MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR. (continued 4)
Reading edition
Dan leert ge met den Psalmist smeeken: „Heere! behoed de deuren mijner lippen en zet een wachter voor mijnen mond!”
o, Zelfs eer ge bidden zult, is het u dan behoefte om te vragen, dat „uw gebed met onbedrieglijke lippen mocht gesproken zijn!”
En dan gaat het beter, en wordt het anders.
De ervaring getuigt er van en de belofte bezegelt het u.
Want, ja, er zijn er geweest, en er zijn er nog, wien God de lippen besneden heeft, wien Hij het venijn onder de lippen heeft uitgebrand, en van wier lippen voor nijd en bitterheid weer liefde en vrede afvloeide.
Als men u dan vloekt, dan zegent ge. En als men u wondt met haat, gaat ge in het gebed.
Kostelijke vrucht des Heiligen Geestes!
o, Heere! geef die vrucht des Geestes aan al uw kinderen, en ga de lieflijke reuk van de varren der lippen weer voor U op!
ZES-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
„HET GELD VERANTWOORDT ALLES.”
Het geld verantwoordt alles.
Pred. 10:19b.
Vooral onze negentiende eeuw is slavin van het Geld geworden.
Ook wel in vroegere eeuwen was het Geld een macht. Een macht, die den een in een vrek omschiep, den ander tot diefstal en moord verlokte, en een derde tot een verkoopen van lijf en eer bewoog; maar toch, het Geld was nog geen koninginne geworden.
Dit komt daar vandaan, dat de inklevende macht van het Geld, om, als leefde het, nieuw geld uit zichzelf voort te brengen en te genereeren, toen nog slechts in kindschen staat van ontwikkeling was. Wat men nu „de macht van het Kapitaal” noemt, leefde nog niet in het bewustzijn der volkeren. Het ging nog om klinkende munt.
Maar thans wierd dit anders. Onder den naam van Crediet heeft het Geld zijn schaduw, zijn beeld op den wand geworpen; en vergt nu, dat de zonen onzer eeuw, niet enkel voor het wezenlijk goud, maar ook voor deze schaduw van het goud knielen zullen.
Hierdoor heeft het Geld zijn rijk meer dan vertienvoudigd. Het Geld en zijn schaduw, of het goud en zijn crediet, maken nu saam de geldmacht uit. En gelijk ge door verderaf te gaan staan, uw schaduwbeeld al grooter, en eindelijk reusachtig groot kunt maken, zoo heeft het Geld deze zijn credietschaduw al grooter, al onmetelijker, al reusachtiger doen uitgroeien, en is, dank zij dezen aanwas van het crediet, allengs tot die oneindige afmetingen genaderd, die thans het Kapitaal den indruk doen maken van een afgod.
Men spreekt veel van de aanbidding van het gouden kalf. Doch ten onrechte. Wat Israel in de woestijn aanbad, was volstrekt niet de Geldmacht. Al wat Israel bedoelde, was een zichtbaar teeken van Jehovah voor oogen te zien, en daartoe maakten ze dit beeldje van goud; dat hun geen geld bracht, maar waarvoor ze integendeel hun geld offerden.
Maar wat thans wel insloop, het is de aanbidding van het Kapitaal, van het geld, in zijn dubbelen vorm van goud en crediet. Naar die macht hongert en hunkert schier een iegelijk. Voor wie die macht bezit, ontbloot een ieder eerbiedig het hoofd. Om die macht aan zich te trekken, en priester of priesteresse der fortuin te worden, is geen zedelijk offer in veler oogen te groot.
Ook Gods volk heeft hier op te merken.
En dan moet het belijden, dat ook deze schriklijke macht niet door Satan, maar door God geschapen is. Satan schept niets. Het goud in de mijn en het stofgoud op den bodem der stroomen is 's Heeren maaksel. Hij schiep het zilvererts. Zijns zijn alle diamanten en robijnen. En meer nog, alle gaven van scherpzinnigheid, vindingrijkheid en machtig beleid, waardoor de geldwolven de schoven van den akker der volken in hun schuur optassen, is verstandelijk vermogen, dat God in hen schiep, werken doet en in hen in stand houdt.
Ja, ge moet nog verder gaan. Het geheele denkbeeld van Geld, als een algemeen ruilmiddel, dat, in zichzelf tot het verschaffen van genot onbekwaam, toch het vermogen om u alle genot te verschaffen in zich draagt, is niet een booze vinding van den mensch, maar uit de ordinantie der schepping zelve voortgekomen. Eén waardemeter voor alle waardij lag in den aard der dingen.
Alleen maar, de mensch heeft ook deze macht misbruikt en doen ontaarden. Insteê van deze geweldige macht onder den band der gerechtigheid en der barmhartigheid te stellen, heeft hij deze macht aangewend, om te gaan zitten in Gods stoel, en zijn hart te zetten als Gods hart.
Een groot kapitalist, die met den stroom der wereld afdrijft, voelt zich als een god. Wat zou hem deren! Voor zijn geld kan hij alles! Voor zijn geld ligt heel de wereld aan zijn voeten; om zijns gelds wille aanbidt hem al wie van zijn geld leven moet.
In het Geld voer de hoovaardij, en toen eens de hoovaardij er in was gevaren, wierd het Geld middel om teugelloos aan zijn driften bot te vieren; anderen op den nek te trappen; en als een Djaggernaut de volken te vertreden onder de raderen van zijn zegekar.
Geld of God wierd de vraag, waarvoor onze eeuw op haar Karmel kwam te staan.
Wie zal God zijn? De Vader van onzen Heere Jezus Christus, of... deze schriklijke Mammon?
Nu kiest natuurlijk elk kind van God, als zoo de vraag staat, met Elia voor Jehovah. Maar werkt die keuze ook in het hart en in het leven door?
Reeds bij Israel waren er zoo velen, die op elk Pascha weer naar Jeruzalem trokken, maar om, als Pascha achter den rug was, in stilte weer naar de hoogten en naar de bosschen te sluipen, en daar de knie voor het Baäl-beeldje te buigen.
En zoo is het, helaas, nog.
Nog lichter gaat een kemel door het oog van een naald, dan een rijke in het Koninkrijk der hemelen. En ongelooflijk en onbegrijpelijk is het, wat tal van lieve Christenen nog altoos slaven en slavinnen van hun geld zijn.
Altoos meer schrapen. Niets wagen, als het geld in gevaar kan komen. En als er geld meê te verdienen is, een deur meer open in hun conscientie.
Een toenemen der zonde, die niet kon uitblijven. Want het is de zonde onzer eeuw, en de Christenen, die in deze eeuw leven, en niet toezien op de uitgangen van hun hart, moeten dus wel in veel verzoeking vallen. Maar een zonde, die deswege niet minder doodsgevaarlijk blijft.
Een doodsgevaarlijke zonde, let nu wel op, volstrekt niet enkel voor de groote kapitalisten, maar sterker haast nog voor den jongeling of de jongedochter, die niets heeft; en die alle rangen en standen der maatschappij derwijs heeft aangetast, dat dorst naar geld de allesoverheerschende trek is geworden.
Het geld boeit het oog; geld prikkelt de zinnen; geld vervult de gedachten; er wordt op geld gepeinsd en gezonnen; en de gedachte aan geld neemt zoozeer aller hart in, dat geld te winnen voor velen het rijkst ideaal, geld te verliezen een nagel aan hun doodkist wordt.
Van de loterijen, de speelbanken, de roekelooze speculatiën zwijgen we nu nog.
Wie zich daaraan bezondigt, is nog een schrede verder op den boozen weg. Dit zijn menschen, die in koortsachtigen gelddorst aan het ijlen slaan, tot God ze op hun weg ontmoet, hun plotseling uit de hand slaat al wat ze saamschraapten, ze zoo ontnuchtert, en weer op de knieën voor Hem brengt.
Wel mogen Gods kinderen daarom toezien, dat ze worstelen, om zich aan deze zonde te onttrekken.
En dat op allerlei manier.
Een kind van God moet tegen deze geldzonde de gelddeugd overstellen in milde barmhartigheid voor 's Heeren huis en voor al wie in nood is. Niet, dit versta men wel, door zijn geldafgod nog met het kroontje van weldadigheid te sieren, zooals velen doen, die ƒ 30,000 's jaars opleggen, en dan... eenige guldens aan de armen toewerpen. Neen, maar door welbewust en opzettelijk gedurig een stuk van den geldgod af te breken en het te vergruizelen op het altaar des Heeren. Nu Satan het geld tot zijn instrument maakt, moet Gods kind het geld dienstbaar stellen aan de macht des Heeren. Rijk, mild en overvloedig geven is genezing van een wonde in uw hart, is een uitgaan uit de verzoeking.
Daarom moet een iegelijk geven. Ook wie weinig heeft. Want allen hebben genezing van noode. En rijke kapitalisten, die reeds in het geld zwemmen, moesten nooit iets opleggen, maar al de winst van elk jaar geven voor 's Heeren dienst! Daar ontvingen ze het voor. Ze rentmeesteren den Heere.
Maar er is meer. Een kind van God moet dan ook weigeren meê te doen aan de zonde van hen, die een geldwolf alleen om zijn geld eere en invloed gunnen. Een man met geld, maar zonder liefde, zonder geloof, moet hem niets, en een arm kind van God, dat liefde en lof ten offer mengt, moet voor hem dierbaar en groot in zijn oog zijn.
Elk kind van God heeft toe te zien, dat hij nooit uit vrees voor schade ook maar in iets zijn Heere verloochene, of den dienst zijns Heeren onvervuld late.
Een kind van God moet om winste van geld niet te zeer verheugd, om verlies van geld niet te zeer bedroefd zijn.
Hij moet er los van wezen, en te inniger kleven aan zijn God.
Want hoe ge het ook wendt of keert, op die tegenstelling komt het altoos voor Gods kind weer neder.
Die Geldmacht is de afgod der eeuw, en Jehovah onze Gerechtigheid moet zijn God zijn. En dus moet ook ons geld aan de macht en het gebod, aan den dienst en aan de eere van dien God onderworpen.
ZEVEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
„VERGEET GEENE VAN ZIJNE WELDADEN.”
Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene van zijne weldaden.
Ps. 103:2.
Het is zoo gemakkelijk gezegd, en zoo licht gezongen: „Vergeet nooit éen van zijn weldadigheden; vergeet ze niet, 't is God, die ze u bewees!”
En toch, wat komt er van het herdenken van Gods trouw in ons leven, wat onder ons zingen, wat onder ons bidden vaak terecht!
Zoo soms, als we, bij een nieuwen mijlpaal van ons leven aangekomen, ons nederzetten om den weg te herdenken, dien we afliepen, is er zin en behoefte in ons hart, om ons althans de groote uitreddingen van ons leven weer tebinnen te brengen.
En wat is dan de eerste uitwerking van deze overdenking bij Gods kind? Is het niet, dat hij schrikt bij het opmerken, hoe hij tal zelfs van wondere uitreddingen schier geheel uit zijn geheugenis had laten wegvloeien?
Hij leeft nu weer terug in zijn verleden. Hij doorleeft nog eens met beving in het hart de bange stormen, die hij is doorgekomen. En nu komt het hem weer voor den geest, hoe hij toen worstelde om redding, nauwlijks op redding meer hopen dorst, en toen eindelijk toch die redding kwam, danken kon met een innigheid, alsof hij althans deze weldadigheid zijns Gods nimmer, nimmermeer zou kunnen vergeten.
En toch, nu hij er weer aan denkt, nu ontdekt hij tot zijn zelf beschaming, hoe er desniettemin twee, drie en meer jaren van zijn leven konden voorbijsnellen, dat hij er toch niet aan gedacht had, het toch uit zijn herdenking had laten wegglippen, en den herhaalden dank voor de verleende genade schandelijk had verzuimd.
En dat niettegenstaande hij sinds zoo keer op keer Psalm 103 had gezongen. o, Dan heette het weer uit de volle borst: „Vergeet niet éen van zijn weldadigheden!” en die dat zong, zong er zijn eigen oordeel in uit.
Helaas, zoo zijn wij, hulpelooze, koude, ongevoelige, zondige wezens.
God de Heere goed genoeg, om te worden aangeloopen in den dag der benauwdheid. Een heerlijk God, om in den nood onze Redder te zijn. En, o, zoo gretig zijn vertroostend aangezicht gezocht, als de ziel in ons overstelpt is.
Maar als Hanna haar kind maar heeft, of Hizkia maar weer van ziek gezond wordt, of Jonas maar weer uit het ingewand van het dier gered is, dan is het, of het vergeten van Gods weldadigheden ons opzet en het niet herdenken van zijn trouw onze toeleg was.
Ge zoudt zoo zeggen: zulk een angst had u zoo diep geroerd, zulk een wondere redding u zoo machtig aangegrepen, dat het niet uit uw gedachtenis weg moest kunnen gaan. En toch, niet lang meer, of heel andere dingen verdrongen de heugenis van de goedertierenheden des Heeren, en gij gingt in vergetelheid van zijn liefde uw weg.
o, Dat gedachtelooze roepen: „Heere! als Gij mij zult hebben uitgered, zal ik Uwer in eeuwigheid gedenken!” het getuigt zoo tegen ons.
Ons innerlijk wezen staat zoo diep zelfs beneden de gelofte, die over onze lippen kwam.
En dan viel er nu alleen nog maar sprake van die wondere, machtige, aangrijpende weldadigheden des Heeren, die zoo onuitwischbaren indruk op ons hadden gemaakt, en die op de hoogtepunten van ons leven ons dan ook weer overstralen met haar lieflijken glans.
Maar in ons zingen lag veel meer.
Wij zongen: „Vergeet nooit éen van zijn weldadigheden,” en we voegden er nog bij: „Vergeet ze niet, het is God, die ze u bewees!”
En nu nog eens de vraag: Wat is daarvan terechtgekomen?
Want er volgt, ja: „Die al uw krankheden geneest”, maar er gaat aan die herinnering van onze uitredding uit nood en dood nog iets heel anders vooraf.
„Vergeet,” zingt de Psalmist, „geene van zijne weldaden,” en dan volgt er onmiddellijk dit heel andere: „Die al uwe ongerechtigheid vergeeft.”
En nu, het is zoo, die „genadige vergeving van onze zonden” heeft op ons een minderen indruk van weldadigheid gemaakt; maar waarom anders, dan omdat de nood onzer ziel ons minder bang dan de angst voor doodgevaar beklemd had?
Want op zichzelf voelt ge toch wel, dat Gods weldadigheid in het „vergeven van al uw ongerechtigheid” nog veel machtiger was, dan in het redden van uw leven.
„Al uw ongerechtigheid”; o, wie zal uitspreken, hoe hoog die berg onzer zonden opgestapeld lag, en wie spellen, wie gissen, hoe machtig, hoe wonderbaar het ontfermen was, dat ons al deze ongerechtigheid vergeven kon en al onze zonde wegwierp in de diepte der zee!
„Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden. Want zoover het Oosten is van het Westen, zoover doet Hij onze overtredingen van ons!”
En dan, de allergrootste weldadigheid des Heeren, is dat niet zijn liefde, waarmeê deze Vader in de hemelen zijn verkorenen van eeuwigheid heeft gemind in den Geliefde?
En als Hij ook u dan deed komen tot de erfenis der vromen, wien de vreeze zijns naams bekoort, is dan niet juist daarin u een „weldadigheid” bewezen, die in lengte en breedte zeer verre alle andere „weldadigheid” uws Gods teboven gaat?
En toch, wie is er, die niet ook voor die weldadigheid den dank in zijn ziel vaak besterven liet, en ophield ook daarvoor te danken?
o, Dan genieten we wel in zijn heil, en we jubelen wel in ons kindsrecht; maar zoo, dat wij die vromen zijn, die ons nu aan ons heilgoed te goed doen, zoo maar niet er ons op verheffen.
Dan wordt het „kind zijn” ons gewoonte. Alsof het zoo bij ons hoorde. En alsof het ons niet uit louter barmhartigheid geschonken ware. En we vergeten, hoe we hebben tegengestaan. Erger nog, hoe we tegen zoo oneindige liefde in toch den Heiligen Geest nog telkens bedroeven konden!
En zoo mag het toch niet zijn!
Daardoor verarmt Gods volk aan rijkdom van genade. Waar het danken verstomt, versterft ook het diep besef der Eeuwige Liefde in ons binnenste.
De stomme lippen brengen een oordeel over onze ziel.
En daarom heeft de oude Psalmdichter zijn roepstem nog eens onder 's Heeren volk laten uitgaan, en het hun nog eens in de ziel doen dreunen, dat ze toch de weldadigheden huns Gods niet vergeten zouden.
En als ge in uw machteloosheid dan klaagt: „Niet éen van zijn weldadigheid vergeten, dat kan ik niet,” o, bid dan, bid dan met en voor Gods volk om indachtigmakende genade ook voor de weldadigheid uws Heeren.
En wat weldaad ge ook vergeten moogt, vergeet die éene weldaad, dat Hij uw ziel uit den dood in het leven bracht, nooit.
ACHT-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
„HET ONGOEDERTIEREN VOLK.”
Doe mij recht, o God! en twist Gij mijne twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.
Psalm 43:1.
Er is, Gode zij lof, nog een kring op aarde van lieden, onder wie goedertierenheid gekend wordt; die zich ontfermen over een ellendige; die den hongerige niet zonder brood van hun deur wegzenden; die bij het zien van anderer smart zelven smart gevoelen; en het weenen met de weenenden verstaan. Engelen der vertroosting, die ge meest onder de geloovigen, maar toch ook onder de ongeloovigen vindt. Gevoeligen van ziel, in wie de toon van het menschelijk hart zijn weldadigen klank blijft geven. Soms te zeer enkel gevoelslieden, dat meer weekhartigheid, dan de geestkracht eener heilige liefde hen drijft. Maar toch ook in dien eenigszins ziekelijken vorm goedhartigen van inborst, die, o, zooveel tranen gedroogd hebben, en temidden van het hebzuchtige en, o, zoo zelfzuchtige leven u vaak met uw geslacht hebben verzoend.
Maar, helaas, zoo is de groote menigte niet. De gemeene lieden worden zelden diep geroerd. Bij het zien en het hooren van menschelijk lijden sluipt er even een trilling door hun gevoel. Vluchtig worden ze een enkel oogenblik bewogen. Maar dan heeft het ook uit. Tot een eigenlijke aandoening zelfs komt het maar hoogst zelden. En om zich anderer lijden aan te trekken, hebben ze het te druk; deden ze te veel teleurstelling ook in het medelijden op; en wat ook iets zegt, hebben ze te zeer genoeg en te over aan hun eigen leed. En zoo ontwikkelen ze in hun ziel de ontferming niet. Het zoet der barmhartigheid is, o, zoo zelden, en dan nog maar even hoogst oppervlakkig, door hen gesmaakt.
Toch is er nóg erger.
Er is ook een „ongoedertieren volk” op aarde. Hardere naturen, die zelfs die eerste trilling van het medelijden niet kennen, en eer in hun boos en bitter hart in anderer leed vermaak scheppen.
In den diepsten grond van hun hart ontevreden met eigen lot, verbitterd tegen het leven om zich heen, is het hun een zoet der wrake voor de ziel, als het ook anderen tegenloopt en bij anderen de nood nog banger schreit. Het is, of anderer schreiender smart hún lot een oogenblik met een vriendelijker glans bestraalt.
Een leedvermaak, vermaak in anderer lijden, is de sombere, booze neiging van hun hart geworden.
Zóo bitter, dat ze drang in zich gevoelen, om, als ze geen leed zien, leed te veroorzaken.
Geluk te verstoren is voor dit ongoedertieren volk zoet.
Een wonde open te rijten is hun wellust.
Dan vooral geniet dit „ongoedertieren volk”, als het zijn hatenden zin koelen kan aan wie voor den Heere koos.
„Verlos mij van het ongoedertieren volk!” klaagde de Psalmist in zijn zielsbenauwing, en nóch eer hij zong, nóch na zijn zang, is er ooit een ziel geweest, die voor God riep en voor Jehovah streed, of ze heeft aan de giftige pijlen van dit ongoedertieren volk ten mikpunt gediend.
Toen Noach zijn arke bouwde, heeft dat ongoedertieren volk hem met zijn spot en schimp vermoeid. Toen Lot nog in Sodom woonde, heeft dat ongoedertieren volk dezen rechtvaardige gekweld. Toen David voor Absalom vluchtte, heeft dat ongoedertieren volk van Jeruzalem hem nageroepen. Toen Israel naar Babylon toog, heeft dat ongoedertieren volk in Edom het staan beschimpen en het stof der aarde tegen hen opgewoeld. Toen Stefanus als eerste bloedgetuige stierf, heeft dat ongoedertieren volk de steenen op zijn lijk opgehoopt. En toen de Man van smarten zijn kruis naar Golgotha's heuvel sleepte, heeft datzelfde ongoedertieren volk geroepen: „Zijn bloed kome over ons en onze kinderen,” en straks, nog terwijl Hij den bangen doodsstrijd streed, Hem getergd met zijn duivelschen spot.
En gelijk het den Herder der schapen gegaan is, zoo ook is het den schapen zijner kudde vergaan.
Lees maar, wat de historie, vooral de historie der martelaren, u van de wreedheid van dat ongoedertieren volk weet te verhalen.
En nog, ga maar rond onder Gods volk in onze steden en dorpen, en altoos weer zult ge het droef verhaal beluisteren van de hardheid van hart, waarmeê dat ongoedertieren volk zijn verblinde bitterheid aan de sekte van den Nazarener heeft gekoeld.
Zelfs onze kinderen weten daarvan.
Want datzelfde ongoedertieren volk zit ook op de schoolbanken, speelt ook de spelen der jeugd mede.
Och, waar ge aanklopt, in onze kazernen, op onze schepen, in onze kantoren, schier altoos is dat ongoedertieren volk er vertegenwoordigd, op krenking van wie voor Jezus kiezen dorst belust.
En dat kán niet anders.
Het is en blijft Kaïn tegen Abel. De innerlijk ontevredenen van hart, die, bewust of onbewust, door bittere vijandschap tegen den Heere onzen God gedreven worden, en nu ze God zelf niet deren kunnen, Hem pogen te treffen in den man, in de vrouw, in het kind, dat durft opkomen voor zijn Naam.
Voor een beest, dat lijdt, zullen zulke lieden nog een meewarig oog hebben; voor dieven en moordenaars zullen ze het verblijf in den kerker nog zacht zoeken te maken; voor gewonden in den krijg zullen ze het Roode Kruis nog om den arm spelden; alleen maar voor de gekenden des Heeren kennen ze geen ontferming. Tegen hen spitst al hun ongoedertierenheid zich op het uiterste.
Dan huwt zich hun wreede zucht naar leedvermaak aan hun vijandschap tegen het heilige. En zoo vlamt in hen op die diepe goddelooze haat, die er in geniet, om een Abel, een Lot, een Stefanus te krenken en zeer te doen. En dan gaat het, al naar de tijden zijn, tot moord toe, of het blijft bij kwetsing, kwelling, grieving, terging, om maar zeer te doen en, kan het, schade te berokkenen in eer en naam en goed.
Dan woedt er hartstocht in dat ongoedertieren volk.
Een hartstocht, die, pas verzadigd, straks opnieuw om voedsel vraagt, en eigenlijk nooit verzadigd, nu reeds zestig eeuwen gebrand heeft, van Kaïns nijd tot op den schimp, waaraan thans nog 's Heeren volk is blootgesteld.
Dit is een plage voor Gods volk. Een levensplaag, die hen vervolgt tot aan hun graf, en die soms na hun dood nog knaagt aan hun nagedachtenis.
Een plage, door menschen ons aangedaan, maar die komt uit Gods hand. Door Hem over ons beschikt. In zijn wijsheid voor ons noodig gekeurd.
En de vrage is maar, hoe 's Heeren volk onder dien druk van het ongoedertieren volk verkeert.
Het mag er tegen bidden. De Psalmist zelf gaat er in voor: „Heere! verlos mij van het ongoedertieren volk!” En wee u, zoo ge er ongevoelig voor wordt, en zoo uw ziel er zich tegen afstompt!
Maar wat niet mag, is, dat ge er bitter tegen in zoudt worden. Wat zonde voor God zou zijn, is, als ge er zelf ongoedertieren door wierdt, om leedvermaak in de smarten dier boozen te hebben.
De tegenstelling moet altoos blijven: zij het ongoedertieren, maar gij het goedertieren volk.
„Als dan uw vijand hongert, spijst hem; zoo hij weent, vertroost hem.”
Het kind moet het beeld zijns Vaders dragen. En Hij, onze Vader in de hemelen, is de ondoorgrondelijke in eeuwige ontfermingen.
In ontfermingen, immers ondoorgrondelijk niet het minst ook over u?
NEGEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
„MIJNE SCHAPEN!”
Mijne schapen hooren mijne stem.
Joh. 10:27.
Onze kerk belijdt in hare Confessie, dat heel de natuur om ons heen als een boek met letterkens is, „die ons de onsienlicke dinghen Godes ten aanschouwen gheven”.
En dit is schoon gezegd.
Maar toch kon men allicht nóg schooner zeggen, dat heel die wereld een boek met sprekende beelden om ons uitspreidt, die ons in heilige beeldspraak de verborgenheden van het eeuwige Koninkrijk, zoo er ons oog maar voor geopend is, ontvouwen.
Daar ziet Jezus langs Galilea's glooiende heuvelen een herder met zijn kudde omdwalen, en die schapen met hun witte wol boeien Hem; die schapen met hun lammerkens er bij huppelend; en opeens ziet Jezus, door dat uitwendige heen, in die kudde het wezen van zijn heilige kerk.
Hij, de goede Herder, en die kudde zijn schapen, die Hem volgen zullen, waar Hij ook henengaat.
Niet, dat Jezus er dat zoo bij dacht en bij manier van vergelijking het er van maakte.
Neen, Hij las het er uit; het stond er in;—in die kudde met haar herder stond, van het Paradijs af, het beeld van Christus en zijn kerk geteekend.
De Heere onze God, die in zijn eeuwigen raad het bestek voor zijn kerk had geteekend, was ook de God, in wiens denken het eerst het denkbeeld van zulk een kudde met haar herder was opgekomen, en toen schiep Hij die kudde en in die kudde de lammeren en de schapen, en in die schapen de natuur der schapen, en onder die schapen onderling en met dien herder een ongedwongen en instinctief levensverband, en dit alles schifte en ordende en regelde Hij, naar het wezen zijner kerk moest zijn.
Zoo lag dan in die kudde het beeld der kerk van het Paradijs af geteekend.
En nu, iets had de Heilige Geest hiervan reeds in David en in Psalm 23 en bij Zacharias en bij Ezechiël laten merken.
Maar toch, die het er in las, en het er aan zijn kerk in lezen leerde, was de Heere.
„Ik ben de goede Herder en Ik ken mijn schapen,” dat was het voorlezen aan zijn kerk van wat in dit keurig beeld der kudde bij de schepping bedoeld was en van de schepping er lag.
Als God de Heere ons zulk beeld geeft, is het zoo rijk en zoo schoon.
Of als die schapen der kudde op elkaar dringen en niet van elkaar te scheiden zijn, zoodat waar het eerste schaap gaat al de andere opeendringend volgen en nakomen, en ge uit de verte éen veld van witte wol ziet, en nauwlijks schaap van schaap onderscheiden kunt, spreekt dan daarin de liefde niet, die teedere, innige, aanhankelijke liefde, die de leden Christi verbinden moet? Heeft dat dan aan de kerk niets te vertellen van „de gemeenschap der heiligen”? En als dan de zonen van hetzelfde huis zoo vaak verdeeld uiteenloopen, elk naar een kant, gaat er dan van het instinct dier kudde niet een roepen uit, dat u een verwijt brengt en u beschaamt?
Hebt ge in streken, waar kudden van duizend schapen en meer samen weiden, des morgens bij het uitgaan uit den schaapstal het vroolijk blaten wel eens beluisterd? En is dan dat blaten als met éen stem, met éen geluid, niet als de morgenpsalm met éen akkoord door heel de kudde voor heur Schepper aangeheven? En ook die éene stem, die zich uit aller keel saampaart en als met éen akkoord door de velden dreunt, heeft zij geen sprake voor de kerke Gods, dat ook zij in veel hooger zin als met éen stemgeluid en in éen heilig akkoord haar lofpsalm voor haar God heeft te jubelen?
Duiken niet, als de kudde langs een beek wordt geleid, al die vriendelijke kopjes neêr, om aan eenzelfde stroomend water zich den dorst te lesschen, en als er maar plaats is, plukken ze dan het groene gras niet van eenzelfde weide?
En als ze zich moê hebben gehuppeld en de zon gaat hoog staan en het uur van ruste is gekomen, leggen ze zich dan niet allen saam als in éen kring om den herder neder, half tegen elkaar aangedoken en als leunend op elkaar?
En dit wondere instinctieve liefdeleven, die gemeenschappelijkheid, dat instinctief gezellige en saam doorleefde leven, is het niet een beeld, heeft het niet een sprake Gods, die het „Vader! dat ze allen éen zijn mogen!” zoo wonderschoon voor ons vertolkt?
En dan die ongeziene en toch zoo sterke band aan den herder!
Schier elk ander dier vindt zijn eigen weg; maar het schaap en het lam is zonder den herder blind, en kent niets, en komt om!
Die herder hoort bij de kudde, zooals uw hoofd bij uw lichaam hoort, zullen de leden werken kunnen. Zonder dien herder zijn het losse schapen, maar is het de kudde niet. Het is die herder, die ze tot kudde maakt.
En zooals er bij Ezechiël van de raderen der cherubijnen staat: „Waar de Geest ging, daar gingen zij”, zoo ook is het met de kudde achter den herder: „Waar de herder gaat, gaat de kudde na.” Het is éen beweging, die zich van zijn voetstappen aan heel de kudde meêdeelt. Het is, of hij leeft in die kudde en macht over ze heeft om ze in beweging te zetten.
En dat niet, omdat er een mensch voor hem uitgaat. Beproef het maar, om bij een u vreemde kudde voor herder te spelen, en geen schaap komt van zijn plaats. Vreemd blaten ze u aan; maar hun instinct belet u, macht over hen te oefenen.
Totdat de herder komt, en dan opeens toovert die herder leven en gang in die kudde en alles trekt meê op.
En dat merken ze niet aan zijn kleed of gewaad, aan zijn staf of zijn hond. Want trek hem vrij andere kleederen aan en geef een anderen staf in zijn hand, en toch, als ze zijn stem maar hooren, gaat op eenmaal heel de kudde hem achterna.
En nu, wat is dit wondere instinct? Waartoe schiep de Heere dit aan zijn kudde in? Waarom anders, dan om ook daarin zijn Goddelijke teekening te volmaken, en de kerke Gods als in beeld te doen zien, wat het tusschen haar en den Oppersten Herder harer ziele moet zijn?
Aan Hem gebonden en aan Hem gewend en Hem volgend door niets dan door de macht van zijn Woord!
En dan die wolf, die komt en de schapen moorden wil, en die huurling, die haastig over de heining klimt en schapen wil stelen; en tegenover beiden die echte, wezenlijke herder, die om niets dan om zijn kudde denkt, en voor ze waakt en strijdt en zich desnoods door den wolf verscheuren laat!
o, Die goede Herder, die zijn leven voor de schapen stelt, en zóo niet ziet, dat de wolf uw ziel wil bespringen, of Hij is bij u!
Ja, als de wolf u reeds in de vacht had gegrepen, dan laat Hij u nog niet los, maar omklemt u en houdt u met zijn sterke hand, en noch wolf noch huurling kan u uit die sterke hand losrukken.
Dat merkt de wolf, dat merkt de huurling dan ook wel, en als wolf of huurling den Herder er bij ziet, durven ze niet. o, Blijft bij Jezus maar en laat Jezus bij u blijven, dan zijt ge niet maar veilig, maar komt zelfs de Verleider niet op u aan.
En dan, als ge afgedoold en verloren waart, die Herder, die u opzoekt en niet rust, eer Hij u weer heeft gevonden, en u op zijn schouders naar de kudde terugdraagt.
En, om niet meer te noemen, bij die kudde de teere lammerkens, die als het zaad der kerk zijn, en die nog niet zelf grazen kunnen, maar met melk gevoed worden.
o, Is het toch niet heerlijk, in zóo éen levend beeld heel het wezen en leven en lot en heil van de kerke Gods voor oogen te zien?
Dat we dan toch maar schapen der kudde wilden wezen en noch ooit dien Herder noch ooit de aanhoorigheid tot zijn kudde vergaten!
Het is zoo, een schaap geldt voor onnoozel en een schaap is weerloos en hulpeloos.
Maar is er zoo ook niet een erkentenis van eigen geestelijke blindheid en hulpeloosheid en weerloosheid, waartoe het bij u komen moet, zult ge in de kudde Christi een plaats vinden?
Een schaap der kudde te zijn, o, het klinkt vernederend, en toch dát juist is het, wat uw Herder van u vraagt.
VEERTIGSTE ZONDAG.
„ALS KAF VAN DEN DORSCHVLOER!”
Daarom zullen zij zijn als eene morgenwolk, en als een vroeg komende dauw, die henengaat; als kaf van den dorschvloer, en als rook uit den schoorsteen wordt weggestormd.
Hosea 13:3.
Er ligt een onbeschrijflijk diepe ernst in dat zeggen der Schrift, dat een mensch, die Jezus niet toebehoort, als kaf op den dorschvloer is.
Kaf is niet onnut, vuil, noch weg te vagen stof. Veeleer is kaf eens bloeiend groen aan den halm geweest.
Er wierd in de opgeploegde voren tarwegraan door den zaaier gestrooid en de egge trok de voren weer glad. En toen broeide de zaadkorrel in den bodem der aarde; en uit die korrel sproot de kiem op; en die kiem schoot tot een halm omhoog; en aan den top van dien halm botte de aire uit, en in die aire geelde het kostelijk graan.
Daarna is de maaier op dat goudgeel graan ingegaan, en sloeg er den sikkel in, en bond het in schooven. En zoo kwam de schoove op den dorschvloer, en de dorscher sloeg er de graankorrels uit de hulzen. Toen lag het daar onderscheidenlijk, los de graankorrels, en daarom hetgeen van aire en halm was overgebleven, en dat overgeblevene was het kaf.
Straks komt de wanne, en kaf en koren liggen voor het laatst vereenigd op de gespannen vacht; en op die wanne blijft dan het wichtig graan liggen en wordt in de korenmaat opgevangen; maar het kaf is te licht bevonden, en verstuift bij het schudden op den wind, of wordt straks in een hoek weggeworpen.
Eens heeft datzelfde kaf dus tier en sap gehad. Eens groende het aan den halm rijk en weelderig, en stal veel meer het oog dan het graan, dat in de huls verborgen zat.
o, Hoe scheen, wat nu kaf wierd, toen schoon en sierlijk!
En nu, waartoe anders is het nut, dan om te verstuiven op den adem des winds, of met vuur verbrand te worden?
Er is meer nog.
Wat op den dorschvloer als kaf wegstuift, was aanvankelijk met het tarwegraan zoo innig dooreengevlochten. Ge kondt niet zeggen, waar het kaf uitscheê en het tarwegraan begon. Het was al aan éen halm; saam éen plante. En niets scheen aan te duiden, dat het met kaf en koren een zoo geheel onderscheiden afloop zou hebben. Ze schenen lotgemeen; en toch op den dorschvloer heeft dat een einde. Dan komt er onherroepelijke schifting, en gaat het koren in de schuur en is het kaf voor het vuur.
Zooals Jezus het van die twee op den akker zeî: „Twee zullen op den akker zijn. En de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden!”
Dat is de schriklijke schifting tusschen koren en kaf.
Die twee waren misschien een vader en een zoon; een dochter en haar moeder. Twee, die bijeenhoorden; die elkaar liefhadden en omstrengelden; die elkaar hielpen en gesteund hadden. Juist zooals het kaf het koren doet. Want, merk er op, het kaf is de moeder en het koren de dochter. Eens heeft die huls en spriet en halm het koren, het sap uit de aarde toegevoerd; dat koren geschut voor de felle zonnestralen.
En toch, zooals Jezus zeî: „De eene wordt aangenomen, en de andere zal verlaten worden,” zoo ook gaat het op den dorschvloer. De dorscher neemt het koren aan en brengt het in zijn voorraadschuur, en het kaf laat hij.
Het kaf is voor den wind. Of als het voor den wind te wichtig is, wordt het straks een prooi der vlammen.
Toen de Heere bij Hosea van dat „kaf op den dorschvloer” sprak, gold zijn zieldoordringend woord dan ook niet den Kanaäniet, noch den Tyriër, maar Israel. Lieden, die het bondszegel droegen, gesproten uit Abraham, en die bij Dans en Bethels altaren nog zeer vromelijk voor den Heere Jehovah op de knieën vielen, ook al symboliseerden ze Hem in een miniatuur-rund van goud.
Denk dus niet: het kaf slaat op de wereld en het koren zijn wij. Van de wilde massa, die zichzelve op goddelooze paden verliest, is hier geen sprake. Lieden, die brutaal-goddeloos zijn, kunnen geen kaf heeten; want het kaf zit met het koren dooreengevlochten, en de ruwe, wilde wereld woont op mijlen afstands van de tente, waar de aanbidders van Jehovah saamkomen.
Kaf en koren doelt altoos op menschen, wier leven dooreengestrengeld is; aan wie men het zoo niet aan kan zien, dat de eene koren is en de andere kaf. En het sterkst doelt dus dat vreeslijke zeggen van het „kaf op den dorschvloer” op de hypocrietisch-vromen, die onder de echte vromen vermengd en verstrengeld zijn.
Die mannen uit Israel, op wie Hosea in Jehovahs naam dat brandmerk van „kaf op den dorschvloer” zette, waren dan ook nog aanbidders van Jehovah,—alleen, ze dienden er den Baäl bij.
Wel den Heere dienen,.... maar een aantrekkelijken afgod er bij.
Gedeelde harten; gesplitste zielen; tweeslachtige en daarom huichelachtige naturen. Neen, niet Jehovah geheel verlaten. Jehovah óok. Maar natuurlijk, dan moest Baäl er bij geduld worden.
En Baäl nu, dat is de dienst van den lust, van het vleesch, van het geld, van al wat ijdel is en bekoort in de wereld.
En die zoo knielt voor Jehovah en toch zoo Baäl nahunkert, die is kaf. Vlak bij het koren. Er meê dooreengevlochten. Tot het op den dorschvloer komt. En dan komt er de onnutheid van aan het licht. Dan gaat het ten vure!
Kaf en koren! Het legt de vraag van uw eeuwig in Christus verkoren zijn zoo snijdend aan uw hart.
Van der Groe gaf eens zijn Toetssteen uit der valsche en ware genade, om de onzekerheid weg te nemen. Hij zag tweeërlei gevaar. Tobbende zielen, die altoos vreesden kaf te zijn, en die den troost der verlossing dierven, daar ze toch koren waren. Maar ook anderen, die er vast op gingen koren te zijn, en toch zoo vreezen deden, dat ze kaf op den dorschvloer zouden blijken.
o, Het gezelschap der gezaligden in den hemel zal zoo veelszins anders zijn saamgesteld dan wij het ons hadden ingebeeld. Er zal er zoo menigeen bij zijn, van wie wij het nooit gedroomd hadden. Vooral uit de vroeg gestorven lievelingen zullen we bloemen ontloken zien, aan wier geur we ons nooit hadden verkwikt. Maar ook, er zal zoo meer dan éen gemist worden, op wie wij bergen gebouwd hadden.
Als de Heere schift, is het zoo heel anders dan naar de schifting der menschen. De zeven duizend onder Achab, van wie Elia nooit iets gemerkt had. Och, wie zal zeggen, wat er soms, bij reeds geloken oogen, nog tusschen het Eeuwige Wezen en de stervende ziel, eer ze stierf, omging!
Maar maant dit dan niet de gerusten in Sion, om weer telkens de verfrissching van hun zegel te zoeken? Maant het niet, om onder uw huis den grond, waarop het staat, eens nauwkeurig te bezien, of het wel de Rotssteen is, en niet de bedrieglijke zandgrond, die, als de waterstroomen komen, wegkruit, afslaat en verzinkt?
Ge zijt aan de plante vast; wel u, maar dat was ook het kaf eens. Ge leeft dicht bij de vromen; maar doet dat ook het kaf niet bij het koren? Ge beschut Gods kerke; maar eilieve, heeft ook het kaf met zijn huls en spriet het koren niet gedragen?
o, Denk toch aan den dorschvloer!
Dagen, weken, maanden lang tiert het stil en rustig op den akker. De sikkel ligt te roesten, de dorschvlegel is opgeborgen, de wanne is vol stofs.
Het schijnt aan geen dorschen toe te komen.
Maar eindelijk, eindelijk breekt de dag des oogstes toch aan. En nu verandert opeens alles op den akker van gedaante. De rust heeft uit. De sikkel doet de halmen buigen. En in haaste dragen de maaiers schoof bij schoof uit.
En nu viert de dorschvloer zijn triomf, en de schijn van het kaf heeft uit, en het koren wordt uitgescheiden, en het kaf verliest alle waardij. Bij busselen vol gaat het ten vure.
De dorschvloer der geesten nu komt even wis, als ook deze velden hun vrucht zullen voldragen hebben.
Dan is het de ure des oordeels. En dan zal de Zoon des menschen staan men de wanne in de hand, om zijn dorschvloer te doorzuiveren.
Lezer! hebt ge grond, vasten grond voor uw zekerheid, dat gij dan geen kaf op den dorschvloer, maar koren op de wanne zult zijn?
EEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
„DE HEERE ZAL MIJ AANNEMEN!”
Want mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen.
Psalm 27:10.
Vader en moeder nog te hebben is een schat, ook op mannelijken leeftijd; zelfs dan, als uw hand reeds eigen brood won; en u voor de nooddruft uws levens niets van uw ouders meer toekomt.
Ge leeft dan wel niet meer bij hen en onder het ouderlijk dak. Gij bouwdet uw eigen huisje en werktet misschien zelf reeds voor vrouw en kinderen, die u geschonken werden. Maar ze zijn er dan toch nog, die vader en die moeder, uit wier vleesch en bloed u het vleesch en bloed toekwam en uit wier hand en liefde ge zoo lange jaren geleefd hebt.
Maar, helaas, ook die rijke schat is niet bestemd om altoos duurzaam te zijn, en voor den een vroeger, voor den ander spade, slaat ten leste het somber uur, dat vader en moeder den laatsten adem uitbliezen, en nu de grafzerk hen dekt.
En dan hebben ze ons verlaten en zijn heengegaan; God geve, naar zaliger gewesten en tot hun eigen gewin. Maar wij hebben ze niet meer, en dat stille rustpunt voor het leven, dat het denken aan het ouderlijk huis nog bood, is dan weg. Een ander inwoner trad er in, en heeft voor ons teeder gevoel dit huis ontheiligd.
En dan weten we wel, het moest zoo en het kon niet anders. Maar toch, het laat een leemte, het slaat een wonde, die niet geneest, in ons hart. En als ten leste reeds lange de nachtwind over het graf van vader en moeder is heengegaan, kan nog, bij het denken aan onze lieve ouders, zulk een pijnlijk heimwee ons door het hart schrijnen.
Zoo had ook David, lang na Isaï's dood, nog zoo vaak heimwee naar zijn vader, die van hem ging; maar, en dat is het heerlijke, dit verleidde den Godsman niet, om sentimenteel bij de groeve te gaan weenen.
Neen, de man naar Gods harte kende een beteren en een hoogeren uitweg.
„Mijn vader,” zoo zong hij in zijn weemoed, „mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten; maar ik heb een anderen Vader in den hemel; want de Heere zal mij aannemen, d. w. z. aannemen als zijn kind.”
In een vaderlijk huis worden we geboren en naar een Vaderhuis gaat de gezaligde door zijn sterven heen.
Goddelijk schoone speling van de heilige ordinantie onzer schepping.
Niet bijgeval is het, maar een heilige ordinantie, dat we uit vader en moeder geboren wierden. Het had ook anders kunnen zijn. God de Heere had ons allen stuk voor stuk, evenals Adam, uit het stof der aarde opeens volwassen kunnen scheppen. Maar dat wilde de Heere niet; dat deed Hij niet. Neen, Hij bestelde het door zijn wondere macht in dier voege, dat Hij het beginsel van den mensch, die komen zou, inschiep in den mensch, die er reeds was, en zoo den eenen mensch uit den anderen deed geboren worden.
Zoo ontstond op aarde een vader en moeder.
Ze wierden dit niet door eigen keuze; maar door en krachtens deze heilige ordinantie des Heeren, en tegelijk wierd door diezelfde ordinantie de mensch, die nu volgde, kind.
God heeft Adam vader en Eva moeder; Abel kind gemaakt, en sinds datzelfde wonder alle eeuwen door herhaald.
Het was in Gods gedachte, eer het op aarde verwerkelijkt wierd, en lang eer het eerste menschenhart in vader- en moederweelde van kindervreugde blij geklopt heeft, had God de Heere deze geboorte en dezen band en deze weelde bedacht en zich voorgesteld.
Ook al wat uit die geboorte en band en die weelde later uitvloeide, was dus in Gods bestel besloten en is uit dit bestel ons toegekomen.
Die inrichting, dat het kind eerst volkomen machteloos is, en zoo weer sterven zou, zoo het niet geholpen wierd; die moederborst, die gereed is, om de dorstige lipjes te besproeien; die sterke aanhankelijkheid van de jonge kraamvrouw aan dat wichtje; dat tobben met het kindeke, eer het iets spreken of loopen kan; die arbeid, die er in het zweet des aanschijns voor moet afgesloofd, om het te kleeden en brood te geven; en straks te ontwikkelen, iets te doen leeren, en te vormen; en wat ge er uit de ziekekamer en het bidvertrek nog bij kondt voegen,—dat alles ligt als in kiem in die éene gedachte Gods: een kind uit een vader en moeder.
En als nu straks ook in dat kindeke besef ontwaakt van wat het is, een vader te bezitten en een moeder rijk te zijn, en er vormt zich aanhankelijkheid en verkleefdheid, trouw en liefde, volgzaamheid en gehoorzaamheid, kortom die duizend banden, waarmeê het kinderlijk besef aan vader en moeder verbonden is, dan is ook die weelde van het hart niets dan uitvloeisel uit de Goddelijke gedachte. Altegader goede gaven, van Boven van den Vader der lichten afdalende.
Maar hierbij blijft het niet.
Neen, God de Heere riep al dit schoons niet uit niet tot aanzijn, als een bloem des velds, die eerst wel sierlijk pronkt, maar straks verwelkt.
Neen, deze heilige ordinantie van den vader en het kind heeft hooger, heeft eeuwige beduidenis.
God schiep den mensch naar zijn beeld, naar den beelde en de gelijkenisse Gods schiep Hij hem. Let wel, niet enkel in zijn persoon, maar ook in zijn optreden. En als straks de eerste mensch vader wordt, is dit aardsche en vergankelijke vaderschap niets dan een afdruksel van het eeuwige Vaderschap des Heeren Heeren.
En al wat er nu in dat vaderschap op aarde uitkomt, is niets dan afdruksel, afschaduwing, afbeeldsel van dat eeuwige Vaderschap Gods. Alleen het splitst zich. Adam deelt zich in Adam en Eva. En de rijke volheid van het Vaderschap des Eeuwigen valt in het vader- en moeder-zijn uiteen, om saam in zijn onderlinge verbinding af te beelden en te vertolken het uit God geteeld en geboren worden; het door God gedragen en getroeteld worden; het door God gevoed en verzorgd worden; het door God gekleed en gedekt worden; het door God gevormd en ontwikkeld worden; ja, het gemind en geliefd worden door den Vader, die in de hemelen is.
En zoo ook omgekeerd, als God Abel kind maakt, en na hem alle mensch eerst kind maakt, dan heeft ook dat kind-zijn eeuwige beduidenis. Want ook dat kind-zijn uit vader en moeder is niets dan afdruksel en afschaduwing van wat ge zijn moet voor uw God. Afbeeldsel, opdat ge in deze schilderij van het huisgezin zoudt zien en er van zoudt leeren, hoe ook gij u door God hebt te laten dragen en voeden, alleen voor uw God hebt te leven, en voor uw God hebt te staan in die verkleefdheid en aanhankelijkheid, in die gehoorzaamheid en volgzaamheid, in die trouw en die liefde, die ge aan „vader en moeder” geleerd hebt.
Worden nu „vader en moeder” ten grave uitgedragen, dan houdt die heilige leerschool op; want leerschool was ze; meer niet. Dit alles moest teniet gaan en zich terugtrekken, om eindelijk het volle schoon der werkelijke, eeuwige liefde te doen doorbreken, als Hij u tot zijn eigen kind zou gemaakt hebben, en ge Hem, den Heere, als uw wezenlijken en eeuwigen Vader zoudt hebben leeren minnen.
Zoo werkt de natuur voorbereidend en afbeeldend voor de genade!
En als dit eenmaal mag beseft worden, dan treurt het kinderhart niet in wanhoop bij het graf, dat vader en moeder omsluit; maar dankt het voor de liefdeweelde, die het genoot, en meer nog voor de heilige les, die het in die liefdeweelde geleerd heeft, om nu eerst recht wezenlijk kind te worden, en nu tot zijn wezenlijken Vader te komen.
„Mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij [tot zijn kind] aannemen!”
Kind te zijn is onze eeuwige roeping.
Indien gij niet wordt als dit kindeke, voor u geen zaligheid!
En nu maakt de Heere ons eerst kind van onzen vader, die ons gegenereerd, en van onze moeder, die ons gebaard heeft. En dan ontwaakt al spoedig het streven, om den kinderschoenen te ontwassen, en geen kind meer te zijn.
En dat moet; want het eerste kind-zijn kon niet duren en is voorbijgaand.
Maar dan ontsluit God de Heere allengs het oog voor het eeuwige kind-zijn, en in zijn wondere liefde wordt Hij u als een eeuwige Vader openbaar.
Dit is dus de samenhang tusschen dat vergankelijke en dat eeuwige kindschap.
Die aardsche kinderweelde de afschaduwing en de teekening, het bestek en de aanduiding van wat het eeuwige kindschap wezen zou.
En zoo werkt alles harmonisch op elkander.
Als kind geboren, om eens als kind van een beteren Vader te sterven, en eeuwig in het Vaderhuis daarboven kind van den Vader in de hemelen te zijn.
TWEE-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
„IN EEUWIGHEID NIET DORSTEN.”
Maar zoo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.
Joh. 4:14.
Het water is in zijn kabbelen en perelen, in zijn wellen en vloeien, in zijn schuimen en bruisen een der schoonste stukken uit de schepping onzes Gods.
In alle vormen voegt het zich. Als damp wordt het vervluchtigd; straks tot sneeuw en hagel, tot rijm en ijs verhard.
Het besproeit den akker; het verfrischt den dampkring, het draagt de scheepkens, het omsluit het heir der visschen, het reinigt wat bezoedeld is; het lescht den dorst.
o, Dat wondere water, dat oor en oog en tong gelijkelijk weldadig aandoet, het kan vreeslijk worden; want als de golven worden opgestuwd, schrikt de schepeling; en als het breekt door dam en dijk, vernielt het hoeve en akker; maar in zijn aard is het water zegenend, reinigend, benedijend. In ons lage land, waar schier alles water is, waardeert ge dien wonderen rijkdom niet zoo; maar in hooger streek, waar het schooner uitkomt en meer moeite vergt voor zijn genieting, is het water een natuurpracht, een zegenende engel, een weelde der volken.
En dat rijke, schoone water, in welks spiegel de natuur al haar weelde afkaatst, dat water koos de Heilige Schrift ten beeld voor het ruischen van uw geestelijk leven.
In uw heiligen Doop is dat sterksprekend beeld ook aan u persoonlijk beteekend.
„Dorsten” is de vaste Schrifttaal voor wie dat geestelijk goed zoekt en derft.
En Jezus zelf sprak het immers tot de Samaritaansche waterputster uit Sichar: „Wie drinkt van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal niet dorsten in eeuwigheid.”
Ja, noemt niet de Eeuwige zelf zich in zijn Godspraak „een Springader des levenden waters”? (Jeremia 2:13.)
Op velerlei wijs biedt het water zich u aan voor uw dorst: Water, dat vliet; water, dat vanzelf welt, en water, dat ge putten moet.
Water, dat welt, leeft. Het is niet in ruste, maar borrelt aldoor op. En dit wellend, levend water vooral koos de Schrift u ten beeld voor den stroom, die geestelijk door de wereld der menschenkinderen trekt.
Komt ge nu in een bergstreek, gelijk Jezus bewoond heeft, dan spreekt dit beeld u, o, zoo wonderbaar toe.
In zulk een streek heeft niemand water in huis. In huis geen put of pomp of waterleiding. In het gansche huis geen drup waters, dan voorzoover het in kannen of vaten is aangedragen.
Maar middenin het dorp is de bron, staat de fontein, springt de springader. En naar die bron komt een ieder met zijn vuil geworden kleeding, en wascht ze; en komt een ieder met zijn leege kruik of kan, en vult die;—of ook, wie dorst heeft, legt zijn lippen aan de opening, waar het water uitborrelt, en drinkt.
Schoon en heerlijk beeld van den Zoon des menschen, die in het midden zijner gemeente staat. En tot Hem komt elke getrokkene om rein te worden; en tot Hem, om zijn dorst te lesschen, en tot Hem, om water te verzamelen, dat hij uitdrage naar zijn huis.
Maar lang niet elk dorp op de bergen is zoo gelukkig, om althans éen zoo sterk wellende fontein van levend water te bezitten; en in de Schrift leest ge telkens, en zoo ook bij Sichar, van een welput, waar het water niet uit opborrelde, maar uit geput moest worden; en wee hem, dien dorstte en die bij deze bron zat, maar niet had, om mede te putten!
Geestelijk genomen is dan de stroom des levens wel nabij u, en wel is in u de dorst, en de kennis van het oog, dat uit die bron u de lessching moet komen; maar de macht des geloofs ontbreekt, en met het oog op het water daar in de diepte, vergaat ge van dorst.
Maar hetzij die Springader reeds vanzelf voor u opborrelt en u als overvloeit met zijn wateren, hetzij ge nog puttende zijt, om met moeite u den beker te vullen, toch is die Fontein van wateren buiten uw eigen woning nog het hoogste niet, wat God u beschikt heeft.
o, Als in zulk een dorp, waar geen druppel waters in eigen huis is, en het al elken morgen, elken middag en elken avond weer in kruik en kan moet aangedragen, een vreemdeling, van buiten komend, eens met toovermacht een eigen fontein in ieders huis kon doen ontspringen, hoe zou al het vermoeide volk in luiden jubel uitbarsten en hem zegenen, dien brenger van hun geluk.
En zoo toch is het hier.
Uw Heiland wil u levend water in uw eigen woning doen ontspringen, dat ge met de Samaritaansche, maar in geestelijken zin, roepen zoudt: „Heere! geef mij van dat water, dat ik niet meer hier behoef te komen om te putten.”
Niet meer als op Sion, het heiligdom daar verre, en daar hoog alleen de beekjens, die verblijden de stad Gods, maar aanbidding in geest en waarheid; niet meer in Jeruzalem of bij den put Jakobs, maar in ieders huis en hut en stulp; overal waar harten voor zijn glorie kloppen, en waar zijn Woord den dorst der zielen lescht.
En toch, ook dat was voor den rijkdom van Gods genade nog niet rijk genoeg.
Nóg sterker zegt Jezus het: Het water, dat Ik u geven zal, zal niet maar in uw eigen huis, maar in uzelven, in uw persoon, in de diepte uwer eigen ziel, worden tot een fontein van wateren; en in wien het alzoo wierd, dien kwelt geen dorst meer in der eeuwigheid.
o, Wel u, zoo het ook in uw eigen zielsleven tot dat hoogste mag gekomen zijn.
Niet alleen, dat de Fontein welt en de wateren uit de Springader daarbuiten ruischen; en ook niet enkel, dat er een springader van geestelijke wateren in uw eigen woning, middenin uw eigen gezin ontsprong; maar rijker nog, dat het tot in uzelven doordrong; dat er leven onder den bodem uwer eigen ziel ging ritselen; en dat binnenin u de wateren uitborsten, die het dorstig land overvloeiden, en u drenkten en u zoo zalig genieten deden in de weelde uws Gods.
Christus niet maar in het midden der gemeente; Christus niet maar in het midden van uw huiselijk leven; neen, maar de Christus binnenin u; woning in u makende. De Springader des levens altoos nabij!
Want ook dan komt er nog wel trek naar en behoefte aan die geestelijke wateren in u op; maar het wordt geen pijnlijk dorsten, geen branden van de lippen meer; want eer ze branden konden, heeft de liefde Christi ze reeds besproeid.
Een Fontein van levende wateren, en dus nooit meer een dorst, die brandt en verschroeit, dan door schuld van eigen ongeloof. En, zelfs onder dat ongeloof en kleingeloof door, Christus in u toch in het verborgene den wortel van den stam uw levens besproeiende.
o, Dat is het zalige.
Bij wien het zoo is, dien dorst niet meer in der eeuwigheid.
DRIE-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
„UWE GLASVENSTEREN KRISTALLIJNEN.”
En uwe glasvensteren zal Ik kristallijnen maken, en uwe poorten van robijnsteenen, en uwe gansche landpale van aangename steenen.
Jes. 54:12.
Het glasvenster is de opening in den wand, waardoor ge uitziet naar buiten. Is het glas van dat venster met ijsbloemen bevroren, dan glinstert en spiegelt het, maar geeft geen doorzicht. Is het met vocht bevlekt en met stof bezoedeld, dan vervalscht het uw uitzicht en tint alles somber en grauw. Maar ook, is het glas in uw vensteren zuiver spiegelglas, zonder spat of vlek of verwering, en is dat zuivere spiegelglas van binnen en van buiten volkomen glad en stofvrij, dan laat het uw blik niet alleen door, maar dan leent het glans aan wat ge waarneemt.
Door heerlijk glas gespiegeld, is de omtrek, dien ge waarneemt, zelfs nog schooner dan door het open raam.
Soms zelfs poogt men door een tint in het glas nog hooger uitwerking te bereiken. Bij het walmen van het Bengaalsche kunstvuur tint heel de omtrek zich soms zoo tooverachtig schoon. En als om dat schoone effect na te bootsen, nam men eertijds vaak purpergetinte glasvensteren. Dan scheen door dat paarsroode glas al wat te zien kwam in nog boeiender kleuren voor te komen. Het gaf aan het vergezicht, waarin men zich vermeide, een nog verhevener glans.
Zooals 's morgens soms de dageraad de natuur in purperen glansen doopt; zooals des avonds soms de ondergaande zon pracht over heel de schepping spreidt; zooals bovenal het dalend zonlicht soms de sneeuwwitte toppen der Alpen doet gloeien; of ook het noorderlicht het firmament weet rood te verven met een rood, dat niet dekt, maar plechtige diepte ontsluit; zoo poogde men vaak ook door purpergetinte glasvensteren het tafereel om zich heen te verlevendigen. In zacht purper weggedoken, scheen dat tafereel zoo bemoedigend, zoo boeiend, zoo schoon!
En zoo nu ook zegt de profetie van Jesaja, dat God de Heere voor zijn volk een woonstede bereidt, gegrondvest op saffieren; en die dit bovenal tot heerlijkheid zal hebben, dat het uitzicht naar buiten door kristallijnen vensteren zal wezen. Een uitzicht zoo boeiend en zoo schoon.
Nu blijve de vraag hier onbeslist, wat stof hier met dat kristallijn bedoeld is. Jesaja schreef Kadkood. En nu zegt de een, dat dit kristal, de ander, dat dit een robijn, een derde, dat dit een karbonkel of agaat aanduidt. Maar wat keurgesteente ook bedoeld zij, dit staat vast: het doelt op een glasvenster, dat een heerlijk, een schitterend, een prachtig uitzicht geeft, en den aanblik van wat ge waarneemt in glans en in schoonheid verhoogt.
Kennelijk doelt deze ontfermende profetie niet eerst op het Vaderhuis daarboven; want er volgt op, dat de verderver komen zal, om te beproeven, of hij Gods volk nog ten val kan brengen, en dat geschiedt in den hemel niet meer.
En ook wordt er niet gedoeld op een uitwendigen gelukstaat op aarde; want er staat, dat de verschrikking, die komt, „niet eens tot hen geraken zal”, terwijl het kruis, dat we onzen Heiland hebben achterna te dragen, eerst van ons scheidt bij den dood.
Neen, dat huis op saffieren gegrond, met zijn ingangen van robijnen en zijn kristallijnen vensteren, is de woonstede van geestelijken gelukstaat, waarin door het geloof soms reeds op aarde Gods lieve kinderen zich verblijden mogen. Want aldus besluit de profeet: „Alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des Heeren, en hun gerechtigheid is uit Mij!”
En nu verstaan we die kristallijnen vensteren, die een zoo geheel andere tint werpen op wat we door die vensteren waarnemen. Want nu beduidt het zien door die kristallijnen vensteren het zien op wat ons in den zaligen glans van het geloof voor het zielsoog verschijnt, het bezien van heel ons leven en van wat om en voor ons ligt in den glans van den eeuwigen dageraad; een op en over alles zien glinsteren der purperen, spelende stralen van de Zonne der gerechtigheid!
Aan onszelf overgelaten, zou er óf geen venster in den somberen muur, óf niets dan een bestoven en bezoedelde glasruit wezen, die voor ons oog alles nog grauwer, nog somberder, nog doffer tintte, dan we het zien met het bloote oog.
Dan overkomt ons wrevel en moedeloosheid. Zoo donker is het pad voor ons uit. Zoo met ongerechtigheid overvloeid is het eindweegs, dat we achter ons hebben. Zoo weinig moedgevend, zoo triestig, zoo in grauwe mist gehuld vertoont zich het leven. En zelfs als we naar het uitspansel opzien, is er geen star, die ons vriendelijk tegenflonkert, maar grauwt alles mat en dof.
o, Het leven van een ontdekte ziel zou haar tot stikkens toe benauwen. Zoo hopeloos somber en droef als de wereld zich aan haar oog ontdekt.
Dat deed haar vóor ze ontdekt wierd geen pijn. Want och, toen staroogde ze gedachteloos en merkte niet op; toen bleef ze hangen aan de oppervlakte, gelijk een kind doet; toen vergaapte ze zich aan het Bengaalsche vuur, waarmede de wereld aan haar ellendig ledig een schijn bijzet.
Maar nu er licht van boven in haar zielsoog viel, en ze de wereld ziet, zooals ze is; ziet door de nevelen heen; ziet tot op den bodem en tot in den verkankerden wortel; nu, ja, komt én die wereld én haar eigen verleden, haar eigen wezen, en het wezen van wat ze het liefst op aarde had, kortom alles, zoo naakt, zoo ontbloot, zoo onooglijk uit, dat ze het gelaat liefst afwendt en maar liever niet ziet, om door het zien niet bij vernieuwing te lijden.
En dan komt de ondoorgrondelijke Barmhartigheid en zet in dien somberen muur voor u kristallijnen vensteren.
En als ge daar doorheen gluurt, o, dan wordt het opeens alles zoo geheel anders getint.
Dan ziet ge uw pijnlijk verleden gedekt met witte wol. Dan ziet ge den strijd en de woeling des levens gedoopt in den glans eener eeuwige heerlijkheid. En zelfs op het droefste levenspad ziet ge dan den felst gejaagden pelgrim nog wandelen in het licht van Gods vriendelijk aanschijn.
En ziet ge dan op naar boven, o, door die kristallijnen vensteren gezien, is die hemel dan niet meer droevig rood, noch grauw van nevelen, maar tintelend met vonken van eeuwige heerlijkheid, en u tegenstralend met bekoorlijken gloed.
Het is wel zoo, dat Gods kind niet altoos die heilige genieting smaakt. Och, zoo dikwijls vergeet hij dat kristallijnen venster geheel, en trekt zich terug in een hoek, of verbergt zich achter de gordijnen van zijn legerstede, of blijft nederhurken in de laagte; en natuurlijk, dan ziet hij niets van dat schoon, en gunt dat kristallijnen venster hem zijn glansch niet.
Het inzinken is ons vaak lief. Verre beneden onzen staat te leven schijnt soms ons klein geloof te bekoren. En dan zijn we weer pessimisten. En dan wenkt ons de hope niet meer. En bestoven door onze eigen weerstrevigheden, mompelen en morren we dan tegen ons lot, en soms zelfs tegen onzen God.
Een nog levende boom kan soms zoo schrikkelijk verdord en kaal en door den stormwind of door wormen en rupsen gehavend wezen.
Maar daarin hebt ge dan toch geen rust.
Temidden van die matheid der ziel komt dan weer de heugenis van wat ge eens door de kristallijnen vensteren gezien hebt. En ze trekken u weer, tot ge eindelijk uit uw hoek uitkomt, of uit uw legerstede weer opstaat, en ja, dan is uw eerste gang weer naar die kristallijnen vensteren, om in die pracht en in dien glans van Gods vertroostend aangezicht u weer te verlustigen, en uw ziel leeft weer op.
Soms bestelt God de Heere daartoe een helpende hand.
Dan is er éen, die aan dat kristallijnen venster stond en er doorgluurde en genoot, en het uitriep en het uitjubelen moest: „Hoe Goddelijk, hoe verrukkelijk schoon!”
En als hij op datzelfde oogenblik dan u in uw somberen hoek hoorde klagen en morren, dan drong hem de liefde soms, om u toe te roepen: „Kom herwaarts toch bij mijn kristallijnen venster! o, Door dit venster des geloofs is alles zoo schoon!”
Zoo lokte soms een moeder haar dochter, een vader zijn zoon, een zuster haar broeder!
Engelendienst en liefdedienst tevens!
Tot ze saam voor het kristallijnen venster stonden, en toen naar dien zaligen hemel gluurden, en als uit éen mond Hem verheerlijkten, die hun dat kristallijnen venster schonk.
VIER-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
„MET MIJNE ZIEL HEB IK U BEGEERD!”
Met mijne ziel heb ik U begeerd in den nacht; ook zal ik met mijnen geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken.
Jes. 26:9.
Tweeërlei gebod komt tot uw ziel.
Van den eenen kant heet het: „Gij zult niet begeeren!” en toch van den anderen kant wordt u gezegd: „Bidt zonder ophouden.” En bidden, wat is dit anders dan begeeren? Sterk, dringend, met al de aandrift der ziel begeeren, en niet rusten, eer ge uw begeerte hebt.
De diepe, gapende afgrond, waar dit sterke begeeren uit opkomt, is uw hart. De Heilige Schrift noemt dit: „Het diepe hart.” Bodemloos diep. Zoo diep, dat God zelf de eeuw in uw hart heeft gelegd.
En dat hart (en hier merke toch een iegelijk scherpelijk op), dat diepe hart is leeg.
Van nature is er in uw hart niets in. Uw staat als schepsel brengt dat met zich. Een schepsel heeft niets. En ook al staat gij onder de creaturen het hoogst, creatuur blijft ook gij toch; en daarom kunt ge van nature niets in u hebben. In den Heere Heere is het wezen; niet in u. En hol, ledig, naakt en ontbloot te zijn is uw aard, die u is ingeschapen. Zoo sterk, dat zoo te kwader ure allerlei inbeeldingen in uw hart zijn ingebroken, al uw heil juist daarin gelegen is, dat ge weer ontledigd wordt en komt tot verloochening.
Wie het zich anders voorstelt, bedriegt zichzelven, en tot dien komt de Heere en zegt het hem aan: „Gij zegt, ik ben rijk en verrijkt geworden en heb geens dings gebrek, en ge weet niet, dat ge zijt arm en naakt en blind!”
En diep hart, en dat hart ledig;—en toch, ook dàt is nog het ontzettende niet.
Neen, al het aangrijpende, al het onrustbarende, al het noodlottige van uw hart verstaat ge dan eerst, als ge er nu bijvoegt: en dat er op aangelegd is, om geheel vol en vervuld te zijn.
Een gansch wonderbaar hart: diep, geheel ledig, en toch op onverzadigbare wijze smachtende naar vervulling. Zooals het luchtledig de lucht inzuigt; zooals de dorre aarde den plasregen inzuipt; zooals een oog, dat in donker doolt, het licht indrinkt; zoo ook zuigt uw hart.
Noem dat zuigen van uw hart nu hongeren, noem het dorsten, noem het begeeren; maar onder wat naam ook aangeduid, het is toch altoos dat éene zelfde hart, dat uit zijn diepe gapende kolken en ledige gewelven roept en schreeuwt om inhoud, om vervulling, om iets, waarmeê het zijn ledige ijlheid verslinden en stillen en bedaren kan.
Uw hart moet dus begeeren.
Een hart, dat niet begeert, is dof en dood en in het levend lijf gestorven.
En zoo kan uw hart niet kloppen, niet geprikkeld worden, niet trillen, of al zijn uitgang is éen begeeren, éen schreiend roepen uit zijn innerlijk ledig, om vervuld te worden met wat het derft en mist.
Wordt dat begeeren nu waanzin, dan heet het gieren, zooals Habakuk roept: „Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis” (2:6). Zoo spreken we nog van „gieren van het lachen”, als we onszelven niet meer meester zijn. Zoo is „gieriglijk” handelen een handelen uit onzinnigen hartstocht. En „gierigheid” is niet maar „tuk op geld zijn en bang om geld uit te geven”, neen, een gierigaard is een jammerlijk mensch, die geen meester meer over zijn begeeren is; en „gierigheid” daarom de wortel van alle kwaad, omdat gierigheid zeggen wil: al het diepe begeeren van zijn hart naar het goud der wereld laten uitgaan insteê van naar de heilschatten Gods.
Is het nu wél met uw ziel, dan zal u een zeer sterk begeeren prikkelen. Prikkelen bij dag en bij nacht. En u nimmer rusten laten. Maar dat begeeren zal uitgaan naar den Heere Heere; naar zijn Naam en gedachtenis; naar zijn diamanten en peerlen; naar het sieraad en het schoon van zijn geducht paleis.
Toen Adam met zijn ledig, diep hart in het Paradijs zich voor het eerst bewust wierd, dronk dat diepe hart met éen diepe, volle teug op eenmaal den adem des levens uit God in. En Satans gruwel was juist, dat hij Adams hart straks zuigen liet naar de wereld.
„Heere! mijn hart blijft onrustig,” riep Augustinus uit, „tot het rusten kan in U!”
Schoon, kostelijk en toch niet diep genoeg gezegd.
Neen, ons hart moet niet in God rusten, maar het moet uit God zijn inhoud hebben; met den Naam des Heeren vervuld worden; het moet rusten, doordien het God in zich ontving; en dan zelfs nog niet rusten, maar altoos opnieuw begeeren; om met frissche teug nogmaals en altoos weer in te drinken de schatten van zijn God.
Daarvan zegt Jesaja: „Mijn ziel heeft U begeerd in den nacht, en in den morgenstond zal ik U vroeg zoeken.” Daarvan zegt de Psalmist: „Heere! voor U is al mijn begeerte!” Daarvan getuigt de Spreukendichter: „De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede.” En daarvan durft de zanger in Psalm 27:4 betuigen: „Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik alle dagen wonen mocht in de tente des Heeren!”
Ge ziet dus wel.
Niet werkeloos, niet in zichzelf tevreden, neen, altoos dorstend, altoos hongerend, altoos vragend, roepend en begeerend moet uw hart wezen.
Alleen maar, al zijn begeeren moet wezen éen begeeren naar God.
„Gij zult niet begeeren!” keert zich dus tegen den mensch, die valsch begeert.
Niet zooals dolende godgeleerden zeggen, dat iets te begeeren op zichzelf nog geen zonde is, en dat de zonde eerst komt, als ge in uw ziel aan die valsche begeerte wilt toegeven. Zoodat dan ook Jezus heet, wel begeerd, maar niet toegegeven te hebben.
o, Neen, het gebod is volstrekt: „Ge zult niet begeeren.” En zoo God iets anders bedoeld had, dan zou dat er ook staan. Maar nu staat er: „Gij zult niet begeeren,” en is dus het begeeren zelf zonde.
Zonde, om dat verlangen van het leege hart naar vervulling uit te strekken naar de wereld in plaats van naar het Eeuwige Wezen.
Niet alsof ge niet trek en neiging in u mocht gevoelen, om het goede des levens te genieten; mits het maar zij een genieten uit Gods hand, en nooit in plaats van Hem, en tegen Hem in, en om van Hem af te leiden.
En ieder mensch kan wiskunstig zeker weten, of zulk een trek en neiging gezond en onschuldig, dan wel een zondig begeeren is, zoo ge maar onderzoekt, of het tegen God ingaat, of in gebed en dank tot Hem opklimt.
En dat nu is eerst de ware proefsteen, waaraan ge den diep jammerlijken toestand van uw afvallig en afkeerig hart bekennen kunt, zoo ge ook maar van éen enkelen dag eens nagaat en onderzoekt, waar uw hart heel dien dag naar gejaagd, naar gehongerd en om geroepen heeft.
En ja, dan zijn er uitgangen naar boven; dan zijn er ontwakingen, dat het kind zeggen mag: „Heere! mijn ziel heeft U begeerd in den nacht!” en dan zijn er insluimeringen, dat men met zijn God mag inslapen.
Maar helaas, van de vier en twintig uren, die elk etmaal heeft, hoeveel minuten dorst het hart naar den levenden God en hoeveel uren hongert het niet naar de goederen en genietingen der wereld!
„Zoekt de dingen, die boven zijn,” roept de heilige apostel, „en niet de dingen, die op de aarde zijn.”
En toch....
Ga het leven der Christenen maar na. Sla ze maar gade bij het doen van zaken. Wat zeg ik, raadpleeg uw eigen leven van éen enkelen dag maar.
o, Dát is onze diepe jammer juist, dat eindeloos begeeren van het holle, leege, diepe hart, dat onstuimige, zij het ook bedekte begeeren van de schijngenietingen en schijnschatten der wereld, en dat, o, zoo zeldzaam begeeren, dat naar God uitgaat; dat het eens waarlijk was: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt mijn ziel naar U, o God!”
Neen, God de Heere wil geen hart, dat niet begeert. Het moet begeeren. Al uw begeeren moet bidden worden. Bidden en goed begeeren is éen. En het is volkomen eender, of Jezus zegt: „Al wat gij bidden zult in mijn naam, dat zal Ik u geven,” of: „Al wat ge begeeren zult in mijn naam, zult gij ontvangen.”
„Tot uw Naam is de begeerte onzer ziel,” roept 's Heeren volk in zijn geloofstaal en Jakobus: „Al wat gij begeeren zult in het geloof, zal u geworden.”
En daarom, houd dezen regel vast.
Verboden is u elk begeeren, dat ge in geen gebed durft omzetten; en ook geen gebed deugt, of het begeeren uwer ziel moet er in uitvloeien.
En daarom is het gebed 's Heeren volk zoo van noode.
Want, neem dit vooral ter harte, wat 's Heeren ingeleide kinderen bij ervaring kennen: Er is geen middel zoo doeltreffend, om het booze begeeren ten onder te houden, als veel in het gebed te zijn.
Als ge in het gebed gaat, dan merkt ge wel, of uw hart ook met booze begeerten bezig is.
Als ge in het gebed uitvloeit, dan merkt ge wel, wat begeerten ge in den hoek van uw harde hart wegstopt, en wat ge naar voren schuift, om het voor den troon der genade neer te leggen.
o, Veel gebeds ontdekt u niet alleen, hoe het met uw begeeren staat, het heiligt ook uw begeeren, door u met schaamte over uw zondig begeeren te overgieten, en het begeeren naar heiligheid sterker te prikkelen.
VIJF-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
„VLAS EN VONK.”
En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot eene vonk, en zij zullen beiden tezamen branden, en er zal geen uitblusscher wezen.
Jes. 1:31.
Om ons heen in de wereld woelt een macht, die menschen vernielt.
Keer op keer komt ons het droef gerucht ter oore van weer een jongen man, een jonge vrouw, van wie men hoort, „dat ze weg zijn”; „dat het met hen uit is”; dat ze zedelijk vernietigd zijn; dat ze als zedelijke karakters niet meer meêtellen.
Zulke personen waren eens aanminnige kinderen, die dartel speelden op moeders schoot. Glans blonk in hun oog. In hun hart waakte edeler besef op. Ze hebben de ure gekend, dat ze bloosden over hun eerste kleine leugen. Hun conscientie was nog teeder.
Maar nu zijn ze op; ze zijn weg; ze zijn een uitgebranden haard gelijk.
Schimmen, geen menschen meer.
Ze zijn er nog; maar het is, alsof ze er niet meer waren.
Ze zijn zedelijk, ze zijn als personen, ze zijn in hun karakter vernietigd.
Vernietigd tot onherkenbaar wordens toe.
En hoe kwam dit nu anders, dan door hun aanraking met de wereld en in die wereld met de booze, duivelsche, vernielende macht der zonde, waarmeê de Satan, die een menschenmoorder van den beginne is, er reeds zoo duizenden gedood heeft voor de hel?
o, Ze is ontzettend, die macht des verderfs, die vernietigende, zielmoordende macht, die rondwaart.
Als een vlinder vliegt ze uit. Even komen de vleugelen uwer ziel er meê in aanraking. Ge zengt ze. Reeds kunt ge u niet meer op de wieken des levens verheffen. Met verzengde vleugelen valt ge neder. En straks wordt ge geheel verbrand, en vindt men niets dan uw verkoolde mummie.
Het vuur is iets ijslijks.
Eens uitgebroken, woedt het voort en voort, al wat het ontmoet in vuur omzettend.
En voor zoo ontzettenden brand is éen vonk genoegzaam.
Dan steekt die vonk aan, en lang smeult het, en eindelijk slaat het uit, en de vernieling is niet meer te stuiten.
En ijslijker nog is het met dit vuur der zonde.
Een vonk van dit zondevuur der wereld spat op u over, en zoo ge die vonk niet aanstonds wegblaast, wordt die éene vonk in een oogwenk tot drie en meer vonken. En het smeult in uw ziel ongemerkt voort. En niet lang meer, of de vlam slaat laaie uit, en gij, arme mensch, zijt verloren.
Daarom spreekt ook de Heilige Schrift van die vonk. Van die vonk in verbinding met vlas, omdat vlas in een oogenblik vlam vat.
„De sterke,” zegt de Heere bij Jesaja, „zal zijn tot vlas, en zijn werkmeester tot een vonk, en saam zullen ze branden, en er zal niemand zijn, die het bluscht.”
Dát nu is die ontzettende vonk van de verdervende en vernielende macht, die om u is, en zoo God het niet verhoedt, ook uw kleed vuur zal doen vatten, tot ge reddeloos weg zijt.
Maar, God zij lof, er wordt door Gods engelen ook water aangedragen, om dat schriklijk vuur te blusschen.
Er zijn ook wateren der genade.
Ze vloeien uit de Fontein des levens; ze stroomen uit de Springader der barmhartigheden, en Gods engelen zijn gedienstige geesten, om die blusschende wateren aan te dragen, en te beletten, dat de vonk en het vuur van die vonk u niet verniele.
Nu nog is het heden der genade.
En zoo ge voor die vonk maar een oog hebt, en terstond het spatten van die vonk op uw eigen ziel of op de ziel uwer kinderen ziet, en er is toevluchtnemend geloof, en de smeeking gaat uit, dan is er ook voor u en voor uw kind nog redding.
Nu kan die vonk en die brand der zelfvernielinge nog worden gebluscht.
Althans, indien ge bekent vlas te zijn; want anders werkt er geen geloof en komt de smeeking om die blusschende wateren niet over uwe lippen.
Vlas, en niet metaal en niet marmer!
Niet denken: „o, Voor mij kan die vonk geen kwaad; mijn ziel zal ze niet deren; bij mij zal ze niets vuur doen vatten; ik ben als marmer gehard en als metaal voor die vonk der duivelsche macht onaandoenlijk.”
Neen, maar vlas.
Vlas, dat opeens in volle vlam kan staan.
Vlas, dat met éen vonk in vuur kan omgezet.
Als vlas zonder verweerkracht tegen die vonk.
Zoo er geen bluschwater ijlings komt, op eenmaal weg en verloren.
Wie vlas op zijn zolders heeft, is, o, zoo voorzichtig met licht, en past wel op, dat er geen vuur bijkomt. Het is hem als een kruittoren.
Met éen vonk kon alles weg zijn.
En nu, zoo is ook uw hart, en daarom betaamt ook u zoo het uiterste der voorzichtigheid.
Of erger nog, eens komt de ure, dat al uw voorzichtigheid u niet meer baten zal.
Die ure, waarvan Jesaja roept, dat vlas en vonk zal branden, en dat er niemand is, die blusschen kan.
De vreeslijke ure van het „onuitblusschelijk vuur”, dat eeuwige vuur in de buitenste duisternis. Geen vlam, maar een eindeloos donkere walm.
En daarom, wat we u bidden, speel niet met dat vuur, en doe er uw kind niet meê spelen.
De macht van die vreeslijke vonk is zoo ontzettend.
En opdat in die ure, die komt, uw ziel voor die vernieling gevrijwaard blijve, zoek omringd te worden door de wateren, die blusschen kunnen, nu nog in het heden der genade.
Wie wonen mag aan de wateren des levens, op dien heeft dat vuur dan geen vat.
Dien deert het niet.
Die zal van verre dien vreeslijken gloed aanzien, maar hem zal geen haar gezengd worden.
o, Wel u, zoo ge de reuke dier frissche wateren nu reeds van verre riekt, zoo ge den Blusscher van het vuur der zonde kent, en de Heere als een schild en rondas om u is geworden.
Dan wordt, wat hier vlas was, daar als diamant en als robijnen, en de klove zal te breed zijn, geen vonk zal kunnen overspatten, en uw ziel zal opbloeien en wassen in uw Heere.
ZES-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
„DES SPOTS VEEL TE ZAT.”
Wees ons genadig, o Heere! wees ons genadig; want wij zijn der verachting veel te zat. Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hoovaardigen.
Ps. 123:3, 4.
Daarmeê, dat God den mensch de sprake inschiep, is het machtigste wapen in onze hand gelegd.
Er is geen macht op aarde, die zoo ver reikt als de macht van het woord. De dichter die zingt, de redenaar die wegsleept, de wijsgeer die betoogt, de prediker die bestraft, troost en verteedert, beschikken over oneindig grooter invloed dan de veldheer, die heele legerkorpsen commandeert, en de vorst op den troon, wiens lijftrawanten elkander verdringen.
Dit ligt daaraan, dat zich in ons menschelijk woord het beeld afspiegelt van het eeuwige Woord. En wat zegt nu de Schrift? Maar immers, dat door dit Woord al wat er is geschapen wierd; dat door dit Woord van Gods kracht alle ding gedragen wordt en nog bestaat; en dat, waar dit Woord ook nu nog onder menschen uitgaat, geen Damascener kling met de scherpte van dit Woord te meten is, want dat het snijdender en scherper is dan een tweesnijdend zwaard en doorgaat tot in pees en merg.
Ons woord, als afschijnsel van dit eeuwige Woord, moet daarom wel een ontzettende macht bezitten. En dat is natuurlijk ook. Immers het zwaard is het wapen van het lichaam, in het stoffelijke, in het uitwendige, in het zichtbare; maar het woord is het wapen voor de ziel, in het onzienlijke en geestelijke. Vandaar dat, zooveel machtiger als uw ziel is dan uw lichaam, zooveel hooger in macht ook de kracht van het woord staat boven de kracht van het zwaard.
De ziel is meer dan het lichaam; uw ziel draagt heel uw lichaam; ze tilt uw lichaam op; ze speelt met uw lichaam; ze kan in vollen, koninklijken zin heerschen over het lichaam. Dus is ook de aard van uw zielskracht oneindig sterker dan de aard en de kracht van uw lichaam. Dat toont een martelaar. Dat ziet ge aan den kranken lijder, die God looft temidden van zijn pijnen. En zoo kan het niet anders, of ook het wapen, waar de ziel over beschikt, moet veel dieper gaan en verder reiken, dan het wapen van uw hand.
Niet bij een iegelijk. Dat spreekt vanzelf. Er zijn lieden, die hun zwaard stomp lieten en linksch zijn in het hanteeren. En zoo zijn er ook, die het „woord”, als het wapen van hun geest, niet slepen, noch ook de macht verstaan, om er al zijn werking aan te geven.
Maar wat zegt dat?
Als ge van de macht van een zwaard spreekt, spreekt ge van een zwaard, dat wel gewet in de hand van den held rust. En evenzoo, als ge van de macht van het woord handelt, bedoelt ge niet het gemeesmuil van een botterik, maar de bezielde taal, die uitstroomt uit den mond van wie spreken kan.
Nu kan dat geestelijk wapen van het woord gehanteerd, om voor God te strijden en den zegen van zijn heil over alle creatuur te doen ruischen. Maar het kan ook tot dolk geslepen, om te wonden, te kwetsen en te dooden. En dat wil de spot.
Ge voelt toch, ook als een mensch zondaar is en kwaad wil, blijft die macht van het woord hem bij; maar om nu in haar tegendeel te worden omgezet. En zoo wordt het woord op 's menschen lippen een wapen tegen God en menschen, om te vloeken en God te lasteren, om te tieren en te morren, om te schelden en te schimpen, om te hoonen en te kwetsen door bitterheid en spot.
Een vreeslijk wapen, omdat er geen schild tegen beschermt. Het dringt in u, eer ge er op verdacht zijt. Verraderlijk overvalt het u. En ge hebt giftige wonden beet, eer ge zaagt, wat dolk tegen u wierd opgeheven.
o, De spot vlijmt zoo diep en zoo snerpend, zoo wreed en zoo wee!
Hij grijpt u in het merg van uw ziel en van uw wezen aan. Hij kerft tot in den wortel van uw aanzijn. Spot ontzenuwt, ontmant en ontzielt.
En dat wetend, heeft Satan juist daarom vooral dat snijdende, giftige wapen van den spot tegen Christus en zijn volk opgeheven. Tegen den Christus, toen Hij stierf op Golgotha, toen ze Hem tergden en hoonden aan het kruis.
En eveneens tegen zijn volk, tegen zijn kerk, tegen zijn martelaren en kruisdragers. Altoos dat giftige wapen van den spot, of hij ze ook ten val en van het geloof af kon brengen, omdat God ze niet uithielp.
Want dát is de spot, die dan tegen Gods volk gaat: „Gij Gods lievelingen! en ziet, wij triomfeeren over u! Gij Gods gunstgenooten! en ziet, hoe wij u in uw onbeholpenheid den voet op den nek zetten, en onze lach zich verzadigt en dronken drinkt uit de aanschouwing van uw armelijk aanzijn, en zich vermaakt met uw leed!”
Altoos weer dat duivelsch geroep: „Ha ha, waar of nu wel hun God mag zijn!”
Zoo groeit de spot in het zeer doen, kwellen, beschimpen en uitlachen, tot ge recht diep gekweld, gekwetst en gewond zijt, en de spotter ziet, dat het gelukt is, u verdriet aan te doen; zoo te verdrieten, dat ge zelf bitter en boos wierdt; ja, of het gelukken kon, om ook u aan het schimpen te brengen. En dan hebben ze eerst recht volop schik in hun duivelsch bedoelen; want u óók driftig, u ook bitter te maken, is hun zaligste wellust.
Immers dan klimt het genot der spotzucht tot de hoogste hitte, als ze u in uw machteloos wezen voor zich hebben, en dan in die machteloosheid tot woede kunnen tergen.
En daarom klaagt Gods volk uit de diepte van het gewonde hart, en roept het uit: We zijn des spots veel te zat!
Want, dat spreekt vanzelf, een kind van God is niet opeens door den spot vermand. Als die spottende, sarrende, tong pas begint, dan weet Gods kind wel: Nu moet ik op mijn hoede zijn, en neemt het zich zeer ernstig voor: Ik zal een wacht voor mijn lippen zetten.
Een tijdlang gaat het dan ook. En soms is het prachtig om te zien, hoe het vrome volk keer op keer genade ontvangt, om kalm en stil en lijdzaam te blijven; en telkens den giftigen pijl weer uit de wonde trekt, niet om dien terug te schieten op hem, die hem wierp, maar om hem te blusschen in de wateren des heils.
Maar als het lang duurt, dán wordt het gevaarlijk. Als de spotter ons rusteloos achtervolgt, en altoos nieuwe, in gif gedoopte pijlen in zijn koker gereed heeft. Als er geen eind aan komt. En we zien, dat onze lijdzaamheid hem prikkelt, om altoos dieper met zijn spot te wonden. Ja, dan waakt de korzelheid op; de nieren worden in u ontstoken; en zoo God ons niet hield, zouden we dan pijl tegen pijl willen inwerpen. Zoo zijn we des spots dan veel te zat.
En dan moet er ook iets gebeuren.
Dat kan de ziel zoo niet dragen. Tegen die zonde van het woord in den spot moet dan ook onzerzijds met het wapen van het woord gestreden. De vraag is maar, met welk wapen van uw woord?
En dan hebt ge de keus. Dan kunt ook gij doen wat uw hater doet, en uw woord tot een giftige pijl toespitsen, of wel, ge kunt uw woord adelen en bezielen tot een klank des gebeds.
En wie nu goed staat, die voorkomt dan de verzoeking om terug te schimpen, en gaat bidden.
Het gebed, dat is voor hém het wapen van het woord, gelijk de spot het wapen des woords is voor wie een hater van God en zijn volk is.
En dan heet het: „Wees ons genadig, o Heere! wees ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat. Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hoovaardigen!”
Wel u, zoo het daartoe, als ge tegenover den spotter staat, bij u komen mag.
Want als het op schimpen gaat, is hij uw meester, uw meerdere, u te machtig. Spotten kan hij onvergelijkelijk beter dan gij.
Maar bidden, dat kan hij op zijn beurt niet. Dat is het wapen, waarin gij meerder oefening hebt. Als het op dát wapen aankomt, zijt gij zijn meester.
En dan overwint ge, niet omdat ge onaandoenlijk wordt, of u aan den spot went; maar omdat hij u met zijn spot geen enkele wonde kan vlijmen, of op hetzelfde oogenblik wordt door uw Vader, die in de hemelen is, balsem in deze uw wonde gedruppeld.
Ja, meer nog!
Gelijk de storm en het onweder de natuur verfrisschen, en koorts soms het lichaam bevrijdt, zoo voelt gij dan ook, na zulk een strijd met den spot der weelderigen te hebben doorgestaan, u rijker en innerlijk sterker door meerdere genade.
En gelijk de held van achteren roemt in zijn wonden, die hem in den strijd voor het vaderland wierden toegebracht, zoo zoudt ook gij van achteren die wonde, u door den spotter in de ziel gevlijmd, niet willen missen.
Want zulk een wonde is u dan een heilsteeken, een waarmerk van de echtheid uws geloofs geworden.
Het dieplood is in de wateren uwer ziel neergelaten, en zie, de eeuwige Ontfermingen openden zich onder u.
ZEVEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
„HIJ ZAL JERUZALEM NOG VERKIEZEN.”
Roep nog, zeggende: Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Mijne steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede; want de Heere zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
Zach. 1:17.
Er wordt, God zij lof, in onze dagen weer van 's Heeren volk ook in deze landen gesproken.
Bijna was dit er uit.
Men hoorde er de sprake nog van in de achterbuurten; het geluid ervan viel nog te beluisteren in de heggen en stegen; maar in het voorportaal was zulk zeggen contrabande geworden. Van „Christenen”, van „lieve menschen”, van „geloovigen”, mocht daar nog gerept worden. Maar van een volk des Heeren niet meer.
Dat was tale Kanaäns; evenals dat men van Sion sprak, doelende niet op den bergtop vanouds, maar op de kerk van Christus in onze dagen.
Men duldde die wijze van spreken niet meer. Men wierd er korzel tegen in. Schier wierd er meê gespot. Stellig er de neus voor opgetrokken. Het moest uit zijn met die „ziekelijke” termen, als riekend naar bedorven mystiek.
Alle taal was goed. Taal, gebeeld uit het erts der philosophie. Taal, soms onverstaanbaar door allerlei nieuwmodische termen. Alleen maar, de Schriftuurlijke taal wierd buiten de gemeene sprake gesloten. Of waar de Schrift nog meê mocht spreken, daar moest het dan althans uit het Nieuwe Verbond zijn, maar uit het Oude Verbond stellig niet.
En zoo wierd dan ook het spreken over „een volk Gods” in den ban gedaan.
Daar sprak Farizeïsme, daar sprak aanmatiging, daar sprak harde veroordeeling van anderen in.
Wat hoefde dat ook?
Het moesten altegader „vormen van onzen tijd” worden, en onze tijd wist van een „volk” in ons „volk” niets.
Thans betert dit weer eenigszins.
Uit de heggen weer naar de straten, uit de achterhoeken weer naar het voorportaal overgebracht, komt het spreken van het „volk des Heeren” thans weer in zwang.
Men voelt en tast weer, dat, zoo Immanuel onze Koning zijn zal, er voor Immanuel dan ook een eigen volk zijn moet, en dat het toch niet aangaat, dezen Koning, die zich een eigen volk tot den prijs van zijn bloed heeft gekocht, om menschen te believen, van zijn volk te berooven.
Jezus onze Koning, en wij zijn volk; men doorziet weer, dat dit niet is te scheiden. En dat men ook wel van kerk en ook wel van „geloovigen” spreken mag en moet, maar dat deze beiden ons geenszins van de verplichting kunnen ontheffen, om ook te spreken van 's Heeren volk.
Doch nu prikkelt dit dan ook tot bitterheid. Nu keert zich hier de woede tegen van wie dien naam bannen wilden. Nu heet het, dat wie dien naam gebruiken, zich inbeelden, zelven al het volk te zijn; dat ze de broederen afsnijden; en dat ze dies een scheur trekken door het lichaam van Christus.
Ge hoort het wel, hoe de Ethischen vooral de laatste tijden ons dit voorwerpen.
Dit nu maant tot scherp zelfonderzoek. Het werpt de vraag aan uw conscientie toe, of er ook iets van aan is, dat ge bij dit roepen over „'s Heeren volk” meer aan eigen verheffing boven anderen, dan aan de eere van den Konings-naam van Immanuel hebt gedacht.
Zelfs doet het vermoeden, dat er wel onvoorzichtiglijk en ongeestelijk aanleiding zal gegeven zijn, om ons van min kiesch en min teeder gebruik van dien naam te verdenken, zoo niet te beschuldigen.
Evenwel, hoe groot ook die verkeerdheid ware, aan de zaak doet dit niets af noch toe.
Immers niet uw misbruik van de Schrifttermen, maar alleen de termen der Schrift stellen hier den regel.
Nergens leert Gods Woord ons, dat we onze wijze van spreken moeten inrichten naar onze verkeerdheid; maar overal wil de Schrift, dat we de heilige sprake zelve ten richtsnoer nemen.
En wat toont ons dan de Schrift?
Dit, dat wie van het volk zijn, keer op keer alles bederven; dat Sion bijna stelselmatig de verzenen tegen de prikkelen slaat; en dat Jeruzalem soms aan Sodom en Gomorra gelijk is,—en dat desniettemin het volk er komt, en Sion het heilige draagt, en dat de Heere Jeruzalem nog verkiest.
Het is nergens in deze heilige Schriftuur: Zie, wat heilige personen, en wat vroomheid in Sion, en wat een godzalig Jeruzalem,—en deswege is de Heere dat volk en dat Sion en dat Jeruzalem, genadig. Neen, het is altoos ondanks die personen, en in spijt van wat Sion is, en in weerwil van wat Jeruzalem van zich merken laat, enkel maar om den raad des welbehagens.
Vrijmachtig is dat volk geroepen; vrijmachtig dat Sion verheven; vrijmachtig dat Jeruzalem uitverkoren. En wat nu ook dat volk, dat Sion, dat Jeruzalem doe, dat blijft zoo. Van die vrijmachtige keuze is geen appèl of herziening. Die raad gaat door. Die beslissing van eeuwigheid blijft. En hoe ook Jeruzalem tegenworstele, Hij zal nog Jeruzalem verkiezen.
En hierin nu juist ligt de rust voor uw hart bij dat verwijt der broederen, alsof we onszelven tot 's Heeren volk stempelden, en dat onszelven alleen.
Zie toch, 's Heeren volk is zijn volk niet om wat het zelf is, maar alleen om de banier, waarbij het te hoop loopt, en om het veldteeken, waarbij het neerknielt en zweert.
Het is niet in ons, maar buiten ons; en wat er in ons van te zien komt, is „naar de werking van dien Christus, die in ons werkt met kracht”.
De banier van zijn waarheid is het kenteeken, waaraan dit volk gekend wordt; en al loopt wie die banier omklemt nog in armelijke lompen en al is zijn gelaat nog bezoedeld en al wankelt zijn voet, dat doet er niet toe en kan de zaak niet verkeeren; het is de waarheid, het is de kennisse des Heeren, het is het welbehagen Gods, dat hier beslist.
Waar nu die banier wappert, en bij die banier voor den Koning wordt geroepen, daar loop ik naar toe, als ik bij 's Heeren volk wil zijn. En dan zie ik niet op die personen en niet op hun leidslieden, en dan peil ik nog minder hun hart, maar dan roep ik met hen: Jehovah Tzidkenu, om met al het volk te belijden, dat onze gerechtigheid niet onze, maar buiten ons in den Immanuel is.
Wat zou het ook zijn, zoo iemand, van „'s Heeren volk” roepend, daarmeê te kennen wilde geven: „Deze alle zijn in Sion geboren!” Weet ge dit dan? Zijt ge dan kenner der harten? Hebt ge dan de gangen van ieders wedergeboorte nagespeurd? Kunt gij iemands staat beoordeelen? Moogt gij gaan zitten in Gods stoel en uw hart zetten als Gods hart?
En als ge dat niet kunt en niet moogt, en niemand kan het, wat anders dan de banier der waarheid, in haar wapperen, zal dan aanduiding en kenteeken zijn van de plek, waar 's Heeren erfvolk vergaêrt?
o, Wacht u toch voor dat bouwen op indrukken van „liefheid” en van „vroomheid”. Ge kunt er zoo schromelijk in mistasten. Dat staat aan ons niet. God keurt. En al is er een oordeel ook van den geestelijk ingeleide, waardoor de eene Sioniet den anderen verstaat, toch kan dit het kenmerk nooit wezen. Gods volk wordt alleen gekend aan zijn banier. Niet persoonlijk, maar als volk. Of het saam om die banier vergadert, en saam bij die banier neêrknielt, om te roepen voor de eere van zijn Koning en op dien Koning alleen te zien. Jehovah Tzidkenu!