Note 66 — AEN DEN LEEUW VAN HOLLANT.
Reading edition
Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer, en over het droogmaken van dezen plas, was en is nog aan de orde van den dag66, nadat Z. M. bij besluit van den 7den Augustus 1837, No. 5167, »in aanmerking nemende,” (het zijn de woorden van het besluit zelf) »dat de ondervinding van den laatsten winter de noodzakelijkheid heeft doen geboren worden, om de droogmaking van het Haarlemmer Meer op nieuw in opzettelijke overweging te nemen,” eene commissie, bestaande uit de Heeren: H. Ewijk, Raad-adviseur bij het Departement van Binnenlandsche zaken, Voorzitter, Jonkr. W. Barnaart van Bergen, Lid van de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, M. G. Beijerinck, Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Zuid-Holland, C. J. de Bruijn Kops, Burgemeester der stad Haarlem, Jonkheer L. R. Gevaerts, Lid van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, P. T. Grinvis, Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Noord-Holland, Jonkheer D. Hooft Jacobsz., Lid van den Raad der stad Amsterdam, D. Mentz, Inspecteur van den Waterstaat en P. A. du Pui, Hoogheemraad van Rhijnland, had benoemd, ten einde de verschillende reeds bestaande ontwerpen van droogmaking van dat Meer te onderzoeken, vervolgens een bepaald eindontwerp en begrooting van kosten dezer onderneming op te maken en van hare werkzaamheden uiterlijk op den eersten November 1837 aan Z. M. verslag aan te bieden.