Editorial note — AEN DEN LEEUW VAN HOLLANT. (continued 2)
Reading edition
ONTWERP VAN WET, omtrent de uitgifte van Losrenten op een gedeelte der schuld ten laste der Overzeesche Bezittingen, tot het doen van voorschotten voor openbare Werken.
Wij Willem, enz.
»Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het aanleggen van een’ ijzeren spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een’ zijtak van Rotterdam naar Utrecht, bevorderlijk moet zijn, zoowel voor de binnenlandsche gemeenschap, als voor het vertier naar buiten ’s lands, gelijk ook dat het belang van den Staat vordert, om eerlang tot de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer over te gaan, en dat voorts tot de uitvoering en verbetering van andere ondernemingen van openbaar nut maatregelen behooren genomen te worden.”
»Dat tot al deze werken, welke aan den handel, de nijverheid en den landbouw aanzienlijke voordeelen beloven, voorschotten gevorderd worden van een kapitaal, waarvan de voldoening der renten en ook later de teruggave van de hoofdsom uit de opbrengst van die werken kunnen worden verwacht.”
»Dat het nog onuitgegeven gedeelte ten bedrage van dertig millioenen gulden van het kapitaal, daargesteld bij Art. 4 der wet van 24 April 1836, (Staatsblad No. 11), tot het doen van de voorschreven voorschotten kan worden beschikbaar gesteld, doch tevens dienstbaar moet blijven ter achtereenvolgende voldoening van de schuld, waartoe hetzelve bij de gedachte wet is bestemd;”
»Dat tot de uitgifte van dat kapitaal nadere wettelijke bepalingen worden vereischt en dat de tegenwoordige stand van de rente het noodzakelijk maakt, om, ter verkrijging van de vereischte fondsen, gelijke maatregelen te nemen, als zijn vastgesteld bij de Wet van 11 Maart 1837, (Staatsblad No. 9);”
»Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg van de Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
»Art. 1. Het hier bovengemelde kapitaal van dertig millioenen gulden, zijnde het nog onuitgegeven gedeelte der schuld, ten laste van de Overzeesche Bezittingen, vermeld bij Art. 4 der Wet van 24 April 1836 (Staatsblad No. 11), wordt bestemd en aangewezen tot voorloopige voorschotten ter goedmaking der kosten, vereischt tot het aanleggen van een’ ijzeren Spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een’ zijtak van Rotterdam naar Utrecht; tot het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en tot het aanleggen en verbeteren van andere werken van openbaar nut.”
»Art. 2. Op het voormelde kapitaal, tegen vier ten honderd opleverende eene jaarlijksche rente van een millioen twee honderd duizend gulden, zal successivelijk kunnen worden afgegeven een kapitaal van vier en twintig millioen gulden losrenten, rentende vijf ten honderd, waarvan de renten onvoorwaardelijk door het Rijk worden gewaarborgd; zullende deze losrenten achtervolgens worden afgelost en vernietigd, naar mate de uitgifte van de aandeelen in de schuld, ten laste van de Overzeesche Bezittingen, rentende vier ten honderd, wanneer die uitgifte tegen den cours van vier en negentig ten honderd of hooger zal kunnen plaats hebben.”
»Art. 3. Het meergemelde kapitaal van dertig millioenen gulden, met de renten van dien, tot een millioen twee honderd duizend gulden, zal, zoo spoedig mogelijk, uit de inkomsten en baten van de voorschreven werken aan het Amortisatie-Syndikaat vergoed en tot het doel, waartoe hetzelve oorspronkelijk is daargesteld, teruggebragt worden; behoudende Wij Ons voor, om bij vroegere behoefte van het Amortisatie-Syndikaat, in de vergoeding van het meergedacht kapitaal met de renten, of van het dan nog onvoldaan gebleven gedeelte daarvan, te voorzien door al zoodanige geldelijke maatregelen, als verder tot dat einde en ter daarstelling, voltooijing of uitbreiding van de meer gemelde werken, onder verband der baten en inkomsten van dezelve, bij de wet zullen worden bepaald.”
»Lasten en bevelen, enz.”