MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR. (continued 5)
Reading edition
En nu mag het zijn, dat er bij die banier onder dat volk staan, die niet van het volk zullen blijken te zijn. De oude regel van Ammi en Lo Ammi. Maar dat staat aan ons niet te schiften. Die voor dat schiften de wanne in de hand heeft, om zijn dorschvloer te doorzuiveren, is de Heere.
Ook omgekeerd kan het zijn, en zal het zoo zijn, dat altoos enkelen, soms zelfs velen, die wel van het volk zijn, van bij het volk wegloopen, de banier vergeten, het geklank van den Koning smoren op de lippen, en tijdelijk omdolen in Damascus en Tyrus; maar ook daar hebt gij niet meê te rekenen.
Als ge van het volk spreekt, telt ge niet, en rekent ge niet, en sluit ge niet uit noch in. Die sluit en niemand opent, is alleen Hij, die den sleutel Davids heeft.
Maar niets van dit alles kan noch mag u van de wijs brengen.
Er is een volk des Heeren.
Dat volk moet bij de opgestoken banier gezocht worden.
En daarom voegt ge u bij wie die banier omringen, en al het verdere verblijft aan uw Heere!
ACHT-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
„ZIE, DE DIENSTMAAGD DES HEEREN.”
En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.
Luk. 1:38.
Vervult vooral in onze dagen de Christenvrouw haar roeping tegenover haar Verlosser en Heere?
Het historieblad verhaalt ons van zoo wonderschoone, zielsinnige en aan kostelijke vrucht zoo rijke toewijding aan den Heere, die eertijds uit zoo menig vrouwenhart en in zoo menig vrouwenleven geblonken heeft.
De vrouwen overtroffen de mannen zeer verre.
Het was, of zij, fijner en teederder van aard, minder in de beslommeringen van het machtige leven der wereld ingetrokken, en met warmer gloed in de borst, dieper en klaarder verstonden, wat de liefde Christi was, en macht ontvingen, om uit die liefde te leven.
Vooral in de eerste jaren der Christelijke kerk moet dit schoon zijn geweest.
Als feit, door niemand betwist, schrijft de heilige apostel aan de kerk van Corinthe (1 Cor. 7:34), dat de nog niet getrouwde meisjes zich bekommerden, waarom? Om te trouwen? o, In het minst niet. Neen, maar om de dingen des Heeren, opdat zij heilig zijn mochten, beide aan lichaam en aan geest.
Roerend schoon en aantrekkelijk zijn de aandoenlijke overleveringen van vrouwen, die zich ganschelijk aan den dienst des Heeren gaven. En nog treffender de verhalen, die ons bereikten van zoo menige jonge maagd, die als martelaresse haar bloed voor haar Heere vergoot, en door geen foltering noch wreedheid van haar innige, vurige liefde voor den Heere was af te brengen.
Er gistte en blonk iets in haar van die liefde, die sterker dan de dood is; een liefde, wier gloed al de wateren niet konden blusschen.
En al geeft de heilige apostel toe, dat de gehuwde vrouw meer wierd afgeleid en meer in de zorgen van het gezin opging, toch, hoe schoon en boeiend zijn niet de historiën van vrouwen, die haar mannen sterkten in het geloof, verwarmden door heur liefde, en de vonke der hoop in hen aanbliezen; of, op andere wijs weer, zonen voor Christus' kerk kweekten, in wier manlijk gemoed zij een indruk wisten in te prenten, die ons in een Augustinus nog danken doet voor wat de Christus ons in Monica schonk.
Kan dit thans nóg gezegd? Nog in die mate gezegd? Voor elk op haar wijze gezegd én van de jongedochter én van de gehuwde vrouw?
o, Gewisselijk, er valt ook nu nog te roemen. Voor veel in de Christenvrouw is ook nu nog te danken. Er blinkt nog adel van hart. Er gloort nog koestering van liefde. Er vonkt nog iets hemelsch in menig hooger blikkend oog!
Nog altoos is in menig gezin en in zoo menige familie een jongedochter met een hart vol liefde, of een vrome moeder in Christus, of een Godgewijde maagd het cement, dat de steenen in den muur saamhoudt.
En toch, al sluiten we daar het oog niet voor, toch vragen we: Is er geen oorzaak, om over verachtering van den invloed der vrouw ten goede te klagen?
Gaat niet in maar al te veel gezinnen de levenwekkende adem meer van den vader dan van de moeder uit? Vindt ge niet maar al te dikwijls bij den jongeling warmer trouw en kloeker gehechtheid aan de zaak des Heeren dan bij de jongedochter?
Of ook, waar de vrouw het misschien nog in aantal wint, is er daar toch geen tekort in diepte van opvatting, in de verloochening der toewijding, in dat overgegevene en over alles heen komende der zichzelve nooit ontziende liefde?
Van Eva zoo dikwijls te veel, van Maria soms nog zoo weinig.
Is het niet, of de zondige ontwikkeling der wereld het er op toelegt, om de vrouw vooral in beuzelarijen te doen opgaan; te verstrikken in nietigheden; te dempen en uit te dooven; te blusschen de hooger, heiliger vonk; en háar vooral als slachtoffer te kiezen voor het bederf van karakter en zielstrek?
We vragen slechts.
Ga die vraag slechts rond in elken kring. Worde ze gesteld in elk huisgezin. Geve elke jongedochter of gehuwde vrouw er voor zichzelve het antwoord op.
Van elke Christenvrouw moet het gelden kunnen: Zie, de dienstmaagd des Heeren!
En nu, hoevelen telt ge er, van wie dit in waarheid kan worden gezegd?
En toch, het is het welbehagen onzes Gods, dat er niet alleen onder ons, mannen, dienstknechten des Allerhoogsten en knechten des Heeren zullen zijn, om dag en nacht te staan in zijn voorhoven; maar ook elke Christenvrouw schiet tekort in haar roeping, zoo ze nog iets hoogers en begeerlijkers kent, dan om dien schoonsten eerenaam van „dienstmaagd des Heeren” te verwerven.
Godsdienst is God te dienen, en wat vrouw zou zichzelve dan godsdienstig mogen achten of vroom noemen, zoo ze niet God den Heere dient, en alzoo weet een „dienstmaagd des Heeren” geworden te zijn?
Gehuwd of nog ongehuwd, moet immers de vrouw, die jubelt in haar verlossing van zonde, inwonen in het Huis haars Gods, om in dat Huis Hem te dienen nacht en dag.
Niet door haar eigen huis uit te loopen. o, Er zijn er, die dat zeer zeker doen moeten, en voor wie de dienst des Heeren bij gevangenen en kranken en stervenden ligt. Maar in den regel moet de dienst des Heeren in het eigen huis vervuld, door het eigen huis en de eigen woning als in het Huis des Heeren in te zetten.
En dan moet al het leven éen dienen van den Heere onzen God zijn. Niet voor huis en have zorgen, en dan des avonds in een stil gebed of op den Sabbath de dienst des Heeren erbij. Neen, al het leven moet in den dienst des Heeren ingezet. En het leven met vader en moeder, met broeders en zusters, met dienstboden en vriendinnen, het moet al geheiligd worden door dien eenigen, heiligen wil.
En dat wordt het, niet door drukke veelbezigheid, en nog minder door jacht op buitengewone dingen, en vooral niet door eigengerechtige goede werken, maar door wat tintelt en gloeit in het hart.
In het hart zijn ook voor de vrouw en de jonge maagd de uitgangen des levens. En de vraag is maar: Waar loopen die uitgangen des levens naar toe? Naar behaagzucht? Naar streeling van eigen lust? Naar interessantheid? Naar een gelukkige toekomst en schatting in het oog der menschen?
Of wel, is van dat alles het holle, het ijdele ingezien? Ingezien, dat dit alles uit den dood en voor den dood is? En gloort er nu een andere geestdrift, een heiliger liefde, een uit den hemel ontstoken vuur?
Dat vuur moet in de beenderen branden, zooals Jeremia het uitriep. Dan is het geen gemaakt werk, maar tweede, heiliger natuur. Dan is er belangstelling. Dan komt er onderzoek. Dan trilt er lust en liefde. Dan gaat de dofheid van het oog weg. De behaagzucht wordt verachtelijk. En dan is er ongezocht een vinden van het werk, dat de Heere u op de hand legt.
En als het lot dan tegenloopt; of de toekomst wordt somber; en bange offers worden van hart en leven gevraagd,—dan stemt dat niet droefgeestig en melancholiek, noch maakt morrend en murmureerend; maar dan is alles boodschap van nieuwe offerande, een engelenboodschap tot het hart, dat de Heere zijn dienstmaagd weer oproept en van noode heeft, en uit het volle hart zegt ze het dan Maria na: Zie, de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw Woord.
o, Vooral bij het stroeve en stramme, dat het manlijk Calvinisme zoo vaak op onze kringen stempelt, is de dienst der vrouw in het Huis haars Heeren zoo dubbel noodig.
We kunnen ze niet missen, die smelting, die verteedering, die koestering, die zachtheid, die de dienstmaagd des Heeren ook den man en broeder schuldig is.
NEGEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
„ZEND UW SIKKEL EN MAAI.”
En een andere engel kwam uit den tempel, roepende met een groote stem tot dengene, die op de wolk zat: Zend uw sikkel een maai; want de ure om te maaien is voor u gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden.
Openb. 14:15.
Alles heeft zijn bestemden tijd. Voor elk ding, dat komen zal, is een ure. Voor elke beslissing, die komen moet, toeft het juiste oogenblik.
Dat doet ons vreemd aan. Niet dan met moeite kan onze trage geest in dat denkbeeld van een beslissend oogenblik inkomen. En toch toont heel de schepping het ons.
Eerst snijdt de ploegschaar door den akker. Dan gaat de zaaier uit, die zaaien zal, en strooit het zaad in de opgeploegde voren.
En als God dan van zijn hemel zonneschijn en regen neerzendt, geraakt die bodem in gisting, dat zaad ontkiemt en schiet uit, en lange weken, lange maanden verlustigt ons oog zich in dat groeien en gelen der halmen. Van den morgen op den avond en van den avond op den morgen gedijt het koren er in. En het schijnt wel, alsof dat koren geen andere bestemming had, dan om dien akker met golvend goud te overdekken en weelde te tooveren in de natuur.
En toch, dat was slechts schijn.
Zie maar, eindelijk speurt het kennersoog van den landman, dat het graan nu in de airen geheel gerijpt is. En hij neemt den wind en het getijde waar, of er op droogte in den dampkring te rekenen valt. En is dat gunstig oogenblik gekomen, dan gaat het bevel uit zijn mond aan zijn knechten uit. En morgen, als nauw de zon is opgegaan, is dat halmenveld ten doode gedoemd. Dat goudgeel graan heeft voor het laatst in den zonneglans geblonken. Zie, daar daalt de sikkel neer, door vlugge, rappe hand tegen de buigende halmen ingeslagen, en niet lang meer, of al het prachtige halmenveld ligt bij handvollen op den bodem neergeworpen; wordt straks tot schooven opgezet; en als weer de landman zijn dienstknechten en dienstmaagden beveelt, rijdt kar en wagen den akker op, en al het gemaaide koren wordt van den akker naar den dorschvloer weggedragen; tot de wees en de arme komt, om zijn nalezing te houden. En dan blijft er straks niets meer over dan die leege, zwarte, kale akker, tot in zijn stoppelen omgeploegd.
Zoo veelzeggend, zoo veelbeduidend.
Eerst weken-, maandenlang dat stille, kalme, bijna onmerkbare rijzen en rijpen. En dan opeens die dag des oogstes. Die sikkel, die in de halmen slaat. En weg is alles, wat er stond.
In dat zaaien en rijzen, dat rijpen en maaien nu spreekt een stemme Gods.
Zijn heilige Schriftuur wijst er telkens op. Ook wel in het beeld van de rijpende en blauwende trossen aan den wingerd tot de wijngaardenier de sappige druiven afsnijdt. Maar onder welk beeld ook, altoos keert diezelfde gedachte weer, eerst dat langzame, stille worden en gedijen, en dan plotseling die breuke, die voleinding, dat maaien of dat afsnijden. Alles aanloopend op een einddoel, tot dat einddoel bereikt is, en dan opeens dat ingrijpen van de hand des maaiers; die volheid des tijds; die ure, dat het uit is met wat achter was en dat iets nieuws zijn aanvang neemt en straks begint.
Want als nu de sikkel in de halmen is geslagen, en alle schoof op den dorschvloer is saamgebracht, dan is het wel uit met dat eerste proces, maar begint even beslist terstond een tweede proces. Dan wordt die halm gedorscht en uitgeklopt; het graan op de wanne gezuiverd; de gezuiverde korrel stukgestooten of tot meel vermalen; en zoo rijpt door een nieuw proces het brood, dat den mensch ter voeding zal zijn; om in 's menschen lichaam door een nieuw proces nogmaals een ander doel na te jagen, en niet te rusten, eer het door menschenhand uitgestrooide zaad tot den mensch is weergekeerd en in zijn eigen bloed is omgezet.
En dat alles beschikte en bestelde en verordineerde God Almachtig. Hij, die den tijd voor het zaaien en den tijd des oogstes heeft afgemeten. Die aan het koren en het zuurdeesem de verwantschap schonk, om deeg en brood te vormen. En die thans dat kostelijk brood met zijn zegen achtervolgt, om het in ons om te zetten in bestanddeelen van ons eigen bloed.
En dan is er in elk proces, dat daarbij plaats grijpt, altoos dat dubbele. Eerst dat langzame rijpen en gedijen, en dan eindelijk het plotseling oogenblik, waarin dat rijpen en gedijen zijn voleinding vindt en Hij afbreekt wat er was, om uit wat Hij doet ondergaan, het nieuwe te doen uitspruiten.
Altoos zijn Woord, dat niet ledig tot Hem wederkeert, maar doet hetgeen, waartoe Hij het uitzendt. Als sneeuw en regen daalt het vocht uit zijn schatkamer neder. Dan drinkt de aarde het in en bemorst het. Tot het in den bodem der aarde de zwangere graankorrel ontmoet. Die doet ze dan zwellen en bersten en een kiem uitschieten. Het laat zich in den halm opzuigen. Tot in de air dringt het vocht op. En als straks het gedijde en gezegend brood insluipt in ons bloed, om onze levenskracht te sterken, is er altoos nog een druppel van dat vocht in, dat God in sneeuw en regen uitzond, om brood aan den eter te geven en zaad aan den zaaier.
Eén ding vooral wil Gods heilig Woord, dat ge daarbij steeds voor oogen zult houden. Het wil, dat ge bedenken zult, hoe het zoo toegaat met alle ding, dat om u is, maar dat het zoo ook toegaat met uzelven.
Zooals die halmen op het veld opschoten en groeiden, en straks van dat veld worden weggemaaid, zoo bloeien en rijpen ook de kinderen der menschen op den akker van ons menschelijk leven; maar komt ook voor hen de ure der voleinding, dat de sikkel in de halmen daalt, en hun plek, die ze op het veld hielden, niet meer gekend wordt.
En ook hier weer dezelfde tegenstelling. Eerst weken-, maanden-, jarenlang dat stille, gestadige, schijnbaar altoosdurende voortrijpen en voortgelen op den akker; en dan plotseling die keer in den toestand, dat inslaan van den sikkel in de halmen. En dan is het uit en buigt ook hun hoofd zich neder, tot straks hun plaatse ledig is.
Een tegenstelling, een plotselinge overgang, die, hoe dikwijls ook gezien, ons toch altoos zoo verrassen blijft, dat bijna niemand er op verdacht is, als de sikkel ook tot hem komt. Het scheen zoo zoetelijk voort te varen. Zoo ongemerkt scheen zich een nieuw eindweegs aan elk afgelegd eind van den weg vast te knoopen. De voortgang was geleidelijk, zoo gestadig, zoo duurzaam. Na elken avond altoos weer een morgen; na elken winter altoos weer een lente met haar bloemen, die ontloken, en haar vogelen, die in de takken hun lied voor God zongen. Ach, waarom zou er dan een einde aan komen? Waarom zou er geen eindelooze voortgang zijn?
En toch, dat einde komt, omdat God leeft en over u gebiedt en over u beschikt, en omdat Hij u dit stille groeien en gedijen schonk, niet om dat groeien noch om dat gedijen, maar opdat er een oogst voor Hem zou zijn.
Want zooals de landman het oogenblik beidt, waarop dat groeien uit zal hebben, en zijn woord tot zijn dienstknechten: „Zend den sikkel uit en maai” uit kan gaan, zoo toeft en beidt ook God de Heere bij elk van zijn menschenkinderen, steeds uitziende naar dat bestemde oogenblik, naar die beschikte ure, waarop het rijpen uit zal hebben, en de vrucht van al zijn zorge, die Hij aan u besteedde, kan ingedragen in zijn Koninkrijk.
Uw wereld is voor Hem. Ze is zijn akker, waarop al wat er bloeit en rijpt, rijpt en bloeit voor Hem, opdat Hij, de Heere des oogstes, ook van dezen akker zijn oogst erlange.
En al de dagen uws levens merkt Hij op u, uitziende naar dat oogenblik der voleinding, tot Hem de vrucht zijns werks toekomt.
o, Wel hem, wien het in die ure des oogstes gebeuren mag, dat hij straks, op de wanne gezuiverd, een kostelijke vrucht van den akker der wereld voor den Heere zijn God mag zijn.
Dan maait de sikkel niet om te verderven, maar zamelt in voor Gods eeuwig Koninkrijk. Dan is er een groeien en bloeien geweest, dan was er een rijpen en gedijen. En dan wordt het einddoel bereikt: de voleinde en voltooide vrucht, die dan een nieuwe toekomst tegengaat, om naar nieuwe ordinantie God den Heere te dienen in zijn heilig bestel.
Alle man zie toe.
De sikkel, die de volle korenhalmen maait, maait ook het opgeschoten onkruid weg, en maait ook weg de leege of vervuurde halmen, waaruit geen koren op den dorschvloer springen zal.
Dan ging het niet naar Gods Woord, maar tegen Gods Woord.
Dan was er geen groeien, maar verbasteren; geen rijpen en gedijen, maar vermageren en verschrompelen.
En als dan de dag des oogstes komt, dan is het oordeel zoo onafwendbaar.
De wanne, door Gods heilige hand geschud, schift zoo onherroepelijk het koren van het kaf.
VIJFTIGSTE ZONDAG.
„BROOD UIT DEN HEMEL!”
Ik ben dat levende brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zoo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het brood, dat Ik geven zal, is mijn vleesch, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.
Joh. 6:15.
Alle goede gave is afdalende van den Vader der lichten en in zooverre belijden we, dat al ons brood uit den hemel komt. De bede: „Geef ons heden ons dagelijksch brood” klimt op tot onzen Vader, die in de hemelen is, en uit dien hemel ons de verhooring van onze bede nederzendt.
God schept het, God zendt het, God schenkt het. En als in een vroom gezin des morgens of des avonds dat kostelijk brood weer genomen is, dan wierd het nimmer zonder dankzegging genoten.
Ook in het brood op onze tafel is God alleen groot.
Maar neemt dat weg, dat het in de woestijn van Paran toch iets anders was, toen er geen tarwe groeide, en geen meel gemalen wierd en men geen deeg kneedde noch brood biek, maar het Manna van den grond opraapte en in zijn Gomer saamlas, en het ongemalen en ongekneed en ongebakken at?
Dat Manna was veertig jaren voor Gods oude Bondsvolk het „dagelijksch brood”; stipt „dagelijks” hun toegemeten; waar ze hun disch meê verrijkten en waar ze hun kinderkens meê spijsden; en waar ook zij voor dankten, als het genoten was.
In zooverre stonden ze dus met ons gelijk.
Hun overkwam en ons overkomt gelijke weldaad. Want zij waren en wij zijn uit onszelven volkomen onmachtig, om ons leven te onderhouden. Zoomin als zij het Manna, kunnen wij de tarwekorrel uit onszelven voortbrengen. En dat zij, zoowel als wij, behalve dit „dagelijksch brood” nog den zegen op dat brood behoefden, blijkt wel het duidelijkst uit het bedorven Manna in den Gomer van wie te veel had saamgelezen. Dat Manna kon niet voeden, maar walgde, omdat het stonk.
En toch, hoe sterk ook de overeenkomst was tusschen hun brood en ons brood, dat beide malen van den Vader der lichten nederdaalt, toch voelt elk, dat er tusschen dat Manna en ons gebakken brood ook weer een aanmerkelijk verschil bestaat.
Immers, gebakken brood is een brood, waar onze arbeid aan kleeft. Daar moet de akker voor omgespit of omgeploegd; daarvoor moet geëgd en gewied, gemaaid en gedorscht, gemalen en gemengd, gebakken en gesneden; tot het dan nogmaals vermalen wordt door ons gebit.
Hun Manna daarentegen daalde geheel gereed uit den hemel neder. Daar viel niet voor te sloven noch te slaven, dat was gekneed noch gebakken. Daar was niets voor te doen, en zelfs geen geld bij inkoop voor uit te geven.
Het viel zoo uit den hemel.
Een ieder had het maar voor het oprapen.
En klein in zijn korrel als het was, smolt het, zonder de moeite des gebits zelfs, in den mond.
Al komt dus óok ons brood uit den hemel, het komt toch niet uit den hemel als brood.
En hierin alzoo was het Manna van ons brood onderscheiden, dat ons brood door den mensch zelven gekneed en bereid wordt uit wat God te zijner beschikking stelde; terwijl omgekeerd dat Manna een gereed brood uit den hemel was, waar de mensch niets aan af of toe had te doen.
Hierin nu ligt de symboliek van het Verbond der werken en het Verbond der genade.
Als onze mensch in het Paradijs Satan terug had geslagen en, door Gods wet te volbrengen, eeuwig leven had verworven, zou dat eeuwige leven toch een goede gave van den Vader der lichten zijn geweest; maar bij manier van ons dagelijksch brood.
Terwijl omgekeerd onder het Verbond der genade het eeuwige leven ons eveneens van den Vader der lichten toekomt, maar nu bij manier van het Manna in den woestijn.
Gerechtigheid is het voedsel der ziel, en alleen hem, dien naar gerechtigheid dorst en hongert, spreekt Jezus zalig.
Maar naar den Paradijsstand zou dit brood der gerechtigheid, evenals ons gewone brood, slechts verworven zijn door rustelooze inspanning. Door ook op den akker des zedelijken levens te arbeiden en te worstelen in het zweet des aanschijns. Om alzoo eerst na veel ploegens en veel malens en veel knedens de vrucht der gerechtigheid te genieten voor den honger der ziel.
Maar zooals nu Israel in de woestijn plotseling niet meer ploegt, en niet meer zaait, en niet meer maalt, maar opeens het Goddelijk Manna gereed vindt liggen als een brood, dat uit den hemel is neergedaald, zoo ook gaat het onder het Genadeverbond toe.
Ook in het Genadeverbond staat Gods volk in een dorre, vale woestenij, en wordt tot dit volk gezegd, dat het niet meer ploegen noch maaien, malen noch kneden zal, en af zal zien van elke poging, om zichzelf een brood der gerechtigheid te verwerven; want dat God aan zijn volk een Brood der gerechtigheid, dat geheel gereed is, uit den hemel doet nederdalen; een Brood, dat zij maar voor het opnemen hebben.
En nu komt de Christus en zegt: „De vaderen hebben het Manna gegeten in de woestijn, doch dit was slechts een zinnebeeld, want zij zijn toch gestorven.”
Maar dan ook: „Ik ben het wezenlijk Manna. Ik ben dat eigenlijke Brood, dat uit den hemel is nedergedaald. Want wie Mij eet, zal niet sterven in der eeuwigheid.”
Zoo is dus Jezus het Brood der gerechtigheid, dat uit den hemel gereed en toebereid voor u is nedergedaald.
En wie nu naar gerechtigheid hongert, kneedt en bakt geen brood van eigengerechtigheid meer, maar eigent zich door het geloof, als door den mond der ziel, dit „Brood uit den hemel” toe.
En zoo wandelen we dan met een „kleed der gerechtigheid”, dat nooit verteert, en met een „schoeisel der gerechtigheid”, dat nooit veroudert, de woestijn van dit leven door, en ons Manna der gerechtigheid is ons elken morgen gewis.
Zet uw zinnen op deze heerlijke beeldspraak, en leer er uit, hoe ge met dit Manna der gerechtigheid handelen zult, en hoe ge met dat Brood uit den hemel zult doen.
Immers daarmeê, dat het Manna neerdroop in de woestijn, was Israel nog niet gespijsd. Dat het daar in rijke golven op den bodem lag, voedde Israel nog niet en kon zijn honger niet stillen.
Neen, elken morgen moest de Israeliet uitgaan en zijn Manna opzamelen, en thuis in zijn tente gekomen, dit Manna eten. En zoo eerst hield het zijn leven in stand.
Ook u helpt noch baat het dus, of het Brood der gerechtigheid in Jezus al uit den hemel is neergedaald, en voorwerpelijk, buiten u, geheel gereed ligt.
Neen, ook gij moet dat Manna der gerechtigheid opzamelen, tot u nemen en eten. „Tenzij dat ook gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, hebt ge geen leven in uzelven!”
Het moet opgezameld door de kennisse van het Woord, en het moet gegeten en toegeëigend door den mond des geloofs.
En die geloofswerking moet er niet maar eens zijn; zoodat ge u herinnert eens vóor jaren geloofd te hebben. Neen, elken morgen moet ge als Israel uitgaan, om opnieuw voor dien dag het Manna der gerechtigheid in te zamelen en uw ziel te voeden met den Zoon des menschen.
Ge hebt dat Manna tot u te nemen in uw Gomer, d. w. z. ge hebt elken morgen den Christus weer u toe te eigenen naar uw nood voor dat oogenblik, naar uw behoefte voor dien dag. Niet een voorraad voor denkbeeldigen nood, maar te eten het vleesch en te drinken het bloed van den Zoon des menschen, naar den nood en den honger uwer ziel op elk oogenblik, in elken strijd des levens, in elke aanvechting en in elke benauwing.
Telkens honger, en telkens voor uw honger dat Brood uit den hemel u gewis.
Het leven en de welstand en kracht uwer ziele elken dag opnieuw door de geestelijke sterking van dat Brood uit hen hemel onderhouden.
Ja, meer nog.
Een Israeliet zamelde in de woestijn ook voor zijn gezin op. Liefde en roeping moest er in werken.
En zoo ook is het uw roeping, uit den Zoon des menschen op te zamelen, niet enkel voor uzelven, maar ook voor de uwen.
Ook waar bij anderen de honger nog niet sterk genoeg prikkelde, om op dat Manna der gerechtigheid uit te gaan, wil de eeuwige Liefde, dat ook gij in liefde anderer zielsnood gedenken zult.
Bovenal den nood der ziele bij uw eigen kroost.
EEN-EN-VIJFTIGSTE ZONDAG.
„DE ONVERWELKELIJKE KROON.”
En als de overste Herder verschenen zal zijn, zoo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.
I Petr. 5:4.
Een wondere taal spreekt ons in Gods schepping toe. In het Paradijs moet dat nog veel heerlijker geweest zijn. Heel Gods schepping gaf toen éen sprake van Gods macht en glorie, en de mensch in het Paradijs was met een oog en oor begaafd, om er dat lied der eere uit op te vangen en te verstaan.
Maar al zonk het leven der natuur, sinds om de zonde ook over haar het floers van den vloek wierd gespreid, toch geeft ook zoo die schepping ons nog een kostelijke sprake, die ons een spiegel van het hemelsche is.
Zie het plantenrijk.
Hoe laag vangt het niet aan. Een mos, een gras, een varen. Als de wind er over gaat, verdord; als de zon ze treft, verzengd. Maar ginds tiert reeds meerder. De heistruik geeft haar tinten. Er is een kiem en een stengel en twijg. Straks groent aan die twijg het loover. Slank en statig verheft de palmboom zich. En eindelijk vindt heel het plantenrijk zijn heerlijkheid in bloesem en bloem!
Van die tengere grasspriet tot de prachtige, geurende bloem,—aldus klimt in die plantenwereld de ladder des levens. Die bloem is het rijkst, is het volst, is het heerlijkst. In die bloem is de gedachte der plantenschepping voleind.
En gelijk nu het plantenleven is, zoo ook is ons menschelijk leven. Ook in ons leven schuilt het mos achter den steen, en schiet het ijle gras van ons aanzijn op.
Maar die dorheid laat ons geen rust, in die ijlheid kan ons hart geen vrede vinden.
Neen, ook in ons roept het alles om, dorst het alles naar de bloem, die aan ons leven uit moet komen.
En als er dan soms in ons menschelijk leven personen zijn, die óf soms óf een enkel maal, ook die volheid van leven en bloei schijnen bereikt te hebben, dan drukken we hun als zinbeeld een bloem op het hoofd, en die bloem om ons hoofd noemen we een krans of een kroon.
Zoo worden er allerlei kransen of kronen gedragen.
Een diadeem of kroon draagt een vorst op aarde, naardien in hem het leven van heel het volk zijn volste, rijkste uiting vindt. Een krans lei men om de slapen der overwinnaars in den wedstrijd, omdat in hen de spierkracht of de dichtkracht of het kunstvermogen het schitterendst uitblonk. Ook omkranst men een bruid, omdat de volheid van het maagdelijk leven het schoonst en het kostelijkst tiert in de ure, dat ze huwen zal.
Dat zinbeeldig spraakgebruik wettigt ook Gods Woord. „Een kloeke huisvrouw is den man een kroon” (Spr. 12:4). „Der wijzen kroon is hun rijkdom” (14:24). „De grijsheid is een sierlijke kroon” (16:31). „De kroon der ouders zijn de kindskinderen” (17:6). „De kroon onzes hoofds”, klaagt Sion, „is afgevallen” (Klaagl. 5:16).
Ja, meer nog, 's Heeren heilig Woord neemt deze kroonsymboliek over en teekent er u de voleinding der heerlijkheid in.
Aanschouw den Nazireër maar, met het als kroon ongeschoren hoofdhaar, gelijk hij voor Gods aangezicht wandelt.
Zie op den hoogepriester, die met de heilige kroon op het hoofd voor heel het volk bij den Almachtige intreedt.
Merk op, hoe den Messias wordt toegezegd „een kroon van het zuiverst goud” en hoe op Hem „de kroon bloeien zal”.
Ja, bij Jesaja verstout zich de Heilige Geest, en waagt het, den Heere zelven de kroon zijner uitverkorenen te noemen. „Te dien dage,” zoo staat er, „zal de Heere der heirscharen u tot een heerlijke kroon zijn en tot een sierlijken krans.”
Dat is het aangrijpende, bezielde en daardoor bezielende, dat Gods Woord onderscheidt van alle versiering der volken.
Want, och, ook die omdolende en afgedoolde volken vlochten wel kronen en kransen; maar voor hen was er geen hooger eere en geen hooger leven dan macht en glorie, eere en roem bij menschen, een tieren en bloeien in ons van wat toch straks vergaat.
Maar nu komt Gods Woord en grijpt u in de ziel aan, en tast u in den wortel van uw leven, en toont u, terwijl gij waant te tieren, hoe dor en ijl en leeg het van binnen is; maar ook nu brengt het u de profetie, dat, als Hij op dat dorre hart maar het water des levens sprenkelt, en als Hij daar van binnen maar instraalt met de koesterende warmte van de Zonne der gerechtigheid, dat dan ook dat leven in uw binnenste tieren en groeien en bloeien gaat; en dat eens ook aan die plant uwer ziel de bloem zal ontluiken, die heel uw persoon heiligend en zaligend, als kroon u op hoofd zal bloeien, en wel een kroon, die onverwelkelijk is en nooit vergaat.
De palmboom is onder de boomen der aarde de voor uw oog geteekende kroondrager. En nu, de Psalmist jubelt het u immers toe: „De rechtvaardige zal in de voorhoven onzes Gods als een palmboom bloeien!”
Drieërlei kroon kan uw hoofd sieren, en sieren met eere.
Reeds hier op aarde een kroon en krans door de dankbare toewijding van hen, dien ge weldeedt, u op het hoofd gedrukt. En waar u zulk een kroon of krans gereikt wordt, daar legt ge die eerbiedig en dankend op het altaar van Hem neder, die u de talenten en de eere en de genade schonk, om alzoo uw broederen te dienen.
Een heel andere kroon wacht u na uw ingang in het Huis onzes Gods daarboven. Een kroon, die u ook gereikt wordt, maar dan door den rechtvaardigen Rechter. Een kroon van goud, zooals de Openbaring u toezegt. De kroon voor het kruis, dat ge op aarde droegt. Vergelding na verdrukking. Eere na smaad. Een verhooging door de hand uws Gods, als op aarde om zijns naams wille de wereld u vernederd had.
Van die kronen zingen de gezaligden, „dat ze al hun kronen nederwerpen voor het heilig Godslam”. Want Hem, die de doornenkroon om hunnentwil zich op de bloedige slapen liet drukken, Hem komt van elk zijner verlosten die kroon der eere toe.
Maar dan is er nog een derde kroon, „de kroon des levens”, de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid, en die kroon zullen al Gods geroepenen eeuwiglijk dragen.
Want die kroon is niet zinnebeeld van hun glorie, maar de uitbotting zelve van het leven der heerlijkheid, waarvan eens de genadebloem ook aan hun ziel, aan hun persoon, als uitkomst van heel hun aanzijn ontluiken zal.
Die kroon zal zelf de bloem huns levens zijn.
In het blad en in de kleuren en geuren van die bloemenkroon huns levens zal het vezelennet uit de gerechtigheid Christi, en fleur en geur uit de hun ingestorte heiligheid opbloeien.
Die kroon is het beeld Gods, waarnaar ze geschapen waren; waaraan ze ontvielen; waarin ze hersteld wierden, en dat dan in zuiverheid uitstralend, naar het woord van Jesaja, in wezenlijken zin, hun de Heere zelf tot een kroon der sierlijkheid op het hoofd zal zijn.
Neen, hier wordt die kroon nog niet gezien.
Hier is ze slechts aan dien Eéne gegeven, die voor ons de kroon van doornen gedragen heeft.
Maar bij ons schuilt ze nog in den knop. Bij ons kan ze in dezen killen dampkring van zonde en ongerechtigheid nog niet ontluiken.
Die ontluiking komt eerst in dien morgenstond, als de eeuwige lente voor ons ingaat, en de wind des daags ons de conscientie niet meer zal ontrusten, en eens de liefde Christi al de koestering onzer ziele zal zijn.
En daarom, op aarde ziet Gods kind het stil en lijdzaam aan, als ieder om hem heen met een eereteeken op de borst of met een krans om de slapen schittert, en hij eer onder smaad bedolven wordt.
Och, het is hem beter zoo!
Op die aarde, waar zijn Heiland met de doornenkroon aan het kruis zijn Lamma Sabachtani moest uitstorten, kan die smaad hem soms liefelijk zijn.
En voorts, de dagen zijn immers kort. Straks gaat ook hij als pelgrim huiswaarts. En dan zullen Gods engelen hem kronen.
Kronen met „een kroon des levens”, die door genade onverwelkelijk is.
TWEE-EN-VIJFTIGSTE ZONDAG.
„VOLSTANDIG TOT DEN EINDE.”
En gij zult van allen gehaat worden om mijnen naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.
Matth. 10:22.
Om toe te komen tot de zaligheid, moet ge niet alleen eens een poort door, maar al de dagen uws levens een weg langs.
„Ga in”, sprak Jezus, „door de enge poort”, maar Hij liet er op volgen, dat niet alleen die poort eng, maar ook de weg nauw is, die ten leven leidt.
o, Gewisselijk, op dien weg ten leven zal uw voet nooit staan, tenzij ge eerst vooraf door die poorte u heenwrongt; maar toch, niet om het doorgaan door die poorte is het te doen. Die poorte is slechts middel, om op dien weg des levens te komen, en evenzoo is die weg zelf weer niets anders dan de baan, die moet afgeloopen, om in de zaligheid in te gaan.
En nu bestaat hier, daar hebt ge volkomen gelijk in, geen uit- en inloop. Wie de enge poorte eens door is, keert niet meer terug, en ook, wie door die poorte doorging, loopt zijn weg af ten einde toe. Er is geen afval der heiligen.
Maar tweeërlei mag daarbij nooit vergeten.
Vooreerst mag nooit uw oog gesloten voor het ontzettend feit, dat zoo velen een verkeerde poort ingingen, in plaats van de enge, en nu voorts zorgeloos voortdrentelen op een weg, waar geen leven op te vinden is; en dat deswege roeping der kerke Christi is, om een iegenlijk telkens weer te prikkelen, dat hij toch wel toezie, of de poorte, die hij doorging, wel de echte, wijl de enge, is, en dat hij anders op staanden voet van zijn doolweg terugkeere en alsnog de enge, de eenige poorte des levens inga.
Toch is dit het eenige niet, waarop moet gelet.
Het vermaan van Christus' kerk doelt volstrekt niet op hen, die zich in de keuze der poorte vergisten, maar ook wel terdege op die weinigen, die de wezenlijke, de enge poort zijn ingegaan.
Immers, het is wel stellig zeker, dat ze, eens die poorte binnengetreden, niet terug kunnen, noch ook op den weg des levens duurzaam kunnen stilstaan; maar dat ze voor terugkeer behoed en op dien weg des levens gehouden worden, gaat niet vanzelf, geschiedt niet werktuiglijk, maar is gevolg van een geestelijke macht, die op hen werkt; een macht, die van den Christus op hen uitgaat; en die Hij op hen uitoefent door zijn Woord en zijn Geest.
En hier is nu de Goddelijke, wijl van God bestemde, werkkring voor waarschuwing en vermaan, voor lof en blaam, voor bestraffing en vertroosting.
Eens de enge poorte door, glijdt een heilige Gods niet langs den weg des levens, gelijk een kogel door de lucht of een kegelbal langs de loopplank vliegt.
Integendeel, als er nu verder niets aan hem geschiedde, zou hij wel terdege terughunkeren naar Egyptes vleeschpotten en wel terdege, zij het al onder beloften van terug te komen, nog even weer de enge poorte uit- en de wereld willen ingaan.
En wel verre van op de heilige baan gestadig en rustig voort te schrijden naar het voorgestelde wit, zoudt ge Gods eigen kinderen bij hoopen zien stand houden bij de poorte; liefst even er door, om van hun zaligheid verzekerd te zijn, maar toch ook liefst zoo dicht mogelijk bij die poorte, om althans nog met aanschouwing van het oog van de wereld te kunnen genieten.
En daarom nu, omdat Gods kinderen, aan zichzelven overgelaten, liefst óf teruggingen óf talmden, daarom heeft Goddelijk ontfermen allerlei prikkel en allerlei zweepslag bereid, om de gerusten in Sion weer telkens te doen opschrikken, en ze voort te stuwen, voort te dringen, of de loop om de kroon door al Gods kinderen mocht worden voleind.
„Volstandig ten einde toe” is daarom het parool van den hoogsten levensernst, dat de Middelaar zijn jongeren reeds bij hun eerste uitzending meêgeeft; en als op Patmos zijn laatste woord tot zijn knecht Johannes weerklinkt, dan gaat nogmaals de last aan Christus' kerke uit: „Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de krone des levens!”
Neen, het is niet een door de enge poort glijden, om nu vanzelf te glijden al den weg lang. Er is voor Gods kinderen een worsteling weggelegd, een loop, dien ze te loopen, een kamp, dien ze te aanvaarden, dien ze te strijden hebben. Allerlei macht klemt zich aan hen vast, om hen van Christus af te trekken, en allerlei macht gaat van Christus uit, om hun geloof niet te doen ophouden. Zoo is er een worsteling om Gods kind tusschen Satan en Christus, en een worsteling in Gods kind tusschen zonde en heiligheid. En niet wie in dien strijd onderligt, maar wie overwint, dien zal gereikt worden het manna, dat verborgen is, en dien zal gegeven worden, met Jezus eens te zitten in den troon zijner heerlijkheid.
„Volstandigheid nu ten einde toe” eischt voortgang en is met stilstand onvereenigbaar.
Volstandigheid is voor Gods kind het volharden in zijn heilig opzet, om steeds nader bij zijn God te komen; om weg te vagen de nevelen, die het aangezicht zijns Vaders in den hemelen voor hem verborgen hielden; en om niet enkel in machtige en aangrijpende gebeurtenissen, maar in al den loop des levens den vijand zijner ziele af te weren, en te blijven nabij zijn God.
Niet alsof dit altoos gelukken zou, o, Ware er nooit een onderliggen, nimmer een uitglijden, nooit een verachtering in genade, er zou geen worsteling in het leven van Gods kinderen meer zijn; en zelfs waar het zoo langs een effen kabbelend stroompje schijnt voort te glijden, weet toch het hart het wel anders.
Maar dit is uw volstandigheid, dat ge, onderwijl ge wordt neergeworpen, reeds weer kermt, om door uw God te worden opgericht; dat ge onder het uitglijden de hand reeds weer grijpt, die u reddend wierd toegestoken; en dat ge, door wat list of strik ook van uw God afgeraakt, het buiten Hem niet uit kunt houden; en daarom nog van het klein gebergte en onder het neerdruischen van de watergoten, naar uw God roept, gelijk het hert schreeuwt naar waterbeken, die het niet meer ziet, maar toch klateren hoort van verre.
Bij een ingebeeld kindschap is er een enge poort van eigen maaksel, en, eens die poort door, is er voorts tot aan den dood toe niets dan een werkeloos nederzitten in zelfbehagende gepeinzen. Uit den dood tot den dood, zonder een reuke des levens.
Maar gingt ge de echte poort door, o, dan trilt en tintelt het voorts alles van leven en worsteling; dan is er strijd en onderliggen en een weer overwinnen al de dagen, dat God u nog het aanzijn op aarde vergunt.
En dan schittert ze ons tot troost en den naam des Heeren tot prijs, die van God gewerkte volstandigheid, waarvan de Christus het zijn jongeren toeriep: „Wie volstandig zal zijn tot den einde, die zal zalig worden”.