← Table of contents
Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR. (continued 2)

Reading edition

Dit nu is de offerande.

Als de Heere tot u zegt: „Mij zult gij liefhebben met heel uw hart en heel uw ziel en heel uw verstand en al uw krachten”, dan vergt uw God van u niets minder, dan dat gij uzelven, met heel uw persoon en heel uw wezen, op zijn altaar zult nederleggen, om door de vuurvonk des Heiligen Geestes Hem tot een liefelijke reuke te worden verteerd.

Alle schepsel, dat niet in dien volsten zin, een offerande voor zijn God is, verkeert daardoor in een toestand van zonde. Hij rooft en ontsteelt aan zijn God een deel der offerande, die Hem toekomt.

Al onze zonde, al onze boosheid schuilt juist daarin, dat onze wereld, dat ons geslacht, dat ons land, dat onze stad of ons dorp, dat ons huis of ons kind of onze eigen persoon weigert een offerande voor den Heere onzen God te zijn.

Slechts in zooverre wijkt de zonde, als er door genade weer willigheid tot offerande onder ons en in ons geboren wordt.

En dit zal eens de triomf van Gods glorie zijn, dat de doorluchte dag wel toeft, maar nochtans gewisselijk komt, waarin God de Heere het rijk zijner heerlijkheid hebben zal in een schare, die niemand tellen kan, die van den eerste tot den laatste toe niets meer zullen willen noch anders kunnen zijn, dan éene offerande Gode in heel hun wezen en bestaan.

De offerande van ram of var verzinbeeldde dit wel, maar was het niet.

Hoe kon het ook?

Of als een man in Juda honderd schapen had, en hij offerde Gode éen zijner rammen, was dat Gode zijn eere geven? Was het dan enkel die éene ram, waarop God recht had, of was het niet al zijn bezitting, of niet veel meer om hemzelf, om zijn hart, om zijn persoon? Ja, zelfs dien éenen ram, had God hem dien gegeven, om tot asch verbrand te worden, of niet veelmeer om voor hem te leven als zijn dier?

Dat kon dus niet anders dan zinbeeld zijn. Of zou God dorsten naar bokkenbloed? Zou de reuk van een verbranden var Hem welriekend zijn geweest? Alsof niet alle dieren des velds zijns waren, het wild op duizend bergen?

Maar hoe doelloos en volstrekt waardeloos het verbranden van var of ram ook op zichzelf voor God was, als daad van gehoorzaamheid, als sprekend zinbeeld, als afschaduwing van de éene, ware offerande, die er zijn moest, maar door de zonde was weggenomen, ja, dan had dat outervuur op Sion hoogheilige beteekenis. Dan sprak er in dat dier, welks bloed vergoten wierd, een schriklijk oordeel over het leven der wereld. Dan ging er in dat bloed, dat vergoten wierd, een machtige prediking tot heel Israel uit. Dan lag er in het feit, dat God zulk een dierenoffer zelf had willen instellen, een profetie, dat eens de ware offerande terug zou keeren. Ja, dan blonk er in dat offerdier, dat in rook en walm opging, genade voor genade over het arme kind van God, dat zelf een offerande zijn moest, maar geen offerande meer zijn kon.

En nu komt de Hoogepriester onzer belijdenis en spreekt: „Zie, Heere! Ik kom om uwen wil te doen; slachtoffer en brandoffer hebt Gij niet begeerd, maar Mij hebt Gij het oor doorboord!”

En wat nu verklaart Messias hiermeê anders, dan dat Hij weer een offerande Gode wil zijn? Wat anders, dan dat Hij Gode wou doen toekomen, niet maar iets van zijn schepsel, maar heel zijn schepsel? Dat Hij de ordinantie herstellen zal, die de zonde aan flarden reet? En dat, waar God niets van zijn schepsel vraagt dan dit éene, dat het Hem een offerande zijn zal, en toch alle schepsel die offerande Gode onthield, Hij, onze Messias, dit recht zijns Gods herstellen, het een en al Hem weer toewijden, geheel en onverdeeld Hem, zijn God, toebehooren, en alzoo Gode een welriekende reuke zijn wil en zijn zal?

Dit is zijns zelfs offerande. Niet in zinbeeld, maar in werkelijkheid. Niet langer een var uit stal of kooi, maar zichzelven. Het schepsel in eigen persoon en wezen, gelijk de Schepper het vroeg. Want wel kan de Zoon naar zijn eeuwige Godheid nooit anders dan God zijn, maar zijn menschelijke natuur was creatuurlijk. En die zei Hij zijn God toe; en die legde Hij op het altaar des Heeren; die heeft Hij ter offerande Gode en zijnen Vader gewijd.

Waar alles op aarde riep: „Hoe zal ik mijzelven handhaven, hoe zal ik mijzelven bezitten en mijzelven toebehooren?”—en juist in dat schijnbaar manmoedige woord het vermetelst de eere van zijn God aanrandde, daar komt over de lippen van Messias het eerste zoete woord voor God: „Zie: Ik kom om uwen wil te doen, U en niet Mijzelven toe te behooren. o, God, neem mijn zelfsofferande aan!”

Er was dus zelfsofferande in Messias ook vóor en buiten Golgotha. Reeds daarin, dat Hij de vleeschwording aan had gewild. Daarin, dat Hij, vleesch geworden, Satans aanbod afsloeg en den diepen weg van bloed en tranen koos.

Daarin ook, dat al zijn spijze was Gods wil te doen. Daarin niet het minst, dat Hij Gods wil deed, waar niemand dien deed; en alzoo tegen den prikkel der verleiding, die in aller anderer boos voorbeeld lag, in.

Maar toch, hierbij kon het niet blijven.

Hij had onze natuur aangenomen; en deze onze natuur hadden wij onder het oordeel des doods gebracht. Zoo kon er dan geen zelfsofferande zijn, of de offerende moest tot in die natuur zelf doorgaan. Het brandoffer, dat op Sion geheel verteerd wierd, wenkte als heilige roeping. Zooals die var in den dood ging, zoo moest ook Hij tot in en door de poorte des doods zijn zelfsofferande Gode toebrengen; en zooals het bloed van dien var vergoten en geplengd wierd, zoo ook moest zijn bloed vloeien en gesprengd worden op al zijn volk, zou de zelfsofferande van Messias volkomen zijn.

En toch is Hij niet achterwaarts geweken, maar heeft uit liefde voor zijn God en uit liefde voor Gods volk ook dat dal der schaduwen des doods al de dagen zijns levens doorwandeld, en is, toen het einde van zijn einde gekomen was, van die schaduwen des doods tot den dood zelf ingegaan, en altoos roepende: „Zie, Ik kom om uwen wil te doen!” is Hij door dien dood doorgedrongen tot achter het voorhangsel, in het heilige der heiligen van zijn God!

Geen ander kon dat. Elk zondaar zou op dien weg neergestort en bezweken zijn, nog eer de helft van den bitteren, bangen weg was voleind. Maar Hem ondersteunde zijn vlekkelooze onnoozelheid; Hem droeg de verborgen glorie zijner Godheid; Hem drong en lokte het eeuwig raadsbesluit. Zoo worstelde Hij, en overwon, en de Heere rook den welriekenden reuk van zijns zelfs offerande, en in die reuke der eeuwige liefde was het welbehagen van zijn God.

En is nu dit het mysterie, dat wij Hem, onzen Heiland, in deze zelfsofferande volgen, en alzoo voor God bestaan?

Och, ware dit zoo, wiens hart zou hem niet aanklagen, wiens geloof niet zijn oordeel zijn?

Neen, maar dit is het wondere geheim, dat Hij, onze Messias, dank zij deze zelfsofferande en Goddelijke almacht, de liefde bezit, om op u te werken, u te trekken, en u met koorden aan de hoornen van het altaar uws Gods te binden.

Zoo maakt Hij en niet gij uzelven ter offerande. En Hij doet dit, door u in de gemeenschap zijns lichaams in te lijven. U in zichzelven voor God te stellen. Dat de Heere u niet in uzelven, maar in Hem aanziet.

Ja, meer nog.

Wat nu nog in Hem verborgen is, dat werkt de almacht zijner Goddelijke liefde eens ook persoonlijk in u uit.

Nu reeds in aanvang en ten teeken en u tot troost, als er reeds hier in en door u geofferd wordt, wat uw boos hart nog zoo gaarne aan uw God ontstal.

Maar eens veel heerlijker nog, als uw Messias in uw sterven u afsnijdt van uw eigen levenswortel, en u in hemelsche glorie op den wortel zijner zelfsofferande zal doen bloeien.

En dan daarboven in zijn toekomst eens éen schare van priesters en priesteressen Gode en den Vader, bij wie alle eigen zin en eigen liefde wegviel, en door wie dag en nacht in zijn tempel slechts éene offerande gebracht wordt, het offer van heel hun aanzijn, van al hun liefde, van gansch hun bestaan.

DERTIENDE ZONDAG.

„ALS EEN LAM TER SLACHTING GELEID!”

Als dezelve geëischt werd, toen werd Hij verdrukt: doch Hij deed zijnen mond niet open: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed Hij zijnen mond niet open.

Jes. 53:7.

Er ligt in al Gods schepselen, ook in het dieren- en plantenrijk, een heerlijke symboliek, waarvan de rijke beteekenis ons slechts een enkel maal door de Schrift ontsluierd wordt.

Een symboliek in het tarwegraan, dat in de aarde valt en sterft, en in den wijnstok, die in zijn ranken vrucht draagt. En zoo ook een symboliek in de duive, die neerzijgt op haar vleugelen, en in het lam, dat wel vroolijk blaat, als het ter weide wordt uitgeleid, maar stom is voor wie het slacht of scheert.

Heilig is ons die symboliek, omdat ze kleeft aan de gestalte en de verschijning van Hem, die ons met zijn bloed gekocht heeft. Hij dat Tarwegraan, dat sterven moet om niet alleen te blijven; Hij die Wijnstok, die al zijn ranken het levenssap toevoert; op hem die Duive neergedaald, opdat Hij vervuld zou worden met den Heiligen Geest zonder mate, en zoo bovenal, Hij, onze Jezus, dat Lam, dat ter slachting gaat, het Lam, dat de zonden der wereld draagt, het Lam, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders.

En zoo was het lijden van den Man van smarten.

Niet in dien letterlijken zin, alsof Hij al de uren zijns lijdens geen woord zou gesproken hebben. Dat ondervond Judas anders in den hof, toen de Heere hem door zijn booze ziel sneed met zijn schriklijk woord. Dat is anders door Kajafas ervaren, toen de Heere hem profeteerde van den Zoon des menschen, die op de wolken komen zou. Dat overkwam Pilatus heel anders, toen Jezus hem de holheid en de leegheid toonde van zijn sceptischen waarheidszin.

Neen, in dien zin was Jezus onder zijn lijden niet stom. Eer sprak Hij betrekkelijk veel. Tot zelfs van zijn kruis zeven malen. Nog vlak eer Hij sterven ging: „Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest.”

Neen, de stemmeloosheid van het Lam ligt in het inhouden van den kreet van verzet tegen het lijden.

Er ligt in den kreet, waarmeê het gevoelige schepsel tegen het lijden inschreeuwt, een middel van verweer. Zoo schreit het kind in de wieg, als het pijn heeft. Zoo gilt het kind op straat, als het leed ervaart. Zoo is een gil van verzet op ieders lippen, als hij gewelddadig aangerand of door schrik vervaard wordt. En zoo krijt en kreunt en gilt en schreeuwt ook het dier, als het geslagen wordt of pijn voelt. En als zich straks bij dien kreet het verzet van den weerstand voegt en het getergde dier op zijn plager aanvalt, dan is dat geschreeuw en die woede éen. Het is de zin, om niet te willen lijden, maar tegen pijn en leed in te gaan.

En zonder nu staande te houden, dat een lam nooit kreunt en zich nooit verzet, maakt toch het lam meer dan eenig dier op ons den indruk, van zich hulpeloos en weerloos aan zijn leed over te geven. Heel dat dier is er op geschapen. Weerloosheid is zijn uitdrukking. En vooral als het sterven gaat, wekt het lam uw deernis op. Een lam te slachten vergt meer overwinning van uw zelfgevoel dan het slachten van een var of os.

En in dien algemeenen zin nu moet ge ook die beeldspraak van het Lam in zijn toepassing op Jezus verstaan. Hij verzet zich niet. Hij scheldt niet weder, als men Hem scheldt. Als men Hem sart en lastert, bidt Hij voor zijn vijanden. Den drinkbeker, dien Hem de Vader gegeven heeft, drinkt Hij met volkomen zelfbeheersching, en dien willende drinken, tot den laatsten druppel leeg.

En dit nu is de diepe doorgronding van het mysterie des lijdens.

