MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR. (continued 3)
Reading edition
Dat komt daarvandaan, dat ze zich niet onderling aan elkaar, noch aan de lieden der wereld, maar aan dien Medicijnmeester zelven meten.
Hij alleen is waarlijk gezond, en hun is door dien Medicijnmeester de heerlijke belofte gegeven, dat als de kuur eens geheel ten einde is, ze Hem dan gelijk zullen wezen (I Joh. 3:2).
Al het verschil tusschen die anderen en hen bestaat dan ook juist hierin, dat die anderen, bij al hun verterende krankheid, evenals teringzieken, nog maar altoos van geen „bedenkelijke kwaal” hooren willen en door alles heengaan en geen Medicijnmeester zien kunnen. Terwijl deze kinderen Gods omgekeerd diep overtuigd zijn van de gevaarlijke krankheid, die ze met zich sleepen, en al hun hope stellen niet op hun sterk gestel, maar eeniglijk op dien kundigen Medicijnmeester, die er reeds zoo duizenden bij duizenden, die even doodelijk krank waren, voor altoos van den dood heeft gered.
Daarom denken ze zoo telkens aan dat prachtige Vaderhuis daarboven, waar deze Medicijnmeester de duizenden bijeen heeft, die tot volkomen herstelling kwamen, en het hart springt in hen op van vreugde, als die trouwe Medicijnmeester hun telkens weer zegt: „Wanhoopt niet, eens zijt gij ook bij die gelukzaligen. Wacht slechts uw tijd af!”
En dan duurt die tijd hun wel eens lang.
Maar toch rust heel hun ziel, als ze maar in dat trouwe oog van dien éenigen Medicijnmeester mogen staren; en bang is het hun dán alleen, als die Medicijnmeester een dag overslaat en hen niet bezoekt.
Dan vragen ze: „Is hier ook oorzaak voor? Heb ik Hem ook beleedigd en bedroefd? Zijn voorschriften van geestelijke genezing wel nagekomen?”
Tot ze hun fout dan weer inzien, en dan komt die trouwe Medicijnmeester hen weer opzoeken en ze leven weer op.
En zoo gaat het van dag tot dag.
Zij altoos de kranken, en Hij altoos de wondere Arts, die hen met zijn kostelijk medicijn uithelpt.
En daarom komt Jezus bij niemand zooveel, als juist bij die innig godzaligen. Want innig godzalig zijn is juist dag aan dag bekennen, dat we zonder dien Medicijnmeester weg zijn.
VIER-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
„MAAR IS VOOR EEN TIJD.”
Doch hij heeft geenen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zoo wordt hij terstond geërgerd.
Matth. 13:21.
Het waarachtige leven heeft ook een schijnvorm, die er den naam meê gemeen heeft, maar er het wezen van mist.
Die schijngestalte van het kindschap gaat soms zoo ver, dat de heilige apostel Paulus spreekt van personen, die hij gekend heeft, die „verlicht zijn geweest en de hemelsche gaven gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig zijn geworden, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw”, en die toch bleken, niet het waarachtige zaad der wedergeboorte in hun zielen te hebben ontvangen, maar slechts geloofd te hebben en in een schijngestalte gewandeld te hebben voor een tijd.
Een hoogst opmerkelijk verschijnsel in Gods kerk, dat volstrekt niet op éen lijn mag gesteld met het opzettelijk schuldig bedrijf der hypocrieten.
Neen, er is in de zielen dezer dubbel rampzaligen iets omgegaan. Er heeft een hoogere kracht op en in hen gewerkt. Ze hebben zielservaringen genoten, die een echt kind Gods hun soms benijden zou. En toch, toen het op de vuurproef aankwam, bleek het niet het echte werk geweest te zijn. Ze vielen weer uit, uit wat eigenlijk nooit hun kinderdeel geweest was. En vreeslijk was het einde van deze vergeefs bewerkte, kort daarop weer afvallig gewordene, en nu onredbare zielen.
Reeds de Heere zelf wees op deze bewerkte en toch ongeredde, straks onredbare zielen, in zijn gelijkenis van den Zaaier.
Naar de scherpe teekening, die Jezus van hen gaf, bestaan ze zelfs in drie categorieën: personen, die slechts zeer even door genade aangedaan worden; personen, in wie de genade een oogenblik opbloeit en een schijnvertooning maakt; en eindelijk personen, in wie er nog meer dan begin van bloei, in wie er zelfs een begin van vruchtzetting was, maar in wie de pas gezette vrucht door de doornen en distelen der wereld wordt verstikt.
Zulke door genade aangegrepene en toch niet tot den wortel bevestigde personen zijn dus volstrekt geen hoogst zeldzame uitzonderingen. Integendeel, van de vier categorieën, waarop de Heere de genade werken laat, rekent Jezus er drie tot deze doelloos bewrochten, en is slechts éen categorie de waarlijk bevruchte, die vrucht draagt, dertig-, zestig- en honderdvoud.
Nu tellen die personen, die aan den weg bezaaid zijn, nauwlijks meê. In hen toch was het zulk een nauwlijks waarneembaar werk, dat niemand zich licht in hen vergissen zal.
En ook is niet zoo breed de categorie der in de doornen bezaaiden, eensdeels, omdat de vervolgingen thans zoo fel niet meer zijn, en anderdeels, omdat de verstikking van den rijkdom slechts het levensgevaar van enkelen onder Gods kinderen is.
Maar breed is en blijft de categorie, die Jezus in het midden plaatste; de categorie der tijdgeloovigen, waar vanouds Christus' kerk steeds op wees; mannen en vrouwen, die geen eeuwig leven hebben, maar slechts voor een tijd zijn.
Slechts voor een tijd, omdat ze geenen wortel in zichzelven hebben.
Want immers op dien wortel komt het juist aan.
Of ge in iemand al het gevoelsleven gaande maakt, en zoo gevoelsstroomen in hem opwekt, dat hij even ontrust wordt, en u het oor leent, en nu wel meê wil loopen op den weg naar Jezus toe,—och, dat lijkt wel schoon, en maakt soms wel een roerenden indruk, maar het mist allen grond en degelijkheid.
De zonde is wat diepers dan het gevoel, en de dood, die uit de zonde geboren wordt, vreet wat dieper in uw persoon in dan de oppervlakte van uw gevoelsstroomen.
Heel uw persoon, uw wezen, uw ik, in het diepste van uw bestaan, is aangetast, en gaat gewisselijk, zoo God het niet keert, ten verderve.
Op vernieuwing van heel dat ik, heel dien persoon, heel dat wezen, op een van nieuws ontvangen en geboren worden komt het daarom aan.
En wat woudt ge dan in zulk een ontzaglijken strijd, die tusschen God en Satan op den bodem van het menschenhart wordt uitgestreden, volstaan met een cachet, dat ge er op drukt; met een vroom stempel, dat ge er op zet; met trillingen en bewegingen in de oppervlakte; met een schijngeloof zonder kennis; en met een napraten en nadoen van anderen, zonder innerlijke wezenheid in het hart?
Waarvoor strekt en dient de wortel?
Immers juist, om als de oogenblikkelijke levenskracht is opgeteerd, aanstonds weer nieuwe frissche levenskracht te kunnen toevoeren.
Vergelijk den bloemruiker met den ceder op den Libanon, en al het verschil tusschen het wortellooze en wat een wortel bezit, spreekt u toe.
o, Het is zoo, schoon geuren die bloemen en prachtig schitteren die kleuren. Zij zijn begeerlijk en schoon voor het oog. Wie onzer kan de bekoring van zulk een ruiker soms weerstaan?
Bovendien ze waren immers echt, die bloemen. Geen gemaakte, maar door God gewrochte bloemen. Slechts éen ding ontbrak haar, dat ze geen wortel hadden, en omdat ze geen wortel hadden, waren ze slechts voor een tijd.
En evenzoo immers is het bij die opmerkelijke schijn-Christenen. Rijk aan sieraad ontmoet ge hen op den weg. Geur en fleur geven ze van zich. Het is wel, zooals Paulus zegt, dat ze des Heiligen Geestes deelachtig zijn geworden.
Soms verrukken ze u door de uitademing hunner zielen.
En toch, hun bloei is slechts voor enkele dagen. Dan verbleeken en verdorren ze. Omdat deze schijn-Christenen geen wortel hadden, waarmeê ze leven uit God konden indrinken, bloeiden ze slechts voor een tijd.
Zie het maar aan den ceder, die met zijn diepe wortels zoo degelijk in wezen tegen de geplukte bloem overslaat.
Bij hem soms minder geur en minder fleur, maar een wortel, die diep indringt, en daarom den ceder de jaren verduren doet, ja, tot een beeld van het eeuwige maakt.
En zoo nu is Gods echte kind.
Ook voor eeuwen, ja, voor eeuwig; alleen om dien wortel, waarmeê hij in God wortelt.
Zij het zoo ook u!
VIJF-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
„GIJ LEGT MIJ IN HET STOF DES DOODS!”
Mijne kracht is verdroogd als eene potscherf en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
Psalm 22:16.
Eens, toen er nog geen mensch bestond, lag er op deze aarde ziellooze doode stof. En van die stof greep Gods almogendheid een handvolle en nog een handvolle, en vormde er een menschelijke gestalte, met been en spier, met bloed en zenuw, uit. Altegader wijsheid, kracht, schoonheid, die Hij in die doode stof inschiep. En toen dit menschelijk lichaam gereed lag, schiep diezelfde God er de ziel in, waarop het lichaam was aangelegd. En zoo verrees die door Gods almacht wonderkunstig bewerkte stofklomp, en wat daar in het Paradijs stond en voor het eerst omzag en waarnam en luisterde, was de door God geschapen mensch.
Zoo was die mensch niets dan stof, met bijvoeging van de wijsheid en de almacht Gods, die scheppend op die stof gewerkt had.
Zoolang diezelfde almacht hem in dat stof hield en behield, bleef hij dus. Maar liet God hem los, of ging hij van zijn God af, wat wierd er dan anders van hem dan nogmaals stof?
En daarom, toen de mensch in zijn hoovaardij dát aandorst, en den band met zijn God afsneed, toen kwam de vloek ook: „Stof zijt ge en tot stof zult ge wederkeeren, dewijl ge daaruit genomen zijt!”
Uit dien hoofde blijft het niet bij het uitblazen van den adem en het geven van den jongsten snik. Neen, de vernedering moet nog dieper doordringen. Wie God verlaat, moet terug naar den toestand, waarin hij verkeerde, eer zijn God hem riep en schiep. En daarom volgt er na ons uitblazen van den adem nog een graf, dat ons in zijn schoot ontvangt.
Dan opent de aarde zich. Die stofbodem, waarboven Gods almacht ons verhief; dien we met onzen voet vertreden hebben; waarover we koninklijk heerschten; maar die nu zich wreekt, en ons opwacht, om over ons te heerschen.
Het graf ontbindt, verteert, verslindt u. En de ruste kan niet komen, eer het weer wierd, wat het oorspronkelijk was: niets dan stof.
Dit nu heeft ook de Messias voorgevoeld en vooruit doorleden, toen de Heilige Geest David tot den lijdenspsalm uitdreef, en hij zong van den bittersten kruisdood, en, in zijn uitroepen ook in dien smaad van het graf verzinkend, klaagde: „o, Mijn God! Gij legt mij in het stof des doods!”
Voor ons gaat dat bij trappen. Eerst krank; dan sterven; en dan het graf. Maar voor den blik van Messias was dat éen rechtstreeks doorgaande lijn van vernedering en vernietiging tot in het graf. Eén opwoeling van het stof des doods, dat Hem verstikken zou.
Stof en Geest staan tegen elkander over.
Het stof is het vormelooze, onbezielde uit de ure, toen de aarde nog woest en ledig was en duisternis op den afgrond. De Geest was toen nog niet scheppend in de stof gedrongen om haar te bezielen. De Geest van God was nog zwevende over de wateren.
Maar op Gods bevel dook die Geest in het stof; en zoo kwam het leven van heel de schepping er, tot het eindelijk zijn kroon ontving in den mensch.
Zoo moest dan het stof den Geest dienen, en de Geest is geroepen, om het stof te bezielen en te beheerschen.
Tot er een breuke in dat geestelijk leven komt. Want dan kentert het rad der geboorte. Het slaat om. De macht wordt aan het stof hergeven, en het gaat alles terug naar wat „woest en ledig” was. Het wordt alles weer stof.
En in die schriklijke vernieling moest ook Messias in.
Als Middelaar in het eeuwig Raadsbesluit gesteld, was het zijn lot, het wel en wee van ons menschelijk geslacht te huwen. Eens de glorie, waartoe het geroepen was; maar eerst de verderving, waartoe het was gedoemd.
Hij zou onze natuur aannemen; maar in gevallen en geknakten staat. Gelijk ze onder den doem lag, om in dood en graf te verzinken en tot stof weder te keeren. En in dien loop en weg moest Messias ingaan, om juist in de groeve des doods verzonken, met het stof te strijden, en in het graf zelf de macht van het stof te binden door zijn verrijzenis.
Dat was het eindpunt, waartoe het komen moest. Dat de diepste diepte, waarin Hij had weg te zinken. En eerst als die diepte der versmading bereikt was, zou Hij met de diep ingedrukte veerkracht des Geestes koninklijk triomfeeren over het graf, dat ook Hem vernielen wilde.
Het stof heeft over Jezus geen macht gehad. „Gij zult niet toelaten, dat uw Heilige de verderving zie!” had het in Psalm 16 weerklonken. En die toon der hope wierd profetie.
Het is bij Jezus doorgegaan tot de scheiding van ziel en lichaam. Zelfs is zijn afgescheiden lichaam in het graf gelegd. Maar verder kwam het niet. Het stof kon dat lichaam niet ontbinden, niet verteren; tot stof wierd het niet!
Hij werd in het stof des doods gelegd. Besloten in een graf. Besloten achter een deur van steen. Maar in de worsteling, die toen volgde, leed het stof de nederlaag. De Geest des levens overwon en het stof des doods wierd overmocht.
En ook nu ging het naar den wortel.
Gelijk in Adam de wortel van ons geslacht geknakt en in de macht van het stof weggezogen was, en deswege een iegelijk onzer den tol der ontbinding aan het stof moet betalen, zoo ook ging het hier te werk. In Christus triomfeerde de wortel des nieuwen levens, en in Hem zegepraalt over het stof, al wat in dien wortel gehecht is.
Ontzettend moet het voor den Middelaar geweest zijn, eer Hij triomfeeren kon, in die diepte om onzentwil weg te zinken.
Hij klaagt het met zulk een toon, waar weedom des harten in kermt: „Gij legt Mij in het stof des doods!”
En toch, er sprak in dat woord toch ook vertrouwen.
Hij wierd niet door dat stof getrokken, maar God legde Hem er in.
Het is alleen ontwikkeling, ontplooiing, uitwerking van het eeuwig Raadsbesluit. Van datzelfde Raadsbesluit, waarin ook zijn triomf besloten lag. En dat maakte, dat deze diepe treurpsalm (22) reeds halverwege in den toon van lof en jubel omslaat: „Gij, die den Heere vreest, prijst Hem; al gij zaad Jakobs, vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!”
Daarin ligt voor Messias de macht, om door te worstelen tot den einde.
Niets overvalt Hem. Niets overkomt Hem door de macht van de natuur of van de zonde. Zelfs in zijn bangste lijden is Hij geen oogenblik buiten Gods hand.
Gods Geest leidt Hem in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel; en straks is het dezelfde Vaderhand, die Hem den beker, den schriklijken drinkbeker van den eeuwigen dood, aan de lippen zet.
Hij valt niet in het stof des doods. God legt Hem er in.
En zoo ligt in zijn wegzinken de profetie van zijn opvaren in de hoogte.
Het is al uitvoering van het éene lijdensprogram; maar vlak na dat lijdensprogram volgt in Gods Raadsbesluit het program van glorie en zegepraal.
Door lijden tot heerlijkheid!
De poorte des Heeren, waar Hij door moet treden, om in te gaan in den luister, die Hem beidt.
Hierin lag voor den Middelaar, in leven en in sterven, naar ziel en naar lichaam, zijn eenige vertroosting.
En nog weet Gods kind op aarde het, hoe hij, achter Jezus aankomend, daarin al zijn rust, daarin den moed om te dragen en te dulden, daarin alleen de geestkracht vindt, om temidden van de bangste duisternis het licht te grijpen, zoo hij, in de diepste smart verzonken, weten mag: Niet bij geval, noch ook door den mensch mij aangedaan. Gij, Heere! Gij alleen legt mij in het stof des doods!
ZES-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
„DE ONGERECHTIGE MAN ZIJN GEDACHTEN.”
De goddelooze verlate zijnen weg, en de ongerechtige man zijne gedachten; en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
Jesaja 55:7.
Er is tweeërlei soort van weg. Een weg, waar onze voet op gaat, en een weg, waarlangs onze gedachten wandelen.
Die eerste is het pad onzes levens, waarop we ons in de werkelijkheid, in de wereld, in maatschappij, in huis en kerk bewegen. Maar die andere, die tweede weg doorkruist ons inwendig leven, loopt door de wereld van ons hart en kronkelt zich door de diepten onzes gemoeds.
En nu ligt de zonde op allebei die wegen.
Volstrekt niet enkel op onzen weg door het werkelijke leven, maar wel terdege ook en even sterk op dien verborgen weg van ons hart.
Dat leven daarbinnen is toch ook een wezenlijk leven. Zelfs in uw verbeelding kan geen beeld voorkomen, of er is iets in uw hart, dat aan dit beeld aanzijn gaf. Het heeft alles een oorzaak, alles een wortel, alles een kiem, waaruit het opschiet. En hetzij ge droomt of phantaseert of mijmert, of door hartstocht in uw binnenste gejaagd, of door drift in uw nieren geprikkeld wordt, al wat op het veld uwer gedachten opdoemt en gestalte gewint, bestaat wel niet voor de wereld, maar bestaat wel terdege voor u... en voor uw God.
Zijn onbepaalde wetenschap bezet u van voren en van achteren; beluistert u aan den uitgang uwer lippen, maar evenzeer in de sluiphoeken van uw hart.
Ook in uw wereld, die binnen in u is, gaat zijn onbepaalde wetenschap door.
En of ge nu al op uw pad door de wereld recht gaat, zoolang uw pad daarbinnen krom loopt, staat ge voor uw God in de schuld en voor uw God geoordeeld.
Hij is uw God.
Hij heeft recht op u in uw loop door de wereld; maar eveneens recht op u bij uw wandelen langs de paden uws harten.
En daarom, als uw God u tot bekeering roept, dan zegt zijn Woord niet enkel: „De goddelooze verlate zijn weg,” maar volgt er terstond op: „en de ongerechtige man zijn gedachten.”
Nu zijn die „goddelooze” en die „ongerechtige man” niet twee personen. Het is éenzelfde persoon, die een weg naar buiten en een weg naar binnen heeft. En het is tot dien mensch met zijn dubbele wereld en met zijn tweeërlei weg, dat het woord uitgaat: „Ge moet af van den weg der goddeloozen in de wereld buiten u; maar ook af van den weg der ongerechtigheid in uw eigen gedachten.”
Hier zit veel in.
Dit weet ge toch ook wel, hoe verrukt onze ziel reeds is, als ze alvast in den uitwendigen weg overwon; en een ondeugd ingetoomd; een zwakke steê in ons karakter bewaakt; een leelijke gewoonte bestreden; een booze toeleg verijdeld wierd. o, Als er eens ontkomen aan de macht der zonde is, dan jubelt het reeds zoo dankbaar van binnen. De zonde is zulk een ontzettende „drijver”. Zijn geeselkoord is zoo scherp en zijn striemen gaan zoo diep. De zonde dwingt zoo en spot zoo met alle beter voornemen. En als er dan eens genade komt, en de zonde leî het af, en wij ontkwamen den strik, om als een vogeltje vrij uit te vliegen, dan zong ook onze ziel, als het vogelkijn zoo blij, haar lied, het lied der verlosten.
En daar dingen we niet op af.
Het is melodie in het oor van den Heilige daarboven, als dat lied der bevrijding weer langs de velden klinken mag.
Alleen hierop komen we maar, dat ge er hiermeê nog niet van af zijt, en dat het u niet baat, of ge het wint in het leven, zoo ge het aflegt in uw hart.
En nu is de moeilijkheid hier groot.
Tot onzen dood toe blijven we hetzelfde onreine beginsel in ons omdragen. De poel der ongerechtigheid gaat in onzen laatsten ademtocht, maar ook dan eerst, van ons af.
Tot dien tijd blijft het dus altoos onder den bodem van ons hart een gevaarlijke toestand. Hoe goed ook die bodem geplaveid zij, en hoe sekuur ook de opening van den poel der zonde dicht zij geschroefd, altoos blijft die poel er toch onder, en het onreine gas der zonde is zoo aldoordringend, dat het door de hechtste afsluiting toch doorkomt. Satan blaast in die gassen, en daardoor hebben ze zoo doordringende kracht. Soms zelfs slaat plotseling heel het deksel van de opening af, en vliegen opeens weer alle booze demonen door uw binnenste.
Maar goed, sluit dat laatste schriklijke geval nu uit, dan blijft er toch altoos, wat onze Belijdenis noemt, een opborrelen uit de onzalige bron in ons hart.
En hierdoor nu komt het, dat ge zoo licht denkt: „Aan dat opborrelen van het onreine gas in mijn hart kan ik toch niets doen. Dat komt vanzelf. Dat kan dus geen zonde zijn. Daar kan God mij niet om veroordeelen!”—en dat ge alzoo denkende aan die onreine en onheilige gedachten den vrijen loop laat.
En dit nu verbiedt de Heere u.
De ongerechtige man moet ook zijn gedachten verlaten. Ge moet wel denken, wel gedachten hebben; maar ge moet in de gedachten des Heeren met uw ziel inleven; en om dat te kunnen doen, uw gedachten prijsgeven.
En uw gedachten, ja, dát zijn nu wel waarlijk die opborrelende gassen.
Die komen uit uw hart, uit de bron van uw wezen, uit den wortel van uw innerlijk bestaan, en wee u, zoo ge die gedachten koestert, zoo ge er meê speelt, zoo ge er vermaak in krijgt, en er meê verkeeren blijft; want dan zet ge er het zegel van uw begeeren en van uw wil op, en ge zondigt tegen den Heere uwen God.
Neen, wat ge doen moet, is allereerst, dat opborrelen zooveel doenlijk beletten.
Het is toch niet waar, dat ge daar niets aan doen kunt. Dat maakt de duivel u wijs, maar leert Gods Woord u wel anders. Let er maar eens op, hoeveel minder de opwellingen zijn den eenen dag bij den anderen vergeleken, al naar gelang ge uw wachten hadt uitgezet.
Maar ook dan nog, als ze opborrelden, dan nog staat ge voor de keus, om er onverwijld tegen in te gaan, of om ze vrij spel te laten.
Dan is er iets in die opwellende zonde, dat u streelt, u lokt, u meêtrekt; maar ook iets, waardoor de Geest in u getuigt: „Weg daarmeê!”
En nu is het maar de vraag, of ge op het eerste oogenblik, terstond, zóo als ze opkomen, daar de hand tegen inslaat, of dat ge er zekeren lust aan hebt, om die zonde eerst even in uw hart te laten omloopen.
Doet ge dit laatste, dan zijt ge de macht kwijt, en de zonde omfloerst u, ook al komt het niet tot de daad.
Maar ook, doet ge het eerste, wordt ge biddende, waakt ge, strijdt ge, dan komt de Geest u te hulpe, en het onheilige gas ontsnapt.
Zelfs in het heilige moet ge bedachtzaam zijn.
Want ongetwijfeld moet ge uw verleden overdenken, en tot uzelven inkeeren, en vrede bij uw God zoeken.
Maar wee u, zoo dat denken aan de zonde in uw verleden een soort spel wordt.
o, De vaderen der kerk hebben er steeds zoo ernstig tegen gewaarschuwd, om de voorgaande zonden toch in de diepten der zee te laten liggen, waarin God ze genadiglijk geworpen had.
Want het is een feit, een schriklijk feit, dat menige overdenking van zonden, die men vroeger beging, door de kracht der verbeelding, en de werking der herinnering, en het terugleven in wat men vroeger deed, feitelijk het roersel der zonde weer wakker maakte, de verbeelding overmeesterde en in nieuwe zonde vrucht droeg.
„De goddelooze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten” houdt ook in, dat ge God den Heere aan zult roepen, om u de heugenis uwer vroegere zonden geheel uit de ziel te snijden.
Uit te snijden, niet enkel, opdat ze u niet meer benauwen in vreeze, maar ook wel terdege, opdat ze uw ziel niet met nieuwe zonden bezwangeren.
ZEVEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
„HOEVELE ZONDEN HEB IK?”
Hoevele misdaden en zonden heb ik? Maak mijne overtreding en mijne zonde mij bekend.
Job 13:23.
Job heeft in zijn zielsangst schriklijke dingen uitgesproken, die we hem niet mogen nazeggen. En toch ligt er ook in die wilde kreten van Job voor u een diepe onderwijzing!
Dit komt daarvandaan, dat Job zegt, wat gij denkt; maar vaak denkt, zonder het zelf te weten.
Hoor het maar, als Job in de wanhoop zijns harten voor zijn God uitschreeuwt: „Hoeveel misdaden, hoeveel zonden heb ik? Maak mij mijn overtreding en mijn zonde bekend!” Want dat roept Job uit, niet om ontdekkend licht over het boos gedichtsel van zijn hart te ontvangen; neen, maar wel terdege, alsof hij zeggen wilde: „Gij kunt mij niets aantijgen; ik sta niet schuldig; er is geen zonde van aanbelang, die mij door God of menschen kan bewezen worden!” Immers er gaat vlak vooraf: „Ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden!”
Dat nu Job hierin tegenover Zofar recht sprak, mag u hier niet ophouden. Tegenover de majesteit des Heeren Heeren sprak Job dwaasheid! En alleen in dit opzicht raakt dit woord u.
Want laat het u gezegd zijn: Wat bij dien wanhoopskreet over de lippen van Job gleed, dat woelt telkens ook uit den bodem van uw hart op. o, Gewisselijk, ge bekent wel zondaar te zijn; maar, zoo vraagt het arglistig hart gedurig: Waarin bestaat dan toch eigenlijk mijn zonde?
Schuld wilt ge wel belijden; maar kunt ge schuld belijden? Voelt ge een oordeel over heel uw persoon in uw binnenste gaan? En bij deze vraag grijpt er bij den burgerlijk braven mensch altoos een worsteling in zijn binnenste plaats: „Om oprecht te zijn, wat ik haast niet durf, wat zijn dan mijn overtredingen? Als ik zoo diep schuld heb te belijden, hoevele zijn mijne zonden dan?”
Natuurlijk, de ongelukkigen, die eerst zijn overgegeven in een verkeerden zin, en in hun jeugd, of ook later zich tebuiten gingen aan zonde van godslastering, van diefstal, van dronkenschap, van hoererij, die vragen dat niet. Die hebben hun antwoord.
Maar zoo gij daarvoor bewaard bleeft, en genade uw voeten hield, dat ze niet uitgleden, dan valt op die vraag het antwoord, o, zoo zwaar aan uw geruste conscientie.
En als ge Job dan roepen hoort: „Waar zijn dan mijn zonden?!” denkt dan ook uw ziel niet soms in zichzelve: „Och, wat Job vroeg, denk ook ik in mijn binnenste, al durf ik het niet uitroepen, gelijk Job het uitriep”?
Nu een vraag!
Waart ge nimmer in een dierentuin, waar achter de traliën kleine, lieve, jonge tijgertjes speelden en sprongen, al rollend door elkaar? En dat boeide u, niet waar! die lieve, spelende diertjes, waar nog geen kwaad bij was.
o, Om de moeder-tijger zitten ze achter de traliën. Maar als die kleine, lieve diertjes alleen waren, kondt ge gerust de traliën wegschuiven en uw eigen jongen met die kleine tijgertjes stoeien laten. Ze zouden uw jongen geen kwaad doen.
Ze spelen en stoeien nog maar en zijn zoo aantrekkelijk lief.
En toch, ge weet het. Als ge diezelfde lieve diertjes maar stil gaan en groeien laat, komt uit diezelfde lieve beestjes toch straks de felle, wreede, bloeddorstige tijgeraard tevoorschijn. En zoo ge niet toeziet, verscheuren ze u en uw kind.
Heeft nu dit duidelijke beeld u niets omtrent de zondige gestalten in uw eigen hart te zeggen?
o, Neen, ook in u zijn die zonden nog niet uitgegroeid. De muil is nog niet opgesperd. De klauw nog niet uitgeslagen. Het vuur van den bloeddorst vlamt nog niet in het oog.
Gij speelt nog met uw lieve zondetjes, in uzelven en in uw kind.
Er zit geen kwaad bij, denkt ge, en het vermaakt u meer, dan dat het u angst aanjaagt en u beklemt.
En toch, wat zijn al die zondetjes in u dan kleine tijgertjes van binnen, waar de schriklijk booze aard inzit? En wat drijft ge anders dan roekeloos spel, met die booze wezentjes in u te koesteren en te streelen?
Men vergeleek de zonde in u wel eens bij kiempjes, zaadjes van een boos distelkruid, dat, straks opgeschoten, u de huid zou openrijten. Maar dat is te zwak gezegd. Neen, er is erger, er is verscheurend wild in uw hart. Die nog onuitgeroeide zonden in u zijn als tijgertjes, die eerst, o, zoo lief, toch als heur aard en wezen uitkomt, zich zoo schriklijk openbaren zullen.
Dan moordt het in uw hart!
En nu zult ge het onderscheid gevoelen!
In uw hart, zoo goed als in dat van ieder zondaar, zitten van binnen al die booze machten in. En voor wat aan u ligt, doet ge alles, om die booze wildheden van klein groot te laten worden. Gij lacht er tegen. Gij stoeit er meê. Gij voedt ze met sterk voedsel. Het is, of ge haast naar het oogenblik hunkert, waarop de booze aard mocht uitslaan.
Maar uw God is ontfermende!
Hij is wijzer dan uw dwaasheid, en Hij komt met genade tusschenbeide en sluit in uw hart die booze machten achter traliën op. En nu speelt de klauw wel tusschen de traliën door, maar tot moorden kwam het in uw hart niet.
En gij? Dankt ge daarvoor? Integendeel, gij vijlt aan die traliën. Gij zoudt die tijgertjes uit willen laten! Gij zoudt dat uitkomen van dien boozen trek willen zien.
Maar nogmaals, uw God is ontfermende! En Hij slaat uw hand met uw vijl af. En zoo, zoo alleen zijt ge burgerlijk braaf gebleven en bleef het wild gedierte wel in u, maar het kon niet woeden!
En als dan uw God en Vader, enkel door tusschentredende genade, het ergste belette en voorkwam, zult gij dan zeggen: „Op mij is niets aan te merken, die wilde macht in mijn hart brak nog nooit los”?
Het is zoo, ge kunt ook wel langs anderen weg ontdekkend licht ontvangen, en tot zielsverbrijzeling komt het dan eerst, als reeds de enkele gedachte, dat het geen liefde voor uw God is, die u drijft, u pijn doet en door het hart schrijnt.
Ge hebt gelijk: tot dieper indaling in uw zonde komt ge eerst, als ge uzelven in uw natuurlijken vader, in Adam, vondt, en voeldet, hoe gij het waart, die in hem tegen uw God en Souverein gerebelleerd hebt!
Maar toch, soms is het goed, om aan de hand van wat Job uitriep, tot besef van uw zonde te komen.
Het mag niet, dat ge in zelfstreelende eigengerechtigheid u boven den schuldigen tollenaar verheft. Ge moogt niet uit de hoogte van uw burgerlijke deugden op den gevallen man en op de gevallene vrouw neerzien. Ge moet leeren verstaan, dat de wilde boosheden, die uit hun hart uitbraken en uitschoten, ook in uw hart wel terdege huizen. En dat het eenige, waardoor ze in u rustig bleven en geen kwaad vermochten te stichten, die traliën der genade waren, waarachter uw God ze, u ter behoudenisse, opsloot.
Een Augustinus, uit den moordkuil van wiens hart ze zoo schriklijk uitbraken, is niet slechter dan gij. Gij zijt niet beter dan hij. En al het verschil tusschen u en hem is, dat God hem een tijdlang losliet, om heel de kerk te herinneren, wat er in elks hart huist, en u tegenhield, dat ze in u achter de traliën opgesloten bleven.
o, Spot toch met die genade van uw barmhartigen Vader niet! Als zijn hand even ophield die traliën geklonken te houden, zoo vreeslijk zouden ook uw boosheden naar buiten uit kunnen slaan. Hoor toch, wat de Schrift zegt: „Die sta, zie toe, dat hij niet valle!”
En daarom, misleid uzelven niet langer.
Wat vraagt ge: Wat dan toch uw zonden zijn? Hoe meent ge dat? Hoevele uw zonden zijn, die uitbraken? Vraag liever: Hoevele uw zonden zijn, die God tegenhield en het uitbreken belette?
o, Als het daartoe mag komen, dan wordt uw standpunt zoo heel anders.
Dan kunt ge den gevallen man en de gevallene vrouw niet meer verachten, maar zult ge, bij al de verfoeiing voor hun schriklijk kwaad, eer vragen: „Heere! wat onderscheidt mij, dat Gij mij niet losliet?”
Dan zal er een besef in u komen, dat ge in hun zonden uw zonden ziet. In den tijgerklauw, die uit hun hart uitkwam, den verscheurenden aard en het wezen zien van die tijgertjes in uw eigen binnenste, en ge zult ophouden er meê te spelen.
Ge zult niet meer vragen: „Wat zijn dan mijn zonden?” maar schrikken van uw eigen hart, waarin zooveel wilde boosheden zitten opgesloten!
En dank, elken avond en elken morgen nieuwe dank zal van uw lippen naar den hooge klimmen, dat uw God zoo ontfermend was, om u zoo wonderlijk voor uw eigen hart te bewaren.
Ja, uw diepste bede zal 't zijn: „o, God! blijf mij bewaren. Laat de boosheden van mijn eigen hart toch niet tegen mij los!”
ACHT-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
„GIJ EN UW HUIS!”
En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
Hand. 16:31.
Onzichtbare banden zijn zoo raadselachtig en toch trekken ze soms zoo sterk.
Gij zult nederzitten in een spoorcoupé, dat ge als haringen gepakt opeenzit, en men u links en rechts drukt, en dat ge toch als een vreemde en zonder aanraking temidden uwer medereizigers zijt; terwijl ge op hetzelfde oogenblik aan vrouw of kind zult denken, die urenver van u afzitten, en ge met hen u op 't innigst verbonden gevoelt.
Ze zijn zoo geheimzinnig, die verborgene banden; die wondere banden van het hart; en die nog teederder banden des geestes.
Ge merkt er niets van, en ge ziet er niets van; ge kunt ze naspeuren noch tasten; en toch zijn ze er; en hun trekking is zoo machtig; dan vooral, zoo ze door de banden van het bloed worden gesteund.
Zie slechts om u in uw gezin.
In een vol uitgegroeid gezin was eerst alleen een vader en moeder; en nu is hun kroost geschonken; en bloeien de olijftakken aan hun tafel. Maar al lijkt zulk een huisgezin op een plant, toch is het anders dan een plant. Want immers van een plant kunt ge de stukken niet uit elkaar nemen, of ze hebben niets meer met elkander uitstaande. Stekken, van een boom afgenomen, keeren nooit meer naar dien boom terug, en geplukte vruchten vergeten heur oorsprong. Maar zoo is het met een menschelijk huisgezin niet. Zulk een gezin lijkt wel een plant, die allengs in stukken uit elkaar loopt; maar zoo, dat de uiteengeloopen stukken toch nog met onzichtbare banden of vezelen aan elkaar verbonden blijven.
De telegraaf komt er nog het naast bij. Als te Parijs de magnetische draad in den grond wordt gestoken, en men steekt het andere uiteinde van dien draad te Amsterdam in den bodem, en de toestel werkt, dan heeft er opeens, onder den grond door, een verbinding plaats van de electrische kracht. Het trekt van die punt, die te Parijs in den grond steekt, tot naar die punt, die bij ons in den bodem ging. Men noemt dat een strooming. Men merkt en weet, dat er een verbinding is. Maar het is een verbinding, die aan onze waarneming ontsnapt. En zoo nu, en sterker nog, is het ook met de banden van het bloed, vooral indien de banden van den geest er op werken mogen. Want of het eene kind dan in het eene en het andere in het andere werelddeel is, als door een electrischen stroom, die ongezien door de lucht trekt, blijven dan die harten toch op den versten afstand verbonden. En als 's avonds de knieën worden gebogen en uit alle stad en dorp de gebeden naar den hooge opklimmen, dan werken al die stroomingen, dan trekken al die banden, en dan is het éen roepen, éen bidden naar den hooge voor wie van zijn lieven verwijderd is en toch voor zijn lieven liefde voelt in zijn hart.
Toch kan niet genoeg geklaagd, dat de trekking dier geheimzinnige onzichtbare banden niet nóg sterker is; niet genoeg getreurd, dat juist in onze dagen de onderlinge verkleefdheid en saamhoorigheid vaak zoo flauwelijk werkt.
Ge hebt wel recht, dat familiebanden niet kunnen blijven doortrekken, als te sterk geestesverschil de zielen uiteendrijft. Of heeft niet de Heere zelf gezegd: „Wie niet haat zijn vader en broeder om mijnentwil, is mijns niet waardig”? Niet ook waar, dat Ruth's zeggen: „Uw volk is mijn volk” steeds weerklank vond in het vroom gemoed? o, Schrijnen moge het u soms door de ziel, maar er is niets tegen in te brengen: als de eene Jezus belijdt en den andere het kruis een ergernis is, dan kunnen die twee niet saamgaan, ook al heeft eenzelfde moeder ze gebaard.
Maar omdat de banden van het bloed ook in uw huis, als het op beslissen komt, nooit de banden van den geest overheerschen mogen, daarom moogt ge toch nimmer die banden van het bloed gering achten.
Die banden van het bloed zijn geleidingen, waarlangs iets uit het hart van den een in het hart des anderen uit kan gaan. Er kan langs die geleidingen een vonk van zonde schieten uit de ziel des eenen in die des anderen; maar ook, er kan langs diezelfde geleiddraden een zegen overgaan uit hart in hart.
En dit nu is het kwaad onzer dagen, dat de kerk van Christus op die banden des bloeds, als instrumenten van zonde of van zegen, zoo weinig let.
Het wordt alles te geestelijk opgevat.
Ook gij hebt wel een huis. Paulus' zeggen tot den stokbewaarder: „Gij en uw huis,” is voor u ook wel verstaanbaar. Maar nu denkt ge allicht: „Als die kinderen van mijn bloed zalig zullen worden, zal tóch dit werk van den Heere moeten komen; wat kan ik er aan doen?” En zoo staakt ge het woord van vermaning; zwijgen wordt regel; alleen in natuurlijke, wereldsche dingen werken de banden des bloeds nog; maar overigens, dat er in die banden des bloeds een kostbaar instrument gegeven is, om ter zaligheid ook voor uw huis werkzaam te zijn, dat hebt ge nooit ingedacht; dien blik hadt ge er nooit op; daar liet ge u niet meê in.
En dit nu is een zonde, die bestraft en bestreden moet.
In uw macht heeft God de Heere de zaligheid van uw huis zeker niet gesteld. Hij is een jaloersch God, en geeft zijn eere aan geen andere. Hij baart weder, Hij alleen, en alleen God de Heere zelf kan aan uw kind, aan uw vrouw, aan uw broeder het geloof geven. Maar onder uw plicht staat niettemin het vermaan en het smeeken der liefde. En als God de Heere u dan niet los in het midden der uwen stelt, maar u met heel uw huis door heilige, teedere, geheimzinnige banden des bloeds zoo verbindt, dat er langs al die banden en draden iets van u op hen kan uitgaan, dan moet ge uw arbeid te werk stellen, ook al bleek in de uitkomst, dat het al arbeid en moeite tevergeefs was geweest.
o, Dat er in onze Christelijke gezinnen toch dieper besef opwaakte van deze heerlijke roeping!
Eertijds zag men soms reeksen van geslachten, waarin de zegen der genade telkens van vader op kind als overging, en thans is het, of schier uit elk huis het ongeloof zijn prooi komt wegsleepen.
Dit gaat niet om goed en have, maar 't gaat om de levende zielen.
En daarom kan er niet sterk genoeg op aangedrongen, dat we voor dat diepgaande kwaad toch het oog zullen openen.
De kerk van Christus vraagt om geslachten, die den Heere dienen in godzaligheid. De kerk van Christus vraagt om geheele huisgezinnen, die den Heere in onverderfelijkheid mogen aanroepen. Ze wil, ze vraagt ook van u, dat ook in uw huis de banden des bloeds niet als een ongebruikt instrument zullen liggen.
God schiep ze, die banden.
Ze geven u geleiddraden. Ze bieden u aansluiting. Ze stellen u in gemeenschap met wie om u zijn.
o, Laat langs die draden, laat door die aansluiting, laat, dank zij die gemeenschap, dan ook in uw huis de gloed eener meer dan aardsche liefde voor man en vrouw en kroost, voor broeder en zuster werken mogen.
Een liefde, die naar Boven lokt, die, God geve het, meêtrekt naar den hemel!
NEGEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
„VAN UWEN HOUTHOUWER TOT UWEN WATERPUTTER.”
Uwe kinderkens, uwe vrouwen en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uwen houthouwer tot uwen waterputter toe.
Deut. 29:11.
In onze dagen is Engelands gewezen minister een houthouwer, en water uit onze waterleiding in een kruik opvangen kan ook een vrouw van eersten stand doen.
Maar in Israels oude dagen was het zoo niet. Toen het hout van verre saamgelezen moest in het wilde woud en het water uit de verre beek moest aangedragen, was houthouwer en waterputter een zeer slavelijke en zure arbeid, en omdat het een arbeid was, die geen zier talent en kennis eischte, nam men er lieden voor van het laagste soort.
„Houthouwers en waterputters” duiden dientengevolge in de Heilige Schrift aan die pariahs, die op de laagste sport van de maatschappelijke ladder stonden. Wie nergens voor deugde, kreeg een bijl in de hand of een kruik op den rug. Houthouwen en waterputten kon een ieder nog!
En kom hier nu niet met valsche denkbeelden van „gelijkheid” tegen op; want de maatschappij leeft nu eenmaal op een ladder en staat niet op een gelijk, effen vlak.
Dat moge de Communist willen en de Nihilist beweren; maar al hun razernij stuit af op het feit, dat de menschen hoogst ongelijk geboren worden, en dientengevolge hun leven lang zeer ongelijk zijn.
Met de keurigste opvoeding kunt ge aan een kind, dat zonder genie geboren wierd, geen genie instorten. Talenten worden niet aan den boom gehangen, maar liggen in kiem en wortel. En wie kan dan het feit loochenen, dat de kracht van denken, de kracht van willen, de kracht van handelen, waarmeê de eene mensch begaafd is, soms tien- en twintigmaal die van anderen, soms onder de zonen van éenzelfde huis, overtreft?
Vandaar de ladder, en aan die ladder de sporten. En nu zijn er sommigen, die op de hoogste sporten staan, anderen, die in het midden hun stand hebben; maar ook velen, voor wie er niets aan te verhelpen is, dat ze hun leven lang nooit van de laagste sporten afkomen. En dat nu zijn onze houthouwers en onze waterputters.
Die ladder schiep God alzoo; maar omdat Hij niet alle mensch even hoog plaatste, maar velen op de laagste sport doet leven, gaat dan ook heerlijk zijn barmhartigheid uit, om over die laagst geplaatsten te waken.
Wie hooger op die ladder staat, doet zoo gaarne aan wie lager geplaatst wierd de zool van zijn schoeisel voelen; en dat nu wil God de Heere niet.
Integendeel, niemand is door Hem op een hooger sport geplaatst, om wie vlak onder hem staat, neer te drukken; maar omgekeerd, juist met het gebod der liefde, om hem, zooveel het kan, naar zich op te trekken.
Niemand is, omdat hij hooger staat, een zier meer of beter of van hooger waardij in zichzelven. Niemand heeft zich te verheffen. En wie op de hoogste sport staan mag, is en blijft in alles, met uitsluiting van allen eigenroem, even diep afhankelijk als hij, die nog met éen voet op den grond en nog pas met den anderen op de laagste sport trad.
En daarom is er in de woelzieke ontevredenheid, die zich steeds sterker onder de lager geplaatsten openbaart, ongetwijfeld een deel zondige vermetelheid en hoovaardij, die hen belet, vrede te hebben met Gods vrijmachtige beschikking over hen; maar toch is er ook in een aanmerkelijk deel rechtmatige klacht tegen de vermetelheid en hoovaardij, waarmeê de hooggeplaatsten op hen neerzien.
Wat nu 's lands wet en burgerordening hierin te voorzien heeft, dient elders besproken; maar wat op het heilig erf wel aan 's Heeren volk op het hart mag gedrukt, is, dat ze toch vooral in eigen huis en in eigen kring en bovenal in het heilig Huis des Heeren de barmhartigheden des Heeren door de hardheid en ingebeeldheid huns harten niet weerstaan.
Gods Woord is ook in dezen deele zoo teeder, en als heel Israel voor Gods aanschijn treedt, en alleen de aanzienlijken uit elk huis schijnen meê te rekenen, komt Mozes het hun in 's Heeren naam aanzeggen, dat ze ook hun vrouwen, ook hun kinderkens, ook hun vreemdelingen, maar ook, om hen vooral niet te vergeten, hun houthakkers en waterputters er bij zullen roepen.
En nu, wat wordt tegen deze ordinantie der ontferminge Gods niet nog altoos in Christus' kerk gezondigd!
Och, dat het toch anders mocht worden!
Hoe lange jaren zijn door de schandelijke wijze van verhuren van zitplaatsen in het heiligdom niet alle armen van het Evangelie afgesloten geweest! En hoe is er niet eerst, toen de kerken leeg liepen, weer plaats ook voor de houthouwers en waterputters gekomen!
o, Het is zoo, achteraf konden ze staan, op de koude blauwe zerken.
Och, al waren ze Gods vroomste kinderen, in zijn Huis wierden ze geminacht. De wereld in het Huis des Heeren ingedragen. Nogmaals de vooraanzittingen der aanzienlijken. De man van Jakobus met den gouden ring aan zijn vinger, nog altoos de u zoo scherp veroordeelende type.
En als er dan in die kerk wierd omgegaan om „armengeld”, en dat geld wierd straks uitgedeeld, o, zeg zelf, wat viel er dan te merken van ambtsdragers van Koning Jezus, die in zijn Naam aan zijn bruiloftskinderen het goed van hun Koning uitdeelden; en hoe bijna altoos was het dan een aalmoes, die schier hoonde en beleedigde!
Dit nu oordeelt en veroordeelt de Heere.
En veroordeelt Hij niet alleen in het Huis des gebeds, maar ook in uw eigen woning.
Hoogheid, die laag neerziet, en inbeelding, die minacht, wordt nooit tegenover den mindere door God den Heere geduld.
Ook die houthakker, ook die waterputter is zijn schepsel, en door Hem op uw weg gesteld, opdat ge iets, niet van uw vernederende, maar van zijn opheffende ontferming aan hen zoudt oefenen.
Wie den mindere weldoet, is de knecht, die in naam van zijn Koning iets uitreikt, en die mindere, die het ontvangt, is de beweldadigde van zijn Koning.
De verhouding dus juist omgekeerd.
Maar zoo moest het dan ook in onze eigen woningen wezen, vooral op heilig terrein.
Dat wel zorgen voor de zaligheid zijner eigen ziel, en ook wel voor het zieleheil van zijn kroost, maar zonder zich ooit er om te bekreunen, of zijn dienstbaren en minderen in de duisternis wandelen, of het licht des levens zien, is een smet op uw Christelijk karakter en een vlek op uw huislijk leven.
God wil dat niet.
Neen, zijn verbond is ruim in ontfermingen, en zijn genadeverbond omvat naar de huishouding in het zichtbare de grooten met de kleinen, de rijken met de armen, de heeren met hun dienstbaren.
Voor beiden éen weg en éen Heiland en éen hope des eeuwigen levens.
o, Het is wel zoo, dat die „houthouwers en waterputters” door veel onbescheiden taal de verhoudingen wel eens omkeeren, en dat daardoor uw zin voor ontferming vaak wordt afgestompt.
Helaas, de zonde der brutaliteit woedt schriklijk.
Maar kan, kan ooit hun zonde uw schuld wegnemen? En nog moet er gevraagd, of niet de verwaarloozing en schuld onzer vaderen in de vorige eeuw oorzaak is, dat deze zonde der onbeschoftheid zoo voortwoekerde!
Doch wie hier ook de diepst schuldige zij, het heft Gods ordinantie niet op, en die ordinantie is, dat vrouw en kinderen en dienstbaren in alle oefeningen van het genadeverbond door u worden saamgenomen.
Och, wie onzer leerde ook voor de „houthouwers en waterputters” in zijn eigen huis of op zijn eigen werkplaats bidden?
Met hen bidden ging nog, maar voor hen!
Om hun zieleheil!
Om hun eeuwige behoudenis!
Dat men toch toezie. God laat zich niet bespotten; en Hij heeft het alzóo, en niet anders verordend.
Ook dit nog. Gij, die het deedt, leerdet ge het ook uw kinderen doen?
Onze kinderen verheffen zich zoo gaarne boven onze dienstbaren, en o, juist die tergende kinderhoogheid heeft zoovelen der lager geplaatsten van de liefde Christi vervreemd!
DERTIGSTE ZONDAG.
„UIT DENZELFDEN KLOMP.”
Of heeft de pottenbakker geene macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het eene vat ter eere, en het andere ter oneere?
Rom. 9:21.
Het gevaar, om in hoogmoed tegenover de lieden der wereld te vervallen, is voor Gods kinderen zoo ontzettend groot.
Men ziet het onderscheid dan toch tusschen hen en zich. Men ergert zich aan wat zij uit lust en onder lach en spot drijven. Men zou het in hun midden niet kunnen uithouden. Het zou de ziel pijn doen. Het zou het teeder gevoel kwetsen. En het zou ons zijn, of ons de goudvederen uit onze wieken wierden uitgerukt.
Het is dan ook niet te loochenen: de lieden der wereld leven anders. Zien op andere dingen. Zijn in geheel andere gedachten bezig. En wat ook niet verheeld noch verbloemd mag: bij veel althans, dat Gods kinderen van de kinderen der wereld onderscheidt, mag vrijuit beleden, dat de kinderen der wereld het slechtste deel kozen, en dat de kinderen Gods in hun streven en bedoelen althans gelijk hebben.
Stond dat niet vast, waaraan zouden we dan het recht ontleenen, om een oordeel over de wereld te hebben? En zoo we dát misten, hoe zouden we haar ooit haar oordeel kunnen aanzeggen en ze tot bekeering kunnen vermanen?
Daar ga dus nooit iets van af. Er is onderscheid. Een sterk sprekend onderscheid zelfs. En wat beginsel, drijfveer en bedoelen aangaat, is stellig de keuze der wereld te veroordeelen en alleen de keuze van Gods kinderen goed.
In zooverre mag er nooit aarzeling of onzekerheid in ons zedelijk bewustzijn heerschen. Dat moeten we zoo inzien en gelooven. We moeten het aandurven en zeggen durven ook. Met dat te verzwijgen breken we onze kracht.
Maar, en dit springt terstond in het oog, juist hierin dreigt dan ook het ontzettend gevaar van zelfverheffing en hoovaardij.
Vergeet ge toch ook maar éen oogenblik, dat al wat ge boven de wereld vooruit hebt, u uit genade toekwam, en dat al wat ge in die wereld veroordeelt, in kiem in uzelven schuilt, dan kruipt de duivel van den hoogmoed in uw hart en uw ziel is vergiftigd.
Daarom is het zoo goed, dat apostolisch zeggen van „denzelfden klomp” ons gedurig in het oor te laten dreunen.
Gelijk een pottenbakker een klomp klei of leem van den bodem grijpt en op het wiel drijft, om er een vaas als vat der eere, of een vuilnispot als vat der oneere van te maken, zóo, zegt de heilige apostel, heeft het God den Heere beliefd, ook met u te doen. Gij, kind van God, en die volop in de wereld levende man, die tot allerlei uitgieting van ongerechtigheid komt, gij zijt niet maar van éenen bloede en van éen maaksel, maar ook van éenzelfden klomp. Het is éen leem, wat in hem en in u wordt gevonden, en al hetgeen hem van u en u van hem onderscheidt, is niets anders dan het Goddelijk welbehagen, dat u bewrocht met een genade, die aan hem niet alzoo wierd besteed.
„Van eenzelfden klomp” is het woord, dat u zoo alle aanleiding tot hoogmoed en zelfverheffing afsnijdt; want er ligt in dat woord klomp iets zoo vernederends, zoo neerwerpends, zoo verlagends, dat ge opeens al de verachting, die ge op den man der wereld woudt leggen, met dat éene woord van klomp op uzelven voelt terugvloeien.
In het leem en in de klei zelf zit niets. Het is alles éen, of ge dien klomp hier of ginds opraapt. En gij, die als kind van God zeer terecht inziet en belijdt, dat ge iets anders en beters zijt dan die man der wereld, zoudt opeens prooi van bittere zelfmisleiding worden, als ge ook maar éen oogenblik denken gingt, dat dit betere dan ook uw naam beter dan den zijnen maakte.
Want ongetwijfeld is, ja, een fijne vaas beter en hooger in waardij dan een vuilnispot. Dat kan niet betwist, dat is zoo. Maar, en hierin ligt het verschil, de meerdere prijs wordt door den kooper niet aan die vaas, maar aan hem, die die vaas maakte, betaald. Want niet in die handvol leem, maar in zijn kunst ligt de hooge waardij, die de vaas verkreeg. En het is dus geheel naar recht, dat ook de kunstenaar, die de vaas wrocht, en niet die vaas zelf, de eere hebbe.
En zoo ook bij u.
Zijt ge kind van God, o, natuurlijk, dat ge dan veel hooger waardij bezit dan een goddelooze. Maar die meerdere waardij komt Gode en niet u toe; moet Gode en niet u betaald; en zoo gij u vermeet, die meerdere waardij voor uzelven te nemen, pleegt ge roof aan den Heere uw God!
„Van eenzelfden klomp”, dat is dus de diepe gedachte, waar de nederigheid in wortelt.
Want buiten Gods genade zijt gij niets beter dan de slechtsten. Nu nóg zou, als Gods genade u losliet, het kwaad misschien veel erger in u dan in hen uitbreken. Al de zaden en kiemen van zonden, die in hen uitschoten, worden ook in uw hart gevonden. Och, de meest goddelooze man der wereld laat u niets anders zien dan wat gijzelf zijn zoudt, zoo God de Heere u had losgelaten.
En zoo komt dan uit dien nederiger zin vanzelf tevens de ontferming in u op, die het laatste spoor van hoogmoed uitdrijft.
Ontferming met die kinderen der wereld, die God niet kennen, en daardoor zoo ontzettend veel missen. Ontferming met die afgedoolden, in wie gijzelf afdoolt, en in wier zonden gij de wonde van uw eigen hart herkent. Ontferming met die lieden van „eenzelfden klomp” met u, in wie ge niets ziet, dat aan uzelven vreemd zou zijn, en wien ge toebidt, en, o, zoo innig graag toe zoudt willen brengen, diezelfde genade, die u behouden heeft.
o, Heel uw houding onder de lieden der wereld wordt zoo geheel anders, naar gelang ge als een beter soort wezen op die slechtheid der slechtsten neerziet, dan wel, of ge, als met hen van eenzelfden klomp, het schier niet vat en het u niet verklaren kunt, dat gij van zóoveel boosheid wierdt afgehouden.
Ja, nog meerderen zegen brengt die gedachte „van eenzelfden klomp” u.
Immers, het maakt u bang. Want ge waart niet slechts van denzelfden klomp, maar ge zijt van dienzelfden klomp nog; en ziet dus in de lieden der wereld, aan wat ontzettende gevaren van zonde en verleiding ge nog steeds, evenals zij, zijt blootgesteld.
Niet alsof er in een Christelijk verleden niet ook een macht ter behoudenis zou liggen. De gewoonte heeft macht ten kwade, maar ten goede ook.
Doch al geven we grif toe, dat ge daarin een schild voor uw borst hebt, vergeet niet, dat Satan u ook bizonderlijk aanport, meer dan de lieden der wereld, en dat Satan voor den val van een David hooger prijs biedt dan voor den ondergang van een goddelooze.
En dit nu overwegende, dat ge van eenzelfden klomp zijt met den diepst gevallene en verst afgewekene, en dat Satan nog zeer bizonder op u loert bovendien, o, dan komt er een toevluchtnemend roepen naar die eeuwige Genade, die uit dien klomp u tot een kind van God herschiep, om veilig bij Hem te schuilen.
En dan herleeft de moed!
Want immers, als ge er dan om u heen zoo enkelen ziet, die bizonder sieraad ontvingen, of leest in het historieblad van kinderen Gods, die zoo zonderling begenadigd wierden, dan past ge dat „van eenzelfden klomp” ook op hen toe.
Ook zij waren geen geboren heiligen, maar door God alleen bevruchten en bewrochten.
Zoo kon genade zich in leem van dienzelfden klomp verheerlijken.
En daarom, hoe dor en moedeloos ook ingezonken, als ik een handvol leem van dienzelfden klomp ben, waarvan God de Heere zulke vaten der eere schiep, o, dan durf ook ik, kleine, wegschuilende, vergetene in den lande, nog hopen.
„Van dienzelfden klomp” bereidt God de Heere zich de vaten der eere nog.
EEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
„EEN ÉENIG ZONDAAR VERDERFT VEEL GOEDS.”
De wijsheid is beter dan de krijgswapenen; maar een éenig zondaar verderft veel goeds.
Pred. 9:18.
„Zondaar” en „zondaar” is twee.
De Schrift spreekt van „zondaren”, om er meê aan te duiden alle kind des menschen, dat in Adam viel en in erfschuld geboren is. Zóo als het in Rom. 5:19 heet, dat „door de misdaad van éenen velen tot zondaars zijn gesteld geworden”; of ook als de heilige apostel Paulus zegt, „dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren”.
Maar toch kent de Schrift ook een ander gebruik van het woord „zondaar”, dat niet op allen slaat, maar alleen op hen, in wie de zonde buitengewoon zeer is uitbrekende. Dan staan aan den eenen kant de lieden, die God vreezen, en aan de andere zij de kinderen Belials, de „dwazen”, de „ijdele lieden”, de „spotters”; en die laatste soort, die de verzenen tegen de prikkelen slaan, heeten dan „zondaren” in bepaalden zin.
Dat hoort ge al dadelijk in den eersten Psalm, als het heet: „Welgelukzalig is de man, die niet staat op den weg der zondaren.” Aan Davids gebed, als hij roept: „Raap mijn ziel niet weg met de zondaren.” Aan Jesaja's profetie, dat Gods volk in Jeruzalem weer jubelen zal van vreugd, maar „dat er verbreking zal zijn der zondaren”. En dat merkt ge eveneens in allerlei uitspraak van den Christus zelven: „Indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? want ook de zondaren doen hetzelfde”; of als Jezus profeteert, „dat Hij zal overgeleverd worden in de handen der zondaren”. Iets wat telkens weerkeert, als er sprake is van „tollenaren en zondaren”, waarmeê, gelijk duidelijk is, lang niet alle menschen zijn bedoeld.
Verwar die beiden dus nooit.
Zondaren zijn we allen, van nature allen kinderen des toorns; maar onder deze zondaren is een geslacht, dat nog in bizonderen zin een soort erger zondaren onder de zondaren vormt.
Lieden, die zich aankanten tegen het heilige. Die de heerschappijen weerstaan en lasteren. Die er lust in hebben om veel goeds en schoons te verderven. Menschen, in wie ge een in het oog vallende werking van den duivel bespeurt.
Van dat soort lieden nu zegt Salomo, „dat een éenig zondaar veel goeds bederft”.
Want wel gaat deze stelling ook door van Adam, die als een éenig zondaar al het goed van Gods schepping verdierf. Maar zóo heeft Salomo het niet bedoeld.
De zaak bij Salomo is deze.
Hij nam het leven waar. Hij bespiedde het leven in maatschappij en huisgezin, en bevond nu telkens, hoe soms éen, die kwaad wilde, heel een kring van anders rechtschapen lieden aanstak.
Gelijk hij elders sprak, dat „éen doode vlieg heel een kostelijken nardusbalsum bederven kan”, zoo ook zegt hij daarom hier, dat soms éen kwaad persoon heel een kring van anders betrekkelijk goede personen aansteekt.
En gold dit in Salomo's dagen, het geldt nog.
Ook nu nog heeft elk wijs man er een open oog voor, hoe in een gezin éen kind, dat kwaad wil, soms een vloek voor heel het huis wordt. Hoe éen boos kind van slecht karakter soms heel een school bedorven heeft. Hoe éen verdorven karakter op een ambacht soms voor al de werklieden, die er werkten, ten verderve wierd.
Het is gezien onder dienstboden, die saam dienden, hoe éen verkeerde dienstmaagd niet enkel het geluk en den vrede, maar ten leste ook den beteren toon der anderen ten kwade deed keeren.
Het is gezien in onze kazernen, hoe éen slechte, nietswaardige vloeker soms een heele zaal onder den vergiftigden adem van zijn spot en zijn ongeloof bracht.
Het is gezien, hoe op ziekenzalen éen enkele deugniet voor alle overige kranken de interessante persoon wist te worden, en ze onder de macht van zijn boosheid kreeg.
Het is gezien, hoe op een kantoor, waar het dusver goed toeging, éen enkele ingedrongen schelm heel de rest aanstak in woorden en slechte manieren.
En zoo is er onder menschen bijna geen saamwerking, geen saamwoning, geen saamleven denkbaar, of altoos doet zich hetzelfde vreeslijke verschijnsel voor, dat éen eenig zondaar, o, zoo vaak de goeden ten val brengt, en dat, o, maar zoo zelden de goeden macht krijgen over den deugniet.
Dat merkt men aan boord van een schip. Dat merkt ge in de studentenwereld aan onze hoogescholen. Dat merkt ge op de fabriek onder het werkvolk.
o, Salomo heeft het leven zoo diep gepeild!
Hij wist het wel: Een éenig zondaar bederft veel goeds.
Nu ontkent ge dit niet; maar rekent ge er ook genoeg mede?
Immers, dit beseft ge, is wat Salomo zegt waar, dan legt het naar alle kanten aan wie God vreest verplichting op.
Aan een ieder, die lieden in dienst neemt, teneinde ze met anderen saam te laten werken, de verplichting, om met dat in dienst nemen niet lichtvaardig te werk te gaan, maar wel te onderzoeken, of ge zoo ook „een éenig zondaar” in uw huis of in uw fabriek zoudt brengen.
De verplichting, om, als het uitkomt, dat ge „een éenig zondaar” onder uw dak of onder uw macht hebt opgenomen, terstond te waken en toe te zien. Hem te weerstaan. Hem den teugel aan te leggen. Te waarschuwen tegen hem. En baat niets, hem, eer hij verder kwaad sticht, te verwijderen.
o, Er wordt soms ook door kinderen Gods zoo gewetenloos gehandeld. Dan hebben ze door Gods gunste goede dienstboden of goed werkvolk gekregen; en plaatsen ze er toch, gedachteloos en roekeloos, zulk een „éenig zondares” of zulk een „éenig zondaar” bij. En als nu straks de geest onder hun dienstboden verpest of onder hun werkvolk verdorven is, wie zal dan de zielen dier bedorvenen van hun hand eischen? Is het niet de Heere?
Ook scholen komen hier in het gedrang. Wie school houdt, draagt een ontzettende verantwoordelijkheid. Vele ouders vertrouwen u hun kinderen toe. En alles loopt wel. Maar nu wordt u ook een kind aangeboden uit een ruw gezin, ofwel „een éenig zondaar” uit een goed gezin. Dan kan dat éene kind de doode vlieg voor uw school worden. De vonk, die alles aansteekt. En daarom, zie toch toe, dat ge voor zulk een gevaar een open oog hebt; waar ge het merkt, zulk een verkeerde onder den druk der beteren brengt; en lukt het u niet het kwaad te stuiten, liever onverwijld hem van uw school afdoet, dan dat ge door dien „éenigen zondaar” uw andere kinderen laat vergiftigen. Vooral kostscholen mogen wel dubbel toezien.
En die regel gaat door, door ook voor wie weezen onder zich heeft, of het commando over een kazerne of een schip in zee heeft, of aan het hoofd van een groot kantoor staat. In al die verbindingen toch dreigt hetzelfde gevaar. Altoos de kwaden, die de goeden bedreigen en vergiftigen willen, en altoos aan u die heilige roeping, om openlijk voor de goeden uit te komen, en den goeden den hoogen toon te verschaffen, de verkeerden tegen te staan, en scherp te waken, dat geen oogenblik in zulk een kring de spotter de gevierde man worde, en wie God vreest, zich voor zijn God gaat schamen.
De kerke Gods staat onder hetzelfde gebod. Een enkele vonk vuurs, zie, hoe grooten hoop hout ze aansteekt. Een weinig zuurdeesem verderft het gansche deeg. Vandaar de roeping van Gods kerk, om streng en ernstelijk tucht te oefenen. Het kwade mag de heerschappij niet hebben.
En wat nog het bangste is, ook in het huisgezin zelf kan dit kwaad schuilen. In een anders vroom gezin kan éen kind zijn, dat niet deugen wil. En laat ge dat éene kind begaan, dan steekt dat éene kind aldra heel uw huis aan.
Daarom is het zoo roekeloos en gewetenloos, als ouders hierover heenloopen en er geen onverzoenlijken strijd tegen voeren, of erger nog, er voor uit den weg gaan, en de vreeze Gods uit hun huis laten wijken, om onaangenaamheid met zulk een boos kind te mijden; of nog erger, het bedrijven van het kwade door dat kwade kind dulden in hun eigen huis.
Dit mag nooit.
De banier des Heeren moet in het aangezicht van zulk een verkeerd kind juist fier en moedig opgeheven blijven. Er moet tegen en voor zulk een kind gebeden. Er moet rusteloos aan zulk een kind gearbeid worden. En bovenal, de andere moeten gewaarschuwd, moeten geïsoleerd, moeten gesterkt worden. En dan eerst, als aller oog voor het gevaar van dat verkeerde kind geopend, en de liefde om het te herwinnen, ontvlamd is, dán kan het verkeer weer vrij en open zijn.
Dan bant zulk een éenig zondaar den Heere niet langer, maar komt de naam des Heeren over hem.
TWEE-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
„MIJN WOL EN MIJN VLAS.”
En Ik zal wegrukken mijn wol en mijn vlas, dienende om haar naaktheid te dekken.
Hosea 2:8.
Ook de kleeding, waarmede we ons kleeden, heeft voor het Godsrijk beteekenis: en dat die beteekenis zoo spaarzaam beseft wordt, is, omdat de ijdele mensch zoo weinig met God in zijn kleeding rekent.
In de wereld der Heilige Schriftuur is dat heel anders.
Daar is het in den hof van Eden God zelf, die den mensch, toen hij het eerst zijn naaktheid en zijn schaamte gevoelde, met de wol der lammeren dekte. God de Heere, die in zijn wet waakt, dat het kleed „van de huid des armen” nooit geroofd worde. God Almachtig, die in de woestijn uitwerkt, dat Israels kleederen niet verouden. De Heilige Israels, die in de priesterkleeding zijn majesteit symboliseert; en geen kleed van tweeërlei stof om de lendenen zijns volks gedoogt. Onze Vader in de hemelen, die de leliën des velds bekleedt, en veel meer u bekleeden zal, o, kleingeloovigen! En eindelijk, de God van alle barmhartigheden, die door het bloed zijns lieven Zoons u bekleeden wil met den mantel des heils.
Vreemd, niet waar?—om ons dagelijksch brood zullen we bidden, voor onze spijs zullen we danken; maar hoe zeldzaam klimt gebed en dank op ook voor het kleed, dat ons verwarmt, en het gewaad, dat ons dekt!
En toch, ook uw kleeding is een gave Gods.
Bijna alle stof voor het kleed, waarmeê de mensch zich dekt en opschikt, is saamgevat in wat de Heere bij Hosea roept: „Mijn wol en mijn vlas!” De wol als saamvatting van alle stof, die ons uit het rijk der dieren toekomt; het vlas als aanduiding van al wat we voor kleeding nemen uit het rijk der planten. Wol der lammeren, of gelijk het in Spreuken 27:26 heet: „De lammeren zullen zijn tot uw kleeding”, en dus ook het spinsel van de zijdeworm, de pels van het wouddier, het leder voor ons schoeisel, en de vederen, die ons de vogels bieden. Dat uit het dierenrijk. En daarnaast het vlas, en dus ook het katoen en wat plantvezels meer in weefsel verwerkt worden. En van dat alles nu zegt God de Heere bij Hosea: „Dit alles is mijn wol en mijn vlas, dat Ik u schenk, om uw naaktheid te dekken.”
Gij, nietige mensch in uw naaktheid, kunt geen enkel haar wol op het lam, geen enkele vlok vlas op het land laten groeien. Ik, de Heere, doe alle deze dingen.
En als dan uw kleed allengs weer veroudt, en de versleten plek laat de koude weer door, dan laat Ik, de Heere uw God, telken jare de afgeschoren wol op de lammerenhuid weer aangroeien, en gebied Ik den akker, dat het vlas weer uitschiete uit de kiem.
Zoo maakt de Heere alle wol en alle vlas; zoo is Zijns alle zijde en alle veder. Hij doet het alles uitspruiten, en zooveel millioenen als er zich met kleederen dekken, die allen zijn gekleed met een kleed, dat God voor ze bereid heeft.
Dit verrijkt het leven, zoo ge het inziet en er inleven gaat. In een geheel nieuwe wereld straalt de majesteit des Heeren voor u uit. Al die keurige eigenschap van zijn wol en zijn vlas, om u te dekken, zonder dat het deksel u bezwaart, en u te omkleeden, en dat toch de uitwaseming van uw huid niet wordt afgesloten, u te omhullen, en dat toch uw gestalte als mensch niet teloor gaat, dat is al zijn werk.
Het werk van denzelfden God, die zoo schoon en prachtig de leliën bekleedt, en de vogelen des hemels met vederen bedekt, en zoo ook voor de kinderen der menschen stof voor hun kleeding verordineerd en geschapen heeft.
Heel een nieuwe, rijke wereld, om zijn wijsheid en majesteit in te bewonderen.
Te bewonderen ook dit, dat er een gewaad van hoogen prijs is voor den man van vele goederen, en toch ook een kleed, dat duurzaam en van lagen prijs is, voor den arme in zijn nood.
Gij voedt, Heere! al wat leeft, maar ook, Gij dekt al wat koud en naakt is.
Hoe groot zijn uw werken. Gij hebt ze met wijsheid gemaakt. De aarde is vol van uwe goedertierenheid!
Draagt ge nu den naam des Heeren ook in die wereld van uwe kleeding in, dan krijgt ge het oog op een nieuwe barmhartigheid uws Gods, en is er nieuwe oorzaak om voor te danken.
Maar er komt dan meer!
Immers, zoolang de wereld van uw kleeding buiten God ligt, wordt ze u in den regel een oorzaak van zonde.
Ze dient u dan tot pronk en opschik. Ze kweekt ingenomenheid met uzelf en ijdelheid. Of ook, ze verleidt u tot slordigheid, onreinheid en achteloosheid! Op zichzelf een wereld vol zonde, waarvan de vernielende kracht nauwlijks te berekenen valt. Lees maar, hoe de Heere in Jesaja 3 dat misbruik in de wereld der kleeding bij den man en de vrouw van Jeruzalem aantastte.
Voor niet weinigen zelfs wordt het een worsteling; vooral bij vrouwen, en het meest bij jonge vrouwen, die God met schoonheid sierde. Dat het wordt: Hebt gij uw kleed? of heeft uw kleed u? Dat de bezigheid om altoos schooner kleed te dragen, heel het hart en heel den zin inneemt, en het kleed een afgod in uw droom, een afgod in uw kamer, ja, een afgod om uw leden wordt; en ten leste dat schijnbaar zoo onschuldige kleed uw tijd rooft, uw gedachte verzinlijkt, uw ik bewierookt en uw ziel vermoordt.
Doch komt de Heere ook in de wereld uwer kleeding in, dan wordt dit alles nieuw en anders.
Als ge daar dan al uw kleederen voor u ziet liggen, dan hoort ge de stem des Heeren: Mijn wol en mijn vlas! en ge verheft u niet, maar dankt.
Zijn wol en zijn vlas! En daarom kunt ge uw kleed niet ongebruikt wegbergen, terwijl een arme bij bittere kou, uit gebrek aan deksel, verkleumen zou.
Zijn wol en zijn vlas! En daarom vereischt uw kleeding zorg, en mag het kleed niet verwaarloosd. De stof mag het niet verteren, vuil het niet verslijten, de mot het niet opeten. Ook voor dit goed des Heeren moet gewaakt.
Zijn wol en zijn vlas! En daarom moet Hij er in gediend en mag het niet misbruikt voor zondige ijdelheid, veel min om zondige gedachten in anderer zin op te wekken.
Zijn wol en zijn vlas! En daarom, als er nieuw gewaad of nieuwe kleedij in ons huis wordt ingedragen, niet het ik in hoogheid gekitteld, maar Hem er de dank en de eere voor.
Ja, zijn wol en zijn vlas! En dus ook onze magazijnen met kleeding van allerlei wol en vlas, zijn voorraadschuur, waarin Hij den winkelier slechts als instrument en uitdeeler gebruikt.
o, Met dat éene diepe woord: Mijn wol en mijn vlas, op heel de wereld onzer kleeding toegepast, hoeveel zonde wordt dan niet uitgebannen, hoe machtig het leven niet verrijkt!
DRIE-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
„IN EEN EERBAAR GEWAAD.”
Desgelijks ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleeding.
I Tim. 2:7.
Zie toe, dat ge niet in zondige overgeestelijkheid scheidt, wat God saamvoegde, en uiteenrukt, wat Hij verbond.
Het gevaar om in die zonde te vallen is zoo groot.
Als ge merkt, en uit de ervaring uwer onbekeerde jaren weet, hoe een schepsel buiten God er bijna altoos toe vervalt, om te doen, alsof hij geen ziel had en alleen lichaam was; en dan voor dat lichaam slooft en slaaft; om dat lichaam maar te laten eten, en dat lichaam te laten drinken, en dat lichaam in pronk en kleedij en allerlei wellust te laten genieten; o, dan is het zoo natuurlijk, dat een mensch, na bekeerd te zijn, nu overslaat in het andere uiterste; en denkt: „Als ik maar voor mijn ziel zorg!” en onder dien indruk zijn lichaam en wat des lichaams is, verwaarloost.
Dan sluipt er ongemerkt een soort minachting voor dat ongeestelijke lichaam in de ziel. Men draagt het als iets overtolligs met zich om. Eens is het toch voor het graf en voor het verderf in den kuil bestemd. Wat zou ik mij om dat lichaam veel bekommeren?
Vandaar bij enkele Christenen soms een zoo schromelijke verwaarloozing van de reinheid en zindelijkheid; verwaarloozing in kleeding en deksel; en als gevolg hiervan verwaarloozing in de huishouding; slordigheid in alle gedraging; ongeregeldheid ook, tot schuldmakens toe, in zijn geldelijke zaken.
Men heeft dan voor dat uitwendige, voor alles wat met het lichaam samenhangt, ómdat het vergankelijke en wereldsche dingen zijn, geen hart en geen oog.
Men mengt er zich in, voor zooveel het hoognoodig moet; maar plicht en roeping werkt er niet; en tot op zekere hoogte acht men niet zelden zulk een schuldige verwaarloozing nog wel een niet te versmaden teeken van vroomheid en geestelijken zin.
Dit nu mág niet.
Wat God vereenigd heeft, zal de mensch niet scheiden. Ge zijt niet ziel, maar gij zijt ziel en lichaam. Ge bestaat niet anders. God schiep u zoo. En al klaagt ge nog zoo bitter over de slavernij, waaronder dat „lichaam des doods” u doet gebukt gaan, altoos moet er ook voor dat lichaam de juichtoon op volgen: „Ik danke God door onzen Heere Jezus Christus!”
Hij is ook een „Behouder des lichaams”. Ook dat lichaam is door Christus tot den prijs van zijn bloed gekocht. Eens zal Hij ook dit uw sterfelijk lichaam aan zijn verheerlijkt lichaam gelijk maken. En onze kerk schreef zoo roerend schoon boven het voorportaal van haar Catechismus, dat „Christus eigen te zijn” troost biedt; indien het zijn mag, in leven en sterven met lichaam en ziel het eigendom van Christus te wezen.
Hiermeê is dus niet enkel de kastijding van het vleesch en de monnikspij, maar ook elke verwaarloozing van het lichaam geoordeeld. En een Christen gaat een weg van zonde op, zoo hij het beneden zich durft achten, om ook aan spijs en drank, aan kleeding en deksel, aan zijn huis en hof, en ook aan zijn geldelijke aangelegenheden, een stuk tijds, een deel van zijn kracht en een zekere mate van zijn inspanning te wijden.
Overgeestelijkheid is ongeestelijkheid. Te willen zorgen voor de ziel, als had ze geen lichaam, is zorgen voor een ziel, die niet bestaat.
Toch ontleene Gods kind hieraan nooit ook maar van verre een vrijbrief, om, overslaande in het tegendeel, nu weer de wereld achterna te hunkeren, en de ziel op éen lijn met het lichaam, of zelfs bij het lichaam achter te stellen.
Dat mag evenmin!
Uw ziel, uw geestelijk leven blijft altoos hoofdzaak, en nooit mag het lichaam anders gelden dan als dienend instrument.
Vandaar dat Jezus' heilige apostel er zoo op aandringt, dat een kind des Heeren zelfs tot in zijn kleeding toe des Heeren zal zijn.
Ge zult geen naaktlooper zijn, zooals de razende dolheid der Wederdoopers het eens wilde. Ge zult geen slordige plunje aanschieten, zooals de valsch-mystieke dweper het zich veroorlooft. Maar ge zult nog veel minder als een pronkende pauw rondloopen. Neen, ge zult u kleeden in een eerbaar gewaad.
Die eisch van eerbaarheid voor uw gewaad ligt in den oorsprong van alle kleeding; want vergeet nooit, dat alle kleeding haar oorsprong vindt in de zonde; dat in het Paradijs, waar geen zonde was, van kleeding geen sprake viel; dat eerst uit de zonde het bewustzijn van naaktheid en schaamte sproot; en dat in het Kanaän daarboven geen ander dan een lichtgewaad denkbaar is. Zelfs de ruwheid van den dampkring, die ons de noodzakelijkheid van warme en soms zeer dikke kleeding oplegt, bestond in het Paradijs niet en is als een deel van den vloek over de aarde gekomen.
Maar is dat zoo, dat het gewaad strekt, om de schaamte onzer naaktheid te bedekken, dan volgt hieruit immers vanzelf, dat elk gewaad of kleedingstuk, dat strekt om niet te verbergen, maar te doen uitkomen, tegen het eerbare indruischt.
Naar gelang dan ook in de eerste jaren der Christenheid de invloed van het Evangelie won, week het oneerbare in de kleederdracht der heidenwereld voor soberder snit en eerbaarder vorm. En toen nogmaals het gewaad zijn eerbaren plooi verloren had, is het de macht van datzelfde Evangelie geweest, dat in de dagen der Reformatie, met name in de Calvinistische kringen, stilheid van kleuren, soberheid in versiering en eerbaarheid van vorm heeft teruggebracht.
Steeds ging de kleedij in eerbaarheid met den invloed van het kruis van Christus op en neder.
Won die invloed veld, dan wierd het gewaad soberder en eerbaar. Daalde die invloed, dan kwam de heidensche weelde en pronkzucht met den oneerbaren vorm terug.
Vandaar ook nu weer die smakelooze uitbotting, in wat door kleedij en opschik het oog bekoren en de zinlijkheid streelen en de ijdelheid prikkelen kan. Sommige vrouwen vooral gaan letterlijk in dezen afgodendienst van de Godin der kleedij op. Het neemt heur hart in. Ze spreken er van. Het prikkelt heur begeerlijkheid. Het wekt heur nijd en heur jaloerschheid op. En wie het sierlijkst gewaad om kan hangen, acht zich het voorwerp van aller bewondering, als ze uitgaat langs de straten.
Zelfs naar onze „kleynere luyden” en naar het platteland dringt die koorts der pronkzucht door.
Parijs, waar het Evangelie bijna alle macht verloor, geeft den toon aan. Weinig zedelijke vrouwen schrijven de wet der mode, en door die mode het gewaad, aan alle vrouw in Europa voor. En alleen Engeland, waar het Evangelie nog eenige macht behield, weet door beter snit en fijner smaak en stiller kleur een eenigszins eerbaar gewaad te bieden.
Ligt ook hier dan niet een roeping voor onze kerken en voor onze huisvaders en huismoeders?
Neen, we bepleiten geen zonderlingheid. We ijveren niet voor een terugkeer tot de neepjesmuts. Och, ook in die zonderlingheid kan zelfbehaagzucht en duivelsche ijdelheid spreken.
Een anders gekleed gaan dan een ieder zich kleedt, kan ook de aandacht doen trekken, en het doen trekken van de aandacht is voor het jeugdig vrouwenhart immers de groote klip.
Maar wat wel kan en moest, is drieërlei.
Vooreerst biedt de mode altoos stiller en hooger kleuren, schriller en zediger vorm, en uit die veelheid kon men in ons Christelijk gezin toch altoos het sobere en stille kiezen, om het hooge en schrille te mijden.
Dan, vormen van gewaad, die er opzettelijk op aan zijn gelegd, om de eerbaarheid der kleedij tot een bespotting te maken, zijn altoos te mijden, al droeg een ieder ze.
En ook, waar stof van goed, dat snel vergaat, door zijn ondegelijkheid prikkelt om gedurig weer nieuwe kleeding te maken, en aan dit bereiden van nieuwe kleeding al uw kostelijken tijd te verdoen, die toch zooveel degelijker gebruikt kon, ligt het daar niet op der Christenen weg, om door de keus van degelijker stof den tijd uit te koopen, en te maken, dat niet aldoor de lieve lange dag aan dit kleene onderdeel van het leven weggaat?
Het zijn maar wenken.
Maar wenken, die toch een vingerwijzing kunnen zijn.
Een Christenvrouw, die in haar kleedij opgaat, dient een afgod en werpt zichzelve en haar belijdenis weg.
VIER-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
„MET NETELEN BEDEKT.”
En ziet, hij was gansch opgeschoten van distelen, zijne gedaante was met netelen bedekt, en zijn steenen scheidsmuur was afgebroken.
Spr. 24:31.
„Een weinig slapens,” roept de Heilige Geest door Salomo, „een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende,—en uw armoede zal u overkomen als een wandelaar en uw velerlei gebrek als een gewapend man!”
En zie wel toe, dat ge dit nu niet aanstonds op het geestelijke overbrengt. Neen, het geldt eerst van uw beroep en van uw huislijk leven.
Door vlijt en arbeid zegen, en bij loom en tragelijk voortsukkelen, tegenspoed in uw zaken en achteruitgang u op de hielen nazittend.
Rusteloos tuchtigt daarom Gods Woord den luiaard, den tragen droomer, den ijdelen tijdverspiller, den zondaar, die aan Gods hoog gebod, dat ge in het zweet uws aanschijns brood zult eten, weerstand biedt en het veracht.
„Die niet werkt, zal niet eten,” roept de heilige apostel daarom aan de eerste Christenen toe; en wel verre, dat het een Christen voegen zou, in log en lui nietsdoen zijn kracht en zijn tijd te verkwisten, laat veeleer de eisch van „het zweet des aanschijns” ook voor hem geen oogenblik af.
„Het zweet des aanschijns” wil niet enkel zeggen: werken; maar: hard werken; zóo werken, dat men de spanning van zijn kracht merkt, en na de sterke inspanning aan ontspanning in den slaap behoefte gevoelt.
Stellig deugt er dus iets niet in onze maatschappelijke toestanden, die een lui en werkeloos nietsdoen bij duizenden aankweeken, en een Christenmensch heeft stellig ook daardoor tegen zulk een misstand te protesteeren, dat hij én zelf werke én een ieder in zijn huis en kring doe werken; niet voor de leus, maar wezenlijk; zóo, dat het een werken zij, dat den geest spant.
Zoo moet man en vrouw, zoon en dochter, jongeling en oude van dagen werken. De akker onzer krachten mag niet braak blijven liggen. Rust roest.
En de uitkomst toont dan ook, dat gezinnen, dat familiën, dat natiën, waar gewerkt, waar, door ieder in zijn kring en op zijn wijze, terdege gewerkt wordt, tot in het zweet des aanschijns, wiesen in macht en in welvaart toenamen; maar dat den luiaard, hetzij dan een man, of een lui gezin, of een lui en loom geworden natie de eere afgaat en de ondergang opwacht.
En dat nu is het, wat ook Salomo in het Spreukenboek uitroept: „Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en ziet, hij was gansch opgeschoten van distelen en met netelen bedekt. Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte, ik zag het aan en nam onderwijzing aan.
Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende, zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man!”
Toch blijft die onderwijzing niet steken bij uw beroep.
Ook in uw geestelijk aanzijn dringt diezelfde onderwijzing door.
Want ook daarbinnen is u een akker, in het verborgene uwer ziele toevertrouwd, en ook op dien akker gaat de vaste regel door, dat de nijvere vlijt er bloemen plukt, en de geestelijke luiaard gestoken wordt door zijn eigen netelen.
Met de werkheiligheid en de eigen verdienste heeft dat niets te maken; en onze geestelijke zielsluiaards, die onder vrouwen en mannen zoo gereed zijn, om met een schimpwoord tegen de werkheiligheid hun zondige verspilling van geestelijke kracht toe te dekken, mogen toezien, dat de zoo verachte werkheiligen van Ninevé hen niet voorgaan in het Koninkrijk der hemelen.
Neen, tot zijn wedergeboorte brengt niemand iets, ook maar het allergeringste toe, en wie op den geestelijken akker, dien God de Heere hem toevertrouwde, het houweel of de spade en straks den sikkel hanteert, die weet uitnemend wel, dat het zaad, dat hij strooit, van God is, en dat van God de krachten zijn, die in dien akker op dat zaad werken zullen, en van God de zon, en van God de regen, en van God de wasdom en het gedijen; maar inmiddels mag hij niet in zijn hutje blijven droomen, maar moet hij er uit, dien akker op, en de hand aan den ploeg slaan, en arbeiden den lieven langen dag in het licht zijns Heeren, opdat Gode de eere zij.
Geestelijke vlijt noemt de Heilige Geest in de Schrift: naarstigheid, en elk lezer en minnaar der Schrift weet, hoe gedurig het vermaan om u te benaarstigen, door den Heiligen Geest herhaald wordt.
Geen dofheid en dompheid en loomheid. Dat baart het geestelijk moeras. Maar toewijding en inspanning van kracht. Een weer oprichten van de slappe knieën en de trage handen, om kloek, om manlijk, om in al de spanning van uw heilige geestdrift te dienen den Heere uwen God.
Dienstknechten en dienstmaagden uws Heeren zijt ge, en een dienstknecht en dienstmaagd zijn er, niet om stil te zitten en niets te doen, maar om te dienen, dienende te arbeiden naar het hun gegeven gebod en rusteloos in den dienst huns Heeren bezig te zijn.
„Mijn Vader,” sprak de Heere, „werkt tot nu toe, en Ik werk ook!”
En zie, hoe een Paulus gearbeid en gezwoegd heeft, volijverig in den dienst zijns Heeren tot zijn einde toe.
En zoo dan is ook onze roeping niet om te sluimeren als kinderen des nachts, maar om te arbeiden als kinderen des daags. De nacht komt, waarin niemand werken kan.
En zoo moet er dan in naarstigheid en volijverig ook in uw geestelijk aanzijn gearbeid. Gearbeid in uw geloof. Gearbeid in uw hope. Gearbeid in uw liefde. Volijverig nagespeurd alle u van God gegeven kracht en talent, en die kracht en dat talent niet in de aarde begraven, maar met woeker aangewend.
Geen plekje op dien akker mag onbebouwd blijven.
En wat bij den Farizeër zelfbespotting was, bij u moet het hooge waarheid en werkelijkheid worden: gij hebt voor uw God zelfs te vertienen de munt, de dille en de komijn.
Want, en dit is nu Salomo's leering voor elk kind van God, ook bij den geestelijken luiaard blijft niet enkel de akker van binnen braak liggen, en wordt aan God den Heere zijn oogst en vrucht en tiend van zulk een hart onthouden, maar wat niet minder erg is, zoo er geen graan in de opgeploegde voren wordt gestrooid, is heel de akker voor de netelen.
Stilstand van groei is er ook in den akker uwer ziele niet. Wie dat waant, bedriegt zich. Neen, de werking der sluimerende krachten gaat ook op dien geestelijken akker bij dagen en nachten rusteloos door.
En zoo gij niet zaait, is er altoos een ander, die zaaien wil. Satan staat altoos over de heg van uw akker te gluren, en zoo gij maar in wilt sluimeren, zal hij zich wel over den braak liggenden akker ontfermen.
Dat merkt ge dan ook aan uzelven, dat merkt ge aan uw omgeving wel.
Uw geestelijke arbeid strekt niet enkel, om de goede krachten te oefenen, te ontwikkelen, te doen rijpen; maar ook, en stellig niet minder, om te wieden, d. w. z. om het opgeschoten onkruid, eer de netel er aan uitgroeide, uit den bodem uwer ziel uit te trekken.
Wie in Gods gunste op den akker zijner ziele wakend, biddend, strijdend, in het zweet zijns aanschijns arbeiden mag, merkt dan ook van achteren, dat hij twee vruchten tegelijk van dien arbeid plukken mag. Vooreerst doordien er wasdom in Christus kwam. Maar ook ten andere, doordien de distels en de netels minder wierden, en de macht van het booze getemd bleek.
Maar koost ge de paden van den geestelijken luiaard, o, zie dan wel toe! Dan toch zullen u deze twee geestelijke kwaden overkomen: ge zult verarmen en verachteren in genade, en tegelijk zullen de netelen welig op gaan schieten.
Allerlei oude zonden, waarvan de zaadkorrels in uw hart reeds verstikt schenen, zullen op gaan schieten. Allerlei boosheid zal vurig en giftig u met haar stekende netels dreigen. En als een gewapend man zal uw eigen zonde tegen u overstaan!
En meest komt daar door genade dan nog een keer in, als God de Heere zulk een geestelijken luiaard eens met de stem zijns donders op doet schrikken.
Want komt het daartoe niet, dan verslimmert het met zulkeen steeds verder.
De netelen nemen toe; ze wassen dicht ineen; ze worden als een hegge en woud om hem; en ten leste wordt het in zulk een verdorven hart in letterlijken zin, wat Salomo van den akker zeide: met netelen overdekt.
VIJF-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
„ONZE LIPPEN ZIJN ONZE.”
Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! wie is heer over ons?
Psalm 12:5.
Er kleeft in de lippen van een mensch een ongemeene macht; zelfs al laten we geheel buiten rekening „de lippen der vreemde vrouw, wier gehemelte gladder dan olie is, en wier treden de hel vasthouden.”
Onze lippen zijn het instrument van het woord. Ons oog kan flikkeren en toornen. Maar wat is het vuurschieten van het oog, vergeleken bij den donder der lippen, als de hartstocht van drift en woede losbreekt van de lippen des mans!
Nu hebt ge ook die lippen van uw God. Ze zijn zijn kunstig maaksel. Uw menschelijk sieraad, zooals geen vogel, hoe fijn gesnaveld ook, of geen engel het ontving. Iets van uw schepping naar den beelde Gods. In u en op uw lippen een woord, gelijk het Woord eeuwig bij God en God was. En gelijk in Gods schepping alles door dat eeuwige Woord gemaakt is, zoo is er ook geen maaksel door menschen gewrocht, of ons menschelijk woord wrocht er in. Eerst denkt ge; dan spreekt ge het uit; en dan volvoert ge wat gesproken wierd.
Vandaar die ontzettende macht der lippen; en wee hem, die deze ontzettende macht, die God tusschen zijn lippen legde, misbruikt en verderft.
Ge kreegt die lippen van uw God, om er uw naaste in liefde meê toe te spreken; om er uw beleid en uw wetenschap meê te openbaren; en in en boven dat alles, om er uw God meê te loven.
Diep achter die lippen schuilt uw hart, en van den stroom, die uit uw hart opwelt, zijn die lippen de monding, waardoor het leven van uw binnenste in den oceaan, die zich om en vóor u uitbreidt, wegvloeit.
Nu moet uit God dat leven in uw hart zijn. Die stroom, van de bergen van Gods heiligheid in uw ziel neergedaald, moet opwellen en door uw lippen naar buiten uitvloeien; en al wat uitvloeit moet óf rechtstreeks óf over en door uw naaste in lof en dank terugvloeien naar God.
Daarom heet het bij Jesaja: „Ik schep de vrucht der lippen, vrede dengenen, die verre, en vrede dengenen, die nabij zijn, spreekt de Heere”; jubelt de psalmist van den Middelaar: „Genade is uitgestort op uwe lippen”; roemt het volk bij Hosea: „Heere! wij zullen U betalen de varren onzer lippen”; en dankt David na zijn uitredding: „Mijn mond zal U roemen, o, mijn God! met vroolijk zingende lippen!”
Uw lippen kreegt ge dus, om liefde uit te ademen in het woord tot uw naaste; uw lippen, om de zonde te bestraffen; uw lippen, om te zegenen, om te bidden, om te belijden, om te danken, om zingend in psalmen den Naam van uwen God groot te maken.
Doch zie nu, wat de zonde deed.
o, Van meet af wist Satan wel, wat machtig instrument hem in die lippen ten dienste stond. Daarom begon hij bij Eva met een gesprek; lokte haar tot een uiting der lippen; en heeft van die ure af steeds in die lippen zijn kracht gezocht.
Hoor maar, hoe de heilige apostel het van de kinderen der zondaren zegt: „Slangenvenijn is onder hunne lippen en hun keel is een geopend graf.” Of, zooals er in Psalm 140 nog scherper staat: „Heet addervergift is onder hun lippen.”
En als de klier van dat booze gift onder de lippen van den zondaar openberst, dan spuwt hij gif, en dan spat om hem heen de nijd, en de laster, en de achterklap, en de oorblazing, en de krenkende, de smadende, de schimpende, de scheldende taal.
Dan is het, zegt de psalmist, of er zwaarden uit die lippen uitglippen, en alsof de booze mensch zich inspant, om zijn naaste in zijn hart te snijden.
Ja, dan keert zich die schriklijke boosheid der lippen ten leste tegen God zelf; en die lippen, die God gaf om Hem te loven, onderstaan het, Hem, den Almachtige, te vloeken en uit te dagen en uit te braken de godslasterlijkste verwensching.
En als men dan zegt: „Mensch! houd uw lippen toch in!” dan is het hooge antwoord: „Onze lippen zijn onze! en met mijn lippen braak ik uit, wat ik wil!”
En al raast gij nu niet derwijs in waanzinnigen vloek, dat doet er niet toe.
Elk woord van nijd; elk woord, dat bitter is; dat grieft en krenkt; dat anders dan om der waarheid wille zeer doet; dat lasterlijk is; of ook maar achterklapt; het is al uit éen bron. Het is uit dat venijn, uit dat addergif, dat door de zonde uwer lippen is aangebracht.
Schriklijk misbruik van die lippen, die niet uwe zijn, maar die uw God u heeft geschonken.
Toch is niet elke droppel van dat venijn wrang. Er zijn ook zoete droppels in dat addergif. En als dát venijn werken gaat, dan wordt de lip vleiend.
Van die vleiende lip heeft de psalmist in het twaalfde lied reeds geklaagd.
Dan heeft men een doel. Men wil zich indringen. Men poogt iemand, als de spin het vliegje, te omwoelen. En als ge dat nu met open woorden deedt, zou hij zich loswringen uit uw rag. Maar nu neemt ge klevend rag, dat hem streelt; dat hij prettig vindt; waar hij gaarne naar luistert. En zie, nu is uw slachtoffer in uw macht. Uw vleitaal bedwelmt hem. En gij bereikt uw doel. Boos is uw opzet, maar de gevleide drinkt het als lieflijke bedoeling in. En zoo slaat ge twee vliegen in éen klap. Ge krijgt gedaan wat ge wilt, en voor een volgend maal blijft de kans voor u open.
Misschien keert hij, om weer gevleid te worden, vanzelf, uit eigen aandrift, zich naar u toe.
o, De vleier is zulk een gevaarlijk zondaar!
Alleen maar, hij gebruikt zijn lippen niet als „zwaarden”; neen, hij vangt u, gelijk de vogelaar, in een strik, waar gijzelf invliegt. Salomo heeft in zijn Spreuken er u reeds voor gewaarschuwd. „De strik van den booze,” zei hij, „is in de misdaad van zijn lip.”
In den vleier schuilt de leugenaar.
En dat is de diepste gruwel, dien het venijn der lippen werkt. De lip van een zondaar is valsch.
Soms laat hij in drift en woede het booze hart langs de monding der lippen uitvloeien. Maar lang niet altijd. Hij heeft ook de kunst geleerd, om, onderwijl de stroom uit zijn hart naar de lippen dringt, dien tegen te houden, en iets uit zijn lippen voort te brengen, wat niet alzoo in zijn hart is.
Die kunst is de macht van het liegen, van de valschheid, van het bedriegen van den naaste, en het willen bedriegen van een alwetend God.
„Laat de valsche lippen stom worden,” bad David. „Valsche lippen”, zegt Salomo, „zijn den Heere een gruwel.” Ja, tot zijn eigen volk getuigt de Heere bij Jesaja: „Uwe ongerechtigheden maken scheiding tusschen u en uw God, want uw lippen spreken valschheid.”
Want, helaas, zóo diep wortelt de leugen in ons, dat men met bedrieglijke lippen zelfs voor zijn God verschijnt.
En dan klaagt de Heere: „Zij eeren Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij!”
En dat alles nu spruit altegader uit dat éene voort, dat we denken, ook al zeggen we het niet: „Onze lippen zijn onze! In wat we met onze lippen doen, zijn we vrij!”
o, Kom daar toch van terug, en zie het beter in. Neen, neen, onze lippen zijn niet onze, maar van Hem, die ze ons schiep.
Want zie, zoolang ge denkt: „Onze lippen zijn onze,” houdt ge uw lippen voor goed, en denkt ge er niet op, hoe uw zonde die lippen, die God u rein gaf, met gif en met venijn verontreinigd heeft.
Dat voelde Jesaja plotseling, toen hij voor den Heere verscheen. „Heere!” riep hij uit, „ik ben een man van onreine lippen!” en toen kwam er genade en heeft de Heere Jesaja's lippen gereinigd.
Dan zijt ge bang voor uw booze lippen, om geen woord onbedachtelijk voort te brengen.