← Table of contents
Het Haarlemmer-Meer-Boek

AEN DEN LEEUW VAN HOLLANT.

Reading edition

Uitheemsche vyanden te zitten in de veeren, Te slingeren den staert groothartigh over zee; Is ydel, als uw long, geslagen aen het teeren, Inwendigh vast vergaet; en gy, van hartewee, Zoo deerlijk zucht, en kucht, en loost, by heele brokken, Het rottende ingewant te keel uit in de golf. Wat baet het met uw’ klaen al ’t oost en west te plokken, Naerdien u bijt in ’t hart dees wreede Waterwolf, Belust om over u eerlang te triomfeeren? o Lantleeuw, waek eens op, en wek met eenen schreeu Al ’t Veen, de Kennemaer, en Rynlands oude Heeren, Met d’Aemsterlanders op, tot noothulp van hun’ Leeuw, Men sluite met een’ dijk dees pest, die u komt plagen. De Wintvorst vliegh’ er met zyn molewieken toe. De snelle Wintvorst weet den Waterwolf te jagen In zee, van waar hy u quam knabblen, nimmer moê. De Veenboer zit en wenscht dees waterjaght te spoeien, En ’t Veenwijf roept: hy ruimt, de Lantleeuw weit op ’t ruim En zuight zyn long gezont aen d’uiers van de koeien. Zoo wint de Lantleeuw lant: zoo puurt hy gout uit schuim.

Vondel.

De aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal voorgestelde wet, ter uitgifte van losrenten op een gedeelte der schuld, ten laste der overzeesche bezittingen, tot het doen van voorschotten voor openbare werken, is in de zitting dier Kamer van den 2den April j.l. afgestemd en met haar alzoo ook het, bij die wet voorgedragen, plan tot droogmaking van het Haarlemmer Meer. Van de vijftien Leden, die over die wet het woord hebben gevoerd, is er echter niet één geweest, die zich tegen die droogmaking heeft verklaard, ja de meeste hunner hebben het verwezenlijken van dit zoo lang reeds beraamde plan wenschelijk genoemd, en alleen één der sprekers heeft bezwaren tegen hetzelve in het midden gebragt, welke meer uit bijzondere plaatselijke belangen, dan uit de zaak zelve hunnen oorsprong namen, zoodat men gerust mag vaststellen, dat, indien de droogmaking van het Haarlemmer Meer bij eene afzonderlijke wet ware voorgesteld, die wet door de Tweede Kamer zoude aangenomen zijn geworden, en dat zij alleen, zoo als een geacht Lid der Kamer zeide, »om den vorm en om de daarbij voorgestelde wijze van voorziening in de benoodigde gelden,” niet om de daarbij voorgestelde zaken, is afgestemd geworden.

Wilt, eer uw ijver deez’ landouwen Met ijzren gordel prijken doet, ô! Wilt de jammerplaag beschouwen, Die kank’rend in heur binnenst wroet. Of, moet ik ze u nog kennen leeren?— Ziet, hoe de inééngevloeide meiren, Door zwakke dammen niet te keeren, Het land, dat land van melk en room, Waar eens het vette rundvee loeide, Waar Slotens vruchtbre moeshof groeide, Herschiepen in een’ waterstroom!

Wat zal voor de opgeperste vloeden, Daar zelfs geen dijk hunn’ voortgang stuit. Het zinkend Aemstelland behoeden? Verzwelgend breiden zij zich uit.

De teugellooze golven zwellen, Gevoed uit ’s afgronds diepe wellen: Ras laat zich ’t oogenblik voorspellen, Wanneer zij haar verbolgen nat In ’s Aemstels bedding overgieten, Met vaart en Slochter samenvlieten, En stroomen binnen d’Aemstelstad.

Illustration from Het Haarlemmer-Meer-Boek

Daarenboven zijn van het Haarlemmer Meer, aan den zuid-oostkant, verscheidene zeer wijde uitgeveende plassen slechts door smalle strooken lands afgescheiden, zoodat, indien men er deze bijvoegt, de uitgestrektheid waters op 30000 morgen kan geschat worden, en gewoonlijk geschat wordt.

Het door ons hierbij gevoegde kaartje toont den toestand van het Haarlemmer Meer, zoo als het in 1531 was, en duidt tevens aan, hoe het Meer van tijd tot tijd is vergroot en toegenomen: de buitenste streep wijst de grootheid aan van dezen plas in den jare 1808. Al het land, hetwelk tusschen die streep en die, welke met 1531 gemerkt is, ligt, of liever, lag, is gedurende die drie eeuwen door het water verzwolgen.

Het is nog geen 250 jaren geleden, dat Zwanenburg (halfweg Haarlem en Amsterdam) meer dan 700 Rhijnlandsche roeden van het toenmalig Spiering-Meer, thans geheel met het Haarlemmer veréénigd, verwijderd was, en nu ligt Zwanenburg aan het Meer en wordt door zijne wateren bespat. Het is naauwelijks 200 jaren geleden, dat de dorpen Nieuwkerk en Rijk, welig bewoond, hunne torens in het omliggend land omhoog staken. Nieuwkerk en Rijk, toen meer dan drie honderd roeden van het Meer verwijderd, zijn verdwenen, en hunne kerken en torens in hetzelve, even als vroeger het dorp Vijfhuizen, bedolven, en de namen Nieuwkerk, Rijk en Vijfhuizen zijn van de kaart des Lands en uit de geheugenis der menschen weggevaagd.

Maar het Meer is nog zeven honderd roeden van Amsterdam verwijderd! wij zeiden het zoo even, zeven honderd roeden was in 1591 Zwanenburg van het Meer gelegen, en geen vijftig jaren daarna klotsten zijne golven tegen Zwanenburg aan; zij zullen welligt weldra tegen en in Amsterdam klotsen. De inwoners dier stad zullen ter eeniger tijd, (misschien is die tijd niet verre verwijderd,) bij hun ontwaken vreemd ophooren, dat het Meer over den Amsteldijk en bij de Beerenbijt stroomt. Dan vergoeden Rhijnland en Leiden aan het Rijk de verliezen van Amstelland en Amsterdam, Maar kunnen Rhijnland en Leiden ook niet eenmaal eene prooi van dit vernielend gedrogt worden?

Dit plan van de Heeren van Lynden, Roëll en Repelaer kwam echter nimmer in werking, en de zaak bleef wederom slepende, tot dat de stormen van December 1836 en de niet te ontveinzen voor Amsterdam hoogst bedenkelijke toestand van het Meer in Jan. 1837, het Gouvernement ernstig bedacht maakten, om dien inlandschen vijand, tegen wien men reeds eeuwen lang eenen kostbaren oorlog, en steeds met een ongelukkig gevolg, voert, met kracht ten onder te brengen en zoo mogelijk ten onder te houden. De voordragt hiertoe is thans verworpen en de zaak zal wederom slepende blijven, tenzij het Gouvernement, bij eene afzonderlijke wet, haar op nieuw aan de Staten-Generaal voordrage, of wel, hetgeen welligt wenschelijker ware, bijzondere personen op nieuw zich vereenigen, om, onder goedkeuring van het Gouvernement, dit grootsch ontwerp ten uitvoer te brengen. Indien men bedenkt, welke schatten de Heemraadschappen en de Ingelanden der polders, die door het Meer bespoeld worden, jaarlijks moeten betalen, om dat water in bedwang te houden, dan verwondert men zich, dat niet reeds lang de eigenaren dier landen de handen in één hebben geslagen, om dien gemeenschappelijken vijand te beteugelen. Hoe zouden hunne eigendommen in waarde stijgen, indien zij van de jaarlijksche omslagen, die zij thans tot het bedwingen van het Meer, dat met toom en breidel spot, opbrengen, bevrijd waren! Men berekent de tegenwoordige jaarlijksche kosten, tot onderhoud der Meerwerken, voor Rhijnland alléén, op meer dan ƒ 30,000. En vraag het den Ingelanden van den Binnen-Polder, tusschen Sloten en Sloterdijk eens, wat het hun kost, om hunne landen, en om Amsterdam tegen het Meer te beveiligen! vraag hun eens, wat het jaar 1837 hun gekost heeft, en gij zult verbaasd staan. Voor de Ingelanden der rondom het Meer liggende Polders zou dus het droogmaken van dien plas mede hoogst gewigtig zijn. Bijzondere belangen kunnen hiertegen in geene aanmerking komen, evenmin of deze of gene stad, dit of dat collegie, deze of gene persoon voordeelen uit het aanwezen van het Meer trekt. Bijzondere belangen moeten voor het algemeen belang zwijgen, en de wet van onteigening, met hare niet ongunstige schadeloosstelling, is daar en kan ook hier van toepassing zijn. Het grootste bezwaar is, naar mijn inzien, de vrees, dat bij sterke opzetting van water Rhijnland geene voldoende uitwatering zou hebben. Maar zoo dat bezwaar, waarover ik niet kan noch mag oordeelen, gegrond mogt zijn, dan vraag ik, of in den tegenwoordigen staat der wetenschappen, en bij het veelvuldig en krachtig gebruik der stoomwerktuigen, niet een middel is uit te denken, om Rhijnland in dat geval van het overtollig water te ontheffen? Dit is zeker, dat, indien het Meer blijft, zoo als het is, Amstelland vroeg of laat de prooi zijner golven moet worden.

Maar de meeste schrijvers, die over het droog maken van het Haarlemmer Meer geschreven hebben, zijn van meening, dat het opgegeven bezwaar voor Rhijnland niet bestaat; immers zoo geducht niet is, als men het wel wil voorstellen, en dat het ligtelijk zou zijn af te wenden.

Onder de schrijvers, die over het nut, de noodzakelijkheid en de mogelijkheid der bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer schreven, behoort in de eerste plaats Jan Adriaansz. Leeghwater, die, vóór nu bijna twee eeuwen, in zijn beroemd Haarlemmer-Meer-Boek, een volledig en, voor zoo ver bekend is, het eerste plan tot dit onderwerp uitgaf.

Hij zelf schijnt eene vrouw uit de Schermer te hebben gehad; want in de kleine kronijk zegt hij (bl. 11, No. 11): “De huisluiden van Schermer waren in mijne jonkheit, toen ik aldaar eerst getrouwd was, wat ruw van manieren en zeden; daar waren weinig huizen, die schoorsteenen hadden.”

Van zijne eerste jeugd en van zijne opvoeding is ons weinig of niets bekend; hij noemt zich op de titels der door hem uitgegeven werken: Molenmaker en Ingenieur van de Rijp; doch hij bezat in zeer vele vakken eene groote ervarenheid, en men zou hem een’ duizend-kunstenaar kunnen noemen.

Maar zijne bekwaamheden en werkzaamheden bepaalden zich niet tot het hierboven opgenoemde: wij zeiden reeds boven, dat hij in zeer vele vakken van wetenschap eene groote ervarenheid bezat. Hoor wat hij er zelf van zegt:—»Ik heb (dus schrijft hij in zijn kleine Cronijkje No. 49) in mijnen tijd gemaakt verscheidene soorten van molens, ook huizen en sluizen en verscheidene notabele stukken van kassen en schrijnwerken, alsmede vele uurwerken in dorpen en steden, ook mede twee groote notabele speelwerken te Amsterdam, staande op den Wester- en Zuiderkerks-toren. Ik heb ook mede gemetseld aan het nieuwe stadhuis te Amsterdam, en mede aan den toren van de Nieuwe Kerk, alsmede aan de brug bij Jan-Roodepoorts-toren. Behalve dien heb ik nog verscheidene notabele handwerken gedaan in hout en steen, in koper, in ivoor en metaal, hetwelk te lang zou wezen om alles te verhalen.”

»Ook somtijds met de pen te speelen, Te teekenen kerken en kasteelen, Daar bij te schrijven grof en fijn, Dat kan (God-lof!) nog heel wel zijn.”

Dit schreef hij toen hij 74 jaren oud was. Dat hij elf jaren vroeger nog heel wel met de pen kon omgaan, blijkt uit onderstaand fac simile van eene door hem in den jare 1638 vervaardigde teekening.

Een Can die veel te-water gaet. Int eijnd noch wel aen stucken slaet.
Een Can die veel te-water gaet. Int eijnd noch wel aen stucken slaet.

Een Can die veel te-water gaet. Int eijnd noch wel aen stucken slaet.

1638 JALW

»Van het onder-water gaan, geschiet in den Hage in bijwezen van Prins Mauritius en andere groote Heeren, een konst nooit te voren gehoort of gezien.

»1. In ’t jaar 1605, in ’t laatste van April, zoo is daar een Wijnkooper tot Alkmaar geweest, genaamt Dirk Thomasz., die met den Prince Mauritius zeer familiaar was, en verscheiden redenen met den Prince hadde, waarvan hij mede verhaalde, dat in Noort-Hollant in de Rijp twee of drie jongelingen waren, die onder het water konden gaan, waarvan den Prince zeer begeerig was om ’t zelve te zien; waarop den Wijnkooper tot antwoord gaf: »Ik zal de luiden verschrijven, dat zij bij zijne Vorstelijke Genade in den Hage zullen komen.”

»2. Ende alzoo door het schrijven zijn wij na den Hage gereist, en zijn aldaar bij den Prince gekomen, die ons zeer vriendelyk groette ende ons vraagde, of wij de luiden waren, die onder ’t water konden gaan? waarop wij antwoordden: Ja mijn Genadigen Heer; waarop de Prince wederom zeide: Hoe zoude men dat konnen weten, of men zoude dat moeten zien? waarop wij wederom antwoordden en zeiden: Zo het mijn Heer morgen belieft te zien, wij willen ’t alhier morgen in den Vijver wel doen; waarop de Prince wederom zeide: dat hij dat in den Vijver niet en begeerde; daar zouden wel duizent menschen bij komen; dat en zoude niet dienen.

»3. Doen heeft de Prince een Valkenier bij hem ontboden, genaamt Henderik Evertsz., die met ons zoude gaan buiten den Hage, om een water te zoeken, daar ’t bequaam was om de konst te doen, ’t welke wij alzo gedaan hadden, welke water is een weinig buiten den Hage aan de slinkerhand, in een Molentocht, als men naar Delft vaart.

»4. Den eersten dach doen wast een storm ende heel kout weder, zo dat wij den Prince doen niet en spraken, maar den tweeden dach daaraan heeft den Prince ons een zeker uure gestelt, als den maaltijt gedaan was na den middag, dat wij dan op de plaatze gereet zouden staan, waarbij dat de Prince ook tegen ons zeide: Mannen, ik heb gisteren wel om u gedocht, ik en zoude niet gaarne hebben, dat gij een ziekte zoude halen om mijnent wille.

»5. Alzo den tijt bestemt was, zoo zijn wij op de plaatze gegaan, ende gereetgestaan; doen is den Prince Mauritius, met zijn broeder Prins Henderik, met Graaf Willem van Vrieslant, met Graaf Ernst, ende meer andere groote Heeren en Edelluiden met de koetzen bij ons gekomen, ende daar alzo gelijk bij ons staande, doen zeide den Prince Mauritius: Mannen, ik ben nu gereet om te zien; waarop ik Jan Adriaansz. Leeghwater met een goede couragie in ’t water gesprongen ben, en zeide: Adieu, mijn vroome Heeren; ende ik was daar zo lange onder het water, dat den Prince Mauritius met d’andere Heeren wel vernoegt waren, en doen ik weder boven ’t water quam, doen vraagde mij den Prince Mauritius: Wat was dat geluit dat ik hoorde? waarop ik zeide: Ik heb luide geroepen; heeft mijn Heer dat ook verstaan? waarop de Prince zeide: Ik meende, dat het het brullen van een koe was.

»6. Daarna is Pieter Pietersz., een van onze medemakkers, in ’t water gesprongen een stuks weegs verscheiden, dewelke alzo lang onder het water was als ik, waarover Pieter Pietersz. met zijne vingeren een weinig boven ’t water speelde; doen zeide Graaf Willem van Vrieslant: Den kerel werd verzoepen; hij en kan hem nigt langer holden.

»7. Ende alzo Pieter Pietersz. mede op ’t land komende, wij beide nog fris ende wel waren, zoo heeft den Prince Mauritius tegen ons gezeit: Mannen, ik zie dat de konste goet is; gaat niet uit den Hage aleer ik u gesprooken heb, en gaat in een goede herberge en maakt goede cier, hetwelke wij alzo gedaan hebben, ende daarna zijn wij weder bij den Prince gekomen op het Hof, daar hij ons een vereeringe gegeven heeft, ende ook mede Octroy van onze konste, hetwelke ik nog tot dezen dag bewaart heb.”

»De tweede onderwaterduiking, geschiet tot Amsterdam.

»1. In ’t jaar 1606, op Amsterdamsche kermis, zo is daar een koopman van de Rijp geweest, geheeten Meinert Cornelisz. Salm, die tot Amsterdam zeer wel bekent was, die van de konste van onder water te gaan tegen zommige bekende Borgers van Amsterdam gezeit hadde, dat de konste op de Wetering, buiten de Heilige Wegs-Poort, aan de slinkerhant, gedaan zoude werden in prezentie van 10 of 12 perzonen, aldaar mede prezent was Meinert Salm van de Rijp, Albert Verspek van Antwerpen, Dirk van Os van Amsterdam met zijn Soon, die nu Dijk-Graaf van de Beemster is, Frederik Jansz. met zijn Soon, Jacob Frederiksz. van Amsterdam, beide Olijslagers, Jacob Wrogt van Amsterdam, met Jan Louwen van de Rijp met zijn Huisvrouw, ende meer andere goede bekenden.

»2. Ende alzo dit geschiedde nabij de stad Amsterdam, zo is aldaar een grooten toeloop van volk gekomen ende vergadert van verscheiden steden, dorpen en plaatzen, so dat daar wel zeven of agt hondert menschen bij malkander waren, of meer: zo was daar een onder allen, die het niet geloofde, en zeide: Het zal wezen gelijk die man die vliegen zoude; wie is malder, de man die vliegen zal, of die gene die het zien zullen? waarop ik Jan Adriaansz. wederom zeide: Ik zal het volk niet bedriegen; ik zal ’t voor haar oogen doen, dat zij dat zien zullen.

»3. Zo is ’t dat ik een linnen kleed bij mij genomen hadde, hetwelke ik aandede, waarvan ik de zakken uittrok, en dede daar tien of twaalf peeren in, dat zij het voor hare oogen zagen, ende ik zeide tegen het volk: Deze peeren zal ik half op-eeten, opdat gij luiden niet en zegt dat ik de peeren in den grond gesteken heb. Ook hadde ik mede een schalmey bij mij, daar ik wel op konde speelen, dien ik mede bij mij in mijn zak dede, en zeide: Daar zal ik verscheiden voizen en Psalmen op speelen, dat gij dat boven water, op het land hooren ende verstaan zult; waarbij Pieter Pietersz. op het land bij het volk bleef; om het volk reden te geven en te onderregten.

»4. Onder allen was daar mede een Makelaar onder het volk, geheeten Lems, die hadde een schoon blad pampier bij hem, daar schreef hij zijn naam op, hetwelke hij mij gaf, waarop ik tegen hem zeide: Ik zal daar onder water op den grond op dat pampier met pen ende inkt schrijven, dat gij dat boven water op het land zult konnen lezen.

»5. Ende doen ik gereed was, ende wel wakker konde zwemmen, ende ook mede een jongman was, zoo gaf mij den Almogenden God de vrijmoedigheit, dat ik met een goede couragie in ’t water sprong, mijn aangezigt na het volk toewendde, ende zeide: Adieu, gij vroome Borgers van Amsterdam, dat is u ter eeren, daar ga ik onder.

6. Zo is dat alzo geschied, dat ik de peeren onder water half op-gegeten heb, en vertoonde de peeren onder het volk, doen ik op het land quam; ende op hetzelve pampier schreef ik mede zo veel: dit heb ik voor Amsterdam in de Wetering ende onder water geschreven; ende op de schalmey speelde ik mede onder water op den grond, dat het volk, die op het land stonden, boven water gemakkelijk hooren ende verstaan konden; onder allen speelde ik mede den 23 Psalm: Mijn God voet mij als mijn Herder geprezen, dat die luiden, die op de kant van de sloot stonden, zeiden: Hoort eens mannen, dat speelt hij nu! Alzo had ik mijn plaizier ende recreatie onder ’t water op den grond.

»7. Ende doen ik dogte dat ik aldaar lang genoeg geweest was, dat het volk wel vernoegt zoude wezen, zo ben ik met een goede couragie weder opgekomen, mijn aangezigt na het volk, en doen ik nog in ’t water was, zo heb ik tegen het volk met een luide stemme geroepen: Wat dunken de luiden van de konst? waarop het volk antwoordde en zeide: De konst is goet.

»8. Ende doen ik weder op het land quam, doen vertoonde ik mijn geschrift, het pampier nog droog wezende, hetwelke veel luiden gezien en gelezen hebben, ende daarover zeer verwondert waren: ende den Makelaar Lems weder behandigt hebbende, die het nog zommige jaren daar naar bewaarde; ende als ik nog onder water was, zo was alreeds de tijdinge al in de stad, die man is al verdronken, hij en komt zijn leven niet weder: en doen ik weder op het land quam, zo hadde Frederik Jacobsz., Olijslager van Amsterdam, een nagt-glas bij hem genomen, en zeide tegens mij: Jan Adriaansz., weet gij wel hoe lange dat gij onder water geweest hebt?—Neen ik, Frederik Jacobsz., zeide ik. Doen zei hij weder tot mij: Dat glas is eens uit-geloopen ende eens half uit, dat is drie quartier van een uur. Doen waren daar verscheiden luiden, die tegen malkanderen zeiden: Hebt gij wel gezien wat dat hij gedaan, hadde doen hij in ’t water ging? hij hadde hem met olij bestreken; ende d’andere zeide: hij hadde een root lapken in zijn mond genomen; in zomma, elk een zeide het zijne. Ik hadde gedaan gelijk de Comedianten doen, ik speelde het spel te regt, zonder iets te haperen ofte te manqueren; die het spel niet en kan, die en speel het niet. Ende als het werk gedaan was, zo waren daar veel liefhebbers, die haar milde hand toonden: ende onder allen was daar een man uit Zeeland, die zeide; omdat de konste zoo fraay is, zoo schenke ik u daartoe nog een Zeeusche Daalder.

»9. Daarna heb ik mijne kleederen weder aangetrokken, ende ben weder na de stad gegaan, aldaar ik een groot getal van volk bij mij hadde, die zeer begeerig waren om de man te zien, waarvan nu nog verscheiden luiden in de stad van Amsterdam zijn, die het gezien hebben ende daarvan konnen getuigen.

»10. Nu voort wat de konste belangt, men vint in ’t Boek Jobs geschreven in het 28 cappittel in het 12 vers: Men keert den stroom des waters, ende brengt dat daar verborgen in is aan ’t licht. So dat ik niet en weet eenige konsten te bedenken, die zo bequaam ende zo goet zijn om verborgen schatten van den grond te halen; men kan aldaar onder water een wijl tijds leven, ende zijne handen en voeten wel gebruiken, hetzij dat het een vadem diep is, ofte meer: al waar ’t agt of tien vadem diep, de konst is even goet.”

Ter ordonnan. van de voorn. Heeren Staten-Generaal.

(was geteekend:)

AERSSEN. 1605.

Illustration from Het Haarlemmer-Meer-Boek

Hoe dit zij, uit al het hiervoren gezegde kan men opmaken, dat Leeghwater een bekwaam waterbouwkundige was: dat hij tevens Landmeter, Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker, Waterduiker—ja wat niet al?—is geweest. Ik mogt hem dus met regt een’ duizend-kunstenaar noemen.

Hij was daarenboven ervaren in de Fransche en Duitsche talen, en, naar de veelvuldige aanhalingen te oordeelen, ook niet geheel onbekend met de Latijnsche.

Drie gedrukte werkjes worden van Leeghwater vermeld, en wel:

Doch het vermaardste zijner werken is:

De Heer Mr. J. T. Bodel Nyenhuis noemt in de 3de lijst zijner opgave van beschrijvingen der Gewesten, Steden en Plaatsen, in het Koningrijk der Nederlanden, geplaatst in het VIIIe Deel van het Tijdschrift de Vriend des Vaderlands, No. 11, eenen vijfden druk (Amst.) van den jare 1654.

Al de vermelde drukken zijn in quarto.

Leeghwater behoorde tot het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, hetwelk destijds zeer talrijk in de Rijp en andere Noord-Hollandsche plaatsen was. Dat hij een Godvruchtig man was en ’s menschen afhankelijkheid van den wil des Allerhoogsten diep gevoelde, bewijzen zijne schriften.

Uit het Haarlemmer-Meerboek, No. 24, blijkt, dat Leeghwater eenen zoon had, Simon genaamd, dien hij den oudsten noemt; uit de kleine Kronijk leeren wij bl. 36, No. 35, eenen tweeden, met name Adriaen, en bl. 30, No. 7, eenen derden, Jan genaamd, kennen.

Nog heden bestaan er afstammelingen van den beroemden man, en wel:

1º. Pieter Leeghwater, wonende te Koog, geboren in 1786, die een zoon is van den in 1807 overledenen Jan Cornelisz. Leeghwater en diens eerste vrouw Ariaantje Heertjes.

3º. Cornelis Jansz. Honig, zoon van den Heer Jan Cornelisz. Honig, te Zaandijk, en diens overledene echtgenoot, Neeltje Leeghwater, welke was eene dochter van Louwrens Leeghwater en Aaltje Ouwerijk, en eene kleindochter van Cornelis Louwrensz. Leeghwater en Trijntje Peper.

Behalve deze leeft er te Wormerveer, in den ouderdom van 80 jaren, een Jan Louwrensz. Groot, wiens moeder mede Leeghwater genaamd was.

De éénige mannelijke afstammeling van Leeghwater, die dien naam voert, is, voor zoo verre ik heb kunnen nagaan, gemelde Pieter Jansz. Leeghwater, daar deze ongetrouwd is, staat het te vreezen, dat met hem het geslacht van Leeghwater zal uitsterven.

Bij de voornoemde afstammelingen van den beroemden man is zijne nagedachtenis nog in eere: behalve een exemplaar van het Meerboek en van de kleine Kronijk, zijn aan mij, namens den voornoemden Heer Jan C. Honig, door bemiddeling van den Heer van Gilse, ter hand gesteld:

1º. Het origineele Octrooi van den jare 1605.

2º. De bovenvermelde, met de pen vervaardigde, eigenhandige teekening.

3º. Een koperen Alidade (liniaal met vizieren) van een werktuig om hoeken te meten, met het jaartal 1619, afkomstig van onzen Leeghwater.

Behoef ik wel te doen opmerken, dat zoo vele herhaalde uitgaven van het Haarlemmer-Meerboek als ik opnoemde, twaalf in den tijd van iets minder dan eene eeuw, getuigen van de belangstelling, die het werk van Leeghwater verwekte? Nog is die belangstelling niet geweken. Zijn werk is nog altijd belangrijk voor ieder, die over de droogmaking van het Haarlemmer Meer wil spreken of schrijven. Nog steeds wordt zijn Haarlemmer-Meerboek gezócht, en de schaars voorkomende exemplaren worden op boekverkoopingen ruimschoots betaald.

Het kwam mij alzoo niet ongepast voor, om eene dertiende uitgave van dit werk het licht te doen zien, vooral in deze dagen, waarin de belangstelling in het ontwerp der droogmaking van het Haarlemmer Meer, dat groote plan van Leeghwater, weder meer algemeen is. Het kan toch niet onwelgevallig zijn te weten, wat over dit onderwerp vóór nu twee eeuwen gezegd is, door eenen man, grijs geworden hij het droogmaken van zoo vele meren, wier bloei en welvaart thans het sieraad en den rijkdom van Noord-Holland uitmaken; door eenen man, die sprak uit eigene ondervinding, niet naar theoriën, dikwerf slechts fraai op het papier, maar minder geschikt om ten uitvoer te worden gebragt.

Ik heb bij deze uitgave gebruik gemaakt van den hierboven vermelden achtsten druk. Op verzoek van den uitgever, die zulks voor ons lezend publiek noodig oordeelde, heb ik hier en daar den stijl een weinig veranderd, doch mij hieraan slechts zeldzaam schuldig gemaakt. Ik wilde den eenvoudigen, naïven, ongekunstelden stijl van Leeghwater zoo min mogelijk bederven. De spelling heb ik naar de thans in gebruik zijnde gewijzigd.

Het Lofdicht van Heyndrik Albertsz., dat voor het Meerboek gevonden wordt, heb ik weggelaten, omdat het geene kunstwaarde bezit. Om dezelfde reden heb ik de gedichten, die Leeghwater in en achter zijn werk gevoegd heeft, niet overgenomen, omdat zij wel van ’s mans rijmlust, maar geenszins van zijne dichterlijke bekwaamheid getuigen. Enkele rijmpjes heb ik echter vermeend te mogen overnemen.

»Dit is Leegwaters Beeldt, Aenschouwers, siet vry toe, Zyn geest, die altyt werckt en nimmer meer wort moê; Aen ’t geen zyn Vaderlandt tot welstant kan verstrecken, Zich in syn Meerboek zal ten deel aen u ontdecken: Wat d’ ander rest belangt, die spreyt zich wyt en breet, En vat, in zijn vernuft, wat yemand wist off weet.”

Ook in den 2den en 3den druk van het Meerboek wordt de afbeelding van Leeghwater niet gevonden. Waarschijnlijk verscheen zij het eerst in den 4den of 5den druk. In den 7den vond ik haar, doch niet door Lamsveld, maar door S. Savrij gegraveerd. Daar deze in een’ der hoeken het getal 43 heeft, vermoed ik, dat Leeghwater in 1643 door Keyser is geteekend, toen hij 68 jaren oud was.

Na Leeghwater verschenen er verscheidene andere geschriften over het Haarlemmer Meer, welke ik kortelijk zal vermelden.

Bijna gelijktijdig met het werkje van Leeghwater, kwam er nog een ander plan tot droogmaking van het Haarlemmer Meer in het licht, opgesteld door Jacob Bartelsz. Veeris. Dit werk maakte echter minder opgang. »Volgens den Heer Van Lijnden (Verhand. bl. 43), verschilde het plan van Veeris in zoo verre van dat van Leeghwater, dat bij hetzelve bepaald was een voorboezem, met een’ dijk over het eiland Ruigoord, op welken dijk 15 bovenmolens zouden gesteld worden.”

Hij oordeelde zoo ongunstig over de Bedenkingen van Coleveldt, dat hij in de voorrede van zijn werkje zegt: »dat hij er niet anders in kon vinden, als een deel opgeraapte schimpredenen, op papier gebragt zonder order en met groote drift; dat het doorzaaid is met zoo vele belagchelijke stellingen, dat hij niet begrijpt, hoe het in den tijd van zijn geboorte, zoo veel geloof heeft kunnen verdienen, en dat men het nu heeft waardig geacht, om het weder het licht te doen zien.”

Het werkje van Velsen is zeer lezenswaardig.

Tegen dit plan opperde de stad Leiden bedenkingen, welke door de gemelde Toeziener en Landmeter, bij eene Memorie van het jaar 1745, werden wederlegd; zoo als gelezen kan worden in de voorm. jaarboeken van 1773, bl. 406–419.

1º. Van een plan opgemaakt, ten gevolge van een verzoekschrift door Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland, om te worden gemagtigd tot het maken van eene uitwatering te Katwijk en tot het bedijken van de Haarlemmer en Leidsche Meren, aan de Staten van Holland in 1750 ingediend.

Geen tijdvak echter leverde zoo vele schriften over het droogmaken van genoemd Meer, als dat tusschen de jaren 1819 tot 1823.

Dit werk, hoe men ook over de uitvoerbaarheid en nuttigheid van het daarbij voorgesteld plan, en over de juistheid der daarbij gevoegde berekeningen, moge denken, zal steeds bij de behandeling van dit onderwerp onschatbaar blijven.

Alles is hier duidelijk, op eene hoogst, ook voor de in het vak van den waterstaat oningewijden, bevattelijke wijze, en met kennis van zaken ter nedergesteld. Het is voorzien van onderscheidene hoogst nuttige staten en tafels; en bij het werk is gevoegd een atlas met vier kaarten en eene afzonderlijke plaat.

De 1ste kaart wijst den voormaligen staat van Holland aan, met zijne Meren en Plassen, vóór die bedijkt waren. Bijna de helft was toen water.

De 2de toont ons dat zelfde Holland in 1820, met zijne drooggemaakte Meren en Plassen. Welk een lagchend gezigt!

De 3de geeft ons, in 6 vakken, de onderscheidene gedaanten en grootten van het Haarlemmer Meer: sedert 1531 tot 1808. Welk eene schrikwekkende vertooning!

De 4de kaart stelt voor, hoedanig, volgens het plan des Heeren van lijnden, na de droogmaking het Meer met vaarten doorsneden en in kavels verdeeld zou kunnen worden. Aangename voorstelling! Terwijl eindelijk op de plaat eenige werktuigen ter uitmaling zijn afgebeeld.

Dit werk des Barons van lijnden gaf aanleiding tot het ontstaan van verschillende geschriften. Nog in hetzelfde jaar 1820 kwamen er vier stukken in het licht.

Indien ik wèl onderrigt ben, heeft de Heer de Gelder eene tweede Memorie ter perse gezonden; doch deze is, zoo verre mij bekend is, niet uitgegeven. Mij ten minste kwam zij nimmer in handen.

Deze talrijke geschriften over het droogmaken van het Haarlemmer Meer en over de gevolgen, die zulk eene onderneming zou kunnen hebben, getuigen van het belang, hetwelk men te allen tijde in deze zaak heeft gesteld. Maar aan Leeghwater komt de eer toe, van, zoo ver men kan nagaan, het eerst een plan tot droogmaking wereldkundig te hebben gemaakt. Dit plan is door de meeste der volgende schrijvers, maar bijzonder door den Baron van Lijnden, ten hoogste geprezen, en zijn werk is, na al wat er na zijnen tijd over dit onderwerp is geschreven en na al de vorderingen, welke men sedert dien tijd in bijna alle Wetenschappen, voornamelijk in de waterbouwkunde en aanverwante vakken, ook door het gebruik van stoom heeft gemaakt, nog altijd eene vraagbaak voor hem, die over het droogmaken van het Haarlemmer Meer wil schrijven of spreken.

Hoezeer die wet is afgestemd, kan het echter voor elk, die belang in deze zaak stelt, niet onwelgevallig zijn, al hetgeen omtrent dezelve is voorgevallen te kennen, en de gevoelens der volks-vertegenwoordigers over dit belangrijk onderwerp te vernemen. Meenig een’ zal het, dunkt mij, welkom zijn, alles wat over deze zaak, ten gevolge van de voorgestelde Wet in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, is verhandeld, voor zoo ver het openbaar is gemaakt, alhier bijeen verzameld aan te treffen.

“Wat de droogmaking van het Haarlemmer Meer betreft, vermeent men, dat het wenschelijke en nuttige dezer onderneming geen breed betoog zal behoeven.”

»Het is algemeen bekend, hoe grootelijks deze waterplas gedurende de laatste eeuwen zich heeft uitgebreid, en hoe vele vruchtbare gronden daardoor zijn verslonden geworden. Met opoffering van zware kosten heeft men daaraan dan wel eenigermate paal en perk gesteld; doch nog jaarlijks moeten aanzienlijke sommen worden aangewend, om het verder inbreken voor te komen, en in weerwil daarvan heeft de ondervinding nog onlangs geleerd, hoe groote verwoestingen door het geweld van dezen plas kunnen worden, aangerigt, welke eenmaal zoodanig kunnen worden, dat de rampen niet dan met enorme kosten zouden kunnen worden hersteld, of zelfs onherstelbaar zouden worden.”

»Daarbij nu komt, dat in het midden des lands eene onvruchtbare waterplas of liever binnenlandsche zee van omtrent 18,000 bunders lands gevonden wordt, die voor den landbouw, de industrie en de bevolking verloren is, en die, wanneer zij eenmaal mogt zijn drooggemaakt, en in vruchtdragenden grond herschapen, ook door deszelfs gunstige gelegenheid nieuwe bronnen van welvaart openen kan, en in de gevolgen voor het algemeen of het Rijk aanzienlijke voordeelen moet opleveren, door het verschaffen van arbeid en middelen van bestaan aan duizende handen en nijvere menschen, en het daardoor in evenredigheid vermeerderen van ’s Rijks inkomsten; in één woord, door het toenemen van den publieken rijkdom, hetwelk van het een en ander het natuurlijk gevolg moet zijn.”

»De ondervinding en het besef van het een en ander moest natuurlijk leiden tot het denkbeeld, om door het droogmaken van dezen waterplas het eene voor te komen en het andere te bewerken; en in der daad zijn daartoe in vroegere en in latere tijden ontwerpen te berde gebragt en beraamd, waarvan de uitvoering echter steeds is achterwege gebleven, hetzij dat tijden en omstandigheden daartoe hebben medegewerkt, hetzij dat zich daartegen bedenkingen opdeden, voornamelijk ontleend uit den physieken toestand van het Hoogheemraadschap van Rhijnland, die niet altijd gereedelijk waren uit den weg te ruimen.”

»De omstandigheden, waarin dit distrikt ten aanzien van deszelfs uitwatering verkeert, zijn echter in de latere tijden zóódanig veranderd, en de middelen, die men thans kan aanwenden, om alle bedenking daaromtrent weg te nemen, zóó gereed, dat men alsnu tot de onderneming der droogmaking veilig zal kunnen overgaan.”

»De opzettelijke en naauwkeurige overweging, die ten aanzien hiervan is ingesteld, heeft dit ontegenzeggelijk doen zien, en dienvolgende is dan ook het ontwerp beraamd, welks uitvoering thans gereed is om te kunnen worden ondernomen, om weldra de heilrijke vruchten te dragen, die daaruit moeten voortvloeijen.”

»Eene onderneming van dezen aard, mitsgaders al de voorzorgen, die daarbij moeten worden in acht genomen, kunnen niet anders dan aanzienlijke kosten vereischen, zijnde de geheele som, hiertoe noodig, berekend op ruim acht millioenen gulden, welke som nogtans natuurlijk niet op éénmaal zal worden vereischt, maar successivelijk zal moeten besteed worden, en voor een goed gedeelte slechts als voorschot kan worden beschouwd en zal worden gerecouvreerd uit den verkoop der drooggemaakte gronden en de verdere voordeelen, die de onderneming gedurende de bewerking zal opleveren; terwijl, al mogt uit het een en ander de geheele uitgeschoten som niet kunnen worden teruggevonden, het ontbrekende als uitnemend wel besteed geld zal moeten worden aangemerkt, en door de vermeerdering van de algemeene welvaart en rijkdom rijkelijk zal worden vergoed.”

»Behalve enz.”

Met betrekking tot dit onderwerp van wet, werden aan de Kamer drie verzoekschriften ingediend, waarvan één in de vergadering van 7 Maart ingekomen, als niet voldoende aan de vereischten van de grondwet, ter zijde werd gesteld. Het tweede was van Jonkheer N. J. Steengracht van Duivenvoorde; waarop door de commissie van de verzoekschriften, in de zitting van den 23sten Maart, bij monde van den Heer van Welderen Rengers, werd uitgebragt het navolgend verslag:

»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van jonkheer N. J. Steengracht van Duivenvoorde, landeigenaar onder Rijnland. Verzoeker geeft te kennen, dat aan de Staten-Generaal een ontwerp van leening van 30 millioen is aangeboden, om daaruit, onder andere werken van openbaar nut, ook de Haarlemmer Meer droog te maken; dat de landeigenaars onder Rijnland, vertegenwoordigd door hunnen dijkgraaf, hoogheemraden en hoofd-ingelanden, over dit belangrijk onderwerp niet zijn gehoord geworden; dat deze echter een verkregen regt vermeenen te hebben op de Haarlemmer Meer, als boezem voor hunne landen.”

»Hij beweert, dat het voor al de landen ten zuiden van den Rijn gelegen, die door eenen dijk van den algemeenen boezen zijn afgescheiden en uit hoofde van derzelver lagere verkaaijingen aan een maalpeil zijn onderworpen, van het hoogste belang is, dat de voorgestelde maatregelen van droogmaking alle die waarborgen opleveren, welke ten voordeele van dezelve worden verlangd. Requestrant vermeent, dat uit het gemaakte plan van droogmaking blijkt, dat de boezem twee derden in zijnen omvang zal worden verkleind; dat daardoor de berging voor het water, hetwelk door de molens op den Haarlemmer Meer-boezem thans wordt uitgemalen, even zoo veel beperkter wordt. Hij betoogt, dat het gevolg hiervan zal worden, dat de landen zoo voor de kultuur van granen, als voor het weiden van beesten, onbruikbaar zullen worden, en meer dan tachtig duizend bunders zullen verloren gaan. Hij beweert, dat dit eene van de voorname redenen is, om welke men in vroegere tijden nimmer heeft durven overgaan tot het droogmaken van de Haarlemmer Meer. Hij geeft verder te kennen, dat het groot nadeel, hetwelk de landeigenaren bij eene eventuëele droogmaking van die meer zouden lijden, door het gemis van eenen genoegzamen boezem tot berging van het uitgemalen water, en door het even groot verlies van ontlasting van dat water op het IJ, konde worden voorgekomen, wanneer gebruik werd gemaakt van genoegzame stoomwerktuigen, om den winterboezem te houden op 14, 15 à 16 duimen beneden A. P., op welke hoogte die boezem altijd wordt gehouden en tot de cultuur der landen moet worden gehouden. Hij vraagt al verder, door wien het daarstellen en het onderhoud van zoo vele benoodigde werktuigen zouden moeten worden bekostigd, en vermeent, dat die kosten alleen ten laste van dezulken, door wie de Haarlemmer Meer zoude worden drooggemaakt, behooren gebragt te worden, en niet ten laste van Rijnlands eigenaren zoude kunnen komen, hetwelk uit de stelling van den requestrant schijnt te zijn eene der voornaamste grieven, waarom het request wordt aangeboden. Adressant eindigt met het verzoek, dat het U Ed. Mogenden behage, de belangen van Rijnlands landeigenaren ten deze in vaderlijke overweging te willen nemen en te zorgen, dat de Haarlemmermeer niet worde drooggemaakt, dan nadat de daartegen militerende grieven der landeigenaren onder Rijnland zullen zijn opgeheven en geheel weggenomen; dat zij in hunne belangen mogen worden gehoord en als eigenaren van de Meer, als boezem van geheel Rijnland beschouwd, voor de uitwatering der landen, in dat hun regt mogen worden gemaintineerd.”

Het derde verzoekschrift was van den Heer G. J. A. A. Baron van Pallandt, waarop door de voornoemde Commissie mede bij monde van den Heer Rengers, in de zitting van den 26sten, werd gedaan het volgend verslag:

»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van G. J. A. A. van Pallandt.”

»Verzoeker geeft te kennen, dat hij, doordrongen van en vervuld met het gewigt eener zaak van zoo veel belang als de droogmaking van de Haarlemmer Meer, en geheel ingenomen met dit grootsche plan, zich tot U Ed. Mogenden wendt, om, als een der belanghebbende grondeigenaren, onmiddellijk aan dien thans zoo gevreesden waterplas grenzende, zijne bedenkingen tegen de wijze waarop en de middelen waardoor die droogmaking waarschijnlijk zal plaats hebben, met allen eerbied aan deze vergadering bloot te leggen, in de hoop, dat U Ed. Mogenden hem mogen gerust stellen, door betere inlichtingen, of de bezwaren opheffen en keeren, of door andere meer doelmatige hulpbronnen doen vervangen.”

»Hij geeft in de eerste plaats te kennen, dat, hoezeer de droogmaking van de Haarlemmer Meer, bij welgelukken, als een zegen mag worden beschouwd, echter proefnemingen, bij gelegenheid van die verbazende en kostbare onderneming, al de in- en aangelanden in eene groote ramp zouden storten.—Hij vermeldt, dat het hem uit het rapport der commissie van de droogmaking der Haarlemmer Meer, ingesteld bij Koninklijk besluit van 7 Aug. 1837, No. 51, is kenbaar geworden, dat men de kanalen van Sparendam en Katwijk verbeteren en sluizen wil bijbouwen, en, bij onvoldoende bevindingen, een stoomwerktuig van 180 paardenkracht te Sparendam wil plaatsen.—Hij geeft te kennen, dat men dus, in plaats van met wiskundige zekerheid een werk van dien omvang en van zoo groot gewigt te beginnen en te voltooijen, eene proeve wil nemen, of, nadat de genoemde Meer zal zijn bedijkt, de kleinere boezems de massa’s water, die thans op den grooten boezem worden uitgemalen, zullen kunnen verzwelgen.—Hij merkt aan, dat men eerst dán, wanneer de molens zullen moeten stilstaan en de heerlijke en vruchtbare landerijen geheel of ten deele met water zullen zijn overdekt, waardoor het bestaan van den landman, althans voor een gedeelte van het jaar, zal zijn weggenomen, een stoomwerktuig zoude willen plaatsen.”

»Adressant beschouwt zoodanige proefneming strijdig met het regt van den grondeigenaar, die daaraan have en goed ziet prijs gegeven.—Hij zegt, dat de ondervinding hem heeft geleerd, dat in het voor- en najaar, wanneer er eenige dagen stilte is geweest, de groote meerboezem met eene stevige koelte in één’ dag een’ Rijnlandschen duim en soms hooger wordt opgemalen; dat in het najaar, bij aanhoudende westewinden, dikwijls in verscheidene weken, door den hoogen stand der zee, noch te Katwijk, noch te Sparendam of elders kan worden gestroomd, dat dan de Haarlemmer Meer, door aanhoudend malen, zoo hoog wordt opgezet, dat de onbedijkte landen en ook die in zomerkaden zijn gelegen, overstroomd worden, of dat bij storm de polders, door het woedend opzetten van het water, onderloopen;—hij vraagt, wat dan zoo vele sluizen kunnen helpen, en vermeent, dat dezelve zonder nut zullen dáár zijn, omdat wanneer de Haarlemmer Meer nu in weinige weken zoo hoog kan worden opgezet, alsdan de kleinere boezem in weinige dagen boven peil zal moeten zijn.”

»Requestrant geeft in de tweede plaats te kennen, dat hij zich niet zal vermeten eenige berekening te maken of het stoomwerktuig te Sparendam voldoende zal bevonden worden, alsmede of de kanalen, op zoodanige uitgestrekte ruimte, al het water, dat in zijne streken en ook achter Leijden en in dien omtrek wordt opgemalen, zullen kunnen bergen, en spoedig genoeg naar hunne uitwatering te Sparendam en elders afleiden?—Hij vermeent evenwel, dat het doelmatiger zoude zijn, wanneer dadelijk bij den aanvang van het werk, zoo te Sparendam als ook te Katwijk, een stoomwerktuig wierd opgerigt, dat dan de Spieringermeer niet tot vóórboezem zoude behoeven te worden gehouden.—Hij gelooft tevens, dat het voorzigtiger zoude zijn, den duiker, die hen, bij gebrek aan water, uit den IJssel daarvan zoude voorzien, dadelijk daar te stellen; en vraagt, voor wiens rekening, wanneer eens de meer droog zal zijn, en daarna het nut van zoodanigen duiker wordt ingezien, dit nawerk zal komen, alsmede het onderhoud der stoomwerktuigen?—Hij beweert, dat de aangrenzende landbezitters met billijkheid een’ genoegzamen waarborg mogen vragen, en schadeloos behooren gesteld te worden, even als bij eene onteigening hunner gronden,—dat de meer hun eigendom is, en dat de bedijking van dezelve met eene onteigening gelijk staat.—Hij geeft te kennen dat hun regt op de Haarlemmer Meer van uitmaling en boezem sedert eeuwen onbetwistbaar is gebleven,—dat zij sinds onheugelijke jaren in Rhijnland tot onderhoud der kostbare Meerwerken betalen, alleen om in die Meer altoos het overbodige water vrij en onverhinderd te mogen uitmalen,—dat zij nooit op eenig peil zijn gezet,—dat zij hunne landerijen met die voorregten hebben gekocht, en dat de directie van Rhijnland altijd met de meeste en onvermoeide zorgen voor de uitwatering heeft gezorgd.—Hij vermeent verder, dat de voornaamste grondeigenaren in Rhijnland, immers eene commissie uit hun midden, mogt worden gehoord, ten einde zoodanige maatregelen te beramen, als waardoor elke vrees voor onzekere uitkomst wierd weggenomen en hunne duurgekochte landerijen tegen groote onheilen wierden verzekerd.”

»Adressant geeft eindelijk te kennen, dat de geopperde bedenkingen en zwarigheden hem gewigtig genoeg zijn voorgekomen, om dezelve aan U Edel Mogenden met allen eerbied, in het belang van het algemeen, maar vooral ook voor hen, die in Rhijnland hun land en bestaan vinden, kenbaar te maken, in de hoop en het vaste vertrouwen, dat dezelven in uwe vergadering zullen worden overwogen en velen met hem mogen worden gerust gesteld, door meer voldoende maatregelen op vaste gronden, zonder proefnemingen.”

Beide verzoekschriften werden ter griffie nedergelegd en de verslagen gedrukt en rondgedeeld.

Inmiddels werd het Ontwerp der Wet in de onderscheidene Afdeelingen der Kamer behandeld; uit de Proces-Verbalen der beraadslagingen bleek onder and., dat de Afdeelingen, alvorens zich met de zaak bezig te houden, eenparig verlangd hebben, dat, aangezien het tegenwoordig Voorstel drie onderwerpen bevat, welke met elkander niets gemeens hebben, hetzelve in drie Ontwerpen van Wet mogt worden gesplitst, waarvan het eerste zou handelen over den IJzeren Spoorweg, het tweede over het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en het derde over het aanleggen en verbeteren van andere werken van algemeen nut, enz.

»Nopens het droogmaken van het Haarlemmer Meer, heeft men de vraag geopperd, of daartoe nu werkelijk noodzakelijkheid bestond; welke de waarschijnlijke gevolgen zouden zijn, indien hiertoe niet spoedig werd overgegaan, en of er ook andere middelen aanwezig zijn, om die bezwaren uit den weg te ruimen? Voorts heeft men verlangd te weten, hoe veel kosten er, gemiddeld, in de laatste 10 jaren zijn aangewend, om de uitbreiding van het Haarlemmer Meer tegen te gaan; door wie de kosten zijn gedragen, en op welke wijze het Rijk vergoeding zal bekomen voor de ontlasting, welke uit eene bedijking en droogmaking zal voortvloeijen? Welke bezwaren, uit den physieken toestand van het Hoogheemraadschap Rijnland ontleend, het droogmaken tot nog toe in den weg stonden, en op welke wijze die uit den weg zijn geruimd. Hoe veel bunders men hierdoor voor cultuur denkt te verkrijgen, en of deze dadelijk, dan wel eerst na verloop van vele jaren, vruchtdragend kunnen zijn? Welke de voordeelen zijn, die, volgens de memorie, gedurende de bewerking door de onderneming zullen worden opgeleverd? Of het drooggemaakte Meer eventueel bij Rijnland zal worden gevoegd, en of er behoorlijk zal worden zorg gedragen voor het voortdurend onderhoud van de dijken, opdat dit niet ten laste van het Rijk moge komen?”

De antwoorden der Regering betreffende dit onderwerp waren van den volgenden inhoud:

»1º. Het zoude, naar het inzien der Regering, overbodig zijn, om de nuttigheid en noodzakelijkheid van de onderworpen droogmaking in het breede te betoogen.”

»Men moet zich aan den eenen kant voorstellen een’ uitgestrekten waterplas van duizenden bunders, die voor de publieke welvaart niet alleen geene de minste vruchten oplevert, en voor de som des algemeenen rijkdoms verloren is, maar die bovendien, in weêrwil van de aanzienlijke kosten, die, ter verhoeding van rampen, moeten worden aangewend, de verwoesting steeds verder dreigt uit te strekken, zoodat de vrees geenszins ongegrond is, dat hij zich eenmaal tot voor de poorten der hoofdstad zal uitbreiden, onherstelbare rampen zal veroorzaken, en in eenen staat kan geraken, die de droogmaking, waartoe men eenmaal zal moeten besluiten, meer en meer moeijelijk en kostbaar maken zoude.”

»Men stelle zich aan den anderen kant voor, dezen uitgestrekten en dreigenden waterplas in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten opleverende, en door die producten den algemeenen rijkdom toegenomen, en den Staat in zijne inkomsten in velerlei opzigten aanmerkelijk bevoordeeld.”

»De keus kan dan zeker niet twijfelachtig zijn, al ware het, dat er eenige opoffering daarvoor moest plaats hebben.”

»Het heeft in vorige tijden niet aan ontwerpen, noch aan het voornemen ontbroken, om tot deze droogmakerij over te gaan; doch er waren daarmede zwarigheden verbonden, die niet gereedelijk konden worden uit den weg geruimd.

»Gelukkiglijk is dit thans het geval niet meer, en de Regering vermeent, dat, zoo ooit, dan thans, het oogenblik geboren is, dat tot deze zoo weldadige en verlangende onderneming, zonder bedenking zal kunnen worden overgegaan.”

»2º. Eene onderneming van dezen aard zou echter geenszins aan eene Provincie kunnen worden opgedragen; zij is daarvoor volstrekt niet vatbaar, en dit te minder: vermits de voordeelen, die er uit moeten voortspruiten, niet uitsluitend zouden zijn voordeelen voor eene enkele Provincie, maar wel degelijk voor den geheelen Staat.”

»De Regering heeft er zich steeds voor verklaard, om de algemeene verbetering der rivieren, als eene zaak van algemeen belang, voor hare rekening te nemen; alles wat daaromtrent geschiedt wordt uit ’s Rijks kas bekostigd, en ook thans is men nog onledig met de overwegingen omtrent eene uitgestrekte verbetering der rivieren: met zulke groote ondernemingen laat zich het onderhavig plan het naast vergelijken; terwijl, wat de conservatie der zeeweringen betreft, dit eene zaak is van eenen anderen aard; want, over het algemeen, is het onderhoud van alle rivier- en zeedijken ten laste van de belanghebbenden, en alleen dan, wanneer de kosten van dit onderhoud hun vermogen te boven gaan, kan het Rijk met eenen bepaalden onderstand tusschen beiden komen.”

»3º. Het kan niet gezegd worden, dat de kosten van uitvoering van waterstaats-werken in den regel de ramingen overtreffen. Bij verre de meeste werken is dit het geval niet, en ook is dit tot nog toe bij de droogmaking van den Zuidplas geenszins gebleken.”

»Men meent dan ook, met genoegzamen grond, als zeker te kunnen stellen, dat de droogmaking van het Haarlemmer Meer voor de geraamde som zal kunnen worden bewerkstelligd. Het zou overbodig zijn, omtrent alle berekeningen deswege in de bijzonderheden te treden, daar deze gegrond zijn op veelal kunstmatige onderzoekingen, en onderworpen zijn geweest aan eene kommissie, uit de voornaamste belanghebbenden en deskundigen zamengesteld.”

»4º. Het kan niet wel met volkomen waarschijnlijkheid worden voorzien, welke de opbrengst zal zijn van den verkoop der droog te maken landen, vermits zulks van zeer vele omstandigheden kan afhangen, die vooraf moeijelijk te berekenen zijn.”

»Daar evenwel de waarschijnlijkheid bestaat, dat de gronden zeer goed voor weilanden en de veeteelt zullen geschikt zijn, en de situatie ook daartoe alle aanleiding geeft, zoo mag men met eenigen grond eenen redelijken prijs voor den eventuelen verkoop der landen verwachten; terwijl in allen geval de aanzienlijke voordeelen, die het Rijk door de onderneming niet ontgaan kunnen, nog eene rijke vergoeding zouden opleveren, indien de opbrengsten der gronden zelve beneden de bestede kosten blijven mogten.”

»5º. De kosten om de oevers van het Haarlemmer Meer volledig te beveiligen, zijn zeer groot, en gaan verre het vermogen der onmiddellijk belanghebbenden te boven.”

»De geheele oostelijke oever moet thans door eene steenen glooijing voor verdere inbraak worden beschermd. De som van omtrent ƒ 30,000 wordt daartoe jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rijnland aangewend, zonder dat men zeggen kan, dat hiermede alle gevaar kan worden voorgekomen.”

»6º. Onder de droogmaking zal worden begrepen het geheele eigenlijke Haarlemmer-Meer, benevens het Leidsche- en Kager Meer, met uitzondering echter van het Spiering-Meer, hetwelk men algemeen gemeend heeft niet in de droogmaking te moeten begrijpen, zoo om den boezem van Rijnland niet te veel te verkleinen, als om voor de uitlozing eenen gereeden toegang naar de sluizen te behouden.”

»De uitgestrektheid der droog te maken gronden zal dien ten gevolge een aantal van omtrent 16,700 bunders lands bedragen, die dadelijk als vruchtdragend moeten worden beschouwd.”

»7º. De Regering vermeent, dat zij niet zal behoeven te verzekeren, dat alle bijzondere belangen en verkregene regten op de volledigste wijze zullen worden onder het oog gehouden. Zij is zoo zeer overtuigd, dat zulks behoort te geschieden, dat daaromtrent reeds overwegingen hebben plaats gehad, en zij acht het een harer voornaamste pligten te zijn, om hiervoor in alle gevallen te waken.”

»8º. De onderneming moet geacht worden zeer uitvoerlijk te zijn, en, in vergelijking met andere uitgevoerde droogmakingen, zelfs geene bijzondere zwarigheden op te leveren. Het spreekt van zelf, dat de waterplas geheel moet worden bedijkt, terwijl de uitmaling, hetzij door windmolens, vereenigd met de kracht des stooms, hetzij door stoomwerktuigen alleen (waaromtrent nog overwegingen plaats hebben), zal moeten geschieden; de juiste tijd, binnen welken de uitvoering zal kunnen worden tot stand gebragt, kan intusschen niet worden bepaald, aangezien dit van vele meer of min gunstige of ongunstige omstandigheden afhangt, en zijnde de keuze, ten aanzien van het in meerdere of mindere mate aanwenden van stoomwerktuigen, tot uitvoering en het duurzaam drooghouden van het Meer, daaromtrent van een’ grooten invloed.”

»9º. Hierboven is reeds vermeld, welke sommen jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rijnland, ter beveiliging der oevers, moeten worden aangewend. Daarvan zal dit district bevrijd worden; doch dit is niet het éénige voordeel, dat hetzelve door de droogmaking bekomt; het aantal van 16,700 bunders zal, in zoodanige evenredigheid als billijk zal worden bevonden, althans voor de uitlozing van deszelfs water, moeten bijdragen, zoo dat dit district het uitzigt verkrijgt, dat in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt.”

»10º. De belangen van het gemelde Hoogheemraadschap hebben vroeger de uitvoering dezer onderneming in den weg gestaan, vermits men vermeende, dat deszelfs uitlozing daardoor zoude worden belemmerd.”

»Men heeft daarin nu echter, door deze gemaakte ontwerpen, op de meest voldoende wijze kunnen voorzien, zoo door een’ overblijvenden ruimen boezem, als de stichting van meerder uitlozende sluizen, de volledige verbetering van het Katwijksche Kanaal, en het aanwenden der stoomkracht, om, ingeval van nog bestaande noodzakelijkheid, den boezem onmiddellijk naar vereisch te ontlasten.”

»11º. De voordeelen gedurende de bewerking, bestaan in de verhuring der dijken, de verpachting der visscherij, die der van tijd tot tijd droogkomende landen, en eenige opbrengsten van dien aard.”

»12º. De uitlozing van den toekomstigen polder zal op den boezem van Rijnland plaats hebben; doch de vraag, of deze polder ook onmiddellijk tot dat Hoogheemraadschap behooren, en, even als alle andere polders, een gedeelte daarvan zal uitmaken, zal later, overeenkomstig de bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen, kunnen worden uitgemaakt.”

»Is ten allen tijde in ons vaderland het groot belang, hetwelk de ingezetenen hebben in den waterstaat, in vaarten en wegen, levendig gevoeld; zijn in het bijzonder de menigvuldige bedijkingen, en de in de laatste jaren aanmerkelijk vermeerderde en verbeterde vervoermiddelen daarvan sprekende bewijzen; het heeft ons dan ook niet kunnen bevreemden, dat de Regering hare aandacht gevestigd heeft, zoo wel op het droogmaken en in eenen vruchtbaren grond herscheppen van eenen grooten, van tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en daardoor dreigenden waterplas, als op het meer snel en minder kostbaar vervoer van personen en goederen over ijzerbanen, die reeds in andere landen in gebruik zijn gesteld. In tegendeel, wanneer wij ons met de Regering dien uitgestrekten en dreigenden waterplas voorstellen als in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten opleverende, en hierdoor den algemeenen rijkdom vermeerderende, en den Staat in zijne inkomsten in velerlei opzigten aanmerkelijk bevoordeelende,—wanneer wij tevens het hooge belang gevoelen van den buitenlandschen handel, en denzelven wenschen te behoeden voor een gevaar, hetwelk geenszins hersenschimmig wordt genoemd,—dan kunnen de ontwerpen van wet tot zulke gewigtige oogmerken strekkende, ons niet dan welkom zijn, en de zorg, met welke het thans in openbare beraadslaging zijnde ontwerp in alle de afdeelingen is overwogen, levert een ondubbelzinnig bewijs op, dat het gewigt van hetzelve levendig door U Ed. Mogenden wordt gevoeld.”

»Geen wonder dus, dat de inlichtingen, welke ons ter dezer zake door de Regering zijn gegeven, vooral ook de op ons aanzoek ons ter inzage verleende memoriën en berekeningen van die kundige en vaderlandslievende mannen, welke over deze onderwerpen zijn geraadpleegd, en welke hunne gevoelens en inzigten zoo uitgewerkt aan de Regering hebben medegedeeld, door ons met de meeste belangstelling zijn ontvangen geworden.”

»Ik wenschte dan ook, Ed. Mog. Heeren! dat het ontwerp van wet mijne geheele toestemming mogt kunnen erlangen, en dat ik niet in den tijd en de wijze waarop, zoowel als in de middelen door welke, de uitvoering van de in dat ontwerp, alsmede in de toelichtende memorie en in de beantwoording der ingebragte bedenkingen, omschrevene werken zal plaats hebben, zoo vele bezwaren vond, dat ik daardoor van die toestemming, immers voor alsnog, wierd weêrhouden.”

»Daar echter die bezwaren reeds in de processen-verbaal van de beraadslagingen der afdeelingen zijn te berde gebragt, zoude ik vreezen de aandacht van U Ed. Mogenden te misbruiken, indien ik thans in eene breede ontwikkeling van alle dezelven wilde treden, en ik zal daarom trachten deze bezwaren, zoo verre die in het verhaal der vierde afdeeling voorkomen, doch naar mijne meening door de antwoorden der Regering niet zijn opgelost of genoegzaam toegelicht, zoo kort mogelijk voor te dragen.”

»En dan vallen in de eerste plaats in het oog drie algemeene bedenkingen, welke in de genoemde afdeeling zijn vooruitgezet, en die ik daarom thans slechts zal opnoemen, namelijk 1º. dat de tijd nog niet gekomen is, om zulke groote en kostbare ondernemingen, als zijn die van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en van het daarstellen van ijzerbanen, voor rekening van het Rijk tot stand te brengen, maar dat werken van dien aard, voor zoo veel dezelven niet door particuliere personen of maatschappijen onder toevoorzigt der Regering kunnen worden daargesteld, en niet door den drang van omstandigheden gebiedend worden geeischt, dan eerst behooren in overweging te worden genomen, als de Belgische zaak geschikt, de oorlogskosten verminderd, en de jaarlijksche vermeerdering van schuld opgehouden zal zijn; 2º. dat werken van zoo onderscheiden aard niet te zamen in één wetsontwerp behooren te worden vereenigd, maar in afzonderlijke ontwerpen vervat, opdat niet het goed en nuttig geoordeelde werk om het afgekeurd wordende verworpen, of omgekeerd het afgekeurd wordende om het goedgekeurde aangenomen mogt worden; 3º. dat het niet raadzaam schijnt, om tot zoodanige werken fondsen te bezigen, welke tot een ander doel zijn bestemd geworden, en door welker gebruik het reeds zoo ingewikkeld geldelijk beheer nog meer zoude worden gecompliqueerd; wordende deze bedenking, mijns oordeels, nog versterkt door de aanmerking in het slot der beantwoording van de Regering te vinden, volgens welke de openlegging van den staat van het Amortisatie-Syndicaat spoedig op handen is, en men dan met meerdere kennis van zaken over gebruik en restitutie van kapitalen, en over te nemen maatregelen van voorziening, zal kunnen oordeelen.”

»Bij deze algemeene bedenkingen komen nog vele bijzondere, ten aanzien der onderscheidene werken bij dit wetsontwerp bedoeld, waarvan ik slechts eenige voorname zal in het midden brengen, en wel vooreerst ten aanzien van den spoorweg of ijzerbaan van Amsterdam naar Arnhem.”

»Ik sprak enz.”,

»Ook de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer beveelt zich van onderscheidene zijden aan. De herschepping van eenen grooten, van tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en daardoor dreigenden waterplas in eenen vruchtbaren met nuttig vee beslagen’ grond, kan met treffende kleuren worden afgeschilderd: en ook het Rijk heeft daarbij zóó veel belang, dat het verstrekken van eenige sommen van staatswegen tot dat einde niet onaannemelijk worden geacht. Verder, ofschoon ik niet overtuigd ben van de gegrondheid van het bij sommige ingelanden van Rijnland bestaande bezwaar in eene droogmaking van het geheele Haarlemmer Meer, en ik zelfs eene zoodanige geheele droogmaking boven eene partiëele, om verschillende redenen, thans niet te ontwikkelen, verkieslijk houde, kan ik toch genoegen nemen met de ter gemoetkoming aan dat bezwaar door de benoemde belanghebbenden en deskundigen voorgestelde wijze van bedijking, in voege dat een klein gedeelte van dien grooten plas, onder den naam van Spieringermeer bekend, buiten bedijking blijft, om te dienen tot een’ boezem, in welken het water wordt opgemalen, ten einde alzoo door sluizen te worden geloosd. Die boezem is, ook naar mijn oordeel, groot genoeg, om bij dagelijksche ontlasting al het dagelijks opgemalen of opgestoomd wordende water te kunnen bevatten; terwijl de door het opmalen of opstoomen veroorzaakte hooge stand des waters de lossing daarvan in diezelfde mate zal vermeerderen, als het boezem-water zal rijzen.”

»Dan ook tegen dit werk doen zich eenige bedenkingen op. Want om, ter bekorting mijner rede, niet terug te komen op alles, wat daaromtrent reeds in de verbalen der beraadslagingen van de afdeelingen nopens het hooren der belanghebbenden, de verzekering van wettig verkregene regten, de berekening van het productive des werks, en meer andere punten is gezegd, en naar mijn oordeel in de beantwoording der Regering niet tot bevrediging en geruststelling van U Edel Mogenden is opgelost; om al verder niet te treden in een betoog van de noodzakelijkheid, dat nieuwe wetsbepalingen, op het stuk van de onteigening, het daarstellen van zulke groote werken, als in dit wetsontwerp worden voorgedragen, dienen vooraf te gaan; wil ik thans alleen opmerken, dat de gegrondheid van het gevoelen van velen onzer, dat dit werk, hoe nuttig hetzelve ook wezen moge, echter meer uit het oogpunt van plaatselijk, districts- en gewestelijk, dan wel uit dat van algemeen belang moet worden beschouwd, onder anderen dááruit blijkt, dat Rhijnland, volgens het overgelegde plan en teekening, eene volledige verbetering in het Katwijksche kanaal zoude erlangen, eene verbetering, waartoe anders, zoo als door de vijfde afdeeling te regt is aangemerkt, bij den onvolmaakten toestand, waarin dat kanaal zich bevindt, Rhijnland toch verpligt zoude zijn, vroeger of later over te gaan. Ook is dit gevoelen niet alleen door de beantwoording der Regering niet wederlegd, maar zelfs aanmerkelijk versterkt door hetgeen aldaar sub 5º. en 9º. te lezen is, namelijk »dat de kosten, om den oever van het Haarlemmer Meer volledig te beveiligen, thans zeer groot zijn; dat de geheele oostelijke oever door eene steenen glooijing voor verdere inbraak moet worden beschermd; dat daartoe de som van omtrent ƒ 30,000 jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rhijnland wordt aangewend; dat dit district door de bedijking van het Meer daarvan zal worden bevrijd; en dat dit niet het éénige voordeel is, hetwelk hetzelve door de droogmaking zal bekomen, maar dat ook het aantal van 16,700 bunders voor de uitlozing van deszelfs water zat moeten bijdragen, zoodat dit district het uitzigt verkrijgt, dat in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt.””

»Kan het wel duidelijker, Ed. Mog. Heeren! dan hier geschiedt, uiteengezet worden, dat niet alleen het algemeene Rijks-belang, maar ook wel degelijk een meer bijzonder belang in dit werk is betrokken, en kan dan het gevoelen van de zoodanigen onzer, die van oordeel zijn, dat hetzelve niet voor rekening en op kosten van het Rijk alleen dient te worden ondernomen, maar dat ook plaatselijke, districts- en gewestelijke bijdragen daartoe in billijke evenredigheid behooren te worden aangewend, ongegrond worden genoemd?”

»In sommige afdeelingen is te kennen gegeven, dat het door de Regering geopperde, doch niet aangenomen denkbeeld, om de ondernemingen aan particulieren over te laten, en dus de kosten der werken uit particuliere negotiatiën te vinden, alles onder het oppertoezigt der Regering, niet geheel verwerpelijk voorkwam, althans in het geval, dat er uitzigt bestaan mogt, dat zich daarvoor associatiën van bijzondere personen mogten opdoen. Ten aanzien van de spoorwegen, zijn daartegen in de beantwoording gewigtige bedenkingen, vooral uit de noodzakelijkheid, dat de Regering van het tarief der regten meester blijve, ontleend, ingebragt: dan ten aanzien van de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer bestaan die bedenkingen niet, en ik zoude daarom dit werk wel aan eene maatschappij van bijzondere personen willen overgelaten zien, alles onder genot van zoodanige Rijks-, provinciale en districts-bijdragen, en verdere aanmoedigingsmiddelen, als noodig mogten worden geoordeeld, om dit gewigtige werk met een gegrond uitzigt op goed gevolg tot stand te kunnen brengen.”

Daarna sprak de Heer Donker Curtius en zeide over dit onderwerp:

»Ten aanzien van de droogmaking van het Haarlemmer Meer denk ik minder ongunstig, (dan over den Spoorweg); maar de zamenvoeging van dit onderwerp met de Spoorwegen verhindert mij, om mijne stem bij dit onderwerp alleen te bepalen.”

De Heer Romme was de derde spreker, en zeide:

Breedvoerig sprak de Heer Luzac over dit onderwerp, hetgeen hem, als inwoner der stad Leijden, natuurlijk moest ter harte gaan. Zie hier zijne redevoering:

»Ik was voornemens geweest, bij de uiteenzetting mijner gedachten over het onderhavig wetsontwerp, en de redegeving van mijn ongunstig votum, de orde, waarin de diverse onderwerpen zijn opgenoemd, te volgen, en na eene algemeene consideratie te hebben vooropgezet, mitsdien: 1º. over den spoorweg van Amsterdam op Arnhem; 2º. over den zijtak van Rotterdam op Utrecht;—in de derde plaats over het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, te spreken, om, in de vierde plaats, de overige bedoelde werken te behandelen, en met de beoordeeling van het voorgestelde finantiëel middel te besluiten.”

»Ik zal dit voornemen echter laten varen en mijne taak aanmerkelijk beperken: het onderwerp der spoorwegen zal ik stil ter zijde laten liggen, en mij bij de tweede hoofdbedoeling der wet, het droogmaken van het Haarlemmer Meer, ééniglijk bepalen; ik kan mij toch ook met de bedenkingen van U Ed. Mogenden omtrent de spoorwegen, zoodanig als dezelve door de Regering zijn voorgesteld, in al de afdeelingen bestreden, evenzeer vereenigen, als met vele der gezigtspunten, zoo even door ons geacht medelid uit Holland (Donker Curtius) uit een gezet.”

»De algemeene consideratie, welke, naar mijn oordeel, de beraadslagingen over dit wets-ontwerp domineert, is de finale ongepastheid en ongeschiktheid van het tegenwoordig oogenblik tot het aanvangen der bedoelde werken. Het komt mij voor, dat, bij de verwachte schikking onzer quaestiën met België, de voorzigtigheid ons moet gebieden, de verwezenlijking derzelve af te wachten, alvorens ons in ondernemingen te steken, welke (de nuttigheid volkomen eens aangenomen), aanvankelijk toch reeds op ene uitgaaf van 24 millioen geraamd worden, en ons tot beschikbaarstelling van nog vele andere millioenen zullen kunnen noodzaken.”

»Ik wil de spoedige en gunstige beëndiging onzer geschillen verwachten, en vraag, of wij, na dezelve, niet beter het standpunt zullen kennen, waarop wij ons staatshuishouden zullen kunnen en moeten inrigten; of wij dan niet beter zullen kunnen beoordeelen, welke middelen wij tot verbetering onzer inwendige communicatiën moeten aanwenden; of en hoe wij Hollands grooten waterplas in welige landsdouwen zullen kunnen herscheppen?”

»Doch, enz.”

»Ten opzigte van het droogmaken van het Haarlemmermeer is mijne bedenking echter van de meeste kracht; daar deze onderneming, welke reeds meer dan twee eeuwen ter sprake gebragt is, voorzeker wel in zeer rustige tijden mag ondernomen worden, en het uitstellen daarvan het algemeen waarlijk niet met zoo vele en zoo eminente gevaren bedreigt, als men dit soms wil doen gelooven. Bedenken wij toch, dat bij het opkomen van ieder plan tot bedijking, in 1617, 1632 enz., de ondergang van Holland door het Meer steeds als zeer aanstaande werd aangekondigd. In 1742 voorspelde doctor Zumbag de Koesvelt dien ondergang als zeer nabij, indien men zijne droogmakings-projecten niet volgde; zij bleven achter, en reeds bijna eene eeuw is nu gunstig over zijne profetie heengevlogen.”

»Eenig uitstel zal hier weinig schaden, terwijl het onvoltooid laten des werks, ten gevolge van moeijelijkheden, waarin het vaderland nu kan gewikkeld worden, de schromelijkste gevolgen na zich kan slepen. De intempestiviteit alleen zoude mij dus reeds doen huiveren, aan het ontwerp van wet mijne toestemming te geven.”

»Doch ik wil mij achter dit algemeen bezwaar niet verschuilen, en tot de wet zelve overgaan:—ik laat, zoo als ik zeide, de quaestie der spoorwegen geheel ter zijde liggen, om dadelijk en uitsluitend het onderwerp van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmermeer te behandelen.”

»Hierbij doet zich al dadelijk eene zeer belangrijke vraag op, welke ik de aandacht en het onbevangen oordeel van U Ed. Mogenden moet aanbevelen,—zij is deze: »kunnen en mogen de Staten-Generaal de Regering in deze ondersteunen;—kunnen en mogen zij dit, in den stand, waarin de quaestie van het droogmaken van het Haarlemmermeer zich thans nog bevindt?” Ik houde mij overtuigd, dat deze vragen niet wel anders dan ontkennend kunnen beantwoord worden, en zal aan U Ed. Mogenden mijne redenen openleggen.—Wat is »hetgeen men het Haarlemmer- of Leijdschemeer noemt?” Is het een waterplas, welke, als b. v. de Zuiderzee, kan gezegd worden, aan het algemeen te behooren?—Is het een waterplas, welke onbeheerd, onverzorgd ligt—welke aan het domein vervallen is; over welken de algemeene Regering des Lands eenige onmiddellijke administratie heeft? Voorzeker neen!—Het is een waterplas, geheel in de provincie van Holland gelegen, tot deze alleen behoorende: hij is, en was van de overoudste tijden af, onder het oppertoezigt van een bijzonder collegie gesteld, hetwelk de zorg heeft en volbrengt, van hem, in het belang van het geheel hem omgevend district van Rhijnland, gade te slaan, en naar gelang der hiertoe bestaande middelen te beteugelen.”

»Het is, en dit is opmerkingswaardig, als eene rentegevende bezitting van de stad Leijden te beschouwen; een bezit, door die stad titulo oneroso verkregen, hetwelk haar, zonder de grootste onregtvaardigheid, niet eigendunkelijk en zonder voorafgaande voldoende schikkingen, kan of mag ontnomen worden.—De Hooge Regering, Ed. Mog. Heeren! kan en moet over de bedoelde droogmaking niet beslissen, zonder voorafgaand bepaald overleg en medewerking der steden Haarlem en Leijden, zonder hierin het Hoogheemraadschap van Rhijnland, zonder bepaaldelijk ook de Staten der provincie gekend te hebben.”

»Dit klinkt U Edel Mogenden welligt vreemd; doch die bevreemding zal spoedig ophouden, wanneer ik U Edel Mogenden eenige feiten uit onze Geschiedenis zal hebben kenbaar gemaakt, en U Edel Mogenden eene authentieke akte, door Willem den eersten en de Staten des Lands verleden, zal hebben doen zien: zij zal ophouden, zoodra ik U Edel Mogenden omtrent de waarachtige en nog ten huidigen dage standhoudende omstandigheden zal hebben toegelicht.”

»In het werk van den beroemden Frans van Mieris, in den jare 1770, door Mr. Daniel van Alphen te Leijden uitgegeven, onder den titel van Beschrijving der stad Leijden, deel II, pag. 605, leest men:—»dit groote water (het Meer) draagt thans zijn’ naam naar de steden tusschen welke het gelegen is: doch eertijds bestont het uit verscheidene kleine meeren, die van elkanderen gescheiden lagen, in dier voegen dat men langs het land van de Vennip en het uiterste van den Ruigenhoek, daar men met een schouw over het Meer gezet wierdt, op Aalsmeer of ander waard in Amstelland, of naar Woerden en Utrecht geraken konde: doch men vindt aangeteekend, dat deze weg, door overstrooming in het jaar 1496 onbruikbaar geworden, en de menigte der kleine meeren tot eenen geweldigen plas gemaakt is, nogtans zijn de namen der eertijds afgezonderde wateren tot heden overgebleven.””

»Al deze wateren waren nu, onder den algemeenen naam van Vroonwateren, dat is te zeggen, vrij onbelaste wateren, bekend, en werden in den jare 1433 door Hertog Philips van Bourgondië in erfpacht aan de stad Leijden gegeven: zoo als te vinden is in het Groot Charterboek van van Mieris, IV deel, pag. 1017.”

“Margaretha, weduwe van Graaf Willem VI, herhaalde deze uitgifte in 1434 en 1435, en Philips, Hertog van Bourgondië, stelde, in de maand Junij 1451, orde, »dat die van Leijden in de gepachte vroonwateren niet verkort of beschadigd zouden worden.”

»De stad Leijden namelijk had veel nadeel door het visschen van bijzondere personen ontvangen, en nu beval Hertog Philips in gezegd jaar 1451, wel uitdrukkelijk: »dat niemand in het gemelde water zonder bewilliging van de stad Leijden zoude visschen, noch eenige ruigte mogt snijden noch vervoeren, op zekere boeten, door den schout van Leijden, van de overtreders te vorderen.” Men leze de handvest, bij van Mieris pag. 699.”

»Op dezen voet, bij welken de vrije of vroonwateren tusschen Leijden en Haarlem nog geheel in eigendom aan den souverein verbleven, is de stad Leijden, voor 75 Wilhelmus schilden, jaarlijks te betalen, pachter geworden en gebleven, tot na de afzwering van Philips II en de vestiging van dezen Staat, door Willem den Eersten.”

»En wat is toen gebeurd?—Ik bid U Ed. Mogenden hierop uwe aandacht te willen vestigen: »toen is,” zegt Van Mieris, Beschrijving van Leijden, pag. 605, »het vroon tusschen Haarlem en Leyden, in het jaar 1583, geheel aan de stad Leyden verkocht geworden, en die stad is sedert in dat uitgebreide gebied door de Hooge Overheid gehandhaafd.”

»Dit is geen sprookje, mijne Heeren! geene onzekere overlevering: de acte van verkoop is voorhanden, en te vinden in de Handvesten der stad Leijden, door Van Mieris, in 1759, uitgegeven, pag. 705.—Het zij mij vergund de belangrijkste periodes aan U Ed. Mogenden mede te deelen.”

»De akte is van den 31sten December 1583; boven aan leest men: »Door den Prins van Oranje, de Ridderschap, Edelen en Gedeputeerden van Holland, representerende de Staaten van ’t Land, aan de stad Leijden verkogt het vroon tusschen Haarlem en Leijden, &c. &c.—en zij begint aldus:”

»»Willem, bij der gratien Goodts, Prince van Orangnen, Grave van Nassou &c. &c.—mitsgaders die Ridderschappen, Edelen en Gedeputeerden van de steden van Hollandt, representerende de Staten van den selven Lande: Doen te wetenen, dat naerdyen bevonden is de Domeynen van Hollandt, in voorleden tyden, ende verscheyden jaeren successivelycken, zoo by ’t vercoopen ende versetten van dien, als belastinge van renten daer op gestelt, zeer vermindert, becommert ende beswaert te zijn, in der vougen, dat uyt die jaerlycxe vruchten ende incomsten derzelver de voorsz. renten ende lasten daer op staende nyet en mochten worden voldaen, waerdeur &c. Omme hier tegens te voorsien,—wy raetsaem bevonden hebben, by zeeckere commissarissen, soo uyt de Edelen ende Gedeputeerden van de steden, als uyt den Raide Provinciael—te doen procederen, tot vercoopinge van diversche partyen van Domeynen. Welcke commissarissen onder andere overcomen zyn met die Burgermeesteren, ende Regeerders der stede van Leyden, als dat sy luyden in coope hebben ende behouden zullen, ten behouve van heurluyden stede, de partyen van Domeynen hier naer verklaert.””

»»Eerst, d’erffpacht van vyff en ’t zeventich Wilhelmus schilden, verscheynende tot twee termynen ’t jaer—die de voorschreven stede jaerlycks schuldig is, van ’t vroon tusschen Leyden ende Haarlem, voor de somme van twee duysent achhondert ponden van XL grooten Vlaemsch ’t pondt:—Item, &c.”—Vervolgende de akte, na de opnoeming van andere verkochte recognitiën, thijnsen en regten, aldus: »Ende alzoo de voornoemde stede van noode is daervan te hebben haerder verseekertheyt, Onze open brieven daertoe dienende; soo ist, dat Wy, hebbende de voorsz. vercoopinge voor aengeneem, ende willende te goeder trouwe procederen mitte voornoemde stede, ende haer verseeckeren zoo ’t behoort, hebben denselven verkoft, gecedeert en getransporteert, vercoopen, cederen ende transporteren bij desen, de voorsz. partyen van Domeynen, hier vooren geroert, vry, zonder opstal van eenige renten, omme deselye voor haer, off actie van haer hebbende, in vryen eygendom te besitten ende gebruycken, sonder dat daervan eenige nacoop, naestinge off lossinge zal mogen geschien.—Beloven voorts de voorsz. coope by alle tractaten van peyse te houden staen, ende te doen approberen, ende de voorn. stede—te garanderen vry, costeloos ende schadeloos te houden van alle actien, aenspraken ende pretensien, die selve ter cause van de voorsz. coope gemoveert sullen mogen worden. Oock en sullen de voorz. partyen van domeyen bij geen mesuren ofte delicten verbeurt mogen worden, ten ware d’eygenaer van dien eenige verraderye tegen ’t gemeen Vaderland aanrichte.” Dat nu de stad Leijden deze domeinen, zegt de acte, gekocht heeft, zal hierdoor wel bewezen zijn, even zeer als het buiten kijf is, dat de stad zich aan geene verraderije tegen het gemeene Vaderland heeft schuldig gemaakt, en ze hierdoor kan verloren hebben; doch het blijkt ook, dat zij de kooppenningen voldaan heeft, want de quitantie, in dato 14 November 1584, is bij Van Mieris, pag. 707, achter het bedoelde stuk gedrukt.”

»Na deze lecture veroorloof ik mij nu deze eenvoudige vraag, quo titulo de Hooge Regering, welker predecesseuren dezen verkoop gedaan hebben, en tegen alle aanmaningen plegtig gegarandeerd, nu zonder toestemming van den eigenaar dezer regten, tot het droogmaken van het Meer, het doelloos worden van het verkochte, kan besluiten? Hoe zij deze vergadering hiertoe kan willen doen medewerken? Is het eerste gedeelte van art. 164 der grondwet dan zonder kracht geworden?”

»En nu kan men niet over de uitgestrektheid van dit vroon twisten; want van deze blijkt weder uit eene keure van den 28 Februarij 1594: »duidelijk leerende, zoo als Van Mieris zegt, pag. 707, hoeverre zich het vroon der stad Leyden uitstrekt, en uit welke wateren hetzelve bestaat.””

»De aanhef dezer keure luidt aldus:”

»»Alsoo de stad Leyden in den jaere 1433 van H. M. Hertoge Philip van Bourgongien, in der tyd Grave van Hollandt, het recht vercreghen heeft tot de visserien van de Meeren, ghelegen aen verscheyden partien tusschen Leyden, Haerlem, ende Amsterdam: ende sulcx van den selven tyd aen, in geduyrighe ende vreedsamighe possessie, ende gebruyk is gheweest, van de volgende wateren ende visscheryen, die men van oudts mit eenen name ghenoemt heeft het vroon—als de Zyl, ’t Zweylant, de Norremeer, de Hemmeer, de Valckemeer, of ’t Vennemeertgen, de Spriet, de Kever, de Zeven, ’t Hellegat, de Zassemeer, de Greveling, de Aa, Huykersloot, de Cagermeer, de Astermeer, de Leydtschemeer, de Haarlemmermeer, de Hellemeer, de Verremeer, de Stommeer, ’t Griet, de Brasemeer, de Oudeweteringhe, de Gooch, ende de Nieuweweteringhe.””—

»Hoe, in het vervolg van tijd, over die regten, over die bezitting, is gedacht geworden, alsmede hoe onze voorvaders het bedijken en droogmaken van het Meer beschouwden, is overtuigend te lezen uit eene resolutie van de Groote Vroedschap der stad Leijden, van den 6den October 1632 (bij van Mieris pag. 710), waarin deze woorden voorkomen: »Hebben de H. H. Burgemeesteren van dese stadt Leijden, de Grote Vroedschap derzelver stede voorgedragen dat—gemerkt de voorsz. Meeren dese stadt in eigendom toebehooren, ende dat de bedijkinge van dien, extreme groote schaden en interesten, jaa (dat Godt verhoede), den geheelen ondergang van de voorsz. stadt soude konnen veroorsaaken, of daarom niet goed en dienstig en ware in tijds vast te stellen, dat voortaan op ’t stuk van de bedijckinge der voorz. Meeren—van wegen dese stadt niet en sal mogen werden gedelibereert nog geresolveert, dan bij de voorsz. Vroedschappen, ende alle de leden van dien tegenwoordig, of immers daartoe geconvoceerd zijnde: mitsgaders bij eenparige stemmen van alle deselve, sonder dat overstemminge daarinne plaatse sel mogen hebben.”

»Nu moet men niet zeggen, dat die Leijdenaren zich hieromtrent te veel aanmatigden, en in deze resolutie, als getuigen in derzelver eigene zaak, reprochabel zijn; want ook de regterlijke Autoriteiten van dien ouden tijd erkenden en handhaafden de regten der stad op ’t vroon, zoo als weder te zien en te lezen is, door eene uitspraak van commissarissen van den Hove van Holland, van Julij 1656, gegeven tegen den Bailluw van Kennemerland, »welke meende geregtigd te zijn het vischwant en de fuiken in de vroonwateren der stad Leijden, met geweld te mogen weghalen. (Zie van Mieris pag. 713.)”

»Ik vertrouw, dat U Ed. Mogenden, na de mededeeling dezer stukken, mij toch zullen toestemmen, dat hier van iets meer, dan van verouderde vooroordeelen quaestie is, en dat met zegel en brief kan bewezen worden, dat zonder de stad Leijden hierin te kennen, naar regt en billijkheid, niets behoort ondernomen te worden; ten zij wij weder wilden terugkeeren tot die ongelukkige tijden, toen de dienaren van Philips II, op de klagten onzer voorvaders over het schenden hunner regten, geen beter antwoord wisten te geven, dan hun in derzelver verbasterde taal toe te voegen: non curamus vestros privilegios.”

»Onze voorvaders, die reeds in 1617, daarna weder in 1632, over het droogmaken der bedoelde plassen hoorden spreken, en deswege allerhande plans zagen maken, overdachten deze zaak met ernst en bedaardheid, en oordeelden haar van zoodanige veruitziende gevolgen, dat zij eene resolutie namen, op den 14den November 1662, bij de Groote Vroedschap der stad Leijden, »omme haar bij ’t aankomen van ieder veertig (of raadslid), na het doen van den eed in die qualiteit, voor te lezen van namelijk niet te resolveren in het bedijken van de Leijdsche en naast aangelegen meeren.” (Zie van Mieris, pag. 714.)”

»Ten slotte moet ik opmerken, dat de gestrengheid dezer resolutie op den 13den Julij 1750 is opgeheven geworden, de leden der groote Vroedschap van de gedane belofte toen zijn ontslagen, en wij sedert dien tijd weder over het droogmaken van het Meer ons gevoelen te Leijden vrijelijk mogen uiten.”

»Tot verdere toelichting, Ed. Mog. Heeren! dezer belangrijke quaestie, moet ik hierbij voegen, dat even min als de bedoelde koop kan betwijfeld worden, even min quaestieus is, wat in de bedoelde regten aan de stad Haarlem, wat aan Leijden toebehoort.—Uit eene overeenkomst toch, door de Regenten van beide deze steden op den 6den November 1698 aangegeven, en almede bij van Mieris, pag. 715 en 716 te vinden, blijkt, dat alleen aan de stad Haarlem de visscherij in het Spieringermeer toekomt, terwijl het vroon van al de overige wateren en plassen, het Haarlemmer- of Leijdsche-meer, geheel ten bate en voordeele van Leijden kwam.”

“En is nu dit regt verloren gegaan, heeft men deze revenuen niet geteld en ze soms laten varen?—In geenen deele, mijne Heeren!—De stad Leijden is nog, tot op den huidigen dag, de belangrijke vruchten van haren koop plukkende:—nog wordt de visscherij in de vroonwateren door de stad Leijden gepacht, en brengt zij een bruto jaarlijksch inkomen van ƒ 2000 op;—tot op den huidigen dag staan, der stads regt aanduidende, palen rondom de geheele uitgestrektheid van het Meer, tot aan den ingang van het Nieuwe Meer toe, tot digt aan de poorten van Amsterdam; nog tot op den huidigen dag is een lid van den Raad met het Vroonheerschap te Leijden belast, en bestaat aldaar een speciaal stedelijke opzigter over al de vroonwateren: en hetgeen mede opmerking verdient, nog tot op den huidigen dag verleent de stad Leijden, tegen betaling van zekere geldelijke retributiën, verlof tot het baggeren, het uitdiepen dus van den grond zelven, in de vroonwateren der stad.”

»Ik moet vooronderstellen, dat deze facta, welke waarachtig zijn, dat deze regten, op onloochenbare bewijzen steunende, aan de Hooge Regering, hoe vreemd dit ook klinken moge, onbekend zijn geweest, en zij vermeend heeft, dat dit groote water zonder vruchttrekkend eigenaar was;—ware het anders mogelijk geweest, dat zij, onder de voordeelen, welke gedurende de bewerking door het Meer zullen opgeleverd worden, ook de verpachting der visscherij (zie no. 11 der beantwoording) zoude opgenoemd hebben? Het zal toch moeijelijk zijn, weder tot de verpachting eener visscherij over te gaan, waarvan de eigendom reeds over meer dan twee eeuwen geleden door hare predecesseuren aan Leijden is verkocht geworden, en welke visscherij reeds voor verscheidene jaren door deze stad zelve is verpacht.”

»Ik trek uit dit alles deze conclusie, welke zeker niemand van overdrijving zal kunnen beschuldigen:—dat men, alvorens tot de bedoelde onderneming te besluiten, de laatstgenoemde stad in haar belang had moeten hooren, en over de schadevergoeding, op welke zij eventueel de gegrondste aanspraak maken kan, eenige opening had moeten geven. Niets van dit alles is geschied;—men leze al onze stukken, de meegedeelde memorie der Meer-commissie, nergens zal men eenige vermelding van de bedoelde regten vinden, nergens eenig bewijs, dat men hieraan gedacht heeft.”

»Evenmin als men de voorafgaande belangen der stad Leijden heeft in acht genomen, evenmin heeft men het collegie van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland opgeroepen tot het geven van zijn advies, of verzocht zijne bedenkingen en raadgevingen in het midden te brengen. Het is waar, dat twee Heeren ook Hoogheemraden van Rhijnland zijnde, bij het besluit van den 7den Augustus 1837, tot de commissie zijn geroepen;—doch het is tevens waar, dat die commissie niet gemagtigd was met de belanghebbenden de quaestie over het principe te onderzoeken, maar slechts geroepen, om een bepaald eindontwerp dier droogmaking en eene begrooting van kosten op te maken, terwijl het nog opmerking verdient, dat de Heer de Bruijn Kops, een der twee Hoogheemraden, bij het besluit als Burgemeester van Haarlem wordt aangeduid, en de Heer P. A. du Pui alleen met de bijvoeging van Hoogheemraad van Rhijnland voorkomt, en, vreemd genoeg, van het Bestuur, van de Regering van Leijden zelve, niemand bij de commissie was geroepen.—Het mandaat, aan de Heeren leden gegeven, was ook geheel personeel; het collegie van Dijkgraaf en Hoogheemraden werd, volgens mijne berigten, met niets officiëel bekend gemaakt, en het konde dus ook in geenen deele over de zaak zelve officiëel met bedenkingen tusschen beiden komen.”

»Als wij nu echter nagaan, dat dit collegie meer dan zes eeuwen lang het wijd uitgestrekte district van Rhijnland heeft beheerd, en met zoo krachtige regten en privilegiën der oudste Heeren des Lands is beschonken geworden, dat het maakt en verzorgt al de belangrijke uitlozingen van deze vruchtbare landstreek,—dat het, onder zijn gebied en surveillance, 268 watermolens, die alle op den boezem van deszelfs district uitmalen, geplaatst ziet, waardoor van zijnen ingewikkelden waterstaat, en het getal der polders op hetzelve uitlozende, te oordeelen is; als wij nagaan, dat onder deszelfs bestier de sluizen op halfweg Haarlem staan, welke men, volgens het gemaakte project, met eene vierde opening wil vermeerderen en de reeds in den jare 1253 aan hetzelve toevertrouwde sluizen op Sparendam, alwaar men ook eene nieuwe bouwen wil, en eventueel, als het noodig bevonden wordt, een stoomgemaal van 180 paardenkracht zal oprigten;—als wij bedenken, dat onder deszelfs directie de sluizen van Katwijk behooren, waarvan men den aan- en toevoer ook verbeteren wil;—als wij ons herinneren, dat het de superintendentie over het geheele Meer voert, al de werken ter beteugeling besteedt en bekostigt, en hieraan—om het cijfer, door de Regering zelve opgegeven, te behouden—jaarlijks meer dan ƒ 30,000 te kosten legt,—dan mag ik zeker vragen, hoe men bij de Regering heeft kunnen besluiten tot eene onderneming van dien omvang, van dit gewigt, van zoo veel gevaar, zonder het genoemde collegie, ik zal niet zeggen in deszelfs belang te hebben gehoord, want dat belang is en kan niet anders zijn, dan dat van het algemeen, van de grondeigenaars van Rhijnland, onder welke al de leden eene eerste plaats bekleeden,—maar zonder met hetzelve alles bedaardelijk te hebben gewikt en gewogen, zonder deszelfs voorlichting verzocht, zonder deszelfs ondervinding geraadpleegd, zonder deszelfs bezwaren te hebben uitgelokt?

»Het klinkt schoon, Ed. Mog. Heeren! 16,600 bunderen water in welige landsdouwen te herscheppen; het is aangenaam, zich, in den drooggemaakten polder, fraaije bouwmanswoningen en vette landerijen en dartelend vee voor te spiegelen, en niemand van Rhijnlands ingezetenen, veel min het collegie van Rhijnland, zoude niet gaarne zeer veel toebrengen om dit heerlijk tafereel te verwezenlijken en hunne bundergelden, zoo door een groot accres van contribuerende deelgenooten in deze gemeenschap, als door het wegvallen der onkosten, welke het Meer jaarlijks veroorzaakt, aanzienlijk te zien verminderen. Doch die verwezenlijking is, helaas! nog hoogst problematiek, en de vreeze, dat deze onderneming, in stede van 16,600 bunderen water tot land te brengen, de oorzaak zal zijn, dat meerdere duizende bunders goed vruchtbaar land in het vervolg zullen bedorven worden, heeft ons deze onderneming altijd, ik zeg niet met weerzin tegen de zaak zelve, doch met schroomvalligheid doen beschouwen.”

»Tot verdediging van die schroomvalligheid hebben wij nu slechts het rapport der staats-commissie zelve in handen te nemen, in hetwelk wij met duidelijke woorden geschreven vinden, dat zij zelve niet geheel gerust, niet zeker is »van den invloed, dien de droogmaking van het Haarlemmermeer (dit zijn de eigene woorden van het rapport) nog altoos op den stand van Rhijnlands boezemwater hebben zal, en de noodzakelijkheid, die daaruit om tot het stichten van een stoomgemaal van 180 paardenkracht te Sparendam over te gaan, mogt geboren worden, hetwelk onder de bewerking eerst met volledige zekerheid zal kunnen blijken.””

»Let wel, Ed. Mog. Heeren! op deze woorden: onder de bewerking zal eerst de invloed der droogmaking op den stand van Rhijnlands boezem met volledige zekerheid kunnen blijken.”—Maar dan zal het misschien veel te laat zijn, dan zal de droogmaking begonnen, de geregelde waterloop gestremd, de dijk gelegd zijn,—en wat zal er dan kunnen gebeuren, indien die invloed eens zóódanig ware, dat geene stoomkracht van 180 of meerder paarden het overtollige water tijdig genoeg, want hierop komt het aan, zal kunnen aftappen?—Alsdan zullen de verst afgelegene polders kunnen onderloopen, Rhijnlands algemeene waterstaat voor lang bedorven zijn, en nieuwe poelen en meren de oude komen vervangen!”

»Dit tijdig genoeg van het overtollige water verlost zijn, is het voorname punt, waarop alles aankomt,—dat wordt door hen, die denken alles met de stoomkracht te zullen kunnen dwingen, te veel over het hoofd gezien: zij verliezen uit het oog, dat door de ringvaart het water wel eindelijk in zee te Katwijk, of op Spaarndam of op Halfweg kan uitgepompt worden, doch dat de weg, welken het water nemen moet, te lang is, dat er te veel tijd verloren gaat, voordat de, bij de droogmaking zoo zeer verminderde en versmalde toevoermiddelen, het overtollige water bij de eindelijke uitlozing zullen aangebragt hebben, en dat mitsdien die landerijen, welke in de verder afgelegene hoeken van Rhijnland, achter den Rhijndijk en ten zuiden dier rivier gelegen zijn, niet dan zóó laat in den zomer zullen droog geraken, dat zij, geene voldoende vruchten kunnende opleveren, zullen moeten verlaten worden.”

»Men schijnt hier geheel de lessen der praktijk, ons door het Katwijksche kanaal en de aldaar gevestigde sluizen gegeven, te vergeten: vier eeuwen lang sprak men over de weder-opening van den mond des Rhijns bij Katwijk, tot verbetering, tot herstelling van Rhijnlands waterstaat; de theorie sprak luid, en toonde, hoe alles met die weder-opening zoude gered zijn: ten koste van millioenen schats, waaronder Rhijnlands ingelanden lang zuchtten, werden die schoone sluizen, de bewondering des vreemdelings, gesticht en het kanaal gegraven,—en wat heeft nu de ondervinding geleerd? Dat de theorie gefaald heeft; dat het nut, op verre na, niet zóódanig geweest is als men gehoopt en gewacht had; dat zulke kanalen, waarbij in dit gedeelte van ons laag gelegen land niet die voortstrooming kan plaats hebben, welke het water snel doet uitloopen, maar zeer zwakke hulpmiddelen zijn.”

Dáárin is vooral de bedenkelijkheid der onderneming gelegen, en het is mij onmogelijk hier de openhartigheid niet te prijzen van den steller van het rapport, die, door eene enkele periode, alle vroegere en tegenwoordige bekommeringen over den invloed der onderneming volkomen regtvaardigt. Ik hoop dan ook, dat die van onze geëerde medeleden, uit de 5de sectie, die het bij het laatste proces-verbaal doen voorkomen, alsof de Meer-commissie, »om Rhijnland te believen, de zaak voor hetzelve smakelijk te maken en aan zijne vooroordeelen te gemoet te komen, bepalingen in het plan had opgenomen, die afkeuring verdienen,” hieruit zullen ontwaren, dat men ook zonder met oude en belagchelijke vooroordeelen behebt te zijn, veel zwarigheid in deze zaak vinden kan, hoe weinig men ook genegen is hare wenschelijkheid te betwisten.”

»Ik noemde zoo even, met een woord, de Staten der provincie, alsmede in deze, op eene onverklaarbare wijze, voorbij gezien, en beroep mij op de art. 223 en 224 der grondwet, waarbij het toezigt over alle indijkingen en droogmakingen aan de Staten der provinciën, binnen welke zij gelegen zijn, verbleven is, om hieruit af te leiden, dat de deliberatie over het al of niet ondernemen der droogmaking, welke toch de basis der aanwijzing van de fondsen zijn moet, grondwettiger bij de Staten der provincie dan bij de Staten-Generaal te huis behoorde.”

»Er ligt voor mijn gevoel iets stuitends in, om eens een ander voorbeeld te kiezen, dat de Staten-Generaal zouden delibereren over de al of niet droogmaking van het Sloter- of Tjeuke-Meer in Vriesland, zonder dat de Staten dier provincie collegialiter van het plan en de wijze van uitvoering eenige officiëele kennis zouden dragen: het bevreemdde mij, nergens in de gewisselde en overgelegde stukken eenig bewijs gevonden te hebben, dat de Staten van Holland over deze onderneming zijn gekend geworden.”

»Bij dit alles, waarmede ik de geëerde aandacht van U Ed. Mogenden reeds veel te lang heb bezig gehouden, zij het mij nog vergund, met weinige woorden het denkbeeld te bestrijden, bij de antwoorden der Regering, onder no. 12, aangegeven, alsof het nog eenigzins twijfelachtig zoude zijn, waaronder de eventueel drooggemaakte polder zoude behooren; men zegt namelijk, »dat dit later overeenkomstig de bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen zal kunnen worden uitgemaakt.”—Dit kan en moet, dunkt mij, niet quaestieus gesteld worden:—wanneer wij toch in dezelfde periode lezen, »dat de uitlozing van den toekomstigen polder op den boezem van Rhijnland zal plaats hebben,” en wanneer wij, het oog op de kaart van het hoogheemraadschap werpende, zien, dat de nieuwe polder geheel omgeven zoude zijn van Rhijnlands werken, van Rhijnlands grondgebied, dan gelooven wij, dat niet het interieure polderbeheer, het huishoudelijk bestuur, maar die superintendentie, welke Rhijnland over al de polders, in het hoogheemraadschap gelegen, uitoefent,—aan niemand beter en geregelder dan aan dat collegie kan overgelaten worden.—Wat hier de grondwet of andere bestaande wettelijke verordeningen anders leeren kunnen, verklaar ik niet te begrijpen!”

»Over het financiëel oogpunt, en de eventuëele voordeelen der onderneming, zal ik in geene bijzonderheden treden. Ik wil alleen, door mijn stilzwijgen, niet doen gelooven, dat ik de gevraagde som van ruim 8 millioen voldoende acht; ik geloof integendeel, dat zij veel te laag is genomen, en dat, om maar een enkel punt te kiezen, de enorme dijk, welken men, ter afsluiting van het Spieringermeer, dwars door het groote meer heen leggen wil, zóódanig kan tegenvallen, dat hierop alleen misrekeningen voor tonnen schats kunnen plaats hebben.—Ik ben overtuigd, dat wanneer men eens aan den gang zijn zal, het rubriek der onvoorziene gebeurtenissen tot in het oneindige zal gechargeerd worden, en merk hierbij op, dat bij het rapport zelf nog werken zijn opgenoemd, als bijv. de duiker, welke tot inlating van water eventuëel in den IJssel zoude gelegd worden, waarvoor geene kosten zijn uitgetrokken.”

»Ja maar,” zegt men, »uit den verkoop van 16,600 overschoone bunders land zullen al die extra-kosten, met de primitief uitgelegde 8½ millioen, gevonden worden. Leest slechts in de memorie van antwoord der Regering, hoe »die dreigende waterplas, in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten zal opleveren,” en zijt dan overtuigd, dat de drooggemaakte bunders het uitgeschoten kapitaal ruim zullen teruggeven.—Geloove dit die wil, ik niet: ik kan het mij zelven niet wijs maken, wanneer ik de geschiedenis naga van zoo vele droogmakerijen, als vroeger in ons Gewest van Zuid-Holland ondernomen werden. Deze geschiedenis leert ons, dat eerst bij de tweede en derde generatie van nijvere bewoners, en nadat de eerste ondernemers zich bedorven en geruïneerd hebben, de landen eenige waarde bekomen, en zij aanvankelijk zeer magere produkten opleveren. Levendig herinner ik mij, uit de jaren toen ik als advokaat te Leijden werkzaam was, hoe ik de nijvere pachters in de Nieuwkoopsche droogmakerij voor de eigenaars der kavels heb moeten vervolgen, niet ter verkrijging van eenigen billijken interest der betaalde gelden, hieraan was niet te denken, maar tot bekoming van het noodige, om de polderlasten aan te zuiveren; vele fiksche boerenwoningen heb ik aldaar door eenen eigenaar zien stichten, bij wiens overlijden men, tegen aanzuivering der achterstallige polderlasten en de kosten des transports, woningen met de landerijen en al, bijna om niet konde bekomen.”

»Over, enz.”

De vijfde spreker was de Heer Mr. Frets, welke zeide:

De Heer op den Hooff liet zich over dit onderwerp dus uit:

»Over de droogmaking van het Haarlemmermeer zal ik niet spreken, ik laat dat aan andere leden over. Een geacht spreker uit Leyden heeft ons daarover veel gezegd, wat mij toeschijnt opmerking te verdienen.”

De Heer van Reenen behandelde dit onderwerp uitvoerig en zeide hoofdzakelijk:

»Met blijmoedige dankbaarheid vernamen vele inwoners der polders, welke sedert zoo vele jaren geteisterd zijn geworden door het dagelijks toenemend geweld van het Haarlemmer-water, dat de beveiliging tegen hetzelve een onderwerp uitmaakte van de zorg des Konings. Gedurende ruim twintig jaren had ik het bestuur over een poldertje, dat op zich zelf klein is, doch al de nadeelen gevoelt, welke de omliggende polders van Sloten door het Haarlemmermeer-water lijden. Natuurlijk waren dus de lotgevallen van die landstreek en de geweldige uitwerkingen, welke het Haarlemmermeer, bij westelijke en zuid-westelijke winden, op dezelve uitoefent, zoowel als de middelen om dien geduchten vijand te weren, een punt bij mij van gedurig onderzoek. Ik zag, dat de geschiedenis en de physieke aard der gronden zelve bewijzen, hoe groot het gevaar is, dat van dien kant eene landstreek dreigt, welke, tusschen het Meer en het IJ gelegen, boven de 18000 guldens in de grondbelasting van het Rijk draagt; aan Rhijnlands bundergeld meer dan 9600 guldens opbrengt; jaarlijks groote sommen tot polderlasten moet dragen; en geene hulp van Rhijnland ontvangt in deszelfs verdediging tegen het Haarlemmermeer. De verwoestingen, welke die plas in de aan denzelven grenzende polders, zoowel in vroegeren tijd als in de laatste jaren, en ook onlangs in 1837 heeft aangerigt, zijn te wèl bekend, dan dat ik de oplettendheid van U Edel Mogenden zoude behoeven te vermoeijen met eene beschrijving der rampen, die dezelve, ten gevolge der jaarlijks toenemende kracht van dat water, op verschillende tijden hebben geleden.”

»Groot was de hoop van die polders en van vele ingezetenen des lands, die zoo dringend van de Hooge Regering hulp hadden afgesmeekt, toen zij vernamen, dat de droogmaking van het Meer, welke zij als het éénige middel tot het bewaren van een belangrijk gedeelte des Rijks beschouwden, het onderwerp van een voorstel van wet uitmaakte.”

»Ook ik verheugde mij, dat zoo doende, nu, terwijl het nog tijd is, een maatregel zoude worden genomen, die, indien dezelve vroeger had plaats gevonden, kostelijke landen en dorpen zoude hebben bewaard en het nutteloos verspillen van vele schatten zoude hebben uitgewonnen: doch die ook nu nog ten minste het gevaar kan wegnemen, dat, wel in een verwijderd, doch niettemin physiek zeker verschiet, duizende bunders land, verscheidene dorpen, ja zelfs de hoofdstad bedreigt: het gevaar namelijk, dat het Haarlemmermeer, vereenigd met de Veenplassen en het IJ, eene zee zouden daarstellen ten Zuiden en Westen der hoofdstad, weinig minder dreigende en gevaarlijk dan die, welke ten Noordoosten dier stad is gelegen. Wat daarvan de gevolgen zouden zijn, moge de geschiedenis van het ontstaan der Zuiderzee en van het Haarlemmermeer beslissen.”

»Maar groot was mijne teleurstelling, toen ik, het ontwerp van wet inziende, en de medegedeelde stukken omtrent de droogmaking onderzoekende, bevond, dat die wet door mij niet kon worden aangenomen: niet alleen uithoofde van de middelen, waaruit de kosten gevonden zouden worden; maar ook om de wijze, waarop het droogmaken van dien plas werd voorgesteld, daar deze het gevaar van die noordelijke polders en van de hoofdstad niet alleen niet afweert, maar in zeker opzigt vermeerdert, door het niet droogmaken van het Spieringmeer. Ik zal thans niet treden in andere bedenkingen tegen het werk, zoo als het voorgesteld wordt, noch aanwijzen, hoe de bezwaren kunnen worden weggenomen; want de zaak, op welke het heden voornamelijk neder komt, is het financiëele punt.”

Notes in this chapter

Note 1 · Wij vleijen ons alzoo, dat nog eenmaal, en, zoo wij hopen, binnen kort, het zoo vaak beraamde plan tot droogmaking van het Haarlemmer Meer zNote 2 · Er zijn, wij weten het, die ons zullen toevoegen: reeds meer dan twee eeuwen is dit schrikbeeld opgehangen, en nóg heeft het Meer Amsterdam Note 3 · In de XVIde eeuw was het Haarlemmer Meer nog slechts een plas van 3040 morgen, en afgescheiden van het Leidsche-, het Spiering- en het oude Note 4 · Meermalen heeft men dan ook, uit besef der onberekenbare gevolgen, die dat ontzettend water voor Holland zou kunnen hebben, en bij het denkbNote 5 · Z. M. gaf aan de verzoekers verlof, om een plan van droogmaking te beramen, met last, om dienaangaande de belangen der Hoog HeemraadschappenNote 6 · Deze Jan Adriaansz. Leeghwater werd, in den jare 1575, in het dorp de Rijp geboren6. Zijn vader Adriaan Symonsz. was aldaar timmerman en hadNote 7 · Waarschijnlijk, ja bijna zeker is het, dat zijne voorouders den naam van Leeghwater niet voerden, maar naar het gebruik dier dagen, dat nog Note 8 · Zijne moeders-moeder was Pietje Pieters Schoute, en eene dochter der zuster van eenen Abt van het klooster van Egmond10.Note 9 · Hij verhaalt in zijne kleine kronijk11, dat het hem heugde, dat er in Holland niet één achtkante oliemolen met stampers bestond, en dat hij Note 10 · Toen in het jaar 1630 het raadhuis in de Rijp zou worden gebouwd, vervaardigde hij het bestek en de daartoe behoorende teekeningen, waarna hNote 11 · Doch als Molenmaker muntte hij voornamelijk uit, en zijne bekwaamheid in het vervaardigen en stellen van Molens werd niet slechts binnen ’s Note 12 · Maar ook buiten ’s Lands werden zijne bekwaamheden op prijs gesteld: in den jare 1628 werd hij naar Bourdeaux geroepen, om zijnen goeden raaNote 13 · Maar Leeghwater verstond daarenboven eene kunst, die sedert geheel schijnt verloren te zijn geraakt, de kunst namelijk van onder water te duNote 14 · Hij gaf met Pieter Pietersz.19 van deze bekwaamheid in den jare 1605, in de nabijheid van ’s Gravenhage, eene proeve in tegenwoordigheid vanNote 15 · Indien dit verhaal alleen in de Kronijk van Leeghwater werd gevonden, zou men genegen zijn, de waarheid van hetzelve in twijfel te trekken; Note 16 · »Die Staten Generael der Vereenichde Nederlanden, Allen den ghenen die desen jegenwoordige sullen sien ofte hooren lesen. saluyt.—Doen te weNote 17 · De waarheid van het verhaal van Leeghwater is alzoo boven allen twijfel verheven; maar zonderling is het, dat nergens elders blijkt, dat hijNote 18 · Veelvuldige reizen zijn door hem gedaan. Behalve al de zeven toenmalige Vereenigde Provinciën, bezocht hij Braband, Vlaanderen, Henegouwen, Note 19 · Maar dit is niet alles. Wij spraken van tijd tot tijd van zijne schriften; ook als schrijver heeft hij verdiensten. Het is waar, zijn stijl Note 20 · 1º. Korte beschrijving en klein Kronykje van Haarlem; een boeksken, waarvan mij in Boekenlijsten twee uitgaven28 voorkwamen, doch hetwelk ikNote 21 · 2º. Een kleyne Cronyke en voorbereiding van de afkomst en het vergroten van de dorpen Graft en de Rijp, en van meer verscheiden notabele oudNote 22 · 3º. Zijn Haarlemmer-Meerboek, hetwelk een ontwerp tot bedijken en droogmaken van het Haarlemmer-meer bevat, door hem, naar het schijnt, aan Note 23 · Het jaar waarin de 6de druk verscheen heb ik niet gevonden; doch de 7de zag in 1669,35 de 8ste in 171436 het licht.Note 24 · In 1724 verscheen reeds weder eene nieuwe uitgave37; welke in 1727 door eene tiende werd gevolgd38. De elfde verscheen negen jaren daarna inNote 25 · Toen Leeghwater zijn Meerboek schreef, was hij zes en zestig jaren oud: hoe lang hij hierna nog leefde is mij niet gebleken; maar in 1649 waNote 26 · Meerdere bijzonderheden heb ik wegens onzen verdienstelijken landgenoot niet kunnen vinden, de opgegevene zijn grootendeels uit zijne eigeneNote 27 · 2º. Trijntje Leeghwater, geboren in 1797, eene dochter van voorn. Jan Cornelisz. Leeghwater en diens 3de vrouw Maartje Kuik. Deze is gehuwd Note 28 · 4º. Een zilveren vergulden Penning, geslagen op de overwinningen van Prins Frederik Hendrik, en die, volgens het verhaal van vader tot zoon,Note 29 · Het kaartje en de afbeelding van den Schrijver, welke ik bij deze uitgave heb gevoegd, worden in den eersten druk niet gevonden. Men zal ze,Note 30 · De plannen van Leeghwater en Veeris vonden al dadelijk tegenstand, vooral bij de Ingelanden van Rhijnland, welke vermeenden, dat, door het dNote 31 · Toen de tiende druk van het werk van Leeghwater in 1727 uitkwam, werd ook in dat jaar het tegenschrift van Coleveldt herdrukt47. Deze herdruNote 32 · Dit werkje van Velsen vond zoo veel belangstelling, dat nog in hetzelfde jaar 1727 van hetzelve een tweede druk in het licht kwam49.Note 33 · Vijftien jaren hierna, in Julij 1742, overhandigden Nicolas Cruquius, en Jan Noppen, Toeziener en Melchior Bolstra, Landmeter van Rhijnland,Note 34 · Intusschen verscheen te Leiden, in het jaar 1743, een ander plan tot droogmaking van het Meer, van Conradus Zumbach de Koesfeld, Med. en StaNote 35 · Maar behalve de opgenoemde53 werden er nog verschillende andere plannen tot droogmaking van het Haarlemmer Meer gevormd, welke door den drukNote 36 · 2º. Van een plan door de Landmeters D. Klinkenberg en B. Goudriaan, bij eene Memorie aan gecommitteerde Raden van Holland, benevens aan den Note 37 · 3º. Van een plan in den jare 1808, op last van den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken55, opgemaakt door den Inspecteur A. BlankenNote 38 · In het eerst gezegde jaar, in 1819, gaf de Heer Mr. J. C. Baron du Tour, ten gevolge van het bekend geworden plan der Heeren van Lijnden, RoNote 39 · In het volgende jaar verscheen te Zutphen een werkje, onder den titel: verhandeling over de droogmaking van het Haarlemmer Meer en aangelegeNote 40 · Doch al wat tot dus verre over het Haarlemmer Meer en over het droogmaken van dien plas was geschreven en uitgegeven, werd in uitgebreidheidNote 41 · Al dadelijk verscheen een werkje, tot titel voerende: Het ontwerp van droogmaking van het Haarlemmer Meer, beknopt, maar volledig voorgedragNote 42 · Kort hierop volgde een stukje, getiteld: vrye gedachten van een ingeland van Rijnland over de Verhandeling van droogmaking der Haarlemmer MeNote 43 · Waartegen de Heer van Lijnden nog hetzelfde jaar uitgaf: antwoord op de vrije gedachten van een ingeland van Rijnland61.Note 44 · Doch op het einde van dat jaar verscheen in het licht eene Memorie van den Hoogleeraar Jacob de Gelder, overgegeven aan het HoogheemraadschaNote 45 · Op welke Memorie de Baron van Lijnden, in den jare 1822, aanteekeningen in het licht gaf63, ter wederlegging van de bedenkingen des HoogleerNote 46 · In den jare 1829 verscheen te Brussel64 een werkje van Alex. de Stappers, Mémoire sur le desséchement du lac de Harlem, et sa conversion en Note 47 · Eindelijk moeten wij nog melding maken van het onlangs uitgekomen werk van den Heer G. J. Pool, Med., Chir. en Stads Doctor te Amsterdam, onNote 48 · Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer, en over het droogmaken van dezen plas, was en is nog aan de orde van den dag66, nadat Z. Note 49 · Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer is niet verminderd, nadat in de Zitting van de Tweede Kamer der Staten Generaal van den 28Note 50 · Bij de voornoemde Wet was gevoegd eene memorie ter toelichting, welke ten opzigte van het punt der droogmaking van het Haarlemmer Meer aldusNote 51 · »Uwe Commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking hebbende tot eene wet bij deze Vergadering aanhangig, ter inzage van deNote 52 · »Uwe commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking hebbende tot eene wet bij deze vergadering aanhangig, ter inzage van deNote 53 · »Intusschen vermeenden onderscheidene leden reeds nu in het midden te moeten brengen, dat zij het droogmaken van het Haarlemmer Meer in veleNote 54 · »13º. De dijken van het droog te maken Haarlemmer Meer komen natuurlijk ten laste van den eventuëelen polder, en moeten door denzelven onderNote 55 · Nadat deze antwoorden wederom in de Afdeelingen van de Tweede Kamer waren onderzocht, en, in de vergadering van 31 Maart, de Centrale AfdeelNote 56 · De eerste spreker was de Heer van Swinderen, welke zeide: 76Note 57 · »Wat de verdere werken enz.77.”Note 58 · »Doch ook, wanneer het mij op zich zelf werd voorgelegd, zoo als het thans is voorgesteld, zou ik, bij gemis van oplossing van vele ingebragNote 59 · »Evenmin wil ik, door de afstemming der onderwerpelijke Wet, gehouden worden als tegen het droogmaken der Haarlemmer Meer op te treden; ook Note 60 · »Nu waren al die vorige droogmakingen nog van beperkten omvang, in vergelijking van die, welke bij het wetsontwerp wordt beoogd: vele van deNote 61 · »Over het uitdroogen van het Haarlemmermeer en over andere werken spreek ik niet. Het wenschelijke van een en ander is in mijne oogen groot:Note 62 · »Ik twijfel verder met een gedeelte der vijfde afdeeling, waartoe ik de eer had te behooren, of, wanneer men daartoe mogt overgaan, de zaak Note 63 · De Heer Sandberg zeide, »dat hij tegen het droogmaken van het Haarlemmermeer enz. zou moeten stemmen, vermits de gelden uit de bij de wet voNote 64 · De Heer Backer »betwistte de nuttigheid en het voordeel niet, dat eenmaal de droogmaking van het Haarlemmermeer aan Holland zal toebrengen,
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings