deze geluiden dienen als loktoon en waarschuwingsroep; de intonatie verschilt, al naar de beteekenis, die er aan gehecht wordt. In de lente, vóór en gedurende den paartijd, babbelt zij uren achtereen en laat een verbazingwekkend aantal gelijksoortige en toch verschillende geluiden hooren. Te recht is haar gesnap spreekwoordelijk geworden.

Insekten en Wormen, Slakken, allerlei kleine Gewervelde Dieren, bessen, kersen en andere saprijke vruchten, graankorrels en allerlei zaden maken het voedsel van de Ekster uit. In de lente richt zij groote schade aan; daar zij de nesten van alle Vogels, die zich tegen haar niet kunnen verweren, zonder mededoogen uitplundert en een sterk bevolkten tuin in den letterlijken zin van ’t woord uitmoordt. Ook de hoenderparken, eendenfokkerijen, fazantentuinen, de kweekerijen van pluimvee in ’t algemeen, hebben veel van haar te lijden; zij vangt zelfs oude Vogels en doet dit, gelijk Naumann zegt, dikwijls geheel onverwachts; daar hare slachtoffers, omdat zij voortdurend met hen in gezelschap is, jegens haar geen argwaan toonen en zich dus, terwijl zij veilig meenen te zijn, door haar laten verschalken. Hoewel zij zich bovendien ijverig met de muizenjacht bezig houdt en vele schadelijke Insecten, Slakken en dergelijk ongedierte vangt en verslindt, moet zij zonder eenigen twijfel tot de schadelijke dieren gerekend worden, daar zij minder bij deze, dan bij de nuttige dieren haar roofzucht openbaart.

De Noren beweren, dat de Ekster op Kerstmis het eerste takje brengt naar de plaats, waar zij nestelen zal; bij ons en in Duitschland gebeurt dit gewoonlijk niet voor het einde van Februari. Zij nestelt veelal in de toppen van hooge boomen, alleen daar, waar zij zich volkomen veilig acht, in hakhout of lage struiken, b.v. in de groote doornstruiken van onze duinen. Dorre rijsjes en doornen vormen de grondlaag van haar nest; hierop volgt een dikke laag leem, dan eerst komt de eigenlijke nestholte, die uit haren van dieren en fijne wortelvezels bestaat en zeer zorgvuldig bewerkt is. Het geheele nest wordt van boven, op een zijdelingsche opening na, met een dak van doornen en droge rijsjes voorzien, dat wel doorzichtig is, maar den broedenden Vogel toch volkomen tegen mogelijke aanvallen van Roofvogels beveiligt. Het broedsel bestaat uit 7 of 8 eieren, die op groenachtigen grond met olijfbruine streepjes en vlekjes bedekt zijn. Na een bebroeding van drie weken komen de jongen uit; deze worden vervolgens door de beide ouders met Insecten, Regenwormen en slakken gevoederd, totdat zij zelfstandig zijn. Zoowel de vader als de moeder toonen veel liefde voor hun kroost en verlaten het nooit. Het is ons gebleken, dat een Ekster, waarop wij geschoten hadden, nog voortging met broeden met een hagelkorrel in zijn lichaam. Weinige Vogels naderen hun nest met grooter voorzichtigheid dan de Ekster, die alle mogelijke listen in toepassing brengt, om de plaats waar zij broedt, geheim te houden.

Jong uit het nest genomen Eksters worden buitengewoon tam, kunnen met vleesch, brood, gestremde melk, versche kaas gemakkelijk grootgebracht worden, geraken zoozeer gewoon aan de gevangenschap, dat men ze naar vrije verkiezing kan laten rondvliegen, laten zich tot het verrichten van kunstjes africhten, leeren liedjes fluiten en enkele woorden spreken en verschaffen hare verzorgers hierdoor veel genoegen, door haar zucht tot het wegnemen van schitterende voorwerpen trouwens ook last.

De mensch, die de kleine vogeltjes tracht te beschermen, wordt vroeger of later een beslist vijand van de Ekster en verdrijft haar zonder medelijden uit het aan zijn zorg toevertrouwde gebied. Door haar slimheid en sluwheid weet zij zelfs den geoefendsten jager in spanning te houden en hem te nopen van verstand en list gebruik te maken. Behalve den mensch, heeft deze schrandere en moedige Vogel waarschijnlijk alleen van de sterkste Roofvogels vervolgingen te verduren. Het meest heeft zij den Havik te vreezen, tegen wiens aanval alleen dicht struikgewas haar beveiligen kan.

*

De Blauwraven (Cyanocorax) behooren in Middel- en Zuid-Amerika thuis. Een van de meest verbreide soorten van dit geslacht is de Kapdragende Blauwraaf (Cyanocorax chrysops), zoo genaamd, omdat de opstaande, fluweelzwarte veeren van den bovenkop en den voorkop duidelijk te samen één geheel uitmaken en een soort van kap vormen. Bovendien hebben ook de teugels, de zijden van den hals, de keel en de voorhals tot aan de borst een koolzwarte kleur; de nek, de rug, de vleugels en de staartveeren (voor zoover deze niet door de vleugels bedekt worden) zijn ultramarijnblauw, aan den wortel zwart; de onderdeelen, van de borst tot aan de stuit, de onderdekveeren van den vleugel en de spits van den staart zijn geelachtig wit; boven en onder het oog komt een hemelsblauwe, breede, halvemaanvormige vlek voor; een dergelijke vlek versiert den wortel van den ondersnavel; de eerstgenoemde is van boven zilverkleurig gezoomd. De oogen zijn geel, de snavel en de pooten zwart. Deze 35 à 37 cM. lange Vogel (staartlengte 17 cM.), bewoont alle warme gewesten van Zuid-Amerika, van Paraguay af noordwaarts.

*

De Kitta’s (Cissa) zijn slank gebouwde, voor ’t meerendeel Indische Vogels, met schitterend gekleurde veeren. De Langstaartige Chineesche Kitta (Cissa erythrorhyncha), een der fraaiste soorten van dit geslacht, heeft een lengte van 58 cM., waarvan 42 cM. op den staart komen. De kop, de hals en de borst zijn, met uitzondering van een witte, overlangsche vlek, die zich over den kop en den rug uitstrekt en langzamerhand in blauw overgaat, donkerzwart; de rug en de mantel zijn licht kobaltblauw; de bovendekveeren van den staart hebben dezelfde kleur, maar zijn met een breede, zwarte spits voorzien; de onderdeelen, bij de borst te beginnen, zijn witachtig met een roodachtig aschkleurige tint, de vleugels schitterend kobaltblauw, de binnenvlag van de slagpennen echter zwart; alle vleugelveeren hebben witte spitsen. De oogen zijn karmijnroodbruin, de pooten bleek vermiljoenrood, de snavel is koraalrood.

De Langstaartige Chineesche Kitta komt voor in het westelijk gedeelte van den Himalaja. In China, vooral in de bosschen om Hongkong, wordt zij veelvuldig aangetroffen. In Oost-Indië (o.a. op Sumatra) ontmoet men een meer groenblauwe, langstaartige soort (Cissa venatoria). De Javaansche (Cissa thalassina) draagt, evenals de vorige, een kleine kuif op den kop, maar heeft een korteren staart. De Chineesche Kitta is een schrander, waakzaam dier, dat andere Vogels waarschuwt tegen loerende Roofdieren. Vooral den Luipaard volgt zij dikwijls mijlen ver en maakt, dat hem menige buit ontgaat. Als loktoon en waarschuwend sein laat zij een schel “pienk pienk pienk” hooren, dat door een luid gesnater wordt gevolgd. Haar voedsel bestaat uit Insecten en vruchten.

In China wordt deze soort soms in de kooi gehouden en met rauw vleesch, jonge of kleine Vogels, Insecten en dergelijke stoffen gevoederd. Van hier worden soms enkele van deze prachtige Vogels naar Europa overgebracht.

Langstaartige Chineesche Kitta (Cissa erythrorhyncha). ⅖ v. d. ware grootte.
Langstaartige Chineesche Kitta (Cissa erythrorhyncha). ⅖ v. d. ware grootte.

Langstaartige Chineesche Kitta (Cissa erythrorhyncha). ⅖ v. d. ware grootte.

De Gaaien (Garrulus) onderscheiden zich van de tot dusver genoemde Raafvogels door den korten en stompen snavel, met of zonder haakvormig omgebogen spits aan de bovenkaak, door de zwakke pooten, de zeer korte, sterk afgeronde vleugels, den betrekkelijk langen, nagenoeg recht afgesneden of zwak trapvormigen staart en het goed gevulde, zachte, losbaardige, bontgekleurde vederenkleed.

Alle leden van deze onderfamilie leven veel meer op boomen en veel minder op den grond dan de Eigenlijke Raven. Hoogst zelden vereenigen zij zich tot talrijke vluchten; meestal vormen zij kleine troepen of familiën, die den geheelen dag in het bosch rondzwerven, van den eenen boom op den anderen overgaande. Wegens hunne korte vleugels is hun wijze van vliegen meer wankelend, minder vast dan die van de Raven; zij zijn niet in staat zich tot aanzienlijke hoogten te verheffen en denken er nooit aan zich, evenals de leden der vorige onderfamilie, met vliegoefeningen te vermaken. Ook op den bodem zijn zij niet goed thuis, hun gang is gewoonlijk een gebrekkig huppelen. In de boomkronen zijn zij op hun plaats; hier bewegen zij zich in meerdere of mindere mate behendig. Hunne zintuigen zijn ongeveer even volkomen als die der Raven; slechts bij uitzondering echter bereiken hunne verstandelijke vermogens den trap van ontwikkeling, waardoor de Raven zich over ’t geheel genomen onderscheiden. Hun aard komt eenigermate overeen met dien van de Klauwieren; even wreed en roofgierig als deze, bezitten zij echter niet hun moed en evenmin de stoutmoedigheid der Raven. Hun voedsel ontleenen zij zoowel aan het plantenrijk als aan het dierenrijk. Gedurende een deel van ’t jaar voeden zij zich bijna uitsluitend met vruchten, terwijl in een ander seizoen de nesten van allerlei Vogels door hen op de onmeedoogendste wijze geplunderd worden. Wegens deze eigenschappen zijn zij over ’t algemeen niet bemind, hoewel zij door sommige begaafdheden, vooral door hun groote geschiktheid voor het nabootsen van verschillende stemmen, den mensch voor zich weten in te nemen.

*

Onze Vlaamsche Gaai, in Gelderland Eikelaakster, in Overijsel Merklouw, in Friesland Houtekster genoemd (Garrulus glandarius), kenmerkt zich door den korten, krachtigen, langs den rug weinig gebogen snavel, den middelmatig langen loop, de korte, sterk afgeronde vleugels, den middelmatig langen, zacht afgeronden staart en het zeer ruim voorziene, zachte, losbaardige, op den kop kuifvormig verlengde vederenkleed, welks fraaie, wijnroodachtig grijze hoofdkleur aan de bovendeelen donkerder, aan de onderdeelen lichter is; de witte veeren van de kuif zijn ieder op ’t midden met een lancetvormige, zwarte, blauwachtig gerande vlek geteekend; de teugel is geelachtig wit met donkerder overlangsche strepen; de keelveeren zijn wit; een breede en lange baardstreep aan weerszijden en de schouderveeren zijn fluweelachtig zwart, de handpennen bruinzwart, aan de buitenzijde grijsachtig wit gezoomd; de witte wortelhelften van de (overigens fluweelachtig zwarte) armpennen vormen op den vleugel een spiegel, die dicht bij den wortel blauw geschubd is; de bovendekveeren van den vleugel hebben een zwarte binnenvlag en een hemelsblauwe buitenvlag; zij zijn met witte en zwarte dwarsstreepjes voorzien, waardoor een prachtig schild ontstaat; de staartpennen eindelijk zijn zwart, aan haar wortelhelft met meer of minder duidelijke, blauwe, dwarse teekening. De oogen zijn parelkleurig, de pooten bruinachtig vleeschrood; de snavel is, evenals bij alle overige inheemsche Raafvogels, zwart. Van de 34 cM. lengte komen 15 cM. op den staart.

In ons land is de Vlaamsche Gaai overal te vinden, waar bosschen zijn; zelfs bewoont hij het houtgewas om buitenplaatsen of groote tuinen. Men treft hem hier het geheele jaar door aan; reeds van verre verraadt hij zijn aanwezigheid door zijn schelle, krijschende stem. Hij bewoont alle bosschen van Europa, met uitzondering van die der noordelijkste gewesten. In Duitschland is hij algemeen, in de dichtste bosschen zoowel als in boschranden en in de door velden omgeven boschjes, in het naaldhout bijna even veelvuldig als in de breedbladige boomen. In ’t voorjaar leeft hij paarsgewijs, gedurende de overige gedeelten van het jaar in familiën en troepen; hij zwerft door een beperkt gebied. Streken, waar geen eiken groeien, worden soms voor weken, ja zelfs voor maanden door hem verlaten; over ’t algemeen echter blijft hij jaar in, jaar uit zijn woonplaats getrouw. Rusteloos, beweeglijk, listig, ja zelfs buitengewoon schuw van aard, verschaft hij den mensch door zijn werkzaamheid veel genoegen, maar ook veel ergernis. Hij neemt tot tijdverdrijf allerlei standen aan en bootst de meest verschillende geluiden voortreffelijk na. Zijne bewegingen te midden van de twijgen zijn zeer behendig; tamelijk goed weet hij zich op den grond te redden; het vliegen gaat hem niet goed af, hij ziet er daarom zeer tegen op over uitgestrekte, open terreinen te vliegen. Zoolang mogelijk houdt hij zich in de struiken op; bij het vliegen over vrije ruimten maakt hij gebruik van iederen boom om zich te dekken. Hij leeft in aanhoudende vrees voor Roofvogels, die hem alleen in ’t woud niet kunnen bereiken, maar hem gedurende een eenigszins langduriger vlucht onmiddellijk pakken.

Vlaamsche Gaai (Garrulus glandarius). ⅓ v. d. ware grootte.
Vlaamsche Gaai (Garrulus glandarius). ⅓ v. d. ware grootte.

Vlaamsche Gaai (Garrulus glandarius). ⅓ v. d. ware grootte.

Hoogst vermakelijk is het waarlijk uitmuntende talent voor nabootsing van den Vlaamschen Gaai, die ongetwijfeld een der meest begaafde en onderhoudende, inheemsche “spotvogels” is. Zijn gewoon geschreeuw is een krijschend, afschuwelijk “retsj” of “rè”, zijn angstroep een weinig minder onwelluidend “kè” of “krè”. Soms schreeuwt hij als een Kat “miau”; volstrekt niet zelden zegt hij, wel eenigszins op de wijze van een buikspreker, maar toch volkomen duidelijk, het woord “markolf”. Behalve deze klanken, die hem van nature eigen zijn, bootst hij alle tonen en geluiden na, die hij in zijn gebied kan hooren. Het op miauwen gelijkende geschreeuw van den Buizerd bootst hij op de meest volkomen wijze en zoo geregeld na, dat men in twijfel blijft verkeeren, of hij op deze wijze vreemde, dan wel eigen waren aan de markt brengt. Voor de eerstgenoemde meening pleiten verscheidene andere feiten van denzelfden aard. Men heeft hem het gedruisch, dat bij ’t scherpen van een zaag ontstaat, hooren nadoen; Naumann hoorde een dezer Vogels onverbeterlijk hinniken als een veulen; andere hebben zich met goed gevolg geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen als een hen. De verschillende, hier en daar afgeluisterde tonen worden soms tot een zonderling gesnap of gezang saamgevoegd, dat al of niet welluidend kan zijn. “In den herfst,” verhaalt Rosenhein, “ging ik eens, vermoeid van de jacht, in het woud onder een hoogen berk zitten en dacht na over de gebeurtenissen van den dag. Hierin werd ik op een niet onaangename wijze gestoord door het gekweel van een Vogel. Zoo laat in ’t jaar, dacht ik, en nog gezang in het reeds winterachtige woud? Wie en waar zou de zanger zijn? Ik keek naar alle naburige boomen, maar vond den virtuoos niet, wiens tonen toch nog altijd krachtig weerklonken. Hun groote overeenkomst met die van den Lijster brachten mij op het denkbeeld, dat deze mij zijn wijsje voorzong. Kort daarna vernam ik echter in kort afgebroken coupletten ook minder volle tonen dan die van den Lijster. Het was, alsof een onzichtbare kring van zangers mij omgaf. Ik hoorde n.l. volkomen duidelijk zoowel het gepik van den Specht als het gekras van de Ekster, iets later weerklonk de stem van de Klauwier, toen die van den Lijster, van den Spreeuw, ja zelfs van den Scharrelaar. Eindelijk zag ik op aanzienlijke hoogte boven mij—een Vlaamschen Gaai! Hij was het, aan wien ik al deze navolgingen te danken had.”

Ongelukkig bezit de Vlaamsche Gaai andere eigenschappen, waardoor hij de gunst van den mensch, die hij door zijn talent verwerft, spoedig weer verliest. Hij is alleseter in de uitgestrekte beteekenis van het woord en de afschuwelijkste nestenroover, die onze bosschen bewoont. Alle levende wezens, die niet grooter zijn dan een Muis of een jong Vogeltje, brengt hij in gevaar; hij rooft ook eieren, zonder evenwel bessen en andere saprijke en droge vruchten te versmaden. In den herfst leveren eikels, beukenootjes en hazelnoten dikwijls weken achtereen de hoofdschotel van zijn maal. De eikels laat hij weeken in zijn krop, spuwt ze daarna uit en spalkt ze open; de hardschalige noten hamert hij met zijn krachtigen snavel stuk, hoewel dit niet zonder moeite geschiedt. Terwijl hij eikels plukt, verricht hij een nuttig werk, daar hij door het laten vallen van sommige dezer vruchten tot de verspreiding van den eik bijdraagt. Voor ’t overige richt hij alleen schade aan.

Lenz houdt hem voor een hoofdverdelger van de Adder en beschrijft uitvoerig, hoe deze Vogel jonge Adders, zoo vaak hij ze ontmoet, zonder schroom den kop opensplijt en ze daarna met veel smaak opeet; zelfs de volwassene overmeestert hij, zonder zich aan hare vergiftige beten bloot te stellen, daar hij in den kop van den Slang zoo ijverig met den snavel pikt, dat het dier weldra het bewustzijn verliest en door eenige snel opeenvolgende pikken binnen weinige minuten gedood wordt. De genoemde onderzoeker schat den Vlaamschen Gaai wegens deze heldendaden hoog en heeft hem zelfs in een zeer aardig gedicht verheerlijkt: de roofzucht van onzen Vogel is echter niet alleen tegen het vergiftige gedierte, maar ook, en in nog veel hoogere mate, tegen de nuttige, kleine Vogels gericht. Door zijn roofzucht wordt hij gevaarlijk voor ouden en jongen. Naumann’s broeder vond een Vlaamschen Gaai bezig met het dooden van een oude Zanglijster, de moeder van een talrijke kinderschaar, die haar leven, naar het scheen, gewaagd had bij het beschermen van haar kroost; dezelfde waarnemer zag later den Vlaamschen Gaai ijverig en behendig jacht maken op jonge Patrijzen. Trinthammer en A. von Homeijer veroordeelen den Vlaamschen Gaai even sterk, als Lenz hem prijst. “Wat doet deze dolende ridder,” vraagt de eerstgenoemde, “deze doortrapte gauwdief, de keurigst opgeschikte vertegenwoordiger van de geheele galgenvogelbende, gedurende den geheelen broedtijd! Van boom tot boom, van struik tot struik zwervend, overrompelt hij de nesten, slurpt de eieren uit, verslindt de al of niet vederlooze nestvogels met huid en haar, pakt en verscheurt de reeds uitgevlogen geelsnavel, die, onbeholpen en onervaren, hem niet gauw genoeg uit den weg gaan. De Sperwer en de drie Klauwieren van onze wouden zijn ook wel booze rakkers; zij alle met elkander richten echter op lange na niet zulk een vernieling aan onder de zangers van het woud als de Vlaamsche Gaai. Hij is de “Negenmaal negen dooder”, de “Wurger” in de eigenlijke beteekenis van het woord en als zoodanig versierd met vederpluim en epauletten. Waar deze struikroover de overhand neemt, kan er van toeneming van het aantal Zangvogels geen sprake meer zijn. Mijn beschuldiging is zeker niet te hard.”

De broedtijd van den Vlaamschen Gaai valt in de eerste lentemaanden. In Maart begint het paar met den bouw van het nest; in het begin van April is het broedsel gewoonlijk voltallig. Het nest staat zelden hoog boven den grond, soms in den top van een lagen boom, soms in de kroon van een hoogeren, hetzij in ’t midden van deze dicht bij den stam, of aan den buitenkant in de twijgen. Het is niet bijzonder groot; de onderste laag bestaat uit fijne, dunne rijsjes, de daarop volgende uit heide of dorre stengels van kruiden, de binnenbekleeding eindelijk uit fijne worteltjes, die zeer netjes gerangschikt zijn. De 5 à 9 eieren zijn op vuil geelwitten of groenachtig witten grond overal met grijsbruine vlekken en stippels geteekend, die aan het stompe einde gewoonlijk kranswijs bijeenstaan. Na een bebroeding van ongeveer 16 dagen verlaten de jongen de eischaal; zij worden aanvankelijk met rupsjes en andere larven, met Kevers, Wormen en dergelijke diertjes, later echter hoofdzakelijk met jonge Vogels gevoederd. Tenzij het paar gestoord wordt, broedt het slechts éénmaal per jaar.

Van oud gevangen Vlaamsche Gaaien beleeft men weinig genoegen, omdat zij zelden tam worden; jong uit het nest genomen exemplaren, die men zelf heeft grootgebracht, kunnen echter hun meester veel voldoening verschaffen. Ook zij leeren soms eenige woorden naspreken en dikwijls korte wijsjes nafluiten. Dat zij in een volière met andere zangvogeltjes niet geduld kunnen worden, spreekt van zelf, want hun roofzucht verloochent zich nooit.

Aan de noordelijke en oostelijke grenzen van het verbreidingsgebied van onzen Vlaamschen Gaai begint dat van den Ongeluksgaai (Garrulus infaustus). Van zijn zooeven beschreven stamgenoot onderscheidt hij zich vooral door den zeer slanken, langs den kinrand (de plaats van vereeniging der beide ondersnavelhelften) sterker gekromden snavel, voorts door den zeer korten loop, den eenigszins trapvormigen staart en het zeer zachte, losbaardige, op den kop niet verlengde vederenkleed. De veeren van bovenkop en nek zijn roetkleurig bruin, die van rug en mantel dof loodgrijs, die van den achterrug en den staartwortel vosrood; de slagpennen hebben een roetbruine binnenvlag, een bruinachtig grijze buitenvlag; de stuurpennen, met uitzondering van de beide middelste loodkleurig grijze, zijn helder vosrood. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lichaamslengte 31, staartlengte 14 cM.

Het verbreidingsgebied van den Ongeluksgaai strekt zich uit van Finnmarken tot aan het eiland Sachalin en van de noordelijkste grens van den boomgroei tot 60° N.B., in Siberië waarschijnlijk nog wel iets verder zuidwaarts. Van hier uit bezoekt hij nu en dan lagere breedten en heeft zich bij deze gelegenheid herhaaldelijk ook in Duitschland vertoond.

Zijne bewegingen zijn zeer sierlijk; hij vliegt geheel anders dan onze Gaai, buitengewoon gemakkelijk en zacht, meestal glijdend; de roode veeren van vleugels en staart komen dan goed uit. Bij zijn beweging in de twijgen maakt hij telkens van de vleugels gebruik; hij doet dit zeer snel en behendig: soms klauterend met groote sprongen, soms letterlijk schuivend langs den tak. Om de omgeving te bespieden, hecht hij zich behendig op de wijze van de Spechten aan den stam, meestal echter niet evenwijdig aan de as van den boom, maar in schuinsche richting. De klagende geluiden, die hij soms voortbrengt, hebben aanleiding gegeven tot zijn naam.

Volgens het eenstemmig oordeel van alle onderzoekers is de Ongeluksgaai een zeer gemeenzame en nieuwsgierige Vogel, die zich, zooals Nilsson verhaalt, soms op den hoed van een houthakker neerzet, en die, naar Schrader bericht, met de Rendier-Lappen op den vertrouwelijksten voet verkeert en met hen of hunne kudden medegaat, als zij zich naar hunne rustplaatsen begeven. Zij weet echter zeer goed de voor haar onschadelijke herders te onderscheiden van de jagers. In den herfst en den winter vormen bessen en zaden, vooral die van de arve en andere naaldboomen, waarschijnlijk een hoofdbestanddeel van haar voedsel. Als de sneeuw zoo hoog ligt, dat zij de bessen voortbrengende struiken bedekt, neemt hij zijn toevlucht tot de kegels van de naaldboomen. Gedurende den broedtijd van de kleine Vogels wordt hij een even wreede nestenberoover als de Vlaamsche Gaai; hij verslindt alle volwassene Vogeltjes en kleine Zoogdieren, die hij krijgen kan, vergast zich op het te drogen hangende rendiervleesch of op de in strikken gevangen Ruigpoothoenders en versmaadt, naar men zegt, zelfs geen krengen.

*

Bewoners van de noordelijke helft van Amerika zijn de Blauwgaaien (Cyanocitta).

De meest bekende vertegenwoordiger van dit soorten-arme geslacht is de Kuifgaai (Cyanocitta cristata). De hoofdkleur van de bovendeelen is glanzig blauw; de staartveeren zijn door smalle, donkere banden en de vleugelveeren door enkele zwarte topvlekken geteekend; de uiteinden van de armpennen en van de groote dekveeren van den vleugel zijn echter, evenals de buitenste stuurpennen en de onderdeelen beneden de borst, wit of grijsachtig wit, de zijden van den kop lichtblauw; een ringvormige band, die van den achterkop over de oogen naar den bovenhals loopt en een smalle voorhoofdsstreep, die zich tot aan de oogen uitstrekt, zijn donkerzwart. De oogen zijn grijsachtig bruin, de snavel en de pooten zwartbruin. Totale lengte 28, staartlengte 13 cM.

Alle berichten stemmen hierin overeen, dat de Kuifgaai, de Blue Jay, zooals de Amerikanen hem noemen, een sieraad van de Noord-Amerikaansche wouden is. Toch heeft deze Vogel zich hier niet vele vrienden gemaakt. Hij is allerwege bekend en overal gemeen, in de meeste gewesten standvogel, alleen in de noordelijke staten zwerf- of trekvogel. Zijn levenswijze komt in vele opzichten met die van onzen Vlaamschen Gaai overeen. Hij geeft de voorkeur aan dichte en middelmatig hooge bosschen, zonder echter de hoogstammige wouden te mijden, komt af en toe in de vruchtentuinen, zwerft voortdurend van de eene plaats naar de andere, let op alle verschijnselen, waarschuwt door een luid geschreeuw andere Vogels en zelfs Zoogdieren, rooft naar verhouding van zijn grootte op zeer uitgebreide schaal allerlei dieren, kortom, hij is in alle opzichten een waardige plaatsvervanger van zijn bij ons levenden stamgenoot. Hij is dit ook, wat zijn talent van nabootsing betreft. Zijn stemgeluid is zeer verschillend al naar de aandoeningen, die hij te kennen wil geven: zacht, wanneer hij zijn wijfje liefkoost, piepend als het geluid voortgebracht door het wiel van een slecht gesmeerden kruiwagen, wanneer hij het wijfje roept. Hij maakt, als hij zijn stem laat hooren, allerlei zonderlinge gebaren, bootst de manieren en de geluiden van andere Vogels na, schreeuwt, wanneer hij een Valk ziet, als een Vogel die door een Valk gegrepen is. Hij is een groot vijand van de Uilen, die hij gedurende hun dagslaap zoolang verontrust, totdat zij wegvliegen.

Jong uit het nest genomen Kuifgaaien worden spoedig tam, maar moeten in een afzonderlijke kooi gehouden worden, daar zij andere Vogels bloedgierig overvallen en dooden. Een gevangen Kuifgaai, die met andere Vogels in een volière was opgesloten, doodde achtereenvolgens al zijne metgezellen. Oude Vogels van deze soort leeren zich eveneens gemakkelijk schikken in het verlies van hun vrijheid. In den laatsten tijd worden de Blauwe Gaaien dikwijls naar Europa overgebracht en zijn daarom bijna in iederen dierentuin te vinden. Tot dusver heeft nog niemand eenige Vogels van deze soort in onze bosschen laten vliegen. Zij zouden deze ongetwijfeld niet weinig opsieren; verdienstelijk voor de houtteelt zouden zij echter evenmin worden als hunne Europeesche verwanten.

*

Een van de fraaiste Europeesche Vogels—de Spaansche Blauwekster (Cyanopolius Cookii)—vertegenwoordigt het geslacht der Blauweksters, dat zich door zijn zwakkeren snavel en eigenaardige kleuren van de Eksters onderscheidt. De kop en het bovenste deel van den nek zijn fluweelachtig zwart, de rug en de mantel licht bruinachtig grijs, de keel en de wangen grijsachtig wit, de onderdeelen licht vaalgrijs, de vleugels en de staart licht blauwachtig grijs, de handpennen aan de buitenzijde wit gezoomd. De oogen zijn koffiebruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 36, staartlengte 21 cM.

Men ontmoet de Blauwekster in alle deel en van Zuid- en Middel-Spanje, waar de altijd groene Eiken samenhangende wouden vormen. Men kan zich haar bijna niet voorstellen zonder dezen boom, wiens dichte kroon haar bedekking en bescherming verleent, wiens donker lommer haar, ondanks haar prachtig gewaad, verbergt en aan het oog onttrekt. In Noordwest-Afrika, vooral in Marokko, ontmoet men haar eveneens; in Oost-Siberië wordt zij door een nauw verwante soort (Cyanopolius cyanus) vervangen. Overal, waar zij voorkomt, is zij veelvuldig. Zij leeft gezellig en vormt talrijke benden, maar mijdt de nabijheid van den mensch en komt daarom slechts bij uitzondering in de buurt van bewoonde gebouwen voor. Hare gewoonten gelijken veel op die van de Gewone Ekster; haar stem is echter geheel anders; deze klinkt ongeveer als “krrih” of “prrih”, lang gerekt en afgebroken; haar gesnap (“klikklikklikkli”) herinnert eenigszins aan het vroolijke geluid van den Groenen Specht.

De broedtijd begint eerst in het midden van de lente: in de omstreken van Madrid niet vóór het begin van Mei. Het nest gelijkt op dat van onzen Vlaamschen Gaai, nog meer op dat van een Klauwier. Het broedsel bestaat uit 5 à 9 eieren, op geelachtig grijzen grond geteekend met donkerder wegsmeltende vlekken, waarover olijfbruine stippels en vlekjes, die aan het dikkere einde soms kranswijs bijeenstaan, verstrooid zijn. Gevangen Blauweksters zijn zeldzame, maar allerliefste bewoners van onze volières, zij houden zich zeer goed en worden, bij vriendelijke behandeling, even tam als andere Raafvogels.

*

De Notenkraker (Nucifraga caryocatactes), is de eenige inheemsche vertegenwoordiger van het geslacht der Notenkrakers (Nucifraga), waarvan zes soorten over Noord-Europa, Noord- en Middel-Azië (tot Japan en het Himalaja-gebergte) en het westen van Noord-Amerika verbreid zijn. Dit geslacht kenmerkt zich door den kegelvormigen, gelijkmatig versmalden, in een wigvormige, horizontale spits uitloopenden snavel, die een weinig langer dan de kop en nagenoeg recht is. Bij onze soort is de hoofdkleur donkerbruin; met uitzondering van den kop en den nek, die ongevlekt zijn, hebben nagenoeg alle kleine veeren aan de spits een zuiver witte, langwerpig ronde vlek; de slagpennen en stuurpennen zijn glanzig zwart, de laatstgenoemde met witten top, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 36, staartlengte 12 cM.

De Notenkraker bezoekt ons vaderland gedurende den winter van sommige jaren (o. a. 1847, 1864, 1886–1889, 1893, 1895), terwijl hij in andere jaren hier in ’t geheel niet wordt waargenomen. Standvogel is hij daarentegen o. a. in de Beiersche Alpen, in de Hartz en in het Reuzengebergte. Ook in Oost-Pruisen wordt hij gevonden. Veelvuldiger dan hier broedt hij in de Zwitsersche en Oostenrijksche Alpen, in Skandinavië en in de Russische Oostzeeprovinciën. De aaneengeschakelde naaldboombosschen van de Middel-Europeesche hooge bergstreken en de uitgestrekte naaldboomwouden van het noorden der Oude Wereld dienen hem tot woonplaats; zijn verbreiding staat in verband met die van den arve-den of Russische ceder (Pinus cembra), een naaldboom, die eetbare zaden levert; in oorden waar dit voedsel gevonden wordt, houdt de Notenkraker zich gedurende het geheele jaar op. In de genoemde gebergten van Middel-Europa komt hij even geregeld voor als in het hooge noorden, het veelvuldigst steeds daar, waar arven groeien. In de andere streken van Duitschland vindt men hem, evenals bij ons, gedurende de wintermaanden van sommige jaren allerwege; in den regel volgen hierop verscheidene jaren, waarin slechts enkele exemplaren zich vertoonen. Ook in het hooge Noorden strekken zijne zwerftochten in den herfst zich niet altijd even ver uit. Hier bezoekt hij de gewesten buiten zijn broedgebied wel geregelder, maar niet ieder jaar in gelijken getale; want alleen het mislukken van de arve-noten drijft hem van het noorden naar het zuiden of van het gebergte naar de vlakte.

1) Notenkraker (Nucifraga caryocatactes), 2) Ongeluksgaai (Garrulus infaustus). ⅓ v. d. ware grootte.
1) Notenkraker (Nucifraga caryocatactes), 2) Ongeluksgaai (Garrulus infaustus). ⅓ v. d. ware grootte.

1) Notenkraker (Nucifraga caryocatactes), 2) Ongeluksgaai (Garrulus infaustus). ⅓ v. d. ware grootte.

De Notenkraker vertoont met den Vlaamschen Gaai niet veel meer overeenkomst dan met een Specht. Hij ziet er onbehendig, ja zelfs onbeholpen uit. Toch is hij een vlugge, wakkere Vogel, die zich op den bodem goed weet te redden en met zeer groote vaardigheid op de boomtakken en in de struiken rondhuppelt, of zich, evenals de Meezen, aan den stam hecht, zoodat men wel mag zeggen, dat hij in ’t klimmen ervaren is. Evenals een Specht gaat hij aan stammen en takken hangen, om met zijn scherpen, beitelvormigen snavel in de schors te hakken, totdat er stukken van losraken en hij den hieronder verscholen buit bemachtigen kan. Hij vliegt zonder inspanning, maar tamelijk langzaam met sterk uitgebreide en snel bewogen vleugels. Zijn stem, een op grooten afstand hoorbaar gekrijsch, bestaat uit de klanken “krek krek krek”, die in ’t voorjaar dikwijls gevolgd worden door den vele malen herhaalden klank “körr.” Wanneer men zich gedurende den broedtijd in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel bevindt, hoort men van hem soms een eigenaardig, zacht, half ingehouden, aan buikspreken herinnerend gezang. De Notenkraker heeft, naar het schijnt, goed ontwikkelde zintuigen. Waarschijnlijk staat hij bij enkele leden van zijn familie achter, wat het verstand betreft; ten onrechte wordt hij echter voor dom gehouden. Zoodra de hazelnoten rijpen, verzamelen zich alle Notenkrakers uit de buurt op de plaatsen, waar hazelaars groeien. Na den morgen aan het zoeken van ’t voedsel te hebben besteed, verdwijnen zij tegen den middag in het bosch, om laat in den namiddag weder in de struiken terug te keeren, hoewel in minder grooten getale dan ’s morgens. In de morgenuren komt er aan hun geschreeuw en getwist geen einde. Ieder oogenblik komen eenige van deze Vogels op dit geschreeuw aanvliegen, terwijl andere, den rekbaren krop volgepropt met noten, zwaar beladen en met zichtbare inspanning zich naar het woud terug begeven om hunne schatten daar in voorraadschuren voor den winter te bewaren. In de bergstreken en de naaldhoutbosschen van het hooge noorden dienen dergelijke uitstapjes tot het verkrijgen van arve-noten. Behalve hazelnoten en arve-noten eet de Notenkraker eikels, beukels, zaden van dennen, zilversparren en sparren, graankorrels, lijsterbessen, hagedoornvruchten, rhamnusbessen, aardbeien, boschbessen en andere zaden en vruchten, allerlei Insecten, Wormen, Slakken, kleine Gewervelde Dieren van alle klassen, kortom hij is geen lekkerbek en lijdt daarom zelfs in den winter geen honger. Een tijdlang maakt hij gebruik van den opgespaarden voorraad; als deze uitgeput is, moet hij elders zijn dagelijksch brood ophalen, dan bezoekt hij de dorpen van het gebergte of verlaat tijdelijk zijn geboortegrond.

De ontoegankelijkheid van de oorden, waar de Notenkrakers nestelen, bemoeielijkt het nagaan van hun voortplanting. In de bergstreken van Middel-Europa is hun nest moeielijk te bereiken, nog veel bezwaarlijker gaat dit in hun eigenlijk vaderland, in de wouden van Noord-Europa: wildernissen, die zelfs in den zomer ternauwernood doordringbaar zijn en die derhalve in den voortplantingstijd van den Notenkraker nog veel minder goed bezocht kunnen worden. In gewone omstandigheden is het noodige aantal eieren (3 of 4) omstreeks het midden van Maart in het nest aanwezig, in het noorden misschien eerst in het begin van April. De eieren zijn langwerpig eirond, op lichtblauwachtig groenen grond met viooltjeskleurige, groenbruine en lederbruine vlekken geteekend, die over de geheele oppervlakte gelijkmatig verdeeld zijn en aan het stompe einde soms tot een krans ineenvloeien. Het wijfje broedt met veel zelfverloochening, zooals noodig is wegens het gure jaargetijde; het mannetje zorgt voor haar veiligheid en draagt haar voedsel toe; zij neemt dit gretig in ontvangst, waarbij zij uit vreugde de vleugels trillend beweegt.

Het is niet bijzonder moeielijk den Notenkraker gedurende zijne omzwervingen in den winter te vangen onder slagnetten of in knippen, die met een lokaas voorzien zijn. Spoedig geraakt hij aan de kooi en aan den gevangeniskost gewoon; hij neemt al wat eetbaar is, voor lief, hoewel hij aan vleesch boven al het overige voedsel de voorkeur geeft.

Raafvogels met een betrekkelijk korten, langs den rug sterk gebogen snavel worden in de onderfamilie der Staartkraaien (Dendrocittinae) vereenigd. Zij bewonen de wouden van de warme landen van de Oude Wereld, vooral van Zuid-Azië en komen over ’t algemeen door hun levenswijze met onze Eksters en Gaaien overeen.

*

De meest bekende leden van deze groep zijn de Boomeksters (Dendrocitta), tamelijk groote Vogels met korten, zijdelings samengedrukten, sterk gebogen snavel, middelmatig krachtige of korte pooten, korte, sterk afgeronde vleugels en langen, wigvormigen staart, welks beide middelste veeren ver voorbij de overige uitsteken.

Een vertegenwoordiger van dit geslacht is de Zwerfekster, de Kotri der bewoners van Indië (Dendrocitta rufa). Zij heeft met den 26 cM. langen staart een lengte van 41 cM. De kop, de nek en de borst zijn roetkleurig of zwartachtig bruin, de onderdeelen beneden de borst roodachtig of vaal geelachtig, de schouderveeren, de rug en de bovendekveeren van den staart donkerroodachtig, de dekveeren van den vleugel en de buitenvlag van de armpennen lichtgrijs, bijna wit, de overige slagpennen zwart, de middelste stuurpennen aschgrauw met zwarte spitsen, de overige stuurpennen wit met zwarte eindhelft. De oogen zijn bloedrood, de pooten donker leikleurig, de snavel is zwart.

De Kotri is over geheel Indië verbreid en komt bovendien voor in Assam, Tenasserim, China en Kasjmir (in den Himalaja trouwens overal tot op 2000 M. hoogte). In al deze landen is zij veelvuldig, vooral in boschrijke vlakten.

In een vierde onderfamilie vereenigen wij de Steenkraaien (Pyrrhocoracinae), slank gebouwde, langvleugelige en kortstaartige Raafvogels met tamelijk zwakken, spits eindigenden en eenigszins gebogen, meestal levendig gekleurden snavel, sierlijk gekleurde pooten, betrekkelijk lange vleugels en iriseerende veeren.

*

De Roodsnavelige Steenkraai of Alpenkraai (Pyrrhocorax graculus), onderscheidt zich door zijn dunnen, tamelijk sterk gekromden bek, die langer is dan de kop en, evenals de middelmatig hooge, kortteenige pooten, een fraaie, koraalroode kleur heeft. De vleugels zijn lang en reiken in rust tot voorbij den staart. Het vederenkleed is effen zwart met groenen en violetten weerschijn. De oogen zijn donkerbruin. Totale lengte 40, staartlengte 15 cM.

De Europeesche Alpen in hun geheele uitgestrektheid, de Karpathen, de Balkan, de Pyreneën en bijna alle overige gebergten van Spanje, voorts eenige bergen van Engeland en alle gebergten van den Oeral en den Kaukasus tot aan de Chineesche landruggen en den Himalaja, bovendien de Kanarische eilanden, de Atlas en de hooge bergtoppen van Abessinië verschaffen een woonplaats aan dezen in alle opzichten aantrekkelijken en merkwaardigen Vogel. In de Zwitsersche Alpen is hij zeldzaam, in Spanje echter, op vele plaatsen althans, buitengewoon talrijk. Hij bewoont in Zwitserland alleen het eigenlijke hooggebergte, een gordel op korten afstand van de sneeuwgrens, en dwaalt dikwijls tot aan de hoogste toppen der Alpen af; in Spanje daarentegen ontmoet men hem reeds op rotswanden, die zich tot hoogstens 200 à 300 M. boven den zeespiegel verheffen. In de Rhetische gebergten nestelde hij nog voor 70 jaren in de klokkenstoelen en torendaken van nagenoeg alle hooggelegen bergdorpen, terwijl hij tegenwoordig, meestal tengevolge van de veranderingen, die de torens dezer dorpen ondergaan hebben, door den nood gedwongen, naar de wildernissen der rotsen teruggekeerd is. In den hoogsten gordel van het gebergte overwintert hij niet, maar begeeft zich in October naar lager gelegen rotswanden of zuidelijker gewesten. In dezen tijd vertoonen zich, naar men zegt, zwermen van 400 à 500 van deze Vogels bij de hospitiën, om echter weldra weer te verdwijnen.

Volgens ons oordeel herinnert de Alpenkraai sterk aan de Kauw; zij vliegt echter gemakkelijker en sierlijker, ook is zij schranderder en voorzichtiger dan deze. Als men geruimen tijd de Alpenkraaien nagaat, bemerkt men, dat zij met een zekere regelmatigheid op bepaalde plaatsen verschijnen en deze met dezelfde regelmatigheid weer verlaten. In de vroegste morgenuren vliegen zij uit om voedsel te zoeken en keeren omstreeks 9 uur des voormiddags naar hare woonplaatsen terug; zij houden zich hier slechts korten tijd op, gaan drinken en zoeken opnieuw voedsel, voordat zij naar haar rotswand terugkeeren. In de schaduwrijke rotsholen, waar zij zich gedurende de middaghitte verborgen houden, geven zij nauwkeurig acht op hetgeen er in haar onmiddellijke nabijheid voorvalt, en laten niets verdachts voorbijgaan, zonder het met luid geschreeuw te begroeten. Voorbijvliegende Arenden worden door de geheele bende over een zekeren afstand vervolgd en moedig aangevallen; er wordt echter wel degelijk onderscheid gemaakt tusschen de eene soort en de andere; voor den behendigen Havikarend zijn de schrandere Vogels zeer op hun hoede; zij verbergen zich zelfs voor hem nog dieper in hunne rotsholen, terwijl zij zich om den Lammergier volstrekt niet bekommeren. In de namiddaguren vliegen zij nogmaals om voedsel uit en keeren eerst, als de zon ondergaat, na nogmaals gedronken te hebben, naar de gemeenschappelijke woon- en slaapplaatsen terug.

Eigenaardig is het, dat de Alpenkraai slechts oorden van een bepaalde gesteldheid bewoont en in andere, die schijnbaar even gunstig gelegen zijn, ontbreekt.

Als men nagaat, welk voedsel de Alpenkraai hoofdzakelijk gebruikt, blijkt het, hoe behendig zij haar gekromden snavel weet te gebruiken. Zij eet namelijk meestal Insecten en slechts in enkele gevallen andere stoffen. Sprinkhanen en Spinachtigen, o.a. Scorpioenen, zijn in Spanje waarschijnlijk de hoofdbestanddeelen van haar maal; deze dieren weet zij zeer behendig te overmeesteren. Zij werpt met haar langen snavel steentjes om en pikt de daaronder verborgen dieren op; ook boort zij wel met haar snavel in den grond om Insecten te vangen, of steekt hem onder groote steenen, die te zwaar zijn om opgetild te worden, en zoekt op deze wijze haar lievelingsspijs.

De broedtijd valt in de eerste maanden van de lente. Volgens Girtanner bestaan de bovenbouw en de onderbouw van het nest uitsluitend uit dunne, naar boven steeds fijner wordende worteltjes, grootendeels van dezelfde plantensoort afkomstig; de nestholte evenwel is bekleed met een buitengewoon dichte en stevige, niet minder dan 6 cM. dikke laag vilt, welks grondstoffen aan nagenoeg alle Zoogdieren van het gebergte zijn ontleend. Vlokken schapenwol worden met haren van Geiten en Gemzen, groote bossen witte hazenharen met haren van Runderen zorgvuldig dooreengewerkt. “Op plaatsen, waar het nest onmiddellijk tegen de rots aanligt, is de viltwand tamelijk hoog bij het gesteente opgebouwd, om de moeder en de kinderen zooveel mogelijk tegen vochtigheid en koude te vrijwaren. De 4 of 5 eieren zijn op witachtigen of vuil grijsgelen grond met lichtbruine vlekken en stippels geteekend. Hoe lang het broeden duurt, is niet bekend. Waarschijnlijk broedt het wijfje alleen; aan den moeilijken arbeid van de voedering der jongen wijden echter de beide ouders zich onder groot geschreeuw en misbaar. Tegen het einde van Juni verlaten de jongen het nest; zij worden echter nog lang door hunne ouders geleid en onderricht.

Zwerfekster (Dendrocitta rufa), ½ v. d. ware grootte.
Zwerfekster (Dendrocitta rufa), ½ v. d. ware grootte.

Zwerfekster (Dendrocitta rufa), ½ v. d. ware grootte.

Ook in den broedtijd bestaat er tusschen de Alpenkraaien van een gewest dezelfden innigen band als in de overige maanden van het jaar. Zij zijn gezellige Vogels in den volsten zin van het woord. Geheel zonder plagerijen verkeeren zij trouwens niet met elkander; ook is het zeer wel mogelijk, dat de leden van hetzelfde gezelschap elkander bestelen, zooveel zij kunnen en durven; dit is echter bij de Raafvogels niets vreemds; de goede verstandhouding wordt er in ’t geheel niet door verstoord. In oogenblikken van gevaar staan de leden van den zwerm elkander trouw bij; elk hunner toont in sommige gevallen een werkelijk verheven moed. Zoo zagen wij, dat gezonde Alpenkraaien zich onder luid geschreeuw om gewonde leden van haar gezelschap heenbewogen en duidelijk de bedoeling te kennen gaven om hare in ’t ongeluk verkeerende soortgenooten behulpzaam te zijn.

Hoewel alle Raafachtigen aantrekkelijke kooivogels zijn, is geen harer dit in die mate als de Alpenkraai. Zij wordt bij eenigszins zorgvuldige behandeling weldra buitengewoon tam en gemeenzaam. Zeer gehecht aan haar verzorger, luistert zij naar den naam, dien hij haar gegeven heeft en gehoorzaamt, als zij geroepen wordt. Men kan haar gerust toestaan zich naar eigen verkiezing in en buiten de kooi te bewegen. Bij doelmatige verzorging zal zij in een hiervoor geschikte kooi ook eieren leggen en uitbroeden. Haar sierlijke gedaante, de fraaie kleur van snavel en pooten, haar bevallige houding, levendigheid en bedrijvigheid, nieuwsgierigheid en leerlust, haar zelfbewustzijn, geschiktheid tot het aanleeren van kunstjes en nabootsingsvermogen zijn een onuitputtelijke bron van vermakelijke en leerzame waarnemingen. Mettertijd wordt zij een huisdier in de beste beteekenis van het woord, maakt onderscheid tusschen bekenden en vreemdelingen, tusschen volwassenen en kinderen, en toont belangstelling in alle gebeurtenissen, die in den huiselijken kring voorvallen; men zou bijna kunnen zeggen, dat zij medegevoel toont voor vreugde en droefheid; bovendien sluit zij vriendschap met andere huisdieren, doet langzamerhand een schat van ervaringen op, wordt steeds schranderder, hoewel tevens listiger en neemt om al deze redenen ten slotte een belangrijke plaats in onder de bewoners van het huis.

1) Alpenkraai (Pyrrhocorax graculus), 2) Alpenkauw (Pyrrhocorax alpinus). ⅓ v. d. ware grootte.
1) Alpenkraai (Pyrrhocorax graculus), 2) Alpenkauw (Pyrrhocorax alpinus). ⅓ v. d. ware grootte.

1) Alpenkraai (Pyrrhocorax graculus), 2) Alpenkauw (Pyrrhocorax alpinus). ⅓ v. d. ware grootte.

Het is niet moeielijk de Alpenkraai in ’t leven te houden. Hoewel zij zich hoofdzakelijk met vleesch voedt, gebruikt zij bijna alle spijzen, die de mensch eet. Wittebrood is voor haar een lekkernij, versche kaas niet minder; kleine Gewervelde Dieren worden niet versmaad, hoewel het haar veel moeite kost een Muis of een vogeltje te dooden en te verscheuren. Zwakkere Vogels valt zij vol woede aan, maar ook Vogels van gelijke grootte, zooals Gaaien en Kauwen, worden door haar afschuwelijk mishandeld. Genegenheid toont zij alleen aan menschen.

De nauw verwante Geelsnavelige Steenkraai of Alpenkauw (Pyrrhocorax alpinus), verschilt van de Alpenkraai door haar kleed, dat eer op dat van een Merel dan op dat van een Kraai gelijkt, en door den snavel: deze is korter dan de kop, hoewel slank, toch dikker dan bij de vorige soort, heeft een gekromden rug, doch weinig gebogen zijranden en is geel van kleur. De oude vogels hebben fluweelachtig zwarte veeren en roode pooten, de jongen dofzwarte veeren en gele pooten. Beide soorten zijn nagenoeg gelijk van grootte; ook in levenswijze en gewoonten komen zij in hoofdzaken overeen.

“Evenals de Leeuwerik bij het korenveld, de Meeuwen bij de zee, de Gors en de Zwarte Roodstaart bij den stal en de weide, de Duif en de Musch bij de graanschuur, de Winterkoning bij de groene haag, de Mees en het Goudhaantje bij het jonge lorkenwoud, de Kwikstaart bij de beek, de Vink bij het beukenbosch, de Eekhoorn bij de met kegels beladen sparren behoort,” zegt Tschudi, “zoo behoort bij de rotskammen onzer bergen de Alpenkraai. De reiziger of jager moge overigens in de bergen zoomin twee- als vierpootige bewoners vinden, een troep Steenkraaien, die twistend en schreeuwend op uitstekende rotspunten zitten, bij zijn nadering onder schel gefluit met weinige vleugelslagen opvliegen, met spiraalvormige zwenkingen omhoogstijgen, daarna wijde kringen om de rotsen beschrijven en zich weldra weer op een daarvan neerzetten, van waar zij den vreemdeling bespieden, vindt hij er ongetwijfeld altijd, hetzij op de weiden boven de grens van den boomgroei, òf op de doodsche, met rolsteenen bedekte hellingen der hooge Alpen, niet minder veelvuldig ook op de naakte rotsen bij en in de eeuwige sneeuw. Zelfs in het sneeuwveld, de “firnzee”, die den hoogsten top van den Tödi, meer dan 3500 M. boven den zeespiegel, omgeeft, vond von Dürrler nog twee zulke Kraaien; ook Meyer ontmoette bij de bestijging van den Finsteraarhorn verscheidene exemplaren van deze diersoort op een hoogte van meer dan 4000 M. Zij komen dus op nog grooter hoogte voor dan de Sneeuwvinken en Sneeuwhoenderen; hier vervangt hun schel, eentonig geschreeuw het kwinkeleeren van den Alpen-bastaardnachtegaal en van den Citroenvink, dat den reiziger op een ongeveer 1000 M. geringere hoogte zoo vriendelijk begeleidde. En toch doet het dezen aangenaam aan, dat hij te midden van de eeuwigdurende ijs en sneeuw althans deze vlugge Vogels nog ziet rondzwerven en zich beijveren om met den snavel de in de “firn” gezakte Insecten op te sporen.

“Evenals bijna alle Alpendieren, worden ook de Alpenkauwen als weeraankondigers beschouwd. Hare dikwijls dicht bij elkander gelegen nesten worden in de spleten en holen van de moeielijkst toegankelijke bergtoppen gebouwd. Het van grashalmen vervaardigde nest is ondiep en groot; het bevat in den broedtijd vijf eieren, zoo groot als die van de Kraai, met donkergrijze vlekken op licht aschgrauwen grond. Sommige rotsholen worden door vele opeenvolgende geslachten van Alpenkauwen bewoond, die den bodem met een dikke laag drek bedekken.”

“Deze Vogel,” zegt Savi, “kan zeer gemakkelijk getemd worden en is innig gehecht aan zijn verzorger. Men kan hem jaren lang in ’t leven houden en vrij laten loopen of vliegen. Hij springt op de tafel en eet vleesch, vruchten (vooral druiven, vijgen en kersen), zwart brood, droge kaas en eidooier. Hij houdt van melk en geeft soms aan wijn de voorkeur boven water. Evenals de Raven houdt hij de spijzen, die hij verscheuren wil, met de klauwen vast, verstopt het overige en bedekt het met papier, houtsplinters en dergelijke voorwerpen, blijft soms naast dezen voorraad staan en verdedigt hem tegen Honden en menschen. Hij heeft een merkwaardige liefhebberij voor vuur, trek dikwijls de brandende pit uit de lamp en slikt deze in, haalt ’s winters gloeiende stukjes kool uit het haardvuur, zonder dat dit hem eenigszins schaadt. Hij vindt het zeer prettig den rook omhoog te zien stijgen; zoodra hij een test met vuur ziet, zoekt hij een stuk papier, linnen of hout, werpt dit er in en gaat er dan voor staan om naar den rook te kijken. Zou het niet kunnen zijn, dat deze Alpenkauw de “brandstichtende Vogel” (avis incendiaria) van de Ouden is?

“Als zij een Slang, een Kreeft of een dergelijk dier ziet, slaat zij met de vleugels en den staart en krast als een Raaf; als een vreemdeling in de kamer komt, schreeuwt zij, zoodat men er bijna doof van wordt; wanneer een bekende haar roept, snatert zij daarentegen zeer vriendelijk. Als zij stil zit, zingt zij wel eens; buiten de kooi fluit zij soms bijna al een Merel; zelfs kan men haar een kleinen marsch leeren fluiten. Als een harer vrienden na lange afwezigheid terugkeert, gaat zij hem met half geopende vleugels tegemoet, begroet hem met geschreeuw, vliegt hem op den arm en bekijkt hem van alle zijden. Als zij na zonsopgang de deur gesloten vindt, gaat zij naar de slaapkamer, roept eenige malen, gaat onbeweeglijk op het hoofdkussen zitten en wacht, tot haar vriend ontwaakt. Zoodra dit geschied is, heeft zij geen rust meer; zij schreeuwt zoo luid mogelijk, vliegt van de eene plaats naar de andere en toont op allerlei wijzen haar vreugde over het gezelschap van haar meester. Haar genegenheid wekt werkelijk verbazing; zij ontaardt echter niet in slaafsche onderworpenheid; de Alpenkauw laat zich niet gaarne in de hand nemen; er zijn altijd eenige personen, die zij niet lijden mag en met den snavel bedreigt.”

De laatste onderfamilie van de Raafvogels omvat de Orgelvogels (Streperinae), die misschien een overgang vormen tot de familie der Klauwiervogels. Hunne kenmerken zijn: de langwerpig kegelvormige, aan den wortel breede, zijdelings samengedrukte snavel, welks rug op het voorhoofd in een breed, half cirkelvormig schild eindigt en van hier tot aan de haakvormig over den ondersnavel heengebogen spits nagenoeg recht is; de spleetvormige neusgaten zijn niet door borstelige veeren overdekt, zooals bij de echte Raafvogels steeds het geval is; de pooten zijn volkomen raafachtig, de vleugels lang en spits; de staart is middelmatig lang, recht afgesneden of flauw afgerond.

De Orgelvogels bewonen het Australische faunistische Rijk. Zij loopen buitengewoon goed op den grond en bewegen zich niet minder behendig in de twijgen; zij vliegen echter op onvaste wijze en niet zonder inspanning. Kleine dieren van verschillende klassen, vooral Sprinkhanen en kleine Gewervelde Dieren, voorts vruchten en zaden maken hun voedsel uit.

*

De Fluitvogel (Strepera tibicen), die in den laatsten tijd een bewoner van alle dierentuinen geworden is, komt in grootte nagenoeg met den Roek overeen. (Totale lengte 43, staartlengte 14 cM.) Zijn vederenkleed is grootendeels zwart; de nek, de benedenrug, de boven- en onderdekveeren van den staart en de voorste vleugeldekveeren zijn echter wit. De oogen zijn roodachtig nootbruin, de pooten zwart; de snavel is bruinachtig aschgrauw.

De Fluitvogel is, volgens Gould, vooral veelvuldig in Nieuw-Zuid-Wales, waar hij sterk in ’t oog loopt en het land zeer tot sieraad strekt; overal, waar men hem niet vervolgt of verdrijft, bezoekt hij de tuinen der kolonisten en zelfs hunne woningen, als hij er heengelokt wordt; de hem verleende bescherming beantwoordt hij met een zeer groote gemeenzaamheid. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Sprinkhanen, die hij in ontelbare menigte verslindt.

Toen Gould in Australië reisde, waren gevangen Fluitvogels bij ons zeldzaam; tegenwoordig worden zij dikwijls levend naar Europa gebracht. Zij zijn zeer gezocht door vogelliefhebbers en mogen in geen dierentuin ontbreken. Reeds wanneer hij zich stil houdt, trekt deze Vogel de aandacht, voor iedereen aantrekkelijk wordt hij echter door zijn zonderling gezang. Iedere klank op zich zelf is vol en zuiver van toon, de eindstrophe echter is gewoonlijk meer een soort van gebrom dan gefluit. Deze Vogels kunnen wel muzikale geluiden voortbrengen, maar ze niet tot een lied samenvoegen; bovendien bederven zij vaak hun spel door allerlei kuren, die hen toevallig in den kop komen. Daar zij buitengewoon leerzaam zijn, nemen zij zonder moeite wijsjes over, zoowel van een Vogel als van een draaiorgel of ander muziekinstrument. Alle tamme Fluitvogels, die ik heb leeren kennen, mengden met hun gezang bekende wijzen, vooral straatdeuntjes, die zij, naar het schijnt, gedurende de overvaart van de matrozen afgeluisterd hadden. In den regel onthalen zij hunne bekenden op een lied en begroeten hunne vrienden met een zekere teederheid. Hun vriendschap kan men echter gemakkelijker verspelen dan winnen; zij zijn volgens mijne ervaringen zeer hartstochtelijk en oploopend, ja zelfs wraakzuchtig en verweren zich bij de geringste opwelling van toorn, dikwijls op gevoelige wijze met den snavel. Zij zetten dan hunne veeren op, breiden de vleugels en den staart uit en gaan als een booze Haan op den rustverstoorder af. Ook met hunne soortgenooten hebben zij dikwijls ruzie; andere Vogels vallen zij met moordzuchtige bedoelingen aan.

Fluitvogel (Strepera tibicen). 3/10 v. d. ware grootte.
Fluitvogel (Strepera tibicen). 3/10 v. d. ware grootte.

Fluitvogel (Strepera tibicen). 3/10 v. d. ware grootte.

