Illustraties (continued 7)
Reading edition
En ze verliet hem, en er kwamen ridderlijke vrienden, die beweerden dat dit voor den ouden man een heele opluchting was. Hoe beschamend voor deze edelen klinkt de strophe, die Goethe neerschreef op Christiane's stervensdag:
Du versuchest O Sonne vergebens Durch die düstern Wolken zu scheinen! Der ganze Gewinn meines Lebens, Ist ihren Verlust zu beweinen:
Vergeefs beproeft ge, o zonne, door de troebele wolken te lichten, de winste van heel mijn leven, is het verlies van haar te beweenen.
Het geurend woudbloempje, naar een stille plek overgeplant opdat de dichter van haar geur mocht genieten zonder haar te breken, was dan eindelijk toch verwelkt!
Gaarne verwijlt de geschiedschrijver bij deze "martelares van het geluk".
Enkele maanden te voren had Goethe naast den hertog gestaan, toen deze, bij de verdrijving van Napoleon Groothertog geworden van een ruimer gebied, zijn volk een grondwet gaf. Er werd bij die gelegenheid een ietwat moderne volksvertegenwoordiging ingesteld, Goethe werd gedecoreerd met de Falk-orde, zijn tractement werd verhoogd tot drieduizend Thaler plus toelage voor équipage. Hij was nu bijna een halve eeuw lang de tweede man in den staat geweest, en het wilde er bij hem niet in, dat hij aan een veelhoofdig lichaam, aan menschen die de kunst van het regeeren niet hadden geleerd, verantwoording schuldig was: Hetgeen hij in een grimmige bui te kennen gaf, door aan den landdag de volgende rekening voor te leggen: "Ontvangen zooveel, uitgegeven zooveel, in kas zooveel, Goethe". Ook achtte hij het zeer bedenkelijk dat er nu persvrijheid kwam: hij oordeelde de pers een te gevaarlijk wapen in handen van eenzijdig-ontwikkelden, die wel de pen met mooi vertoon konden voeren, doch van zaken-doen geen ervaring hadden. Hij behield zich dan ook het recht voor, om tegenover persvrijheid, zijnerzijds niet-leesvrijheid te stellen, en hij zuiverde zijn eigen geschriften van—revolutionaire toespelingen, daar hij de gisting onder de studenten en de intellectueelen niet wilde aanwakkeren. Hij betoonde zich overigens van zìjn standpunt gematigd: zoo werd een hoogleeraar, die de grondwet scherp had aangevallen omdat ze z. i. niet ver genoeg ging, in zijn functie niet bedreigd; wel werd zijn tijdschrift bedreigd, doch pas later, toen het tot een uitbarsting was gekomen, verboden.
Deze uitbarsting was het befaamde feest op den Wartburg, ter herdenking van den slag bij Leipzig en van het derde eeuwfeest sedert de hervorming, toen de Duitsche Burschen onder leiding van hun professoren het zoo bont maakten, dat de naburige mogendheden zich er over bezwaard zeiden. Goethe, die dit had voorspeld, voelde wel eenig leedvermaak, daar Kotzebue-zelf tot verrader des vaderlands werd gepromoveerd, maar toen deze door een dweepziek student werd neergestoken moest hij wel ingrijpen.
Voor hem werd het tijd om zich terug te trekken uit het openbare leven. De hertog maakte hem den terugtocht makkelijk door hem in een nàrrige bui—waarvan hij terstond maar te laat berouw had—uit de functie van tooneelleider, die hij sedert zijn terugkeer uit Italië met opoffering van veel kostelijken tijd had waargenomen, te ontslaan: Goethe, die zich alle moeite had gegeven om te Weimar een echt Duitsch tooneel te stichten, had nl. geweigerd een gedresseerden hond te laten optreden, en Carl-August, die een liefhebber was van honden, had toen zelf toestemming gegeven, waarop Goethe de stad had verlaten. Goethe liet het erbij. Hij wist zijn laatste levensjaren tòch wel te besteden! En dat de verstandhouding tusschen de twee mannen niet blijvend geschokt was door die eene driftbui, dit bleek toen er te Weimar werd gejubeld.
Het begon met Carl-Augusts gouden regeerings-jubileum en gouden bruiloft. Goethe was de eerste die de groothertog feliciteerde, en bij die gelegenheid, 's morgens om zes uur, beloofden de vorst en zijn eerste dienaar elkander, dat ze samen zouden blijven tot den laatsten ademtocht. En vlak daarop de feestelijke herdenking van Goethes aankomst te Weimar. Door gezang werd de dichter uit zijn slaap gewekt en door 't veelzeggend tikken van de klok uit het ouderhuis, die een bewonderaar had opgespoord. Zijn huis stond vol bezoekers. Carl-August had een gouden gedenkpenning geslagen, en een proclamatie uitgevaardigd, waarin hij Goethe, den man die hem in al de moeilijkheden des levens was gevolgd, het schoonste sieraad van zijn regeering heette. Er was een gala-voorstelling van Iphigenie en een pracht-uitgave van Iphigenie en heel het Frauenplan (waar Goethes huis lag) illumineerde dien avond. De burgemeester kwam een oorkonde brengen, die aan Goethe en aan al zijn nakomelingen van het mannelijk geslacht het eere-burgerschap van Weimar verleende. De medische en de philosophische faculteit van Jena benoemden hem tot doctor honoris causa; hij kreeg het recht, naar eigen inzicht twee philosophische doctorbullen uit te reiken, en bedacht toen in de eerste plaats zijn secretaris Eckermann. Een pas-ontdekte plant en een pas-ontdekt mineraal werden naar Goethe benoemd.
En op zijn vier-en-zeventigsten jaardag danste de grijsaard met zijn rose gelaat en zijn groote schitterende oogen nog als de beste. En hij was zoo verliefd op een meisje van twintig, Ulrike Levetzow, dat de groothertog tot tweemaal toe namens zijn minister haar hand ging vragen. Van het huwelijk kon niets komen, doordien het meisje zijn aanzoek ontweek, en zijn zoon—die den ouden man niet meer begreep—hem onder hevige scènes van dien stap terughield. Hij trok het zich zoo aan, dat hij er ziek van werd, en in Mariënbader Elegie klinkt zijn smart dieper en warmer dan ooit in zijn jongensliederen.

a GOETHE. b GROOTHERTOG CARL-AUGUST (bij hun 50-jarig jubileum) naar de teekening van H. F. Brandt
Hij had gehoopt dat een vrouw vrede zou stichten in zijn huis. Het gezin van zijn zoon, dat bij hem inwoonde, was niet gelukkig: de schitterende en verstandelijk zeer ontwikkelde Ottilie had August gehuwd eer om dicht bij zijn grooten vader te zijn, dan uit liefde. De grootheid van zijn vader deed August kwaad: de goede opvoeding, die hij had gekregen, verhoedde niet dat hij zich voor ondergeschikte posities te hoog achtte, terwijl hij toch niet in staat was zich hooger op te werken dan de gunst van Carl August hem plaatste. Hij was een van die tragische figuren die bijna groot zijn, dat is meestal, helaas, zeer klein. De teleurstelling bracht hem aan den drank—zijn grootvader van moeders kant was een dronkaard—en hij ging een losbandig leven leiden, hoeveel moeite er ook aan hem werd besteed.
Goethe had den moed, in werken troost te zoeken. Zijn uur naderde, al voelde hij zich uitbundig jong, en hij moest afronden, voltooien, uitgeven, opdat niets verloren zou raken door een of andere ramp: De Wanderjahre, het tweede deel van Faust, zijn levensbeschrijving, het relaas van zijn reis door Italië, ten slotte de nieuwe editie van zijn werken, waarvan het auteursrecht was verzekerd. En hij redigeerde zijn tijdschrift "Kunst und Altertum" en hield zich trouw op de hoogte van de groote vorderingen, die wetenschap en industrie en verkeer in het begin van de negentiende eeuw maakten. Nog in 1831 refereerde hij over den strijd tusschen Cuvier en Geoffroy St. Hilaire, waarvan boven sprake is geweest. En dan had hij zijn schilderijen, zijn afgietsels van beeldhouwwerk, zijn munten, zijn welvoorziene natuur-historische verzameling, waarop hij verliefd was, die hem steeds met vreugde vervulden. Om vijf uur in den morgen begon zijn dagtaak; van acht uur af hield hij vier secretarissen bezig. Daaronder Eckermann, die zich van veehoeder en bedeljongen had opgewerkt tot den post van vertrouwen, dien hij bij Goethe bekleedde. Hij was de man die zelf niet iets groots kon maken, en toch het groote zoo kende, dat hij—misschien beter dan Schiller, wijl minder dogmatiesch—Goethe aan het werk wist te zetten, hem door voorzichtig en toch ietwat opdringend vragen aan het praten, d. i. aan het scheppen wist te krijgen. In zijn "Gesprekken" zien wij Goethe herleven, zooals hij in zijn latere jaren inderdaad geweest is: wij zien zijn gebaren en hooren hem de menschen, waarover hij spreekt, met geweldige stem imiteeren, eenigszins lispelend, doordat hij voortanden miste; wij zien hem in zijn geliefkoosde houding, met zijn handen op zijn rug, stappend om zijn tafel heen, en daarbij vertellend, lachend, op zijn poot spelend, zachtkens zingend, vloekend, spottend goedmoedig; en daarbij nog altijd de hooghartige statige Goethe blijvend, die zich met een: Nu we hebben weer een goeden dag gehad! aan tafel begeeft, en het zich kostelijk laat smaken, en nog wel een fleschje Rijnwijn lust.
En menschen uit alle deelen van de wereld trokken naar Weimar om den man te leeren kennen, die àl meer een heilige werd, steeds eenvoudiger en reiner, of—zooals hij lachend placht te zeggen—dan eindelijk verstandig was geworden, zij het ook een beetje laat. Nu hij zich vrij had gemaakt van de aarde, kon hij ook jegens vrouwe Von Stein, die al ver over de tachtig was, zijn schuld afdoen, en, de kwellingen vergetend, haar zeggen dat ze, naast Shakespeare, het meest had bijgedragen tot zijn vorming.
En er vielen weer dooden. Nog geen drie jaar na het jubileum stierf Carl-August, die in den laatsten tijd zoo vaak, onaangediend en zonder op bezoekers te letten, zich naast hem had neergezet. Dat was een heel oude vriend die daar wegging; maar hij beheerschte zich. Laten we over wat anders spreken, zei hij tot zijn huisgenooten, toen de klokken gingen kleppen.... Hij woonde de begrafenis niet bij. Teruggetrokken op het slot Dornburg, studeerend en waarnemend, wist hij zich te herstellen totdat hij nog een liefdeliedje zong voor Marianne Willemer, aan wie hij telkens bij volle maan zou denken.
Toen stierf hertogin Louise, de hooge vrouw die langzamerhand genaakbaar was geworden, die vaak bij hem te gast was, en die een botsing tusschen Goethe en den Landdag had gesust met de verklaring, dat zulke vreemde begrootingen als díe inzond geen "precedent" schiepen, daar er immers toch maar één Goethe was.... en wie weet hoe lang nog.
Toen stierf zijn zoon, die met Eckermann naar Italië was gestuurd, om daar zelfbeheersching te leeren; stierf aan koortsen, maar in een stemming die hem rijp maakte voor zelfmoord. "Patri antevertens"—den vader voorgaand—staat er op zijn graf.
De oude bedwingt zich en troost zich in zijn kleinkinderen Wölfchen en Walther, die zijn huis vroolijk maken met hun jeugd.
Maar het woord "dood" spreekt men in zijn omgeving niet meer uit en hij zelf gebruikt de omschrijving: "Het wegblijven" van August.
Op zijn tachtigste jaar heeft hij een bloedspuwing, en er zit nog zooveel vitaliteit in hem, dat hij er tot verwondering van zijn geneesheer overheen komt. Zooals wel blijkt uit een monographie, door dezen over Goethes laatste ziekte geschreven, hebben de artsen het nooit met den dichter kunnen vinden. Ze begrepen niet hoe hij als jongen zoo zwak en toch zoo taai kon zijn; en ze begrepen niet hoe hij op zijn tachtigste jaar nog zoo gaaf en zoo frisch was gebleven.
Zijn tweede jeugd, in letterlijken zin, breekt aan: het resultaat van een langzame zelfverovering. "Ik bevind mij (zoo verklaart hij) in een soort van exaltatie, die mij in staat stelt de poëzie te bevelen, zelfs tot beelding van dingen die ik nooit beleefde; door een geheimzinnig psychiesch gebeuren, dat misschien alle studie waard is, geloof ik mij tot zulk een staat van vruchtbaarheid verheven dat ik volkomen bewust voortbreng wat ik zelf wensch......"


XXX
Sie hören nicht die folgenden Gesänge Die Seelen denen ich die ersten Sang....
FAUST
Toen de 81-jarige Goethe zijn "Faust" voltooid had, sprak hij tot zijn secretaris Eckermann deze merkwaardige woorden: Mijn verder leven kan ik geheel en al als een geschenk beschouwen; het doet er niet toe wat ik nu verder uitvoer. Hij heeft de Faust-tragedie zijn "Hauptgeschäft" genoemd, en dat niet alleen om haar waardij als kunstwerk; maar vooral omdat hij er de winst zijns levens, met lijden en hard werken verworven, in had neergelegd. En dit immers was het streven van den ouden Goethe: nauwkeurig nagaan, afronden, boeken, wat zijn leven hem had opgebracht, zich een plaats zoeken onder de voortreffelijken, zelf "historiesch" worden. In het geschiedkundig gedeelte van zijn Kleurenleer beproefde hij dit als wetenschappelijk man; in Wahrheit und Dichtung als dichter en als Duitscher; in de chronologische tabellen van zijn eigen daden, waarmede hij zijn wanden beschreef (en die, jammer genoeg, met een laag witsel werden besmeerd) als zoon van Caspar Goethe; en in Faust als........ De lezer begrijpe dat wij hem hier het juiste woord schuldig moeten blijven: immers Faust is eenig in zijn soort (wat men er overigens op moge aanmerken); en alleen voor den werker die voorgangers en genooten heeft, bestaat er een naam!

GOETHE IN ZIJN LAATSTE LEVENSJAAR Naar de teekening van C. A. Schwerdgeburth
De bedoeling: zijn geheele leven in deze tragedie uit te beelden, heeft Goethe pas in later jaren opgevat. Wij weten reeds dat hij als Straatsburger student zich aan de Faust-legende vergastte en, zonder er iets van neer te schrijven, eigen ervaring door dit gegeven weefde. Hij had daarbij toen twee bepaalde voorvallen op het oog, nl. zijn mislukt pogen om langs alchimistischen weg het wezen der dingen te vinden; èn zijn liefdehandel met Friederike Brion. Zijn taak was dus vrij scherp omgrensd. Maar in den loop van de zestig jaar, die verliepen voordat hij zich met de boven geciteerde woorden tot Eckermann kon wenden, heeft hij meermalen de verzuchting geslaakt, die men in Wilhelm Meisters Wanderjahren verneemt: "Elk ambachtsman schijnt mij de gelukkigste mensch; wat hij heeft te doen is uitgesproken, en wat hij kan leveren is beslist."
Want zijn blik op de ervaringen, die het onderwerp van den Oer-Faust uitmaken, verruimde meer en meer. Hij voelde dat hij nog niet aan het eindpunt stond, en dat allerlei tusschentijds opgedane ondervinding zijn eindoordeel wijzigde: de stof werd al rijker en liet al moeilijker zich handteeren. Ook zijn kunst-principes hadden zich ontwikkeld: zijn liefde voor het monumentaal-Gothische, het natuurlijk-opbruisende, week voor overgave aan het sentimenteel-romantische, dat hem naar den stillen eenvoud van het classieke voerde, waarbij zich op het eind van zijn leven een zucht naar symbolische geheimdoenerij voegde. Maar elk dezer kunstrichtingen (wij bezigen dezen term uit practische overwegingen) bekijkt een bepaalde stof op haar eigenaardige wijze, maakt op haar beurt het naar voren treden van zekere feitenreeksen, het wegdoezelen van andere feitenreeksen, in hetzelfde gegeven wenschelijk. Wat den jongen stormenden en dringenden student gewichtig scheen, werd ternauwernood vernomen door den grijsaard, die het tweede deel van Faust schreef. De eerste, volbloed kunstenaar, liet alle stemmen en toonaarden waarover hij beschikte overvloedig uit-galmen: hij pronkte met cabalistische natuurkennis, met philosophie, met stoutmoedige satyre, heelal-omvattende ironie, kind-naïef pathos; en overal dienden hem zijn pas geopenbaarde woordkunst en zijn vermogen, zich in anderen in te leven. Hij kon Mephisto laten zingen zoo eenvoudig en zoo welgemeend als vriend Wolf, wanneer deze een lief meisje beweende. Maar de oude Goethe, hoe vergevingsgezind ook in het dagelijksch leven, werd wel eens dogmatiesch als hij de pen ter hand nam; hij sloeg gaarne spijkers met koppen, maar toonde even gaarne (om de vergelijking door te drijven) spijkers met spitse punten; hij liet geen gelegenheid zich ontgaan om in verborgen hoekjes van zijn werk vallen op te zetten, waar zijn wetenschapstegenstanders jaren naderhand nog plezier van konden beleven. Hij was onderwijzer, autoritair hoogleeraar, en despoot tegelijkertijd, en verlangde dat men een diepzinnigheid, waarover hij jaren had nagedacht, oogenblikkelijk begreep. Met de vreemde vruchtbaarheid die hem in zijn laatste jaren verheugde, wist hij de dolzinnigste spotternijen in de reeds ontworpen constructie t'huis te brengen. En zoo heeft hij de tragedie Faust, argeloos kunstwerk in den beginne, als pretentieus leerdicht besloten.
Door het eerste gedeelte zweven vele beangstigende vragen, maar uit de bewoordingen, waarin ze zijn vervat, blijkt ons dat de dichter het bij 't aanvoeren van ondoorgrondelijkheden wilde laten: "Das Schaudern ist der Menschheit bester Teil." Maar het tweede gedeelte wil op de hoofdvraag, en op vele bijvragen die in 't begin niet eens voorkomen, zielkundige, theologische, teleologische, wijsgeerige antwoorden geven. Het wil een betoog zijn, d. w. z. het wil een ijle Gedachte beteekenen; en toch kunstwerk zijn, d. w. z. een harmoniesch-evenwichtig beeld.
Nu kan een Gedachte nooit opgaan in een Beeld, en de dichter, die zulk een gedachte toch àls leerstelling wil uiten, moet ze in menigvuldige betoogfranjes hangen aan zijn beeld; waardoor het beeld in zijn classieke naaktheid ontsierd wordt, en de gedachte toch niet bereikt: evenmin als de talrijke spitsboogtorentjes, die men tegen sommige gothische bouwwerken heeft geplakt, het Opperwezen bereiken, al zijn ze ten hemel gericht. Vooral het tweede deel van Faust, dat mag heeten nadrukkelijk en gewaagd allegoriesch, laat den gevoeligen lezer, die voet bij stuk wil houden, onbevredigd; daar Gedachte en Beeld er ieder een eigen leven leiden en niet versmelten, zooals in Iphigenie. Dit is een ontaarding van het standpunt dat de schepper van Iphigenie innam: Dàar een schoon beeld, dat op zich zelf doel is, maar dat toch de wazige diepten van de Idee ontsluit; hìer een beeld dat telkens wil vervluchtigen, wil opgaan in Gedachte, wat niet lukt; en dan, na iedere mislukte poging vermagerd als een ascetische monnik, tamelijk ongemerkt overlijdt: wat het dramatiesch effect verijdelt.
Goethe wilde het onbeschrijflijke tòch beschrijven, gevoelend dat hij meer-dan-mensch was; en hij wist dit, getuige de sacramenteele slotwoorden van zijn Faust. Daarnaast staat zijn bewering (in een brief aan Schiller), dat hij het hoogste wel wilde aanroeren maar niet bereiken, en hiermede in overeenstemming zegt hij dan ook dat het ongrijpbare feit wordt, op de plaats waar het Faust-beeld.... eindigt:
Das Unzulängliche Hier wird's Ereignis; Das Unbeschreibliche, Hier ist es gethan.....
Maar niemand zal ontkennen dat hij op menige plaats ook in het corps van de tragedie naar het onmogelijke greep. En het besef, dat hij dit deed, maakte hem vaak zoo mismoedig, dat hij aan het begin van de negentiende eeuw wel twintig jaar voorbij liet gaan, zonder iets van beteekenis aan het werk toe te voegen; den Faust beschouwde hij als een dolle kluyt, als een vergaarbak voor allerlei "dramatiesch-humoristischen onzin", voor burleske toespelingen op tijdgenooten, voor te laat geboren Xeniën, die met het onderwerp niets hadden te maken. Ook kwamen dan weer de oogenblikken dat hij, onbegrensd vertrouwend op zijn krachten, zonder aarzelen de moeilijkste gedachten formuleerde; en het is dan ook de groote bekoring van dit poëem, dat de dichter er nergens stamelt of van inspanning hijgt.
Maar als men, nu niet op de zegswijze lettend, het boek na lezing doorbladert, om de situaties in onderling verband te vatten, dan voelt men dat hier een Titan (men vergeve ons het ouwerwetsche woord) de brokken, die hij eerst in ademlooze nauwlettendheid heeft behouwen, in woest krachtsvertoon op elkander heeft geworpen, met het misbaar van verren donder. Goethe dunkt ons hier een Tantalos
"in wiens gesprekken, van ervaring diep En bonte zinrijkheid, de goden zelf Als in orakelspreuken zich verlustten"....
Doch, (verklaart de wijze Iphigenie)
"Doch goden moesten niet Met menschen wandlen als met huns gelijken: 't Geslacht der stervelingen is onmachtig Op ongewone hoogten niet te duizlen. Hij was niet laag of slecht, en geen verrader, Enkel voor knecht te groot en voor een makker Des grooten dondergods een mensch maar...."
Zulk een man nu, maar dan in een Katholiek-Christelijk wereldplan begrepen, is ook Faust. Zijn reiken naar het Hoogste en zijn nêerstorten in donkere afgronden wordt in deze tragedie verbeeld. Maar dat iets van het goddelijke zijn deel is, het wordt den lezer voelbaar, doordien Goethe-zelf, hém scheppend, telkens uit lichtende hoogten omlaagduizelt, als ware hij zelf een Faust of een Tantalos. Goethes wanhopige scheppingsworsteling smelt met Fausts hemelstreven saâm. En zoo blijkt den lezer, voor zoover hij niet is aangelegd Duitsch-esthetiesch, de onregelmatige vorm van het werk een welkome winst.
Overleg kon Goethe hier niet baten: Faust is niet een drama, welks handeling consequent, en zonder overwegenden invloed van buitenaf, uit een grondgegeven voortvloeit. Het is een reeks tafereelen (gelijk Götz is) welker samenhankelijkheid men eerst na ernstige studie beseft of.... niet beseft (doch dit om het even); hoofdzaak is, dat men de logische aaneenschakeling van de situaties niet rechtstreeks bespeurt. Bovendien (of liever: in verband hiermede) kan hij, die het geheel overziet, hier den Held—hoe fier en hoe geniaal ook—voor zijn daden niet verantwoordelijk houden, daar niet duidelijk is afgebakend, in hoeverre Faust eigenlijk onder den invloed staat van Mephisto, die immers van den almachtigen God—het geldt een weddenschap!—verlof heeft gekregen om naar goedvinden met hem te handelen. Wij nemen Faust de schurkenstreken die hij volvoert niet kwalijk: wij oordeelen toegevend over iemand die steeds in gezelschap van Satan verkeert. Maar aan den anderen kant merken wij wèl, doch gelooven nauwelijks, dat hij in de wieling van onbehaaglijke genietingen, waarin Mephisto hem "stof laat vreten", zich blijkt "van 't goede duisterlijk bewust"; al kunnen wij zulks dan ook wel weer in het afgetrokkene beredeneeren. Het catholiesch verpersoonlijken van het Opperwezen heeft hier den pantheïst Goethe parten gespeeld. God, in de wolken tronend als Oppermensch, trekt àl te gaarne aan de marionet-koordjes om aan Faust of aan Mephisto persoonlijke wilsvrijheid te gunnen....
Met Faust heeft Goethe uitgevierd den verheven kant van zijn wezen niet alleen, maar ook zijn trachten naar het caricaturale, het balletachtige, zijn zucht om op te treden als leider van een cotillon, als ontwerper en voor-rijder van een bar-comieken, phantastiesch-leerrijken allegorischen optocht bij fakkellicht: een neiging die hij vaak verdoemde maar niet blijvend overwon. De Faust-tragedie lijkt een subliem libretto voor een oratorium, wachtend op den onmogelijken componist, die met diep inzicht in de wordingsgeschiedenis van dit gewrocht de beeldende scènes er van naar voren rukke, doch er een massa fraaie en scherpzinnige bewoordingen door horden van tonen make onverstaanbaar, ze verwerkend in achtergrondsche stemmings-melodieën.
Zoo is Faust meer een probleem dan een welsprekend feit, en Goethes hoofdwerk is beroemd geworden, niet wijl men het begrijpt en bewondert; maar wijl men bewondert de scherpzinnigheid van de commentators, die het werk niet begrepen en juist daarom er zooveel geleerdheid over schreven. De lezer wete dat Goethe zich genoegelijk in zijn handen wreef, toen men in potsierlijke ernst ieder woordje van de reeds verschenen Faust-fragmenten ging "commenteeren". "Want (zei hij lachend) er staat zooveel onzin in, dat de keirels daar toch nooit meê klaar komen". De Faust-dichter was tè rijk om voortdurend zijn ziel in waardige lijdzaamheid te bezitten; hij is zich vaak overmoedig te buiten gegaan.
Maar ook de verklaarders: Op plaatsen waar niets byzonders staat, wist men de diepzinnighedens bij dozijnen aan te wijzen; de onverzoenlijkste tegenspraken tusschen brokken, die in verschillende levensperioden van den maker ontstonden, wist men te overbruggen. Maar op plaatsen, waar Goethe zich met genialen zwier had geweerd, ontdekte men esthetische fouten, zóo voor de hand liggend, dat Goethe ze zeker zou hebben weggestreken,—indien fouten het waren!
Er is in onzen tijd geen geestesstrooming of haar woordvoerders vinden in Faust van hun gading: materialisten en idealistische wijsgeeren; godloochenaars en vrijzinnige Christenen; socialisten en conservatieven; vegetarische natuurmenschen en propagandisten van het edele druivennat; luiaards en verheerlijkers van den arbeid: beroepen zich beurt om beurt op Faust. En al rukken zij wel eens een phrasetje uit haar verband, en al nemen zij wel eens ernstig wat Goethe sarcastiesch bedoelde, hij bekijkt het leven van zooveel kanten, dat partijgangers van genoemde en van nog vele òngenoemde richtingen volkomen terecht den Faust zouden kunnen citeeren—indien zij hem werkelijk lazen; wat wij minder grif beamen.
Want Faust behoort tot de boeken, die beroemd zijn zonder dat ze worden gelezen; van naprater op nababbelaar plant zich omtrent dit stuk een soort illuzie voort: dat het zoo geweldig is, en dat het zoo grootsch is, en dat het zoo realistiesch is.... Maar menigeen die het, afgaand op wat hij had hooren zeggen, ter hand nam, bevond zich volstrektelijk teleurgesteld door de schijnbaar taaie en koude verzen; door de symboliek, die men wel als zoodanig onderkent, maar toch niet ontcijfert; en door het gebrek aan eenheid. Hij, die in onzen materialistischen tijd het eerste deel volkomen kan meegenieten, is waarschijnlijk niet genoeg doorgedrongen in de "classieke oudheid", om uit sommige figuren van het tweede deel meer te maken dan bizar klinkende namen. Aan het eerste deel ligt een noordsche, aan het tweede een zuidelijk-classieke wereldbeschouwing te grondslag; en bij slechts weinigen zijn deze twee wereldbeschouwingen zoo aan elkaar verknocht als bij Goethe. Dit nu is het geniale maar ook het hinderlijke in het boek, dat deze onderlinge verknochtheid van twee uiteenloopende wereldbeschouwingen er als van zelf sprekend wordt aangenomen!
Voelt men zich door bewondering voor sommige gedeelten genoopt tot ernstige studie van de Goethe-literatuur, dan treedt na jaren het oogenblik in waarop men meent, ieder woord in Faust te begrijpen. Maar als men zich dan niet "ruhig auf ein Faulbett" legt, zal men gaandeweg weer zijn houvast verliezen en moeten toegeven, dat er aan de eenheid in dit meesterwerk inderdaad iets ontbreekt.
Wel te verstaan: men zal dit nooit in het openbaar zeggen, want dan zou men velen zien opstaan die beweerden: Maar ge hebt het èchte er van ook niet gesnapt! Om dit te beweren behoeft men zelf dit "echte" niet te weten. Men vertrouwt op de boekenkast vol.... ongelezen commentaren, waaruit men zoo noodig gemakkelijk en gemoedelijk eenige grepen zou kunnen doen; indien men tot nadere verklaring werd uitgedaagd. Maar het gevaar is niet groot, want—wie uitdaagt schijnt te erkennen, dat hij het zelf niet weet. En zoo blijft een groote groep Goethe-bewonderaars in het duister tasten, met behulp van een zekere onoprechtheid die onder deze heeren regel is geworden. En Goethe had het recht in zijn Zueignung te klagen:
Mein Lied ertönt der unbekannten Menge, Ihr Beifall selbst macht meinem Herzen bang....
Uit deze (voorloopig rhapsodischen) blik op de wordingsgeschiedenis en de reputatie van de Faust-tragedie volgt:
dat wij niet gelooven aan het bestaan van een logische, organische eenheid van toon, van bouwstof, van handeling—die Faust zou hebben gemaakt tot een onberispelijk meesterwerk;
doch wel aan een eenheid, die voortspruit uit een goed begrip van de functie, die Faust in Goethes leven vervulde.
Voor een ideaal kunst-ideaal is de Faust-als-geheel mislukt en vandaar ook dat hij niet uit zich zelf kan worden begrepen. Maar aan den anderen kant zou het misschien jammer zijn, indien de Faust even smetteloos-klaar ware geworden als de Iphigenie, wijl de vele onregelmatigheden en dissonanten, die wij er aantreffen, ons het onstuimig-worstelende in den levensgang van den Held zoo intens doen voelen. Goethe wist, dat heel ons bestaan is een aaneenschakeling van triumphen en instortingen, en hij drukte dit gaarne uit met de beeldspraak: Zelfs ons loopen is een reeks van vallen.
En de heerlijke elementen waaruit deze tragedie is opgebouwd, en die mij—na wel twee dozijn nauwlettende lezingen—doen zeggen dat Faust het schoonste literair kunstwerk is dat ik ken, laten zich zeer wel genieten door den lezer die den sleutel bezit.
II
Hier volgt, voor hen die de voorafgaande bladzijden verwerkten, deze sleutel:
Aanvankelijk voelt Goethe overeenkomst tusschen zijn streven en het beeld, dat de Faust-sage in hem afgeeft. Hij besluit, gelijk boven reeds werd vermeld, twee bepaalde levenservaringen in deze sage "op te bergen". Hierbij voegen zich later vele andere ervaringen, die met de oorspronkelijke inspiratie oogenschijnlijk geen verband houden. Maar er eigenlijk wèl verband mede houden: het zijn de ervaringen die één en dezelfde man zich maakte. De eenheid in de Faust-tragedie is.... Goethes levensloop.
Het Godsverlangen van jongen Wolfgang; de ontnuchtering van mosjé Goethe, den Leipziger student; de herleving van zijn vroomheid na langdurige ziekte; zijn alchimistische werkplaats, waar hij probeert maagdelijke aarde te maken en het wezen der dingen uit te koken; zijn kennis van boeken over toovenarij, die men tegenwoordig niet meer leest; zijn begrijpen dat de Natuur zich haar geheimen niet "mit Hebeln und mit Schrauben" laat afpersen, voor zoover ze die niet aan onzen Geest openbaart; het vinden van die geheimen in de Kunst (Shakespeare, die met goddelijken mond 's menschen Lot verkondigt); zijn besluit om zich te werpen in de vloeden van het Noodlot, teneinde daar te zoeken wat hij noch in boeken noch in laboratoria vond; zijn minachting voor alle op zich zelf staande wetenschappen; zijn vertrouwen op zijn intuïtieve kenbron; zijn liefde tot Friederike, waaruit louterende, hem tot dichter wijdende kwellingen voor hem ontstaan; zijn verblijf aan een hof, alwaar hij door krachtige daden tracht een volk en zich zelf geluk te veroveren; zijn wanhoop, dat de juweelen des hemels zich niet in vorstenkronen laten vatten; de herleving van zijn dichtergave, die hem nu menschenliefde, wetenschap, daadkracht is geworden; het "huwelijk" van zijn geest met den Geest der antieken (Helena); zijn afkeer van politieke idealen, inzonderheid van de Fransche revolutie; zijn belangstelling in al wat rechtstreeks den rijkdom van een volk verhoogt, zooals de ontwikkeling van industrie en verkeer; het pijnlijk besef dat de vooruitgang over lijken gaat; zijn geloof in het demonische; het evangelie van de zelfoverwinning; de bevrijdende macht die hij aan reine vrouwen toeschrijft; de zekerheid dat hij, die tot het laatst toe godvallig werkt, onsterfelijk is;—zie hier enkele ervaringen en inzichten, die Goethe in deze tragedie wilde opbergen.
Of de oude sage daarvoor ruimte genoeg bood?
De lezer weet reeds dat Goethe aan de historische gegevens, die hij zei te bewerken, meestal niets heel liet. De legende, waarvan hier sprake, heeft hij omgegoten naar zijn behoeften. Dat wil zeggen (waaròm, zij aanstonds gestaafd) naar de behoeften van zijn Tijd.
III
Faust heeft "werkelijk" bestaan, maar dit doet niet ter zake: de volks-phantasie was gedrongen, zich een Faust te scheppen, en heeft hem zooveel wonderlijks toegedicht, dat men veilig mag beweren: de pronkzieke toovenaar, zooals wij die uit de legende kennen, is een verzinsel en lijkt niet veel meer op zijn naamgenoot; welke in den tijd van de Hervorming heeft geleefd, en zich heeft verdaan aan denzelfden duivel, die van den bijbel-vertalenden Luther een inktpot naar zijn kop kreeg.
Het was destijds niet ongewoon dat de duivel geleerde menschen bezocht: immers alle geleerdheid, die niet uit God kwam (d. i. die niet berustte op de scholastieke wijsbegeerte), kwam van den duivel, en hieruit volgt reeds dat Maarten Luther vooràl zich reddeloos aan den duivel had verkwanseld, wat hem dan ook tot gruwelijke abominaties bracht, als daar zijn: bijbelvervalsching, en zijn huwelijk met een non.
Doch de mannen die door hun zwart-helsche wetenschap de dooden konden wekken uit hun graf, die goud konden maken, die de gevaarlijkste ziekten konden bezweren (mits de patiënt zich maar aan den duivel gaf)—die wonderdoctors van de Renaissance.... och arme! ze kenden heel de wereld en den hemel bovendien, ze kenden vreemde kruiden en gedierten, kenden natuurlijke en bovennatuurlijke krachten; ze wisten ook dat ze steeds voort moesten zoeken (de spreuk: Kennis is macht!, nu een gemeenplaats, was toen een evangelie), maar ze wisten niet, wat met hun geleerdheid te beginnen: "Wat ze wisten konden ze niet gebruiken, en wat ze noodig hadden dat wisten ze niet". Ze waren met al hun kennis arm, want ze begrepen hun kennis niet. Ze hielden de stukken in de hand (zegt Goethe) en alleen—de geestelijke band, die van al die stukken een geheel moest maken, ontbrak.
Deze Faust, door het gemeene volk benijd, was in wezen een arme drommel. De wonderen, die het volk gapend bewonderde, hadden voor hem geen glans. Zijn geest deinsde terug voor niets. Hij was radicaler dan Luther (want die hield zich aan zijn verzoenenden Bijbel); hij onderzocht in zijn laboratorium alles, ook het heiligste. Maar nu was niets hem meer heilig, en van de "twee zielen die er leefden in zijn borst" bleef er een onbevredigd. Hij snakte naar geopenbaarde kennis, zooals Goethe verlangde naar het intuïtieve weten, dat Spinoza hem zou leeren verstaan als voor-besef van de heele schepping. Door toe te geven aan zijn wetensdrang had hij het geluk verbeurd, dat bestaat in aangeboren Godsvrucht, en critieklooze onderworpenheid aan de indrukken van de wereld die den mensch omringt. Hij had zich niet aan den duivel verkocht maar zou het—daar zijn leven zóó hem niets meer waard was—gaarne doen; indien hij daardoor zou kunnen ontdekken wat er na dit leven komt, en misschien dan ook: hoe dit leven vastzit aan de goddelijke natuur; om aldus te doorleven één oogenblik, waarin niet zijn ontoereikende kennis in tegenspraak kwam met Gods wijze werkelijkheid; één enkel oogenblik van ware harmonie, een oogenblik dat hij zou wenschen vast te houden.
De onvrede van den radicalen renaissance-mensch moest weer opkomen in Goethes tijd; moest in dien tijd algemeen worden, daar immers het verzoende Christendom voor goed scheen verdreven door De Wetenschap of door de kerkschheid. Opnieuw zocht men oplossing in een terugkeer tot de natuur, in een onbekrompen uitviering van alle neigingen en instincten, die voorheen door geloof of conventie waren bedwongen. Zoo is de geest van de Sturm-und-Drangperiode verwant aan den geest van de renaissance. Maar terwijl de oproerige Duitsche jongelingen overdonderd werden door het rumoer van hun eigen orgieën, zat de student Goethe te tobben met de problemen die den Faust-figuur hadden gekweld. Hij schreef zijn Werther: een waarschuwing voor hen, wier willen en begrijpen niet was geëvenredigd aan hun geweldige maar onbestemde verlangens. Hij peinsde reeds over zijn "synthetiesch" d. i. intuïtief natuuronderzoek. En hem boeide nu Faust, die in een luguber poppenspel door de eeuwen heen tot hem was gekomen.
Indien iemand de Faust-legende ten einde kon brengen, dan hij. Wat de Faust, zooals de volks-phantasie hem had gemaakt, verlangde: het oproepen van dooden, etc.; of wat de kinderachtige Faust van den Engelschen dichter Marlowe wenschte: alle schatten, die de groote ontdekkingen van zijn tijd ter beschikking van den mensch hadden gebracht, bewijst hoe weinig deze Faust eigenlijk op de hoogte was van wat hij eigenlijk zocht. Wie het wezen der dingen zoekt, wie een levensroeping zoekt, den eigenmachtigen, van alle dogma's bevrijden man waardig, die moet natuurlijk ten grònde gaan als hij zich laat bedotten met rijkdom, mooie vrouwen, wijn, en kinderachtige goocheltoertjes.
Hier is nu het punt, waarop Goethe de legende moest wijzigen. Hij was optimist, zooals vele grooten van zijn tijd optimist waren. De mannen van de Fransche revolutie meenden ook, dat alles nog goed kon worden op aarde (wanneer een heer meedoet aan een revolutie, dan doet hij dit niet om het directe doel, al beweert hij het). Doch ze zochten het, aldus Goethe, in het uiterlijke. Maar zij die, gelijk Goethe en Hegel, wisten dat de "kern der natuur in het menschenhart leeft", zij konden niet wanhopen aan de oplossing van problemen, die de mensch zelf zich stelt. Wat Goethe in zijn jeugd tracht te bereiken (wij hebben het ter plaatse aangeduid): een bevredigende oplossing van het tragische, d. i. de bekrompen machteloosheid van den mensch tegenover de geheimzinnige natuur; dat wilde hij in den Faust verwezenlijken. Faust moest dus niet een prooi worden van den duivel, doch leven zooals Goethe trachtte te leven: hij moest zich door godgevallige kunde en door zelftucht bevrijden en opgaan in het groote Geheel, de menschheid; de menschheid begrepen als deel van het Heelal.
De Faust uit de legende was een verzinsel van de volks-phantasie, een afspiegeling van wat "men" omtrent een man van de wetenschap dacht. Hij is dus een algemeen verschijnsel voor den kenner van die tijden, maar voor het volk was hij een alleenstaand geval. Voor Goethe echter was Faust geworden een voorbeeld, een voorbeeld van het menschelijk leven, en daarmede een symbool. Schrijvend aan het eerste deel, had Goethe de historische figuur nog voor oogen, en die historische figuur, een man van vleesch en bloed, kon—door de eigenaardige wijze waarop de dichter hem voorstelde—mede als symbool begrepen worden, als symbool van het menschelijk leven. In het tweede deel heeft Goethe hem helaas in hoogere sferen gehangen; Faust is er een symbolieke schim geworden, die zich niet meer laat vatten als man van vleesch en bloed.
Maar als de Faust-legende niet meer is een wonderverhaal, waar blijft dan de duivel? Goethe heeft den duivel reeds in de eerste bewerking afgedankt. De geest, dien Faust oproept, is de aardgeest, dat wil zeggen: de innerlijke kracht der natuur, de bron des levens. En Mephisto is er een scherpzinnig, sarcastiesch aangelegd man,—een echte Merck—die de zuchten van Faust begrijpt en ze op zijn kwetsende wijze—maar met beste bedoelingen—vertolkt. Eigenlijke wonderen verricht hij niet. Hij staat Faust ter zijde, leert hem onbezorgd leven. En als het naïeve Gretchen de dupe van de historie wordt (evenals Friederike), dan beduidt dit geenszins dat Faust een ploert, dat Mephisto een slecht raadsman is. Het is een gevolg (zoo geloofde Goethe) van 's menschen onvolmaaktheid: men kan zich hier op aarde niet bevrijden, zonder de menschen, die men lief heeft, van zich te stooten. Trouwens, de schrikkelijke ellende die Margareta in de thans bekende tragedie treft—haar gevangenschap, haar onthoofding—komt in de eerste lezing nog niet voor.
IV
Toen Goethe zoover was gekomen, begreep hij dat zijn reeds ontworpen Gretchen-verhaal niet kon bevatten al de wijsheid, die hij in dit werkstuk wilde neerleggen. En nu schreef hij zijn "Voorspel in den hemel", dat het gebeuren terstond op een breeder grondslag zet, en voelbaar maakt dat het met Gretchens ondergang nog lang niet voltooid is:
Gelijk in het eerste hoofdstuk van het boek Job, houdt Satan hier een vertrouwelijk gesprek met God. Dergelijke gesprekken worden in de middeleeuwsche mysterie-spelen (door geestelijken vervaardigd) herhaaldelijk vertoond, en de woordkeus is er nog heel wat menschelijker en realistischer dan bij Goethe. Zij die het Goethe kwalijk nemen, dat hij Mephisto laat mompelen: Het is toch wel leuk van den Ouwe, zoo menschelijk met den duivel-zelf te verkeeren!, ontmoeten geen instemming bij hem, die van deze Katholiek-Christelijke literatuur iets weet. In bedoeld gesprek prijst De Heer "zijn dienstknecht Faust" als een ijverig zoekend man, die zich in de duisternis van zijn streven toch bewust blijft van het goede, zij het ook waar, dat hij dwaalt, zoolang hij streeft (nog niet heeft "gevonden"!). Spottend beweert Mephisto dat God dezen dienstknecht op den duur zal verliezen. En God, die den ganschelijk van God verlaten duivel voor hemelsche argumenten ontoegankelijk weet, wil hem nu door feiten overtuigen: hij gaat op 's duivels verlangen kalm een weddenschap aan, dat deze Faust op den duur niet in zijn macht zal houden, al heeft hij volle vrijheid, hem in te blazen wat hij wil.—En nu blijkt, waarom de Heer zich de spotternijen van den Booze met zooveel gelijkmoedigheid laat welgevallen. Mephisto, deze geest die steeds ontkent, is gedwongen, het Goede te weeg te brengen, terwijl hij het Slechte wil. 's Menschen geestkracht zou verslappen indien hij niet door vernietiging van zijn pogen en door verzoeking aanhoudend werd geprikkeld: daarom is Mephisto den mensch toegevoegd. Deze maakt dus deel uit van Gods wereldplan. Hij moet in den mensch—ook in Faust—vruchteloos trachtend hem in 't ongeluk te storten, de goddelijke vonk telkens opnieuw doen ontgloeien. Zoo heeft de booze zijn plaats in de eeuwig wordende en evolueerende schepping, en toch op den duur géén plaats.
V
Als Faust den boven beschreven geestestoestand heeft bereikt, en reeds op het punt heeft gestaan zich te vergiftigen, teneinde spoediger te weten wat er "aan gene zijde" is, is hij rijp voor aanraking met Mephisto, en deze verschijnt dan ook weldra, onder eigenaardige bijomstandigheden, die hier buiten beschouwing blijven: Door zijn Proloog in den Hemel heeft Goethe zich bij voorbaat ontslagen van de taak, allerlei bovennatuurlijke en tooverachtige uiterlijkheden te motiveeren; als hij maar zorgt voor een juiste ontleding van de geestesprocessen in zijn personen, dan zorgt De Heer in verbond met Mephisto voor de rest.
Het is Mephisto's roeping, zich in te spannen en steeds teleurgesteld te worden. Hij heeft in den loop der eeuwen genoeg tegenvallers beleefd om Fausts zorgen, welke hij (blijkens zijn onmenschelijk-ironiesch gesprek, met een student die bij den wereldberoemden Faust les wil nemen) volkomen peilt, niet ernstig te nemen. Er wordt tusschen hem en Faust alras een verdrag gesloten dat beide partijen voldoet. Het voldoet Faust omdat deze gelooft: al zwerf ik, smartelijk genietend, ook heel de wereld door, al zal ìk alleen in mijn boezem ondervinden wat de heele Menschheid is toegedacht: nooit komt het oogenblik van harmonie, dat ik zal wenschen vast te houden omdat het zoo schoon is.... Het voldoet Mephisto omdat hij verwacht, den wel geleerden maar onervaren Faust in zingenot te doen ondergaan, m. a. w. het animale in Faust te doen overheerschen, zoo sterk, dat hij van zijn intellectueelen onvrede al minder gewaar wordt, en in deze tweede jeugd, in deze voluptueuze kindsheid, met zijn verdoofden geest gelooft, dat hij eindelijk in overeenstemming is geraakt met de buitenwereld.
Maar—Mephisto wordt teleurgesteld. De malle dronkemansgrappen, die hij Faust in Auerbachs kelder te genieten geeft, maken op dezen geen indruk. Nu laat hij hem een tooverdrank slikken. Faust wordt een mooie, volbloedige jonkman, en in de nabijheid van Margareta geleid, voelt hij aanvankelijk niets als wulpsch verlangen naar het mooie kind. Maar nu brengt Mephisto, bijna zeker van zijn triomf, hem in aanraking met het meisje, zoo argeloos als men ze slechts in Katholieke landen aantreft. En ziet: Fausts zinnelijkheid zet zich om in liefde, het goede overwint. En opnieuw trekt de verleider Faust naar beneden. In een duel met Margareta's broer Valentin verlamt hij den arm van Fausts tegenstander; deze wordt gedood en Faust moet vluchten, Gretchen in kommerlijke omstandigheden achterlatend. Nu voert de duivel hem naar den Blocksberg, waar de heksen in gierende welluststuipen het heidensche eerste-Meifeest (Walpurgisnacht) vieren. Hij leert hem de meest afzichtelijke vuiligheid (dit gedeelte heeft Goethe uit de tragedie gelicht; het is te vinden in de Paralipomena) doch als Mephisto gelooft, Faust van zijn oerwezen te hebben vervreemd, ontwaart deze in zijn verbeelding: Margareta, met bijeengebonden voeten, en om 't halsje een bloedig snoertje, fijn als de snee van een mes. Hij weet niet dat Gretchen, die haar moeder en haar kindje heeft vermoord, op het punt staat onder beulshanden te sterven, maar hij bevroedt dat hij haar diep ongelukkig heeft gemaakt. De Xeniën-warrelwind die Goethe-Mephisto op hem blaast (Oberons gouden bruiloft) vermag hem niet te verstrooien: op het beslissende oogenblik is de geliefde Gretchen zijn reddende engel geweest. Want nu beveelt hij Mephisto, die immers nog zijn dienaar is, hem bij de verlossing van het ongelukkig schepseltje behulpzaam te zijn. Hij beveelt hem dit in zwaar proza, dat, plotseling opkantelend te midden van de welgemeten verzen, den lezer doet beven. En weer moet Mephisto gehoorzamen, want Faust heeft berouw, is dus nog zich zelf. Hij brengt Faust 's nachts in den kerker—waardoor hij zelf in gevaar komt, wijl zijn bloedschuld nog op de stad rust. De smart van heel de menschheid grijpt Faust aan, nu hij Margaretha ontredderd en verdwaasd op het stroo ziet zitten, zingend zinnelooze liederen, zooals een modern psychiater, begaafd met veel phantasie en impressionistische dichtermacht, ze den intuïtieven Goethe niet zou verbeteren. Faust wil haar uit het hol leiden, de poort staat open, Mephisto wacht met tooverpaarden. Maar schoon ze aanhoudend om haren Heinrich roept, kan ze het in haar hysterische helderziendheid niet van zich verkrijgen, zich aan de menschelijke gerechtigheid te onttrekken. Ze aarzelt totdat de morgen grauwt, en Mephisto voor eigen veiligheid wordt beducht. Met een bulderend "Her zu mir" rukt hij Faust van haar zijde. "Zij is veroordeeld" roept hij, terwijl hij met Faust verdwijnt. En op dat "ist gerichtet" klinkt uit den hemel als een echo: "Gerettet". Gretchen, uit haar aardsche lijden verlost, tracht vergeefs met heur stem haar minnaar te bereiken. Zij verstaan elkaar niet meer.—Zoo eindigt het eerste deel.
VI
Faust, met schuld beladen, heeft begrepen dat hij zich aan de menschheid moet geven. Wij ontmoeten hem nu aan het Hof van den Keizer, en door uitvinding van papiergeld (waarbij echter Mephisto de hoofdrol speelt) maakt hij een eind aan de financiëele moeilijkheden waarin het rijk verkeert. Nu voert hij, om (gelijk zoo vaak Goethe het heeft gedaan) het hof te vermaken, Helena, de schoonste vrouw uit de oudheid, ten tooneele. Mephisto heeft hem hierbij niet kunnen helpen; Mephisto, een product van Christelijken geest, heeft over de antieken geen macht. Hij zelf moet Helena halen van "De Moeders", met welke "wonderlijk-klinkende" uitdrukking Goethe gezegd wil hebben: de innerlijke, vrouwelijk-vruchtbare kracht van de schepping. Terwijl nu het hof zich met deze verschijning amuseert, en vooral aan het classieke naakt behagen heeft, vergeet Faust dat Helena slechts een schim is, verlieft zich in haar, wil haar omarmen, maar wordt door een geweldige ontploffing neergeveld, waarna Mephisto hem voor dood wegdraagt.
Faust is idealist gebleven: Als anderen zich vermaken dan bespeurt hij iets edels, waaraan hij zich wil geven.
Het volgend bedrijf vertoont hem, nog bewusteloos, in het phantastiesch studeervertrek, waar wij hem leerden kennen. (Moet dit—vragen wij terloops—beduiden dat hij al het voorafgaande heeft gedroomd en nu gaat ontwaken?) Wagner, zijn waanwijze assistent, is hem als hoogleeraar opgevolgd, en verkondigt onder vele nieuwigheden ook deze: het is den mensch onwaardig, langs natuurlijken weg kinderen voort te brengen; het moet der Wetenschap gelukken, door crystallisatie in een retort kinderen voort te brengen. Dit werd in Goethes tijd, en wel door een geleerde met name Wagner, iets dergelijks wordt in onzen tijd door sommige onwijsgeerige natuuronderzoekers verkondigd. Mephisto, vroolijk door een ontmoeting met den thans uitgestudeerden student van het eerste bedrijf, wiens volslagen idealisme hij, allesbehalve naar den zin van de jongelingen in het parterre, heeft bespot, besluit den waanwijzen Wagner, die zelf niet gelooft wat hij zegt, een handje te helpen, zoodat in de fiool werkelijk een schimmig menschje, Homunculus genaamd, ontstaat. Dit ineens geschapen, en dus aanstonds absurd-rijpe waterhoofdje zal Faust en Mephisto den weg wijzen naar den classieken Blocksberg, waar eerstgenoemde, in den loop van den classieken Walpurgisnacht, Helena wel op het spoor zal komen. Dit is een allegorie voor het volgende: Zooals het humanisme, product van de muffe boekensnuffelarij der renaissance, de oude beschaving heeft ontsloten en zoodoende kennis van de classieke schoonheid voor het nageslacht heeft mogelijk gemaakt, zoo onttrekt het renaissance-product Homunculus Faust aan de middeleeuwen en voert hem naar een hooger beschavingsstadium. Men merkt op dat Mephisto niet meer de leider is.
Nadat hij vergeefs heeft getracht, het hof "esthetiesch op te voeden", zal Faust dit nu zich zelf doen. Hij doorleeft vele uitermate leerrijke ontmoetingen met personages uit de schimmenwereld. Goethe heeft de verwachting uitgesproken, dat de meeste lezers dit wel niet zullen begrijpen; ook Mephisto begrijpt er niet veel van: hij voelt zich in deze zuidelijke wereld àl minder tehuis en Faust is in zekeren zin onafhankelijk van hem. Eindelijk bereikt deze Helena, ideaal van classiek-menschelijke schoonheid—en in zijn kwaliteit van beschermend Germaansch hertog huwt hij haar. Nieuwe allegorie: Uit het huwelijk van den geest der middeleeuwen met den geest der oudheid spruit een zoon, Euphorion, die zeer voorspoedig opgroeit, zijn ouders door zijn stoutmoedige aspiraties verrukt en beangst; als hij vreemde soldaten tegen wil vliegen, stort hij uit den hemel te pletter. Uit het rijk der duisternis roept hij om zijn moeder. Helena begrijpt, dat geluk en schoonheid op den duur zich niet laten vereenigen; en nu de band van leven en liefde tusschen haar en Faust is verbroken, omarmt ze dezen voor het laatst en verdwijnt, hem kleed en sluier—den schoonen vorm der classieke kunst—achterlatend.
Fausts zoon beschrijvend, dacht Goethe aan den Engelschen dichter Byron, dien hij beminde als een zoon. Hij achtte hem den grootsten geest van den nieuweren tijd, en beweerde steeds dat hij, aan het eind van zijn uitspattingen, wel op den goeden weg zou komen. Byron bereidde hem groote vreugde door de verdrukte Grieken te hulp te snellen; kort daarop sneuvelde hij in den strijd voor de bevrijding van den classieken bodem.
Faust heeft nu in de oude wereld zelfbeheersching geleerd, en, in Helena's sluier gehuld als in een wolk, zweeft hij weer naar Germanië, om zich daar in dienst van de menschheid te stellen. Verschillende veelbelovende carrières, die Mephisto hem aanbiedt, wijst hij af: hij wil zijn deel zelf veroveren. Aan de hooge politiek doet hij niet mee: hij wil als nuchter staatsman daden verrichten, die direct voordeel opleveren. Met Goethiaanschen geestdrift eischt hij een reep strand, om van daar de zee terug te drijven, en op zelf-gewonnen grond een vrij volk te vestigen: op het mogelijke gerichte scheppingsdrang. Hij vecht—gebruik makend van Mephisto's duivelskunsten—voor den keizer en krijgt zoo bedoeld stuk strand in leen. Daar doet hij wat zijn hand vindt te doen, brengt er welvaart en hoopt (ook als hij door zorgen blind is geworden) zoo voort te werken. Om hem heen wordt alles duister, maar in hem is het licht. Hij hoort het gewoel van vele spittende arbeiders, en hij verheugt zich in de gedachte, dat deze bezig zijn een stinkend moeras, dat hem reeds lang heeft gehinderd, droog te leggen. Hij weet niet, dat hij feitelijk Mephisto's gezellen hoort, die zijn graf graven. Dìt is de laatste slotsom van de wijsheid (zoo overpeinst hij):
Nur der verdient sich Freiheit wie das Leben, Der täglich sie erobern muss.
Als ik nu kon zien, hoe naast mij een vrij volk leeft op vrijen grond, dan zou ik tot dìt oogenblik willen zeggen: Blijf toch, ge zijt zoo schoon! De sporen van mijn aardsch bestaan kunnen in lengte van tijden niet uitgewischt.... En—voorvoelend dit geluk—beleef ik thans het hoogste oogenblik mijns levens.... Hij zinkt ineen en 's duivels knechten willen hem vatten. Mephisto heeft dus gewonnen?
Neen, immers Faust heeft het oogenblik dat hij tegen wilde houden slechts voor-voeld, en hij kon het niet bereiken, omdat de zorgen, door hem van zijn gezicht berooven, hem volledig contact met het aardsche voor goed onmogelijk maakten. Hier is de ongrijpbare wijsheid van het eerste deel scherper geformuleerd: Absoluut aardsch geluk voor den denkenden en voelenden mensch niet te bereiken! Wie de wereld met zijn animale krachten grijpt, kan slechts absoluut gelukkig zijn als zijn geest is vertroebeld: doch zoo is het Faust niet gegaan (Walpurgisnacht). Wie het volmaakte geestesgeluk wil smaken, zal de schoonheid van dit leven derven (Helena-episode). En Faust ziet het suprême oogenblik zijns levens naderen, als hij, voor deze aarde gedeeltelijk blind, niet bemerkt, hoe aan zijn ondergang wordt gearbeid, zoodat hij deze verwoestings-pogingen kan beschouwen als een dóórwerken van zijn ideeën. Doch Mephisto, de eenzijdige duivel, kijkt zoo nauw niet, heeft Faust maar half verstaan, houdt hem het verdrag voor, dat hij eens met zijn bloed teekende; en waarin hij beloofde den duivel toe te behooren, zoodra hij mocht bereiken den toestand waarin hij kon berusten. De helrakkers willen Faust meesleepen, Mephisto wil zijn geest beletten, het overbodig geworden lichaam te verlaten. Doch nu naderen hemelsche scharen en verdrijven, rozen-strooiend, de satans-trawanten van Fausts graf. Mephisto, prat op zijn recht, meent stand te houden, doch ook hém verwint de liefde, daar hij—zij het ook echt-duivels—verlekkerd wordt op de hemelknaapjes die Faust omzweven. De engelen kunnen (zoo kondt hun gezang) Faust verlossen omdat hij—naar Goethes levensgeloof—steeds krachtdadig bleef streven.
Een boetelinge, vroeger Gretchen genaamd, bidt voor hem, bijgestaan door drie bijbelsche vrouwen, en terwijl hij zich langzaam los maakt uit zijn stoffelijk hulsel, is het hàar gegeven, den Nieuweling binnen te leiden in het verblindend-lichte lenteleven....
VII
Jammer maar—heeft men wel eens opgemerkt—dat Faust nu niet wordt geroepen, om voor Gods rechterstoel (waar eens Mephisto macht over hem kreeg) zijn verlossing te bepleiten. Dan zou de tragedie eindigen in de sfeer waar ze is ontsprongen, dàn was er esthetiesch evenwicht bereikt. En bovendien zou Goethe dan gedwongen zijn toe te geven, dat het met Fausts "redlich sich bemühen" maar zoo-zoo is geweest, dat hij pas zeer laat tot echte daden is gekomen, dat men zijn leven als geheel toch niet kan achten welbesteed.
Hierop past dit antwoord:
Goethe heeft voorzien en wilde, dat de begrijpende lezer, in verband met den Prolog im Himmel, deze en nog diepzinniger overdenkingen zou houden. Maar—gelijk hij in de slotaccoorden uitspreekt—hij achtte Gods hoogste en laatste raadsbesluit over het menschelijk leven onvoorstelbaar en onbeschrijfelijk. En hij liet de onvatbare liefde Gods pas optreden, toen ze door Gretchens verzoenende liefde—tot daad werd. Het eeuwige-vrouwelijke—zoo wist Goethe—trekt ons naar de onbereikbare goddelijkheid. En deze beroert ons, lezers, lang nadat voor den beeldenrijkdom der tragedie het scherm is gevallen, lang nadat in onze ziel zijn overgegaan de woorden van het Chorus mysticus:
Alles vergängliche Ist nur ein Gleichniss; Das Unzulängliche, Hier wird 's Ereigniss; Das Unbeschreibliche, Hier ist es gethan; Das Ewig-Weibliche Zieht uns hinan.
En verder:
Dat Fausts leven niet een welbesteed—in den zin van practiesch vruchtbaar—leven kon zijn, ja, een lange reeks leerrijke mislukkingen moest worden, het ligt opgesloten in de oorspronkelijke conceptie. Goethe—o hoogwijze commentators—wist wel, dat het niet een grootsche daad is, een keizer met assignaties tijdelijk uit geldnood te helpen, een verheven-schoone vrouw te volgen, met helsche kunst een leger te verslaan. Doch Goethe zelf besteedde misschien de grootste helft van zijn leven aan zoeken. Zoeken naar hetgeen de gewone man reeds meent te bezitten, of zegt niet te behoeven. Goethe en Faust zijn de evenwichtloozen, die door de grenzen van het gewone leven worden bekneld, als hun tijdgenooten er zich nog in voelen t'huis. Zij verbreken de hinderlijke perken van de heerschende levensverhoudingen en speuren naar een nieuwen weg, naar een betere roeping, niet alleen voor zich.... Of eigenlijk heelemáal niet voor zich, want nooit vinden zij op aarde rust, en zij sterven als zij hebben bereikt.... voor latere geslachten.
In dit licht hebben Goethe èn Faust door hun eigenzuchtig idealisme practiesch werk geleverd. Zij zochten zich zelf om zich aan anderen te schenken!
Zij zijn oppermenschen om ons te toonen, hoeveel, maar ook hoe weinig de mensch vermag in het Heelal. Want—dit is het allerlaatste dat de Faust-tragedie ons leert: Waar hun màchtigste kunnen ophoudt, daar begint het goddelijk Ideaal.

"22 Maart 1832
XXXI
Auch im Scheiden gross! GOETHE tot ondergaande zon.
.... Hij bevond zich in een soort van exaltatie, die hem in staat stelde, de poëzie te bevelen, zelfs tot beelding van dingen die hij nooit beleefde; hij geloofde zich door een geheimzinnig psychiesch gebeuren tot zulk een staat van vruchtbaarheid verheven, dat hij volkomen willekeurig voortbracht wat hij zelf wenschte. Na zijn laatste bloedspuwing wist hij, dat hij niet lang meer had te leven in zijn aardsche gestalte. En door godsdienstige overpeinzingen, door voortdurend opgaan in het ware en het schoone bereidde hij zich voor op de scheiding, die hij wist nabij, en op het hiernamaals, waarin hij vast geloofde. Met een diepen zucht verzegelde hij het pakket, dat het handschrift van zijn Faust bevatte, en opgewekt nam hij maatregelen voor de verschijning van zijn tragedie, onmiddellijk na zijn sterven. Al wat er voorviel in het rijk van kunst en wetenschap had zijn gretige belangstelling; en wie, zonder den schrijver te kennen, zijn heldere opstellen leest over Geoffroy St.-Hilaire en over den "Spiraalgang der plantenontwikkeling", zal niet vermoeden, dat deze schrijver reeds over de tachtig was. In belanglooze voldoening zag hij anderen roem behalen met ideeën, die bespot werden toen hij ze verkondigde, een halve eeuw te voren: de waarheid won dan toch eindelijk veld!
Op zijn twee-en-tachtigsten jaardag verliet hij, ouder gewoonte, de stad; in de vreugdige atmosfeer van het hooggelegen Ilmenau ontvluchtte hij de feestelijkheden die men te zijner huldiging op touw zette. Hij bezocht het jachthuisje dat Carl-August zoo dikwijls had geherbergd, en de tranen sprongen hem in de oogen, toen hij herlas de verzen, die hij daar op den wand had geschreven vijftig jaren vroeger:
"Ueber allen Gipfeln Ist Ruh, In allen Wipfeln Spürest du Kaum einen Hauch; Die Vögelein schweigen im Walde. Warte nur, balde Ruhest du auch...."
En, terugdenkend aan dien tijd van inkeer en onbestemd verlangen, herhaalde hij met bevende stem: "Ja, warte nur, balde ruhest du auch.."
Bij dezen geestestoestand trof hem het verjaarsgeschenk dat "Vijftien Engelschen" hem toezonden. Het was een gouden zegelstempel, waarop gegraveerd de slang der eeuwigheid, omsluitend een ster en de woorden: "ohne Hast, ohne Rast", die zinspeelden op zijn bekende strophe: "Wie das Gestirn...." Thomas Carlyle, voor wiens "Life of Schiller" hij nog pas een voorrede had geschreven, is de onderwerper van dit voorname huldeblijk.
Hij had nu inderdaad zijn roeping zonder haast en zonder rust vervuld, maar toen zes maanden nadien een ernstige ziekte hem trof, kon hij niet gelooven dat hij bezig was zich los te maken. Voor zijn jaren buitengewoon statig en sterk, imponeerend door zijn heldere, schitterende oogen—men vertelt van een boer, die als aan den grond genageld hem bleef aanstaren, toen hij door zijn park wandelde—imponeerend de artsen door zijn niet verzwakkenden eetlust, was hij toch een ouwe man. En hij, die voorheen in vertrouwelijken omgang met water en lucht placht te leven, bleef nu lang achtereen thuis, in heetgestookte kamers, zoodat hij telkens koû vatte, als hij zich door een helderen dag weer naar buiten liet lokken.
Zoo ook begin Maart 1832. Hij had 's morgens het gewone Donderdagsche bezoek van de jonge Groothertogin ontvangen, hij had opgewekt gesproken over een schilderij, dat in het bijzijn van zijn zoon te Pompeï was opgegraven, en waarvan men hem op zijn verjaardag een schets had gezonden. 's Avonds voelde hij een hevige pijn in zijn borst opkomen, zijn adem stokte, onrust beving hem. Hij beweerde dat dit wel naar, doch niet gevaarlijk was; niemand mocht bij hem waken, geen dokter mocht dien nacht gehaald. Zijn geneesheer, die hem terzijde stond in het beheer van verschillende instellingen voor kunst en wetenschap, wist de pijn tot bedaren te brengen, en alsof er niets gebeurd was, deed Goethe de loopende "zaken" met hem af. Tot zijn vreugde vernam hij, dat zijn pogingen om een veelbelovenden jongeman te helpen succes hadden, en zijn sidderende hand zette hij onder een stuk, ten behoeve van een kunstenares, die hij wilde protegeeren.
Maar een week later vond zijn dokter hem, badende in zijn zweet, met aschgrauw gelaat en weggezonken oogen 's morgens op zijn bed, waar hij angstig heen en weer woelde. Voor 't eerst in langen tijd ontbeet hij niet met zijn kleinzoon. Maar toen hij een uurtje later in zijn leunstoel zat, een deken over zijn knieën, liet hij zich het boek brengen, dat hij pas had open gesneden. Hij was toch te zwak om te lezen. Zijn schoondochter Ottilie moest naast hem plaats nemen. "Nu mijn wijfje", zei hij, "geef me dat brave pootje van jou." En met haar hand in de zijne praatte hij opgewekt. Hij wilde weten, wie er al zoo naar hem had geïnformeerd, hij nam zich voor, om die belangstellenden te denken, zoodra hij weer op straat mocht. Toen werd zijn spreken onduidelijk, en zijn denken onsamenhangend. "Zie toch," sprak hij: "die schoone vrouwekop.... zwarte lokken.... wondermooie verven.... donkere achtergrond." Een stuk papier op den grond deed hem vragen of men Schillers brieven dan maar liet zwerven? De kamer benauwde hem, alle luiken moest zijn bediende openzetten, want het binnenstroomende licht deed hem zoo goed. Toen hij niet meer kon spreken, schreef hij met zijn vinger woorden in het leege; zijn arm verlamde: hij trok woorden op zijn deken. Hij streed....
Tegen den middag herwon hij zijn zelfbeheersching. Sterven had hij altijd gehouden voor een vrijwillige daad. Kalm nu legde hij zijn hoofd tegen den linkerhoek van zijn leunstoel en sliep glimlachend in.

BIJLAGE:
VERTALINGEN
(Tegenover vertalingen van literair werk, zelfs al geschieden ze door kundige kunstenaars, zooals ons land er eenige bezit, staat de schrijver zeer sceptisch; op de vertaling van citaten, zooals er in de voorafgaande bladzijden voorkomen, stelt hij nog minder prijs. Het ligt immers voor de hand dat hij slechts geciteerd heeft zinsneden en verzen, die niet alleen spreken door hun vertaalbare gedachtelijke beteekenis, doch ook en vooral door hun eigenaardige woordvoeging, klankverdeeling, rhytme, speciaal-Duitsche nuanceering. De schrijver doet gaarne zijn best om ook hiervan iets weer te geven, doch weet principiëel dat zulks niemand afdoende, en niet in de eerste plaats hém kan lukken.)
p. 20. Bühne.—Tooneel.
" 21. Judengasse.—Jodenbuurt (tot 1806 het eenige stadsdeel, waar te Frankfort Joden werden geduld).
" 25. "Dictionnaire historique et critique" van Pierre Bayle.—"Historiesch en critiesch woordenboek", een soort van encyclopedie, waarin o. a. de tot ± 1695 bekende wijsgeerige stelsels worden behandeld, meer onderhoudend dan wetenschappelijk.
" 26. Vom Vater hab' ich die Statur, enz.—Een mijner vrienden geeft de volgende metrische vertaling ten beste: "Van vader kreeg ik 't kloeke lijf,—'t Besef van 's levens plichten.—Van moedertje de vroolijkheid,—Den drang tot sprookjesdichten...."
" 27. Verpflanze den schonen Baum, enz.—Verplant, hovenier, dezen schoonen boom naar een anderen tuin; hier wekt hij mijn medelijden.
Je "feinste Teutsch"—het beschaafdst denkbare Duitsch. De T is verouderd, en wordt met ietwat vaderlandslievende bijbedoeling nog weleens gebruikt.
" 34. "Menteur"—leugenaar.
"Beauties of Shakespeare"—Bloemlezing uit Shakespeares werken.
" 35. "Brautnacht"—huwelijksnacht.
" 38. "Die Laune des Verliebten "—Grillen van een verliefde.
" 40. "Die Mitschuldigen"—De Medeplichtigen.
" 45. "Ich sagte Immer in meiner Jugend.... enz.—Als jongen zei ik altijd tot mij zelven, voelend dat zooveel duizenden indrukken mij, zwak ding, bestormden: wat zou het Noodlot toch met mij voor hebben, dat het mij door al deze leerscholen zendt?
" 50. Ephemeriden, was man treibt, heute dies und morgen das.—Ephemeride(n) beteekent: ééndagsvlieg; lijst van de verschijningsdata der hemellichamen; aanteekeningen van dag tot dag. Goethe, die denkers gaarne bij hemellichamen vergeleek (o. a. den Nederlandschen anatoom Petrus Camper, en zich zelf) zal bedoeld hebben: "De literaire hemellichten, die ik waarneem; vandaag deze, morgen andere."
" 52. Fräulein—mejuffrouw, heb ik, ter wille van de klankenwantschap, wel een afgewisseld met het Nederlandsche "freule"; strikt genomen is dit onjuist, maar vele Nederlanders denken bij het woord "freule" niet aan een adellijke, doch aan een statige, gemaniëreerde juffrouw, en zoo is 't hier bedoeld.
" 57. " Dichtung ist Action"—Poëzie is handeling. (Deze leuze werd vaak gezegd: "Action ist Dichtung"; mijn redactie is zuiverder.)
Ahnungsvoll—vervuld van voor-besef.
"58. "Sturm-und-Drang"—Storm en gewelddadig voorwaarts dringen. In het Nederlandsche spraakgebruik beteekent St.-u.-Dr.-periode: het tijdperk van wild-opbruisende en worstelende jeugd. Uit onzen tekst is te begrijpen, dat deze opvatting slechts weinig verband houdt met de historische beteekenis van de uitdrukking.
" 60. Ich komme bald...." enz.—"Ik kom spoedig, goudharige kindertjes. Mij houdt de winter niet in mijn warme kamer. Wij zullen bij 't vuur gaan zitten, En ons vermaken wat wij kunnen. Als engeltjes zullen wij elkaar liefhebben. Dan gaan wij kransjes vlechten, En ruikertjes maken, En zullen zijn als kleine kinderen."
" 61. Vicar—landgeestelijke.
" 63. "Système de la nature",—"De natuur in wijsgeerig systeem gebracht."
Bieder—zwaarwichtig-eerlijk en germaansch-vrijmoedig.
" 64. Pinakel—spits bij-torentje in de Gothische bouworde.
" 66. Wilkommen, enz.—Begroeting en afscheid; Meilied; Kleine bloemen; Heideroosje; Een weeke, jongensachtige weemoed.
" 73. Empfindsam—Duitsch-overgevoelig.
" 74. Praktikant—Jong rechtsgeleerde, die, voordat hij zijn laatste examen aflegt, eenigen tijd aan een rechtbank werkzaam is.
" 80. Die Weiblein—De vrouw-menschjes.
" 93. "Mamachen"—Lief moedertje.
" 95. "Ganz eigen"—tot in het diepst van zijn ziel.
"Adler und Taube"—Adelaar en Duif.
" 96. Une imitation détestable.... enz.—Een afkeurenswaardig nabrouwsel van die slechte Engelsche stukken.
" 103. "Kritteley"—bemoeierige, onbenullige bedilzucht van den "criticus".
" 105. "Franckfurt ist das neue...." enz.—Frankfort is een modern Jerusalem, waar al de volkeren dooreenkrioelen, en waar de rechtvaardigen wonen.
"Die Kindesmörderin"—De kindermoordster.
" 106. Palingénésie—Terugkeer tot den toestand van volmaakte onschuld, waarin, volgens het bijbelverhaal, het eerste menschenpaar leefde.
" 112. Der Ewige Jude—De wandelende Jood.
" 122. Warum ziehst du mich.... enz.—Waarom trek je mij onweerstaanbaar in deze schittering?
" 128. Wenn ich, liebe Lili—Als ik, lieve Lili, je niet minde, zou dit schouwspel mij veel genot geven! En toch, als ik, lieve Lili, je niet minde, zou mijn geluk dan wel zijn, en wàt zou het zijn?
" 131. Gott helfe weiter.... enz.—God helpe mij verder en schaffe licht, opdat ik mij zelf niet meer zoo vaak in den weg sta.
" 136. "Bei einer lebhaften Einbildung.... enz."—Ondanks mijn levendige verbeeldingskracht, was ik met de wereld nog steeds niet bekend.
" 139. "Und kann der Knoten...." enz.—En kan de knoop nog ontward worden, heilige God in den hemel! ruk hem dan niet uiteen!
"Und wenn ein Wunder.... enz.—Indien op aarde wonderen ooit geschieden, dàn slechts in trouwe, liefderijke harten. (Met een kleine wijziging overgenomen uit: De natuurlijke Dochter).
" 143. Und Niemand fragte.... enz.—Niemand vroeg: Wie is dat toch? Bij den eersten oogopslag voelden wij: Hij is 't!
" 144. Roi-soleil—Zonnekoning. Aldus werd Lodewijk XIV door vleiers genoemd.
Empfindelei—Duitsche overgevoeligheids-manie.
" 148. Der du von dem Himmel bist.... enz.—Gij, die van den hemel zijt, Alle leed en pijn kunt stillen, Hem, die dubbel nooddruftig is, Dubbel met soelaas vervullen, Ach, ik ben dit jagen moede, Waarom al die smart en vreugd? Zoete vrede, Kom ach kom in mijne borst! (Des zwervers nachtlied.)
" 150. Gewiss, ihm geben auch die Jahre.... enz. Stellig, ook hij zal mettertijd beseffen in welke richting hij zijn kracht moet stuwen. Nog is, ondanks zijn diepe waarheidsliefde, Dwaling hem een hartstocht. Zijn neuswijsheid lokt hem ver van huis, Geen rots is hem te steil, geen bergpad te smal; De afgrond beloert hem van terzijde En wil hem smartelijk omlaag doen storten. Vervolgens snelt hij, door de overdreven beweging buiten zich zelf geraakt, Nu hier, dan daarheen, En na onschoone inspanning, rust hij onbevallig uit. En duister-woest op lichte dagen, Bandeloos zonder vroolijk te zijn, valt hij, naar ziel en lijf gewond en uitgeput, Op een hard veldbed in slaap; Terwijl ik hier stil en nauwelijks ademend, Mijn oogen naar de vrije sterren wend, En, half ontwaakt en half in zware droomen, Mij tegen zware droomen nauwelijks verzet....
" 152. Ich gehe meinen alten Gang.... enz.—Bij mijn lieve weide kom ik weer in mijn oude doen. 's Morgens duik ik er in het zonnelicht, En in den maneschijn spoel ik de vermoeienis van mijn dagwerk af.
" 154. So hast du meine ganze Natur.... enz.—Mijn heele wezen heb je zoo vast tot je getrokken, dat geen vezeltje mij meer rest voor de vervulling van de overige plichten mijns harten.
" 156. Ungezogenheiten—Ongemanierde kuren.
" 157. Billets doux—liefdebriefjes.
" 158. Die Geschwister—Broer en zuster.
" 161. Grossmeister der Affen—Grootmeester der apen.
" 162. "Triumph der Emfindsamkeit"—De zegepraal van de sentimentaliteit.
" 163. Teutsche comedianten—Duitsche tooneelspelers.
" 165. Dem Geier gleich.... enz.—Gelijk de gier, met zachten vleugelslag op zware morgenwolken rustend, naar prooi uitkijkt....
" 167. Räuber—Roovers.
" 171. Wer nie sein Brot.... enz.—Wie nooit zijn brood in tranen at,| Wie nooit in smartomfloersde nachten | Te schreien op zijn sponde zat | Hij kent u niet, u Hemelmachten!
" 175. Hätschelhans—troetelkind.
" 179. Hier muss man solid werden!—Hier moet men worden 'n man uit één stuk!
" 182. Sehnsucht—ziekelijk verlangen, heimwee.
" 190. Schriften—Werken, Oeuvre.
" 206. Ewig-Weibliche—Het vrouwelijke, in het licht der Eeuwigheid beschouwd.
"Gesotten und gebraten"—gekookt en gebraden.
" 208. Und an dem Ufer.... enz.—(Vertaling Boutens:)
En aan den oever sta ik lange dagen, Mijn ziel op uitkijk naar 't Hellenenland: En op mijn zuchten brengt het golvenbruisen Slechts doffe en onverstaanbre klanken over.
Mein Verlangen geht.... enz.—Mijn verlangen gaat uit naar het schoone land der Grieken, en ik zou toch zoo gaarne de zee oversteken.
Mit seltner Kunst.... enz.—(Vert. Boutens:) Orest: Ongemeen vaardig vlecht den raad der goôn gij | Vernuftig met Uw eigen wenschen samen. Pylades: Wat is 't vernuft der menschen als het niet | Nauwlettend luistert naar den wil der hoogen?
" 215. Wundern kann es mich nicht.... enz.—Hoe zou 't mij verwonderen dat de menschen zoo op honden zijn gesteld? Is niet de mensch een erbarmelijke schoft, evenals de Hond?
" 219. Ins Anzeigeblättchen—In het advertentieblaadje.
" 222. Wunderthätige Bilder.... enz.—Voorstellingen, waaraan men wonderkracht toeschrijft, staan als schilderij meestal zwak. Natuurlijk: de voortbrengselen van geest en kunst bestaan niet voor Jan-en-alleman.
" 224. Redlichkeit—gezeggelijkheid.
" 225. Beiträge zur Optik—Bijdragen tot de leer van het zien en de lichtverschijnselen.
" 228. Freund des Bestehenden—Vriend van de bestaande orde van zaken.
" 233. Praegnant—zwanger ("zwaar van beteekenis").
" 235. Gerichtsrat—Rechter.
" 237. Wer Kunst und Wissenschaft besitzt | Hat auch Religion.—Wie kunst bezit en wetenschap, die is ook godsdienstig.
" 240. Das Ewig-eine.... enz.—Het Eeuwig-Eene, dat veelvuldig zich openbaart.
" 242. Wisset nur.... enz.—Laat ik u zeggen, dat de woorden des dichters, altijd, zachtjes kloppend, zweven voor de poorten van het paradijs, biddend om het eeuwige leven.
" 245. Theatricum anatomicum—ontleedkundig laboratorium.
" 246. Anschaun wenn es dir gelingt—Zie, als ge kunt, de dingen zóó, dat ge terstond in hun innerlijk doordringt en vandaar uit naar het oppervlak terugkeert: dan hebt ge er de heerlijkste leering uit getrokken.
" 249. zimplifiziert—vereenvoudigt.
" 259. "Robert, chef de brigands"—Robert, de rooverhoofdman. Bedoeld is Chille's (Schillers) drama "De Roovers".
" 260. Speculatief—bespiegelend.
" 264. Dioskuren—Twee jonge helden uit de Grieksche fabelleer, die uitmuntten als paardentemmer en als vuistvechter.
" 266. Bilde Künstler! rede nicht.... enz.—Beeld, kustenaar en praat niet. Uw gedicht zij als een ademtocht.
" 274. Kleinmalerei—Het afdalen in détails.
" 279. Schwül—van bange voorgevoelens vervuld.
" 284. Nun weint die Welt.... enz.—Zouden wij niet weenen, nu heel de wereld weent?
" 291. Geheim gefäss.... enz.—Geheimzinnig vaatwerk, dat Orakelspreuken verkondt, Hoe ben ik waard, U in mijn Hand te houden? U, schoonste schat, aan de ontbinding vroom onttrekkend, En mij naar de vrije lucht, naar 't zonnelicht, tot vrije overpeinzing keerend. Wat kan de mensch van het leven meer verlangen, Dan dat God-Natuur zich aan hem openbare, Hoe deze het stoffelijke laat tot geest vervloeien, Hoe deze stoffelijk-vast bewaart wat de geest eens schiep....
" 292. Gott habe ich.... enz.—In al mijn kommer heb ik aan God en aan mijn lieveling steeds rein gedacht.
" 297. Wie des Goldschmieds.... enz.—Den bijna grijzen dichter omgeven aardige meisjes, gelijk veelkleurige, geslepen licht-kronen de uitstalkast van den goudsmid.
" 298. Beschränkung.—Beperktheid. (Niet: zelfbeperking).
" 317. Dichtung—Verdichtsel.
" 326. Sie hören nicht.... enz.—Zij hooren niet de latere zangen, De zielen voor wie ik de eerste zong.
" 328. Das Schaudern.... enz.—Huiveren is het schoonste vermogen van den mensch.
" 329. Das Unzulängliche.... enz.—Het onbereikbare Wordt hier gebeurtenis; Het onbeschrijflijke Geschiedt hier.
" 332. Sich ruhig auf ein Faulbett legt.—Rustig op zijn bed gaat luierikken.
" 333. Mein Lied ertönt.... enz.—Mijn lied klinkt op voor de mij onbekende massa, Wier instemming mij 't harte bang maakt.
" 334. Mit Hebeln und mit Schrauben—Met hevels en schroefpersen.
" 342. Her zu mir—Hier! mée met me!
Gerettet—gered.
" 345. Nur der verdient sich Freiheit.... enz.—Slechts hij verdient een vrijheid, als het leven ze kan schenken, die ze dagelijks moet veroveren.
" 347. Alles Vergängliche.... enz.—Al wat vergankelijk is, Is maar een gelijkenis; Het onbereikbare Wordt hier gebeurtenis; Het onbeschrijflijke Geschiedt hier; Het eeuwige in de vrouw Noodt ons er heen.
" 348. Auch Im Scheiden gross!—Ook in 't heengaan groot.
" 349. Ueber allen Gipfeln.... enz.—Boven alle toppen zweeft rust, In de boomkruinen speurt ge nauwelijks een ademtocht; In 't woud zwijgen de vogelkens. Wacht maar, weldra rust je ook.
"Ohne Hast, Ohne Rast.—(zie blz. 310).
"Life of Schiller"—Het leven van Schiller.

Codering
Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn hersteld. Inconsequente spelling is wel omgevormd naar de meest voorkomende. Dergelijk aangepaste spelling is gemarkeerd, en de oorspronkelijke spelling wordt zichtbaar door het gemarkeerde woord met de muis aan te wijzen.
Inhoudstabel
De inhoudstabel is naar voor verschoven. Ik heb de vermelding van het 'VOORWOORD' en de 'BIJLAGE' toegevoegd. Deze stonden niet in de originele inhoudstabel.
Illustraties
Een lijst van illustraties is toegevoegd na de inhoudstabel.
Poëzie
In de oorspronkelijke tekst werd poëzie doorlopend afgedrukt, met slecht het "|"-teken als scheiding tussen de versregels. Dit is omgevormd naar een duidelijke vormgeving, met één vers per regel.