Note 20 — De Boomvogels (Coracornithes). (continued 11)
Reading edition
De Spechten (Picidae) hebben de volgende kenmerken gemeen: De romp is langwerpig, de snavel dik, meestal recht, kegel- of beitelvormig, de scherpkantige snavelrug eindigt aan de spits in een verticalen, snijdenden rand. De pooten zijn kort, dik en binnenwaarts gebogen, de teenen lang en bij paren geplaatst; die van het voorste paar vergroeien onderling tot op de helft van het eerste lid. Bij den eigenlijken achterteen, de kortste van alle vier, heeft zich de buitenste voorteen, de langste van alle teenen, gevoegd; het komt echter ook wel voor, dat de achterteen rudimentair is of geheel ontbreekt, zoodat de poot slechts drie teenen heeft20. Alle teenen zijn met zeer groote, dikke, scherpe, halvemaanvormige klauwen gewapend. De vleugels zijn middelmatig lang en een weinig afgerond, de 10 handpennen smal en spits, de 9 à 12 armpennen iets breeder, maar gewoonlijk niet veel korter dan de eerstgenoemde. Van deze is de eerste handpen zeer klein, de tweede middelmatig lang, de derde of de vierde is de langste. Zeer eigenaardig is meestal de staart. Hij bestaat uit 10 groote en 2 zijdelings geplaatste kleine pennen, die echter niet onder, maar boven de eerste groote liggen. De beide middelste staartpennen zijn de langste en dikste. Hare schaften nemen naar de spits in dikte af, zijn zeer buigzaam en toonen een groote veerkracht. De baarden van deze veeren zijn aan de wortelhelft dicht bijeengeplaatst en saamverbonden; nader bij de spits zijn zij vrij, nemen in dikte toe en verkrijgen een andere richting, daar zij van weerszijden naar onderen wijzen, zoodat de veer met een dak te vergelijken is, waarvan de schacht de nok voorstelt. Onder dit dak ligt het tweede paar middelvederen, die dezelfde samenstelling vertoonen, onder deze het derde. De veeren van het vierde paar gelijken op die van het derde; het vijfde of buitenste paar groote veeren heeft den gewonen vorm; de kleine pennen eindelijk trekken, behalve door haar ligging, ook nog door grootere hardheid de aandacht. Het kleed bevat nagenoeg in ’t geheel geen donsveeren; de contourveeren hebben verreweg de overhand. De kleur biedt ondanks alle verscheidenheid toch één punt van overeenstemming aan: de kop pronkt n.l. steeds met prachtig roode veeren. De mannetjes en wijfjes zijn het best te onderscheiden aan de meerdere of mindere uitgebreidheid en aan de aanwezigheid of het gemis van het rood op den kop. De kleursverdeeling levert bij de Spechten betrouwbaarder grondslagen op voor de rangschikking dan bij eenige andere groep van Vogels; het is daarom gebruikelijk van Zwarte, Groene, Bonte Spechten enz. te spreken.