Het is niet moeilijk hen in de kooi in ’t leven te houden. Hoewel zij dierlijk voedsel noodig hebben, nemen zij ook plantaardige stoffen voor lief. Vleesch, brood en vruchten maken het hoofdbestanddeel van hun voedsel uit. Voor weersveranderingen zijn zij niet bijzonder gevoelig; zonder gevaar kan men ze ’s winters in de open lucht laten blijven.

De familie van de Klauwiervogels (Laniidae) is in bijna 300 soorten over de geheele wereld verbreid. Hare kenmerken zijn gelegen in den krachtigen zijdelings samengedrukten snavel, welks bovenste helft achter de haakvormig omgebogen spits aan weerszijden voorzien is met een inkerving en een daarachter voorkomend, hoekig uitsteeksel (“tand” genaamd),—in de korte, breede, afgeronde vleugels, welker derde of vierde handpen gewoonlijk alle overige slagpennen in lengte overtreft,—in den tamelijk of zeer langen, trapvormigen, uit twaalf pennen samengestelden staart. Het vederenkleed is goed gevuld, min of meer los en zacht, op aangename en afwisselende, bij sommige soorten echter op nagenoeg gelijke wijze geteekend.

De Klauwiervogels bewonen boschjes te midden van akkers en weiden, hagen en struiken op bouwland, tuinen en alleenstaande boomen, welker hoogste twijgspitsen hun gewone zitplaats zijn. De meeste, in ’t noorden broedende soorten trekken geregeld naar ’t zuiden en strekken hare reizen tot in Middel-Afrika uit. Door levenswijze en gewoonten herinneren de Klauwiervogels evenzeer aan Roofvogels als aan sommige Raafvogels. Ondanks hun geringe grootte, zijn zij zeer moedig, roofzuchtig en moordgierig. Zij onderscheiden zich niet door den omvang, maar wel door de menigvuldigheid hunner talenten. Ondanks hun slechte en onregelmatige wijze van vliegen en hun huppelenden gang, overvallen en vangen zij dikwijls Vogels, die behendiger zijn dan zij zelf. Hun eigen, eentonig gezang verbeteren zij aanmerkelijk, door op het lied van andere Vogels te letten en hieruit, blijkbaar met de grootste inspanning en nauwgezetheid, althans enkele strophen en tonen af te luisteren, die zij later, op zonderlinge wijze vereenigd en versmolten, weergeven. Enkele soorten zijn wegens deze gewoonte de vreugde en de trots van vele vogelliefhebbers.

De Klauwiervogels zijn eigenlijk insecteneters, de meeste soorten maken echter ook jacht op kleine Vogels, die hen meestal niet vreezen en met een ongerechtvaardigd vertrouwen vereeren en voor wie zij hierom des te gevaarlijker zijn. Rustig zitten zij eenige minuten te midden van andere Zangvogels, die geen argwaan koesteren voor de vreemdelingen, welke hen soms zelfs bij hun gezang begeleiden, maar zich later als Roofvogels gedragen, door onverwachts een van de naastbijzittende leden van het gezelschap aan te grijpen en te dooden. Zij hebben de vreemde gewoonte om den gevangen buit aan spitse doornen te steken. Op plaatsen, die door een paar van deze Vogels bewoond worden, zal men zelden tevergeefs zoeken naar Insecten, of zelfs vogeltjes en kleine Reptiliën, die zij op deze wijze voor later bewaard hebben. Deze gewoonte heeft aanleiding gegeven tot den naam van “Negendooder”, dien het volk aan deze roovers heeft gegeven.

Hun nest is meestal met niet geringe kunstvaardigheid te midden van dichte twijgen of althans te midden van dicht bijeengroeiende takken gebouwd en gewoonlijk met groene plantendeelen versierd. Het wijfje broedt op 4 à 6 eieren en wordt intusschen door het mannetje van voedsel voorzien. De beide ouders wijden zich met teedere liefde aan de voedering van hun kroost, dat zij in tijd van gevaar met grooten moed verdedigen; de jongen blijven nog lang nadat zij het nest verlaten hebben, onder de hoede hunner ouders, die hen leiden en onderrichten en hen eerst laat in den herfst, waarschijnlijk niet vóór hun aankomst in de winterkwartieren, aan zich zelf overlaten.

De Europeesche Klauwiervogels behooren allen tot de onderfamilie van de Wurgers (Laniinae), welker vertegenwoordigers zich o.a. door de meerdere grootte van den tand aan den bovensnavel van hunne verwanten onderscheiden en tot het typische geslacht van de Klauwieren (Lanius), o.a. gekenmerkt door den zeer krachtigen snavel, de stevige pooten en de vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde en de vierde handpen, die nagenoeg even lang zijn.

*

De grootste, inheemsche Klauwier is de Klapekster, Wachter, Blauwe Klauwier, Negendooder, Waldheer of Vinkenbijter, in Groningen Blauwe Tuinvalk, Kleine Valk, Grauwe Doorndraaier, in Friesland Tuinekster genoemd (Lanius excubitor); zij is 26 cM. lang, waarvan 12 cM. op den staart komen. De veeren van de bovendeelen zijn (op een lange, witte schoudervlek na) gelijkmatig licht aschgrauw, die van de onderdeelen zuiver wit; een breede, zwarte, wit gerande teugelstreep strekt zich tot achter de oogen uit. In den vleugel zijn de wortelhelft der handpennen, een plek aan den wortel der armpennen, de spits en de binnenvlag der schouderveeren wit; overigens zijn de slagpennen en hare bovendekveeren zwart. Zwart zijn ook de beide middelste staartveeren; bij de overige treedt deze kleur meer en meer op den achtergrond en wordt door zuiver wit vervangen; de op één na buitenste is, met uitzondering van een groote, zwarte vlek op het midden van de binnenvlag, en de buitenste, op een zwarte schaftstreep na, geheel wit. De oogen zijn bruin, de pooten loodkleurig grijs, de snavel is zwart. Het wijfje en de jongen onderscheiden zich door minder zuivere kleuren en flauw golvende, zwartachtige dwarslijnen aan de onderdeelen, die vooral op de borst duidelijk uitkomen.

Nevens de Klapekster komen in Europa verwante vormen voor, die soms als verscheidenheden van de genoemde soort worden beschouwd, maar, voor een deel althans, afzonderlijke soorten mogen heeten; zij onderscheiden zich door een iets geringere grootte en de meerdere of mindere uitgebreidheid van het wit aan de vleugels en den staart.

1) Klapekster (Lanius excubitor). 2) Grauwe Klauwier (Lanius collurio). ½ v. d. ware grootte.
1) Klapekster (Lanius excubitor). 2) Grauwe Klauwier (Lanius collurio). ½ v. d. ware grootte.

1) Klapekster (Lanius excubitor). 2) Grauwe Klauwier (Lanius collurio). ½ v. d. ware grootte.

De Klapekster leeft in alle landen van Europa (misschien met uitzondering van het allerzuidelijkste gedeelte) en in een groot deel van Azië als stand- of zwerfvogel, in Noord-Afrika en Zuid-Azië als trekvogel. In ons land wordt zij nergens in groote getale aangetroffen. In Groningen, Gelderland en Noordbrabant heeft men haar zien broeden; in de overige provinciën wordt zij zeer zelden en alleen gedurende hare zwerftochten in het najaar waargenomen. Sommige overwinteren bij ons, de meeste verhuizen echter. In den winter komen zij gaarne in de nabijheid van dorpen, in den zomer bewonen zij paarsgewijs boschranden of afgezonderd in het vrije veld staande boomen. Boschjes, die door velden omgeven zijn, of boschranden, die aan weiland grenzen, zijn haar lievelingsverblijf; gewoonlijk vindt men hier hare nesten. Zij is, naar het schijnt, in het gebergte even veelvuldig als in de vlakte en ontbreekt slechts in de hoogste gedeelten der Alpen en in moerassige gewesten. Wie haar eens heeft leeren kennen, zal haar met geen harer inheemsche verwanten verwarren; zij onderscheidt zich van deze zoowel door haar aard als door haar grootte. Gewoonlijk ziet men haar tamelijk bewegingloos zitten op den hoogsten top van een boom of struik, die een ruim uitzicht veroorlooft, soms rechtop met recht afhangenden staart, soms met horizontaal gericht lichaam. Hare onverpoosd rondwarende blikken ontdekken iederen voorbijvliegenden Roofvogel, ieder op den bodem zich bewegend Insect, vogeltje of muisje. De groote Vogels, vooral de Valken, worden met geschreeuw begroet, moedig aangevallen en plagend vervolgd. Door haar geschreeuw waarschuwt zij alle overige Vogels voor het naderende gevaar en draagt daarom niet ten onrechte den naam van “Wachter”.

Bij het zien van een klein dier, schiet zij naar beneden en tracht het te vatten; een vluchtende Muis loopt zij soms een eind weegs op den bodem na. Niet zelden blijft zij met snelle vleugelbeweging gedurende geruimen tijd op één plaats in de lucht staan, om bij het opmerken van een buit als een Valk naar beneden te schieten. In den winter zal men haar dikwijls te midden van de Musschen op een zonnig plekje zien zitten; plotseling pakt zij één van deze niets kwaads vermoedende Vogels van ter zijde aan, wurgt hem met de klauwen en doodt hem met den snavel, draagt haar prooi nu eens in den snavel, dan weer in de pooten naar een veilige plaats, waar zij haar dadelijk verscheurt of, als de honger niet groot is, voorloopig op doornen of spitse takken of ook wel op het uiteinde van een dunnen stok spietst. De door honger gekwelde Klapekster laat zich, hoe voorzichtig zij overigens is, door de aanwezigheid van menschen niet van haar roofgierig plan weerhouden en gedraagt zich met zulk een vermetelheid, dat men haar met de hand kan vangen. Indien zij even behendig was als moedig en driest, zou zij de vreeselijkste van alle roovers zijn. Hoewel hare aanslagen zeer dikwijls mislukken, is zij een hoogst gevaarlijke vijand voor alle zwakkere Vogels.

Van hare zintuigen zijn, naar het schijnt, vooral de oogen buitengewoon goed ontwikkeld; ook haar gehoor is voortreffelijk, zelfs een zeer zwak gedruisch trekt haar aandacht. Haar schranderheid blijkt duidelijk, nog meer echter haar hartstochtelijke aard. In de hoogste mate twistziek, vecht zij gaarne met andere Vogels, tracht iederen bezoeker uit haar gebied te verdrijven en toont zich tegen Roofvogels zeer vijandig gezind; vooral den Ooruil vervolgt zij met fellen haat.

Het gewone geschreeuw van de Klapekster, waarmede zij iedere aandoening, van vroolijken zoowel als van onaangenamen aard, te kennen geeft, is het dikwijls herhaalde “gè gè gè gè”. Haar loktoon is het zachte “troe-u troe-u”; op mooie winterdagen, vooral bij ’t naderen van de lente, hoort men van haar een echt gezang, dat uit verscheidene tonen bestaat; het is bij verschillende individuën ongelijk; dikwijls maakt het een zeer vreemdsoortigen indruk, daar het uit een nabootsing van de geluiden der in haar gebied wonende, kleine Zangvogels schijnt te bestaan. Dit aan allerlei bronnen ontleende gezang wordt niet alleen door het mannetje, maar ook door het wijfje voorgedragen. Soms verneemt men van beide een schel, piepend geluid, zooals dat van vogeltjes, die in groot gevaar verkeeren. Intusschen blijft de Klapekster rustig zitten; het is, alsof zij door hare klaagtonen nieuwsgierige Vogels tot zich wil lokken; het zou kunnen zijn, dat zij dit doet om op deze wijze een prooi te bemachtigen.

In April vangt de voortplantingstijd aan. Het paar kiest in boschranden, in boschjes te midden van het veld, in tuinen of plantsoenen een geschikten boom uit, bij voorkeur een hagedoornstruik of een wilden ooftboom; hier bouwt het van droge halmen, rijsjes en mos een tamelijk kunstig, betrekkelijk groot nest, welks half bolvormige holte met stroo en grashalmen, wol en haren dicht bekleed is. Het broedsel bestaat uit 4 à 7 eieren, die op groenachtig grijzen grond olijfbruin en aschgrauw gevlekt zijn en 15 dagen lang bebroed worden. In ’t begin van Mei komen de jongen uit; de beide ouders voorzien hen met een menigte Kevers, Sprinkhanen en andere Insecten, later met vogeltjes en Muizen, verdedigen hun kroost zonder zich te bekommeren om het gevaar, dat zij zelf loopen; zij voederen dit ook nog lang na het uitvliegen; tot in het laatst van den herfst duurt hun zorg.

De Havik en de Sperwer, die in wreedheid voor de Klapekster niet onderdoen, zijn hare gevaarlijkste vijanden. Zij kent hen wel en neemt zich zooveel mogelijk voor hen in acht, hoewel zij het niet altijd laten kan hen te plagen en bij deze gelegenheid dikwijls den buit van de sterkere roovers wordt. Bovendien wordt zij door velerlei parasieten gekweld. De mensch vangt haar vóór de kraaienhut en met het slagnet. Op plaatsen, waar over een grooten afstand geen boomen groeien, kan men haar gemakkelijk vangen, door op een middelmatig hoogen paal een met lijmroeden voorzienen struik vast te binden; ook legt men wel lijmroeden op hare gewone zitplaatsen.

In de gevangenschap wordt de Klapekster weldra tam; dat zij haar verzorger goed heeft leeren onderscheiden, toont zij door het vroolijke geschreeuw, waarmede zij hem begroet; zij zingt haar grappig lied met tamelijk grooten ijver, maar houdt zich in de kooi niet zoo goed als hare verwanten. Vroeger werd zij, naar men zegt, voor de vogelvangst (voor het “vluchtbedrijf”) afgericht. Beroemd was zij wegens haar onmisbaarheid bij de vangst van Valken; de valkeniers noemden haar “handwerk”.

Zeer zelden ontmoet men in ons land den Kleinen Klauwier (Lanius minor): slechts éénmaal is zijn aanwezigheid goed geconstateerd, hoewel er meermalen sprake van is geweest. In Duitschland daarentegen vindt men hem in alle vlakke gewesten, waar bosschen met breedbladige boomen de overhand hebben. Hij is een van de fraaiste leden zijner familie. De veeren van de bovendeelen zijn licht aschgrauw, die van de onderdeelen wit, aan de borst als ’t ware overtogen met een rozenrood waas; zwart zijn het voorhoofd en de teugels en het grootste gedeelte van de vleugels; een witte vlek strekt zich uit over de wortelhelft der negen eerste handpennen; de armpennen hebben een smallen, witten eindzoom.

De meest bekende, inheemsche Wurger is de Grauwe Klauwier, Schataakster, Steenekster of Negendooder, in Groningen Roode Tuinvalk, Vinkenbijter of Bruine Doorndraaier genoemd (Lanius collurio). De kop, de achterhals, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zijn licht aschgrauw, de overige bovendeelen fraai bruinrood. Een smalle voorhoofdsrand en een van boven en van onderen wit begrensde teugelstreep zijn zwart; de wangen, de kin, de keel en de benedendekveeren van den staart wit, de overige onderdeelen licht rozerood. De hand- en armpennen zijn bruinachtig grauwzwart, met smalle, lichtbruine kanten, de schouderveeren bijna geheel roestbruin; aan den wortel van iedere armpen bevindt zich een klein, lichtkleurig vlekje; deze vlekjes vormen, als de vleugel uitgespreid is, een duidelijk zichtbare streep. De middelste veeren van den staart zijn bruinzwart, de volgende aan den wortel wit en overigens zwart, de buitenste voor drie vierde gedeelte wit en slechts aan de spits zwart. De oogen zijn bruin, de pooten grauwzwart; de snavel is zwart. Het wijfje is van boven roestgrauw; de onderdeelen zijn op witachtigen grond met bruine golflijnen geteekend. Totale lengte 18, staartlengte 7 cM.

Van alle inheemsche Klauwieren heeft de Grauwe het uitgestrektste verbreidingsgebied. Hij bewoont bijna geheel Europa, van Finland en Rusland tot het zuiden van Frankrijk en Griekenland, bovendien Siberië voor zoover het tot de gematigde luchtstreek behoort. In Spanje broedt hij alleen in de noordwestelijke districten, in Griekenland alleen in de hoogste gebergten. Op zijn winterreis doorkruist hij geheel Afrika. Bij ons vindt men hem broedend in droge streken van de grensprovinciën en langs den duinkant; in Friesland o. a. in de woudstreken, b.v. in het bosch te Kuikhorne (Albarda). Hij komt hier in April, houdt verblijf op boomen en doornstruiken, vooral van boschzoomen, doch ook in groote boomgaarden, en vertrekt weder in September. Dicht struikgewas is, naar het schijnt, onmisbaar voor zijn welvaren. Als men deze struiken uitroeit, verlaat de Grauwe Klauwier de streek, zelfs wanneer hij er vroeger veelvuldig voorkwam. Hij is echter spoedig tevreden, want reeds een enkele dichte struik te midden van het veld bevredigt hem volkomen. Het paar nestelt dan vele jaren achtereen altijd op dezelfde plaats en verdedigt het nest hardnekkig tegen iederen Vogel, vooral tegen een tweede paar Vogels van zijn soort.

Ook de Grauwe Klauwier is een drieste, moedige, wakkere, onrustige Vogel. Zelfs wanneer hij zit, draait hij den kop voortdurend naar alle zijden en wipt intusschen den staart op en neer. Op deze wijze laat hij van de hoogste toppen van struiken en boomen zijne blikken zwerven over zijn jachtgebied; na elk uitstapje keert hij naar deze uitkijkplaatsen terug. Als hij opgejaagd wordt, laat hij zich vallen tot dicht bij den bodem en schiet er op korten afstand bij langs, om eerst, als hij wil gaan zitten, weer omhoog te stijgen. Ook hij vliegt niet graag lang achtereen; liefst rust hij op elke geschikte zitplaats even uit en gaat daarna eerst verder. Zijn loktoon is een tamelijk duidelijk hoorbaar “gek gek gek” of een moeielijk te omschrijven “see” of “grè”. Deze beide geluiden worden op verschillende wijzen geïntoneerd en geven soms vreugde, soms angst te kennen. Dergelijke tonen dienen tot het waarschuwen van de onervaren jongen. Van enkele mannetjes hoort men bijna geen andere geluiden, terwijl andere uitmuntende zangers zijn. Ook de Grauwe Klauwier heeft een waarlijk verrassend talent voor het nabootsen van de stem van andere Vogels. “Eens,” zegt mijn vader, “heb ik dezen Vogel bewonderenswaardig fraai hooren zingen. Een mannetje, dat geen wijfje bij zich had, zat in den top van een struik en zong geruimen tijd achtereen op uiterst aangename wijze. Het droeg strophen uit het gezang van den Veld- en den Boomleeuwerik, van de Grasmusch en andere Zangers voor. De melodiën van de drie eerstgenoemde Zangers werden dikwijls herhaald; zij waren zoo vol van toon en dooreengemengd, dat zij een buitengewoon liefelijk geheel vormden.”

Hoe ouder een mannetje wordt, des te grooter is zijn muzikaal talent. “Zoo één Vogel den naam Spotvogel verdient,” schrijft Graaf Gourcy, “dan is het deze. Voor zoover ik kon nagaan, hebben de Klauwieren, behalve eenige heesche tonen, geen eigen gezang; daarom zingen de Grauwe Klauwieren, die in den kooi zijn grootgebracht, tamelijk slecht, wanneer zij niet te midden van andere, goed zingende Vogels opgroeien. Die, welke in volwassen toestand gevangen zijn, worden niet dadelijk tam; zijn zij het echter eenmaal en werden zij gevangen op een plaats, waar geen andere, dan goed zingende Vogels in hun nabijheid voorkwamen, dan kan men geen aangenamer zanger in de kamer hebben dan deze Klauwier; met steeds vernieuwden ijver hoort men hem in bonte afwisseling de gezangen van de hem bekende Vogels, die hij merkwaardig getrouw nabootst, voordragen. Wel is het jammer, dat hij bijna elk zijner fraaie liederen door toevoeging van eenige wanklanken ontsiert! Vooral het geschreeuw van de Pad wordt door bijna alle Grauwe Klauwieren nagebootst. Het exemplaar dat ik bezit, is een uitmuntende Vogel, die op een verrukkelijke schoone wijze en volkomen nauwkeurig den zang van Nachtegaal, Leeuwerik, Boerenzwaluw, Gestreepte Grasmusch, Zwartkop en Geelgors, de stem van de Merel en van den Patrijs nabootst en zoo fijn met elkander verbindt, dat men volstrekt geen overgang bemerkt. Bovendien blaft hij als een Hond. Hij zong soms in September en begon reeds den 16en November weer.”

Ongelukkig maakt deze wegens zijn opgewektheid en zangerstalend beminde Vogel door andere eigenschappen zich zeer gehaat. Hij is een van de afschuwelijkste vijanden van de kleine Zangvogels. Wel is waar maken Insecten zijn voornaamste voedsel uit; vooral Kevers, Sprinkhanen en Vlinders, ook wel Rupsen, worden ijverig door hem vervolgd en zelfs dan nog gedood, als hij reeds verzadigd is; hij maakt echter ook jacht op alle kleine Gewervelde dieren, die hij op de eene of andere wijze overmeesteren kan, vangt Muizen, Vogels, Hagedissen en Kikvorschen, en richt vooral onder de bevederde zangers van onze tuinen en boschjes een groote slachting aan. Op plaatsen, waar een paar Grauwe Klauwieren zich gevestigd heeft, verdwijnen langzamerhand alle kleine Grasmusschen, Hofzangers en Boschzangers, ja zelfs de in holen broedende Zangvogels. Zij verlaten de streek, waar zij voortdurend in gevaar verkeeren, of worden door den Klauwier gepakt en opgegeten. Deze weet de nesten zeer knap op te sporen en haalt, als hij er een gevonden heeft, hieruit het eene jong na het andere weg. Naumann heeft opgemerkt, dat de Negendooder jonge Grasmusschen, Gele Kwikstaarten, Graspiepers en Boompiepers doodde en voortsleepte, dat hij de in strikken gevangen Vogels begon te verslinden, dat hij Vinken uit een kooi trachtte te halen enz. Andere onderzoekers hebben soortgelijke ervaringen opgedaan. “Ik heb,” zegt Lenz, “reeds eenige malen de volgende proeven genomen: 1) In een grooten, met een dikke doornheg omgeven tuin schoot ik eenige jaren achtereen iederen Klauwier dood, zoodra hij zich er vestigde. Toen konden de nuttige vogeltjes in de door mij opgehangen broedkastjes en in de door hen zelf gebouwde nesten broeden; zij roeiden het ongedierte uit en ik kreeg een groote hoeveelheid ooft. 2) In een op dezelfde wijze ingerichten tuin liet ik de Klauwieren ongehinderd hun gang gaan. Deze tuin werd verlaten door alle andere vogeltjes, zelfs door die, welke gewoon waren in de hier hangende broedkastjes te nestelen; mijne boomen werden op eene bedroevende wijze kaalgevreten door de rupsen en ik kreeg in ’t geheel geen ooft. 3) In den nog grooteren tuin van een mijner buren beschermde ik de Klauwieren in een hoek, waar een groote doornstruik stond. Daarentegen vernielde ik ieder ander Klauwierennest, dat in dezen tuin gebouwd werd en schoot de oude Vogels dood. Weldra bleek het, dat in de nabijheid van den bedoelden hoek alle vruchtboomen kaalgevreten werden en geen vruchten droegen, terwijl zij op andere plaatsen zich welig ontwikkelden.”

1) Roodkoppige Klauwier (Lanius senator). 2) Maskerklauwier (Lanius nubicus). 3) Tsjagra (Malaconotus erythropterus). ½ v. d. ware grootte.
1) Roodkoppige Klauwier (Lanius senator). 2) Maskerklauwier (Lanius nubicus). 3) Tsjagra (Malaconotus erythropterus). ½ v. d. ware grootte.

1) Roodkoppige Klauwier (Lanius senator). 2) Maskerklauwier (Lanius nubicus). 3) Tsjagra (Malaconotus erythropterus). ½ v. d. ware grootte.

Meer nog dan andere soorten van zijn familie heeft de Grauwe Klauwier de gewoonte om elken buit, dien hij vangt, op een doorn of anderen scherpen tak te spietsen, voordat hij hem verslindt. “Op deze wijze,” zegt Naumann, “vergaart hij, na zich verzadigd te hebben, voedsel voor een volgend maal, om het achtereenvolgens te gebruiken, zoodra de honger hem opnieuw kwelt. Bij mooi weder vindt men bijna niet anders dan Kevers en andere Insecten en kleine Kikvorschen, bij koud, stormachtig weer daarentegen dikwijls geheele broedsels van jonge Vogels aan doornen gestoken; dikwijls heb ik daarbij Grasmusschen en Zwaluwen gevonden, die het nest reeds verlaten hadden en reeds vliegen konden. Hersenen zijn, naar het schijnt, voor den Klauwier een lekkernij; van de meeste Vogels die ik opgeprikt vond, had hij voorloopig alleen de hersenen verslonden. Als men den Klauwier bij zijn maal stoort, vlucht hij met achterlating van zijn geheelen voorraad, die dan verdroogt. De kleine Kikvorschen, die men er zeer dikwijls onder aantreft, zijn zonderlingerwijze alle in den bek gespietst.”

Wanneer het paartje bij zijne werkzaamheden niet gehinderd wordt, broedt het slechts éénmaal per jaar. Het nest is altijd in dicht struikgewas, bij voorkeur in doornstruiken gebouwd, van buiten van stevige wortelstokken en halmen van grassen, mos en dergelijke materialen vervaardigd, verder binnenwaarts afgewerkt met fijnere bouwstoffen van dezelfde soort, die zorgvuldig bijeengelegd en door elkander gevlochten zijn. De nestholte is gevoerd met zachte grashalmen en fijne worteltjes. Het wijfje broedt op 5 of 6 eieren, die, wat grootte en kleur betreft, verschillen kunnen. Zij zijn langwerpig, soms eenigszins buikig of zelfs rondachtig, op geelachtigen, groenachtig grijsgelen, lichtgelen of vleeschroodachtig gelen grond met aschgrauwe, olijfbruine, bloedroode en roodbruine vlekken geteekend. Het broedende wijfje blijft zoo standvastig op de eieren zitten, dat men het lijmroeden op den rug leggen en op deze wijze vangen kan. De jongen worden door de beide ouders gevoederd; deze zijn buitengewoon gehecht aan hun kroost en verdedigen het met moed.

In de gevangenschap blijft de Grauwe Klauwier slechts bij zeer goede verpleging verscheidene jaren in ’t leven. In gezelschap van andere Vogels kan men hem evenmin brengen als eenig ander lid van zijn familie; in de volière valt hij Vogels aan, die dubbel zoo groot zijn als hij; zelfs Lijsters en Spreeuwen, die zich zoo goed mogelijk trachten te verweren, worden langzamerhand door hem doodgeplaagd. Naumann’s vader hield soms verscheidene Grauwe Klauwieren in een klein tuinhuisje, waarin hij een kleine galg, d. w. z. een met puntige naalden en spijkers voorzien dwarshout, aangebracht had. Musschen en andere Vogels, die hij met de Klauwieren opsloot, werden door deze zeer spoedig gevangen, daarna steeds aan de spijkers gestoken en afgeplozen. Ten slotte hing de geheele galg vol geraamten.

De vierde inheemsche soort van Wurgers—de Roodkoppige Klauwier (Lanius senator),—wordt 19 cM. lang (staartlengte 8 cM.) en overtreft dus onzen Gewonen Leeuwerik in dit opzicht. Bij het mannetje zijn de voorkop, een breede teugelstreep, de mantel, de vleugels en de staart zwart, de bovenkop en de nek roestroodbruin; wit zijn een vlek aan de zijden van het voorhoofd, een vlekje achter het oog, de schouder, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart, alle onderdeelen, het wortelgedeelte der handpennen, het topgedeelte der armpennen en der handdekveeren, het onderste derde gedeelte en de spits van de vier buitenste paren staartpennen.

In Nederland werd deze soort slechts enkele malen (in de provinciën Gelderland, Noordbrabant en Noord-Holland) broedend aangetroffen. Zij vertoeft bij ons van April tot September, bewoont bij voorkeur boschzoomen, heggen en boomgaarden en houdt zich minder dan de Klapekster in hoog geboomte op. Zij nestelt op middelmatig hooge boomen en legt 5 of 6 groenachtig witte eieren, waarop zich blauwgrijze stipjes en (meestal alleen aan het dikke einde) olijfbruine vlekken vertoonen.

In Duitschland komt de Roodkoppige Klauwier in eenige gewesten (o.a. in Thuringen, het Rijndal, de Mark, Meckelenburg, Holstein) in geringen getale, in het zuidwesten daarentegen veelvuldig voor; in de andere Duitsche landen en provinciën ontbreekt hij geheel. In Zuid-Europa, vooral in Spanje en Griekenland, voorts in Klein-Azië, Syrië en Palestina, is hij de algemeenste van alle Wurgers. Zijn winterreis strekt hij uit tot in de groote wouden van Middel-Afrika; hier is hij gedurende den regentijd en kort daarna buitengewoon veelvuldig.

In Griekenland, maar veel meer nog in Egypte en Nubië, vindt men, nevens de genoemde, een andere soort van hetzelfde geslacht, de Maskerklauwier (Lanius nubicus). De bovendeelen, de teugels, de vleugels en de staart zijn blauwachtig zwart, de onderdeelen roestgeelachtig, de zijden roestroodachtig; wit zijn het voorhoofd en een wenkbrauwstreep, de schouders, de keel en de staartwortel, het wortelgedeelte der handpennen, een smalle eindzoom van armpennen en van de kleine dekveeren van de hand; de zes middelste staartpennen zijn geheel zwart, de buitenste zuiver wit met zwarte schaft, de overige wit en zwart. Totale lengte 16, staartlengte 8 cM.

Een andere Afrikaansche Klauwier is de Fiskaal (Lanius collaris); door de voorouders van de Hollandsche bewoners van Kaapland werd deze Vogel, die tot in de tuinen van Kaapstad aangetroffen wordt, zoo genoemd, omdat hij met zijne patiënten even kort proces maakte, als hun fiskaal deed, ofschoon deze niet tevens, zooals de bedoelde Vogel, de functiën van beul waarnam. In moordzucht doet hij voor geen zijner verwanten onder. Zijn kop is, met uitzondering van de keel, tot over den mantel bruinzwart. Zijn verbreidingsgebied strekt zich tot Abessinië uit.

In Afrika, Indië en Australië leeft de soortenrijke onderfamilie van de Struikwurgers (Malaconotinae), gekenmerkt door den slanken snavel, die een korten haak en een onduidelijken tand heeft, de tamelijk zwakke pooten, middelmatig lange vleugels, den korten, nagenoeg niet trapvormigen staart en de zeer overvloedige, vooral op den staartwortel sterk ontwikkelde, dikwijls prachtig gekleurde bevedering.

*

Bij de Tsjagra (Malaconotus erythropterus), zijn de veeren van den bovenrug bruinachtig grijs, die van de onderdeelen licht aschgrauw; een breede streep, die, aan het voorhoofd beginnend, zich over ’t midden van den geheelen kop uitstrekt, en een tweede, smalle streep, die door het oog gericht is, zijn zwart; tusschen deze beide bevindt zich een van voren witte, van achteren meer lichtgele band; de buitenvlag van de slagpennen is grijs met breeden, roestbruinen zoom; in den toestand van rust treedt de laatstgenoemde kleur op den voorgrond; hieraan dankt deze Vogel zijn wetenschappelijken soortnaam. De oogen zijn roodbruin, de pooten loodkleurig grijs met groenachtigen weerschijn; de snavel is zwart. Totale lengte 21, staartlengte 9 cM.

Het verbreidingsgebied van de Tsjagra omvat geheel Afrika, het uiterste noordwesten alleen uitgezonderd. In de gebergten van Abessinië komt zij nog voor op een hoogte van ongeveer 2000 M. Hare gewoonten verschillen aanmerkelijk van die harer verwanten. Zij houdt zich uitsluitend op in de dichtste struiken, kort boven den grond, maar niet boven in de boomkronen, ofschoon zij bij felle vervolging hier een schuilplaats zoekt. Op den vlakken grond pleegt zij hare rooverijen. Hier beweegt zij zich met een behendigheid, die men bij geen tweeden Wurger aantreft. Ook deze Vogels leven paarsgewijs of afzonderlijk en vereenigen zich eerst na den broedtijd tot kleine gezelschappen, waarschijnlijk familiën.

Bij den Karmijnwurger (Malaconotus erythrogaster) is de bovenzijde glanzig zwart, de onderzijde, met uitzondering van den lederkleurigen stuit, prachtig karmozijnrood, het oog geel, de snavel zwart, de poot loodkleurig. Totale lengte ongeveer 23, staartlengte 10 cM.

Bij den Fluitwurger (Malaconotus aethiopicus) zijn de bovendeelen, met uitzondering van een witte streep over de vleugels, zwart, de onderdeelen zuiver wit met rozeroode tint, de oogen roodbruin, de pooten blauwachtig grijs; de snavel is zwart. Totale lengte 35, staartlengte 9 cM.

De Karmijnwurger komt voor in het geheele oosten van Middel-Afrika, hoewel meer in de oerwouden van de vlakten dan in het gebergte. Hij is een sieraad van de bosschen. Zijn hoogroode borst is reeds op een afstand zichtbaar te midden van het dichte groen der weelderig bebladerde boomen; hij is niet slechts fraai van kleur, maar ook vlug van beweging en met een fraaie stem begaafd. In het gebergte wordt hij, naar het geluid te oordeelen, vervangen door den Fluitwurger, die nog op hoogten van 2000 à 3000 M. voorkomt. De leden van beide soorten leven altijd paarsgewijs. In oorden, die voor hen geschikt zijn, komen zij zeer veelvuldig voor; het eene paar woont er naast het andere; hun schel gefluit, dat men in ’t eerst verrukkelijk vindt, hoort men er zoo vaak, dat het bijna een kwelling wordt. Elk paar moet leven van de opbrengst der jacht in een klein gebied, welks middellijn misschien 150 schreden bedraagt; het stelt zich tegen iederen indringer te weer en moet dit wel doen uit zucht tot zelfbehoud; daar wegens de veelvuldigheid dezer Vogels iedere geschikte plaats bezet is. In den regel hoort men de Fluitwurgers veel eerder dan men hen ziet; want hun liefste verblijfplaats is het dichtste struikgewas; zij vliegen alleen dan naar hooge boomen, als deze een gesloten kroon hebben en dus een uitmuntende dekking opleveren. Hoewel zij op dicht bebladerde takken verblijf houden, zijn zij hier eigenlijk niet verborgen; want hunne in ’t oog vallende kleuren schemeren toch nog door het dichte gebladerte heen; wanneer zij niet meer zichtbaar zijn, wordt hun aanwezigheid weldra verraden door hun stem. Deze is het meest opmerkelijke verschijnsel in hun levenswijze. Een eigenlijk lied brengen zij niet voort, maar slechts enkele tonen, die door volheid van klank uitmunten en zeer dikwijls herhaald worden. Het geluid van den Karmijnwurger gelijkt op het (als ’t ware ingezogen) fluiten van onzen Wielewaal; de roepstem van den Fluitwurger bestaat uit drie (zeldzamer twee) volkomen zuivere klanken. Op den eersten (middelmatig hoogen toon) volgt een lageren en daarna een aanzienlijk hoogeren. De afstand tusschen de beide eerste bedraagt ongeveer een terts, die van de beide laatste een octaaf. Deze drie tonen worden, evenals het gefluit van den Karmijnwurger, alleen door het mannetje voortgebracht; onmiddellijk daarna antwoordt het wijfje met een onaangenaam gekrijsch of gekras, dat moeielijk nagebootst en nog moeielijker beschreven kan worden. Als men het wijfje door een schot uit den boom laat tuimelen, houdt het gekrijsch natuurlijk terstond op; het mannetje herhaalt dan angstig verscheidene malen zijn gefluit. Als het mannetje gedood wordt, krijscht of krast het wijfje. Het bespieden en beluisteren dezer Vogels verschaft den waarnemer in den beginne veel genoegen; hij krijgt echter weldra zijn bekomst van deze geluiden en vindt ze ten slotte, wegens hun regelmatigheid en onveranderlijke gelijkheid, onuitstaanbaar vervelend.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings