Note 93 — AEN DEN LEEUW VAN HOLLANT. (continued 2)
Reading edition
»Ik heb de hiervorenstaande redevoeringen gegeven, zoo als zij in de Nederlandsche Staats-Courant zijn geplaatst93. Men ziet uit dezelve, dat ik bij den aanvang niet ten onregte zeide, dat van de vijftien Leden, »die over de voorgestelde wet het woord hebben gevoerd, er niet één is geweest, die zich tegen de droogmaking van het Meer heeft verklaard, ja dat de meeste hunner het het vewezenlijken van dit zoo lang reeds beraamd plan wenschelijk hebben genoemd.”—De voorgedragene wet is met 46 stemmen tegen 2, zijnde die van de Heeren Beelaerts van Blokland en Weerts, afgestemd.—Mag men geruchten gelooven, dan houdt de Regering zich nog steeds onledig om dit plan te verwezenlijken, en zou Z. M.—wiens belangstelling in alle nuttige ondernemingen nog dezer dagen, door het Besluit tot het aanleggen van eenen ijzeren spoorweg naar Arnhem, op nieuw gebleken is,—den Minister van Binnenlandsche Zaken hebben gelast, om eenige proeven te doen nemen, ten einde te geraken tot de bepaling der beste wijze van uitvoering dier onderneming, ingeval men mogt besluiten, om daarmede eenen aanvang te maken. Is dit zoo, dan mogen wij ons vleijen, dat nog in onzen leeftijd die inwendige vijand, gelijk men het Haarlemmermeer met regt mag noemen, zal worden ten ondergebragt: en dat nog eenmaal het nageslacht, het alsdan bloeijend Haarlemmermeer, welig bebouwd en talrijk bewoond, aanschouwende, met dankbaarheid aan de zorgen van het voorgeslacht zal denken. De Allerhoogste schenke hiertoe Zijnen zegen!