AEN DEN LEEUW VAN HOLLANT. (continued 2)
Reading edition
»Gaarne had ik gezien, enz.”
»Indien ik mij overigens met de wet konde vereenigen, zoude ik den spreker uit Leijden op zijne gemaakte bedenkingen in het breede antwoorden. Ik ben zóó zeer overtuigd van zijn verlicht oordeel en rondborstig karakter, dat ik geenszins twijfel, of hij zoude toestemmen, dat de door hem gemaakte bedenkingen het droogmaken van het Haarlemmermeer niet behooren tegen te houden, indien dit op goede grondslagen ondernomen kan worden; eenige aanmerkingen moet ik evenwel ook thans maken.”
»Maar hoe het ook zij: uit het regt, dat Leijden heeft op een gedeelte van het Meer, volgt niet, dat het droogmaken van dien plas ongeoorloofd zoude zijn; maar, dat het droogmaken niet behoort te geschieden, zonder behoorlijke schadeloosstelling. Of zoude men, om eene visscherij te behouden, welke ’s jaarlijks, volgens den spreker, twee duizend guldens opbrengt, geheele landstreken aan een wis verderf moeten overgeven en eene stad als de hoofdstad des Rijks in het grootste gevaar moeten brengen? En dit toch zal eenmaal het geval zijn, indien het Haarlemmermeer niet wordt beteugeld. Zoo ooit onteigening ten algemeenen nutte billijk en regtvaardig is, dan is zij het in dit geval.”
»Het verdient hier opgemerkt te worden, dat vele van die meertjes, welke de spreker heeft opgenoemd, niet op de kaarten, die in later tijd gemaakt zijn, gevonden worden; waarschijnlijk heeft het inéénloopen van sommigen derzelve het Leijdsche meer doen ontstaan, even zoo als dit vroeger door welige landsdouwen van de meer noordelijk gelegen meren afgescheiden, naderhand met dezelve in één is gesmolten, zoodat het Leijdsche meer in vervolg van tijd ook met het Haarlemmermeer, met het Oudemeer en het Spieringmeer vereenigd zijnde, meer en meer tot het IJ is genaderd en thans dien geduchten plas uitmaakt, over welken wij handelen.”
»Het is waar, hetgeen de spreker zegt, dat reeds zoo dikwerf de klagten over het gevaarlijke van dat Meer zijn opgerezen, dat men bijna twijfelen zoude, of dat gevaar wel zoo groot zij. Maar juist dat herhalen dier klagten bewijst het gevaar; want dit bewijst, dat de landerijen, welke in de golven zijn verzonken, niet in ééns en door eene groote en onvoorziene omwenteling der natuur zijn vernietigd; maar door de langzamerhand voortgaande uitbreiding dier wateren. Zoo dikwerf als zware stormen in de waterkeeringen doorbraken en verlies van land veroorzaakten, werden die klagten opgeheven. Wanneer de wateren wederom geweken, de waterkeeringen óf hersteld óf met de vóórliggende landen verdwenen waren en de eigenaars derzelve het verlies, als door eene vis major veroorzaakt, hadden moeten dragen, dan, ja, zwegen die klaagstemmen voor het oogenblik; maar nieuwe rampen deden nieuwe klagten ontstaan, en nieuwe landeigenaars deden op nieuw dezelfde klagten hooren; doch ook dán werden deze stemmen wederom gesmoord. Intusschen bleef de vijand niet rusten, zijn geweld vermeerderde met zijne uitbreiding: de dorpen Nieuwerkerk, Rijk en Vijfhuizen verdwenen; de visscherij moge er bij gewonnen hebben; maar het gevaar werd hoe langer hoe grooter. In de vorige eeuw was de Akerweg nog tot waterkeering dienende tegen het Meer; het herstellen der doorbraken in denzelven, en van de waterkeering, werd toen door de landmeters van Rhijnland begroot op ƒ 140,400 of ƒ 188,660, naar mate dat het werk meer of minder volkomen zoude zijn. Doch men heeft toen tot andere min kostbare maatregelen de toevlugt genomen:—die Akerweg is geheel vernield,—vóór- en achterliggende landen zijn verdwenen: wij zien omtrent den Osdorper-weg, die veel meer noordelijk gelegen, toen een binnenweg was, thans dezelfde zwarigheden ontstaan;—wij zagen dien ook verschillende malen dóórbreken, en wij zagen het Haarlemmermeer de landerijen en noordelijke polders tot aan de poorten van Amsterdam en den Haarlemmerweg met groot geweld innemen.”
De tiende spreker was de Heer Druyvensteyn, welke aldus sprak:
»Dat ik mij verpligt vinde mijne stem aan het voorgedragen wetsontwerp, tot uitgifte van losrenten ten laste van de overzeesche bezittingen, tot het doen van voorschotten voor openbare werken te ontzeggen, is niet om mij daardoor te verklaren tegen het aanleggen van spoorwegen, veel minder om mij te verzetten tegen het droogmaken van het Haarlemmermeer, en zelfs niet om aan de Regering de gelegenheid te ontnemen, door bijdragen, verschillende werken van algemeen nut en belang te helpen verbeteren, maar, al in de eerste plaats, omdat ik het oogenblik, waarin wij zijn, voor dergelijke belangrijke werken niet gelukkig gekozen vind, en een verwijl, al ware het dan ook maar van korten duur, wenschelijk en voorzigtig beschouw, en ten andere, maar ook bepaaldelijk, omdat ik mij met het aangewezen fonds niet kan vereenigen.”
»Of een spoorweg in ons land enz.”
»Wat de droogmaking van het Haarlemmermeer betreft, hoe vele ontwerpen zijn daartoe niet reeds gemaakt, met Leeghwater en welligt reeds vroegere te beginnen; hoe vele wenschen zijn daartoe gedaan; hoe dikwerf is het noodzakelijke aangetoond, en hoe is dit Meer, onder het maken van al die plannen en berekeningen, uitgebreid, in werking en kracht toegenomen, en hoe zal hetzelve eindelijk bij zoodanigen voortgang gevaarlijk worden en eene droogmaking gebiedend vorderen?”
»Ik ben zeer voor het droogmaken van het Haarlemmermeer, en behalve het hiervoren gezegde, vereenig ik mij met de woorden der Regering in de eerste antwoorden op dit onderwerp gegeven, dat de keus niet twijfelachtig kan zijn, dezen uitgestrekten en dreigenden waterplas in vruchtbare velden herschapen te zien; maar ik verschil van opinie omtrent de wijze van uitvoering: ik wenschte de onderneming aan partikulieren toebetrouwd te zien en, om daarbij eens in den geest van het onderwerp in eenen landelijken zin te spreken, bezig ik het spreekwoord: wien de koe behoort vat ze bij de hoornen. Bij eene eigen onderneming wordt die spreuk met ernst voor oogen gehouden, en de bewustheid van voor het groote kantoor te werken leidt niet tot nuttelooze kosten.”
»In Noordholland zijn in vroegere eeuwen veertig, en welligt meer, zoo groote als kleine waterplassen, door particuliere ondernemingen in land herschapen, en mogen wij hierin den ondernemenden geest onzer voorvaderen opmerken, het tegenwoordig geslacht mag er ook op roemen, dat de moed voor groote zaken nog niet is verloren, en het droogmaken van het Haarlemmermeer nog geen onderwerp is om tegen op te zien; maar door ondervinding wijs geworden, kan zoodanige onderneming niet onvoorwaardelijk plaats vinden: bijna alle droogmakingen, ten minste in Noord-Holland, hebben, zelfs bij de geringere arbeidsloonen en bij zeer lage prijzen der levensmiddelen, óf eene ongunstige óf hoogstens eene zeer matige uitkomst opgeleverd, en bij eene vrij zeker schadelijke uitkomst, zoo als bij de droogmaking van het Haarlemmermeer toch wel het geval zal wezen, zoude de onderneming door particulieren, zonder gunstige conditiën, eene dwaasheid zijn.”
»Maar de Regering kan hierin te gemoet komen: laat dezelve voor deze droogmaking, ook met inbegrip van het Spieringmeer, dat, zoo ik mij niet vergis, ook het idee der commissie is, eene billijke bijdrage aanbieden, vrijdommen verleenen en al wat tot deze zaak wenschelijk kan zijn, gemakkelijk maken, en daartegen bepalingen vasthouden, die van de zijde der Regering niet verloren mogen gaan.”
»Zoo zal bij voorbeeld Rhijnland in deszelfs bestuur en regten bescherming behoeven, het zal van belangrijke bezwaren ontheven, maar ook met andere moeten belast worden; voor de ontlasting van het boezemwater, dat zich op een’ veel kleineren omtrek zal beperkt vinden, zal met naauwgezetten ernst moeten gezorgd worden; de landerijen, die aan dezen verkleinden waterboezem zullen grenzen, en na de bedijking van het Meer als oude landen zullen voorkomen, zullen welligt tegemoetkoming behoeven voor het aanleggen, verhoogen of verzwaren hunner waterkeerende dijken; de plaatsing der watermolens en stoommachines, de verbetering en vermeerdering van sluizen, zal niet naar willekeur moeten geschieden; het getal der beide eerste zal aanvankelijk onzeker, maar nader in verband met de blijkbare behoefte worden vastgesteld, en meer dergelijke zaken, als door de ondervinding zullen aangewezen worden, noodzakelijk te zijn.”
»Onder het voorbehoud van alle zoodanige bepalingen aan de zijde der Regering, zal het Haarlemmermeer worden drooggemaakt, zonder andere belangen te kort te doen of te benadeelen, en hoe hoog de bijdrage der Regering ook moge worden bepaald, ze zal niet onzeker en altoos minder zijn, dan de kosten eener eigene onderneming; de regten van Rhijnland zullen bewaard, de belangen der omgelegen landen zullen beschermd worden, een gevaarlijke plas zal niet meer bestaan, en aan het algemeen belang wordt eene hoogstwenschelijke en nuttige bijdrage gebragt.—Ik herzegge, aan het algemeen belang, want de provincie mag er door verbeteren, en van de mogelijkheid eener gedeeltelijke overstrooming bevrijd worden, maar ’s Rijks kas alleen zal éénmaal, al moge zulks nog verre verwijderd zijn, de vruchten van het drooggemaakte Meer plukken.”
Hierop volgde de Heer de Bordes, welke zeide:
»Wat het droogmaken van het Haarlemmermeer betreft, ben ik overtuigd van al het heilzame van hetzelve, en ik erken tevens, dat dit gedeelte van het ontwerp van wet zich om zeer vele redenen, uitgedrukt in de memorie van toelichting van het Gouvernement, aanbeveelt.”
“Het betoog van het geëerd lid uit Leijden voor het uitsluitend regt van de genoemde stad op het Haarlemmermeer, hetzij dan op den grond van hetzelve, hetzij op de visscherij in dien waterplas, uit oude stukken ontwikkeld, is mij zeer belangrijk en wetenswaardig voorgekomen;—maar wanneer ik ook bij nader onderzoek dier stukken eene nog meer volledige overtuiging van dat regt mogt verkrijgen, zoude het voor mij geene genoegzame beweegredenen opleveren, omdat naar mijn inzien het regt der stad Leijden dan gelijk zoude staan met alle andere particuliere eigendommen, die tot bevordering van algemeen nut, behoudens eene billijke schadevergoeding, onteigend kunnen worden.”
»Doch, hoezeer ik dan aan de eene zijde overtuigd ben van het nuttige der zaak, gevoel ik aan den anderen kant de billijkheid, dat een werk van zoo veel nut voor deze provincie, en waarbij het Hoogheemraadschap van Rhijnland ook zoo zeer betrokken is, niet uitsluitend worde daargesteld ten, koste van de algemeene schatkist.”
»Het is wel waar, de voordeelen, welke uit die droogmaking zullen voortvloeijen, zijn niet alleen eigen aan de provincie Holland, maar ook de algemeene Staat heeft er belang bij, om die gevaarlijke binnenlandsche zee uit het midden van den vaderlandschen grond te doen verdwijnen; doch dat belang is toch meer bijzonder dat van het gewest, waarin die waterplas zich bevindt, en vooral ook dat van het Hoogheemraadschap, hetwelk daardoor zal bevrijd worden van de groote kosten, die de beveiliging van de oevers van het Haarlemmermeer jaarlijks vordert.”
»Ik zoude derhalve met velen mijner medeleden instemmen, dat wel de Rijks schatkist zich met een aanzienlijk gedeelte van de vereischte kosten bezwaren kan, maar meen tevens, en wel vooral ook, omdat de toestand van ’s lands kas zoo veel uitsparing vereischt, dat de mede-geïnteresseerden in die kosten moeten deelen.”
»En daar ik dit in de concept-wet niet aangetroffen heb, en vooral ook, daar ik voor de algeheelheid der kosten hetzelfde fonds vind aangewezen, hetwelk ik voor den ijzeren spoorweg moet afkeuren, heb ik ook gemeend aan dit aangelegen werk, hoe wenschelijk op zich zelf, mijne stem niet te kunnen geven;—moetende ik daarbij aan de beoordeeling van meerkundigen overlaten, in hoe verre de geprojecteerde uitvoering van het ontwerp aan gegronde bedenkingen, of aan die, welke wij in deze zitting hebben hooren aanvoeren, onderhevig is, en of de raming der kosten als voldoende kan worden geacht.”
»De wijze van voorziening in de vereischte kosten belet mij ook te stemmen voor de werken van verschillenden aard, en ik oordeel tevens met de afdeeling, tot welke ik behoord heb, dat die werken in de wet zelve hadden behooren uitgedrukt te worden, en dat ten aanzien der kosten, voor ieder derzelve vereischt, eene afzonderlijke opgave van hetgeen de algemeene lands-kas daarin zoude behooren te dragen, in de wet had behooren gevoegd te worden.”
»Eene geregelde toestemming der Staten-Generaal in deze buitengewone credieten scheen mij zulks te vorderen.”
De veertiende spreker was de Heer Hooft, welke dus sprak:
»Ik was voornemens, om een uitgebreid advijs uit te brengen over de onderhavige wet; maar toegevende aan het verlangen van vele leden en in aanmerking nemende de lang gerekte aandacht van U Edel Mogenden, waarvan ik geen misbruik wil maken, zoo zal ik, daar vele van mijne bedenkingen reeds door andere leden zijn opgenomen, verder van het woord afziende, mij alleen bepalen tot één punt, waartoe ik mij verpligt gevoel. Daar het U Ed. Mogenden bekend is uit de stukken, welke wegens het Haarlemmermeer zijn medegedeeld, dat ik behoord heb tot de commissie, welke daarover rapport heeft uitgebragt, en als strijdig met de bemoeienissen dier commissie, voor dezelve, maar vooral voor de Regering, welke die commissie heeft benoemd, eenigzins grievend is voorgedragen, namelijk alsof het Bestuur van Rhijnland ten deze niet ware gekend; iets dat niet alleen in de afdeelingen, maar ook bij de beraadslaging van heden, en wijders in een adres aan deze Kamer gerigt en in de dagbladen opgenomen en publiek geworden, is beweerd: hierover nu moet ik U Ed. Mogenden zeggen, dat op gevraagde voordragt van Rhijnland door Z. M. de Heer du Pui, Secretaris van de stad Leijden, in die commissie is benoemd geworden, even als de Heer de Bruyn Kops, Burgemeester van Haarlem, welke ook is lid van het Bestuur van Rhijnland, zoodat twee leden van dat Bestuur in de commissie zitting hadden; dat die Heeren, even als ik voor Amsterdam daarin zitting hebbende, met ruggespraak met onze committenten hebben gehandeld, zoodat die Heeren den Heer opzigter van Rhijnland, Hanegraaff, in onze deliberatiën en ter visie der stukken hebben medegevoerd, zoowel als ik een’ deskundige uit de hoofdstad; dat al de bezwaren van Rhijnland tegen het ontwerp der droogmaking zijn overwogen en geweken, voor het namens dat Bestuur aan onze commissie ingeleverd en door dezelve in deszelfs geheel overgenomen plan met teekening en raming van kosten voorzien, (thans nog ter inzage op de griffie van deze Kamer liggende), van de geprojecteerde verbeterde uitwatering te Katwijk; en dat wijders het bij onze commissie ook door mij sterk aangedrongen voornemen om de droogmaking van het Spieringmeer aan te raden, is opgegeven, alleen toen wij de zekerheid meenden te hebben, dat bovengemelde medewerking van Rhijnland getuigde van de goede gezindheid ten deze van dat Bestuur, en hetzelve daardoor genoegzamen waterboezem erkende te hebben.”
In de Nederlandsche Staats-Courant van den 21 April 1838, No. 95, heeft de Heer Hooft dan ook de redevoering, welke hij had vermeend in de Kamer uit te spreken, doen drukken; ik neem uit dezelve hier over hetgeen tot het Haarlemmermeer betrekking heeft en aldus luidt:
»Heb ik iets gezegd over de ijzerbaan, althans zullen U Edel Mogenden dit van mij verwachten van het Haarlemmermeer, eene zaak, die ik daarentegen gaarne derzelver beslag zag verwerven, door deze hoogst gevaarlijke en al meer en meer toenemende vernielingskracht uitoefenende binnenlandsche zee te zien droog gemaakt en herschapen in eene welige vlakte, waartoe de wensch van allen, die de zaak kennen, zich zoo ernstig uitstrekt; en ook daaronder mag ik mij rangschikken, zoowel als grondeigenaar, alsook als belastingschuldige van Rhijnland, en vermeen dus mijne stem in die betrekking, met mijne mede-slagtoffers van de woelingen van dat Meer, zoowel voor de droogmaking te mogen verheffen, als andere bunderpligtigen aan Rhijnland, die tot dus verre gespaard zijn, er tegen willen spreken. Maar, Ed. Mog. Heeren! wat zal ik al veel bijvoegen bij hetgeen staat in het u bekend rapport der commissie van onderzoek deswege, waar ik de eer gehad heb van mijne teekening onder te stellen, en dat het noodzakelijke, het uitvoerlijke, en, in één woord, het aannemelijke daarvan vrij overtuigend moet bewijzen.”
»Ik beken, dat ik gaarne gezien had, dat deze onderneming zich ook had kunnen uitstrekken over het zoogenaamde Spieringmeer; maar toegevende in dezen aan de zwarigheden, die zich in de uitvoering opdeden bij een zeer gewigtig waterbestuur in die streken, welks medewerking veel waard was en waarvan de tegenwerking niet verkieslijk was, zoo heb ik dat stuk geteekend in de volle verzekering, dat het Bestuur van Rhijnland, waarvan twee leden het rapport mede geteekend hebben, en na gehoudene ruggespraak met hunne medebestuurders, aan die commissie hoogst belangrijke hulpmiddelen hebben gesuppediteerd en door deze zijn overgenomen;—ik beroep mij, om niets meer of anders te noemen, op het project met teekening en raming van de uitbreiding van het Katwijksche kanaal, ter griffie dezer Kamer in natura aanwezig en door Rhijnlands Bestuur opgemaakt, aan de commissie overgegeven: is dit hooren van dat Bestuur, of is het dit niet? (Ik vraag dit tot wederlegging van het ongegronde van den kreet, alsof dat Bestuur onkundig van de zaak was).—Zoo heb ik, zeg ik, dat stuk geteekend, al wordt de droogmaking niet zoo volledig als ik die wenschte: andere leden dier commissie met mij het wenschelijke van het droogmaken van het Spieringmeer opgegeven hebbende, alleen omdat wij op Rhijnlands medewerking staat maakten. Maar ik zie, dat ik uit ijver voor de zaak te verre ga, en mij inlaat in eene aanprijzing van dezelve, die minder het onderwerp onzer beoordeeling moet zijn: de vraag, of er gelden uit de schatkist voor moeten gegeven worden, is alleen van onze competentie, en ja antwoord ik daarop.”
»Het is geen werk voor nageburen of omliggende grondbezitters, deze zijn reeds óverbelast in al de Rijks lasten: dit is één- en andermaal bewezen, toen wij over de grondlasten beraadslaagden; deze zijn bovendien nog zóódanig gedrukt door molen-, polder- en andere ongelden, dat abandonneren van hunne bezittingen eerder het voornemen zoude zijn, dan nieuwe lasten te dragen; met grond dus mag men ’s Rijks hulp in dezen zoo goed vragen en verwachten, als wij jaarlijks andere provinciën, zoo als Zeeland en Overijssel, in verhouding tot de overige, overwigtige aandeelen zien trekken bij de begrooting in de waterwerken van het geheel; en let men er dan op, aan wie de eindelijke voordeelen van de opbrengsten der drooggemaakte gronden zullen baten, is het dan niet in de Rijks cassa, dat verre het meerendeel van al de directe en indirecte belastingen, die door de zich aldaar te vestigen bevolking zullen opgebragt worden, zullen vloeijen?”
»Eene zwarigheid nog moet ik opnemen, die noch bij de commissie bovengemeld, waar de bezwaren der stad Leijden door de welwillendheid van Z. M. zijn ingezonden geweest, noch in de aanmerkingen der afdeelingen is geopperd, maar nu voor het eerst in de beraadslaging is opgekomen tegen de droogmaking van het Haarlemmermeer, en deze is: dat dit Meer een eigendom dier stad zoude zijn, en die stad niet gehoord zoude zijn in dezen.”
»Het is waar, er was in die commissie geen lid van de Regering dier stad, hoezeer de Secretaris van dezelve als lid van Rhijnland daarin zitting had. Het punt van eigendom is niet geopperd, zeide ik; doch was dat opgegeven, wel nu, het antwoord zoude zijn geweest, als men dan dien eigendom bewees: Gij, eigenaar! zorg dan, dat uw eigendom niet schade aan derden. En hoe hoog dit nu opgevijzeld is, even sterk zoude die stad dit eigendoms-regt zoeken af te schuiven, wanneer al de gelden, die het Rijk, Rhijnlands bunderpligtigen en alle zij, die schade door de Meer-wateren geleden hebben of lijden, moeten dragen, betaald zijn, op die stad eens verhaald wierden. Ik geloof dus weinig aan dat bezwaar te mogen hechten, en juiche toe, dat wij eene grondwet hebben, die in art. 215 het toezigt over die werken aan den Koning opdraagt, om die eigenaren, die door veronachtzaming van het onderhoud van hunnen eigendom anderen schaden, op den regten weg te brengen. Wat het hooren betreft, kan ik hier nog bijvoegen, dat de commissie, alléén op de vraag dier stad, een’ duiker ter inlating van water van den IJssel heeft voorgedragen, en daartoe is besloten, al zijn de kosten niet in de raming opgenomen. En waarom niet? omdat die stad niet, even als Rhijnland voor de verbetering van het ja thans niet voldoende, maar nu verbeterd zullende worden Katwijks kanaal, eene begrooting en raming van kosten heeft opgegeven.”
»Er is in de afdeelingen ook gesproken van den wederstand, welken die droogmaking ondervindt bij twee adressen aan deze Kamer ingezonden. Wat betreft het eene van den Heer van Pallandt, dit is eigenlijk niet tegen de droogmaking zelve, maar tegen de wijze hoe, en behoort dus geheel bij de administrative en niet bij de wetgevende magt; deze Kamer kan toch wel niet beslissen, of er een stoomwerktuig te Sparendam al dan niet moet komen. Het andere van eenige grondeigenaars, waaronder een lid van Rhijnlands Bestuur, een Bestuur dat, hoe groot in magt en hoe groot in dezen ook opgevijzeld, inderdaad dan toch maar is een Polderbestuur in het groot, alleen in de middelen van uitvoering werkzaam door omslag en poldergelden door de grondbezitters opgebragt: ik zeg dit om te doen gevoelen, dat al die grondbezitters met ernst moeten wenschen, dat die al klimmende omslagen mogen verminderen, en dat vooruitzigt is er nu, dat er een breidel zal gelegd worden aan de verwoestingen van dien waterplas. Elk hunner te hooren was onmogelijk, hun aller vertegenwoordigers zijn gehoord, heb ik gezegd en herhaal ik; dus zal dat adres dan ook wel van geen overwigtig belang te beschouwen zijn.”
»Stond deze zaak nu eindelijk op zich zelve, met ernst en ijver zoude ik de wet voor aannemelijk verklaren; maar, helaas! al te veel bezwaren ontmoet ik om over te stappen, om er dit ééne deel van te verkrijgen. Want behalve het reeds vroeger door mij gezegde over andere bezwaren, zoo is er nog een hoofdargument tegen, en dat is wel het voornaamste; (want over die kleine wegen en andere werken zal ik nu kortheidshalve maar niet spreken:) ik bedoel het financiëel gedeelte zelf en niet zoo zeer de grootte der sommen, die benoodigd verklaard worden; want geene sommen zijn te groot, als de vruchten daarvan zoo blijkbaar zijn te verwachten, dat alle twijfel over dezelve wegvalt; maar over het bezigen hiertoe van gelden, die moeten voortspruiten uit fondsen, aan welke eene vaste bestemming is gegeven en niet dan onzeker terug zullen zijn gekomen, dán en wanneer die benoodigd zullen zijn. Dit onderwerp nu nader te ontwikkelen zoude ik met welgevallen doen; maar in de processen-verbaal der afdeelingen en door vorige sprekers is hetzelve reeds zóó uiteen gezet, dat ik mij daarvan als nu vermeen te mogen onthouden, te meer, daar ik U Edel Mogendens aandacht welligt reeds te lang heb bezig gehouden.”
»Ik moet tot mijn leedwezen derhalve Z. M. verzoeken, de wet in nadere overweging te nemen, enz.”
Eindelijk verdedigde Z. E. de Minister van Financiën Jr. Beelaerts van Blokland, die tevens Lid der Kamer is, de wet, en zeide met betrekking tot het Haarlemmermeer:
»Een ander gewigtig doel van het in beraadslaging zijnde wets-ontwerp is het droogmaken van de Haarlemmermeer. Deze groote waterplas, die reeds in vroeger jaren, ja, ik mag wel zeggen in vroeger eeuwen (want reeds ten tijde van Prins Maurits werd de noodzakelijkheid ingezien), zoo veel stof tot bezorgdheid heeft opgewekt, is hoe langer hoe dreigender geworden, en de stormen in 1836 en het begin van 1837 hebben het gevaar al meer en meer aanschouwelijk gemaakt. De Regering, aan haren pligt tot ’s Lands behoud getrouw, heeft dan deze gewigtige zaak tot een onderwerp van gezet en naauwkeurig onderzoek gemaakt, waarvan het ontwerp, aan U Ed. Mog. bekend, de uitkomst is; alle belangen zijn daarbij in het oog gehouden en zoo veel mogelijk vereenigd. Dit is het voordeel van een Bestuur op éénheid gegrond, dat tegenstrijdige, plaatselijke of bijzondere belangen, die in onze vorige staatsgesteltenis zoo dikwijls algemeen nuttige inrigtingen tegenhielden of dwarsboomden, aan het algemeen belang ondergeschikt kunnen worden, of liever, zonder schending van bijzondere regten zich in het algemeen belang en in het algemeen welzijn oplossen. Dezelfde redenen, die ten aanzien der ijzeren spoorwegen mij wederhielden in vele bijzonderheden te treden, wederhouden mij ook daarvan met betrekking tot dit groote werk, welks nut en noodzakelijkheid door kundige en bevoegde beoordeelaars algemeen is erkend: zoodra de commissie, met die taak belast, dezelve had afgewerkt, heeft de Regering niet gedraald in hare poging tot verwezenlijking eener zaak, die voor het geheele Rijk van het grootste belang is, omdat zij een groot gevaar zal afwenden, omtrent 17,000 bunderen lands aan het water zal ontwoekeren, en den algemeenen lands rijkdom zal vermeerderen. Maar is die noodzakelijkheid dan thans zoo dringend? Ik antwoord zonder aarzeling, ja: die noodzakelijkheid was reeds lang dringend, en wordt het dagelijks meer; vroeger konde de zaak niet worden bij de hand genomen, omdat het onderzoek moest voorafgaan; tot langer uitstel is geene reden, want dezelfde vraag, of het nu zoo dringend noodig is, kan even goed in een volgend, in een tweede, in een derde jaar, enz. gedaan worden, en zoude een uitstel tot een’ onbepaalden tijd kunnen worden gerekt, tot het welligt te laat zoude zijn, en de verwezenlijking moeijelijker en kostbaarder zoude worden: gelijk één laatste druppel waters eindelijk den emmer doet overloopen, die lang vermeerdering bij stralen heeft verdragen, zoo kan één noodlottig oogenblik, door niemand te berekenen, onherstelbare rampen veroorzaken. Om deze of gene beschouwingen van ondergeschikt belang, behoort het aanvangen der zaak niet te worden uitgesteld, die kunnen in den voortgang der uitvoering worden in aanmerking genomen, en naar bevind van zaken daaromtrent worden te werk gegaan; want men zal toch de Regering niet zoo gedachteloos vooronderstellen, van niet op alle belangen, die ten dezen in aanmerking kunnen en moeten komen, te hebben gelet of te zullen blijven letten. Dat handelen naar bevind van zaken, gedurende het werk, verdient daarom niet met den naam eener gevaarlijke proefneming te worden bestempeld, zoo als in een der requesten is geschied; want wel verre, dat men de zaak aan proefnemingen zoude willen blootstellen, heeft men bij eene mogelijke gebeurtenis het hulpmiddel nevens de kwaal aangewezen. Dat ondertusschen dit gewigtig werk betere uitkomsten, in korteren tijd en met mindere kosten, dan wel vroeger was berekend, belooft, zal niemand behoeven te verwonderen, die de kracht van den stoom in aanmerking neemt: eene beweegkracht, welke onze voorouders niet gekend hebben, maar almede van den voortgang in beoefenende wetenschappelijke kennis getuigt, en zoo veel toebrengt tot de vervulling van tallooze behoeften en genietingen des levens.”
»Maar heeft de Regering, met gemeen overleg der Staten-Generaal, wel het regt tot deze droogmaking? Deze bedenking, door een’ geacht spreker in het midden gebragt, is zeker van gewigt, en verdient dus eene bijzondere beantwoording: aan de stad Leijden zoude de eigendom der Haarlemmermeer toebehooren; zij had dien titulo oneroso verkregen, en kon derhalve, zonder hare toestemming, daarvan niet worden ontzet; zij was ondertusschen in hare belangen niet gehoord, evenmin als Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rhijnland. Ik antwoord daarop: 1º. dat het niet juist is te zeggen, dat die steden en het Hoogheemraadschap niet zouden gehoord, of niet in de gelegenheid gesteld zijn geweest, derzelver belangen te doen gelden; het collegie van Rhijnland is geraadpleegd over het benoemen van twee leden uit deszelfs midden in de commissie om dit werk te onderzoeken en daaromtrent te advijzeren; de Heeren de Bruijn Kops en du Pui zijn daarop gedesigneerd en benoemd, omdat de eerste was Burgemeester van Haarlem, de tweede Secretaris van Leyden, en dus, zoo in die hoedanigheid, als in betrekking van Hoogheemraden, in staat waren, de belangen dier steden en van Rhijnland te doen gelden, gelijk die ook in aanmerking zijn genomen. 2º. Wat den eigendom van Leyden betreft, wilde ik wel eens weten, of die stad voor de Haarlemmermeer zich in de grondbelasting heeft aangegeven, gelijk zij verpligt zoude zijn indien zij eigenaresse was van dien waterplas, want water is zoowel in het kadaster begrepen als land; maar te regt is zij in de grondbelasting niet aangeslagen, omdat zij geen’ eigendom van de Meer heeft. 3º. Al wat uit de voorgelezene oude oorkonden blijkt, is, dat zij indertijd gekocht heeft het vroon, dat is de visscherij in een groot gedeelte van de Meer: wat kan daaruit op zijn hoogst volgen? Dat zij het regt op die visscherij behoudt, zoo lang de Meer water blijft. Zij is van dezelfde conditie als ieder ander visscher, arm of rijk; maar de droogmaking dáárom tegen te houden, daartoe bestaat geen regt; indien hier een eigendom bestaat, dan staat daartegen over het regt van onteigening ten algemeenen nutte, en de uitoefening van dat regt, volgens de nog bestaande wet van 1810, kan niet verhinderd worden, maar eene vraag van schadeloosstelling doen ontstaan volgens de grondwet en het gemeene regt. Dergelijke belangen zijn ook niet uit het oog verloren: opzettelijk is daarover in het algemeen het Departement van Justitie geraadpleegd, en de uitkomst van dat onderzoek is geweest, dat de zaak daarom niet behoefde opgehouden te worden, maar dat elke opkomende reclame zoude moeten worden onderzocht, elks regten, hetzij bij den gewonen regter, hetzij elders, overwogen, en daarop regt gedaan, zoo als bevonden zoude worden te behooren. 4º. Geen bijzonder belang kan het algemeen belang in den weg staan; zij zijn voorbij, die rampzalige tijden, toen eene enkele stad de nuttigste en in het algemeen belang noodzakelijkste werken konde verhinderen; zij zijn voorbij, en gelukkig voorbij, die tijden, toen de stad Leijden aan hare gedeputeerden ter staatsvergadering van Holland de instructie konde geven en met eede doen beloven, dat zij nooit in de droogmaking der Haarlemmermeer zouden toestemmen. Wij, Ed. Mog. Heeren! hebben een’ anderen eed afgelegd: wij zijn als leden der Staten-Generaal verbonden, het algemeen belang met al ons vermogen te bevorderen, zonder ons door provinciale, plaatselijke of bijzondere belangen daarvan te laten aftrekken.”
»Welke, de voordeelen dezer droogmaking zullen zijn, behalve het beveiligen van een groot gedeelte des lands, en daaronder de hoofdstad des Rijks, tegen een onherstelbaar verderf, is niet wel a priori met eene volledige, dat is onbetwistbare juistheid te berekenen; maar wanneer men aanneemt, dat de droog gemaakte landen, door elkander gerekend, ƒ 200,—per bunder kunnen opbrengen (door sommigen wordt die prijs op veel meer, door anderen op minder berekend), dan verkrijgt men voor de 16,700 bunders eene som van drie millioen drie honderd veertig duizend gulden; dit mag wel eene goede opbrengst geacht worden voor een werk, waarvan de kosten negen millioen kunnen hebben beloopen: maar dit is slechts een aanvankelijk voordeel uit de eerste schepping (om het zoo te noemen) dier landen te verwachten; die landen nemen ná de droogmaking en bebouwing in waarde toe; kudden vee worden op dezelve ter grazing geweid; het zuivel wordt in eene groote hoeveelheid vermeerderd; veldvruchten van verschillenden aard worden er geteeld; fabrijken worden er welligt hier en daar gevestigd; woningen en andere getimmerten worden er gebouwd; dorpen rijzen op; allerlei neringen en bedrijven komen er aan den gang; en terwijl het land aan het water zal ontwoekerd zijn, vinden daar duizende nijvere ingezetenen werk, duizenden worden aan armoede onttogen; van al deze vermeerderingen van welvaart, plukt het algemeen de schoonste vruchten, en deze werken weldadig op de schatkist terug, aan welke onderscheiden opbrengsten in reëele en personeele, directe en indirecte lasten toevloeien, welke dus ongevoelig de gemaakte kosten vergoeden. Eene verlichte Regering, welke dit werk zal hebben te weeg gebragt, en eene even verlichte volksvertegenwoordiging, welke door eene onbekrompene medewerking de Regering daartoe zal hebben in staat gesteld, zullen zich bij eene dankbare nakomelingschap eene eerzuil hebben gesticht, duurzamer dan metaal of marmer.”
Amsterdam, 1838.
Candore et ardore.