Er is ook lijden, dat bestemd is om onze veerkracht te prikkelen. De doornen en distelen der aarde prikkelen Adam, om in het zweet zijns aanschijns zijn brood te zoeken. De brullende leeuw, die op den mensch toespringt, prikkelt zijn manlijke kracht, om te worstelen om levensbehoud. De storm, die losbrak over de wateren, prikkelt den zeeman, om met mannenmoed tegen den orkaan in te worstelen. Allerlei ziekte en kwaal prikkelt 's menschen vindingrijkheid, om genezing te ontlokken aan het kruid der aarde. Kortom, allerlei leed en gevaar, dat ons bedreigt, is niet bestemd, om er ons onder te doen verkeeren als het lam, maar om er met mannenmoed en menschelijke wilskracht den strijd tegen op te nemen.

Maar dit is slechts de bast en niet de kern, niet het pit van het mysterie des lijdens.

Ook buiten het lijden, dat ons door de natuur overkomt, is er een lijden, dat van mensch op mensch loert, en in de menschelijke boosheid het venijn, dat Satan naar ons spuwt, voelbaar maakt.

Er is bang verdriet, dat moet doorworsteld; wreede teleurstelling, waaronder het menschenhart te zwoegen heeft; schriklijke weedom des harten, waaronder de matte ziel heeft weg te zinken. En dan is er heel dat heirleger van opzettelijke kwelling in laster, hoon en krenking; straks in het spuwen op iemands gelaat, en voortgaande tot in het aangrijpen van het lichaam, met allerlei geeseling en kwelling tot in den dood, ja, in den dood des kruises. En als ware het nog niet genoeg, dat alles nog verergerd door lastering en kruis saam te voegen, en den armen mensch onschuldig te doemen, en als onschuldig gedoemde over te leveren aan aller verachting en hoon!

Dat is het eigenlijke, dat het de ziel gansch ontroerende lijden. Een lijden, dat ons prikkelt, maar in zijn prikkeling de ziel vergiftigt, en u prikkelt niet tot mannenmoed en oefening van wilskracht, maar tot weerwraak, bitterheid en haat.

En nu is hier de proef.

Oefent het lijden op u die prikkeling en laat ge die prikkeling doorwerken, zoo brengt het u geheel ten onder.

Maar ook, weet ge die prikkeling van Satans venijn te weerstaan en, weerloos als het lam, zulk lijden over u te laten komen, dan triomfeert ge.

Het allerdiepste pit van dit lijden nu heeft Jezus en Jezus alleen in al zijn bitterheid gesmaakt.

Niet, omdat er niet wel menschen zijn, die men erger gemarteld heeft. o, Tal van martelaren en martelaressen hebben veel schrikkelijker barbaarschheden geleden. Vooral in Japan leden de Christenen zoo ontzettend.

Maar merk er wel op, de bitterheid van dit lijden neemt toe, niet zoozeer naar evenredigheid van de verscherpte marteling, maar naar gelang van de zielskwelling. Het is het onschuldig lijden, dat hier het vlijmen verdiept. En hierom kon alleen Jezus dit lijden peilen in al zijn ontzettende diepte.

Wij lijden nooit onschuldig. In aller zonde ligt onze eigen zonde ingeweven. De boosheid, die tegen ons losbreekt, is onze eigen boosheid, ons beloerend en belagend uit anderer hart. Het is de algemeene haat, die uit de zonde opkomt, en waarin we allen verwikkeld zijn.

Maar hier was de reine, de heilige, de onzondige, de schuldelooze. Hij, die aan niets deel had. In niet een enkele wortelvezel van de zonde met de vezelen van zijn eigen hart verwikkeld lag. Hij, die geen haat ooit anders dan tegen Satan gekend heeft. De vleeschgeworden Liefde zelve.

Hierin en hierin alleen moet de onvergelijkbre diepte van het lijden des Heeren gezocht worden. Alle andere vergelijking voert niet tot het doel. Alleen zóo staat zijn lijden eenig onder alle lijden in al de lijdenshistoriën der menschheid.

Zoo alleen is Hij de Man van smarten. Man van smarten, omdat Hij en Hij alleen waarlijk de Knecht Gods was.

En zie, de prikkel van zijn menschelijk besef, om tegen dit allerdiepste lijden, met zijn goed recht, met zijn vlekkelooze conscientie, met al de deugdelijkheid zijner zaak in te gaan, dien prikkel heeft Hij gebluscht, heeft Hij afgestompt, heeft Hij gesmoord in zijn eigen ingewand.

Zoo is Hij het Lam Gods geworden.

Hij zag niet op den steen, maar op die dien steen wierp. Hij trok zijn oog af van de zaag, en zag alleen op dien, wiens hand die zaag trok. Een Judas, een Kajafas, een Pilatus, het waren Hem altegader instrumenten, meer niet. Hij, van wien Hem dit nameloos lijden overkwam, was zijn eigen Vader, zijn Vader in de hemelen. Neen, Pilatus! neen, Kajafas! neen, Judas! gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, zoo u die niet van boven gegeven ware!

Omdat God het wilde, dat Hij lijden zou, daarom wilde Hij lijden.

Of het Hem geen worstelen gekost heeft, vraag dat aan de schaduw van Gethsémané's olijven.

Die prikkel om er tegen in te gaan, en dat weten: God wil het! o, ze streden zoo bang in zijn menschelijk hart.

Maar toen het weer volkomen klaar en zoo hemelsch helder voor Hem wierd: God wil dit lijden, toen ook niet éen oogenblik aarzeling meer.

Ziet, toen ging Hij uit Gethsémané naar Golgotha, Hij, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdroeg.

VEERTIENDE ZONDAG.

„KOMT TOT DE BRUILOFT.”

Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genooden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid, mijne ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.

Matth. 22:4.

Reeds in de Spreuken heet het van de Opperste Wijsheid, dat ze haar slachtvee geslacht heeft en haren wijn gemengd en haar tafel toegericht, en dat ze haar boden heeft uitgezonden, die roepen: „Komt, eet van mijn brood en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.”

En Hij, die zelf de Opperste Wijsheid was, vergeleek het Koninkrijk der hemelen bij een koning, die een bruiloft bereidde en riep: „Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid, mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht en alle dingen zijn gereed,” en zijn dienstknechten uitzond, zeggende: „Komt tot de bruiloft!”

De noodiging, de oproeping alzoo tot iets luisterrijks, iets dat heerlijk genot belooft, en reeds om het genot den wensch zou doen opkomen, om er bij te mogen zijn en meê te mogen aanzitten.

Eenerzijds: Wie ten leven wil ingaan, ga in door de enge poort, neme zijn kruis op en verloochene zichzelven; maar ook anderzijds daarnaast en daartegenover de vriendelijke schildering van een heugelijk bruiloftsfeest, waartoe de Heere zijn geroepenen noodigt.

Nu zoudt ge zoo zeggen, als de roepstem uitgaat: „Neem uw kruis op en volg Mij!” dan zal het meerendeel angstig terugschrikken; maar als het heet: „Komt tot de bruiloft!” zal elk, die slechts komen kan, met geestdrift zich vinden laten.

En toch, de Heere teekent het anders.

Neen, de geroepenen schrikken nog weg, als het heet: „Gaat in door de enge poort!” maar haast nog volhardender is hun afslaan van de noodiging, als het heet: „Komt tot de bruiloft!”

Ook naar die bruiloft van het Lam wil de in zonde verzonken mensch niet heen.

De Heere zegt het duidelijk: ze weigeren allen. Ze weigeren op allerlei grond, onder allerlei voorwendsel, soms zelfs boosaardig. De een gaat tot zijn akker, de ander tot zijn koopmanschap, en een derde scheldt 's Konings boden uit, beschimpt ze en staat hun naar het leven.

Maar hoe ook hun wijze van weigeren verschille, op het roepen, op het herhaalde en dringende roepen, dat ze toch tot de bruiloft komen mochten, komt niemand.

Vanwaar dit verschijnsel?

Soms zegt men zoo wel: „Predik het Evangelie niet te streng, niet te hard, stel het vriendelijk voor en poog te lokken!”

Welnu, dat geschiedt hier. Hier is niets hards, niet onvriendelijks, maar alles uitlokkend en verleidelijk. Er is een vriendelijk nooden. Er is een roepen naar een feestmaal. Er is een lokken naar een ure van vreugde en heugelijk verblijden. En toch, hoe zacht en boeiend en lieflijk ook de voorstelling zij, de lieden komen toch niet.

Als den jongeling gezegd wordt, hard gezegd wordt: „Ga heen en verkoop al wat ge hebt,” gaat die jongeling op dat harde zeggen ten minste nog bedroefd heen. Maar hier, bij de noodiging tot de bruiloft, is zelfs van die droefheid geen spoor te ontdekken. Men weigert, omdat men wil weigeren. Uit opzet, uit moedwil, in vermetelheid van het hart.

Waaraan dit dan ligt?

Zie, het komen op zulk een bruiloft als waarvan Jezus spreekt, was een hulde aan den Koning, in wiens naam de boden uitgingen, en juist die hulde aan den Koning brengen, dát wilde men niet.

Of de Koning die hulde aan zijn kroon en majesteit ook al aanlokkelijk en begeerlijk inkleedde, deed er niet toe. Als die bruiloft in glans en eere schitterde, zou het 's Konings glorie verhoogen. Liep ze daarentegen smadelijk af en bleef Hij alleen met de leege tafels, dan zou zijn eere gekrenkt zijn; en overmits nu de genoodigden, in hun boos hart, Hem zijn glorie misgunden, en zijn smaad een zielsgenot vonden, daarom weigerden ze Hem het huldebetoon, en bleven ze weg, om Hem een ure der schande te berokkenen.

Een bruiloft wilde men wel. Feestgenot bracht de zinnen in verrukking. Maar zelfs dat feestgenot had zijn bekoring verloren, als er de eere van den Koning meê verhoogd wierd.

En zoo ligt het antwoord klaar voor ons.

Dat op het roepen: „Komt tot de bruiloft!” de genoodigden weigeren te komen, is niets dan vijandschap tegen God in hun hart.

Men stelle zich de zaak wel voor.

Als zulk een Oostersch vorst een huldigingsfeest in zijn hofstad vierde, wierden er machtige maaltijden aangericht, waarbij soms tien à twintig duizend personen aanzaten. Nog onlangs heeft Ruslands Czaar in Moskou meer dan zestien duizend genoodigden aan open tafels gespijsd.

Daarvoor wierden de noodigingen verzonden aan de oversten der koninklijke heirscharen, aan de regenten van steden en dorpen, aan de vertegenwoordigers en de besturen van alle instellingen, inrichtingen en genootschappen.

Heel het land moest op zulk een dag vertegenwoordigd zijn.

Maar dan moest men het voor zijn Vorst ook over hebben, om een tijdlang uit zijn bezigheden te gaan, om de lange reis te maken, om saam op te trekken naar de hoofdstad, en bovenal, dan moest er enthousiasme, liefde, meêleven in het hart zijn, om zich in de glorie zijns Konings te verheugen.

En die genoodigden wilden nu niet komen. Ze achtten de noodiging niet (vs. 5), en hadden het er niet voor over, om hun akker en hun koopmanschap er voor een korte poos aan te geven.

Ja, erger nog, sommigen wilden zelfs niet erkennen, konden het niet velen en wilden het niet verdragen, dat 's Konings boden van hun Heer spraken, als ware Hij ook hún Koning.

En vandaar die boosheid, dat aangrijpen der zendboden, dat schimpen en ten leste die moord.

De Koning moest met zijn leege tafels voor spot blijven zitten. Dat was hun toeleg. Dat het geheime leedvermaak, waarop ze zich voorbereidden.

En nu, het liep anders uit. Toen de genoodigde vertegenwoordigers en hoofden weigerden, liet de Koning al het volk roepen uit zijn hofstad. En die stroomden bij duizenden het feestterrein binnen. En zoo ging toch de bruiloft door. En zaten toch de duizenden bij duizenden aan. En was er toch voor den Koning eere, en schitterde zijn glorie in zijn hofkring.

Maar dit lag aan hen niet. Dit was tegen hun bedoelen. Zij hadden hun Koning smaad voor eere toegedacht, en dáarom hadden ze geweigerd.

Zoo komt uit wat in ons hart school.

Zoo ziet ge aan dit woord van Jezus, hoe bitter en diep de haat en vijandschap tegen Gods eere zit ingeweven in het weefsel onzer zonde.

Neen, van nature gaat niemand ten hemel in.

Niemand door de enge poorte, maar ook niemand ter bruiloft op.

Of ge het hard, dan of ge het lieflijk voorstelt, ons boos hart laat zich niet van de wijs brengen, maar weigert en slaat de verzenen tegen de prikkelen, en wil wel het kwade, maar wil het goede en wat Gode welgevallig is niet.

Omgezet, omgezet, omgezet moet eerst dat hart van binnen worden.

En anders, al beitelt ge ook het Soli Deo gloria in den gevel uwer woning uit, dan is dien Koning te krenken u nog altoos liever van nature, dan dat ge zijn glorie verhoogen zoudt.

VIJFTIENDE ZONDAG.

„GRIJP NAAR HET EEUWIGE LEVEN!”

Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.

I Tim. 6:12.

„Grijp naar het eeuwige leven,” wordt niet den afgedoolde, maar den wedergeborene toegeroepen.

„Gij, o, mensch Gods!” roept de heilige apostel uit, „vlied de aardsche, jaag naar de hemelsche dingen; strijd den goeden strijd des geloofs; en grijp naar het eeuwige leven!”

Een zondaar kan daar niet naar grijpen. Hem is de hand verlamd. Stram, stijf, bewegingloos en tot alle beweging onbekwaam hangt ze hem neder. En ook al kon hij de hand uitstrekken, hij zou dat heerlijke leven met zijn booze hand veel liever wegslaan, dan dat hij er naar grijpen zou.

Ge grijpt naar wat uw oog boeit en uw lust prikkelt, en dat „eeuwige leven”, neen, dat boeit, dat prikkelt den verdoolde niet. Kind der wereld, heeft hij een heel ander leven, waar zijn oog en zijn ziel naar uitgaat. Dáar grijpt hij elken morgen en elken avond naar. In dàt leven is al het begeeren zijner ziel.

Maar de man, die bekeerd wierd, staat er, sinds hij bekeerd wierd, anders bij.

Hem is de stramme hand en de stijve arm lenig geworden. Hem wierd uit genade het geloof ingeplant. En nu is dit geloof hem als de hand, waarmeê genade voor genade moet aangenomen. Hij kan, hij moet grijpen.

En nu tot hém gaat daarom het apostolisch roepen uit: „Grijp, o, mensch Gods! grijp naar het eeuwige leven!”

De heilige apostel wil leven in Gods kinderen zien.

Het is schriklijk om te aanschouwen, zooals allerwegen ook bij de kinderen Gods de handen slap hangen en de knieën traaglijk ineenknikken.

Dat de verachters van Gods gebod niet talen naar de heerlijkheden van de genieting zijner gemeenschap, dat verstaat hij; maar dat Gods kinderen soms zoo lusteloos, zoo levenloos, zoo doodsch, zoo zonder besef of aandoening voor het eeuwige leven er bij kunnen staan, dat baart den heiligen apostel kommer en bezorgdheid. En nu hij zelfs een man als Timotheus op zulke slapheden betrapt, nu grijpt hij Timotheus aan, dien treffelijken, dien godvruchtigen, maar, helaas, geestelijk te zeer ingezonken man, en prikkelt hem met zijn woord, en jaagt hem op uit zijn valsche ruste, en roept hem toe: Neen, Timotheus! niet in dat suffend insluimeren uwer ziel is de verheerlijking van Gods heiligen naam; veeleer moet er gejaagd, moet er gestreden, moet er gegrepen worden. Niet loom en traag moet ge achter de gerechtigheid na komen kruipen; neen, ge moet jagen naar gerechtigheid, naar godzaligheid, naar geloof, naar liefde, naar lijdzaamheid en naar zachtmoedigheid. Niet een stil en rustig geweten moet u uw geloof zijn, maar éen altoosdurende strijd. „Strijd den goeden strijd des geloofs.” En zoo ook het eeuwige leven, dat moet ge niet maar inwachten als iets, dat, na uw sterven, vanzelf u wel om Christus' wil zal toekomen, maar ge moet er de hand des geloofs naar uitstrekken; ge moet er naar grijpen; grijpen, alsof elke dag u te veel en te lang ware, die u nog van dat eeuwige, dat heerlijke, dat volzalige leven scheidt.

Zie het aan Gods bloemen af, wat dit grijpen naar het eeuwige leven is.

Ook de aard en de natuur der bloemen is van God uitgedacht en van Hem geschapen, en voor ons, naar het Woord er ons in voorgaat, vol van leering.

En wat ziet ge nu?

Maar immers, dat die bloem buiten het licht niets is en zelfs geen tint of kleur heeft. En dat die bloem niets is buiten de koestering der zon, want in de koude verschrompelt haar blad; en geen geur ademt ze u tegen. Hulpeloozer, armer, naakter dan die schijnbaar zoo rijke, geurige bloem is er niet. Neem de lucht en het licht en de warmte en den dauw weg, en niets dan verdorring en verflensing blijft aan den stengel.

Niets uit zich, alles van buiten zich, is voor het leven van de bloem de wet van Gods heerlijke schepping.

Maar juist nu omdat de bloem niets uit zichzelf is, zie eens, hoe ze naar het licht en naar de warmte en naar de dauwdroppen als grijpt.

Soms dacht ge, dat die bloem onbeweeglijk was, omdat ze haar levensvoedsel niet najaagt als de bij of vlinder.

En toch, neen, onbeweeglijk is ze niet.

Keer haar slechts om en zet haar ver van het licht en ver van de zon en van den dauw af, en zie eens, hoe ze zich straks wenden gaat, om haar knop en blad en spriet toch maar weer naar het licht en naar den dauw uit te strekken.

o, Wandel maar in Gods schepping om, en ge ziet het immers allerwegen, al die planten, al die bloemen, ze strekken zich uit en ze grijpen naar het licht, ze grijpen naar de koestering der warmte, ze ontsluiten zich om den dauw in te drinken.

In dat licht is voor de bloem het leven, en naar dat leven grijpt de bloem met al de uitstrekking en de inspanning harer vezelen.

Laat, als het grijpen van die bloem naar het licht, dan ook uw grijpen, o, kinderen Gods! naar het eeuwige leven zijn!

Een plant, die verflenst ter aarde neerligt, als haar het zonlicht beschijnt, is in kwaden staat; en de tuinman, die dit ziet, brengt aanstonds water bij, om haar blad en haar wortel te besproeien, dat haar stengel zich weer moge opbuigen, en haar bloemknop zich weer moge opheffen in het licht.

En zoo is ook uw zielsgesteldheid voor uw God niet goed, als elken morgen weer de goedertierenheid des Heeren nieuw over u is, en elken middag weer de Zonne der gerechtigheid in de Kerke Gods opgaat, en gij, met uw zaad, in die Kerke wel geplant staat, maar nochtans uw ziele niet opheft tot den God der goden, en uw stengels over de aarde laat kruipen, en uw bloesem voor die Zonne, die in Christus is, verbergt.

Dat grenst aan levenloosheid; dat nadert de verdorring en de verflensing der ziele.

Zoo mag en moet een door God zelf geplante bloem in zijn heerlijken hof niet wezen.

Opgericht moeten de stengelen van uw leven; de bloemknop uwer ziel moet zich weer naar God toekeeren; als uitstrekken naar den Eeuwige moet zich elk blad en elke vezel, die aan heel uw ziele is; en zoo moet heel uw persoon en heel uw aanzijn éen grijpen naar dat eeuwige zijn, dat de wereld u niet kan geven, maar dat, als met gouden stralen, elken morgen en elken avond uitstroomt uit den Immanuel Gods als in een zee van genade en majesteit en licht.

Gegrepen moet naar dat eeuwige leven, niet als hadden we iets om het te verwerven, maar juist omdat we niets, niets in onszelven zijn; en de bloem onzer ziel moet verdorren, zoodra we het licht van de Zonne onzer gerechtigheid derven.

Zooals ge, wanneer de lucht weggaat, en het benauwd wordt, niet maar zitten blijft en denkt: „Nu, straks zal er wel weer lucht komen,” maar voelt, dat ge zonder lucht stikken moet, en daarom vanzelf opstaat, en den hals uitstrekt zoo ver ge kunt, om buiten uit die heerlijke lucht levenslucht in te drinken, zoo ook moet heel uw ziel snakken en grijpen naar dien eeuwig Heerlijke, in wien al de lucht om te ademen en het licht om te leven voor uw ziel is.

Het sterkst moet dat „grijpen naar het eeuwige leven” in uw gebed zijn.

Een opendoen van den mond der ziel, om weer licht en liefde en leven uit den Immanuel in te drinken; om met uw ziel weer bij te komen. „Zend, Heer! uw licht en waarheid neder, en breng mij zoo weder tot uw gewijde tente!”

Maar toch bij dat eigenlijke gebed mag uw „grijpen naar het eeuwige leven” niet staan blijven.

Veeleer moet dat „grijpen naar het eeuwige leven” iets biddends aan ál uw doen, aan heel uw aanzijn, aan gansch uw persoonlijkheid geven.

„Bidden zonder ophouden,” zooals ge ook onophoudelijk en vanzelf weer telkens lucht inademt, om de borst vrij en onbeklemd te voelen.

En zoo dan ook hier, een grijpen naar het eeuwige leven, met een dorsten der ziel, dat werkt, ook als ge het zelf niet bespeurt.

Een bidden: „Kom, Heere Jezus!” en altoos Hem, den Eenige, van noode hebben.

Niet meer buiten Hem kunnen!

En daarom met heel uw ziel een altoos grijpen naar die hoogere wereld, waar Hij is, uit Wien alle zegen en alle genade tot u komt.

ZESTIENDE ZONDAG.

„IN HEILIGE SIERADIËN.”

Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht, in heilige sieradiën; uit de baarmoeder des dageraads zal u de dauw uwer jeugd zijn.

Psalm 110:3.

's Heeren volk is een heirschare voor Immanuel; vergaderd en bestemd om Immanuels strijden te strijden.

Hoor maar wat Jehova in Psalm 110 tot zijn Uitverkorene zegt: „Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht; in heilige sieradiën zal het als versch gesprenkelde dauw uit den schoot van den dageraad u toekomen.”

Als de nacht voorbij is gegaan, dan wordt de oosterkim purper, en uit dat morgenrood van den dageraad schieten de prachtige stralen den dampkring in. En grijpt afscheiding in de atmosfeer plaats. En met dat morgenrood worden duizenden en tienduizenden dauwdroppels op blad en bloem gesprenkeld, glanzend en glorend in de schittering van het morgenrood.

En zoo, zegt de Schrift, zal het ook voor Immanuel zijn, zoo dikwijls Hij opstaat om den nacht van leugen en zonde, om het rijk en de macht van Satan te bestrijden.

Ook dan zal voor hem aan de kim het morgenrood purperen, en uit dat purper van den dageraad zal zijn volk, in menigte als de dauwdroppels ontelbaar, Hem toevloeien, glanzend en glorend in het heilig sieraad, dat uit dat purper op hen geworpen wordt.

Een beeldspraak, voor wie ze indenkt, van onvergelijkelijke schoonheid.

Eenerzijds die heerschappij van den nacht van leugen en ongerechtigheid. Daartegenover opkomend de Zonne der gerechtigheid. En nu uit den purpergloed, die hierdoor geboren wordt, komen als tienduizenden dauwdroppen zoo ontelbaar en zoo schoon zijn geroepenen Hem tegen, en vormen om Hem als een machtig, onafzienbaar heir, dat in schitterenden dos zich opmaakt en aanbiedt, om onder Hem en met Hem en voor Hem op den dag zijner heirkracht te strijden.

Dien strijd strijdt Immanuel dag aan dag. Gisteren, heden, morgen. Die strijd gaat altoos door. En elken morgen, dat de dageraad weer aan de kimmen opgaat en de zon als een held haar stralen schiet, om in het bestemde veld den vijand te bestoken, gaat ook het hemelsch bazuingeschal van Gods engelen uit, om al zijn volk opnieuw ten strijde te roepen, ze te roepen tot den strijd, die ook dien dag door Jezus weer gestreden zal worden tegen het rijk van duisternis en zonde.

Trekt gij in dien strijd meê op? Voelt, weet, merkt ge, hoe in uw huis, bij uw arbeid, in elke ontmoeting, bij elke verleiding, die heilige strijd ook door u moet worden meêgestreden? En zijt ge in dien strijd een krijgsknecht, die willig optrekt? Immers, dát juist is een der kenteekenen: „Uw volk zal willig zijn op den dag uwer heirkracht.”

Het is geen heirleger, dat met de bajonet in den rug en het pistool op de keel in den slag moeten worden gedreven. Maar zooals de troepen van Gustaaf Wasa jubelend en God lovend ten strijde trokken, en Cromwells legerschaar knielde, eer ze den strijd aanvingen, en psalmzingend tegen den vijand optogen, zoo, en in nog veel hooger zin, is 's Heeren volk een willig volk, dat bezield, met geestdrift, en om eigen leven niet denkend, moedig en willig het zwaard uit de scheede trekt, en zijn goed en bloed veil heeft voor de banier van het Kruis.

„Gord, gord, o held!” roept dat leger zijn Veldheer dan toe, „het zwaard aan uwe zijde, en rijd heerlijk op het zuivere Woord der waarheid!” en als dat volk de banier van Jezus dan maar wuiven ziet, dan is het niet tegen te houden, dan moet het meê den slag in, en willig is het op elken dag van zijn heirkracht. Een corps van heilige Levieten, om den strijd des Heeren te strijden.

Maar ook dit is niet genoeg.

Reeds op aarde geldt bij elk leger de wet, dat, als de koning zelf aan het hoofd van zijn leger verschijnt, dat leger rijk en prachtig zal zijn uitgedost. Dan komt het in geen kazerneplunje, maar in paradetenu, gedost in zijn sieradiën.

En zoo nu wil de Heilige Geest in dezen psalm, dat ook het volk des Heeren voor zijn Koning zal uittrekken. Niet maar onafzienbaar in menigte, en willig ten strijde, maar ook in heilige sieradiën.

En nu, sieradiën, wie onder 's Heeren volk heeft die? Natuurlijk is bij dat geestelijk volk ook het stel sieradiën geestelijk. Daarom staat er bij: „heilige sieradiën.”

Dus is het niet genoeg, dat ge het zwaard in de hand houdt, en u dekt met het schild des geloofs, en uw hoofd voorzien hebt van den helm der zaligheid; neen, bij dat alles moeten nog de sieradiën komen, en er ontbreekt iets aan de eere, die Christus van u vraagt, zoo die heilige sieradiën niet aan u schitteren.

Nu zijn deze heilige sieradiën velerlei. Wat u sieren kan, is een rijke gave des gebeds. Is stille, deemoedige nederigheid. Is kalme, waarachtige ootmoed. Is zelfbedwang over alle korzelheid en kwaad humeur. Is teedere nauwgezetheid der conscientie. Is macht van het woord of zang, om den lof des Heeren te vertellen. Is dienende liefde. Is teedere deernis met wie lijdt. Is zoekende ontferming over wat verloren ging. Is de heilige kunst, om vrede te maken, waar vrede verstoord wierd. Is, om niet meer te noemen, stille dulding van eigen leed, een met geestdrift dragen van uw kruis, een roemen in de verdrukking.

Doch met wat naam ge den rijken overvloed van heilige sieradiën ook noemen wilt, ze zijn alle geestelijk. Glans door de opgaande Zonne der gerechtigheid in u als dauwdrop afgespiegeld. Heilige sieradiën voor Koning Jezus zijn nooit anders dan stralen uit zijn genade, die gij opvingt.

En nu komt in Psalm 110 de vraag aan u, welke heilige sieradiën u sieren, zoo dikwijls ge optrekt in den strijd uws Heeren op den dag zijner heirkracht.

En dan, helaas, wat ziet ge dan om u heen? Wat speurt ge dan telkens aan uzelven?

Dit immers, dat we voor sieraad telkens assche in dien strijd aanbrengen, en de wapenrusting, die de Heere ons toebetrouwt, eer ontsieren door onze bezoedeling.

Dit, dat zelfs de heiligsten onder ons het al veel en wel vinden, zoo ze althans optrekken, en zoo ze het zwaard voor Jezus kruisen, maar zich dan ook allerlei geklag veroorlooven over hun kruis en allerlei gejammer over de benauwdheden, die ze uitstaan.

Ja, om het kort te zeggen, dit, dat dit volk des Heeren al zeer zelfvoldaan en tevreden is, indien het niet maar boeleert met den vijand, en het schild des geloofs noch het zwaard des Woords wegwierp.

Maar dat Jezus om een volk in heilige sieradiën vraagt, wie bekommert er zich om? Wie denkt er aan?

Ja, er zijn enkelen, aan wie ge die sieradiën bespeurt, althans een enkel geestelijk sieraad.

Er zijn er, die gaarne vergeven. Er zijn er, die stil en in heilige blijdschap lijden. Er zijn er, die rijk zijn in ontferming en deernis. Er zijn wondere bidders en bidsters. Er zijn zielen, die van liefde overvloeien. Er zijn er, die machtig zijn in het vertellen van al den lof des Heeren.

Maar hoe klein is hun aantal!

o, Laat dat aantal toch meerder worden!

Laat wie éen sieraad heeft, bedenken, dat zijn Heere om een volk in heilige sieradiën vraagt.

Laat onder dat geestelijk versierde volk ook uw naam gekend worden.

En bovenal, zoo ge „heilig sieraad” aan uw ziel moogt ontdekken, o, mijn broeder, mijn zuster! verzondig dat sieraad niet, door u op dat sieraad, als ware het door u zelf gewrocht, te verheffen.

Alle heilig sieraad is nooit anders dan glans, die afstraalt uit Hem!

ZEVENTIENDE ZONDAG.

„MET ONGEDEKTEN AANGEZICHTE.”

Doch zoo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen.

II Cor. 3:16.

Het licht zelf kunnen we niet zien dan door het licht. Als het licht zich niet zelf openbaart, toont, tot u komt en in uw oogvlies dringt, merkt gij niet eens noch weet, dat er licht is.

En daarop nu ziende, roept de Psalmist uit: „Heere! bij U is de fontein des levens, in uw licht zien wij het licht;” wat kennelijk niet gezegd is van het stoffelijk licht der zon, maar van het geestelijk licht, dat van God uitstraalt.

Prent u dit diep in.

Als God de Heere niet zoo barmhartig in nederbuigende goedheid was geweest, om zich aan zijn creatuur te openbaren, zou het nietig schepsel niet eenmaal merken noch weten, dat er een God was. En waar God de Heere den mensch al van nature een besef van zijn heilig en Goddelijk bestaan had ingeplant, daar is door de zonde dit besef derwijs verzwakt en verflauwd, dat er den boozen zondaar weinig anders uit toekomt dan de wetenschap, dat hij in de hand en in de macht van een vreeslijk Wezen is, waar hij tegen mort, bitter tegen inworstelt en tegen vloekt, om zijn macht te verfoeien.

o, Als God de Heere u met uw zondig wezen aan uzelven had overgelaten, hoe duivelsch zou ook uw hart niet tegenover uw God staan!

Neen, zeg niet: Dan zou ik als een heiden wezen; want ook over de heidenwereld waakt nog een algemeene genade, en velerlei is de barmhartigheid, waarmeê onze God ook bij de heidenen nog het volle doorbreken van de ongerechtigheid tegenhoudt.

Veel erger dan een heiden zoudt ge er aan toe zijn.

Stikdonkere nacht en duisternis zou zich om u saampersen. En in die duisternis zoudt ge zonder éen straal van vriendelijk, Goddelijk licht, uzelven voelen als de prooi van een u onbekende macht, die u omklemd hield; en zonder iets van uw God te weten, zoudt ge in bittere, satanische vijandschap worstelen tegen uw God in.

Daarom is zijn Openbaring zulk een heilschat. Zijn Woord zulk een onuitsprekelijke rijkdom. Zijn spreken tot den zondaar zulk een daad van nederbuigende ontferming.

Maar toch, zonder meer baatte dit nog niet.

Want Sinaï toont u, wat de uitstraling van het licht van 's Heeren heerlijkheid voor een zondaar wordt, als God hem niets geeft dan dat licht.

Dan kan het zwakke, schier blinde oog dien lichtglans niet verdragen. Dan sluit zich het oog bij het instralen van dien lichtglans eerst recht geheel en bijna hermetisch toe. Dan verschrikt u dat licht en ontzet u, en komt u, als het volk bij Mozes, de bede op de lippen: „Och, dat de Heere dien lichtglans van ons nam en voor ons aangezicht bedekte!”

Zoo diep ontvielen en ontzonken we aan onzen eersten luister. In donkeren schemer nemen we nog zekere zwevende gestalte waar, maar als het Goddelijk licht in al den glans zijner heiligheid en gerechtigheid over ons opgaat, dan zien we niets meer, en heeft dit licht geen ontsluitende, maar toesluitende werking.

Dan voleindt juist dat licht onze volkomene zelfverblinding.

Ja, om ons voor die majesteit van het licht van 's Heeren gerechtigheid te verbergen, omhullen we dan ons aangezicht nog en dekken ons oog toe, opdat toch door het dunne en doorschijnende ooglid geen straal van 's Heeren glans tot ons doordringe en het netvlies van ons oog pijn doe.

Dan kruipen en sluipen we weg voor den verblindenden glans zijner majesteit en in de klove van den rotssteen zoeken we behoudenis, of in de holen verberging voor dien gloed.

En toch, ook over die verschrikking triomfeert de genade.

God heeft een Middelaar voor u besteld, en in Hem „een verberging tegen den wind, een schuilplaats tegen den vloed, en als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.”

En komt dan die schaduw over u, dat de glinstering getemperd wordt, en het licht zachter, dan wijkt iets van den angst en neemt de pijnlijke prikkeling op het netvlies van uw oog af, en ge haalt weer eenigszins adem.

Gevonden in Hem, o, dan is er koelheid voor gloed, die verzengde; frissche levensadem voor den verzengenden glans, die u doodde.

En dan gaat de genade voort en verder.

Ook in u persoonlijk moet het wonder gewrocht. Uw oog, dat krank wierd, moet genezen. Uw geestelijk gezichtsvermogen, dat schier geheel wegging en in duisternis verkeerde, moet hersteld. En nu begint die inwendige bewerking, waardoor een almachtig God een Amen op de bede geeft: „Open mijn oogen, opdat ik aanschouwe de wonderen van uw wet!”

Tegen die wet in, die de oogen dichtknijpt en dichtklemt door den gloed der gerechtigheid, opent ondoorgrondelijke ontferming dan het oog door het tusschenbeide treden van Immanuel.

Zoo wordt het zielsoog anders dan het was.

Het houdt op te zien, wat het zag, en het ziet, wat het eerst niet merkte.

Het was gezwollen, dik geworden, en verhard, en zie, nu wordt het teeder en lenig gemaakt. Er komt natuurlijke gezonde werking, en door het deksel heen, dat ge uzelven voor het oog hadt gehangen, bespeurt ge reeds iets van een licht, dat u boeien kan, een licht, dat ook over uw ziel opging, een licht zoo aanlokkelijk en zoo schoon.

Waartoe dan nog die deksels der zelfaanklacht u over het aangezicht geworpen?

Immers, de stemme is gehoord: „Verlos hem, Vader, want Ik heb verzoening voor hem gevonden,” en zoo ontkiemt de eerste liefde; die liefde wekt het kinderlijk vertrouwen; en de oorzaak, om nog langer met gedekten aangezichte en van God afgekeerd te staan, viel weg.

Dat merkt uw Heiland dan. In de ure der minne neemt Hij dan zelf met zachte hand u dat deksel van het aangezicht. En nu met ongedekten aangezichte in den glans eener eeuwige liefde staande, staart en tuurt ge verwonderd in dien spiegel van het Woord, waarin de heerlijkheden van uw God u getoond worden.

Zoo wierd uw oog sterker om te zien; zoo wierd het deksel van het aangezicht genomen; en zoo straalde in het nu ongedekte oog zacht en lieflijk bij Geesteslicht u het deugdenbeeld van Gods heerlijkheden tegen, dat in zijn heilig Woord ligt uitgestraald.

Is het dan niet vreeslijk, dat zoo menig kind van God straks toch, na deze liefde genoten te hebben, het oude omhulsel weer opzoekt, om toch weer in moedwil dat deksel over het geestelijk aangezicht te trekken, en in duisternis te gaan afdolen van zijn God?

o, Als de liefde in dien God niet overwinnend was, en niet was aangelegd op zeer boozen zin in het te redden schepsel, hoe zou er ooit volharden der heiligen kunnen zijn?

Maar de Heere Heere laat niet los.

En zóo dikwijls kunt gij in uw schuldigen overmoed en geloofloosheid uw aangezicht niet weer verbergen achter uw hullen en deksels, of altoos weer zal, na korter of langer tijd, de vriendelijke hand van Immanuel u dat omhulsel en omwindsel van het aangezicht afnemen, en u, als een Petrus, bij dat afnemen van het deksel in het beschaamde oog staren, om u weer en telkens weer te vragen: „Simon, Jona's zoon! hebt gij Mij lief?”

o, Leg dan toch af allen last der zonde, die u zoo lichtelijk omringt, en helpt toch in uw omgeving, in uw huis en onder uw broederen dat toedekken van het aangezicht tegengaan.

Doe dat de prediking des Woords in de gemeente. Doe dat de zoekende liefde bij den „verloren zoon”, die liefde gekend heeft, maar verre van zijn Vader vluchtte. Doe dat de vriend bij den vriend, de zuster bij de zuster, de oudere bij den jongere. En laat een iegelijk alzoo medearbeider met Christus aan anderer geestelijke blijdschap zijn.

Want blijdschap, hemelsche blijdschap, en onuitsprekelijke vreugde, dát is het, wat uw hart doortintelt, als het omwindsel weer vallen mag, en ge met ongedekten aangezichte u weer verkwikken moogt in de aanschouwing van het deugdenbeeld uws Gods.

ACHTTIENDE ZONDAG.

„IK ZAL U GEEN WEEZEN LATEN.”

Ik zal u geen weezen laten; Ik kom weder tot u.

Joh. 14:18.

Een wees is een beroofd kind. Bij een kind hoort een vader en bij een kind hoort een moeder. En als nu een dier twee of beiden saam aan het kind ontnomen worden, dan is er een harde breuke in dat kinderleven geslagen. Want, hoe zal het nog kind zijn, als het niet meer staren kan in het trouwe vaderoog, of zijn lieve moeder niet meer met teedere kinderliefde aan den hals kan hangen?

Daarom is wees te zijn zoo hard, zoo bang, zoo wreed, en kan God de Heere dáarom alleen kinderen tot weezen maken, omdat Hijzelf dan in de plaats treedt en Vader van het weeskind wezen wil.

Vandaar dat het zoo onvergeeflijk is, om een weeskind niet tot zijn „Vader in de hemelen” op te leiden, en zoo getuigend tegen een kind, dat wees wierd, als het dien „Vader in de hemelen” niet zoekt.

En nu, veel meer dan vader en moeder saam was Jezus voor zijn lieve jongeren op aarde geweest. Hun éen en alles. Die zalige Leidsman, om wiens wil ze huis en hof, kring en beroep, om wien ze vader en moeder verlaten hadden.

En dat wilde Jezus zelf; want Hij zei het hun: „Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.”

Dat was diep in het hart der jongeren ingezonken. En niet gekunsteld, maar als bij heilig instinct hadden ze al de liefde van hun hart op hun trouwen en heerlijken Meester overgebracht.

Ze hingen aan Hem. Hij vervulde hun gedachtenwereld. Hij, was de eerste in de wereld van hun hart.

Zonder Hem konden ze zichzelven niet meer denken.

En toch, nu merken ze het wel, Hij gaat weg. Het kan, het zal niet blijven bij dat zalig omwandelen, bij dien dagelijkschen, zielverkwikkenden omgang.

De ure komt en spoedt aan, dat al dit schoone en zalige uit heeft.

En wat zullen ze dan?

Hoe leeg, hoe verlaten zullen ze daar dan samen staan! Met wat vragende oogen zullen ze elkander dan aanzien! Wat eindeloos ledig zal dan hun hart benauwen! Wat heimwee naar den Eenige, die wegging, zal dan sluipen om hun ziel!

Die gedachte ontroert hen dan ook ontzettend. En Jezus merkt die onrust, die hun gemoed vervult, en roept het hun daarom zoo vrede-ademend toe: „Uw hart, mijn jongeren! worde niet ontroerd. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij!...”

Wat was, wat beduidde dat?

Ook in Hem gelooven!

Maar deden ze dat dan niet?

Doch hoor, daar ontraadselt de Heere hun dat geheimzinnig woord. Het is het bange voorgevoel van als weezen verlaten in de wereld te staan, dat u die onrust in de ziel stort. Nu dan, ziehier het woord mijner vertroosting: „Ik zal u geen weezen laten. Ik kom weder tot u!”

En natuurlijk, een bespotting van hun vreeze zou dat geweest zijn, als Jezus hiermeê alleen bedoeld had: Straks na mijn opstanding verschijn Ik u weder!

Want immers, hoe karig toegemeten waren niet de uren, waarin Hij die veertig dagen hun zijn bijzijn schonk. Verschijningen, die ge tellen kunt. Die het tiental niet overschrijden. En soms in enkele oogenblikken voorbij zijn.

Neen, neen, dat kon Jezus niet op het oog hebben, toen Hij sprak van hen geen weezen te laten.

Want als het dáarop alleen gedoeld had, hoe bitter moest dan de teleurstelling niet zijn, die terstond daarop volgde, toen Hij weer wegging, nu van den Olijfberg, om hen voor altoos, tot aan het einde hunner aardsche dagen, te berooven van zijn zalig bijzijn.

Er lag dus iets meer, iets diepers in.

Toen Hij in Gethsémané van hen scheidde en straks op Golgotha zijn geest in 's Vaders hand beval, kwam het tusschen Jezus en zijn jongeren tot een breuke.

Toen was Hij gestorven. Toen waren ze beroofd en verlaten. Toen hadden ze niets meer aan Hem, dan de zoete, maar nu bitter geworden heugenis van wat Hij die drie jaren voor hen was.

Zoo wierden ze waarlijk als weezen, nu Hij weg was, die hun meer dan vader en moeder saam was geweest.

Maar nu, bij zijn opvaart ten hemel, is dit alles heel anders.

Ook nu is er wel een afbreken van den omgang, waaraan ze gewend waren; maar kwam er voor in de plaats een andere, nog rijkere omgang met hun Heere, die zelfs door hun dood niet zou worden afgebroken.

Nu zonk Hij niet machteloos weg in het graf, maar voer Hij glorierijk op ten hemel.

Nu stierf Hij niet, maar bleef Hij leven.

Nu verduisterde de kroon zijner majesteit niet, maar gloorde die op.

En nu ontsloot zich dan ook dat wondere mysterie van een Christus, die in de hemelen in glorie verhoogd is, en die toch van uit den hemel in gemeenschap met de zijnen blijft; gedurig in hun midden verkeert; woning in hun hart maakt; en door zijn majesteit, genade en Geest hun telkens zijn zalige nabijheid doet ervaren.

Reeds een kind, dat zijn aardschen vader niet verloor, maar, op verren afstand van hem gescheiden, in gaande en keerende brieven van hart tot hart met zijn vader kan blijven spreken, heeft geen gevoel van wees zijn.

En hoe zou dan het bang gevoel van wees te zijn in de ziel dier jongeren hebben kunnen stand houden, toen Jezus wel weg was, maar toch nabij; toen er een zalige gemeenschap met dien Heere in de hemelen voor hun hart was ontsloten; en zij wisten, dat zij tot Jezus spraken en Hij hen hoorde; en heerlijk merkten in hun hart, dat het antwoord en meer dan het antwoord uit dien hemel van hun Jezus terugkwam.

Hoor dan ook Paulus maar jubelen: Eerst heb ik Jezus naar het vleesch gekend, maar nu ken ik Hem niet meer naar het vleesch. Nu is er veel zaliger en veel hooger gemeenschap. Levende liefdegemeenschap met mijn Heere en mijn Goël in den geest.

Toch zijn er nog, o, zooveel discipelen en discipelinnen des Heeren, die hier bijna niets van verstaan, en eigenlijk als beroofde weezen op aarde voortkruipen tot aan hun dood.

Ze hooren wel van Jezus. Ze gelooven wel in Jezus. Ze hebben Jezus wel lief. Ook belijden ze wel, dat aan Jezus als den eenig Dierbare al hun hope hangt. Maar... de genieting hiervan stellen ze uit tot na hun sterven. Dán zullen ze gemeenschap met Hem oefenen.

Maar nu, hier op aarde, in hun verlatenheid, temidden van hun heimwee, nog niet.

Deze zijn vrijwillige weezen, die het niet hoefden te zijn en die het niet mogen blijven.

Want immers, wat is dat eigenwillig wees zijn anders dan een moedwillig afsnijden van de zalige gemeenschap, die een kind van God hier op aarde reeds met zijn Heiland in den geest genieten kan?

o, Ons Christelijk leven wordt zoo dor en mat, als de glans van die hoogere liefde er niet instraalt.

Nog altoos leeft de Christus. Nog steeds wil Hij dezelfde voor ons wezen, die Hij voor zijn jongeren na zijn hemelvaart was.

Nog altoos wil Hij wonen onder ons menschen. Waar twee of drie in zijn naam samenkomen, wil Hij in hun midden zijn.

De gemeenschap is en blijft ontsloten. In de gemeenschap der liefde en der gebeden van u naar uw Heiland. En in de gemeenschap der zalige toespraak en der rijkste genade van uw Heiland naar u.

Eens was die zalige, zoete gemeenschap met den éenig Dierbare de weelde en de bron van kracht voor heel de Kerk des Heeren. Door die kracht heeft ze gebloeid. In die kracht haar wonderen gedaan.

En ook nu, neen, de kracht der toekomende eeuw kan en zal in Jezus' Kerk niet weer bloeien, of dit gemeenschapsleven met den Heiland moet Gods kinderen de ziel weer koesteren.

Nog vermoogt ge alle dingen, o, Kerk van Christus! maar alleen door Hem, die u kracht geeft.

NEGENTIENDE ZONDAG.

„ABBA, VADER!”

Want gij hebt niet ontvangen den geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader!

Rom. 8:15.

Augustinus en Calvijn beleden in het dubbele zeggen, eerst van Abba en daarna van Vader, de catholiciteit der wereldkerk, als een kerk voor Christenen uit de Joden en Christenen uit de heidenen.

Als de Jood zich tot den Heere bekeert, roept hij: Abba! Als de Griek zich tot den Heere wendde, riep hij: Vader! (Pater),—en in de saamvoeging van deze beide nu, in dat roepen van „Abba, Vader!” klonk voor Augustinus' en Calvijns zielsoor het schoonst akkoord van aanbidding van den Eeuwige uit de taal der Hebreeuwen en de taal der heidenen gemengd.

Of er in deze gissing waarheid schuilt, beslissen we niet. Wie zal zulks met zekerheid uitmaken? Maar wel staat vast, dat, ook zonder deze gissing, de hoofdgedachte juist is: „Abba, lieve Vader!” is het gebed der kerk eerst geworden na den Pinksterdag, toen ze uitbrak onder alle volkeren.

Noch uit het Paradijs, noch uit de kerk in de Arke, noch van de kerk der Patriarchen, noch van de kerk onder Israel wordt ons de aanroeping met het „Abba, Vader!” gemeld.

Wel is het onwaar, dat eerst in het Nieuwe Verbond de rijke openbaring, dat God de Heere onze Vader in de hemelen is, zou voorkomen. Immers reeds bij Jeremia zegt de Heere: „Ik ben Israel tot een Vader!” (31:2). Bij Maleachi vraagt Hij: „Ben Ik dan een Vader, waar is mijn eere?” (1:6). En komt meer dan eens de toespraak en de betuiging voor: „Heere! Gij zijt onze Vader!” (Job 34:36, Ps. 89:27, Jes. 63:16; 64:8 enz.)

Maar toch loopt hier naast een profetie van een ander „Abba, Vader!” roepen, waarvan het bij Jeremia heet: „Gij zult tot Mij roepen: „Mijn Vader!”” (Jeremia 3:19), en het is eerst door de aanneming tot kinderen, dat dit volle, rijke, zielsinnige „Abba, Vader!” uit de diepste roerselen onzer ziele naar den hooge opklimt.

Zulk een „Abba, Vader!” is een dringen en persen in u van de werking van den Heiligen Geest.

Als ge eerst bekend hebt, dat uw innerlijk wezen door een geest van dienstbaarheid tot vreeze geprikkeld wierd; en ge hebt al den angst en den schrik van die vreeze door uwe ziel voelen scheuren; en ge hebt in uw nood en dood de wet aangegrepen; en in die wet uw pas versneld, om door dienen, door meer en beter doen, door steeds harder werken en sterker arbeiden in het zweet uwer ziele een eind van die vreeze te vinden, maar zonder dat dat einde ooit kwam; en er is dan uit louter genade, geheel buiten uw toedoen, niet uit u, maar uit den hooge, in u gedaald en in u uitgestort een geheel andere geest, de Heilige Geest, en die Geest heeft u innerlijk vervuld en heeft licht en glans in de donkerheid van uw gemoed ontstoken, dat opeens alle bangheid weggleed en alle angst van u wierd genomen, en een onuitsprekelijk blij en zalig gevoel van vrijmaking en verlossing, ja, van een uitleiding uit het diensthuis over uw hart sloop, dan ja, maar ook dan eerst en dan alleen, is het die Geest der wederaanneming tot een kind van God geweest, die u dat „Abba, Vader!” leerde bidden!

Geesteswerk, niet uw werk, is dat „Abba, Vader!”; want om een klank, om een woord, om een term is het hier niet te doen.

Die twee woorden uitspreken, kan een ieder wel. Ook een onbekeerde en een spotter zelfs kunnen evengoed dat Abba en dat Vader over de lippen brengen.

Maar dan is het daarom het „Abba, lieve Vader!” nog niet!

Dat wordt het eerst dán, als er de kindertoon in spreekt en de kinderlijke teederheid in te beluisteren valt, en de kinderlijke liefde er in vloeit.

En om zoo in het oor van den Eeuwige te klinken, moet dat „Abba, Vader!” opklimmen uit de diepten van een hart, dat zich kind voelt en kind weet, en in dat Goddelijk kindschap onuitsprekelijk zalig is.

Niet maar kind in eere, en kind in het kinderrecht, maar kind van God, geboren uit den Vader, der Goddelijke natuur zich deelachtig te weten, en dan, tegen alle schuld en tegen alle zonde in, een vast en zeker getuigenis in de ziel te dragen: „Zijn kind en Hij mijn lieve Vader!” en dan uit dat ondoorgrondelijk rijke besef te roepen, te jubelen, te zingen, dat alle duivelen en engelen het hooren,—neen, dát kan de wereld niet, dat doet geen onwedergeborene, dat is eeniglijk het heilig voorrecht van de kinderen des Koninkrijks, die in het Koninkrijk van den Zoon der liefde zijn overgezet.

En daarom moet daarbij de Heilige Geest in u werken.

Want immers, ge staat nog in het vleesch; ge draagt nog aan u het lichaam des doods; ge hebt nog in u de vuile bron van ongerechtigheden, en als dan toch uit den kelder en uit de diepte van datzelfde hart aan de eene zijde de zonde giert en prikkelt, en daarnaast komt een stemme in u op, die ge in stille aanbidding met het „Abba, Vader!” vertolkt, vanwaar anders wil die stem dan in u gedrongen zijn, zoo het niet is door den Heiligen Geest?

Ja, er is meer nog.

Als een kind alleen is, en vader is er niet bij, en het roept in zijn eenzaamheid naar zijn vader, dan is dat nog heel iets anders, dan als het zijn vader zelf eindelijk weervond, en nu dien vader zijner liefde in het diepe oog turend en hem aan het hart vallend, met diep geroerde stem uitroept: „Mijn vader, lieve vader!”

En zoo ook is het hier.

Of ge al aan God denkt, en van zijn liefde overtuigd zijt, en dan bij uzelven dat „Abba, Vader!” uitspreekt, neen, dat is nog het echte, diepe, zielroerende, hartaangrijpende „Abba, Vader!” niet.

Om daartoe te komen, moet gij bij Hem en Hij u nabij zijn; moet ge in Immanuel zijn aangezicht hebben gezocht, en door de toeleiding des geloofs zijn vertroostend aangezicht hebben gevonden.

En dan eerst, als ge, in aanbidding voor dat Eeuwige Wezen verzonken, uzelven in Christus besloten voelt, en nu als uit den Christus opwaakt voor het oog des volzaligen Gods, en nu, als onder de beademing zijner lippen, dat vaderhart in het Eeuwige Wezen ook voor u hoort, ja, voelt kloppen, dan eerst is het kind van zijn Vader gevonden, en de Vader gevonden van zijn kind, en rijst het „Abba, lieve Vader!” uit in de diepste roering van het hart.

Dat kunt ge dan ook niet elken dag. Dat kunt ge niet elk oogenblik herhalen. Dat zijn hoogtepunten van het zieleleven, die slechts nu en dan worden gegund. Dat is uw opklimmen op Nebo.

Maar toch, onbekend mogen die zaligheden aan Gods kinderen niet zijn.

Eer integendeel hebben we ons hart te veroordeelen, als het anders met ons is; en te betreuren onze inzinking en den lagen stand der wateren in onze ziel, als het tot die innigheid en tot die gevoelvolle kinderbede niet kan doordringen.

En daarom maant en prikkelt het Woord en de Geest ons telkens opnieuw, om toch naar dat hoogste te grijpen, en niet te rusten, eer het met onze ziel weer tot dat zalige gekomen is.

Gekomen. Niet met een opwinding des gevoels, of met een prikkeling der zenuwen.

Dat nut niets voor den Heere.

De ware aanbidding is niet luidruchtig, maar maakt stil; windt niet op, maar doorstroomt ons met heilige kalmte.

En de eisch, die ook thans tot uw ziel en tot de mijne komt, is maar, om zoo onzen weg aan te stellen, en zoo rusteloos door den Middelaar tot de gemeenschap van het Eeuwige Wezen door te dringen, tot onze ziele het weer beluisteren mag: „Gij zijt mijn kind, gij zijt mijn uitverkorene!” en dat het als een echo onzer ziel op die stemme weerklinkt: „Abba, Vader!”

TWINTIGSTE ZONDAG.

„HEM ALLEEN DIENEN!”

Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, Satan! want er staat geschreven: Den Heere, uwen God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.

Matth. 4:10.

Elken morgen, dat het licht over ons verrijst, ligt er een taak voor onze rekening, die God wil, dat we dien dag zullen afwerken. Zoo is er een taak, die ge af te werken hebt voor elke week. Een taak, die u op wordt gelegd voor elke maand. En zoo ook een taak, die wacht op volbrenging bij elk nieuw jaar, dat ge intreedt.

Ook dit jaar gingen we weer in, om te werken.

We zijn geen heeren en vrouwen, die op onze eigen gelegenheid in deze wereld bestaan; maar we zijn knechten en dienstmaagden, in dienst bij den Heere onzen God.

Hij is onze Heere, en wij zijn er voor, om door Hem gebruikt te worden, en om voor ons klein en schijnbaar nietig deel mede te arbeiden aan de groote en ontzaglijke taak, die onze Heere in dit zijn groot en machtig huis, van den aanvang der eeuwen tot aan het einde, wil volbracht zien.

Ge mist dus elk recht, om ook dit jaar in te treden met de gedachte in het hart, dat ge nu eens overleggen zult, wat ge zelf wel zoudt verlangen te doen. Wie zoo staat, staat verkeerd, en zulkeen brengt het nooit tot een goed einde.

Neen, uw stand is de stand van dienstknecht en dienstmaagd des Allerhoogsten, wier oog op de hand van hun Heere moet zijn, en die dit jaar met geen anderen zin of toeleg mogen intreden, dan om dien grooten en machtigen Heere te dienen in alles, te dienen al den dag en al den nacht, te dienen van den eersten dag des jaars tot aan zijn einde.

In alles voor Hem; nooit anders dan voor Hem; vaardig passend op het woord, dat uit zijn mond uitgaat.

Gelijk de engelen in den hemel zijn, zoo wij op aarde.

En daarom dagelijks de bede op de lippen: „Uw wil worde door ons op aarde volbracht, gelijk in den hemel door uw cherubs en serafijnen!”

„Godsdienst” was een schoon woord; maar het is door misbruik een jammerlijk woord geworden.

Want „godsdienst” wil dan zeggen: Ik heb een leven in de wereld, ik heb een leven voor mijn denken, ik heb een leven voor mijn gemoed, een leven in mijn gezin, en dan ook nog een leven van kerkelijken aard, en dat is mijn godsdienst.

Godsdienst heet het dan, als men bidt; godsdienst, als ik Gode lofzing; godsdienst, als ik gelofte betaal; en godsdienst, als ik mij onder Woord en Sacrement schik; maar wat daarbenevens en daarachter in mijn leven en mijn hart ligt, dat mag alles zijn wat het wil, maar eigenlijk godsdienst is dat niet.

Om dien valschen zin van dit mishandeld woord niet voort te planten, spraken onze vaderen daarom meer van religie voor wat thans de groote menigte haar „godsdienst” noemt; en gebruikten het denkbeeld van God te dienen voor den dienst des Heeren op alle pad en in allen toestand des levens.

Zoo had ook Jezus het ons aangewezen.

Ook Hij maakte de onderscheiding tusschen religie in enger zin en den godsdienst in het leven, en dit noemt Hij, in zijn terugslaan van Satan: „Den Heere onzen God aanbidden, en Hem alleen dienen.”

En hoewel nu het eene zonder het andere niet bestaan kan, en God te dienen ondenkbaar is, zoo ge Hem niet aanbidt, zoo is de onderscheiding tusschen die twee toch ook voor u volstrekt onmisbaar.

Ook gij moet zeer zeker dit jaar religie in enger zin hebben, en gemeenschap met uw God in de mysteriën der genade en der gebeden zoeken; maar ook boven en behalve deze aanbidding, hebt ge den Heere uwen God te dienen; en dit dienen van uw God, deze uw dienst van God, d. i. uw wezenlijke Godsdienst, moet bestaan in het toewijden aan den Heere van heel uw leven, van al uw arbeid, van elk talent, dat in u is, en een eeniglijk vragen bij dat alles: Wat wil de Heere, dat ik doen zal?

Ook nu op den dag van het Nieuwejaar hebt ge dus geen som van allerlei dingen op te sommen, die gij dit jaar af hebt te werken. Dat kunt ge niet, en zou de zaak weer voor u bederven.

Want God te dienen is niet twee, drie, tien bizondere dingen doen, die meer rechtstreeks met den strijd voor Gods Koninkrijk en tegen Satan saamhangen. Neen, maar uw God te dienen is altoos knecht te zijn; tot in de allergewoonste dingen van het zeer dagelijksche leven toe in alles den wil des Heeren te volbrengen; en te leven, te denken, te strijden, te arbeiden niet voor uzelven, maar alleen omdat Hij het u oplegt. Hij uw Koning, uw Schepper en uw Heere.

Meer nog, het moet een „knecht zijn” uit dankbaarheid wezen.

Niet voor goud of zilver, maar door het bloed des onstraffelijken en onbevlekkelijken Lams vrijgekocht uit de slavernij van Satan, zijt ge nu uit zijn diensthuis uitgeleid, niet om voortaan uw eigen heer en meester te wezen; maar om eeuwiglijk knecht van God en lijfeigene van Christus te zijn en te blijven.

Tevens kind, o, gewisselijk, en daarom vrij van Satan; maar nooit vrij van uw Heere. De heerlijkheid en de vrijheid der kinderen Gods is nooit, dat ze nu doen mogen, wat hun gevalt, en leven mogen, gelijk het hun lust; maar altoos en onverbiddelijk, dat ze des Heeren zijn. Zijn gekochten. Hem toebehoorende. Zijn dienstknechten en dienstmaagden. Dienende nacht en dag in zijnen tempel.

Dat geldt dus en gaat door voor het kind op school, voor de dienstmaagd in haar keuken, voor den knecht op karrewei, voor den klerk op het kantoor, voor de moeder in haar huisgezin, voor den winkelier achter de toonbank, voor den rechter op het gestoelte der eere, en voor den koning op zijn troon.

Elk persoon moet God dienen. Wie nog onwedergeboren is, krachtens den eisch der schepping uit bedwang; en wie overgezet wierd in de genade, uit dankbaarheid bovendien.

Versta dit wel.

Ge moogt niet zeggen: Ik arbeid op school, op karrewei, in mijn beroep naar den eisch van het werk, en voor zooverre daarbij goed of kwaad te pas komt, regel ik mij naar Gods wil.

Dat is heel iets anders, dan knecht van God te zijn.

Neen, knecht van God te zijn, wil zeggen en beduidt eeniglijk, dat al wat ge doet, op school, karrewei, kantoor of studeerkamer, niet ter wille van uzelf of een ander, maar om Gods wil moet gedaan.

Dat een kind weet: God plaatste mij op deze school; God plaatste mij onder dien onderwijzer; God regelde de regels van schrijven en lezen en rekenen; God verdeelde aldus de dagen in uren; en dat het kind alzoo in dit alles Goddelijke ordinantiën zie.

En zooals het met dat kind is, zoo moet het met elk onzer zijn.

Wel is er menschelijke berekening, of menschelijke afspraak, of menschelijke orde en bevel, waaraan we hebben te voldoen. Ook prikkelt de nood des levens vaak om te werken, waar we anders stil zouden zitten. Maar in al deze regelingen en bevelen en nooden is de hand des Heeren over ons, en dienen we Hem, zoo het wel is, in zijn tempel.

En zoo moet het dus ook dit jaar met u zijn.

Dan spant in u het plichtsbesef; ook vaart in u besef van heerlijke roeping; dan wordt elk beroep, al was het van bezemmaker of keienklopper, een Goddelijk beroep voor den man, wien het aangaat; dan adelt ge elken arbeid; dan straalt over al uw bezig zijn een vriendelijk licht van Boven; en dan wijkt alle verdrietigheid of ontevredenheid, omdat gij dan toch altoos bezig zijt in den dienst van uw Heere.

Slechts voor éen ding hebt ge daarbij op uw hoede te wezen: Laat in dezen stroom der dagelijksche bezigheden uw arbeid niet opgaan.

Ge hebt nog een heel anderen arbeid voor uw rekening.

Ge hebt ook elken dag uw zake met uw God in den gebede af te doen.

Ge hebt ook uw karakter te vormen en te heiligen.

Ge hebt ook uw hartstochten en driften een toom aan te leggen en ze te breidelen.

Ge hebt ook op uw vrouw, op uw kinderen, op uw omgeving te werken; en te letten op den invloed, die van u uitgaat.

Ge hebt ook op de talenten te letten, die in u zijn, opdat ze niet begraven worden in de aarde.

Kortom, ge hebt niet enkel te arbeiden in het zichtbare, maar ook in het onzichtbare.

Ge moet ook uw God dienen niet het minst daarin, dat ge Satans werk teniet helpt maken.

Teniet om u heen in uw gezin, en teniet in de wereld van uw binnenste.

EEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

„SCHULDIG ELKANDER LIEF TE HEBBEN.”

Geliefden! indien God ons alzoo lief heeft gehad, zoo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben.

I Joh. 4:11.

In niets schuilt bij ons de Pelagiaan zoo diep als in onze liefde. Dat merkt ge dáaraan, dat ge bij uw liefde vrij wilt blijven, en de keus aan u wilt houden. Gij zult uitkiezen, wie ge denkt, dat uw liefde waardig zijn, en die door u uitverkorenen, die zullen dan op uw liefde kunnen rekenen. Uw wilskeuze zal hier de uitverkiezing doen. Gij zult de persoon zijn, die uitkiest, wie voorwerp van uw liefde zullen zijn. Kortom, in uw liefde wilt gij op een troon zitten; gij de vrijmachtige beschikker zijn; koninklijk als koning in uw liefde heerschen.

En dit nu is op en top Pelagiaansch. De vrije wil is de haan op den toren.

Maar met zulk een liefde kunt ge dan ook voor God den Heere en zijn Woord geen oogenblik bestaan.

In de Heilige Schrift toch zegt de Heere: Ik, uw God, kies uit, Ik, uw God bepaal, wie tot het lichaam des Heeren zullen behooren. En op u en een iegelijk, dien Ik in dat lichaam invoeg, leg Ik als uw God den heiligen plicht, dat gij saam elkanderen zult liefhebben.

Dit al dan niet liefhebben is niet iets, wat God aan uw hart vrijlaat. Neen, de heilige apostel zegt uitdrukkelijk: „Gij zijt schuldig om elkander lief te hebben.” Let wel: „elkander”, wat volstrekt niet beduidt, dat ge er zoo enkelen uit zult kiezen, en dat gij dan die enkelen, en die enkelen u zullen liefhebben. Neen, elkander liefhebben beteekent in de pen van den heiligen apostel, dat alle kinderen Gods schuldig zijn alle andere kinderen Gods lief te hebben.

De Heilige Schrift wil, dat gij erkennen zult: „Deze personen, hoe onaangenaam en afstootend ook in zichzelven, heeft God de Heere uitgekoren en verwaardigd, om ze met zijn liefde te begiftigen.” En omdat God ze, evenals u, met zijn liefde begiftigt, moogt gij den neus niet voor hen optrekken, of met een onverschillig gezicht bij hen voorbijgaan, maar moet gij ook op hun liefde prijs stellen en hun wederkeerig uw liefde geven.

Zoo ge dit nu niet doet, dan hebt ge, hoe ge er ook van opgeeft, toch wezenlijk den Heere uw God niet lief.

Om deze reden niet.

Uw God heeft goedgevonden deze personen uit te verkiezen. Hij was daartoe de Vrijmachtige. Hem beliefde dit zoo. Hij heeft ze u als voorwerpen van uw liefde gegeven en beschikt. En dat wel, overmits zulks zijn heilig Goddelijk en koninklijk privilege is.

Immers omdat Hij God is, is Hij, en Hij alleen, vrij in zijn keuze, en is Hij, uw God, gerechtigd, te bepalen, wie de voorwerpen van uw liefde zullen zijn.

En als gij dat recht nu aan uw God betwist, en volhoudt: „Neen, maar ik zal zelf bepalen, wie ik lief zal hebben,” dan randt gij het koninklijk beschikkingsrecht van uw God aan; iets wat met uw liefde voor Hem onbestaanbaar is.

Of, om het u anders te doen gevoelen, uw God begiftigt die personen met zijn liefde. Weigert gij dit nu ook te doen, dan blijkt hieruit, dat uw liefde een andere keus heeft dan Gods liefde, en dus van een ander gehalte en karakter is. En overmits nu de echte liefde alleen door God in onze harten kan worden uitgestort, zoo blijkt, dat uw liefde niet uit God is. En overmits nu de Heere alleen met zijn eigen liefde kan en wil geliefd worden, zoo voelt ge ook hieraan, waarom in dat geval uw liefde voor God niet echt en niet waarachtig is.

Een overweging, waaraan de heilige apostel nog deze toevoegt, dat de leden van het lichaam van Christus uit God geboren en Gods kinderen zijn; en dat het nu niet aangaat te zeggen: Ik heb wel den Vader, maar niet zijn kinderen lief, overmits juist aan de liefde voor iemands kinderen de liefde voor hun vader gekend wordt.

Tot deze, niet door u, maar door God bepaalde liefde, wekt de Heere u reeds in het maatschappelijk leven op.

Hij koos voor u uw vader en moeder, niet gij voor uzelven. En op grond van die keuze, die Hij voor u, en niet gij voor uzelven deedt, stelt Hij den eisch in zijn gebod, dat gij uw vader en moeder lief zult hebben; niet omdat gij zooveel beminnelijks in hen vondt, maar omdat God ze u tot voorwerpen van uw kinderlijke liefde gesteld heeft.

Evenzoo koos God voor u uw kinderen, en schonk Hij allerminst aan u het recht en de macht, om te bepalen, wie en hoe uw kinderen zijn zouden. En van deze, niet door u gekozenen, maar door Hem voor u alzoo geboren kinderen, eischt Hij in zijn heilig gebod, dat ze u de voorwerpen van uw ouderlijke liefde zullen zijn.

Zoo ook koos niemand zijn broeders en zusters, maar ontving ze van God den Heere. Ook hier koos Hij voor u, niet gij voor uzelven. En toch eischt de Heere, dat ge, op grond van zijn keuze, en niet van uw goedvinden noch van uw sympathie, uw broeders en zusters zult liefhebben.

En ditzelfde nu, wat in het gewone gezin reeds zoo machtig en aangrijpend door God den Heere gepredikt wordt, datzelfde predikt Hij nu ook, op nog sterker wijs en in machtiger zin, aan zijn kerk.

Die kerk is het lichaam van Christus. Die kerk is de saamvergadering der geloovigen. Hypocrieten nu daargelaten, zijn de leden dier kerk door den Heere uitgekozen en saamgevoegd. Met wie ge in dat lichaam Christi zijn zult, staat niet aan u, maar stond alleen aan uw God te beoordeelen. Ook deze uwe broeders en uw zusters koos Hij, niet gij. En het is nu van deze aldus door Hem voor u gekozen broeders en zusters, dat Hij u den eisch stelt: „Gij zijt schuldig ze lief te hebben.”

Natuurlijk is deze eisch niet onredelijk bedoeld.

Van al de leden van dat groote, heerlijke lichaam van Christus kent gij er maar zeer enkelen. Alleen diegenen, die in uw tijd leven. Onder hen alleen degenen, met wie gij in aanraking komt, of van wie ge hoort. En onder dezen nog slechts de kleinere helft van genoeg nabij, om met een oordeel der liefde te bekennen, dat ze waarlijk besloten zijn in zijn Genadeverbond.

Ook blijft die eisch des Heeren redelijk in dien anderen zin, dat een sterker hechten aan den een dan aan den ander niet is uitgesloten. Persoonlijke geestelijke sympathie laat zich niet dwingen, maar is als de magneet, die vanzelf trekt, waar een verwant metaal in de nabijheid komt. Ook binnen dezen kring der broederliefde blijft er dus altoos plaats voor nauwere persoonlijke vriendschap, voor geestverwantschap in enger zin en warmer sympathie des harten. Mits maar, en daarvan gaat nooit iets af, ook al die anderen voor u voorwerpen uwer liefde blijven, waaraan ge om Gods wil liefde schuldig zijt.

Een zonde is het daarom in u, zoo dikwijls er belijders des Heeren in uw stad of dorp of omgeving u bekend zijn, van wie ge naar den aard en in het vertrouwen der liefde acht, dat ze wel waarlijk genade ontvingen en met u in hun sterven éen weg zullen uitgaan, en als ge dan toch de Kaïns-gedachte te hunnen opzichte hebt en denkt: „Wat gaan mij deze broederen aan?”

Ze gaan u wel terdege aan, omdat God ze voor u als voorwerpen uwer liefde, aan wie ge liefde schuldig zijt, heeft uitverkoren.

Ge moet ze liefhebben, en dus ook, waar ge geen veelvuldige persoonlijke aanraking met hen hebt, toch hunner in liefde gedenken.

En ook al verschillen dan de formatiën van het kerkelijk instituut, waaronder gij leeft en waaronder zij leven, gij zult en moogt nimmer vergeten, dat ze desalniettemin saam met u leden van de kerke Christi zijn, leden met u van hetzelfde lichaam, ranken in eenzelfden wijnstok.

Uw Avondmaal is zelfs geen Avondmaal, zoo ge niet in deze uwe liefde al de leden van het lichaam Christi omvat.

En welken zegen ge ook aan uw kerkformatie dankt, zoo deze ook tengevolge had, dat ge om harentwil u opsloot in eigen kring, en afsloot van al Gods andere kinderen, dan zou deze uwe kerkformatie, hoe zuiver en onberispelijk ook, u tot een oorzaak van zonde worden, en deze zonde zich wreken aan uw geestelijk leven.

En daarom over de muren en omheiningen onzer kerkformatiën moet elk kind van God al Gods kinderen de hand der broederlijke liefde reiken; niet met een koel Platonische, maar met een warme, vurige, Christelijke liefde.

En zelfs waar soms bittere kerkelijke twist ons dreigt te scheiden, er mag nooit een wortel der bitterheid opspruiten.

Ge blijft schuldig elkander lief te hebben. En met elkander blijft hier elk ander kind van God bedoeld.

TWEE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

„WEE DEN GERUSTEN TE SION!”

Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria; die de voornaamsten zijn van de eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israels komen.

Amos 6:1.

Met zijn zielsoog te staren in een wereld, die God niet vreest, is schriklijk; maar veel schriklijker nog is het, door Sions straten te wandelen en te zien, hoe de gerusten in Sion zichzelven misleiden.

In de booze, ruwe wereld kunt ge de boetbazuinen nog opsteken, en als in de dagen van Noach gerechtigheid prediken, en heur zonde haar aanzeggen in haar aangezicht.

Die wereld vreest God niet, en smoort de stem van haar conscientie, en leeft voor ijdelheid en zingenot, en vertreedt het recht met den voet. En ze weet, dat ze het doet. En daarom, hoe fel ze ook tegen uw roepen inschreeuwt, toch raakt de roepstem van boete en bekeering, die ge in haar midden doet uitgaan, haar innerlijk bewustzijn. Ze weet, dat ze zichzelve verlaagt.

Maar aan de gerusten in Sion is geen speld vast te krijgen. Immers niet zij zijn het, die op de paden der wereld omdolen; integendeel, Sion is hun lust en keuze. Alleen Jeruzalem is schoon in hun oog. Aan Jeruzalem hangt al hun glorie.

Blaas de boetbazuin in de wereld, en zij, de gerusten in Sion, juichen u toe. Treed op als prediker der gerechtigheid, en zij vouwen dankend de handen, dat er weer een woord der bestraffing naar de wereld uitgaat. Van Sions tinne zien ze in heiligen trots op de wereld buiten Sion neder, en jubelen er in, als er over die wereld weer een oordeel uitgaat of de boetprediker die wereld aangrijpt in haar weerspannig en misdadig woelen.

Slechts éen ding, ge moet hen niet te na komen. Ge moet u niet inbeelden, dat ook voor hen het woord van vermaan en bestraffing nog noodig kan zijn. Van een onweder, dat over de wereld kan losbarsten, hooren ze gaarne; maar in Sions gevelspitse en in Sions toren slaat het weerlicht van dien storm der elementen nooit in.

Och, al wat ge de wereld kunt toeroepen, is immers, dat ze naar Sion heur schreden zal wenden, dat ze in Sion mocht geboren worden. En nu, zij zijn immers in Sion. Zij denken er niet aan, om Sions poorte weer uit te treden.

Wat wilt ge dan?

Waarom zouden ze in Sion ongerust zijn?

En geestelijk verstaan, is dat ook zoo.

Als ge door de poorte en muren van het uitwendige Sion doordringt naar de verborgen heiligheden van het geestelijk Sion, dat in almachtige genade gegrondvest ligt, dan is er voor onrust geen plaats, voor ongerustheid en bezorgdheid geen oorzaak.

Wie in dat Sion inging, die is geborgen. Dien treft geen pijl van den vijand daarbuiten meer. En dien kan niemand meer rukken uit de hand en uit de macht van Sions gezalfden Koning.

Maar dat zijn „de gerusten in Sion” niet, tegen wie Gods heilige profeet toornend ingaat. Die zóo in Sion gerust mag zijn, dien is zijn gerustheid een oorzaak van lof; een wondere genadegave van zijn Heere en Koning, een zalige, van God uitgaande geloofswerking in zijn hart.

Neen, een heel ander Sion is het, waar de profeet zijn woord tegen slingert.

Een Sion, dat niet in- maar uitwendig is. Een Sion, waarin gezongen wordt: „Des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn wij!”—Kortom, een Sion, waarin alles een vorm, een gestalte, een gedaante heeft, die naar het voorbeeld van het inwendig Sion is afgemeten; maar zonder dat er zekerheid voor het wezen is. Een Sion in uw denkwereld en in de belijdenis uwer lippen, een Sion van gemoedsaandoening en gemoedelijkheden, een Sion van levensusantiën en zelfgekozen kringen; maar zonder dat het brullen des Heeren Heeren er in wordt gehoord, en het suizen van den wind des Almachtigen.

En nu verwerpen we dat uitwendig Sion niet.

Integendeel, al wat het inwendig Sion toehoort, spreekt ook zoo, getuigt op gelijke wijs, weet te roemen in gelijke ervaringen, en schikt zich naar dezelfde levensusantiën; alleen maar, indien het echt werk is, zijn dit wel vormen, waar zich het leven in uit, maar is het het leven zelf niet.

Dan schuilt het leven daarachter; dan komt het leven daarin uit; dan straalt het daarin door, dan houdt het zich daarachter verborgen; en al dit uitwendig spreken en belijden en meêloopen is slechts een middel, waardoor het straalsgewijs naar buiten treedt.

Doch als er dat niet achter zit; als het een vorm zonder wezen; een looze kalkwand is, maar geen muur; een geschilderde vroomheid in prachtige kleuren, maar zonder dat de geur des levens er van uitgaat; dan is Sions naam geen schild, maar een schriklijk gevaar; en is er geen erger toestand denkbaar dan van iemand, die in zulk een Sion als een geruste voortleeft en in zulk een denkbeeldig Jeruzalem als een verzekerde slapend meê afdrijft op den stroom.

Dan vindt ge soms heele gezinnen, waar alles orthodox toegaat, en heele geslachten, die voor Sion staan ingeschreven, en heele dorpen, die bij Sion gerekend worden, ja, heele landstreken, die onder Sions schapen haar kudden doen weiden, en dat er aldoor geroepen wordt; „Vrede, vrede, en geen gevaar!” en dat ze denken; „Wij zijn rijk en verrijkt geworden en hebben geens dings gebrek,” en dat er toch eigenlijk niets dan een moeras is van wateren, die eens vloten, maar nu stilstaande wateren zijn geworden, omdat de adem des Heeren er het woud niet meer doorademt.

Toch behoeft het kennersoog zich tusschen die echte Sionieten en die valschelijk gerusten in Sion niet te vergissen. Immers hun uiting is juist tegenovergesteld.

Voor die valschelijk gerusten is hun vroom vormleven het een en al; maar naar den levenden God vragen ze niet. Ze drinken uit de beek en ze weiden op de velden; maar om den Herder hunner ziele roepen ze niet. Hun Sion is een gekunsteld, geen wezenlijk Sion. Een Sion onder een glazen stolp, waar geen stofje inwaait; maar niet het echte Sion, waarin het trillen en dreunen van de majesteit des Heeren Heeren wordt gevoeld.

En daarom vindt ge dit verschil, dat die valschelijk gerusten in Sion den kwaden dag altoos verre stellen; en zich de breuke van het huis Jozefs niet aantrekken; en geen lijden om Sion en geen zorge voor zichzelven kennen; maar als welvoldane en zelfgenoegzame kinderen Abrahams zich vermaken binnen het gordijn van hun heilige tente; en juist daardoor geen schok in de ziel en geen ritseling in het woud, en geen erbarming met anderen kennen. Wat gaan hun de volken achter Bazan aan? Niets kan in hun heilig Sion hen deren!

Maar zoo zijn degenen, die wezenlijk rust in het echte Sion vinden, niet.

Eer omgekeerd voelen zij keer op keer een onrust in de ziel, alsof de fundamenten van Sion zelf schokten en dreunden. Hun stormt het gedurig in de hooge spitsen der torens en in de toppen der boomen, die Sion omringen.

Zij hooren God den Heere werken, en het naderen van zijn majesteit is hun ontzaglijk.

Neen, ze zijn niet gerust, dan door de spanning van de onrust heen.

Want aldoor dreunt hun de stem huns Gods in het oor, en dan beven ze, tot de volmaakte liefde straks de vreeze weer uitdrijft.

Zij merken zijn oordeelen en ze sidderen; en schrikken bij de gedachte van wat uit de zwangere wolken van zijn majesteit straks de volken en de natiën, en ook hun woonstede, ja, de kerke Gods, treffen zal.

Om hen gist alles en kookt alles. Het leeft en trilt en ritselt. Eén machtig, majestueus golven van de mogendheid des Heeren in zijn koninklijk bruisen.

En dan de vraag, of dat oordeel tegen hen komt of voor hen strijden zal.

o, Straks overwint het geloof weer, en dan jubelen ze temidden van den stormwind; maar toch, ze kennen ook de benepenheid des harten, als eigen schuld en zonde hen zoo wreed omverwerpt.

En dan liggen ze neder „als dood aan zijn voeten”, tot Hij de hand weer op hen legt en ze leven mogen.

En aan en in dien nood leeren ze het dan om allen hoogmoed en trotsche verheffing over het medeschepsel hartgrondig te verfoeien, tot er in hun ziele invloeit iets van Goddelijk mededoogen en van erbarmen met wie Sion nog niet kent.

DRIE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

„DEN MEDICIJNMEESTER NIET VAN NOODE.”

En Jezus zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn.

Mark. 2:17.

Er ligt in het omgaan met de lieden der wereld voor Gods kinderen groot gevaar.

Niet enkel het gevaar, dat vanzelf spreekt, om door het schoon der wereld en de begeerlijkheid der oogen verlokt te worden; maar nog een heel ander gevaar, waar men in den regel niet op verdacht is, en dat ons daarom te eerder overvalt.

Dit bedoelen we: Als ge veel met lieden der wereld in aanraking komt, die gansch niet vroom zijn en eer met vroomheid lachen, dan gaat gij van uw eigen vroomheid, ook al heeft ze, o, nog maar zoo weinig te beduiden, toch allicht een hoogen dunk krijgen.

En bij hen vergeleken, zijt gij dan ook vroom. Gij vloekt niet, maar bidt; zij bidden schier nooit en vloeken niet zeldzaam. Gij rekent bij uw overleggingen met Gods Woord; zij maken op dat heilig Woord soms laffe glossen. De Sabbath brengt u een getuigenis uit hooger wereld; voor hen is het veelal een dag van luidruchtigheid en pret. Als iemand aan zijn sterven toe is, komt bij u althans de vraag op, of hij behouden zal worden; terwijl zij enkel met de zorge voor zijn lichaam bezig zijn. Ook in den gewonen omgang brengt gij nog wel eens een vraag over het zielsleven te berde; zij spreken over zaken, over uitgaan, over een roman, dien ze lezen, en het weer. Geen twijfel dus, of als het op vroomheid aankomt, zijt ge, bij dezulken vergeleken, al vrij ver op den weg, en keert ge, wel voldaan over uzelven, uit hun gezelschap huiswaarts. En tehuis gekomen, glijdt niet zelden de klacht over uw lippen: „Lieve vrouw, wat is het in die wereld toch een goddelooze boel. Van vroomheid schijn noch schaduw!”

En dat is ook zoo. In de kringen der wereld is men geestelijk zeer krank; haast zoudt ge zeggen: krank tot den dood; en bij deze doodelijke krankheid vergeleken, zijt gij nog een heele held.

Maar zijt ge daarom gezond?

Eens kwam in een kring van een kloeken man en vrouw met zes frissche kinderen, de een voor den ander met den blos van kracht en van gezondheid op de koonen, een armelijk meisje van zeventien jaar om hulp voor haar zieke moeder en zieke zusje vragen. Dat meisje zag er zelve doodsbleek, vermagerd en met blauwe kringen onder de oogen uit. Haast had ze geen kracht, om zich op te houden. En bij dat kerngezonde gezelschap vergeleken, scheen zij doodziek.

Van harte was men dan ook bereid om te helpen. Haar zou een versterking voor haar zieken, wat geld, en ook een dokter worden nagezonden.

En die dokter komt, klopt aan de deur en wordt ingelaten, en gaat nu bij dat meisje zitten, en voelt haar den pols, schrijft een recept en wil heengaan, toen het meisje opeens zei: „Dokter! u vergist u, ik ben de gezonde, maar mijn moeder en mijn zusje liggen zoo ziek!”

En dat zeggen: „Dokter, u vergist u, ik ben de gezonde,” kwam bij dat doodzwakke zieltje nu uit liefde voort. Ze dacht aan zichzelve niet, maar alleen om die nog erger kranken, die in de bedsteê op het stroo lagen.

Maar zooveel blijkt er dan toch uit, dat „ziek” en „gezond” al zeer betrekkelijk is, en afhangt van uw maatstaf.

Bij die ingezonde kinderen vergeleken, was dat doodzwakke meisje al zeer krank; maar vergeleken bij die nog zooveel erger zieken in de bedsteê, was zij weer de gezonde.

En dit nu mag elk minnaar des Heeren wel op zijn eigen vroomheid toepassen.

Meet ge u af naar hen, die in het gestoelte der spotters zitten, of staan in den raad der goddeloozen, o, gewisselijk, dan zijt gij, met uw zeer kleine vreeze des Heeren, al een wondervroom en zeer godzalig man.

Maar als ge, uit dien kring der wereld uitgeraakt, eens verkeeren moogt onder lieden, die wezenlijk zeer nauw van conscientie zijn en ingeleid wierden in Gods verborgen omgang, hoe bleek en uitgeteerd lijkt dan uw gestalte niet! Dan zijt gij weer de zieke, die den Medicijnmeester hoog van noode hebt.

Maar zijn dan die stillen en godzaligen in den lande de gezonden? En hebben die dan tenminste den Medicijnmeester niet meer van noode?

Och, reeds die vraag toont, hoe weinig ge ze kent en verstaat.

Het is zoo, soms sluipen er ook in zulke gezelschappen hypocrieten in, die een vroom praatje zoo letterlijk weten na te vertellen, dat ge er heusch meê in de war raakt. Maar de geestelijke hoogmoed komt bij dezulken toch al spoedig door de gaten van hun opgelapt kleed gluren; en ge merkt wel, hoe arm aan teederheid en aan innerlijke ontfermingen hun hart is.

Op den duur houden deze lieden van de nagemaakte godzaligheid het in wezenlijk geestelijke kringen dan ook niet uit.

Maar als ge deze hypocrieten nu eens niet meêtelt, neen, waarlijk, dan zult ge in deze godzaliger gezinnen geen zweem van dien overmoed vinden, die pocht op eigen geestelijke gezondheid.

Het is zoo, ze kunnen soms roemen. En het zou de eere van Gods liefde te na komen, als ze het zwegen. Aan genade hebben ze wel waarlijk kennis. En als ze indenken, hoe ze weggeworpen lagen op de vlakte des velds, en hoe ze der verkwijning nabij waren, o, dan kunnen ze geen woorden genoeg vinden, om den lof te verkondigen van dien éenigen Medicijnmeester, die hen opzocht, en hun etterbuilen uitdrukte, en hun wonden zalfde, en hun zoo kostelijke medicijn gaf, dat er, ja, waarlijk, bij vroeger gezien, een wonder aan hen is geschied.

Dat is geen eigen roem, maar enkel grootmaking van den naam van dien éenigen Arts der zielen; een prijs voor zijn kostelijk medicijn van loutere genade.

Maar als ze hun toestand indenken, zooals die nu dan is, neen, waarlijk, dan roemen ze niet in kracht; dan verheffen ze zich niet boven de anderen; maar weten ze, o, zoo goed, dat zij het juist zijn, die elken morgen en elken avond dien Medicijnmeester weer van noode hebben.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings