← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels

De Boomvogels (Coracornithes). (continued 15)

Reading edition

Vele soorten van Uilen nestelen in holle boomen, andere in rotsspleten of gaten van muren, eenige in holen in den grond, die door verschillende Zoogdieren gegraven zijn en andere eindelijk in verlaten nesten van Valken en Kraaien. Hier wordt in ’t gunstigste geval eenig nestmateriaal bijeengebracht; gewoonlijk echter geeft de Uil zich de moeite niet om de onderlaag van het nest te herstellen, en legt het wijfje hare eieren zonder meer op den bodem van het nest, zooals zij het vindt. Het aantal eieren, waarop zij broedt, wisselt af van 2 tot 10; bij uitzondering echter vindt men soms niet meer dan één ei in het nest. De eieren gelijken zeer op elkander: zij zijn steeds sterk afgerond, hebben een fijnkorrelige schaal en een witte kleur. Bij alle soorten schijnt de liefde van de ouders voor hun kroost zeer groot te zijn; dit blijkt onder anderen ook uit den buitengewonen moed, waarmede zij hunne jongen tegen vijanden verdedigen. De jongen blijven lang in het nest; des nachts weergalmt de omtrek van hun geschreeuw.

Ongelukkig hebben de Uilen vele vijanden. Alle dagvogels haten hen, alsof zij zich willen wreken over de aanvallen, die zij gedurende hun slaap van deze nachtroofvogels hebben te verduren. Bijna alle Dagroofvogels gedragen zich als razenden, wanneer zij een grooten Uil zien. Alle kleine Vogels zijn met dezelfde gezindheid bezield en geven haar te kennen door druk gesnap en geschreeuw, als ’t ware door schimpreden en scheldwoorden. Het geheele woud komt in opstand, wanneer een Uil ontdekt wordt. De eene Vogel roept de andere er bij en de arme duisterling heeft dan veel te lijden, want de sterke dagvogels plegen ook gewelddadigheden jegens hem. Maar al te dikwijls sluit de mensch zich bij de genoemde vijanden aan. Velen meenen een heldendaad te hebben volbracht, als zij een slapenden Uil om ’t leven brachten of een vliegenden Uil schoten; slechts zeer zelden komt het voor, dat men hem bescherming verleent. De landman en de boschkweeker doen wel, zich bij de beschermers van de Uilen aan te sluiten en voor het welzijn dezer Vogels te zorgen.

In de kooi worden alleen die Uilen werkelijk tam, welke men in hun prille jeugd gevangen, grootgebracht en vriendelijk behandeld heeft. Zij, die op rijperen leeftijd gevangen worden, toonen zich soms onverschillig, soms echter gedragen zij zich op een wijze, die angstige gemoederen schrik inboezemen, moediger personen echter hoogstens vermaken kan. Vooral de grootste soorten schijnen met de geheele wereld in onmin te leven en ieder ander wezen als vijand te beschouwen. Woedend rollen hunne groote oogen, als men hen nadert; kwaadaardig knarsen zij met den snavel en vol boosheid blazen zij als Katten. Kleine Uilen daarentegen behooren tot de onderhoudendste en beminnelijkste kooivogels, die er zijn. Als zij goed verzorgd worden, planten zoowel gene als deze zich in de gevangenschap voort.

Een der meest eigenaardige geslachten van de familie omvat de Sluieruilen (Strix). Zij zijn slank gebouwd, hebben een grooten, breeden kop, zeer groote vleugels, een middelmatig langen staart en hooge pooten; hun vederenkleed is zoo zacht als zijde en meer of minder prachtig van kleur. De snavel is eenigszins langer dan bij hunne verwanten, de bovensnavel aan den wortel recht, alleen aan de spits haakvormig gekromd, aan de spits van de onderkaak flauw uitgesneden. De oogen zijn betrekkelijk klein en meer gewelfd dan bij andere Uilen, de oorschelp echter (in overeenstemming met den zeer ontwikkelden sluier) buitengewoon groot. De sluier zelf onderscheidt zich aanmerkelijk van dien der overige Uilen, doordat hij niet rond, maar hartvormig is. In den vleugel is de eerste slagpen even lang als de tweede en slechts weinig korter dan de derde en langste. De zwakke en hooge loop is schraal bevederd, op het onderste derde deel slechts met fijne, borstelige veeren bekleed, op de teenen bijna naakt, de klauwen lang, dun en spits.

Onze Kerkuil, in Gelderland Torenuil, in Groningen Oranjeuil, in Drenthe Lijkuil genoemd (Strix flammea), wordt in andere werelddeelen, en meer bepaaldelijk in Azië en Amerika, door vormen vervangen, die zoo nauw met hem verwant zijn, dat enkele vogelenkenners geneigd zijn, om alle Kerkuilen der aarde als vertegenwoordigers van één soort te beschouwen. Bij de exemplaren, die ons vaderland bewonen, zijn de bovendeelen op donkeraschgrauwen (aan de zijden van den achterkop en in den nek op geelachtig rooden) grond, met uiterst kleine, zwarte en witte overlangsche vlekken geteekend; de bovendekveeren van den vleugel zijn donker aschkleurig, lichter gespikkeld en met zwarte en witte overlangsche vlekjes versierd, de onderdeelen op donker roestgelen grond bruin en wit gevlekt; de geheele sluier of alleen de bovenste helft is roestkleurig, de onderste helft in ’t laatstgenoemde geval roestkleurig wit. De slagpennen zijn roestkleurig, op de binnenvlag witachtig met drie of vier donkerder dwarsbanden, op de buitenvlag donker gevlekt; de roestgele staartveeren hebben 3 of 4 zwartachtige dwarsbanden en een donker aschgrauwen, wit gespikkelden, breeden eindband. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de washuid roodachtig wit, de pooten, voor zoover naakt, vuil blauwachtig grijs. Totale lengte 32, staartlengte 12 cM.

Kerkuil (Strix flammea). ⅓ v. d. ware grootte.
Kerkuil (Strix flammea). ⅓ v. d. ware grootte.

Kerkuil (Strix flammea). ⅓ v. d. ware grootte.

Kerktorens, kasteelen, oude gebouwen zijn hier te lande zoowel als in het overige Europa de meest geliefde, zoo niet de eenige verblijfplaatsen van den over geheel Middel- en Zuid-Europa, Klein-Azië en Noord-Afrika verbreiden Kerkuil, die oorspronkelijk rotsen en holle boomen bewoonde. In ons geheele werelddeel, van ’t hooge noorden te beginnen, ontbreekt hij slechts in de groote wouden van het gebergte; evenzeer vermijdt hij het hooge gebergte boven den gordel van den plantengroei. Hij is een standvogel in den eigenlijken zin van ’t woord, daar hij niet eens zwerft. Op de plaatsen, waar wij thans Kerkuilen aantreffen, werden zij, zoolang de herinnering der menschen reikt, waargenomen. Alleen de jonge Vogels vertoonen zich soms buiten het jachtgebied der oude: zij moeten nog een vaste woonplaats opzoeken en doen met deze bedoeling grootere uitstapjes. Over dag zitten zij rustig in de donkere hoeken van de door hen bewoonde gebouwen, op de balken der torens of kerkzolders, in muurnissen, duiventillen en dergelijke schuilhoeken. Het luiden van de klokken in de onmiddellijke nabijheid van hun slaapplaats, het uit- en invliegen van de Duiven in de til, waarin zij zich gevestigd hebben, stoort hen in ’t geheel niet; zij zijn aan de menschen en hun bedrijf even goed gewoon geraakt als aan de drukte der Duiven, waarmede zij op een goeden voet verkeeren. Als zij zitten, gelijken zij op andere Uilen; zij zijn echter voor iedereen kenbaar aan hun slanke, hooge gestalte en aan hun onbeschrijfelijk, hartvormig gelaat, dat de wonderbaarlijkste grimassen mogelijk maakt.

Uit waarnemingen, die bij gevangene exemplaren gedaan zijn, is voldoende gebleken, dat hun slaap zeer licht is. Het gelukt den mensch nooit ze te verrassen, want het geringste gedruisch is voldoende om hen te doen ontwaken. Bij ’t zien van den toeschouwer zijn zij gewoon zich hoog op te richten en zachtjes zijwaarts heen en weer te wiegelen. Bij zulk een gelegenheid trekken zij ook gezichten; al hunne bewegingen zijn echter langzamer en aanhoudender dan bij de meeste overige Uilen. Als zij van nabij bedreigd worden door een vermeend gevaar, vliegen zij weg en toonen hierdoor, dat zij over dag zeer goed zien kunnen. Na zonsondergang verlaten zij het gebouw door een bepaalde, hun goed bekende opening, die zij ook over dag zonder fout weten te vinden en waarvan zij een behendig gebruik maken. Vervolgens strijken zij met spookachtig stille en schommelende vlucht laag over den bodem heen. Een heesch gekrijsch,—volgens Naumann het afschuwelijkste geluid, dat door eenigen inheemschen Vogel wordt gemaakt en dat wel in staat is om bijgeloovige menschen met ontzetting te vervullen—kondigt hun nadering aan. Wanneer men nu de aandacht vestigt op de streek, van waar dit gekrijsch komt, ziet men den bleeken Vogel stellig, want hij vliegt onbeschroomd op plaatsen, waar avondwandelaars zijn en zweeft dikwijls als een schaduw op korten afstand om hun hoofd heen. Des nachts bij helder maanlicht vliegen de Kerkuilen tot omstreeks zonsopgang voortdurend in de vrije natuur rond, tijdelijk op gebouwen uitrustend en daarna weer ijverig jagend; in donkerder nachten gaan zij alleen des avonds en tegen den morgen op roof uit.

Muizen, Ratten, Spitsmuizen, Mollen, kleine Vogels en groote Insecten vormen het voedsel van den Kerkuil. Dikwijls heeft men hem beschuldigd van in duiventillen misdrijven te plegen; hiertegen pleit echter de onverschilligheid, waarmede de Duiven hun vreemdsoortigen commensaal bejegenen. “Ik heb hem,” zegt Naumann, “zeer dikwijls bij mijne Duiven zien uit- en invliegen. De Duiven, die weldra aan dezen gast gewend raakten en zich niet om hem bekommerden, bleven steeds in het ongestoorde bezit van hunne eieren en jongen; ook zag ik nooit eenig kenteeken van een aanval op een oude Duif. Dikwijls zag ik in de lente een uilenpaar gedurende vele opeenvolgende avonden op mijn erf; naar het scheen, wilde het in de duiventil broeden; zij vlogen, zoodra het ’s avonds begon te schemeren, spelend in en uit, lieten nu eens in de til, dan weer op korten afstand er vóór haar wanluidende nachtmuziek bijna zonder ophouden weerklinken en—geen Duif verroerde zich. Als men over dag zonder gedruisch te maken tot de til opklom, zag men de Uilen rustig op een stok of in een hoek gemeenzaam te midden van de Duiven zitten slapen. Niet zelden hadden zij een hoop Muizen naast zich liggen; want zij verzamelen zulk een voorraad, als hun jacht gelukkig geweest is, en misschien ook, als zij een voorgevoel hebben van een naderende ongunstige weersgesteldheid, om geen honger te lijden gedurende de donkere, stormachtige nachten, waarin het jagen hun onmogelijk is. Ik leidde mijne getemde Kerkuilen dikwijls in verzoeking, door hen gave en gedeukte eieren van Hoenderen en andere Vogels voor te zetten, maar zij lieten mijn geschenk steeds onaangeroerd. Slapende, kleine Vogels worden echter door hen overvallen; in de steden dooden zij niet zelden de Leeuweriken, Nachtegalen, Vinken, Lijsters enz., die in kooien voor de vensters hangen; ook halen zij soms de gevangen Vogels uit de strikken. Sommige exemplaren zijn zachtaardig, andere daarentegen zeer roofgierig. Een van mijne kennissen kreeg een Kerkuil, die ongeveer acht dagen geleden gevangen was; hij bracht hem in een stikdonkere kamer en ging spoedig heen om licht te halen. Hoewel hij nauwelijks een minuut wegbleef, zag hij tot zijn groote ergernis bij zijn terugkomst den Uil bezig met het verslinden van een Zwartkop, dien hij van zijn zitplaats achter de kachel weggehaald had. Dikwijls vrat dit dier in één nacht 15 Veldmuizen op. Zelfs krengen worden in tijd van nood niet versmaad.”

In den regel broedt de Kerkuil vroeg in ’t voorjaar. Soms vindt men reeds in de eerste week van April jongen in het nest, soms zijn de eieren op den laatsten dag van deze maand nog schoon. Men heeft evenwel verscheidene malen nog in October of November jonge Kerkuilen aangetroffen; zelfs is het voorgekomen, dat de oude Vogel in dezen tijd van ’t jaar nog ijverig zat te broeden. Volgens Altum is het waarschijnlijk, dat in deze gevallen het eerste broedsel mislukte. Dikwijls broedt de Kerkuil in duiventillen, zelfs heeft men hem eens met een Duif van ’t zelfde nest gebruik zien maken.

Hoewel de jongen van den Kerkuil en van alle andere Uilen in hun prille jeugd buitengewoon leelijk zijn, worden zij door hunne ouders zeer liefderijk bejegend en rijkelijk met Muizen voorzien. Jonge Kerkuilen, die voor de kooi bestemd zijn, heeft men, om ze zonder moeite groot te krijgen, slechts op een voor de ouders toegankelijke plaats in een wijdmazige kooi op te sluiten; weken en maanden achtereen komen dan de ouders bij de kooi om door de traliën heen hunne jongen te voederen. Als men ze zelf verzorgt, worden zij zeer tam, zoo zelfs, dat zij zich laten aanraken en op de hand ronddragen zonder tegen te spartelen; ook maken zij geen misbruik van de vrijheid om naar eigen verkiezing uit en in de kooi te vliegen. Van deze fraaie en goedaardige dieren kan men als kooivogels veel voldoening smaken. Hoogst vermakelijk is het zien van hunne gezichtsvertrekkingen; door het verschuiven van den sluier, hetgeen in verband staat met het meer of minder openen van het oor, vertoonen zij dikwijls echte caricaturen van het menschelijk gelaat.

“De benaming van Katuil,” zegt Schlegel, “wordt gewoonlijk door ons volk, zonder een vaste bepaling op allerlei soorten van Uilen toegepast. Intusschen is het wenschelijk dezen naam te gebruiken in tegenoverstelling van dien van Ooruil, of, met andere woorden, daaronder te begrijpen alle soorten van Uilen, wier kop niet van oorpluimpjes voorzien is.” In dit werk heeft het woord Katuilen (Syrniinae) een nog beperkter beteekenis, daar behalve de Ooruilen, ook nog de Uilen met hartvormigen sluier of Sluieruilen uitgezonderd zijn.

*

Bij de vertegenwoordigers van het geslacht der Boschuilen (Syrnium) is de sluier rondom het oog goed ontwikkeld en dus volledig; de beide helften van den sluier hangen evenwel onder den snavel niet samen, vormen geen hartvormig geheel. Bij deze dieren zijn de kop en de oogen groot, de ooren met een deksel voorzien; in de middelmatig lange, afgeronde vleugels, die niet voorbij den staart reiken, is de vierde of de vijfde slagpen de langste en hebben althans de beide eerste pennen aan de buitenvlag een franjevormigen rand; de staart is lang en breed; de loop en de teenen zijn dicht bevederd; de klauw van den middelteen is gaafrandig.

De Boschuil (Syrnium aluco) heeft een buitengewoon grooten kop, een dikken hals en een ineengedrongen romp; de gehooropening is minder uitgestrekt dan bij zijne verwanten; de groote, geelachtige snavel bezit geen tand en is langs den rug sterk gekromd; de krachtige, kortteenige voet is middelmatig lang; de vierde slagpen is de langste. Twee kleursverscheidenheden komen voor: de eene met donkergrijze, de andere met licht roestbruine grondkleur; bij beide zijn de onderdeelen en de teekening lichter, hoewel van dezelfde kleur; op de schouder- en vleugeldekveeren komen echter scherp begrensde, peervormige, witte vlekken, op de onderdeelen zwartachtige schaftstreepen voor. De zes eerste slagpennen hebben aan de buitenvlag een franjevormigen rand. Totale lengte 40 à 48 cM.; de 18 cM. lange staart reikt slechts 2 cM. voorbij de vleugelspitsen.

De Boschuil, de eenige inheemsche vertegenwoordiger van zijn geslacht, wordt in ons vaderland slechts in kleinen getale aangetroffen, het meest nog in de bosschen van Gelderland, waar hij ook broedt, evenals bij Oldeberkoop in Friesland; voorts is hij slechts éénmaal in Zuid-Holland geschoten (Albarda). Hij is hier standvogel, maar zwerft, als het koud weder is en er sneeuw ligt, meestal rond. Zijn verbreidingsgebied strekt zich van 67° N.B. tot Palestina uit. Het veelvuldigst komt hij voor in het midden, zeldzamer in het oosten, zuiden en westen van Europa. In Duitschland, waar hij bijna overal gevonden wordt, bewoont hij bij voorkeur bosschen, doch ook wel gebouwen. Gedurende den zomer zit hij, dicht tegen een stam aangedrukt, in een lommerrijke boomkroon verborgen, des winters verschuilt hij zich liever in holle boomen; jonge bosschen, die geen holle stammen bevatten, vermijdt hij daarom.

Boschuil (Syrnium aluco). ⅓ v. d. ware grootte.
Boschuil (Syrnium aluco). ⅓ v. d. ware grootte.

Boschuil (Syrnium aluco). ⅓ v. d. ware grootte.

De Boschuil is veel minder lichtschuw dan men na oppervlakkige kennismaking met dezen Vogel zou kunnen meenen; zelfs op klaar lichten middag weet hij zich uitmuntend te redden. De potsierlijke gratie van de kleinere Uilen, en meer bepaaldelijk van de Daguilen, mist hij geheel; al zijne bewegingen zijn plomp en langzaam; hij vliegt met krachtigen vleugelslag zonder groote inspanning, maar heeft geen vaste en volstrekt geen snelle beweging. Zijn stem, een krachtig, ver door het bosch weerklinkend “hoe hoe hoe”, wordt soms zoo dikwijls herhaald, dat zij op een huilend gelach gelijkt; bovendien hoort men van hem een als “rai” klinkend gekrijsch of het welluidende “koewiet”.

Hoewel Naumann een Boschuil ’s nachts een aanval zag doen op een Buizerd, die zijn heil in de vlucht moest zoeken, en van zijn vader vernam, dat een roover van dezelfde soort een Pestvogel uit een strik haalde, hoewel men weet, dat de Boschuil de jonge Duiven in de tillen, die hij nu en dan bezoekt, evenmin ongemoeid laat als de op den grond slapende en broedende Vogels, mag men toch aannemen, dat Muizen, vooral Veld-, Bosch- en Spitsmuizen, het hoofdbestanddeel van zijn voedsel vormen. Soms behelpt hij zich met Insecten: Martin vond in de maag van een door hem geopenden Boschuil 75 groote Dennenpijlstaartrupsen.

In ’t voorjaar als de Houtsnippen rondzwerven, omstreeks het midden van Maart dus, schalt “het huilende hoongelach” van den Boschuil door het woud. Zelfs over dag geeft hij op deze wijze lucht aan zijn opgewondenheid en brengt daardoor leven en beweging in het bosch. Meestal broedt hij in een gat van een boom, dat hem tegen den regen beschut en waarin hij zonder moeite kan binnengaan; hij is echter ook tevreden met een holte in een muur, een plekje onder het dak van een woning, een nest van een Roofvogel, van een Kraai of van een Ekster. De twee of drie rondachtige, langwerpige of eivormige eieren worden eenvoudig op het vermolmde hout of op een toevallig reeds in het nest aanwezige onderlaag gelegd. De eieren zijn ruw van schaal en wit van kleur. Zij worden, naar het schijnt, alleen door het wijfje uitgebroed. Het mannetje helpt haar bij het voederen der jongen. Beide ouders hebben veel liefde voor hun kroost.

Gevangen exemplaren kunnen zeer tam worden. Liebe deelt als uitkomst van zijn ervaring mede, dat van alle soorten van Uilen de Boschuil het best geschikt is voor de kooi. Hij is zoo weinig lichtschuw, dat hij zich tegen den middag een warm, door de zon beschenen plaatsje uitkiest en hier onder allerlei vermakelijke gebaren de zon tusschen de half opgerichte veeren door op zijn huid laat schijnen. Het gezelschap van den mensch doet hem gedurende den geheelen dag wakker blijven, vooral, wanneer men zich de moeite getroost met hem te spelen, waarvoor hij, althans in zijne eerste levensjaren, duidelijk zijn dankbaarheid laat blijken. Als men hem jong uit het nest genomen heeft, geraakt hij weldra zoozeer aan zijn verzorger gewoon, dat hij dezen onthaalt op allerlei liefkoozingen, die gewoonlijk alleen voor zijne soortgenooten bestemd zijn en die uit knippen met de oogen, gezichtsvertrekkingen en een zacht gepiep bestaan. De uitdrukking van het gelaat van den Uil is in hooge mate veranderlijk al naar de gemoedsstemming van het dier; de Boschuil kan zijn aangezicht op zoo zonderlinge wijze plooien, dat men het ternauwernood weder herkent. Als hij slecht gehumeurd is trekt hij—door de bovenste aangezichtsveeren naar boven, de onderste naar onderen te richten en de veeren boven de oogen te laten zakken—een echt verdrietig gezicht, welks beteekenis zelfs voor een nietdeskundige geen oogenblik verborgen blijft. Als hij in een teedere gemoedsstemming verkeert, geeft hij, door de middelste en zijdelingsche aangezichtsveeren naar voren te richten, aan zijn gelaat een uitdrukking, die volgens zijn meening teederheid te kennen geeft, maar die door het te gelijker tijd plaats hebbende knippen met de oogen echter eenigszins komisch wordt. Met zijne soortgenooten leeft de Boschuil in uitmuntende verstandhouding, in de vrije natuur zoowel als in de kooi.

Een andere soort, die op deze plaats nog vermeld moet worden, is de Baarduil of Laplandsche Uil (Syrnium lapponicum), een der grootste leden van de geheele familie. Hij heeft, met den 28 cM. langen staart, een lengte van 70 cM. Zijn lichaamsbouw gelijkt op dien van den Boschuil; hij is evenwel slanker en heeft een betrekkelijk langeren staart, onderscheidt zich voorts door een zeer goed gevuld vederenkleed en een grooten, cirkelronden sluier, die een regelmatige teekening vertoont.

Het verbreidingsgebied van den Baarduil omvat het hooge noorden van de oude wereld, vooral Lapland, Finland, Noord-Rusland en Siberië tot aan de zee van Ochotsk.

*

1) Sneeuwuil (Nyctea scandiaca), 2) Baarduil (Syrnium lapponicum). ⅕ v. d. ware grootte.
1) Sneeuwuil (Nyctea scandiaca), 2) Baarduil (Syrnium lapponicum). ⅕ v. d. ware grootte.

1) Sneeuwuil (Nyctea scandiaca), 2) Baarduil (Syrnium lapponicum). ⅕ v. d. ware grootte.

De overige geslachten van Katuilen worden wel eens onder den naam van Daguilen samengevat. Hun snavel is van den wortel af gekromd. De voorrand van de gehooropening is bij hen glad, niet met een uitstekende huidplooi (met een oordeksel) voorzien. In verband hiermede is de sluier onduidelijk. Zij hebben betrekkelijk kleine, schitterende oogen met gele iris. De vleugels zijn afgerond en korter dan de staart.

De Sneeuwuil (Nyctea scandiaca) is 68 à 71 cM. lang (staartlengte 26 cM.). Zijn kleur verschilt al naar den leeftijd. Zeer oude Vogels zijn wit, soms bijna ongevlekt of hoogstens met een dwarsrij van bruine vlekken op den voorkop en enkele op de groote slagpennen; middelmatig oude zijn op witten grond in meerdere of mindere mate met bruine dwarsvlekken of op den kop met bruine, overlangsche vlekken geteekend; de jonge Vogels zijn nog sterker gevlekt dan de laatstgenoemde: op de bovenzijde zoowel als op de onderdeelen letterlijk als een Sperwer met dwarse golflijnen geteekend. De oogen hebben een prachtig gele kleur, de snavel is hoornkleurig zwart.

Een uitvoerige opgave van alle gewesten en landen, die door den Sneeuwuil bewoond worden, kunnen wij vervangen door de mededeeling, dat hij een kind is van de toendra, maar ook verder noordwaarts veelvuldig wordt waargenomen, zoover als de onderzoekingen van de poolgewesten zich hebben uitgestrekt. Er bestaat verband tusschen zijn aanwezigheid in een streek en het grooter of geringer aantal Lemmingen, dat er voorkomt. Voorts houdt hij van rust en eenzaamheid en vermijdt dus de gewesten, die door den mensch, zijn ergsten tegenstander, dikwijls bezocht worden. Daarom treft men hem in Amerika, Lapland en het noordwesten van Rusland veelvuldiger aan dan in het noordoosten van Rusland en in Siberië, waar men, althans in de door ons bezochte landstreken, gewoonlijk om zijn vleesch ijverig jacht op hem maakt. Gedurende den zomer houdt hij zich hoofdzakelijk in de gebergten van de noordelijke gewesten op; in den winter zwerft hij in lagere en ook wel in zuidelijker gelegen landstreken rond. Herhaaldelijk werden enkele exemplaren ook in ons vaderland waargenomen, vooral in de maanden October en November.

Een Sneeuwuil in de toendra levert een prachtig schouwspel op. Van andere Uilen onderscheidt men hem oogenblikkelijk; men herkent hem trouwens op iederen afstand. Behalve door de over dag schitterende kleur en de aanzienlijke grootte, maakt hij door zijne korte, breede, sterk afgeronde vleugels zulk een eigenaardigen indruk, dat men over hem niet in twijfel kan verkeeren. Hij vliegt zoowel over dag als ’s nachts en is soms in de namiddaguren meer opgewekt dan in de morgen- en avondschemering. Naar het schijnt, overtreft hij alle overige Uilen door zijn stoutmoedigheid. Met groote drift valt hij de Honden aan en “stoot” op hen neer gelijk een Valk.

Het voedsel van den Sneeuwuil bestaat uit kleine Knaagdieren, vooral Lemmingen, bovendien Eekhoorns, Fluithazen, Beversoorten en dergelijke; hij doodt echter ook dieren van de grootte van een Haas. Tot troepen vereenigd, volgen de Sneeuwuilen de heerscharen der Lemmingen op hun uittocht; paarsgewijs of afzonderlijk maken zij jacht op allerlei soorten van Vogels. Sneeuwhoenderen vervolgen zij met hartstochtelijken ijver, zij nemen die, welke aangeschoten zijn, voor de oogen (en zelfs uit den weitasch) van den jager weg. Boschhoenderen, Eenden en Wilde Duiven zijn evenmin veilig voor zijne aanslagen, zelfs Visschen vallen hem ten buit. “Op een morgen,” verhaalt Audubon, “zat ik in de nabijheid van de Ohio-watervallen op de loer om Wilde Ganzen te schieten en was toen in de gelegenheid om te zien, hoe een Sneeuwuil Visschen vangt. Hij lag loerend op een rots, den neerwaarts gedrukten kop naar het water gekeerd, zoo rustig, alsof hij sliep. Zoodra echter een Visch onvoorzichtig aan de oppervlakte van het water kwam, stak hij bliksemsnel zijn klauw in ’t water en trok geregeld den zonder fout gegrepen Visch op het droge.” Als de Sneeuwuil aan ’t jagen is, vliegt hij op elk voorwerp af, dat bij in de lucht ziet zweven. “Ik wist,” verhaalt Höllböll, “zulk een Uil eens over te halen om mij over een afstand van wel een vierde gedeelte van een mijl te volgen door af en toe mijn muts omhoog te werpen.”

De voortplanting van den Sneeuwuil heeft in ’t midden van den zomer plaats. In Juni vindt men zijne eieren; hij legt er meer dan eenige andere Uil. Dikwijls heeft men er 7 in één nest aangetroffen; de Lappen beweren echter eenstemmig, dat de Sneeuwuil soms wel 8 à 10 eieren legt. Collett bevestigt de laatstgenoemde mededeeling en merkt er bij op, dat ook de voortplanting van den Sneeuwuil, evenals zijn geheele leven, zich regelt naar de meerdere of mindere talrijkheid van de Lemmingen: niet alleen broedt hij gewoonlijk in oorden, waar de bedoelde Knaagdieren zich sterk vermenigvuldigd hebben, maar ook legt hij in de zoogenaamde Lemmingenjaren meer eieren dan anders.

Sneeuwuilen in de kooi behooren tot de zeldzaamheden; bovendien kan men ze hier slechts bij uitzondering 4 à 6 jaar lang in ’t leven houden. Zij zijn opgewekter en ook overdag bedrijviger dan hunne even groote, tot andere soorten behoorende verwanten; zij vliegen gaarne in hun kooi rond en toonen geen buitengewone boosaardigheid, wanneer men naar hen kijkt.

*

In de noordelijke landen van de Oude Wereld leeft de Sperweruil (Nyctea ulula), dien men, omdat hij er als een Valk uitziet, ook wel “Valkuil” of “Uilvalk” noemt. Hij heeft tot kenmerken een breeden, lagen kop met plat voorhoofd en smal aangezicht zonder echten sluier of kransen van veeren om het oog, tamelijk lange, betrekkelijk spitse vleugels en een langen, wigvormigen staart. Zijn snavel is kort, krachtig, meer hoog dan breed, van den wortel af gekromd; de haakvormig naar beneden omgebogen spits van den bovensnavel steekt bijna 9 mM. voorbij de spits van den ondersnavel uit. De loop en de teenen zijn geheel bevederd; deze zijn kort en met scherpe klauwen gewapend. De oogen zijn groot, de ooren met een goed ontwikkeld deksel voorzien, dat aan het oordeksel van den Kerkuil herinnert. Het vederenkleed is goed gevuld, zacht en glanzig; het ligt echter meer tegen het lichaam aan dan bij de meeste Nachtuilen. In het volkomen kleed is het aangezicht witachtig grijs; twee strepen, één vóór en één achter het oor, die halvemaanvormig aan weerszijden van den kop naar beneden loopen, zijn zwart; de kruin is bruinzwart, elke veer met een ronde, witte vlek geteekend, die aan de lichte kleur de overhand verschaft; de nek benevens een vlek achter het oor zijn zuiver wit, de bovendeelen bruin met witte vlekken; de keel is wit, de bovenborst met een zacht uitvloeienden dwarsband versierd, de onderzijde wit, op de onderborst, den buik en de zijden met smalle, zwartbruine dwarsstrepen of golflijnen; de slagpennen en staartveeren zijn muiskleurig met witachtige dwarsstrepen. De iris is donker zwavel-, de snavel vuil wasgeel, aan de spits hoorn-glanzig zwart. Totale lengte 39 à 42, staartlengte 16 cM.

Het verbreidingsgebied van den Sperweruil omvat de noordelijke gewesten van de Oude Wereld. Hij broedt geregeld in het noordelijke deel van Skandinavië, in Noord- en Middel-Rusland en in Siberië. In goede Lemmingenjaren verlaat de Sperweruil zijn broedgebied niet; hoogstens ondernemen de jonge Vogels dan reizen naar zuidelijker gewesten en worden ook gezien op terreinen, zeer verschillende van die, waarop zij gewoonlijk verblijf houden, b.v. in landstreken zonder bosschen. Zijn uiterlijk herinnert sterk aan dat van de Valken. Evenals deze jaagt hij over dag; bij hem gaat de onhoorbare, maar snelle wijze van vliegen van de Uilen gepaard met de levendigheid en den moed van de Valken; zelfs bestaat er overeenkomst tusschen zijn geschreeuw en dat van deze Vogels. Nagenoeg geen enkele gevederde bewoner van het woud is veilig voor zijn roofzucht. Wheelwright zag, dat hij een ongelukkigen Vlaamschen Gaai, zijn gewonen buurman, op de vlucht joeg en verraste hem meer dan eens bij het verslinden van een Groot Sneeuwhoen, wiens gewicht bijna het dubbele bedraagt van het zijne. Allerlei Vogels, Lemmingen en Boschmuizen, maar ook Insecten maken zijn gewone voedsel uit. Als een Valk schiet hij van zijn hooge zitplaats naar beneden om het een of ander klein Knaagdier te grijpen, pakt het stevig beet, doorboort of worgt het met zijne scherpe klauwen en voert het vervolgens mede naar een tak, die hem geschikt voorkomt om er zijn buit te verslinden, soms langen tijd aarzelend, voordat hij een keuze doet. Als de Sperweruil door de Vogels van het woud, meer bepaaldelijk door Vlaamsche Gaaien, Kraaien of Meezen, geplaagd wordt, laat hij zich dit dikwijls aanleunen, maar stort zich daarna plotseling te midden van zijne tegenstanders en pakt er één van. Tegen de Eksters schijnt hij echter niets te kunnen uitrichten. Wanneer hij in ’t nauw gebracht, b.v. vleugellam geschoten, is, houdt hij den rug gedekt en verweert zich met den moed der vertwijfeling.

In het begin van Mei, soms reeds in April, heeft de voortplanting plaats. De Sperweruil nestelt soms in een hollen boom, soms in een van de nesthokken, die men in Lapland voor de Groote Zaagbekken in de boomen hangt, soms in een oud kraaiennest; ook bouwt hij wel eens op een hoogen boom een ondiep, schotelvormig nest, dat hoofdzakelijk uit takken en rijs samengesteld en met bladen en mos bekleed is; hierin legt hij 6 à 8 afgeronde, zuiver witte eieren, welke een weinig kleiner zijn dan die van den Boomuil.

*

De Vogel van Minerva was een “Kauz” (“Kauz” beteekent zoowel “Katuil” als “rare snaak”) en meer bepaaldelijk een Steenuil, zij het dan ook niet juist die, welke bij ons gevonden wordt, maar een, die zich van hem slechts onderscheidt door bleekere kleur en geringere grootte. Deze—de Woestijnuil (Carine noctua meridonalis)—komt in Griekenland buitengewoon veelvuldig voor—ook in andere landen (Zuid-Europa tot aan den benedenloop van den Wolga, Midden-Azië tot Nepal en Noord-Afrika).

Steenuil (Carine noctua). ⅖ v. d. ware grootte.
Steenuil (Carine noctua). ⅖ v. d. ware grootte.

Steenuil (Carine noctua). ⅖ v. d. ware grootte.

De Steenuilen (Carine) zijn kleine Uilen met middelmatig grooten kop, korten, zijdelings samengedrukten, van den wortel af sterk gekromden, tandeloozen snavel met tamelijk korten haak; de pooten zijn tamelijk hoog en met dikke, flink gewapende teenen voorzien; de korte, afgeronde vleugels reiken hoogstens iets over het derde gedeelte van den eveneens korten, aan het einde recht afgesneden staart; de derde slagpen overtreft de overige in lengte. De gehooropening is klein, de sluier derhalve onduidelijk, hoewel beter merkbaar dan bij andere Daguilen. De veeren liggen tamelijk dicht tegen het lichaam aan; de pooten zijn schraal bevederd; de teenen dragen zelfs geen andere dan haarvormige veertjes.

Onze Steenuil [Carine (Athene) noctua], die in weerwil van zijn lieftallig voorkomen, vaak zoo verkeerd beoordeeld wordt, heet in Holland ook wel Boomuil en wegens zijn stemgeluid Poepuil, in Noordbrabant Huipke; hij is de kleinste, inheemsche vertegenwoordiger der familie: totale lengte 21 à 22, staartlengte 8 cM. De bovendeelen zijn donker muiskleurig grijsbruin met onregelmatige, witte vlekken, het aangezicht is grijswit, de onderdeelen zijn witachtig, tot dicht bij de aarsstreek met bruine, overlangsche vlekken geteekend; de slagpennen en staartveeren hebben dezelfde grondkleur als de bovendeelen en zijn versierd met roestgeelachtig witte vlekken, die op den staart vijf onduidelijke dwarsbanden vormen. De iris is zwavelgeel, de snavel groenachtig geel, de voet geelachtig grijs. De jonge Vogels zijn donkerder van kleur dan de oude.

Van het zuiden van Zweden te beginnen, is deze Uil over geheel Europa en een groot deel van Azië tot in Oost-Siberië verbreid. Hier te lande is hij zeer algemeen. Bij voorkeur vertoeft hij op boomen in de nabijheid van dorpen of boerenwoningen, maar gaat in ’t najaar, als het weder guur wordt, rondzwerven. Overal waar boomgaarden met oude boomen de dorpen omgeven, treft men hem zeker aan; hij vestigt zich echter ook midden in de steden, op torens en zolders, in gewelven, begraafplaatsen en andere geschikte schuilhoeken. Het binnenste gedeelte van uitgestrekte wouden vermijdt hij; ook houdt hij niet van naaldboombosschen; boschjes die aan alle zijden door akkers omgeven zijn, vallen echter zeer in zijn smaak. Den mensch en zijn bedrijf schuwt hij niet: den dag brengt hij verborgen in zijn schuilplaats door; des nachts vreest de mensch, ten spijt van de toenemende beschaving, den Uil meer dan deze hem. In vele gewesten wordt de lieftallige Steenuil als een ongeluksprofeet beschouwd. Aanleiding hiertoe geeft zijn stem. Meestal roept hij zacht en dof: “boe boe”, soms op luiden en schellen toon: “kwoeëw kwoeëw kebel kebel”, dan weer “koewiet koewiet”. Het volk, dat deze klanken op zijn wijze vertaalt, meent hierin zeer duidelijk te hooren: “Kom med’, kom med’ op het kerkhof, hof, hof”, of “kom med’, kom med’, breng schop en spade med’” en vindt dit reden genoeg om van den Steenuil een afschuw te hebben.

De Steenuil verdient de genegenheid van den mensch. Hij is een allerliefst dier. Een echte Daguil kan men hem niet noemen, hoewel hij niet zoo bang is voor ’t licht als sommige andere Uilen en zich over dag zeer goed weet te redden. Nooit slaapt hij zoo vast, dat men hem overrompelen kan; door het geringste gedruisch wordt hij gewekt en gaat tijdig op de vlucht, waaruit blijkt, dat hij ook over dag zeer goed kan zien. Hij vliegt bij rukken volgens booglijnen, ongeveer op dezelfde wijze, als de Spechten, maar komt toch schielijk vooruit en ziet kans om met groote behendigheid door dicht bijeengroeiende boomtwijgen heen zijn weg te vervolgen. Bij ’t ontwaren van een verdacht verschijnsel rijst hij dadelijk uit de ineengehurkte houding, die hij bij ’t zitten gewoonlijk inneemt, omhoog, rekt zich zoo ver mogelijk uit, buigt in verschillende richtingen, kortom hij houdt het voorwerp, dat zijn belangstelling wekt, scherp in ’t oog en maakt intusschen hoogst zonderlinge gebaren. Uit zijn blikken spreken list en geslepenheid, maar geen boosaardigheid, integendeel zij hebben iets innemends. Ieder die den Steenuil kent, begrijpt, dat de Grieken in hem den lievelingsvogel van een wijze godin konden zien. Zijne geestvermogens staan volstrekt niet op een laag peil; men kan hem gerust een van de verstandigste van alle Uilen noemen. Bovendien, is hij verdraagzaam in den omgang met zijne soortgenooten. In het zuiden van Europa treft men deze Vogels dikwijls bij troepen aan.

Reeds vóór zonsondergang laat de Steenuil zijn stem weergalmen; in den regel gaat hij op de jacht, als de schemering invalt. In heldere nachten kan men hem bijna tot aan den morgen onophoudelijk in beweging zien of althans hooren. Hij doorkruist intusschen een klein gebied, laat zich door ieder in ’t oog vallend verschijnsel naderbij lokken, zweeft vooral graag rondom het kampvuur van den eenzamen jager of reiziger, of komt in de nabijheid van de helder verlichte vensters onzer huizen, waardoor hij bijgeloovige personen een doodschrik op ’t lijf jaagt. Hij maakt hoofdzakelijk jacht op kleine Zoogdieren, Vogels en Insecten, vangt Vleermuizen, Spitsmuizen en Echte Muizen, Leeuweriken, Musschen, Sprinkhanen, Kevers en dergelijke dieren. Muizen zijn echter altijd zijn voornaamste wild. Dat hij ander wild niet versmaadt en het zelfs bij voorkeur gebruikt, blijkt uit een tweetal mededeelingen van den heer Blaauw, voorkomende in de verslagen van den heer Albarda: “Indien de honger hem plaagt, maakt deze Vogel zich schuldig aan het dooden en verslinden van Duiven in duiventillen. Ik heb dit te Nijmegen waargenomen en dit reeds voor de tweede maal. Telkens was de grond met sneeuw bedekt.”—“In het laatst van Augustus 1892 schoot te Lisse (Zuid-Holland) een opzichter op een Steenuiltje, hetwelk door mij reeds lang op dezelfde plaats was waargenomen. De Vogel werd vleugellam, liep snel over den grond en verdween in een konijnenhol, vóór hetwelk overblijfsels van Zanglijsters en Merels lagen. Ik liet den gang opgraven, en hoe verder wij kwamen, des te meer overblijfsels vonden wij. Deze waren alle van Vogels; er was geen enkele van een Mol of van een Muis bij. In den gang vonden wij den Uil, die inmiddels was gestorven en aan het einde daarvan een nest, waarin twee jongen, die reeds zoo vlug waren, dat zij ons ontsnapten.”

In April of Mei begint de voortplantingstijd van den Steenuil. Hij is dan buitengewoon onrustig, schreeuwt en tiert veel, ook over dag. Hij bouwt geen eigenlijk nest, maar zoekt een geschikt hol in rotswanden, onder steenen, in oude gebouwen of boomen op; desnoods maakt hij ook wel gebruik van een konijnenhol; hier legt hij zijne 4 à 7 bolvormige eieren op den naakten grond. Vervolgens broedt hij 14 à 16 dagen lang zoo ijverig, dat hij bijna niet van het nest weg te krijgen is. Naumann verhaalt, dat hij een broedend wijfje streelen en zelfs een der eieren onder haar lichaam wegnemen kon, zonder dat zij wegvloog. De jongen worden met Muizen, kleine Vogels en Insecten grootgebracht.

De Havik en de Sperwer dooden den Steenuil, waar zij hem vangen kunnen; de Wezel rooft zijne eieren; Kraaien, Eksters, Vlaamschen Gaaien en alle kleine Vogels vervolgen hem onder hevig geschreeuw. Op dit feit berust een wijze van vogelvangen, die vooral in Italië vaak in toepassing wordt gebracht. De Steenuil wordt ergens buiten op den grond vastgemaakt; om hem heen worden, behalve lokvogels in kooien, ook lijmroeden geplaatst. “Zoodra zich kleine Vogels in de buurt vertoonen,” schrijft Schlegel, “trekt men uit een schuilplaats aan een lang touw, hetwelk aan den poot van den Uil gebonden is: deze springt dientengevolge in de hoogte en maakt allerlei potsierlijke gebaren, waardoor de Vogels verleid worden, zich in de nabijheid te begeven en dan aan de lijmstokken blijven hangen.” “Om geen gebrek aan Uilen te hebben,” verhaalt Lenz, “zorgen de Italianen voor goede, donkere broedplaatsen onder de daken en voor gemakkelijke toegangen naar die plaatsen. Er worden niet meer jongen uit het nest genomen en grootgebracht, dan men voor eigen gebruik of voor den verkoop op de markt noodig heeft; de overige laat men den ouders behouden. De tamme Uiltjes zijn echte huisvrienden bij de Italianen, loopen dikwijls gekortwiekt in huis, hof en tuin naar eigen verkiezing rond, vangen overal Muizen, worden bij voorkeur in goed omheinde tuinen geplaatst, waar zij Aardslakken en ander lastig ongedierte verdelgen, zonder eenige schade aan te richten. Een schoenmaker, snijder, pottebakker of een andere handwerksman, die, zooals het daar gewoonte is, zijne werkzaamheden op straat verricht, heeft, gelijk ik dikwijls gezien heb, zeer graag zijne lievelingen, zijne 2, 3 of 4 Steenuiltjes, naast zich zitten, gekluisterd aan een stokje; zoo vaak mogelijk en met welgevallen kijkt hij naar hen. Omdat hij voor zijne eetgrage huisgenooten niet altijd vleesch kan bekostigen, heeft hij ze gewend om mede te eten van zijn polenta of maïsbrij.”

Reeds in Oostenrijk wordt de Steenuil veelvuldig en, naar men verzekert, met goed gevolg voor het vangen van Vogels gebruikt. De rol, die de Ooruil speelt bij de Valkenvangst, wordt bij de vangst van kleine Vogels niet minder goed vervuld door den Steenuil. Iedere Vogel, die bewust is van zijn eigen behendigheid, zal niet verzuimen zich in de nabijheid van den gehaten Uil te begeven om hem te plagen en te foppen. De Vlaamsche Gaaien en de Klauwieren doen dit dikwijls met zulk een ijver, dat zij er door in gevaar geraken. De Klauwieren vooral verliezen bij ’t zien van een Uil allen schroom; zij komen de eene na den anderen, dikwijls van verre op hem aanvliegen en verlaten het strijdperk ook dan nog niet, als zij zien, dat sommige van hunne kameraads hunne roekeloosheid duur hebben moeten bekoopen. De oud-Hollandsche valkeniers vingen de Klauwieren, die zij voor de valkenvangst noodig hadden, altijd met behulp van den Steenuil.

*

De sierlijkste en lieftalligste van de Europeesche Uilen is de Dwerguil of Muschuil (Carine passerina). Dit aardige diertje is in de eerste plaats kenbaar aan zijn dwergachtige gestalte. Het mannetje is 17, het wijfje 19 cM. lang (staartlengte van het mannetje 6 cM.). Het vederenkleed is aan de bovenzijde muisgrauw met witte vlekken, aan de onderzijde wit met bruine, overlangsche vlekken, op het aangezicht (waaraan de sluier geheel ontbreekt) grijswit; de staart is met vier, de vleugel met vele witte banden geteekend, de iris hooggeel, de snavel vuilgeel; de loop en de teenen zijn dicht bevederd.

Ook de Dwerguil is veelvuldiger in het noorden dan in het zuiden; zijn verbreidingsgebied strekt zich echter van Noorwegen tot Oost-Siberië en van de noordelijke grens van den boomgroei tot op de breedte van Noord-Italië uit. In de wouden van de Skandinavische gebergten is hij niet zeldzaam, in die van Rusland zelfs talrijk; ook in Duitschland komt hij echter—en waarschijnlijk minder zeldzaam dan men onderstelt—als standvogel voor. Bovendien heeft men hem in de Zwitsersche, Stiermarkensche en Italiaansche Alpen, in den Kaukasus, in het Boereja-gebergte en aan den Amoer gevonden.

In het voorjaar hoort men zijn stem reeds voordat de schemering aanvangt, na het aanbreken van den dag echter niet meer. Evenals andere Uilen laat hij zich door het nabootsen van zijn stem lokken; duizend schreden en verder volgt hij den mensch, die hem op deze wijze beetneemt; bij ’t vliegen maakt hij echter zoo weinig gedruisch en zet zich zoo schielijk op een tak neer, dat hij dikwijls reeds langen tijd om het hoofd van den wandelaar heenvloog, voordat deze hem te zien krijgt. In verhouding tot zijn geringe grootte is hij een flinke, niet minder behendige dan stoutmoedige Roofvogel. Hij doodt Muizen, Lemmingen, Vleermuizen en andere kleine Zoogdieren, vooral echter Vogels, die kleiner of althans niet grooter zijn dan hij. Hij vangt zijn prooi, hetzij deze vliegt, loopt of zit, en vervolgt de Musschen dikwijls tot in het voorhuis van een bewoond gebouw. Voor den mensch koestert hij weinig vrees en kan daarom gemakkelijk op zijn zitplaats geschoten of in vallen met een lokaas gevangen worden.

*

De Holenuilen (Speotyto), nauw verwant aan de Steenuilen, zijn slechts weinig grooter dan deze en verschillen van hen vooral door de groote lengte van den loop en de kortheid van de teenen.

Een bewoner van Zuid-Amerika is de Koeroeje der Brazilianen of Konijnuil (Speotyto cunicularia). Zijn vederenkleed is aan de bovenzijde grijsbruin, met langwerpig ronde, witte stippels geteekend, aan den onderbuik geelachtig wit zonder vlekken. De iris is geel, de snavel bleek groenachtig grijs; de pooten zijn eveneens bleek groenachtig grijs, de zool van de teenen is echter geelachtig. Totale lengte 23, staartlengte 7 cM.

De Noord-Amerikaansche vertegenwoordiger van dit geslacht—de Prairie-uil (Speotyto hypogaea)—stemt met de zooeven genoemde soort zoozeer overeen, dat slechts een zeer uitvoerige beschrijving van beide het geringe verschil duidelijk zou kunnen maken. In gewoonten en levenswijze gelijken zij zooveel op elkander, dat men de berichten van de verschillende schrijvers even goed op den eenen als op den anderen mag toepassen.

De Holenuilen zijn karakteristiek voor Amerika. Zij bewonen de Pampas en de Llanos van de zuidelijke en de Prairiën van de noordelijke helft van dit werelddeel. Overal waar zij voorkomen en niet vervolgd worden, zijn zij veelvuldig. De reiziger, die de genoemde boomlooze vlakten bezoekt, ziet deze merkwaardige Vogels paarsgewijs op den bodem zitten, gewoonlijk op de aardhoopen, die door gravende Zoogdieren gemaakt zijn. Deze woningen zijn het eigenlijke tehuis van den Uil; niet zelden bewoont hij het gemeenschappelijk met den rechtmatigen eigenaar of ook wel met zijne vreeselijkste vijanden, de vergiftige Slangen. In de nabijheid van Buenos-Ayres bewoont de Holenuil uitsluitend de holen van de Viscacha, in Brazilië nestelt hij zich in de woningen van de Miereneters en Gordeldieren, in Noord-Amerika ontmoet men hem in de zoogenaamde dorpen van den Prairiehond. De holen, die nog door gravende Zoogdieren bewoond worden, onderscheiden zich van die, waarin de Uil leeft, door zindelijkheid en netheid; in de vervallen woningen van deze soort vindt men den Uil daarentegen dikwijls en zelfs bijna geregeld. Het komt echter ook voor, dat men Prairiehonden, Uilen en Ratelslangen door dezelfde opening uit en in ziet gaan; zooveel is althans zeker, dat er tusschen het Zoogdier en den Vogel een volkomen vreedzame verhouding bestaat. Ieder uilenpaar leeft gedurende het geheele jaar in trouwe gemeenschap en zit overdag geregeld voor den ingang van het hol van een Viscacha, het mannetje zoo dicht naast het wijfje, dat beide elkander bijna aanraken. Als zij verschrikt worden, vliegen beide op; soms stijgt alleen het mannetje omhoog, terwijl het wijfje in het hol verdwijnt.

In de nabuurschap van alle door Europeanen bewoonde volkplantingen is de Konijnuil buitengewoon talrijk en tevens in de hoogste mate gemeenzaam; in alle gewesten echter, waar de Indiaan jaagt, gedraagt hij zich geheel anders. Tegen zonsondergang laat de Konijnuil zijn stem hooren. Op een kort geluid volgt een langer; beide worden echter zoo vaak herhaald, dat de tusschenpoos ternauwernood één seconde bedraagt. Dit geschreeuw klinkt zoomin vreeselijk als statig, eerder zacht en treurig, eenigermate herinnerend aan de lage tonen eener fluit. Gedurende de lente roepen alle; iedere Vogel beantwoordt dan den naastbijzijnden. Als de nacht aanbreekt, verheft de een na den anderen zich in de lucht; men ziet dan overal de aardige uiltjes op een afstand van ongeveer 40 M. boven den bodem met snel bewogen vleugels zweven. Zij maken jacht op ieder levend wezen, dat zij meenen te kunnen overmeesteren.

Een derde, goed begrensde groep van Uilen kenmerkt zich hoofdzakelijk door een pluimpje van overeind staande veeren boven ieder oor. De kop van de Ooruilen (Buboninae) is gewoonlijk groot, breed en plat, met meer of minder in ’t oog vallende, voor oprichting vatbare oorpluimpjes versierd, de sluier daarentegen onvolledig. De dikke, bijna buikige, op den rug weinig gekromde snavel heeft een korten haak aan de bovenkaak. De loop is dik en lang of middelmatig lang; de teenen zijn zeer krachtig en met groote, boogvormige klauwen gewapend. De vleugels zijn middelmatig lang, maar stomp; de staart is kort, aan het einde bijna recht afgesneden, het vederenkleed zeer goed gevuld en los. De oogen zijn merkwaardig door hun grootte en platheid, in den regel ook door hun levendige, goudgele kleur.

De eerste plaats onder de Ooruilen komt toe aan den door vele sagen verheerlijkten “koning der nacht,” aan onzen Ooruil of Ransuil, in Friesland Groote Katuil of Hoornuil genoemd, den Uhu (Oehoe) der Duitschers (Bubo ignavus). Hij is 63 à 77 cM. lang, waarvan 25 à 28 cM. op den staart komen. Het zeer gevulde en dichte vederenkleed is op de bovenzijde donker roestgeel en zwart gevlamd, aan de keel geelachtig wit, op de onderzijde roestgeel met zwarte, overlangsche strepen; de oorpluimpjes zijn zwart, aan de binnenzijde geel gerand, de slagpennen en staartpennen met onderling afwisselende, bruine en geelachtige, donker gesprenkelde stippels geteekend. De snavel is donker blauwgrijs; de naakte voetschilden zijn licht blauwgrijs, de oogen prachtig goudgeel, aan den buitenrand roodachtig. Het wijfje is alleen kenbaar aan haar meerdere grootte.

Ooruil (Bubo ignavus). ¼ v. d. ware grootte.
Ooruil (Bubo ignavus). ¼ v. d. ware grootte.

Ooruil (Bubo ignavus). ¼ v. d. ware grootte.

Het verbreidingsgebied van den Ooruil omvat het geheele Noordelijke faunistische Rijk van de Oude Wereld: de noordelijke gewesten, voor zoover zij boschrijk, de zuidelijke, voor zoover zij bergachtig zijn. In Nederland werd deze Vogel in de bosschen van Gelderland en Noordbrabant en ook enkele malen in Friesland (o.a. te Beetsterzwaag) broedend aangetroffen (Albarda). In het najaar zwerft hij meestal rond en bezoekt dan ook andere streken van Nederland. Hoewel hij in vele gewesten van Duitschland uitgeroeid is, vindt men hem nog in het hooge gebergte van Beieren en in alle middelgebergten, voorts in alle uitgestrekte, aaneengeschakelde wouden. Veel talrijker, doch evenmin algemeen is hij in Oostenrijk-Hongarije, Skandinavië, geheel Rusland, de lage gewesten langs den Donau, Turkije en Griekenland, Italië, Spanje en het zuiden van Frankrijk, zeldzamer in België en Denemarken, bijna uitgeroeid in Groot-Brittannië. In Afrika bewoont hij de Atlas-landen; bij uitzondering treft men hem ook in Egypte aan. Dezelfde of een verwante vorm—de Bleeke Ooruil (Bubo turcomanus), die misschien niet eens een afzonderlijke soort mag heeten—vond men van Klein-Azië en Perzië tot China en van de noordelijke grens der wouden tot den Himalaja in alle landen en gewesten, welker dierenwereld voldoende bekend is, zelfs in de steppen. De Ooruil is geen trekvogel; hij blijft gedurende het geheele jaar zijn broedgebied bewonen; hoogstens zwerft hij vóór den paartijd zonder doel of regel rond.

In Noord-Afrika en Klein-Azië leeft de verwante, doch merkbaar kleinere Pharao-ooruil of Oehoe met korte ooren (Bubo ascalaphus), zoo genoemd wegens zijne veel kortere oorpluimpjes; deze soort komt ook in Griekenland voor en is er misschien zelfs standvogel.

De Ooruil geeft de voorkeur aan bergstreken, omdat deze hem de beste schuilplaatsen verschaffen; maar bewoont ook vlakten, vooral die, welke met groote wouden bedekt zijn. Wouden met steile rotswanden vallen bijzonder in zijn smaak; menig gunstig gelegen oord dient hem sinds onheugelijke tijden tot verblijfplaats. Hoewel hij steeds voorzichtig is, vindt men hem soms gevestigd in de nabijheid van menschelijke woningen. Over dag krijgt men hem zelden te zien wegens de overeenkomst van zijn kleur met die van rotswanden en boomschors. Wanneer echter het een of ander Zangvogeltje den schuilhoek van den roover ontdekt, verraadt het dien door zijn geschreeuw aan de overige bevederde bewoners van het woud, die dan onder luid getier bijeenkomen om hun vijand te plagen. Des nachts trekt hij beter onze aandacht door zijn zeer opmerkelijke stem, die vooral in het voorjaar gedurende den paartijd vaak gehoord wordt.

De Ooruil begint zijn jachtbedrijf eerst, wanneer het volkomen nacht geworden is. Over dag zit hij bewegingloos en half sluimerend, meestal met tegen het lichaam aanliggende veeren en eenigszins naar achteren gerichte oorpluimpjes, verscholen in een rotsholte of in een boomkroon. Het geringste gedruisch is voldoende om hem te wekken. Dan zet hij de oorpluimpjes overeind, draait den kop heen en weer en buigt hem naar voren en naar achteren, knipoogend naar de zijde van waar het verdachte geluid komt. Bij ’t vermoeden van gevaar vliegt hij oogenblikkelijk weg en tracht een rustplaats te bereiken, die minder aan stoornis is blootgesteld. Als de dag zonder een dergelijke ontmoeting voorbijgaat, wordt de Ooruil eerst tegen zonsondergang wakker; met onhoorbaren vleugelslag begeeft hij zich dan gewoonlijk in de eerste plaats naar een rotspunt of een hooge boom; van hier weerklinkt in het voorjaar in den regel zijn dof, maar op grooten afstand hoorbaar “boehoe”. Bij helderen maneschijn hoort men het vaker, dan wanneer het donker is; vóór den paartijd schreeuwt hij bijna onophoudelijk gedurende den nacht. Zijn huiveringwekkende stem verkrijgt door den weergalm in het woud een nog akeliger klank. Naar alle waarschijnlijkheid heeft dit geschreeuw, dat, gelijk Lenz zegt, “bijgeloovige lieden kippevel doet krijgen,” aanleiding gegeven tot de sage van “den wilden jager”; het klinkt den angstigen mensch als het hondengeblaf van den jachtstoet des duivels of althans van den verdoemden ridder in de ooren. Uit dit geschreeuw blijkt, dat de Ooruil gedurende den geheelen nacht werkzaam en in beweging is. Tot aan het krieken van den morgen hoort men het in het woud, nu eens hier, dan weer daar. Het is zijn loktoon en zijn minnelied; toorn en kwaadaardigheid toont hij door een woedend gegrinnik en een luid klinkend gekrijsch, die gepaard kunnen gaan met een hevig geblaas en een door het snel sluiten van den snavel veroorzaakt, knappend geluid. In den paartijd hoort men alle zooeven genoemde geluiden soms achtereenvolgens en dooreengemengd.

De Ooruil maakt jacht op zeer verschillende, groote en kleine Gewervelde Dieren. Des nachts blijkt het, dat behendigheid en moed bij hem gepaard gaan met lichaamskracht; dan valt hij zonder schroom ook groote dieren aan. Hoewel hij gewoonlijk op even onhoorbare wijze als zijne verwanten dicht bij den bodem langs zweeft, kan hij zich zonder moeite tot een aanzienlijke hoogte verheffen en zich zoo snel bewegen, dat een uit den slaap opgeschrikte Vogel hem zelden ontkomt. Door jacht te maken op Hazen, Konijnen, Auerhoenderen, Korhoenderen, Hazelhoenderen, Patrijzen, Eenden en Ganzen doet hij ons afbreuk; kleine Dagroofvogels, Raven, Kraaien en zelfs de zwakkere leden van zijn eigen familie worden echter evenmin door hem gespaard; de stekelige huid van den Egel schrikt hem volstrekt niet af. Hij wekt den slapenden Vogel door het geluid zijner vleugelslagen en het dichtklappen van den snavel en vangt het vol schrik opvliegende slachtoffer zonder moeite in de vlucht. Vermoedelijk zijn Muizen en Ratten echter zijn voornaamste buit; het is daarom nog volstrekt niet zeker, dat de door hem aangerichte schade grooter is dan het voordeel, dat hij aanbrengt.

De Ooruil paart in de eerste maanden van het jaar, gewoonlijk in Maart, en is een trouwe en liefdevolle echtgenoot. Het nest komt voor in gaten van rotsen, in holen van den grond, in oude gebouwen, op boomen, soms zelfs op den vlakken bodem, o. a. in het rietveld. Bij voorkeur maakt hij gebruik van een reeds bestaande woning, die slechts bij hooge noodzakelijkheid vooraf eenigszins hersteld wordt. Wanneer zulk een gelegenheid ontbreekt, sleept hij eenige takken en rijsjes bijeen en bedekt deze op een tamelijk slordige wijze met een laagje droge bladen of dergelijke bouwstoffen. Dikwijls blijven zelfs deze toebereidselen achterwege en worden de 2 of 3 rondachtige, witte, ruwschalige eieren eenvoudig op den naakten grond gelegd. Het wijfje broedt zeer ijverig en wordt intusschen door het mannetje gevoederd. De beide ouders voorzien hunne jongen zeer rijkelijk met voedsel en verdedigen hen met grooten moed tegen vijanden. Ieder roofdier en zelfs de mensch heeft bij ’t naderen van hun woonplaats een hevigen aanval te duchten. Ook heeft men gezien, dat Ooruilen hun kroost naar een andere plaats droegen, wanneer het hun bleek, dat het oorspronkelijke nest geen voldoende veiligheid aanbiedt.

Wiese verhaalt het volgende merkwaardige staaltje van de genegenheid van den Ooruil voor een zijner soortgenooten: “Een houtvester in Pommeren, wiens eenzame woning te midden van een dennenwoud lag, hield sedert geruimen tijd in een donker hok op zijn erf een tammen Ooruil. Deze werd in de eerste dagen van Maart, toen men in het naburige woud een wilden Ooruil hoorde schreeuwen, aan beide pooten gekluisterd, buitenshuis geplaatst, waar hij weldra bezoek kreeg van zijn in vrijheid levenden neef, die hem vervolgens geregeld iederen nacht met voedsel voorzag. Zijn meester, die hem bijna vier weken lang niets te eten gaf, kon uit de uitgebraakte, onverteerbare overblijfselen van den buit afleiden, uit welke dieren het maal van zijn gevangene bestaan had. Deze kreeg van zijn medelijdenden verwant achtereenvolgens drie Hazen, één Waterrat, tallooze andere Ratten en Muizen, één Ekster, twee Lijsters, één Hop, twee Patrijzen, één Kievit, twee Waterhoenderen en één Wilde Eend. Telkens als er over dag iemand in de nabijheid van den tammen Oehoe kwam, liet de wilde in het naburige bosch dadelijk zijn “oehoe”- of “boehoe”-geschreeuw hooren; eerst lang na het vertrek van den gewantrouwden bezoeker verstomde dit geluid.”

Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat oude Oehoes hunne uit het nest genomen en in een kooi opgesloten jongen voortdurend met voedsel voorzagen. Graaf Wodzicki verhaalt, dat een jonge Oehoe in een kooi twee maanden lang gevoederd werd door zijne ouders, die, zoodra het jong, dat in het nest gebleven was, kon vliegen, door hun kind bij dit liefdewerk geholpen werden.

Geen enkele inheemsche Uil wordt zoo algemeen gehaat als de Oehoe. Bijna alle Vogels, die over dag wakker zijn en zelfs eenige Uilen plagen hun vijand telkens als zij hem bespeuren. Zooals reeds gezegd is, laten de Roofvogels en ook de Raven zich bij deze gelegenheid tot groote onvoorzichtigheid verleiden. Geen dezer vijanden is waarschijnlijk voor den Oehoe zoo gevaarlijk als een mensch.

De gevangen Oehoe kan bij behoorlijke verzorging vele jaren lang in ’t leven blijven. Hoewel hij in den regel blijken van woede en kwaadaardigheid geeft aan iederen persoon, die zich in de nabijheid van zijn kooi vertoont, zelfs aan dien, welke hem iederen dag met voedsel voorziet, kan men wel degelijk jong uit het nest genomen Ooruilen temmen, wanneer men zich veel met hen bemoeit. De gevangen Oehoe leeft, als hij volwassen is, in vrede met zijne soortgenooten, maar valt moordzuchtig aan op alle zwakkere Vogels, die zich in zijn nabijheid vertoonen, en verslindt ze zonder eenig gemoedsbezwaar, zoodra hij er in geslaagd is ze te dooden.

*

De Sluierooruilen (Asio) onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht door het bezit van een volledigen, ronden sluier; in verband hiermede is de oorschelp bij hen zeer ontwikkeld en voorzien met oorpluimpjes, die opgericht kunnen worden; in hunne lange, tot voorbij de spits van den afgeronden staart reikende vleugels zijn de tweede en derde handpen langer dan de overige; de tweede is vóór de spits versmald; de eerste en de tweede zijn aan de buitenvlag getand. De loop en de teenen zijn met veertjes bedekt.

De bij ons niet voorkomende, in Duitschland echter veelvuldige Woudooruil (Asio otus) is een Oehoe in ’t klein; hij verschilt echter van dezen door een slankeren lichaamsbouw, langere vleugels, kortere pooten, langere (uit 6 veertjes bestaande) oorpluimpjes; voorts door de zeer ontwikkelde oorschelpen en den zeer duidelijken sluier. Zijn kleur gelijkt zeer op die van den Oehoe, maar is lichter. De snavel is zwartachtig, het oog hooggeel. Totale lengte 34 à 35, staartlengte 15 cM.

Te beginnen bij 64° N.B. is de Woudooruil over geheel Europa verbreid, zoo ook van den Oeral tot Japan in alle gewesten, die ten zuiden van den noordrand van den woudgordel liggen. Naar ’t zuiden wordt hij echter zeldzamer; het noordoosten van Afrika, de Kanarische Eilanden en het noordwesten van Indië bezoekt hij waarschijnlijk slechts op den trek.

De Woudooruil verdient dezen naam, daar hij alleen in het woud geregeld aangetroffen wordt. Wel komt hij ’s nachts in de nabijheid van bewoonde oorden en neemt hij gedurende zijn zwerftijd ook wel over dag zijn intrek in een dicht begroeiden boomgaard of zelfs op het vrije veld; dit zijn echter uitzonderingen. Het is moeielijk uit te maken, of hij bosschen van naaldboomen, dan wel van breedbladige boomen prefereert: in beide vindt men hem even veelvuldig.

De levenswijze en de gewoonten van den Woudooruil verschillen niet onbelangrijk van die van den Oehoe. Over dag komen beider handelingen bijna geheel overeen; beide vliegen ongeveer terzelfder tijd en op dezelfde wijze ter jacht uit; maar de Woudooruil is veel gezelliger en veel minder kwaadaardig dan zijn groote stamgenoot, bovendien toont hij een minder schuwen aard. Alleen gedurende den broedtijd vindt men de Woudooruilen bij paren; zoodra echter de jongen volwassen zijn, vereenigen zij zich met andere Vogels van hun soort tot vluchten, die soms zeer talrijk kunnen worden. Tegen den herfst beginnen deze gezelschappen rond te zwerven; men treft ze dan op voor hen geschikte plaatsen soms zeer veelvuldig aan. Zij maken hoofdzakelijk jacht op kleine Zoogdieren en in de eerste plaats op Bosch- en Akkermuizen en op Spitsmuizen.

Ook de Woudooruil is bij alle dagvogels zeer gehaat; hij wordt geplaagd en gesard, waar hij zich vertoont. De nadenkende mensch laat hem ongemoeid en doet hier zeer wijs aan, omdat de bescherming, die dezen Uil wordt verleend, aan het woud ten goede komt. Er zijn echter maar al te veel onverstandige lieden, die hem van den boom afschieten, zoodra zij hem in ’t oog krijgen en vervolgens dit bewijsstuk van hun dwaasheid, met uitgespreide vleugels aan den staldeur spijkeren; zij beroemen zich hierop zelfs als op een heldendaad. Hun moeten wij voor oogen houden, dat de Woudooruil nuttig is, zoolang hij leeft. Hoewel hij geen groote hoeveelheid voedsel noodig heeft, zal, zelfs wanneer de honger hem niet kwelt, geen enkele Muis zich in zijn nabijheid kunnen vertoonen, zonder kennis te maken met zijne scherpe wapens; hij doodt veel meer Muizen dan hij verslindt. Nog grooter slachting wordt door hem onder de Muizen aangericht, wanneer hij jongen heeft; nadat ook deze zich verzadigd hebben, belegt hij het geheele nest met zijn buit; in verhouding tot zijn grootte verdelgt hij dus zeer vele schadelijke Knaagdieren.

Deze Uil, oorspronkelijk een bewoner van de toendra, is in den letterlijken zin van ’t woord wereldburger geworden. Genoodzaakt om ieder jaar uit zijn vaderlandsche woestenijen weg te trekken, bezoekt hij in de eerste plaats alle drie noordelijke werelddeelen, zwerft door geheel Europa en Azië, vliegt naar Afrika over, bezoekt waarschijnlijk van Azië uit de Sandwicheilanden en trekt evenzoo geheel Amerika door van ’t hooge noorden tot aan de zuidspits. Burmeister zag een dezer Uilen boven de open zee ten westen van de Kaapverdische eilanden. De meeste exemplaren, die men hier te lande ontmoet, komen in het midden van September op den trek uit het noorden en keeren in Maart langzamerhand naar hun vaderland, naar het hooge noorden, terug. Soms echter laten zij zich door een buitengewoon grooten overvloed van voedsel verleiden om in de streek, waar zij overwinterden, ook den zomer door te brengen en er te broeden. In Skandinavië gebeurt dit, als de Lemmingen zich bijzonder sterk vermenigvuldigd hebben, bij ons in de zoogenaamde “muizenjaren”. De Velduil broedt dan bij ons in de duinen, op weilanden, heidevelden of andere vlakke streken, waar hij op den grond, in het gras of onder andere planten, zonder een eigenlijk nest te bouwen, drie of vier witte, nagenoeg bolvormige eieren legt.

Hoewel zij gedurende hunne reizen op alle boomlooze of met weinig bosch begroeide vlakten hun kwartier opslaan, geven zij toch de voorkeur aan moerassige streken. Over dag houden zij zich op den bodem, tusschen gras en riet verborgen, “drukken” zich bij gevaar als Hoenders op den grond, laten den vijand tot op korten afstand naderen, vliegen echter nog te rechter tijd omhoog. Zij bewegen zich in de lucht gewoonlijk op onhoorbare wijze, wankelend, laag bij den grond en tamelijk langzaam, ongeveer als een Wouw, hoewel zij zich soms tot grootere hoogten verheffen. Meestal zitten zij op den grond, soms ook op windmolens, zelden op boomen. Zij buitelen gedurende het vliegen van tijd tot tijd over den kop en loeren op hun buit en op de wijze van Torenvalken.

Bij ons houden zij zich vooral met de muizenjacht bezig en vallen waarschijnlijk slechts bij uitzondering grootere dieren aan, hoewel zij natuurlijk kleine, onbeholpen Vogels niet versmaden. Ook rooven zij Mollen, als deze boven den grond komen, of vergrijpen zich soms aan een nog zwak haasje of konijntje. In geval van nood behelpen zij zich met Insecten of Kikvorschen. Voor den landbouw is de Velduil hoogst nuttig, ondanks de overtredingen, waaraan hij zich nu en dan schuldig maakt.

*

Een slank lichaam met tamelijk grooten kop, een sterk gekromde snavel, lange vleugels, waarin de tweede slagpen voorbij de overige veeren uitsteekt, een korte, flauw afgeronde staart en hooge, schraal bevederde pooten met onbevederde teenen, benevens een betrekkelijk glad tegen ’t lichaam aanliggend vederenkleed, dikke, korte oorpluimpjes en een weinig merkbare sluier, geëvenredigd aan de kleine gehooropeningen, kenmerken een aantal kleine Uilen, die, wegens hun geringe grootte, Dwergooruilen (Pisorhina) of (Ephialtes) worden genoemd.

Velduil (Asio accipitrinus). ⅓ v. d. ware grootte.
Velduil (Asio accipitrinus). ⅓ v. d. ware grootte.

Velduil (Asio accipitrinus). ⅓ v. d. ware grootte.

De meest bekende soort van dit geslacht—de Dwergooruil (Pisorhina scops)—is 15 à 18 cM. lang, waarvan 7 cM. op den staart komen. De grondkleur van de bovenzijde is roodbruin, afgestompt door aschgrauw en met zwartachtige golflijnen en overlangsche strepen geteekend, op de vleugels echter met witte, in de schouderstreek met roodachtige, schubvormige vlekken; de kleur van de geheele onderzijde kan het best omschreven worden als een verward mengsel van bruinachtig roestgeel en witachtig grijs. De snavel is blauwachtig grijs, de pooten zijn donker loodkleurig grijs, de oogen licht zwavelgeel.

In Zuid-Europa komt deze Vogel veelvuldig voor, in Zuid-Duitschland is hij reeds tamelijk zeldzaam, naar Middel- en Noord-Duitschland, Nederland en Groot-Brittannië dwaalt hij slechts zelden af. In Spanje houdt de Dwergooruil zich op in vlakke gewesten, waar slechts enkele boomen groeien, vooral op bouwlanden en in wijnbergen, in tuinen en op wandelplaatsen.

In verhouding tot zijn grootte is dit dier een flinke roover; het maakt voornamelijk jacht op kleine Gewervelde Dieren, niet op Insecten. In de maag van gedoode exemplaren werden meestal Muizen gevonden; in de kooi zag men ze kleine Vogels met moordzuchtige bedoelingen te lijf gaan. In de kooi nemen de gevangen Dwergooruilen over dag zeer verschillende houdingen aan; sommige hebben glad aanliggende veeren, andere gelijken op een met veeren bezetten bal; bij den eenen ligt één der oorpluimpjes achterover, terwijl het andere omhoog gericht is, zijn buurman heeft beide ooren gespitst en kijkt intusschen knipoogend, met een merkwaardig komische gelaatsuitdrukking den toeschouwer aan, die hem tot op korten afstand kan naderen, zonder dat hij zich verroert. In de kooi zoekt elke gevangene een bepaald plaatsje uit en weet zich zoo uitmuntend te verbergen, dat men dikwijls lang moet zoeken, voordat men hem vindt. De kleur van hun kleed smelt volkomen ineen met die van de omgeving.

*

In Indië en in het Maleische gebied leven de Vischuilen (Smilonyx), die zich van alle overige leden der familie onderscheiden, doordat hunne, lange en zeer krachtige, met scherpe klauwen gewapende pooten beneden het spronggewricht geheel onbevederd en daarentegen met netvormige schubben bekleed zijn. Deze Vogels hebben groote oorpluimen en een aanzienlijke grootte.

De Vischuil, in Indië Oeloe of Oetoem genaamd (Smilonyx ceylonensis), is slechts weinig kleiner dan de Oehoe, daar hij een lengte van 60 cM. heeft (staartlengte 21 cM.). Hij wordt in geheel Indië, o. a. veelvuldig op Ceylon, aangetroffen, maar heeft klaarblijkelijk een veel uitgestrekter verbreidingsgebied, daar men hem ook in China en Palestina geschoten heeft. Hij bewoont hoofdzakelijk de boomgroepen en boschjes in de nabijheid der dorpen, verbergt zich hier althans over dag, op soortgelijke wijze als vele andere Uilen, door in de kroon van den een of anderen rijk bebladerden boom dicht bij den stam te gaan zitten. Eenig gevangene exemplaren konden Hagedissen, Slangen, Ratten en andere dieren, die toevallig in hun kooi geraakt waren, ook over dag zeer behendig vangen. Behalve op deze dieren maken zij volgens de verhalen der inboorlingen, ook jacht op Hoenderen en andere Vogels. Jerdon daarentegen zegt, dat de Vischuil zich gewoonlijk naar het naastbij gelegen water begeeft, onverschillig of dit een vijver, een beek of een rivier is. Hier ziet men hem, op een overhangenden rots of op een dooden boom zittend, op Visschen loeren. Door de inboorlingen wordt beweerd, dat hij ook Katten doodt.

De op Java levende Vischuil wordt Ketoepa (Smilonyx javanensis) genoemd. De fraaie, roestgele grondkleur van zijn vederenkleed is met zwarte vlekken geteekend. Bij voorkeur brengt hij den dag door in de alleenstaande boomen der met hoog gras bedekte, moerassige vlakten of op de boomen, die de kerkhoven der Javanen omgeven.

De Nachtzwaluwvogels (Caprimulgidae) hebben zulke sterk sprekende eigenaardigheden, dat zij gemakkelijk herkend en niet licht met andere vogelgroepen verward kunnen worden. Overal, waar zij voorkomen, hebben zij de aandacht van den mensch tot zich getrokken en aanleiding gegeven tot de zonderlingste meeningen. Hiervan getuigen o. a. de talrijkheid en de beteekenis der namen, waarmede zij aangeduid worden. Zij vormen een uit meer dan 100 soorten bestaande, scherp begrensde familie. Hun gemeenschappelijke naam “Nachtzwaluwen” is niet kwaad gekozen; van een overeenkomst tusschen haar en de Zwaluwen kan echter alleen bij oppervlakkige beschouwing sprake zijn: een nauwkeuriger vergelijking brengt vele belangrijke verschilpunten aan ’t licht.—Zoowel de uitwendig zichtbare als de inwendige bouw van de Nachtzwaluwen is in alle opzichten eigenaardig. De grootte van deze Vogels wisselt binnen wijde grenzen af. Eenige soorten zijn bijna zoo groot als een Raaf, andere ternauwernood grooter dan een Leeuwerik. De romp is slank, de hals kort, de kop zeer groot, breed en plat; de oogen hebben een grooten omvang en puilen tamelijk sterk uit. De betrekkelijk kleine, ongemeen platte snavel is van achteren buitengewoon breed, naar voren sterk versmald. Hoewel de snavel zeer kort is, zijn de kaken zeer lang, zoodat zij de bek verder kunnen openen dan eenige andere Vogel. Hoornachtig is slechts de spits van den snavel; de smalle hoornrand van de bovenkaak is aan de zijden naar beneden gebogen; naast den stompen snavelrug, die zich niet ver naar achteren uitstrekt, liggen de gewoonlijk buisvormige neusgaten dicht bijeen. De pooten zijn in den regel zwak en hebben een zeer korten loop; deze is aan de achterzijde met een eeltachtige massa bedekt, aan de voorzijde meestal met korte schilden bekleed, het bovenste deel is dikwijls met korte veertjes begroeid, maar soms geheel naakt. De teenen zijn (met uitzondering van den zeer ontwikkelden, middelsten voorteen) kort en zwak, de binnenste en de middelste voorteen zijn aan den wortel gewoonlijk door een kort vliesje (spanvlies) verbonden; de achterteen (keerteen) is naar binnen gericht, maar kan ook naar voren gekeerd worden (klemvoet). Bij alle soorten van één der onderfamiliën draagt de lange middelteen een langen nagel, die aan de binnenzijde gezwollen en getand is. De vleugels zijn lang, smal en spits; gewoonlijk echter is niet de eerste, maar de tweede, dikwijls eerst de derde of vierde slagpen de langste. De staart is uit tien pennen samengesteld en zeer verschillend van vorm. Het vederenkleed herinnert aan dat der Uilen; het is zacht en bestaat uit groote veeren; in den regel vertoont het een buitengewoon fijne en sierlijke teekening; het is echter somber en weinig in ’t oog vallend gekleurd; op de kortste wijze kan men de kleur omschrijven door haar “boomschorsachtig” te noemen. Opmerkelijk zijn de borstels, die den snavel omgeven; even merkwaardig zijn de korte, fijne en dicht bijeenstaande wimpers, die een krans om het oog vormen. Bij eenige soorten onderscheiden de mannetjes zich door lange veeren van een zeer eigenaardigen vorm; soms maken deze deel uit van den staart, zooals bij vele andere Vogels het geval is, soms behooren zij tot den vleugel en moeten als vervormde slagpennen beschouwd worden.

De Nachtzwaluwvogels bewonen alle landen en gewesten der aarde, met uitzondering van die, welke binnen den kouden aardgordel gelegen zijn. In Europa wordt deze familie door niet meer dan twee soorten vertegenwoordigd; in Noord-Amerika zijn er meer dan dubbel zooveel; reeds in Middel-Amerika en Noord-Afrika neemt het aantal soorten aanmerkelijk toe. Hetzelfde kan gezegd worden van de overeenkomstige gedeelten van Azië; ook Australië is niet arm aan leden van deze familie. Hoewel het verbreidingsgebied van iedere soort tamelijk uitgestrekt is, bewonen zij in dit gebied echter slechts enkele, bijzonder gunstig gelegen plaatsen. Verreweg de meeste Nachtzwaluwvogels houden zich op in bosschen of zoeken deze althans op om uit te rusten; eenige soorten geven beslist de voorkeur aan steppen, andere zelfs aan woestijnen, woestijnachtige, met steenen bedekte hellingen en dergelijke oorden.

Waarschijnlijk zijn alleen die soorten, welke in de wouden der keerkringslanden leven, standvogels. Alle overige zijn vermoedelijk minstens zwerfvogels en, voor zoover zij in het noorden leven, trekvogels. Deze verschijnen tamelijk vroegtijdig in hun vaderland en blijven hier tot in het begin van den herfst. Hunne reizen strekken zich uit over een groot gebied: onze Nachtzwaluw trekt tot in het binnenland van Afrika. Onderweg zijn de Nachtzwaluwvogels nog eenigszins gezellig; in hun vaderland echter leven zij bij paren in strenge afzondering; ieder paar handhaaft zich in een bepaald gebied. Gewoonlijk is dit van geringen omvang; op plaatsen waar deze Vogels veelvuldig zijn, kan het voorkomen, dat een groote tuin door verscheiden paren bewoond wordt. Hier te lande vermijden de Nachtzwaluwen de nabuurschap van den mensch; zij verschijnen althans slechts bij uitzondering ’s nachts boven de dorpen; in ’t zuiden vestigen ook zij zich in of dicht bij dorpen, vooral in groote tuinen.

Verreweg de meeste Nachtzwaluwen voeden zich uitsluitend met allerlei Insecten, eenige eten bovendien nog verscheidene kleine Gewervelde Dieren. Alle zijn in de hoogste mate vraatzuchtig en maken zich daarom zeer verdienstelijk als beschermers van onze wouden. Met de behendigheid van een Valk of van een Zwaluw zwerven zij nu eens op geringe, dan weer op grootere hoogten boven open ruimten, struiken en boomkronen, omzweven de boomen dikwijls met zeer bevallige zwenkingen en vangen in de vlucht de haar voorbij gonzende Insecten; ook zoeken zij deze wel van de bladen, halmen en zelfs van den grond op. Haar wijde bek stelt haar in staat om zeer groote Kevers te verzwelgen; juist de soorten, die door de andere Vogels verschoond worden, zijn het meest aan den aanval der Nachtzwaluwen blootgesteld. Haar jacht begint in den regel met het aanbreken van den nacht, wordt na eenige uren afgebroken, vóór de morgenschemering hervat, maar houdt op, voordat de zon aan den hemel verschijnt; dan zoeken zij rust. Op dezen regel zijn echter uitzonderingen: sommige Amerikaansche soorten jagen niet zelden op klaarlichten dag; zij doen dit niet alleen in schaduwrijke bosschen, maar ook in de vrije natuur, te midden van den heldersten zonneschijn. De overige soorten rusten over dag: zij zitten of liggen lang uitgestrekt op het een of ander voorwerp, b.v. op een omgevallen stam, op den grond of op uitstekende rotspunten in donkere holen; zij drukken zich zoo plat tegen haar rustplaats aan, dat zij veel breeder schijnen dan hoog.

1) Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), 2) Roodhalzige Nachtzwaluw (Caprimulgus ruficollis). ⅖ v. d. ware grootte.
1) Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), 2) Roodhalzige Nachtzwaluw (Caprimulgus ruficollis). ⅖ v. d. ware grootte.

1) Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), 2) Roodhalzige Nachtzwaluw (Caprimulgus ruficollis). ⅖ v. d. ware grootte.

De Nachtzwaluwen hebben geen andere organen om zich op een flinke wijze voort te bewegen, dan hare vleugels; op de takken hechten zij zich met de klauwen vast, op den bodem liggen zij meer, dan zij zitten. Haar gang is een armzalig getrippel, dat zeer schijnt te vermoeien en nooit verder dan over een afstand van eenige meters wordt voortgezet. Haar wijze van vliegen is echter licht en sierlijk, behendig en bevallig.

Onder de zintuigen is waarschijnlijk dat van het gezicht het meest ontwikkeld, zooals de grootte der oogen reeds doet vermoeden; daarop volgen die van het gehoor en het gevoel.

De verstandelijke vermogens zijn gering, ofschoon waarschijnlijk niet in die mate als gewoonlijk aangenomen wordt. De slaapdronken Nachtzwaluw maakt een hoogst ongunstigen indruk en weet, als zij toevallig gevangen wordt, niets anders te doen dan bij het opensperren van den ontzaglijken bek een heesch geblaas te laten hooren; van een geheel andere zijde leert men haar kennen, zoodra zij wakker en druk bezig is. Hoewel zij gewoonlijk een dwaze nieuwsgierigheid en zeer dikwijls een verderfelijke argeloosheid toont, leert zij haar vijand spoedig genoeg kennen en neemt zelfs tot list haar toevlucht om zich of haar kroost aan zijne vervolgingen te onttrekken.

Een eigenlijk nest bouwen de Nachtzwaluwen niet; zij sleepen geen bouwstoffen aan en krabben niet eens een ondiepe holte uit in den kalen bodem, waarop zij hare eieren leggen. Het aantal eieren, waarop zij broeden, is steeds gering: bij de meeste soorten twee, bij vele niet meer dan één. Waarschijnlijk broeden alleen de wijfjes. Beide ouders toonen echter een levendige belangstelling in hun kroost en verdedigen het, zoo goed zij kunnen. In geval van nood worden, naar Audubon ons mededeelt, de eieren soms op een eigenaardige wijze in veiligheid gebracht: in den ontzaglijk grooten muil geborgen en naar een andere, veiliger plek van het woud vervoerd, waar de bebroeding wordt voortgezet. Bij alle ons bekende soorten verzorgen en verdedigen de ouders hunne jongen met zelfverloochenende liefde.

Weinige Nachtzwaluwen zijn geschikt voor de gevangenschap; wanneer men ze jong uit het nest neemt en haar aanvankelijk het voer in de keel stopt, is het volstrekt niet onmogelijk ze bij doelmatige verzorging geruimen tijd in de kamer of in de kooi in ’t leven te houden.

Betrekkelijk gering is het aantal vijanden, die voor de Nachtzwaluwen gevaarlijk kunnen worden. De mensch vervolgt haar niet, zoodra hij haar heeft leeren kennen. In den regel worden deze Vogels echter niet gespaard uit waardeering van hun voor ons zoo nuttige werkzaamheid, maar veeleer, omdat men ze als geheimzinnige wezens beschouwt, welker dood noodlottige gevolgen kan hebben. Zoo denken de Indianen, de Mestiezen en de Negers van Middel-Amerika,—niet veel anders de Spanjaarden en vele Afrikaansche volksstammen. Onze boeren beschouwen deze onschadelijke dieren met wantrouwen, omdat zij van oordeel zijn, dat de Nachtzwaluwen met geen ander doel zulk een wijden bek hebben dan om de Geiten te melken.

Onze Nachtzwaluw, Geitenmelker, Dagslaper, Schapenmelker, Nachtratel, Ratelaar of Vliegende Pad (Caprimulgus europaeus), vertegenwoordigt het geslacht der Nachtzwaluwen (Caprimulgus), waarop over ’t algemeen de hierboven gegeven beschrijving toepasselijk is. De romp is slank, de hals zeer kort, de kop groot en breed, de door groote baardborstels omgeven snavel zeer klein en kort, maar breed, aan den wortel smal, aan de spits, vóór de neusgaten, benedenwaarts gebogen; de vleugels zijn lang, smal en spits, de staart is recht afgesneden. De voeten zijn klein en laag, de middelste teen steekt ver voor de overige uit, draagt een langen, alleen aan den buitenrand getanden nagel en is tot aan het eerste gewricht door een spanvlies met den vorigen en den volgenden teen verbonden; de kleine, naar binnen gerichte achterteen is vrij. De bovenste helft van den loop is met kleine veertjes, de onderste helft met schildvormige hoornplaten bedekt. Een zeer wijd uitstaand en buitengewoon zacht vederenkleed, dat uit groote, zeer los in de huid bevestigde veeren samengesteld is, omhult den romp.

De totale lengte van de Nachtzwaluw bedraagt 26, de vlucht 55, de vleugellengte 19, de staartlengte 12 cM. De bovendeelen zijn aschgrauw met bruinzwarte en roestgele vlekken, strepen, stippels en golflijnen, de onderdeelen lichtgrijs met zwarte en donkerbruine streepjes en vlekken. Een streep boven het oog en een andere langs de mondspleet zijn witachtig. Het mannetje is licht te onderkennen aan een groote, witte vlek op het einde der beide buitenste staartpennen en aan de binnenvlag der groote slagpennen.

Deze Vogel is van het midden van Noorwegen af over geheel Europa en West-Azië verbreid. Hier te lande vindt men hem in boschrijke streken niet zelden, het meest op open plekken in naaldhoutbosschen. Hij blijft bij ons van Mei tot September; in den winter bezoekt hij alle landen van Afrika; daar hij, naar ’t schijnt, eerst in het zuiden van dit werelddeel zich vestigt.

De eenige andere Europeesche soort—de Roodhalzige Nachtzwaluw (Caprimulgus ruficollis)—bewoont het zuidwesten van ons werelddeel en meer bepaaldelijk Spanje. Zij is aanmerkelijk grooter dan de bij ons inheemsche. Haar verbreidingsgebied schijnt tamelijk beperkt te zijn. Als broedvogel bewoont zij het Pyreneesche Schiereiland en het noordwesten van Afrika; op hare zwerftochten dwaalt zij echter ook wel af naar Malta en het zuiden van Frankrijk; zelfs heeft men haar in Engeland waargenomen.

De meest bekende, hoewel misschien niet de veelvuldigste Nachtzwaluw van Noord-Amerika is die, welke wegens zijne klagende geluiden Whip-poor-Will (Caprimulgus vociferus) wordt genoemd. Zij komt in grootte ongeveer met de inheemsche soort overeen, is over de oostelijke Vereenigde Staten verbreid en bezoekt in den winter Mexico en Zuid-Amerika.

*

Het geslacht der Sleepnachtzwaluwen (Scotornis) onderscheidt zich vooral door den zeer langen, trapvormigen staart, welks beide middelste pennen ver voorbij de overige uitsteken. Het omvat drie soorten, die in Afrika thuis behooren. Eén daarvan (Scotornis longicandatus), die van 19° N.B. af het grootste deel van Noordoost- en West-Afrika en het geheele binnenland van dit werelddeel bewoont, dwaalt soms naar Zuid-Europa af. Zij heeft een lengte van 40 cM., waarvan 25 op den staart komen.

*

Bij de Water-nachtzwaluwen (Hydropsalis), die uitsluitend in Zuid-Amerika voorkomen, is de staart van het mannetje zeer diep, die van het wijfje veel minder sterk gaffelvormig ingesneden. De mannelijke Liernachtzwaluw (Hydropsalis forcipatus) is 68 à 73 cM. lang omdat de buitenste staartveer aan weerszijden een lengte van 50 à 55 cM. heeft, en derhalve ongeveer drie maal zoo lang is als het eigenlijke lichaam. De grondkleur van het vederenkleed is donkerbruin met roestgele vlekken en strepen.

*

De Wimpelnachtzwaluwen (Cosmetornis) hebben een betrekkelijk korten staart, maar kenmerken zich door de vreemdsoortige ontwikkeling harer slagpennen. Van de eerste tot de vijfde nemen de handpennen in lengte af, de zesde is iets langer dan de vijfde, de zevende is even lang als de eerste, de achtste aanmerkelijk langer, de negende eindelijk bereikt een buitengewone lengte. De hier afgebeelde soort (Cosmetornis vexillarius) is een weinig grooter dan onze Nachtzwaluw en bewoont de keerkringslanden van Centraal-Afrika.

*

Tot hetzelfde gebied behoort de merkwaardigste van alle Nachtzwaluwen, de Viervleugelige Vogel der Arabieren (Macrodipteryx longipennis), die een afzonderlijk geslacht vertegenwoordigt. De snavel en de pooten verschillen weinig van die der overige soorten zijner familie; de vleugels en de staart vertoonen echter belangrijke afwijkingen van den regel. De staart is n.l. korter dan het overige lichaam, 10 cM. lang bij een totale lengte van 21 cM., aan de spits nagenoeg recht afgesneden. De vleugel van het mannetje kenmerkt zich door een zeer in ’t oog vallende pronkveer, die bij het wijfje niet gevonden wordt. Deze veer ontspringt op de grensscheiding tusschen de hand- en armpennen, bereikt een lengte van 47 cM., bezit aan den wortel geen vlag en is aan de spits aan beide zijden van de schaft met een betrekkelijk breede, 16 cM. lange vlag voorzien, welke op zwarten grond zes breede, grauw gepoederde dwarsbanden vertoont. De bovendeelen van het vederenkleed zijn zwartbruin met een lichtere, uit stippels en vlekken bestaande teekening, de onderdeelen roestkleurig met donkere dwarsbanden.

Het verbreidingsgebied van dezen Vogel omvat vele gewesten van Middel- en West-Afrika.

Een levensbeschrijving van de hierboven kortelijk beschreven soorten kan in den grond van de zaak niets anders behelzen dan een nadere uitwerking van hetgeen vroeger reeds van de familie in ’t algemeen werd medegedeeld. Zooals reeds gezegd is, behooren verreweg de meeste Nachtzwaluwen in het woud thuis, evenwel niet in het eigenlijke, donkere oerwoud: integendeel zij kiezen juist zulke bosschen tot woonplaats, waar groote, open plekken met dichter begroeide terreinen afwisselen. Afrika’s steppenwouden, waar slechts hier en daar een boom of een struik staat, terwijl de bodem overigens met hoog gras begroeid is, moeten door de Nachtzwaluwen wel als een paradijs worden beschouwd; dit zou men althans kunnen afleiden uit haar buitengewone veelvuldigheid in deze streken. Ook de Zuid-Europeesche bosschen, die zeer dikwijls aan de bedoelde steppenwouden herinneren, zijn veel meer naar haar smaak dan onze meer dichte wouden. Bijna angstvallig vermijden zij onze uit breedbladerige boomen bestaande wouden, hoewel deze ongetwijfeld veel rijker zijn aan Insekten dan de naaldhoutbosschen, waarin zij den zomer doorbrengen. Op den trek verschijnen zij in wouden en tuinen; in het noorden zoeken zij echter uitsluitend de naaldhoutbosschen op om er te broeden.

Wimpelzwaluw (Cosmetornis vexillarius). ½ v. d. ware grootte.
Wimpelzwaluw (Cosmetornis vexillarius). ½ v. d. ware grootte.

Wimpelzwaluw (Cosmetornis vexillarius). ½ v. d. ware grootte.

Men mag aannemen, dat verreweg de meeste Nachtzwaluwen op den bodem rusten en zich slechts bij uitzondering op de twijgen neerzetten. Des nachts komt dit laatste bij alle soorten vaker voor dan over dag. Het is niet moeielijk de reden te vinden van de besliste voorliefde van de Nachtzwaluwen voor den vlakken bodem: zij stellen bepaalde eischen aan de twijg, waarvan zij gebruik zullen maken en verlangen, dat deze haar een in alle opzichten gemakkelijke rustplaats zal verschaffen. De Geitenmelker gaat alleen dan in den trant van andere Vogels op een twijg zitten, wanneer hij, uit zijn diepsten slaap opgeschrikt, tot een boom zijn toevlucht neemt; deze wijze van rusten bevalt hem echter zoo slecht, dat hij ten spoedigste een andere, gemakkelijkere plaats opzoekt. Gedurende den slaap sluit hij zijne groote oogen geheel; door zijn scherp gehoor wordt hij, naar het schijnt, te rechter tijd onderricht van een naderend gevaar. Dan kijkt hij, knipoogend als een Uil, tusschen de bijna gesloten oogleden door, tracht zich te vergewissen van de oorzaak der storing en vliegt daarna weg of drukt zich nog steviger en platter tegen den bodem aan, vol vertrouwen op de overeenkomst tusschen de kleur van zijn kleed en die van een oud stuk schors of van den grond.

De wijze waarop hij vliegt, is verschillend en hangt af van den tijd van den dag en den toestand van opgewondenheid, waarin de Vogel verkeert. Over dag is zijn vlucht fladderend, onvast en in zekeren zin onbeholpen, of ook wel ongeregeld; het is alsof een licht voorwerp door den wind plotseling opgeheven en door een luchtstrooming medegevoerd wordt om ten slotte weer op den bodem neer te storten. Geheel anders vliegt de Geitenmelker ’s nachts. Zoodra het avondrood aan den westelijken hemel verdwijnt, vangen zijne jachttochten aan. Hij is kort te voren ontwaakt, heeft zich nog eenige minuten rustig gehouden en om zich heen gekeken en scheert nu over vlakten, waar weinig of geen boomgewas voorkomt, met aanvankelijk snelle, behendige, glijdende vlucht. Zoolang de jacht zijn eenige bedoeling is, zal hij nu eens zonder merkbare inspannig, gelijk een Zwaluw, in de lucht drijven en zweven, de weinig bewogen vleugels ongeveer even hoog houdend als een vliegende Wouw, dan weer door vlug opeenvolgende wiekslagen zijn snelheid vergrooten, met den meesten spoed vooruitschieten en toch met een behendigheid, welke die der Boerenzwaluw nabijkomt, allerlei zwenkingen maken. Af en toe blijft hij met snellen vleugelslag gedurende eenigen tijd onbeweeglijk boven dezelfde plek; in dit geval heeft het een of ander verschijnsel zijn aandacht getrokken en acht hij het noodig dit nader te onderzoeken. Zoo gaat het voort, totdat de jacht wegens de duisternis gestaakt moet worden. Daar onze Vogel een kolossaal groote prooi verzwelgt—Meikevers, Mestkevers en groote Nachtvlinders b.v. bij dozijnen doorslikt,—is zijn maag in den kortst mogelijken tijd gevuld. Hij gaat nu voor een poos rustig op een tak zitten om de spijs te verteren; de Kevers komen levend in zijn maag aan en bezwijken niet spoedig; zoodra zij dood zijn, en er dus weer plaats is voor een nieuwen voorraad voedsel, vangt een nieuwe jachttocht aan. Het beurtelings jagen en rusten wordt voortgezet gedurende den geheelen nacht, voor zoover deze niet te duister en te stormachtig is. Het drukst vliegen de Nachtzwaluwen in de morgen- en avonduren.

Het jachtveld van den Geitenmelker strekt zich dikwijls tot op grooten afstand van zijn eigenlijke woonplaats uit. Hij komt in Thuringen uit de naburige wouden in de dorpen, of vliegt er hoog over heen naar een ander woud, verschijnt in Spanje boven groote steden, b.v. boven Madrid, en keert ’s morgens naar de omliggende tuinen terug, begeeft zich in Centraal-Afrika van de steppe naar de door menschen bewoonde oorden en zwerft hier dikwijls gedurende den halven nacht rond. In de nabijheid van menschelijke woningen zoowel als in het woud bezoekt de Nachtzwaluw gedurende hare nachtelijke uitstapjes met een zekere regelmatigheid bepaalde punten, om van hier uit een voorbijsnorrend Insect na te jagen, of om haar vreemdsoortig liefdesgezang te laten hooren. Niet zelden komt het voor, dat bijzondere gebeurtenissen haar nieuwsgierigheid prikkelen; het voorbijloopen van een Hond kan haar wel een kwartier bezig houden. Herhaaldelijk schiet zij dan, gelijk een Valk, op den viervoeter neer en vliegt om hem heen tot ver voorbij de grenzen van haar gebied. Menschen, die toevallig in de door haar bewoonde streek loopen, vervolgt zij eveneens dikwijls een tijd lang; zij vliegt in kleine kringen om hen heen en vergezelt ze tot aan de grenzen van het woud of nog verder.

Ook op de stompzinnig schijnende Nachtzwaluwen oefent de liefde haar toovermacht. Dat er een hevige strijd ontbrandt tusschen twee mannetjes, die naar de gunst van ’t zelfde wijfje dingen, dat zij elkander aanvallen en zoo erg mogelijk toetakelen, is een te algemeen voorkomend verschijnsel om het ook hier uitdrukkelijk te noemen; wel moet ik echter vermelden, dat alle Geitenmelkers gedurende den paartijd merkwaardige bewijzen van bekwaamheid in ’t vliegen geven. Ook de inheemsche soort levert door hare spelen in de lucht een aantrekkelijk schouwspel op. Elke beweging geschiedt in dezen tijd met meer vuur, schijnt vlugger, waardiger en koener. Iedere soort openbaart bij deze spelen eigenaardigheden; den meesten indruk maken echter, zooals licht te begrijpen is, de bewegingen van de Centraal-Afrikaansche en Zuid-Amerikaansche soorten, die een vreemdsoortigen vederentooi bezitten. Dit blijkt o.a. uit de beschrijving, die Russeger geeft van den vliegenden Viervleugel: “Indien ik een harem-opvoeding had gehad, zou ik het verschijnsel, dat wij in de lucht zagen, aan spokerij en duivelskunsten toegeschreven hebben, zoo wonderbaarlijk was dit schouwspel. De Vogel scheen veeleer door de lucht te wentelen dan te vliegen. Nu eens zag ik vier Vogels, dan weer drie, daarna twee, vervolgens was er maar één Vogel over, maar deze scheen vier vleugels te hebben; soms draaide het tooverdier als een hoepel om zijn as en werd zijn beeld vaag. De beide lange veeren, die wegens de dunheid van hare schaften een speelbal zijn van iedere luchtstrooming, bemoeielijken de vlucht; zij brengen door haar fladderen en heen en weer wapperen het genoemde gezichtsbedrog teweeg, vooral omdat de Viervleugel slechts in het bedriegelijke licht van de schemering vliegt en van nature een zeer ongeregelde en onzekere beweging heeft.”

De stem van de Nachtzwaluwen is zeer verschillend. Van eenige soorten hoort men bijna niet anders dan een soort van gespin, andere brengen meer of minder welluidende tonen voort. Het geluid, dat onze Geitenmelker maakt, als hij over dag plotseling wordt opgeschrikt, is een zwak en heesch “dak dak,” in tijd van gevaar een zwak en zacht geblaas, zooals dat van de Uilen.

Dat het geschreeuw van eenige Amerikaansche Nachtzwaluwen een zeer bijzonderen indruk maakt, valt niet slechts af te leiden uit het feit, dat de onontwikkelde bewoners van dit werelddeel deze Vogels schuwen, maar ook uit de zonderlinge namen, waarmede de meer beschaafde bevolking hen aanduidt. Schomburgk beschrijft op een schilderachtige wijze de stemmen van de bewoners van het oerwoud, die hoorbaar werden, zoodra het luide gezang, het uitbundig gelach van de kleurlingen, die den reiziger begeleidden, verstomden. “Op den vroolijken juichkreet volgden de doffe jammerklachten van verschillende soorten van Geitenmelkers, die, zittend op de dorre, boven den waterspiegel uitstekende twijgen van de boomen, die in de rivier gezakt waren, hunne steunende klaagtonen in den maneschijn lieten weerklinken. Zoo somber en huiveringwekkend zijn de doffe geluiden dezer dieren, dat ik de afkeer en vrees, die zij inboezemen, zeer natuurlijk vind. Geen Indiaan, geen Neger, geen Kreool van de kust zal een dezer Vogels durven schieten; de Indianen houden hen voor dienaren van den boozen geest Jabahoe en van diens toovenaars; de Negers beschouwen ze als boden van den geest Jumbo; de Kreolen meenen, dat het geschreeuw van de Nachtzwaluw het onfeilbaar voorteeken is van een sterfgeval in hun huis. De indruk, dien deze geluiden maken, wordt door Waterton in zijne “Reizen” op de volgende prettige wijze geschetst: “In het eene oogenblik klonk ons uit gindsche boomen of van den naburigen oever het klagende “ha-ha-ha-ha-ha-ha-ha” tegemoet, dat met een helderen, vollen toon begint en langzamerhand tot een wegstervende zucht afdaalt, kort daarna hoorden wij de met angstige haast uitgeschreeuwde vraag “Who-are-you, who-who-who-are-you?” (Wie ben-je, wie, wie, wie ben-je?), vervolgens weer het dof bevel “Work-away-work-work-work-away” (Werk door, werk werk werk door), terwijl in het volgende oogenblik een van het innigste verdriet getuigende stem mij smeekte “Willy-come-go, Willy-Willy-Willy-come-go” (Willem, kom, ga mee, Willem, Willem, Willem, kom, ga mee) en een andere klaagde: “Whip-poor-Will! Whip-whip-whip-whip-poor Will!” (Arme Willem slaan! slaan enz.) tot plotseling het krijschende geschreeuw van een Aap, die in zijn slaap gestoord of door een Tijgerkat overvallen werd, uit het duistere woud tot ons kwam.”

Zelfs aan Vogels, die zich goed bewegen kunnen, biedt de nacht veel minder gelegenheid tot ontwikkeling van den geest dan de dag met zijn helder licht en velerlei afwisseling; bovendien en vooral krijgen zulke wezens den algemeenen vijand der dieren, den mensch, slechts zelden te zien. Dit maakt de nieuwsgierigheid van den Geitenmelker verklaarbaar. Ieder ongewoon verschijnsel trekt in de hoogste mate zijn aandacht; hij schroomt geen moeite om het nader te onderzoeken. In eenzame wouden komt hij bij den reiziger, die zich verlaat heeft en vliegt in kleine kringen om hem heen, of begeleidt hem vele minuten lang, ongetwijfeld met de bedoeling om beter bekend te worden met een wezen, dat hem zoo zelden onder de oogen komt. Nog meer wordt zijn nieuwsgierigheid geprikkeld door het plotseling ontsteken van licht. Niet slechts de Sleepnachtzwaluw, maar al zijne verwanten worden door het kampvuur aangelokt en zwermen er op de vreemdsoortigste wijze omheen. Door een schot worden zij letterlijk overbluft, al heeft het geen hunner getroffen. Zij staken dan plotseling hun tocht en blijven, onbekend als zij zijn met de gevaarlijkheid van het vuurwapen, met snellen vleugelslag onbeweeglijk boven dezelfde plek zweven, om de beteekenis na te gaan van het voorval, dat zooeven plaats had. Dat zij zich op deze wijze nogmaals blootstellen aan het gevaar van doodelijk getroffen te worden, komt hun niet in de gedachte: zij missen de hiervoor noodige ervaring. Wanneer echter één van de leden van een paar gevallen is, neemt het andere zich gewoonlijk wel in acht; ook zij worden door de ervaring wijs.

Naar het schijnt, broeden alle Geitenmelkers slechts éénmaal in ’t jaar. In verband met de ligging der door hen bewoonde landstreken geschiedt dit op verschillende tijden, in den regel n.l., wanneer het daar lente is. Na de paring en zoodra ieder paar een bepaald gebied als woonplaats gekozen heeft, legt het wijfje op de plaats, die zij het veiligst acht, twee eieren op den grond. Bij voorkeur legt zij ze onder struiken, welker twijgen tot op korten afstand van den bodem reiken, maar ook wel op een met mos begroeiden boomstronk, in een graspol en op dergelijke plaatsen, in den regel daar, waar men ze niet licht zal zoeken. Onze Geitenmelker schijnt met bijzondere voorliefde plekjes uit te kiezen, waar fijne spanen van een afgehouwen boom, stukjes schors, afgevallen naalden en dergelijke voorwerpen liggen. Een nest bouwen zij nooit; op de plaats waar zij broeden zullen, brengen zij niet de geringste verandering aan. Beide ouders toonen een innige genegenheid voor hun gebroed en nemen waarschijnlijk ieder hun deel van de zorgen, die het vereischt. De broedende Geitenmelker maakt, bij dreigend gevaar van de gewone list van zwakke Vogels gebruik: over den bodem voortfladderend, alsof hij verlamd is, beijvert hij zich om de aandacht van den vijand te trekken, lokt hem steeds verder van het nest weg en stijgt dan plotseling omhoog om in snelle vlucht weg te vliegen en naar zijn nest terug te keeren. Als men bedaard en zoo veel mogelijk zonder beweging te maken, in de nabijheid van de gevonden eieren blijft zitten, ziet men het wijfje na verloop van geruimen tijd terugkomen, op eenigen afstand van de eieren zich nederzetten en voorzichtig, vol argwaan rondkijken. Eindelijk ontdekt of herkent zij den spionneerenden mensch, kijkt hem nogmaals oplettend aan, denkt even na en begint eindelijk zich te bewegen. Met waggelenden gang voorttrippelend, nadert zij hoe langer hoe meer den rustverstoorder, komt eindelijk dicht bij hem en begint, met het doel om hem verschrikt te maken en te verjagen, te blazen en de veeren op te zetten. Deze gebaren zijn zoo vermakelijk, zoo onverwacht, dat E. von Homeijer, aan wien ik de mededeeling van dit feit te danken heb, nooit verzuimde om aan de dierenliefhebbers onder zijne gasten dit verrukkelijke schouwspel te verschaffen, door hen naar de eieren van een in zijn tuin broedende Nachtzwaluw te brengen, die hij onder zijne bescherming had genomen.

Audubon heeft bij een soort van Nachtzwaluw opgemerkt, dat de ouders, zoodra het nest ontdekt wordt, hunne eieren en hunne kleine jongen naar een ander gedeelte van het woud dragen; het is niet onmogelijk, dat alle overige Geitenmelkers op dezelfde wijze te werk gaan. Het wegsleepen van de eieren heeft trouwens alleen dan plaats, als zij door een mensch aangeraakt zijn; de Vogel blijft rustig zitten broeden als de persoon, die het nest ontdekte, weer weggegaan is zonder de eieren aan te raken.

Het is mogelijk, maar tamelijk moeielijk, jong uit het nest genomen Geitenmelkers groot te brengen. De uitkomst is gunstig, wanneer men ze niets anders dan Nachtvlinders en Kevers voert; de jongen sterven echter na korten tijd, wanneer men ze uitsluitend Vliegen geeft. Zij houden wel van warmte, maar niet van zonneschijn: als zij vóór het venster in de zon gezet worden, kruipen zij altijd naar de plaatsen, waar de schaduw van de raamposten valt en vleien zich hier neder.

Niet alleen onze Geitenmelkers, maar de Nachtzwaluwen in ’t algemeen doen nimmer schade aan de menschelijke huishouding en bewijzen daarentegen zeer belangrijke diensten; zij verdienen daarom overal en te allen tijde onze bescherming. Ieder die de zeden en gewoonten van deze dieren uit eigen ervaring heeft leeren kennen, zal van hen houden. Van al het kwaad, dat hun ten laste wordt gelegd, is geen woord waar.

*

De in Zuid-Amerika levende Reuzen-nachtzwaluwen (Nyctibius) hebben een buitengewoon grooten kop met een tot onder het oor reikende mondspleet; zij kunnen dus den bek zeer wijd openen; de bovensnavel is aan de spits sterk haakvormig omgebogen en onmiddellijk daarachter aan elken zijrand met een ruim 2 mM. lang, hoekig uitsteeksel voorzien. Men ziet niet veel van het hoornachtige deel van den snavel, omdat deze grootendeels bevederd is: de bovensnavel tot aan de neusgaten, de ondersnavel tot dicht bij de spits. De vleugels zijn lang en spits; de staart is betrekkelijk lang en aan den top flauw afgerond, het vederenkleed goed gevuld, zacht en los. De pooten zijn kort, de teenen slank, de nagels matig groot en een weinig gekromd; de middelste heeft een scherpen, uitstekenden buitenrand, welke echter niet kamvormig gekorven is, zooals bij de meeste Nachtzwaluwen.

De grootste soort, die door de Guaranen Ibijau (“Aard-eter”) wordt genoemd (Nyctibius grandis), heeft de grootte van een Raaf (totale lengte 55, staartlengte 27, vlucht 55 cM.). Zij wordt, naar het schijnt, in alle wouden van Zuid-Amerika gevonden; zoowel in Cayenne als in Paraguay heeft men er exemplaren van gevangen. Waarschijnlijk is zij niet zoo zeldzaam, als men gewoonlijk aanneemt; het kost echter moeite haar te ontdekken, daar zij over dag altijd in de dicht belommerde kroon van een hoogen boom zit, lang uit tegen een dikken tak aangedrukt. Vertrouwend op haar beste beveiligingsmiddel, op de kleur van haar kleed, welke op die van boomschors gelijkt, beweegt zij zich niet, hoeveel moeite men zich ook geeft om haar op te jagen. In de schemering daarentegen is zij niet minder vlug en behendig dan hare verwanten. “In de onbeschrijfelijk aangename maneschijn-nachten van de heete landen,” schrijft de Prins Von Wied, “is het dikwijls zoo helder licht, dat de jager op grooten afstand de voorwerpen duidelijk kan onderscheiden. In zulke nachten ziet men de Ibijaus op groote hoogte als adelaars voortzweven en groote afstanden doorvliegen, zich bezig houdend met de vangst van groote Avond- en Nachtvlinders. Er zijn in Brazilië een menigte zeer groote Vlinders, die slechts door een geweldig grooten bek verzwolgen kunnen worden; deze Vlinders hebben in de Reuzen-nachtzwaluw hun vreeselijksten vijand en worden door haar in grooten getale verslonden. De overblijfselen van deze maaltijden—de vlindervleugels, die niet mede doorgeslikt worden—vindt men dikwijls in groote menigte in de wouden op den grond.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings