← Table of contents
Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR.

Reading edition

EERSTE ZONDAG.

GEDENK VAN HOEDANIGE EEUW IK BEN!

Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller menschen kinderen tevergeefs geschapen hebben?

Ps. 89:48.

God de Heere leeft in een twist met den nietigen mensch.

Dat hebben wij gemaakt. Dat is door onze zonde zoo gekomen. Dien twist hebben wij in de onvermengde, storelooze zaligheid van het Eeuwige Wezen ingedragen. En nu worstelt Hij met ons. „Bij den verkeerde, o mijn God! betoont Gij U een worstelaar!”

Nu is er in dat worstelen van den Heere onzen God met ons een onbeschrijflijk nederbuigende goedertierenheid.

Hij kon ons op staanden voet verdoen van voor zijn aangezicht, dat we geen hinder meer voor Hem waren en ophielden twist te werpen in zijn eeuwigen vrede. Zijn almacht ontzegt Hem daartoe het vermogen niet. Zijn majesteit zou er voldoening in vinden.

Maar omdat Hij een genadig God is, doet Hij dat niet. En nu gaat Hij met ons worstelen. Met ons worstelen in onze conscientie. Met ons worstelen in de overleggingen van ons binnenste. Wij willen ons ophouden en Hij wil dat we het voor Hem opgeven zullen. Hij rust niet en kan niet rusten, eer Hij zoo diep en zoo lang en zoo schriklijk met ons geworsteld heeft, tot we eindelijk niet meer kunnen, en het Hem gewonnen geven, en erkennen: „Heere God! Gij zijt rechtvaardig en ik deed nooit iets anders dan mijn weg voor U verderven.”

o, Dat kost wat, eer het daartoe komt, vooral voor vrome, burgerlijk brave menschen. Bij dronkaards, bij roekelooze lieden, als ze tot staan komen, gaat dat vanzelf. Maar als men levenslang vroom en onberispelijk voor der menschen oog heeft gewandeld, en door de menschen lief is gevonden, o, dan is dat bijna onmogelijk. Niet om het te zeggen, maar om het te meenen, en wezenlijk als een verworpeling voor zijn God te liggen.

Daarom heeft de Heere met zijn Jakobs en zijn Jobs en zijn Davids dan ook zooveel banger en ontzettender te worstelen.

Bij hen kon het niet bij zulk een worstelen in de conscientie blijven, want bij zulke karakters misleidt de vrome natuur.

En dan wordt het een hartaangrijpend worstelen in uw bestaan, in uw levenslot, in wat u lief is, en tot in uw bloed. En dan krijgt Satan, als bij Job, den vrijbrief, om niets te sparen, tot zelfs het eigen vleesch niet.

o, Dan stormt het zoo schriklijk om het hoofd en door het hart, en giert de huilende wervelwind in de snaren van ons fijnste innerlijk wezen.

Dan is alles benauwing en banden des doods om ons.

Dan zijn we tot voor de koperen deuren gedrongen.

o, God! wat krimpt uw arm menschenkind dan onder uw sterke hand weg!

Maar dan, onder dat bloeden en wegkrimpen van het hart, komt er in Gods kind iets op, dat, o, zoo eenvoudig schijnt, en toch zoo nameloos moeilijk te leeren valt; want dan overvalt ons het bang besef, dat die tegen ons worstelt niet onzes gelijke is.

De Heere niet onzes gelijke, het is zoo, we beleden dat ook vroeger wel, maar toch bleef het bij al ons tegen worstelen, alsof onze persoon en de Heere God wel aan elkaar gewaagd waren. Alsof we eigenlijk toch wel tegen God opkonden. Alsof een mensch, als hij maar wilde, wel tegen God bestand was. Ja, alsof hij het van God den Heere ten slotte nog wel winnen kon.

Altoos die diep satanische trek van onze zonde: Gij zult als God, d. i. aan God gelijk wezen.

Het demonische: Eritis secutis Deus1). De gruwelijke hoovaardij van ons boosaardig hart.

En dat nu gaat er dan in die worsteling door genade uit en ten leste belijden we dan onze schrikkelijke minderheid, en komt onze ziele er voor uit: „o, God! Gij zijt een almachtig God! Waarom worstelt Gij ten bloede met mij, nietigen mensch?”

Zoo riep Job het in zijn berooving en zijn rouwe en zijn smarte uit: „o, God! wat is de mensch, dat Gij met hem worstelt en op hem aanlegt?” en zoo klaagde David: „Heere! gedenk mijner van hoedanige eeuw ik ben!”

En de Heere, die barmhartig en zeer ontfermende is, liet het, opdat we in deze verbrijzeling niet bezwijken zouden, ons door zijn Heiligen Geest betuigen, dat „Hij weet, wat maaksel we zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn” (Ps. 103:14). Hij had het vanouds reeds betuigd: „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is.” Van Israel staat geschreven: „Hij dacht er aan, dat zij vleesch waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert” (Ps. 78:39). En bij Jesaja schonk Hij zijn kinderen het woord van zalige vertroosting: „Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet altoosdurend verbolgen zijn, want uw geest zou voor mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb!” (57:16.)

En dan heeft God de Heere ons op het punt, waar Hij ons hebben wil, want dan is in den angst van de worsteling de gevloekte hoovaardij van het „Gode gelijk te wezen” overwonnen.

Dan willen we de minste voor God zijn. Dan houdt op de verheffing van den hoogen mensch, en krijgen we lust aan kleinheid en geringheid en nietigheid.

Zoolang de booze heldenmoed van den duivel nog in ons blies, was het: „Wees sterk en houd het tegen Hem uit!”; maar nu is het: hoe kleiner hoe liever. „Zie, Heere! dat ik stof en assche ben.” Of misschien onze nietigheid en geringheid den Almachtige tot aflaten van zijn worsteling mocht bewegen!

Eerst was het: Ja, hoe sterker, hoe beter, om tegen God op te kunnen. Door zijn worstelen tot tegenworstelen geprikkeld. Maar nu wierd het een pleiten op de grootmoedigheid en op het erbarmen des Almachtigen: „Heere! waarom worstelt Gij met zulk een nieteling? Zie mijn kleinheid aan en heb ontferming!

„Een held worstelt niet met een hulpeloos kind! Gij, sterke Held! laat af te worstelen met wat stof en assche is.

„Gedenk van hoedanige eeuw ik ben! Gij, eeuwige Worstelaar! wat ben ik, verdwijnend en verkwijnend wezen, om met U te worstelen?

„Ik kan niet meer. Als Gij slaat, zal ik mij weerloos laten slaan door uw sterke hand.

„o, God! het is uwe eere als God om U te erbarmen.

„Ik ben een worm voor U en geen man!”

En neen, dan is er geen morren in dien toon. Dan is het geen vermetel verwijt, alsof de Heere zich vergreep aan een ellendige en vergeten had een weerlooze genadig te zijn; maar een zich vastklemmen van het gebroken hart, dat niet meer kan, aan Gods eeuwige deugden.

Weg, weg zou ik zijn als in den Heere mijn God die eeuwige deugden niet waren. Als Hij niet groot van moed en niet groot van ontferming was.

Maar dat is Hij. Ja, waarlijk, de Heere is grootmoedig en zeer barmhartig.

En die deugden grijpt het geloof aan. En daar pleit de worstelaar in zijn smeekingen op.

Zoolang hij het tegen God uit wilde houden, was hij volkomen machteloos tegenover den Heere. Een weerloos lam, dat waande het tegen den sterken Leeuw te zullen volhouden.

Maar nu slaat dat om. Nu het verbrijzeld kind niet meer tegenworstelt; en geen hand meer opheft; en geheel lijdelijk zich laat kastijden; en nu eeniglijk op de deugden van Gods grootmoedigheid en lankmoedigheid gaat pleiten, nu is hij opeens sterk tegenover dienzelfden sterken God geworden.

Het smeeken om genade ontwapent den sterksten held.

Daar kan ook God niet tegen in.

Een worstelaar tegen den verkeerde, is Hij, de Ontfermer over stof en assche en over den worm, die in het stof wegkrimpt.

En diezelfde Majesteit, die in den bangen avond nog toornde in verbolgenheid, blinkt in goddelijk mededoogen bij het aanbreken van den morgenstond.

Doordien we vleesch zijn en bekenden vleesch te zijn, gedacht Hij, wat maaksel we zijn, en heeft zijn vertroostend aangezicht ons verkwikt.

TWEEDE ZONDAG.

„EEN STOFJE AAN DE WEEGSCHAAL.”

Ziet, de volken zijn geacht als een druppel aan den emmer en als een stofje aan de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof.

Jes. 40:15.

Bij een apotheker vindt ge een weegschaal onder een stolp om gif, en bij een juwelier een weegschaal onder glas om diamantgruis te wegen. Bij gif en goud luistert het ontzettend nauw. Wat roest aan het mes van de balans, zou het juiste wicht vervalschen.

Maar als Jesaja, de profeet des Heeren, van een stofje aan de weegschaal spreekt, dan denkt hij aan zoo haarfijne balans in de verte niet. Reeds om de afdoende reden, dat zulke weegschalen toen nog ganschelijk onbekend waren; maar ook om wat er van den emmer bij staat.

Een stofje aan de weegschaal, is het eene beeld; het andere, daarmeê evenwijdig loopend, het beeld van „den droppel aan den emmer”.

Van een kunstweegwerktuig is dus geen sprake. Dan ware niet de druppel aan den emmer, maar de spet aan de kristallijnen bokaal er naast gesteld.

Nu daarentegen verplaatst de emmer u in het gewone leven, en is ook de weegschaal in ordinairen zin, zooals de winkelier die bezigt, in het oog te vatten.

En wat is nu op zulk een grovere weegschaal een enkel stofje? Wie vergt, dat de winkelier eerst elk stofje van schaal en koord afvege, eer hij het gewicht in de schaal zet? Zulk een stofje is niets en minder dan niets, en nog onder het toewegen laat zich ongemerkt stofje na stofje op waar en gewicht, op koord en schaal, op balans en evenaar neder.

En zie, in dat beeld komt nu de Majesteit des Heeren Heeren u uw volstrekte nietigheid aanzeggen.

Eerst waart ge met een bloem vergeleken, die verwelkt, en met het gras, dat verdort. Toen wierd tegenover dat verdorrend gras de majesteit en hoogheid geteekend van Hem, die al de wateren in zijn vuist meet, van de hemelen met de spanne zijner vingeren de maat nam, die al de bergen der aarde in zijn weegschaal, ja, al het onmetelijk stof der aarde in zijn drieling had gewogen. En daartegenover komt gij nu staan, niet eens meer als een bloem, die verwelkt, en op verre na geen gras meer, dat verdort; neen, maar als een enkel stofje aan de weegschaal, en als een drop aan den boordevollen emmer.

Ja, meer nog, sterker nog.

De profeet zegt niet, dat éen menschenkind bij God als een stofje aan de weegschaal is, maar dat heel een volk bij Hem als zulk een stofje geacht is. Ja, dat de machtige eilanden der zee, met al hun volk, als „dun stof” zijn uitgestrooid op de wateren.

Heel uw volk bij God éen stofje aan de weegschaal, en gij in dat volk nog geen millioenste deeltje van dat éene stofje bij God. Als een stofdeeltje, dat niet alleen niet meêweegt, maar ook niet meêtelt. Want de druppel hangt aan den emmer, om er straks af te leken en het stofje vliegt op de weegschaal, om er straks te worden afgeblazen.

Het is niets, het weegt niets, het telt voor niets.

En dat minder dan niets, dat zijt gij, o kind des menschen, voor uw God!

En waarom moet dat onbeduidende, dat nietsbeteekenende, dat verdwijnende van uw persoon voor uw God nu zoo aangrijpend scherp geteekend?

Och, waarom anders, dan omdat elk mensch in inbeelding des harten omwandelt, als ware hij de zon, en dat de maan en de sterren zich voor hem neerbogen, ja, als bestond zelfs God de Heere enkel om hem; om hem in den nood te hulpe te komen, en een hemel te verzekeren na zijn dood.

De oude droom van Jozef; maar nu niet in wondere profetie, neen, maar uit de booze hoovaardij des harten. Ik, ik en altoos ik. Die Dagon van het ik in ons eigen binnenste. Onze Diana der Efeziërs, waarvoor heel de wereld haar wierook heeft te branden. En dus beter temoê, naarmate er meer lof en eere voor ons opstijgt.

Dit nu is de leugen. De Vader der leugen heeft het ons ingefluisterd. Zoo is de Majesteit des Heeren voor ons verkleind en ver naar den horizont van ons leven weggedrongen; maar hoog en breed is de majesteit van ons eigen ik opgericht. Zooals Asaf het in Psalm 73 teekent: „De hoovaardij omringt den mensch als een keten, zijn tong wandelt op de aarde, en hij gaat de inbeeldingen des harten te boven.”

Hoor het in onze eeuw maar, hoe de mensch al meer het éen en alles wordt. „Ik geloof in den mensch” allengs het credo van ons geslacht begint te worden. Ja, zóo hoog de glans van het menschelijke gaat blinken, dat de luister van het Goddelijke er bij taant.

Dit nu is niet een omgehangen gewaad; maar het is een kwaad, dat uit uw eigen hart opklimt.

Ge wandelt in de leugen. De wezenlijkheid, de werkelijkheid, de waarheid ziet ge niet meer. Alle verhoudingen zijn voor uw zielsbesef vervalscht geworden.

En zooals gezichtsbedrog het kind doet denken, dat hij minstens tweemaal zoo groot als de zon is, zoo ook waant het nietig kind des stofs zich schier grooter dan zijn God te zijn.

Tot de waarheid hem aangrijpt en de glans van de Majesteit des Heeren over zijn ziel opgaat.

En dan wordt het: Dat Eeuwig Wezen onmetelijk en onbeschrijflijk in zijn heerlijkheden, en ik een stofje op de schaal.

Pas dit nu toe op uw leven, en ge loopt recht of ge waggelt als een dwaas, al naar gelang ge bij al uw denken en overleggen in uzelven opzwelt tot een Dagon, of weer, ook in uw eigen schatting, een stofje aan de weegschaal voor uw God zijt.

Staat ge nog in uw leugenbeeld, dan hebt ge allerlei pretentiën, dan zijt ge prikkelbaar en lichtgeraakt, veeleischend en alles begeerend, ontevreden en gestadig in gemor.

Maar komt de waarheid en weet ge weer een drop aan den emmer en een stofje aan de weegschaal te zijn, dan is opeens die overgevoeligheid weg; de rietstaf uwer hoogheid geknakt; stille, nederige zin komt over u en ook bij een minder deel wordt uw vreugdevolle tevredenheid rijk in die goedertierenheid des Heeren, die u nog zóoveel schonk.

Wat minder met uzelf en wat meer met uw God in uw zin en ziel vervuld, zijt ge dan als de bloem, die zich laat bedauwen, en niet langer als de doornstruik, die prikt en afstoot.

Liefderijk helpen, dienen en vertroosten valt u dan licht, omdat het valsche beeld van uw eigen ik u niet langer in den weg staat.

Inschikken wordt u dan natuurlijk, vergeven een vanzelfheid, zelfverloochening geen kunst meer, maar de aard van uw aanzijn en de eigen natuur van uw bestaan.

Wie weet zelf een stofje te zijn, kan vreeze Gods in de ziel omdragen. Alles trekt dan naar boven. Alles in hem smelt dan weg in bewondering voor Hem, die alleen groot is. En terwijl hij God vreest, kent hij geen vrees voor het kind des menschen meer. Immers ook zij zijn dan stofjes en druppelen als hij is. En een stofje, wie zou dat vreezen!

En dan komt juist in dat nietige van het stofje het zoet der zaligheid.

Hoog zijn vermoeit en mat af, maar wie stil en nederig kan wezen, rust met ongekende zaligheid in dat innerlijke van zijn wezen. Hij heeft niets op te houden. Geen valschen schijn te maken. Hij wandelt in zijn eenvoudigheid.

En als dan in dat nietig „stofje aan de weegschaal” genade gaat werken, en in dien druppel aan den emmer zich de glans van het licht gaat spiegelen, o, dan wordt het in de ziel heilige verrukking en zalige aanbidding.

Op mij, nietig creatuur, onbeduidend schepseltje, op mij, die op de weegschaal als een stofje neerzweef en als een druppel aan den emmer gespet hang, op mij zag eeuwige Genade neer, naar mij heeft die heerlijke Majesteit van het Eeuwige Wezen Goddelijk mededoogen uitgestraald. Mij roept Hij met den naam van „kind van God”. Op mijn lippen wil Hij het Abba, lieve Vader! doen fluisteren. Voor mij verordineerde Hij een eeuwige bestemming onder de gezaligden in het eeuwige licht!

o, Mijn broeder, mijn zuster, dan begint de mond van lof en liefde over te vloeien. Dan wordt het al aanbidding. Dan smelt heel uw ziel in zalige verrukking.

Ja, wie zou dan al den lof des Heeren uitspreken! Wie naar waarde eenigszins verhalen, wat Hij u, nietig stofje aan de weegschaal, u, drupje aan den emmer, naar zijn grenzenlooze ontferming aan uw ziel gedaan heeft!

DERDE ZONDAG.

„MIJNE ZIEL IS VOOR U ALS EEN DORSTIG LAND!”

Ik breide mijne handen uit tot U; mijne ziel is voor U als een dorstig land.

Ps. 143:6.

Een dorstig land weet niet, dat het dorst heeft. Eigenlijk is het dan ook niet dorstig. Het heeft geen dorst. Wel heeft het gebrek aan water, aan vocht, aan levenssap. Ook kan het alleen door water, dat er op gesproeid wordt, weer groen gras doen uitspruiten. Maar zelf heeft het hier geen kennis van. Het heeft geen bewustzijn.

Een akker is dood en kent zijn eigen plage niet.

Toch spreekt de Heilige Schrift gedurig van een „dorstig land”; niet enkel overdrachtelijk om op onze ziel te doelen, maar ook in eigenlijken zin, als ze spreekt van het veld, van een stuk land, van een akker.

Dit komt daarvandaan, dat de Heilige Schrift de natuur nooit van den mensch afscheidt. Die natuur is er om den mensch; als Adam valt, gaat de vloek ook over de natuur uit; al het schepsel zucht, verwachtende de openbaring van de heerlijkheid der kinderen Gods; en eerst als de heerlijkheid eens voor Gods kinderen ingaat, komt ook die natuur weer van onder haar plage uit.

Dat er een akker ligt te verdorren uit gebrek aan vocht, is alzoo om de zonde; en de mensch, die zijn zonde bekent, ziet nu op dien akker als om zijnentwil lijdende neder. Zoo leeft die mensch in het leven van dien akker in; voelt voor dien akker, wat die akker zelf niet voelen kan; spreekt zoo uit, dat het land dorst, al weet het zelf van dorsten niets af; en straks bidt nu die mensch, zoo hij wél bidt, om wegneming van die plage ook voor dien akker. En als dan eindelijk de regen nederdruppelt en de dorstige akker wordt mildelijk verzadigd, dan dankt Gods kind ook voor dien akker, dat de Heere er de plage van wegnam.

In Israel, lees het maar bij Joël (1:9 v.v.), treurt de priester, als het land treurt, met en voor dat land. En als de redding gekomen is, juicht met den juichenden priester alle boom des velds voor het aangezicht des Heeren Heeren.

Hierin nu is het beeld van den zondaar.

Zooals dat land dor en verwoest ligt, maar het niet weet, dat het dorst, en dies om water van den hemel niet roepen kan, evenzoo is het met uw ziel van nature.

Ook uw arme ziel ligt verschroeid en verdord. De bodem van uw gemoed is verhard en verstijfd. Er spruit niets uit op. Het ligt al met den valen tint des doods overtogen. IJl moge hier of ginds een enkel sprietje door de kluit dringen, maar dor en geel en verzengd toont het zijn machteloosheid.

Als een dorstig land ligt uw ziele in u. o, Als de wateren maar nederstroomden, en het akkerveld uwer ziel de malsche dauwdruppen opving, hoe zou alles ruischen van vreugde en frischheid en weelde!

Maar het was dor en bleef dor, en wat nog het bangste is, hoewel geheel verdord, kent ge uw eigen dorheid niet en kunt ge niet zeggen: „Heere! ik dorst!”

Dorst hebt ge niet!

Maar denk nu aan wat straks van het „dorstig land” gezegd is. Ook het land, hoe dor en verzengd en verschroeid ook, heeft van zijn dorheid geen kennisse. Maar de landman, die langs dien dorren akker heenwandelt, die weet het, die voelt, dat het land dorstig is, en die bidt, dat de Heere den dorst van het land wegneme en lessche.

En is ook dit niet uw beeld?

Of wandelde ook langs de zoomen van uw dorre ziel niet telkens die hemelsche Landman, die den akker uwer ziel aanzag, en in innerlijke ontferming haar dorheid gadesloeg, en die, waar gij nog geen dorst kendet; voor u en in uw plaats dien dorst voelde? En gelooft ge niet, dat deze barmhartige Hoogepriester toen ook voor den dorst van uw dorstende ziele bad, nog lang eer gij ook maar vermoeden kondt, hoe uw verdorde ziel in haar ongekenden dorst wegkwijnde?

Maar hier houdt de gelijkenis dan ook op. Want wat bij het dorstige land nooit kan, dat kan bij u, en moet bij u.

De landman kan wel voelen, dat het land dorst, al weet het dat zelf niet, maar hij kan nooit zijn gevoel van dorst aan dien akker meêdeelen.

En dat nu kan uw hemelsche Landman wel en dat doet Hij.

Hij komt door zijn Heiligen Geest in dat dorre hart, in die dorstende ziel in, en geeft haar uit genade besef van dorheid, kennis van haar dorren staat, en brengt ze er ten leste toe dat ze zelve haar dorst gaat bekennen.

Daar wacht Hij niet op.

Hij is niet wreed, om als Hij een ziel als een dorstig land voor zich ziet liggen, te toeven en te beiden, tot tijd en wijle ze zelve haar dorst bekennen gaat, om ze eerst dáarna te bevredigen.

o, Als de Immanuel zóo met met ons handelde, dan kwam er nooit éen enkele malsche drop op haar dorheid neder.

Neen, neen, Hij voorkomt haar.

Hij weet, dat ze uit zichzelve tot den einde toe even stom en onwetend als een dorstig land blijven, en nooit om die droppelen der genade roepen zou.

En daarom komt Hij in zijn genade niet eerst dan tot u, als gij bekennen zoudt: „Ik verkwijn van dorst,” maar breidt Hij zich naar u uit, terwijl gij meent niet te dorsten, en bij uw gebroken waterbakken in koortsachtige overprikkeling veeleer droomt, dat de volle waterstroomen om u heen ruischen.

Ismael wist ook niet, dat de dorst zijn leven bedreigde. Hij wist niets. Hij lag in heete koorts bedwelmd. Maar de Immanuel kwam tot Ismael, en Hij wees Hagar de bron.

Weg daarom met dat valsche zeggen, alsof in ons het besef van dorst zou zijn, en alsof de Heere eerst op ons roepen uit de dorstige ziel, die dorstige ziel verzadigen zou.

Heel omgekeerd spreekt de Heere hem, die zoover kwam, dat hij dorsten kan, reeds zalig.

Want dat kennen van uw dorheid, dat besef van dorst is reeds genade. Dat was niet uit u, maar kwam u toe van boven. o, Wie maar zoover is, dat hij dorsten mag, die is er. Want als er maar een waarachtig dorsten mag zijn, dit wordt gelescht, zoo waarachtig als de Heere een Ontfermer is.

Bedrieg u dus niet.

Zeg niet: Ik ben als in Psalm 42, en mijn ziel schreeuwt naar den levenden God, gelijk een hert dorst naar de waterstroomen, maar de hemel houdt zijn regen in.

Neen, zoo is het niet.

De man van Psalm 42 is een geredde, juist omdat hij dorst kent; en nu wordt zijn dorsten het echte bidden en smeeken, en op dat smeeken volgt het toevloeien der volle stroomen gewisselijk, ook al beproeft de Heere hem voor een tijd.

Waar het aan schort, is dat ge denkt: „Den dorst heb ik uit mijzelf, en de Heere moet mij alleen het water geven!”

En zoo is het niet.

Diezelfde God, wiens de stroomen des levenden waters zijn, moet eerst en vooraf den dorst naar dat levende water in u brengen en anders drinkt ge uit dien levenden stroom nooit éen enkelen drop.

Het is, dat ge nog te hoog van uzelven denkt. Denkt: Dorsten kan ik zelf nog wel. En daarom blijft én de echte dorst én de toevloeiing der wateren bij u uit.

Och, dat ge ook dien valschen dorst, dien nagemaakten dorst niet langer voor het echte dorsten woudt aanzien!

Heere! ik breide mijn handen naar U uit; mijn ziele ligt voor U als een dorstig land, dat wel zeer dorre en verdord is, maar zijn eigen dorst nog niet doorgrondt!

VIERDE ZONDAG.

„ZALIG ZIJN DE VREEDZAMEN!”

Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

Matth. 5:9.

De machtige, alles teboven gaande tegenstelling tusschen den hemel daarboven en de aarde hierbeneden, is, dat er in den hemel éen psalm des vredes ruischt, en dat op aarde de schrilste wanklanken tegen elkander ingillen.

Vrede in den hemel bij onzen God, maar onvrede, twist, gemis aan harmonie, saamwerking en overeenstemming hierbeneden.

Er is vrede op uw harp, zoolang de snaren elk op heur eigen toon gespannen staan, en die harmonisch gespannen snaren door een vaardige hand op evenredig maatgeluid getokkeld worden. Maar de vrede is van uw harp weg, zoodra er ook maar een enkele snaar ontstemd is, of door een, die valsch speelt, een valsche greep op uw snaren gedaan wordt.

En nu, als met die harp, zoo ook is het met uw hart.

Ook op dat hart des menschen spande God in de schepping allerlei snaren; en Hij spande die snaren in zalige harmonie; en gaf aan elke snaar een toon om te doen klinken, die met de tonen van andere snaren in zuivere melodie ruischen kon.

Vrede en harmonie vervulde in de ure der schepping niet enkel den hemel, maar ook de natuur.

Vrede en harmonie lag in Goddelijken glans over den hof van Eden uitgegoten. Vrede en harmonie deed mensch en dier naar Goddelijke ordinantiën saamleven. Vrede en harmonie was het om, vrede en schoone harmonie in den mensch. En, toen Eva aan Adam geschonken was, vrede en harmonie eveneens tusschen mensch en mensch onderling.

En al week nu door de schrikkelijke verwoesting der zonde die vrede en harmonie ook van deze aarde weg, eens keert ze in heilige zegepraal weder; en dies meldt ons de profetie van een dag, waarop de wolf en het lam saam zullen weiden, een kind zich met een adder zal vermaken en de leeuw stroo zal eten gelijk het rund.

Maar inmiddels is die heilige, Goddelijke vrede weg.

Wij derven die schoone harmonie op elk terrein van het leven. En hoe dicht de betere evenredigheden soms ook de volkomen zuiverheid van toon weer nabij komen, toch vindt ge de diepe, volle harmonie nergens meer.

Zoolang ge een grove van gehoor zijt en onfijn van gevoel, moge u dat niet deren; maar zóo kunt ge niet in gehoor verfijnd en in uw gevoel verdiept zijn, of aanstonds beginnen de wanklanken u te hinderen, de disharmonieën u te kwetsen, de onevenredigheden uw zielsrust te storen, en hoe meer ge in het leven thuis raakt, hoe meer ge tot de droeve ontdekking komt, hoezeer twist en tumult en nijd op den bodem van heel ons menschelijk leven ligt.

Zoo is het in uw eigen persoon. Telkens de vrede verstoord tusschen ziel en lichaam. Telkens de vrede weg tusschen de verschillende neigingen van uw hart. Telkens de vrede bedreigd tusschen plicht en plicht, dien ge volbrengen moet. Gedeeld, geperst, uiteengescheurd wordt keer op keer uw menschelijk hart tot zelfs door de teederste liefde, die u innerlijk bewegen mag.

En waar ge dan uit eigen sfeer uittreedt in het leven buiten u, altoos weer vangt uw oor ook daar denzelfden wanklank op. Verschil van opiniën, van inzichten, van overtuigingen, van beginselen. Uiteenloopende belangen en neigingen, die diep in het bloed of in het verleden der historie hun oorsprong hebben. Volken tegen volken, standen tegen standen opstaande.

Op wetenschappelijk gebied de eene school, die aan de andere de heerschappij betwist. En zelfs in de kerk van onzen Heere Jezus Christus vrede, ja, in geesteloos lauwe dagen, maar zóo begon de adem des Geestes weer niet in de doodsbeenderen te blazen, of strijd verving ook daar de ruste; tot ten leste zelfs de naaste broeders en belijders met gespannen trek om de lippen tegenover elkander stonden.

En temidden van die wereld treedt nu Jezus op en roept: Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden!

Wat wil dit woord?

Zegt het u, dat ge den strijd voor uw overtuiging zult prijsgeven, de worsteling voor het u heilig beginsel zult laten varen? Wil het, dat een kind van God met zekere goedbloedigheid alle water over Gods akker zal laten loopen, en alles sussend, alles blusschend, elken morgen en elken avond roepen zal: „Vrede, vrede en geen gevaar”?

Stellig niet.

Immers, het merkteeken van deze „vreedzamen” is, dat ze kinderen Gods zullen genaamd worden, en is het dan de Heere zelf niet, die gezegd heeft: „Ik zal vijandschap zetten”, en die in den Zoon roept: „Ik ben niet om vrede te brengen in de wereld gekomen, maar het zwaard”?

Dus dat kan niet gemeend zijn. Beginsel te missen en overtuiging prijs te geven is karakterloos, en een kind Gods is niet iemand zonder karakter, maar met een karakter, dat diep ingegraven is en nochtans blinkt in harmonie.

De ervaring leert dan ook, dat zulk een blusschen van elk vonkje niets baat. Het vuur smeult onder de asch toch voort. En, als het dan eindelijk uitslaat, is de vernielende kracht zooveel te sterker.

Bovendien, ge moogt, ge zult dien weg der goedbloedigen niet betreden, wanneer het gaat om de waarheid Gods en niet om uw waarheid. Ja, wee u, zoo ge de wacht bij het heiligdom dier waarheid Gods niet betrekt.

Neen, vreedzaam in zulk een zin te zijn, dat ge daardoor en daarom „Gods kind” zult genaamd worden, heeft heel iets anders in.

Er staat letterlijk: Zalig zijn ze, die vrede maken; wat onze vertalers zeer terecht niet door vredemakers, maar door vreedzamen vertaald hebben, omdat vredemaker een veel te beperkt begrip is.

„Vredemaker” beduidt iemand, die, als twee ruzie of geschil hebben, een poging waagt om zulk een geschil bij te leggen.

En zeker, ook dat is goed en nuttig. Ook dat hoort er toe; want gevloekt zijn ze van den Heere Zebaôth, de duivelsche geesten, die er lust aan hebben om het vuur van twist aan te blazen en te heller te doen opvlammen. En waar ge twist bij kunt leggen, is dit zeer zeker uw roeping.

Maar toch die vreedzame zin, dien de Heere zalig spreekt, is nog heel iets anders en iets veel diepers.

Bij de harp werkt snaar op snaar. En of al de zes snaren zuiver gestemd zijn en éen snaar klinkt valsch, dan is er toch aan die harp geen zuivere melodie te ontlokken.

En zoo ook is het onder ons kinderen der menschen. Een iegelijk van ons is schuldig aan den onvrede en de disharmonie, die krijschend door het leven der wereld gilt. Elkeen van ons draagt daartoe zijn eigen ontstemdheid, zijn eigen valschen toon bij. Het is de zonde, het ik willen zijn van ons eigen hart, onze baatzucht, eerzucht, geprikkeldheid, die, ineenvloeiend met de baatzucht en geprikkeldheid van den ander, als met een stemme veler wateren dit wangeluid van onvrede en disharmonie doet aanzwellen tot een machtigen stroom.

En dat blijft nu zoo, tot de Heilige Geest uw hart omzet, uw wil ombuigt, uw zinnen omstemt, en er, dank zij de vrucht van die hemelsche gave, een zin in u komt, gelijk de zin des Heeren uws Gods is, om voor zooveel u aangaat, dien schriklijken wanklank met al Gods heiligen in te zingen in hemelsche harmonie.

Vreedzaam is hij, die zich in zijn nieren niet prikkelen laat. Vreedzaam is hij, die zijn driften in toom houdt. Vreedzaam is hij, die zich speent aan booze, giftige woorden. Vreedzaam zijt ge, als ge liever schade en ongelijk lijdt, dan een reeds zoo machtig aangezwollen stroom van bitterheid en twist nog te verhoogen. Vreedzaam is, wie niet achterklapt; den laster niet tot geleiddraad dient; het boos gerucht begraaft insteê van opwekt; den een niet vleit en den ander niet prikkelt.

De vreedzame heeft pijn van den onvrede om zich heen, en is er daarom op uit, om den twist neer te leggen, wat onverzoend is te verzoenen, en, met dooding van al den boozen prikkel, dien het kleine ikje zoo scherp in de ziel van den broeder kan drijven, balsem te gieten in de wonde, die schrijnt, en den storm der hartstochten, waar die opstak.

Welnu, wie dat kan, door genade kan, die is zalig; want in deze dingen te leven is zielsgenieting.

Zoo werkt de Heilige Geest, die God zelf is. En daarom zal, wie alzoo met den Heiligen Geest medewerkt, Gods kind genaamd worden; want in Hem zijn de eeuwige harmonieën, en nooit een enkele harmonie zal van de harp van uw hart de wereld inklinken en Gods heiligen verrukken, of ge ontvingt ze van uw God.

VIJFDE ZONDAG.

„ONTHOUD HET GOED AAN ZIJN MEESTER NIET!”

Onthoud het goed van zijne meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.

Spr. 3:27.

De practijk onzer vaderen was streng; streng bovenal op het punt van eerlijkheid. Een Hollandsch koopman stond in alle landen en op alle markten als de belichaamde soliditeit bekend. En wat nering dreef of zaken deed in onze aloude republiek, zon letterlijk, soms tot in het kleingeestige toe, op stipte, strenge nauwgezetheid in levering van waar en betaling van schulden.

Dat lag niet aan hen, alsof zij betere of andere menschen waren dan wij; maar aan het Woord Gods, dat onder hen gepredikt was; aan de macht van Gods ordinantiën, die onder hen was doorgedrongen; en aan het geloof, dat wie op God ook in zijn handel zag, door dien God van hemel en aarde ook in zijn handel zou worden gezegend.

Er staat in de Spreuken: „Vereer den Heere van uw goed en van de eerstelingen aller uwer inkomsten, en dan zullen uwe schuren vol zijn van goed.” Toepassing dus van het sterven om te leven ook op uw bezitting. Wie houdt wat hij heeft, verarmt, en wie geeft van zijn bezit, dien maakt God rijk.

En dat woord nu is aan onze vaderen waar gemaakt. Tengevolge van de krachtige prediking van de Wet des Heeren was een diep besef van de zonde der oneerlijkheid hun ingeprent. Uit dat besef ontkiemde een stipt eerlijke handelsusantie. Die handelsusantie drukte haar stempel van eerlijkheid op alle bedrijf en nering. En als soms uitzicht op oneerlijke winste verlokte, ontried de hebzucht zelfs, om naar dat lokaas de hand uit te steken. Immers ze stonden in de vaste overtuiging, dat stipte eerlijkheid hun op den langen duur nog machtiger crediet en daardoor nog milder winst in den schoot zou werpen. Hun stelregel was: Eerlijk duurt het langst.

Wel waren er ook in die dagen uitzonderingen, en wierd vooral in den hoogen groothandel soms schandelijk gespeeld; maar de manieren van het volk leden daar niet onder. De volksgewoonte bleef solide en prompt.

Thans, helaas, is dit anders geworden. De kracht van het Woord is er bij ons volk geheel uit. Men drijft op den zacht kabbelenden stroom der beschaving. En de uitkomst is, dat men van allen kant tegen bedrog, fopperij en oplichting op zijn hoede moet zijn; dat er bijna geen waar meer te vertrouwen is; dat in allen tak van handel leelijke praktijken gewoonte zijn geworden; dat men op crediet instede van op kapitaal teert; en dat schulden en faillieten een ornament des levens schijnen.

Daardoor is de volkszede achteruitgegaan; de volksusantie onder het vroeger zedelijk peil gedaald; de volksgewoonte slap en mat geworden; en kan er, o, zooveel door, dat er niet door kan bij God, noch bij den man, die voor God bij zijn conscientie leeft.

En zeg nu niet: „Zoo is het in de wereld, maar onder Gods kinderen niet”; want dit zeggen rust op een hoogst bedenkelijke dwaling; op de dwaling namelijk, alsof een kind van God niet aangestoken zou worden door de kwade praktijken van zijn vakgenooten.

In elk vak van nering, waar ge in komt, bestaan usantiën; ge hebt te handelen en te rekenen met personen, die bij die veelszins kwade usantiën zijn opgegroeid; en als gij nu tegen die usantie in wilt gaan, krijgt ge heel de markt tegen u, maakt ge uw handel moeilijk en lijdt ge natuurlijk schade.

In dien strijd bezwijken dan de meesten; en dan hebben ze tweeërlei geweten, het eene voor het particuliere leven en dan nog een handelsgeweten er bij. En overmits ook de orthodoxe prediking in onzen tijd veel te eenzijdig in de mysteriën des geloofs blijft hangen, en van een degelijke, diep ingaande, ontdekkende prediking van Gods Wet, in haar toepassing op het leven, veelszins vervreemd is, bezwijkt dan ten leste de beste, en doet, zij het ook op eenigen afstand, met die onzuivere praktijken meê.

Dit nu is een kwaad. Een ongerechtigheid, die bestreden moet. En waar Gods Woord de uitspraak tegen stelt, dat ge het goed niet aan zijn meester moogt onthouden!

Het sterkst tast dit zeggen het niet betalen van schuld aan.

Schuld is geld, waarover niet gij heer zijt, maar waarover een ander meester is. Het is van hem, niet van u. En op u rust van Godswege de verplichting, om dat geld zoo spoedig mogelijk bij zijn meester thuis te brengen.

Evenals ge een kind van een ander, dat verdwaald was, niet bij u zoudt houden, maar ijlings naar zijn vader terugzenden, zoo ook moet ge met schuldgeld doen. Schuld is een verdoold kind, dat niet bij u hoort en in uw huis niet blijven mag, maar terug moet naar zijn eigen huis.

Vooral bij den arbeider zij dat gebod u heilig. Het loon van den daglooner wil de Schrift, dat zelfs niet bij u overnachten zal. Ja, stipte, strikte betaling van het loon van den arbeider is een der teederste en heiligste rechten van de mingegoeden, waar de Heere, wiens oogen op alle plaatsen zijn, streng op let.

Evenzoo staat het met de betaling van rekeningen. Ook daarbij sloop ongelooflijke slordigheid in. Voor sommigen is het laten staan van rekeningen, soms tot twee en meer jaren, zelfs regel geworden. Zelfs is er gehoord van een rijk man, die een prachtige kast vol zilverwerk had aangekocht, en die er op roemde, dat al deze pracht was aangeschaft door rente, die was uitgespaard door zijn laat betalen van rekeningen. Dit nu is klinkklare roof. Gestolen geld. Rente, die aan den winkelier toebehoorde, en dus aan zijn meester onthouden wierd. En wat de zaak nog erger maakt: sluipt deze booze usantie eenmaal in, dan is de winkelier ook slim, zondigt op zijn beurt, en kalkt de rekening dikker aan. En aldus worden kooper en verkooper beiden bedriegers.

Ook bij het leenen van geld sluipt er dan kwaad in. Eertijds zag men op tegen leenen; want men wist: Geleend geld is eereschuld, en liever droog brood, dan geleend geld niet op tijd terug te brengen aan zijn meester. Maar ook hierover bestaan thans andere denkbeelden. Menschen, die zich schamen zouden om u een gift te vragen, komen kwansuis leenen. Leenen met belofte van terugbetaling in hoofdsom en rente. Zoo heft men fier zijn hoofd op. Het is nauwlijks een gunst, die ge bewijst. Louter een zaak van handel. Maar heel anders zijn daarbij soms de overleggingen des harten. En als nu het geleende geld opgeteerd is, acht meer dan éen, dat geleend geld slapen mag. Een kwaad, dat reeds zoover inkroop, dat het regel is, bij leenen te denken: „Och, dat geld ben ik toch kwijt!”

Dit nu wordt een vloek voor onze samenleving. Zoo wordt de maatschappij van de ordinantiën Gods afgeschoven. Soliditeit raakt zoek. Het vertrouwen vlucht naar de woestijn. En het eind is, dat alle zaken achteruitgaan; onze waar op de markt geen prijs meer kan bedingen; failliet aan de orde van den dag is; tal van personen wrak staan; en als straf voor dit alles de zegen des Heeren wijkt, die eens ons volk had rijk gemaakt.

„Onthoud het goed aan zijn meester niet!” is voor dezen kanker het eenig proefhoudend medicijn; mits ge begint met dezen gulden regel allereerst op den Heere zelven toe te passen.

Zijns is al uw goed. Hij gaf het u slechts, om er over te rentmeesteren, en er over te rentmeesteren onder beding, dat ge elk jaar Hem en zijn armen een door Hem bestemd deel ervan zoudt afstaan.

Noem nu dat deel eerstelingen of tienden, dat doet er niet toe. Zooveel staat vast, dat een vast deel van uw vrije beschikking onttrokken en door God voor zijn dienst en zijn werk voorbehouden is.

En indien er dan ook in de laatste jaren eenig meerder welvaren onder ons Christenvolk waarneembaar is, dan hebt ge dit daar vooral aan te danken, dat God de Heere door den loop der gebeurtenissen inzake kerk en school een deel van zijn volk dwong, om veel milder en ruimer dan eertijds dit deel uit het goed niet langer voor eigen gebruik aan Hem te onthouden.

Want ontstelen aan God het deel, dat Hij zichzelven voorbehield, dat, en niets anders is het, zoo ge uw eerstelingen en uw tienden niet besteedt voor zijn dienst en zijn armen, maar aanwendt voor eigen genot of geldbelegging.

Dat mag niet. Dat is zonde. Een kwaad, waarbij de gerechtige wrake Gods niet achterblijft.

Immers de Heere hoort het geroep, als de dienst zijner kerk in armoê kwijnt. Hij hoort het geroep, als uw scholen in verlegenheid tobben moeten. Hij hoort het geroep, als de blinden en kranken hun hulp derven. En Hij hoort ook het geroep van zijn armen, als de arme Lazarus omkomt en de rijke man in overdaad tiert.

Dit deel van uw goed is het uwe niet. Het is Godes. De Heere is van dit deel van uw goed de Meester.

En daarom wee u, als ge iets ook maar van dit deel van uw goed aan zijn Goddelijken Meester onthoudt.

ZESDE ZONDAG.

„IK ZAL ZE LOUTEREN.”

En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men het zilver loutert.

Zach. 13:9.

In elken levenskring doet ge telkens weer de droeve ervaring op, dat er zijn, die u eerbied afdwingen, maar ook dat er zijn, die u minachting inboezemen.

Ge vindt dat onder alle standen, ge vindt dat bij man en vrouw, ge vindt dit bij het kind zoowel als bij den grijsaard.

Aan de eene zij hebzucht, lafheid, hoogheid, laagheid van zin en karakter, en aan den anderen kant zekeren adel van ziel, een liefde, die zichzelve geeft, heilige geestdrift en veerkracht van karakter.

Bij den een denkt ge: „Ik wilde, dat ik in dien man, in die vrouw, in dat kind iets kon overgieten uit mijn eigen hart.” En bij anderen, die ge benijdt: „Ik wilde om wat liefs, dat in mij mocht blinken, wat als sieraad blinkt in hen.”

Die scheiding bestaat eenmaal. Die grenslijn loopt door alle volk en door elken kring. En in dien zin zijn er slechten en goeden; zijn er eerbaren en eerloozen; zijn er menschen, die ge verfoeit, en menschen, die ge bewondert. En al beslist dat nu volstrekt over hun eeuwig wel of wee niet, en al kan het voorkomen, dat God een verachtelijk zondaar bekeert, en dat een zeer rechtschapene van hart om den trots op zijn eigen gerechtigheid zedelijk omkomt, toch doen we in het leven der wereld allen de ervaring op, dat dit onderscheid tusschen boozen en goeden wel terdege bestaat. En als we hulp van menschen noodig hebben, of met menschen moeten omgaan, dan zoekt soort soort, en gezelt zich de goede bij de goeden, en zoekt, wie slecht wil zijn, gezelschap onder de slechten.

Doch nu loopt er nog een andere grenslijn, ook van boozen en goeden, maar dat niet voor óns oog, doch voor het oog van God den Heere.

Ook Hij zuivert en schift en toetst, en bij zijn scheiden is onze onderscheiding tusschen goed en boos nog niets dan kinderspel. Immers ons misleidt de schijn, maar Hij ziet het hart aan. Wij oordeelen naar het oogenblik, maar Hij kent de eeuwige uitkomst. Ons oog hecht zich aan het werk, maar Hij ziet en kent van verre reeds het motief, de innerlijke beweegreden van het hart.

Zoo kruist dan zijn oordeel ons oordeel. Soms loopen beide lijnen saam, dat de Heere ons te ontdekken geeft, wie de zijnen zijn. Maar meestal gaat onze kennisse zoo ver niet. En daarvandaan komt het dan, dat soms het gezelschap van belijders ons tegenstaat en dat velen uit de kinderen der wereld ons aantrekken. Want natuurlijk, wij kunnen niet anders oordeelen dan naar wat we waarnemen, en waar nu in personen, die buiten God leven, soms zooveel nobels schittert, en op personen, die in de vreeze Gods staan, soms nog zooveel van het stof der aarde dof maakt wat glinsteren moest, is het zoo onbegrijpelijk niet, dat ons oog door hetgeen blinkt geboeid wordt, en zich aan het doffe en nog bestovene niet hecht.

Wel wordt dit allengs beter bij hooger geestelijke ontwikkeling, als ons geestelijk oog meer geoefend wordt en de liefde krachtiger instinct erlangt. Maar toch geheel teboven komen kunnen we deze tegenstelling nooit in dit leven.

En misschien is dit goed ook. Het zou ons, zoo we altoos juist zagen, te zeer ons gevoel van waardeering voor het goede ook bij de kinderen der wereld ontnemen, en te vergoelijkend doen heenzien over wat de kinderen Gods nog vaak ontsiert.

Bovendien het hoeft ook niet; want die de wanne schudt en eens zijn dorschvloer doorzuiveren zal, is niet het kind van God, maar God zelf.

Wel zal dan het kind van God meê rechter zijn en meê oordeelen, maar in geen anderen zin, dan dat hij alsdan uit de volle ziel onbewimpeld zijn Amen zal uitspreken bij het oordeel Gods; Gods gerechtigheid in al zijn oordeel lovend; zelfs al gold het zijn eigen ziel, of wat misschien nog vreeselijker is in te denken, uw eigen man of vrouw, uw eigen vader of uw eigen kind.

Al wat nu nog scheiding maakt tusschen Gods oordeel en ons oordeel valt dan weg. De gedachte, die nu nog zoo dikwijls in ons hart oprijst: „Hoe kan God zóo doen!” zal dan voor altoos wegvallen, en ons oordeel nooit iets anders zijn kunnen dan een echo en weerklank op het rechtvaardig oordeel Gods.

Maar intusschen werkt, onafhankelijk van onze instemming, nu reeds dit oordeel Gods door.

Hij onderscheidt niet slechts, maar scheidt. Scheidt deel van deel in elk volk en in elken levenskring; en, helaas, naar wat de Heilige Schrift ons deswege openbaart, is het deel, dat ten kwade moet afgescheiden, altoos het grootst, en het deel, dat ten goede wordt afgescheiden, altoos het kleinst. De Heiland zelf riep het met zielverscheurenden weemoed uit: „Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren!” „Velen zijn er, die op den breeden weg wandelen; maar nauw is de poort en eng de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelve vinden.” Uit duizenden bij duizenden werden er slechts acht zielen in de arke gered. Geen vijf rechtvaardigen wierden in Sodom gevonden. Bij Jesaja heet het, dat slechts een tiende deel van het volk overblijft; en bij Zacharia, waar een symbolisch getal bedoeld is, een derde, dat wil zeggen, dat waar drie de volheid uitdrukt, de twee derde de aanduiding zijn van het grooter deel en het éen derde de benaming van het kleiner deel.

Toch wordt daarom aan het kleiner deel, aan die weinigen, aan die ten goede afgescheiden zijn, het oordeel niet gespaard.

God de Heere doet juist omgekeerd als wij. Als er onder onze kinderen goede en booze zijn, dan leggen wij de kastijdende hand het meest aan de booze aan, en zijn voor de goede het meest verschoonend.

Maar zoo doet God de Heere niet.

Voor zijn doen is de metaalgieter zinbeeld.

Als de metaalgieter in eenzelfden ertsklomp koper en goud, of lood en zilver saamgemengd vindt, en hij scheidt het edel en het onedel metaal, dan zet hij al de kracht van zijn louteren niet op het lood, noch ook op het koper, maar op het zilver en het goud.

En zoo nu doet God de Heere ook.

Als ook Hij in het éene erts van ons menschelijk geslacht het edel en het onedel metaal vermengd vindt, en hij scheidt die beiden af, dan schijnt het soms, als had Hij met die boozen gansch geen bemoeiing, maar die goeden loutert Hij, zooals de smelter het zilver in zijn smeltkroes loutert, op het allernauwkeurigst, tot zevenmaal.

En dan lachen de boozen en pochen op hun voorspoed, en die kinderen Gods in de smeltkroes weenen van weedom des harten. En zelfs Asaf verstaat het niet, en was bijna uitgegleden, ziende den voorspoed der goddeloozen.

Maar ook bij dien angst houdt de Heere zich niet op.

Hij gaat door, altoos door met het heilig louteringsproces, dat zijn kinderen doorloopen moeten. En dan treft en wondt Hij den een in zijn gekrenkte positie onder menschen; een ander in zijn kleinere gaven; een derde in zijn welstand en gezondheid; een vierde in de mislukking van wat hij ondernam; een vijfde in een kind, dat hem ontnomen wierd of, schrikkelijker nog, in een kind, dat hem verdriet doet.

o, Dat louteren Gods kan soms zoo ontzettend diep gaan!

Maar, hoe dan ook zijn kinderen weenen, Hij gaat door. Zijn zilver moet zuiver worden. Het moet eens in den vollen glans van het heerlijk metaal blinken. Zijn kinderen zijn kinderen, die niet liegen mogen. Er moet uitkomen, wat Hij er in verscholen had.

En dat is niet hard; dat is niet onmeêdoogend. Veeleer is deze liefde veel vuriger en hooger dan onze liefde.

Want immers het echte Goddelijk mededoogen is niet om te maken, dat ge hier lacht om eens eeuwig te weenen, maar dat ge eeuwig lachen zult van heiligen jubel, al is het ook, dat hier u het weenen niet kon gespaard worden.

En dit staat vast, als eens het louteren ook bij ons een einde neemt, en het zilver is gansch gezuiverd, dan zal dat gezuiverde zilver eens zelf in die loutering roemen, en God danken, dat Hij, niettegenstaande zijn tranen en gebeden bij die loutering, dat louteren toch heeft doorgezet.

ZEVENDE ZONDAG.

„HEBT UWE VIJANDEN LIEF.”

Maar ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uwe vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.

Luk. 6:27.

Nog altoos schuilt de triomf van ons Christelijk levensideaal in dat hoogste, waartoe de Liefde komen kan, in de liefde voor onze vijanden.

Waar ge bij liefde voor wie u liefhebben, en bij liefde voor wie in jammer of ellende neerligt, nog iets in uw natuurlijk hart voelt, waaruit die liefde vanzelf kan opspruiten, beseft ge daarentegen bij de „liefde voor uw vijand” zoo kennelijk, dat deze liefde van Boven is, van den Vader der lichten, en alleen door den Heiligen Geest in de ziel kan worden ingestort.

„Liefde voor zijn vijand” staat dan ook zoo ontzaglijk hoog, dat men, om het Nieuwe Testament boven het Oude te verheffen, het meer dan eens heeft voorgesteld, als leerde het Oude Testament: „Oog om oog en tand om tand” en als had Jezus het eerst op aarde, „de liefde voor den vijand” uitgeroepen, Hij, die in liefde voor zijn vijanden ons allen is voorgegaan.

Toch is dit een dwaalbegrip. Het stond reeds in Spreuken 25:21 zoo duidelijk geschreven: „Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten, en, zoo hij dorstig is, geef hem water te drinken”; terwijl met „Oog om oog en tand om tand” allerminst persoonlijke wrake wordt vrijgelaten, maar enkel de regel voor den rechter wordt getrokken, waarnaar hij in stipte gerechtigheid zijn recht te spreken heeft.

Hoe zou er ook verschil tusschen Oud en Nieuw Testament kunnen zijn? Alsof het niet éen God en Vader was, die ons beide schonk; éen Zoon, die in beide ons als de hoogste Profeet en Leeraar toespreekt; en éen Heilige Geest, die beide ingaf!

Slechts dit staat in het Oude Testament: „Heere! zou ik niet haten, die U haten?” maar ook in het Nieuwe Testament wordt ons nergens het gebod gegeven: „Hebt de vijanden van God, als zoodanig, lief.”

Het woord van Jezus, dat de wereld inging, luidt: „Hebt uwe vijanden lief,” d. w. z. die allen, die om persoonlijke reden u ten vijand zijn geworden, en tegen wie deswege de haat in uw hart het sterkst opwoelt.

Gods vijanden en onze vijanden mogen hier dus nooit verward worden. En slechts daarom mag ook tegen de vijanden Gods persoonlijk onze wrake nooit uitgaan, omdat zoo vaak bleek, hoe wie nu nog een vijand Gods is, straks Zijn uitverkorene kan zijn.

Heden Saulus, morgen Paulus.

En daarom verblijve, ook wat de vijanden Gods aangaat, de wrake aan den Heere, en late onze ziel van wrake af.

Maar anders staat het met uw persoonlijke vijanden.

Bij hen toch moet ge niet enkel van wrake aflaten, zoolang ge u zoudt kunnen vergissen; maar altoos, in volstrekten zin; ja, moet ge de wrake in haar tegendeel omkeeren, en uw vijand liefhebben.

En vraagt ge, in wat zin dat bedoeld is, dan eischt de Heilige Schrift uiteraard niets tegennatuurlijks van u, en vraagt dus niet, dat ge uw vijand lief zult vinden; dat ge hem beminnelijk in zijn woeden zult keuren; en met zekere zoetsappigheid onaandoenlijk zult zijn voor zijn boos en bitter woord.

Neen, integendeel, de Schrift eischt, dat ge den bitteren beker, dien hij u mengde, tot op de heffe toe zult uitdrinken; goed en terdege proeven zult, hoe bitter en wrang zijn nijd en haat is; en dus in vollen omvang weten zult, dat die man wezenlijk uw vijand is, en die vrouw u haat.

Op het diepe, volle besef van die vijandschap dingt de Heere niets af.

Neen, neen, Hij stelt dien man en die vrouw voor u, zooals ze werkelijk in het leven tegen u optreden. Hij spreekt van uw vijand, in al den schrikkelijken, bangen zin van het woord.

En nu stelt Jezus u den eisch, den strengen, den onverbiddelijken eisch, dat dien man, die vrouw als zoodanig, in qualiteit van uw vijand; niet als ze straks ophielden het te zijn; maar nu, zooals ze daar vijandig en in vijandschap tegen u overstaan, en dus als uw vijand hen zult liefhebben.

Zooals Hij aan het kruis hing, en in elke pees en in elke zenuw de wringende, schrijnende doodssmart gevoelde, die zijn vijanden Hem aandeden, en hun bittere woorden opving, en toen ze liefhad en voor hen bad, zoo wil de Heere, dat ook gij, wetende, gevoelende, ervarende, dat deze man of die vrouw u ten vijand is, ze op datzelfde oogenblik zult zegenen, voor ze zult bidden, en ze als uw vijand zult liefhebben.

En denk nu niet, dat de Heere Jezus dat alleen van een hoog enkele eischt, die, in vroomheid en godzaligheid bizonder ver voortgeschreden, allengs tot een heiliger levenstoon gekomen is.

o, Neen, de Heere richt zich bij dat zeggen tot een iegelijk.

Hij spreekt algemeen: „Gij, hebt uw vijand lief, zegen ze die u vervloeken, doe wel dengenen, die u haten, en bid voor degenen, die u geweld aandoen en u vervolgen.”

Meer nog, nooit kunt ge het Onze Vader bidden, of die gesteldheid der ziele moet in u verwezenlijkt zijn. Want immers ook in dat Onze Vader heet het: „En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.”

En dit kan ook niet anders, want de liefde voor onze vijanden wortelt in heel uw Christelijke belijdenis.

Let maar op deze vier punten:

Als David voor Absalom vlucht en Simeï hem van de hoogte vloekt, willen de zonen van Zeruja aan Simeï den kop voor de voeten leggen. Maar David verstaat het anders, en zegt: „Wat heb ik met u te doen, o zonen Zeruja? Want de Heere heeft tot hem gezegd: Vloek David. Wie zou dan zeggen: Waarom hebt gij alzoo gedaan?” (2 Sam. 16:10.)

Hier ziet ge uit, hoe een kind van God in elken vijand een instrument des Heeren heeft te zien; een mensch, die zonder zijn wil zich niet roeren noch bewegen kan; en zonder wiens wil en bestel geen enkele vijandschap ons overkomt.

Nu bijt de hond wel in den steen; maar gij weet, dat de oorzaak niet bij dien steen, maar bij den werper ligt. En zoo dan ook hebt ge bij alle persoonlijke bitterheid, die u treft, niet op uw vijand te zien, die u hoont, maar op uw God, die dit hoonen noodig voor u acht, om u te kastijden of te heiligen.

Dat vooreerst, maar er zijn nog drie andere stukken, waarop ge hier te letten hebt.

Immers, wat uw vijand tot haat prikkelt, is niet anders dan de vreeslijke macht der zonde. En die macht der zonde woont waarlijk niet in hem alleen, maar in uw hart evenzeer. En als nu in zijn hart die zonde zoo schriklijk uitbot, en bij u wierd ingehouden, wat is dat dan anders dan een meerdere genade, die u verleend wierd; en wat zou die meerdere genade dan anders in u verwekken dan deernis en mededoogen voor dien minder bedeelde, die zooveel erger onder de macht der zonde lijdt, en die, omdat hij in zijn haat zelf niet kan bidden, geholpen moet door uw gebed?

En dan in de tweede plaats.

Is hier geen oorzaak ook voor zelfaanklacht? Of waar was ooit een vijand, die ons haatte, dien wij door onze woorden, of daden, niet geprikkeld hadden? De wederzijdsche verhoudingen in het leven zijn zoo onuitsprekelijk kiesch en teeder en fijn. En, o, als nu liefde ons gedreven had, hoeveel hadden we dan niet kunnen mijden en voorkomen, waardoor het booze vuur in hem wierd aangeblazen insteê van het te blusschen. En is dit dan niet een liefde, die we in geheel bizonderen zin aan onzen geprikkelden vijand schuldig zijn, dat we voor hem uit den weg gaan, en zijn gevoeligheid niet gedurig opwekken?

En eindelijk:

Waartoe is deze uw vijand op uw weg geplaatst?

David riep van Simeï: „Misschien zal de Heere mij goed vergelden voor dezen zijn vloek.”

En is het niet alzoo, dat Gods bedoeling met dit loslaten van de vijandschap tegen ons nooit kan zijn, om ook ons tot zonde te brengen, maar altoos zijn moet een geloofsbeproeving, om nu te zien, hoe het in uw binnenste staat, en om juist door die vijandschap de macht ten goede in u te sterken, en u zoo door uw bittersten vijand een zegen te doen brengen aan uw eigen hart?

Zonder strijd is er geen overwinning. En nu treedt die vijand tegen u op, om u die kroon der schoonste victorie voor het zielsoog te doen schitteren.

Wat kiest ge dan?

Zal het dan uw vijand gelukken moeten, om u te schaden aan de ziel en u innerlijk te verwoesten?

En zoo niet, wat blijft u dan anders, dan te doen naar wat Jezus eischt; dat wil zeggen: uw vijand lief te hebben, en juist daardoor hem ten instrument te maken, om u te sieren met de schoonste kroon, waarin het keurgesteente schittert?

ACHTSTE ZONDAG.

DE OORBLAZER.

De oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

Spreuk. 16:28.

De eerste en ergste oorblazer is Satan in het Paradijs geweest.

Salomo zegt door den Heiligen Geest, dat „de oorblazer den voornaamsten vriend van ons afscheidt,” en waar is dit schriklijker, waar meer tot in den wortel geschied, dan juist toen Satan den mensch van zijn God vervreemdde?

Satan is de aarts-oorblazer, en alle oorgeblaas, dat sinds het Paradijs onder de menschen is uitgegaan en onder menschen verwijdering en verbittering en vijandschap heeft teweeggebracht, is een vuur, dat uit die Satanische vonk van het Paradijs is aangestoken.

Zóo is er geen oorblazer, of ge kunt zeker zijn, dat Satan achter hem zit. Of om het nog scherper te zeggen: zal een oorblazer zijn onheilig bedrijf naar eisch verrichten, dan moet hij eerst zelf in het oor zijn geblazen door den Verleider.

Het is of in dat denkbeeld van „blazen”, in het oor „blazen”, nog iets van den slangenaard nawerkt.

Ge treedt met elke zonde, maar vooral met deze zonde van den oorblazer, zoo vanzelf op het demonische terrein over.

De oorblazer wil iets, heeft iets voor, zoekt een doel te bereiken. Hij is op kwaad stichten, op verdeeldheid stichten, op verstoren van vertrouwen en verkoelen van liefde uit.

Als de oorblazer bij u of in uw vertrek is geweest, is er behoefte aan geestelijke ontsmetting.

Wat is dan dit oorblazen, waar Gods Woord zoo scherp en gestreng tegen ingaat? Wat is in deze zonde de angel en de giftklier?

Zie, toen God de Heere den mensch het oor heeft ingeplant, schonk Hij hem daarmeê het vermogen, om én bij luid gesprek met velen in uitgebreiden kring gemeenschap te hebben, óf ook om in enger kring met een zeer enkele het zoet des vertrouwens en van de gemeenschap der ziele te genieten.

Vandaar dat er een luid spreken, maar vandaar ook dat er een fluisteren is; en zal het wel zijn, dan is dat fluisteren iets heiligs.

Fluisteren beoogt heilige intimiteit.

Reeds moet men er u dicht om naderen, u aanraken, u tegen den schouder leunen, en als met de lippen op uw oor drukken. En nu zegt dat fluisteren, dat er iets is, dat anderen niet weten mogen; wat iets geheimzinnigs tusschen u beiden is; en waardoor vanzelf de grond van wederzijdsch vertrouwen wordt verondersteld.

Teederheid in het heilige brengt er u daarom vanzelf toe, om in hoogheilige dingen niet te overluid, maar liefst zachter en stiller te spreken; en zelfs in de saamvergadering der geloovigen zijn er oogenblikken, dat een fluisterend spreken de schare zoo ontzettend aangrijpt.

Is niet, o zooveel van ons eigen bidden en fluisteren van onzen zielsnood in het oor van den Almachtige geweest; en wierd onze ziel niet het diepst en het machtigst aangegrepen, als het in de stille eenzaamheid bij het lezen van Gods Woord was, alsof de Heere zelf ons die tintelende, levende woorden in het zielsoor fluisterde?

Doch weet ook, gelijk de zonde steeds het heilige nabootst, is er naast het terrein van liefde en vertrouwen en gebed geen terrein, waarop zooveel gefluisterd wordt, als bij dieven en moordenaars.

Demonische nabootsing onder de ingeslopen inbrekers van diezelfde fluistering, die op de ziekenkamer den kranke ontziet.

Zoo grijpt de zonde altoos naar het heiligste en misbruikt het, en op die wijze nu wordt uit het heilige fluisteren des stillen vertrouwens ook de booze, de giftige oorblazer geboren.

De oorblazer ziet, dat er ergens liefde en vertrouwen of een band van aanhankelijkheid bestaat, en gaat er nu op uit om dien band door te snijden.

En hierin ligt nu het giftige: om dat doel te bereiken kiest hij juist den vorm van het zoet vertrouwen, en legt het door voorgewende, gekunstelde en ingebeelde vertrouwelijkheid op de vernietiging van de liefde in uw hart toe.

Vertrouwen is zoo iets heiligs, zoo iets teeders. Het kan niets velen. En als gij nu zoet en rustig in zalig vertrouwen leeft, en er komt opeens een stem, die u vraagt: „Maar zijt ge wel zeker, dat ge niet bedrogen wordt?”—o, dan ligt er in die enkele vraag reeds zulk een helsch magische kracht, dat er niets meer behoeft te gebeuren, of, zoo die vraag maar blijft natrillen in uw oor, heeft uw vertrouwen reeds een schok ontvangen.

En een geschokt vertrouwen, helaas, het is als een berst in de porceleinen schaal: het wordt nooit weer wat het vroeger was.

En dat weet nu de oorblazer.

En met die giftige macht werkt hij op u.

Als een slang sluipt hij op u aan, en kronkelt zich om u, en als een, die het nu eens zeer wel met u meent en u voor misleiding wil bewaren, druppelt hij zijn helsche verzinsels in uw ziel.

En daar is niets, niets bestand tegen.

Veeleer hoe inniger de band is, dien hij aanrandt, hoe eerder en zekerder hij zijn doel bereikt.

Hoe vaak is niet de teerste band op aarde, die, tusschen man en vrouw, door een onheiligen oorblazer voor altoos uiteengereten!

o, De Heilige Geest sprak het zoo diep realistisch door Salomo voor heel de kerk uit: De oorblazer scheidt; meer: hij scheidt den vriend; en wat het ergst is: hij scheidt altoos den voornaamsten vriend; het beste wat uw hart op aarde onder menschen gevonden had.

En toch, niet die volleerde oorblazer sticht het meeste kwaad. Zulke felle, vinnige, opzettelijke oorblazers zijn er Goddank weinigen, en waar zulke slangen betrapt worden, huist er in het hart van bijna ieder Christenmensch zekere natuurlijke weerzin, als waarmeê het kind zijn hand van de adder terugtrekt.

De volleerde oorblazer heeft meestal iets demonisch in zijn oog, dat hem verraadt, en waardoor een reine van hart veilig voor hem is.

Maar, en hier steekt het veel grootere gevaar in, die enkele uitgestudeerde oorblazers hebben achter zich een heel legioen van kleine oorblazertjes en oorblazeressen, en dat wel van allerlei graad en soort.

Er zijn, o zooveel menschen, die er lust aan hebben, om altoos over uw naaste personen te spreken, deels uit snap- en babbelzucht, maar meer toch nog uit bemoeizucht; uit zucht om zich in eens anders zaken te mengen, uit lust om te oordeelen; om interessant te zijn; om een duit meê in de schaal te werpen; en als van achter de schermen in elken kring en in elk huisgezin, waarin ze verkeeren, een soort van kleine rol spelen.

Gaat dit nu ver, dan merkt ge er aanstonds het oorblazen in, en ge zijt op uw hoede.

Maar meestal gaat dit niet zoo heel ver, en zoo wordt ge zorgeloos.

Die het doen, zijn van uw beste kennissen; overigens uiterst beminnenswaardige personen; en wier gesprek, juist doordien er altoos achterklap in loopt, zoo prikkelt en boeit.

En zoo is het eerste vonkje ongemerkt in het vlas neergezegen.

Reeds begint er iets bij u te smeulen.

Ge ziet op uw omgeving anders dan ge vroeger deedt.

Bij veel wat ge vroeger niet opmerktet, denkt ge nu: „Ja, daar dacht ik nooit op; maar iets is er dan wel van aan!”

En zoo begint de lawine met het kleine sneeuwvlokje.

Eerst niets dan een sneeuwvlokje, en straks de lawine van uw levensgeluk.

Want, drong de angel eenmaal in uw hart, dan gaat het vanzelf al dieper.

Straks streelt dat gebeuzel van den oorblazenden snapper u.

Hij zag het in, hij heeft u de oogen doen opengaan.

Niet lang meer, of ge spreekt met hem mede.

Tot eindelijk ook al uw fluisteren voor den oorblazer wordt en er van een fluisteren des vertrouwens met de panden uwer liefde niet meer komt.

Weet elk Christen, is elk kind van God er op bedacht, dat hij aan het gevaar van deze zonde der oorblazing blootstaat?

Blootstaat aan het gevaar, om er zijn eigen levensgeluk door te zien verwoesten?

Maar ook blootstaat aan het gevaar, om verwoestend in anderer levensgeluk in te grijpen?

Is het oog er open voor, dat snap- en babbelzucht, en dat altoos uitvezelen van allerlei persoonlijke dingen, en altoos snappen over iemand achter zijn rug, wel duivelsch-verleidelijk is, maar in negen van de tien gevallen zonde voor God?

o, Die kwade saamsprekingen, waaronder zeer stellig ook die bemoeizieke, die alles over den hekel halende saamsprekingen behooren, waaruit zooveel bitterheden geboren worden!

Dat spelen met anderer naam en karakter, zonder iets van den eisch der liefde te verstaan!

Nu, de Heere leert ook daartegen zijn kinderen waken, bidden, strijden.

Maar persoonlijk dit te doen is niet genoeg.

In heel onzen kring moet zulk een kwaad bestreden, tot het uitgeroeid zij.

En als er iemand tot u komt, en zich bij u neerzet, en zoo eens heel vertrouwelijk heel uw omgeving door de zeef wil laten loopen, heb dan toch den moed, om kloek, om dapper, om zonder aarzelen van u af te spreken, en te zeggen, dat vertrouwen u een te heilige zaak is, om het na zoo korte aanraking te gunnen.

NEGENDE ZONDAG.

„GOD IS MEERDER DAN ONS HART!”

Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.

1 Joh. 3:20.

Er is een innerlijk Getuige, die getuigt in uw binnenste, of ge goed staat of kwaad.

Die Getuige getuigt reeds in een kind van twee, drie jaar; en misschien zelfs vroeger reeds, zonder dat wij het merken.

Die Getuige keert telkens in u weder, zoo dikwijls er iets in u omging of bij u opkwam, zoo dikwijls ge iets deedt of spraakt, of uit de herinnering u tebinnenbracht, wat slecht was.

Die Getuige getuigt tegen u en laat u geen rust, als ge iets kwaads in het zin hebt.

Die Getuige verscheurt u inwendig, zoo dikwijls ge iets doen dorst, dat nog slechter was dan uw gewone doen.

En die Getuige kwelt u, zooals een worm knaagt, soms nog jaren na uw zonde, altoos met hetzelfde stellige vonnis.

Let wel, het is niet een getuigenis, maar een Getuige; niet een eigen wetenschap van u; of wat men thans zijn „geweten” noemt; maar de levende, heilige God zelf, die u zóo schiep, dat Hij in u getuigen kon; in u getuigen ook na uw val in zonde; en dat buiten alle genade om, soms zelfs in het hart van den verstoktsten booswicht.

Want weet wel, uw conscientie in u is geen apart vermogen, dat ge als mensch bezit, om in uw eigen wijsheid goed en kwaad te onderscheiden; maar het is het beluisteren van een vonnis over uw daad, over uw gedachte en over uw persoon, dat, zonder dat iemand het hoort, in uw binnenste u wordt toegefluisterd. Dat ge verneemt en moet toestemmen. En dat juist door die toestemming op dat oogenblik de uitspraak van uw conscientie wordt.

Uw conscientie is niet iets aparts, dat God u inschiep, en dat ge als een instrument in u omdraagt, om het te laten werken, als het u gevalt.

Integendeel, de uitspraak van uw conscientie komt dan juist, als het u zeer óngelegen komt, en als gij ze om wat liefs zoudt willen bannen.

In uw conscientie is altoos de openbaring, dat uw Rechter zich aan u heeft bekend gemaakt; in uw binnenste u veroordeeld heeft; u dat oordeel waarschuwend of bij vonnis heeft aangezegd; dat gij dit vonnis vernaamt; zelf uw schuld niet kondt ontkennen; en daarom geoordeeld ligt voor God en voor uzelf.

Was nu uw innerlijk gehoor nog even fijn en zuiver als God het u in zijn Paradijs inschiep, dan zoudt ge nu nog in staat zijn, om dit u veroordeelend vonnis over uw daad, of dit waarschuwend vonnis over uw verborgen gedachte, juist zoo te verstaan als God het velt.

Maar dit fijne gehoor mist ge. In een zondaar is dat gehoor nooit meer zuiver. En als God, die innerlijke Getuige, rechterlijk over uw ziel komt en vonnis slaat, is het al veel, zoo ge nog tamelijk wel de hoofdstrekking van zijn vonnis verstaat.

Toch is zelfs dit lang niet altoos het geval.

Ge zult een heelen dag doorleven, dat ge hoogstens éen of twee malen gemerkt hebt: „De Rechter sprak weer in mijn binnenste.” Maar tegenover die enkele oogenblikken zullen er honderd andere overstaan, waarbij ge niets van dien innerlijken Getuige hebt bespeurd.

Gaandeweg wordt dit er voor een zondaar zelfs niet beter op. Toen hij een jong kind was, bloosde hij nog bij het minste kwaad. En dat blozen was iets kostelijks; want dat blozen komt daar vandaan, dat de innerlijke Getuige ons inwendig zoo sterk aangrijpt, dat de schok ervan zich aan ons hart meêdeelt en uit ons hart het bloed naar het gelaat opdrijft.

Maar op later leeftijd gebeurt dat zelden meer. De sterkte van het innerlijk gehoor neemt af. De gewoonte van zondigen maakt, dat we dien Getuige meestal niet meer hooren; evenals ge het tikken van een klok, die altoos in uw kamer staat, op het laatst niet meer opmerkt.

Zoo komt er verergering van het kwaad; verharding van het hart; verstomping van de conscientie; en eindelijk komen er van die schriklijke toestanden, waarvan de apostel zegt, dat het lijkt of de conscientie met een brandijzer toegeschroeid is.

Dan getuigt de Getuige nog wel aldoor; want die getuigt in elk menschenkind bij elke levensbeweging; maar de verharde en aan zonde gewende zondaar hoort het niet meer.

Ja, wat meer zegt, door het feitelijk bedrijven van zonde wordt op het oogenblik, dat we zondigen, de stem van dien Getuige bijna geheel voor ons gesmoord.

Schriklijke zondaars, die in ontzettende misdaden gevallen zijn, hebben het meer dan eens betuigd, dat ze op het oogenblik zelf niet de minste weet van hun zonde hadden, geheel gewetenloos en zonder hinder hun misdaad bedreven, en dat daarna eerst, als de ontspanning op de overspanning volgde, de stem van den innerlijken Getuige weer schriklijk hoorbaar werd.

Toch komt er in dezen toestand een gansch wondere omkeering, zoodra God de Heilige Geest in de ziel dringt, haar tot zijn tempel kiest, en het „Abba, Vader!” aan de diepte des gemoeds ontlokt.

Dan licht de Heilige Geest het cataract van het oog en spreekt het Effatha tot het doove en verstompte oor der ziel, en opeens begint de geroepene met dusver ongekende kracht de stem van den innerlijken Getuige weer te hooren.

Doch nu heel anders.

Nu niet meer over dit of dat, maar nu over heel uw persoon, heel uw bestaan, heel uw aard en wezen; en wonderbaar komt ge tot de vreeselijke overtuiging, dat ge niet maar zonde deedt, maar diep zondig en verzondigd tot in den wortel van uw wezen zijt, en niets dan zonde doen kunt; dán zelfs als ge dacht goed te doen.

Door het Woord werkt de Geest dat. Die Heilige Geest, die aan den innerlijken Getuige een uitwendigen Getuige toevoegde in het Woord en nu door dat dubbele getuigenis u omverwerpt.

Ja, erger nog.

Als de Heilige Geest, door het zielsoor te openen, u dan die veroordeelende stem van den uitwendigen en inwendigen Getuige heeft doen hooren, dan doet Hij u ook bekennen, dat er achter hetgeen gij van uw zonde begrijpt, nog heel een veld van dingen, en heel een afgrond van diepten ligt, waarvan ge niets begrijpt. Als gij dan uitgehoord zijt en niet meer hooren kunt, is die Rechter toch nog niet uitgesproken. Op verre na niet. En als uw hart niet meer kan, dan kan God nog aldoor. En ge merkt het: God is meerder dan mijn hart, en Hij kent alle dingen.

Er komt dan een inzicht in een eeuwige, een besef van een oneindige schuld en doem.

En dan eerst komt het wegzinken, het innerlijk verbrijzeld worden.

o, God! wees mij, armen zondaar, genadig!

Daarom brengt het Woord u veel verder dan de conscientie; want de uitwendige Getuige openbaart u een diepte van eeuwigen dood, waaromtrent het getuigenis van den innerlijken Getuige niet tot u doordrong.

Maar toch, al komt het dan uit het Woord, de innerlijke Getuige geeft er toch in elk gegeven geval voor u het zegel aan. En wie zonder den inwendigen Getuige alleen het uitwendig getuigenis neemt, wordt niet geraakt.

En op dat geraakt worden komt het toch aan. Want gij moet neergeworpen; ge moet neergeslagen; de afgod van uw ik moet in u verbrijzeld. Dagon moet vallen. En die uitwerking heeft het uitwendig getuigenis zonder den innerlijken Getuige nooit.

Niet de innerlijke Getuige zonder het Woord. Dat kan evenmin. Neen, eerst als die twee saamstemmen, dan gaat de vonk in ons af, en wordt ons hart in vlam gezet, en brandt onze hoogheid tot assche.

En dan blijkt diezelfde God meerder dan ons hart óok in genade.

Want wie zoo neergeworpen wierd, die heeft geen hope meer. Voor dien is alles doem en oordeel, stikdonkere nacht en duisternis en al het roepen van binnen is eeuwige dood!

Maar God is meerder dan dat enkel verdoemende hart. Hij is lankmoedig en genadig en groot in ontfermingen. En als dan de uitwendige Getuige op den Immanuel wijst, en de innerlijke Getuige predikt ons dien in zijn dierbaarheid, dán, maar ook dan eerst, wordt de conscientie in ons goed.

Goed, zooals de heilige apostel het bedoelde, toen hij schreef van het vragen om een goed geweten, dat in ons roept naar God!

TIENDE ZONDAG.

„IN VREDE NEDERLIGGEN EN SLAPEN!”

Ik zal in vrede tezamen nederliggen en slapen: want Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen.

Ps. 4:9.

Psalm éen en twee vormen een inleiding op heel het boek der Psalmen; en de drie psalmen, die dan volgen, zijn Morgen- en Avondliederen.

Psalm éen heft dies aan met het: „Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der goddeloozen,” en Psalm twee sluit eveneens met een: „Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.”

Zoo is alles in den Psalmbundel schoon geordend. Eigenlijk zijn het vijf bundels in éen bundel, en zijn elk dezer bundels door een bijna gelijkluidend refrein van elkaar gescheiden. Zoo maken de eerste 41 psalmen den eersten bundel uit, en eer ge dan met het: „Het hert schreeuwt naar de waterstroomen,” aan den tweeden bundel toekomt, staat er het refrein tusschenin: „Geloofd zij de Heere, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, Amen!” Dan loopt de tweede bundel van Psalm 42 tot aan het lied van Asaf (Ps. 73), en ook dan staat weer tusschen beide bundels het refrein: „Geloofd zij de Heere God, de God Israels, enz. Amen, ja, Amen!”—met er bij: „De gebeden van David, den zoon van Isaï, hebben een einde.” Van Asaf op Mozes gaat de derde bundel, van Psalm 73–90, waar we aan het slot van Psalm 89 wederom lezen: „Geloofd zij de Heere in eeuwigheid, Amen, ja, Amen!” Terwijl eindelijk de 4e en 5e bundel gescheiden worden door geheel hetzelfde refrein aan het slot van Psalm 106: „Geloofd zij de Heere, de God Israels, van eeuwigheid tot in eeuwigheid, en al het volk zegge: Amen, Halleluja!” Een lofverheffing, die zich aan het slot van heel het boek der Psalmen tot al de schepping uitbreidt, als het in Psalm 150:6 heet: „Al wat adem heeft, love den Heere. Halleluja!”

En naar even schoone orde nu bewegen zich ook de eerste psalmen, die op de inleiding van de beide eerste psalmen volgen, om den slaap.

In Psalm 3:6 heet het: „Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de Heere ondersteunde mij.” In Psalm 4:9: „Ik zal nederliggen en slapen, want Gij, o, Heere! alleen zult mij zeker doen wonen.” In Psalm 5:4: „Des morgens, Heere! zult Gij mijne stem hooren, des morgens zal ik mij tot U schikken en wacht houden.” En in Psalm 6:7: „Ik doe mijn bed den ganschen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijne tranen.”

Avond- en morgengedachten alzoo!

Liederen voor wie zich te slapen legt, en liederen voor wie van zijn bedstede verrijst.

En hetzij dat we slapen gaan, hetzij dat we uit den slaap opwaken, altoos het hart en de gedachten des harten nabij den Heere, wiens alleen de sterkte is.

Voor een kind van God is de slaap iets wonderbaars. Als hij slapen gaat, maakt God hem weg. Hij weet dan van zichzelven niet meer af. Hij sluit de oogen, vergeet wat om hem is, en werpt zich al slapende in de armen van zijn God, dien Wachter Israels, wiens oog nooit sluimert.

Zoo wacht de Heere elken avond zijn kind op, en spreidt hem zijn leger, en bedwelmt hem, en waakt nu aan zijn sponde, terwijl hij weg is en van niets af weet en slaapt.

Eerst knielt het kind dan voor zijn Vader, die in de hemelen is, neder. Hij zoekt en vindt Hem bij die sponde, waarop hij zich zal neerleggen, en als hij zijn God dan aanspreekt, dan is het, of hij tot Hem zegt: „Zijt Gij daar weder, o, mijn goede, trouwe God! om mij in de armen uwer trouw voor dezen nacht te besluiten?” En als het stil gebed dan is uitgestort, en gedankt is voor al Gods trouwe op dien langen dag, en vergeving is gevonden in het bloed des Lams voor al de zonden, die dien dag bevlekt hebben, dan klimt het vertrouwen in de ziel weer op, en bij het: Amen, ja, Amen, Hallelujah! voelt hij zich door zijn God als opgenomen, en op zijn sponde neergelegd. „Ik lag neder en sliep, want de Heere ondersteunde mij!” is dan zijn zalige bevinding. En met God bij zijn ziel en zijn ziele met zijn God vereenigd, sluimert hij zacht in de ruste des slaaps.

Het is zoo, er zijn ook onrustige nachten. David kende ook den angstkreet: „Ik sliep, maar mijn hart waakte.” Hij wist ook van nachten, dat de slaap van zijn oogen week, en de bitterste tranen zijn oog bevochtigden.

Maar juist bij de schaduw dier bange en in angst doorworstelde nachten komt het zoete en schoone der gewone nachten te heerlijker uit.

En immers de goede nachten, dat God de Heere achter zijn kind toesluit, en hem dekt met de vleugelen zijner liefde, en hem zaliglijk met zijn hoede omringt, ze zijn altoos nog tien tegen éen nacht in onrust doorgebracht. En het einde ook van al de nachten, die we in ons korte leven doorbrachten, is lof en eere en prijs voor dien Vader in de hemelen, die ook in onze nachten, ook in onze sluimeringen, ook om onze legerstede groot en heerlijk is!

De slaap is zulk een diep mysterie; want gij kunt niet slapen, tenzij God de Heere u doet slapen.

Neem er de proef slechts van. Ge kunt, ja, gaan nederliggen; ge kunt u schikken tot den slaap; ge kunt met veel zelfbedwang en zelfbeheersching uw leden stilhouden; maar uzelven den slaap geven kunt ge niet. En als het Gode niet belieft dezen engel der nachten over u te brengen, dan waakt ge nóg, als het daglicht rijst, en al uw gewaande rust heeft u afgemat instede van versterkt.

Het is zoo wonderbaar.

In uw slaap zijt ge een machtelooze. Soms gaat de slaap zoo diep, dat men uw slaapvertrek zou kunnen leeghalen, zonder dat gij het bespeurdet. En om in die machteloosheid van den slaap weg te zinken, zijt ge toch weer onmachtig, tenzij God de Heere u de macht van uw dagbewustzijn ontneemt.

Machteloos wordt ge in den slaap, maar juist om in dien slaap met nieuwe kracht bekleed te worden. Een sterven bij den dag, om elken morgen in nieuwe kracht op te staan.

Zoolang gijzelf, bij vollen dag, uw lichaam hanteert, kunt ge niet anders dan het vermoeien, uitputten en in kracht doen dalen. En eerst als ge uw lichaam door den slaap uit uw hand in Gods hand laat overgaan, houdt die uitputting en afmatting op, en God de Heere neemt uw lichaam in de hand zijner almogendheid, om het te verfrisschen, te verkwikken, en weer voor een langen dag met levenswarmte en levenskracht te bezielen.

In den nacht, als alles slaapt, is God de Heere in uw huis de machtige Werker, die op al die bedsteden, in al die kribben, en tot in de wieg toe als uw God en uw Schepper herschept, wat teloorging door het leven des daags.

o, Wat merkt ge die wondere kracht van uw God niet soms bij uw kranken!

Dan was er dagenlang getobd en gebeden en geworsteld; en alle middel aangewend, en alle medicijn beproefd. Maar niets baatte. Aldoor nam uw kranke af. Tot het eindelijk God beliefde een stillen, diepen slaap over het oog en over het bewustzijn van uw zieke te brengen. En hoe deed die éene slaap dan niet wonderen! Duizendwerf meer dan alle medicijn, door menschenhand bereid. Ja, hoe dagteekende niet veeltijds van dien éenen diepen slaap de voortgang tot volkomen genezing!

En zou die wondere slaap dan enkel voor uw lichaam zijn?

Maar ge weet immers beter.

Het kind, dat 's avonds voor zijn school niet meer werken kon zoo moe als het was, kan 's morgens weer vlug en helder leeren. De denker, die zich 's avonds moê had gepeinsd, kon na gezonden slaap in den morgen weer met frissche kracht zijn denkarbeid opvatten. En sterker nog, als ge in moeilijke levensomstandigheden des avonds met het matte hart geen raad meer wist, hoe dikwijls heeft God de Heere u dan in den slaap dat matte hart gesterkt, zóo gesterkt, dat ge 's morgens weer wilskracht hadt om te besluiten en helderheid om de juiste keuze te doen!

En zou die innerlijke verfrissching ook niet tot uw ziel doorgaan?

o, We weten het wel, hetgeen de psalmist zegt: „Hij geeft het zijnen beminden als in den slaap,” heeft in dat lied een andere beduidenis, maar als ge inslaapt met de bede: „Geef mij heilige gedachten en wees in den droom mijn lust!” dan mag dat naar de mystiek der Hernhutters onjuist zijn uitgedrukt, maar deze waarheid was er dan toch in, dat ge ook voor den nacht iets van uw God voor uw ziel dorst hopen.

En zou de Heere dan ook die zeven à acht uur van den slaap, als uw ziel rust en al uw denken niets heeft in te brengen, en uw booze opwellingen zwakker zijn, niet ook met genade het hart van zijn kinderen sterken, en geloofswerkingen bereiden voor den geloofsstrijd, die straks in den morgen hen weer wacht?

Haast zou het de vraag zijn, in welk deel van ons leven we het meest voor de eeuwigheid worden voorbereid, op den klaren dag, als alles ons aftrekt, en als onze geesteskrachten in de wereld uitloopen, of wel in den stillen nacht, als niets ons afleidt, en al onze zielskrachten in ons teruggetrokken zijn en in ons worden opgesloten.

Want dát is het eigenlijk: Gij ligt op uw legerstede en slaapt, maar dan slaapt er nog iets anders in u, en uw ziel rust in uw binnenste, gelijk gij op uw sponde rust.

Sommigen, dit ontkennen we niet, hebben ook ontmoetingen des Geestes bij vollen, klaren dag; maar toch dit zijn zeldzaamheden. En hoe schoon, hoe lieflijk is dan de gedachte niet, dat God de Heere elken nacht zijn beminden opzoekt, om, als hun wezen in hun binnenste sluimert, dat sluimerend wezen te overkomen met reinigende en sterkende genadegaven.

Dit althans merken Gods kinderen wel zeker, hoe God de Heere hen in dien slaap voor de eeuwigheid bereidt.

In de morgenuren wordt veel minder gezondigd dan in de avonduren. Laat hier maar de herinnering uit eens iegelijks leven getuigen.

's Morgens is er meer reinheid over u uitgegoten, in de avonduren kleeft er te veel stof der wereld aan u.

Ook dit nog.

Uw slapen gaan is een voorbereiding, om eens den slaap des doods met stil vertrouwen tegen te gaan; een prediking van de opstanding, die komt.

Of gaat ook tot u niet soms een prediking uit, als uw God bij uw inslapen u indachtig maakt: „Zoo omvang Ik u eens in mijn armen, als ge den slaap des grafs gaat sluimeren,” en straks bij uw ontwaken tot uw ziel zegt: „Zoudt ge aan Mij dan ook in uw doodsslaap u niet toevertrouwen; zie, Ik, uw God, bracht u immers terug in het heerlijkst licht?”

ELFDE ZONDAG.

„DE BOKKEN VAN DE SCHAPEN.”

En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.

Matth. 25:32.

Er komt een dag des oordeels.

Ons natuurlijk besef wil daar wel niet aan, en daarom stelt men zich dat vaag en zwevend voor, alsof er eigenlijk geen oordeelsdag komende was. Maar al ons phantaseeren vermag niets tegen het stellige zeggen van den Christus: „Alsdan zal de Zoon des menschen zitten op den troon zijner heerlijkheid, en voor Hem zullen alle volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.”

Zweef er dus niet omheen, zwerf er niet met uw gedachten van af, maar bid veelmeer om een luisterend oor, als Jezus van dien dag des oordeels spreekt. Alleen een geestelijk oor kan het verstaan.

Ook hier wordt het beeld van den herder volgehouden, en al de geslachten der menschenkinderen zijn voor dien van God bestelden Herder als éen groote kudde. Maar die kudde is gemengd. Er zijn een gansch groote menigte schapen, maar ook een gansch heir van bokken in die kudde.

Lees wat er staat. Jezus zegt niet: schapen en rammen, maar schapen en bokken. En bokken zijn wat iedere jongen eronder verstaat, niet rammen, maar geitebokken.

In ons land vat men dat zoo niet; maar in een land van bergen als waarin én de Heere én zijn profeten omwandelden, vat ieder dat. Want in een land van bergen komt men telkens groote kudden tegen, eenerzijds van schapen en anderzijds van geiten. Die grazen dan bij elkaar en trekken saam uit, de heuvelen en bergen langs. Maar als de herder met zijn dubbele kudde huiswaarts is gekeerd, dan gaat het niet in éen kooi, maar moet voor de deur der kooi de kudde gesplitst worden, en gaan de schapen door het eene hek binnen en de geiten door het andere.

En zoo nu, zegt de Heere, zal het eens ook in den dag des oordeels zijn. Lang, eeuwenlang zullen de kinderen der menschen bij elkaar weiden en met elkander op den weg zijn. Maar eens komt het einde. En dan trekt alles huiswaarts. En bij de eeuwige woningen aangekomen, gaat het dan in tweeën uiteen. De schapen rechts, de bokken links. En de eeuwigheid zal ingaan.

Waarop doelt dit onderscheid?

Stellig niet, althans niet enkel, op het verschil tusschen het vrouwelijk en het manlijk geslacht. Zóo staan schapen en bokken niet tegenover elkander.

Wie van een kudde schapen spreekt, bedoelt niet alleen de wijfjes, maar de rammen er bij. Daarentegen wordt van het ander deel der kudde wel terdege het manlijk soort, de bok, als aanduiding van het soort gebezigd. En ongetwijfeld moet op die tegenstelling gelet.

Wie ooit zulk een kudde schapen met een kudde geiten en bokken onder elkaar grazen zag, vat die tegenstelling dan ook met een oogwenk.

In die weidende schapen is stilheid, is zachtheid, is volgzaamheid, is een toon van ernst. Langzaam bewegen ze zich voort of liggen rustig bij de beke neder. En zulk een kudde van grazende of herkauwende schapen geeft u het toonbeeld van rust en aanhankelijkheid en ernst in het gemoed.

Maar heel anders is het met de kudde geiten en bokken.

Die springen en stoeien en spelen eindeloos. Ze steigeren op de achterpooten, en hebben er lust in, om met de hoornen te stooten. En in de vlugge, sierlijke wijs, waarop ze half steigerend den gehoornden kop ombuigen, om in het neervallen den stoot toe te brengen, geven ze u het toonbeeld van speelschheid, van trots en ijdelheid tegelijk.

Het is zoo, ook onder de schapen ziet men soms een verwoed stooten tegen elkaar in, en soms kunnen ook de geiten en bokken vredig saam neerliggen; maar als ge naar aard en karakter de twee uiteenhoudt, is het verschil toch sprekend en in het oog loopend. In die eene kudde stilheid, zachtmoedigheid en ernst. Die andere woelig, trotsch en speelsch.

De tegenstelling is in de natuur zelve, o, zoo scherp en duidelijk geteekend.

En zoo zullen dan eens voor den Zoon des menschen, en op zijn woord, de kinderen en geslachten der menschen uiteengaan.

Eenerzijds die allen, die, o, zoo speelsch en guitig het leven doorsprongen. Die woelige, drukke, rustelooze menigte. Die altoos de hoornen op den kop gereed hadden, om van zich af te stooten, en altoos steigerden in hun ijdelheid en trots.

En anderzijds die anderen, onder wie ook dat stooten en woelen wel voorkwam, maar als uitzondering, en die in den regel stil en ernstig huns weegs gingen; en vrede op het gelaat vertoonden; en iets bleken te beseffen van den ernst des levens. Lieden, die zich stooten lieten en zachtmoedig bleven. Voor zich uitgaande, gelijk schapen achter den herder gaan.

En nu weet ik wel, dat zulk een spelende, steigerende, stootende bok veel aardiger schijnt en ons natuurlijk gevoel meer toespreekt; en ook wel, dat een schaap te zijn, in het oor der wereld een klank van verachting heeft. Zoo dom en zoo onnoozel, zoo sulachtig, dat men er alles meê doen kan!

Maar ik weet ook, dat dit in Gods heilig Woord gansch anders uitkomt.

Daar heeten de bokken die fiere, trotsche, speelsche koningen en machtigen, die in onderdrukking lust hadden. „Al de bokken der aarde”, zooals ze in Jesaja 14 heeten. Terwijl omgekeerd die Eéne, die Heilige, die Immanuel, die Trooster onzer ziele, niet als een bok komt met hoornen van macht, maar als „een Lam, dat de zonde der wereld wegneemt”, en als „een Schaap, dat stom is voor dien, die het scheert”.

Tegen de bokken staat de Heilige Geest in het Woord, om hun overmoed, om hun kwaadheid, om hun speelschheid, altoos over; maar „schaap te zijn” is naar de ingeving des Heiligen Geestes het hoogste. Schapen zijner weide, schapen van den eenigen Herder, schapen, die de stem van den goeden Herder kennen. En terwijl de bokken worden uitgeroeid, is het voor de schapen zijner weide, dat die Herder zijn leven stelt. En de Vader zelf strekt de hand zijner eeuwige ontferming uit en hoedt ze, en niemand kan ze rukken, de wolf niet en Satan niet, uit de hand van den Vader.

En daarom daal toch een iegelijk in uw hart, in de diepte van uw wezen in, en doorzoek en onderzoek, aan welke dier beide dierennaturen ge het meest gelijk zijt. Aan den stootigen, speelschen, woeligen bok, of aan het stille, zachtmoedige, rustige lam!

Niet naar uw temperament vraagt de Heere daarbij; niet naar uw inborst en aanleg. De Heere, die te Kana wijn voor de bruiloft schonk, veroordeelt de vreugde en vroolijkheid des harten niet. Humor vloeide vaak van zijn eigen lippen. Er is een tijd van weenen, o, gewisselijk; maar met nadruk stelt de Schrift er een tijd om te lachen naast.

Neen, de vraag gaat veel dieper en dringt tot den wortel van uw wezen door. En daar, in dien wortel, is een ieder een bok, een speelsche, woelige, stootige bok van nature. Dat is der zonde aard en de speling van het verderf in ons.

En zóo diep wortelt die booze aard in ons gemoed, dat niemand van nature den vrede, den ernst, de zachtmoedigheid van het lam bezit, tenzij dan dat het Lam van God tot hem zij gekomen en in zijn ziele geopenbaard zij.

Alleen wie den beelde van den Zoon van God, d. i. aan het Lam, dat de zonde der wereld droeg, gelijk wierd gemaakt, zoo niet in voleinding dan toch in beginsel, is bij de kudde der schapen geteld en gaat achter den goeden Herder aan.

De schapen in den dag des oordeels zullen alleen zij zijn, die het beeld van het Lam Gods vertoonen, en al de anderen gaan als bokken terzij.

Hoor het maar aan de uitkomst.

Tot die ter rechterzijde is het: „Ik, uw Jezus, ben naakt geweest en hongerig in mijn armen, en voorzooveel gij mijn armen gekleed hebt en gevoed, hebt ge Mij beschut voor de koude en voor den honger behoed!”

Tot de armen van den Heere Jezus en tot zijn hongerigen voelden ze zich aangetrokken, en toch, ze dachten er niet bij: Dat heb ik nu voor den Heere Jezus gedaan.

Neen, stil, zonder vertoon, zonder inbeelding van hun goede werken zijn ze het Lam Gods nagewandeld.

Maar daarom juist is hun stille ernst en hun teedere zachtmoedigheid ter gedachtenisse voor God opgeklommen, en in den dag des oordeels, dan zal 't de Zoon des menschen toonen, dat Hij het zag en van elk schaap zijner kudde weet.

TWAALFDE ZONDAG.

„DOOR ZIJNS ZELFS OFFERANDE.”

Om de zonde teniet te doen door zijns zelfs offerande.

Hebr. 9:26b.

Offerande is de diepste gedachte, waarop heel Gods schepping doelt.

Alle creatuur, dat God schiep, schiep Hij om zichzelfs wil. Om het zelf te bezitten; om het geheel ten eigendom te hebben; om allen geur en bloesem ervan te genieten; om er alle eer en glorie van in te drinken; om uit dit creatuur, als uit zijner eigen handen werk, de echo te beluisteren van zijn eigen stem, de warmte op te vangen van zijn eigen Goddelijk leven; ja, om het in zoo volstrekten zin alleen voor zichzelven, als God, te hebben, dat er niets in dat creatuur was, dat niet verteerd wierd door zucht en dorst naar Hem.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings