← Table of contents
Goethe

Illustraties (continued 5)

Reading edition

Jaren naderhand bewerkten de Schillers een toenadering: en weer zond hij haar bijna iederen ochtend een briefje, als woonde hij nog in zijn droomtuin aan de Ilm.

En nu "het zoete geheim".

Kort na zijn terugkomst maakte hij een wandeling door zijn park, toen de 23-jarige Christiane Vulpius hem een smeekschrift aanbood namens haar broeder, den auteur van "Rinaldo Rinaldini", die reeds een en ander aan Goethes protectie te danken had. Ze was dochter van een misdadigen dronkaard, trachtte door bloemenmaken een onafhankelijk bestaan te vinden en hoopte dat de almachtige Geheime Raadsman haar broer aan een emplooy zou helpen.

Toen deze zijn blik liet gaan langs de weeke lijnen van haar kleine, ronde gestalte, langs haar overvloedige lichtbruine lokken, haar groote, lachend-blauwe oogen, haar vol gelaat en heur goeien mond—kon hij wanen een meisje voor te hebben, zooals hij er te Rome vaak had verlangd. Toch leek haar uiterlijk niet Italiaansch. Maar de dichter, die zich verbeeldde in den "heldentijd, toen goden en godinnen minden, toen het zien de begeerte, toen de begeerte het genot meebracht", vond behagen in het naïef-snaaksche natuurkind, dat bezorgd naar hem opkeek. Hij voelde dat 't hem wèl was in haar nabijheid, en vroeg haar, vaak tot hem te komen. Hij sprak niet tot haar als een verlekkerde wellusteling, doch als een die bijna veertig jaren heeft gehunkerd naar rustig geluk, die ten diepste beseft dat vraag-looze zinnelijkheid, als die der antieken—doch dan door nadenken geheiligd—mooier is en menschelijker dan de verfijnde huichelarij of de gekunstelde natuurlijkheid van zijn tijdgenooten. Hij wenschte met Christiane een zoo mogelijk getrouwe maar vluchtige vereeniging; en voelde toch zoo zeker dat zijn sympathie voor "het arme schepseltje" dieper wortelde, dat hij Vrouwe von Stein bad, hem door haar liefde te behoeden voor een huwelijk—want nog steeds duchtte hij den huwelijken staat. Doch Charlotte schreef hem vinnig-verwijtende brieven en weigerde. En naarmate de laster gemeener werd, begaf hij zich dieper in het liefdeleven dat hij in zijn Romeinsche Elegieën zinvol zou vergeestelijken tot in de sfeer van zijn glorieuse wedergeboorte; die hij voltrokken achtte, toen hij, de kindervriend, in haar schoot zijn kind voelde leven. Hij sloot een "gewetenshuwelijk" met haar. Hij liet haar—en dit kenschetst de achting die hij haar had leeren toedragen—met dit kindje op schoot als een Madonna (naar een Italiaansch schilderij) op doek beelden.

Zijn zoon, August, werd door Herder gedoopt en door den hertog ten doop gehouden, al was hij onecht. De vrome doch niemand bemoraliseerende moeder Aja (hoewel betreurend dat ze nu haar kleinkind niet "ins Anzeigeblättchen" kon laten zetten) zegde zich ten hoogste ingenomen met den jongen, dien haar "Hätschelhans" bij zijn "Bettschatz" had "gefabriceerd"; hetgeen hier in deze termen wordt herhaald om er den lezer op te wijzen, dat hij, tot goed begrip van Goethes gedragslijn, los zich heeft te maken van hedendaagsche fatsoensbegrippen.

Niet wijl eenige "fijn-beschaafde", wel-opgevoede en wie-weet geleerde vrouw beter zou hebben gepast bij dezen gerijpten, bezonken denker, die op zich zelf een geheel vormde en niet kon huichelen, een "wederhelft" in den gangbaren zin des woords te behoeven; want toen als nu zou zulk een hoogstaande vrouw naast een echtgenoot van Goethes aard en leeftijd een vernederde slavin of een kwellende "miskende" zijn geworden....

Doch opdat de lezer zich naar behooren wapene tegen den laster van de Weimarsche "Muzenkolonie", den laster die—van smetteloozen vader op zondenvrijen zoon zich voortplantend—nog in onze dagen schalt. De zelfde edele zielen, die voor een courtisane als Vrouwe von Stein respect hadden, ook nadat deze in haar kunstloos drama "Dido" haar verhouding tot Goethe onbewimpeld bloot had gegeven; en zelfs het spelletje dat ze met haar ongelukkigen minnaar speelde rechtvaardigden; die hebben geen voorbarigheid te gewaagd en geen leugen te kras geacht om Christiane's positie te ondergraven, en haar intrêe in de burgerlijke samenleving te verijdelen. En dit onder aanvoering van Herders gade, die de lezer reeds eenmaal als etherische Psychê in den Bond der Heiligen heeft ontmoet. Doch mochten zij ook straffeloos babbelen dat Goethe zijn dienstmeid had getrouwd—het vreemdsoortige kind uit de achtste Elegie een dienstmeid!—de geschiedschrijver, die de gezond-eenvoudige, hulpvaardige, trouwe Christiane vereert, zooals vrouw Aja haar eens vereerde (vooral nadat Goethe haar, vreezend dat op een voorgenomen reis een ongeluk hem zou overkomen, naar Frankfort had gebracht)—de geschiedschrijver boekstaaft met vreugde dit welsprekende feit: dat zij bijna twintig jaren lang het wettelijk huwelijk, door Goethe gewenscht, tegenhield omdat ze zich eerst, terwille van man en kind, in de oogen van de "fijne" wereld door voorbeeldig en bescheiden gedrag wilde zuiveren.

Onpartijdige Goethe-vorschers hebben reeds lang toegegeven dat zij was een brave, een interessante figuur; een goede, zuinige huisvrouw, die perfect zorgde voor 's dichters kind, lichaam, tafel en kelder. Men ziet voorbij dat zij dit alles deed op een wijze, die den zoekenden, geplaagden, vaak ziekelijken, eenzelvigen, voor zijn vrijheid beduchten kunstenaar paste; en hiermede heeft bewezen dat ze fijner begaafd was dan de meeste kunstenaarsvrouwen en—Goethekijkers. Men waardeert niet, dat zij hem begrijpend terzijde stond bij zijn botanische en physische proefnemingen, terwijl Goethe—- die door de geleerden was uitgebannen gelijk Christiane door de maatschappij—juist op dit punt uiterst prikkelbaar was. En wil men ten slotte beweren dat zij—zoo héél anders als Charlotte von Stein—zijn ziel in de eenzaamheid liet, dan zij verwezen naar zijn gedichten "Die Metamorphose der Pflanzen" en "Die Metamorphose der Tiere", die hij ten behoeve van zijn lieve medewerkster heeft geschreven; naar de Romeinsche Elegieën die haar bezingen, zoo diepzinnig en bevallig als wel zelden een minnaresse werd bezongen. Zij is als het eenvoudige, ware, dat den roeping-zoekenden Faust herhaaldelijk lokte, maar dat hem pas op het einde van zijn avontuurlijken loopbaan ten deel viel.

Ze heeft Goethes borst eens met haar lichaam beschermd tegen de degens van Fransche plunderaars. Maar wie zal bepalen, hoeveel levensgevaarlijke toewijding door deze daad werd bekroond?

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 1790 tot 1803.
De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 1790 tot 1803.

"De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, — loopen van 1790 tot 1803 —

XXI

Wunderthätige Bilder sind meist nur schlechte Gemälde: Werke des Geists und der Kunst sind für den Pöbel nicht da.

Hij die de wereld vanuit een nieuw gezichtspunt gaat beschouwen, en zijn levenswijze dra naar die nieuwe wereldbeschouwing heeft gevoegd, zal—als de eerste blijdschap is geluwd—bespeuren dat zijn ziel van het initiatief zijns Geestes nog niet is doordrongen, dat zijn gemoed zich nog niet uit de oude verhoudingen heeft bevrijd. Zijn eigen Ik verzet zich tegen den ommekeer in zijn gedragslijn; zijn innerlijk lijdt smart, terwijl zijn denken triumpheert. Deze uiteenrukking van heel zijn wezen verbittert en verwart hem. En de menschen die hij lief heeft moeten het ontgelden.

Zoo ging het Goethe, toen zijn Italië in zijn herinnering was verbleekt. Meer dan hij aanvankelijk meende had hij behoefte aan een vertrouwelinge, die in zijn ziel kon lezen; hij bleek niet terstond in staat, zijn huwelijk met Christiane te beschouwen als was hij een verlangende halfgod die een menschdochter heeft ontvoerd. De edellieden van de Muzenstad maakten hem het leven zuur met hun laster, en hij moest stil bekennen dat inderdaad zijn natuurkind zijn subtielste aspiraties niet begreep. Hij vergat wel eens, dat hij dit te voren had geweten, en dat het hem eer had verlokt dan afgestooten.

GOETHE (in 1791)
GOETHE (in 1791)

GOETHE (in 1791) Naar de teekening van Lips

Zoo kon hij aan zijn huiselijken haard niet altijd de gemoedsrust vinden, noodig bij de proefnemingen maar vooral bij de geduldige beschouwing, die zijn natuurwetenschappelijke hypotheses hem voorschreven. Trouwens, hij was niet een natuuronderzoeker in den zin dien men tegenwoordig vaak aan dat woord hecht. Hij behoorde tot de zoekers die hij later "de omvattenden", en met een groote mate van trots "de scheppenden" zou noemen. "Deze gaan van ideeën uit, en verkondigen reeds bij voorbaat de eenheid van alles: het is daarna de taak van de natuur zich in deze ideeën te voegen". Hij was niet de drooge-feitenverzamelaar, die pas een conclusie trekt (of zegt te trekken!) als hij zich op volkomen gekend terrein bevindt. Uit de klaarheid van zijn zelfbewustzijn ontstonden de eischen, waaraan het diepverborgen leven der natuur had te voldoen. Pas als zulk een hypothese in groote trekken vaststond, ging hij ze controleeren. De feiten leken hem dan echter zoo ver af, dat hij ongerust werd en neiging had, den gang van zijn onderzoek te verhaasten: juist als de werkelijkheid hem in 't gelijk wilde stellen.

De nog vreemde verhoudingen dus, waarin hij leefde, zoowel als de gevolgen van zijn werk-methode, joegen hem vaak op reis. Hij bezorgde intusschen met groot plichtsbesef de uitgave van zijn werken. Tasso kwam gereed.[A] Van de bestaande Faust-fragmenten maakte hij een afgerond geheel. Zijn gedichten werden geschift en bij-geteekend, om het achtste deel van zijn Oeuvre te vullen. Sommige aanteekeningen en brieven uit zijn Italiaanschen tijd smolt hij om in een opstel over "Eenvoudige nabootsing der natuur, manier, stijl", dat zijn pas gewonnen inzichten in het wezen van de kunst—grootendeels door voorbeelden uit de plastische kunsten toegelicht—scherp formuleert en, ongezocht, ook de evolutie van zijn kunstopvattingen. Zijn gewone uitgever wilde zijn keurige "Poging, om de Metamorphose der Planten te verklaren" (1790), de verhandeling die bestemd was om de moderne plantkunde te beheerschen, niet "hebben": de goede man had een befaamd botanicus er over geraadpleegd. Een ander uitgever drukte het boeksken toen bij wijze van speculatie, in de hoop, daardoor ernstige werken van Goethe in zijn fonds te krijgen.

Na herhaalde uitnoodiging liet deze zich verleiden, de hertogin-moeder, die zich in Italië bevond, tegemoet te reizen. En dit doet zeker niet denken aan een verbond tusschen de Voorzienigheid en Goethe. De impressies van zijn eerste oponthoud in dat land hadden hun taak volbracht: hij bezat ze thans als de ideeën die ze hadden gewekt, en voor de oorspronkelijke, ongemengde sensaties was hij niet meer ontvankelijk. Die hadden te lang en te lief ook in zijn herinnering gerust, dan dat het weerzien niet tot ontnuchtering moest leiden. En terwijl Goethes blik voor veel schoons bleef gesloten, zag hij nu in Italië veel scherper het leelijke, onreine, waarover hij zich vroeger met luchtigen humor had heengezet.

In het kille regenweer lijkt Venetië hem nu een slijkige kikkerpoel, waar de Duitsche "Redlichkeit" ontbreekt, waar bijgeloovige, leelijke, luidruchtige papen baasje spelen. Slechts in half-duistere "Spelunken" d.i., in verdachte koffiehuizen, met onfatsoenlijke avonturiers, kan hij zich vermaken. Hij pruttelt over de opkomende Fransche revolutie, over het vele geld dat hij in Italië kwijtraakt, bekijkt schilderijen en gebouwen met koele oogen, vindt grimmige voldoening in de studie van zeedieren, leeft een moment op, als zijn knecht op het Jodenkerkhof een gebeente vindt, dat deze komiekelijk een jodenkop noemt; in werkelijkheid een schaapschedel, zoo gebarsten, dat ze zijn onderstelling "alle schedelbeenderen zijn vergroeide wervels" bevestigt. Na de hooggestemde Romeinsche Elegieën volgen nu de stekelige, bitse, pijnlijk spottende Venetiaansche Epigrammen, die een schat van cyniesch genuanceerde levenswijsheid bevatten. Hij verlangt naar zijn tuintje, naar Christiane, den "magneet die hem naar 't Noorden trekt". Maar hij is er nauwelijks, of hij laat zich weer van zijn steenen en bloemkoolen sleepen. Hij volgt den hertog, die generaal-majoor in het Pruisische leger is geworden, naar 't kamp in Silezië, en maakt van daaruit reisjes door Slavisch Europa, opmerkend en afkeurend, veel merkwaardigs—zij het ook negatief-merkwaardigs—ontmoetend. "Ver van alle beschaving" denkt hij voortdurend aan de uitwerking van zijn ideeën over dier- en delfstofkunde. In de oneindige natuur ontbreken tenminste de Eidola d. i. dwaalbegrippen, die de menschen onderling verdeeld houden.

Hij is door een toeval tot de meening gekomen dat de kleurenleer van Newton fout moet zijn. Eigenlijk tegen zijn wil gaat hij aan het onderzoeken, en vindt zich gesterkt in zijn overtuiging. Hij gelooft te weten, dat hij het vooroordeel van de schoolgeleerden en van de volgzame massa niet plotseling, doch tactvol-geleidelijk, moet te keer gaan. Een jaar na zijn Metamorphose der Pflanzen geeft hij zijn "Beiträge zur Optik" in 't licht. Door systematische beschrijving van een reeks vernuftige proeven, tracht hij twijfel te wekken omtrent de juistheid van de ook in onzen tijd gangbare licht- en kleurtheorie. Duidelijke teekeningen op afzonderlijke cartons vergemakkelijken het volgen van de proeven. Nu trachten bevriende professoren hem van verdere leeke-dwaasheden terug te houden. Niet-bevriende professoren halen hun schouders op en spotten. En dit, terwijl ieder lichtverschijnsel voor hem schijnt te pleiten, terwijl sommige schilders, die hun verven naar zijn voorschriften over hun werk verdeelen, de mooiste effecten bereiken!

Met taaie verbittering construeert hij nu aan zijn groote "Farbenlehre" die ook in onze dagen niet mag gelden, maar slechts door enkele vakmannen behoorlijk wordt gekend, en nog nooit afdoende is weerlegd. Zeker heeft hij zelf bijgedragen tot de miskenning, die dit sublieme werk trof, en wel door den schijn te wekken, alsof hij er een natuurwetenschappelijk vraagstuk behandelt, terwijl het is een wijsgeerig vraagstuk, dat buiten den gezichtskring van de meeste physici valt: gelijk de schrijver van deze bladzijden—voor zoover hij 't nog niet wist—heeft ervaren, toen hij op dit punt bij natuurkundigen van professie voorlichting trachtte te vinden. Doch wat moeten zulken ook denken van een auteur, die in een als wetenschappelijk aangekondigd boek begint met een lyrische beschrijving van het Italiaansche landschap en dan, alsof er niets gebeurd is, aankondigt: "Ik laat een gordijn over deze schildering vallen, opdat zij ons niet in de rustige beschouwing store, waarmede wij nu een aanvang willen maken!"

Intusschen werd het ernst met de Fransche revolutie: de bloedige Septembermaand van 1792, de onthoofding van Lodewijk XVI en Marie Antoinette schrikten hem op uit zijn zelf-cultuur. Veler oogen richtten zich naar hem; men verwachtte van hem een wijze uitspraak. Hij gaf die voorloopig niet en boette daardoor nog meer in van zijn leiderschap, dat hij reeds ten deele aan Schiller had moeten afstaan.

Hij had jarenlang getracht, de gebeurtenissen in Frankrijk maar ten halve ernstig te nemen. Het voorspel van de omwenteling zag hij zoo, dat hij het wilde behandelen in een operette. Het ontwerp daarvoor zette hij later—om zijn tooneelgezelschap aan een stuk te helpen—in het blijspel "Grosskopta" om, dat hier buiten bespreking blijve. In "Der Bürgergeneral" meende hij aan te toonen, welk koddig en bevredigend verloop zoo'n opstootje zou hebben in een verstandig geregeerden staat, als Weimar. Maar tot zijn ontsteltenis merkte hij, dat hoogstaande mannen als Knebel, Herder, Klopstock, Wieland, Schiller de nieuwe ideeën meer of minder waren toegedaan, en vol geestdrift wisten te vertellen van een "morgenrood" dat daar in Frankrijk straalde. Dat hij er zich niet mee wilde inlaten, de revolutie eerst als een grap, later als een rampzalige misdaad beschouwd wenschte, schreef men toe aan zijn zelfzuchtige gevoelloosheid.

Te onrechte! Het kon hem slechts aangenaam zijn, zooveel mogelijk voor anderen te leven, daar onbaatzuchtigheid en ontzegging—volgens zijn opvattingen—met God vereenigen en slechts hij, die voor zijn liefde geen wederliefde vraagt, Gods liefde waardig wordt. Bovendien: hij hield van hetgeen men in die dagen "de lagere standen" noemde: vele geestelijke eigenschappen, die hij voor zich zelf begeerde, vond hij in den minderen man; zóo sterk dat hij zich altijd moest hoeden voor groote woorden, als hij over de volharding, den moed, de eerlijkheid, de fierheid van het volk sprak. Nooit heeft hij zich heengezet over het gevoel, dat hij leefde ten koste van anderer armoe, dat het Muzenhof te Weimar het merg van de arbeiders opzoog. Hij oordeelde ook dat er beterschap moest komen in de verhouding van vorst tot volk: hij was te Weimar aan het werk gegaan om van dit kleine staatje een aanmoedigend voorbeeld in dezen te maken.

Maar hij kon niet toegeven, dat heilzaam-doelmatige hervormingen zouden intreden, wanneer het volk zich zelf trachtte te helpen. Regeeren was voor hem een kunst, die zich slechts door enkele uitverkorenen, toegerust met veel wetenschap, ervaring, zelfkennis liet beoefenen. Hij wist wel, dat ook menig vorst die kunst niet verstond en hij vond dan ook dat Carl-August—en niet alleen deze!—inderdaad zijn voorlichting behoefde. Doch dat er weinig loffelijks te verwachten viel, als het volk handelend optrad, hij besefte het niet alleen, hij zag 't voor oogen! Het Fransche volk (meende hij) handelde niet kalm, doch opgezweept en geleid door demagogen, die in den regel het oog op eigen voordeel hadden. Het joeg idealen na, die slechts warhoofden of door angst verblinde lieden konden boeien. "Vrijheid!"—alsof staatsburgerlijke vrijheid zoo overwegende waardij heeft voor menschen, die hun hinderlijke begeerten en instincten niet kennen of beheerschen; om nog niet eens te spreken van de verborgen demonische machten, die den mensch beïnvloeden. "Gelijkheid!"—alsof voor den natuurkennenden denker ooit twee individuen aan elkaar gelijk kunnen zijn; alsof niet ieder voor zich moet streven naar gelijkheid—niet met zijn buurman maar met den Hoogste! "Broederschap!"—- die den onwillige met geweld wordt opgelegd. "Het welzijn van de Menschheid!"—alsof die "Menschheid" niet een doode abstractie ware, op zijn hoogst een verzameling van individuen die—hoe rijk ook—slechts in eigen Ik ten slotte hun geluk konden vinden. Zooals eens de Lutheranen, zoo drongen nu de Fransozen rustige beschaving, historiesch geworden toestanden gewelddadig terug. En zoo iets dergelijks ooit mocht geschieden, dan toch slechts door ter zake kundigen, die weten wat zij, op straffe van mislukking, hebben te sparen. In dezen zin was Goethe Freund des Bestehenden. Wie (zoo vroeg hij bezorgd) wie zal de stuurlooze massa tegen zich zelf beschermen, als al het oude is afgebroken?

Kortom, de nooden des volks bij ondervinding kennend, kon hij als nuchter en evolutionair denkend staatsman vóor noch tegen, als Heldenvereerder en redelijk menschenvriend slechts tegen de omwenteling zijn. Vooral toen de Duitsche vorsten, door ongerustheid bevangen, de gewetensvrijheid in hun staten gingen beknotten, hun hervormingsgezinde naburen bedreigden, de studenten in verzet brachten. Maar zij die het volk onder den duim wilden houden door het te bedriegen, omdat het volk toch zoo dom leek en zoo dwaas, vonden in hem een bestrijder. De gravin in Die Aufgeregten, die niet moede wordt op rechtvaardigheid aan te dringen, sprak naar zijn hart: Revoluties (zei hij) ontstaan altijd door de schuld van de regeering.

Zijn gedachtehouding was van dien aard, dat de gunstige gevolgen van de groote omwenteling hem moesten verrassen. Maar zijn vrienden, die in 't wilde declameerden over De Vrijheid, hadden die evenmin voorzien. En terwijl zij, na hun landgenooten te hebben opgezweept, moest inbinden, toen over het rijk der broederschap het bloed begon te stroomen, kon Goethe zijn standpunt onveranderd handhaven.

Mede onder den drang van de émigrés, wapenden zich de Duitsche vorsten tegen de republiek, die met de in hun oogen heilige tradities had gebroken, en daardoor ook voor hen gevaarlijk werd. De plotselinge oorlogsverklaring van Fransche zijde, die hierop volgde, bracht ook den hertog van Weimar aan 't hoofd van zijn Pruisische curassiers in 't veld. Niet omdat de zaak zelf hem warm maakte, doch louter uit vriendschap voor Carl-August, besloot Goethe den krijg mee te maken. Bovendien: aan het hoofd van een zegevierend leger Frankrijk binnen stormen, de operaties van maarschalken en diplomaten van nabij doorzien, voortdringen tot het brandpunt der omwenteling,—al deze zeldzame ervaringen zouden zijn zelfopvoeding voltooien: hij mocht ze zich niet laten ontgaan.

Op weg naar de grenzen stapte hij in Frankfort af, bij zijn moeder, thans een alleenwonende weduw, die hij in geen dertien jaren had bezocht. Vaak genoeg in al die jaren, bij al die reizen, hadd' hij gelegenheid gehad om enkele dagen aan vrouwe Aja te geven; meermalen had hij verlangd, voor de verdrietelijkheden en de teleurstellingen die hem troffen soelaas te zoeken bij zijn kloeke, wijze, alles begrijpende moeder. En hij zou dan ook herhaaldelijk naar Frankfort zijn gevlucht, indien niet die wijze vrouw zijn moeder ware. Maar juist als moeder vormde zij het machtig-reactionaire element in zijn levensloop. Zij zou hem uit de klem hebben gered, terwijl het steeds bewuster zijn streven werd: niet door terugtreden maar door volkomen afwikkelen van elke nieuwe moeilijkheid zich te bevrijden. En zoo kon hij eerst naar zijn moeder gaan, toen aan hem geen mensch meer iets te redden vond: toen heel zijn levensstrijd zich voortaan in zijn geheime binnenste moest voltrekken. Als alle groote mannen verrichte hij zijn vurigste, beslissendste en hoogste daden verre van de geliefde moeder. Maar weinig dichter-moeders hebben hierin zoo verheven kalm berust als Elisabeth Goethe ...

Hij beschouwde dit bezoek als een proefneming: Kon hij te Frankfort voldoende vrij leven?—Hij bleef maar negen dagen.

In het kamp van de verbonden Duitschers bemantelde hij door hulpvaardigheid, vroolijkheid, koelbloedigheid, zijn eenigszins twijfelachtige positie van werkeloos pottenkijker. Maar toen hij oneerbiediglijk de staatslieden begon te vergelijken bij tooneeldirecteuren die veel bedillen, maar zelf niet meespelen, voelde hij zich vrijer. Zijn kleurtheorie liet hem geen rust: het geschutvuur en visschende soldaten stelden hem voor merkwaardige lichtverschijnsels.

Hoewel het weer àl ongunstiger werd—Jupiter Pluvius, de regengod, leek waarempel wel Jacobijn geworden, zoo plaagde hij de Duitschers!—hielden kleine overwinningen den moed in de soldaten. Goethe had zijn vrouw beloofd, haar iets moois mee te brengen uit ... Parijs. Maar de slappe, planlooze leiding kwam den verdedigers van tucht en orde—die intusschen de Fransche landlieden schaamteloos beroofden—op de nederlaag bij Valmy te staan. Gedurende de beruchte kanonade reed Goethe, ondanks de waarschuwingen van de officieren, naar de uiterste gevechtslinie, waar kogels en kartetsen hem om de ooren borrelden en gierden. Hij wilde de kanonkoorts leeren kennen, en hij was te zeer volbloed onderzoeker om daarbij op zijn leven te letten. Hoogst opgewonden keerde hij terug: sinds Straatsburg had hij maar zelden gerild. Toen dien nacht de vorsten, alvorens zich op den vochtigen grond uit te strekken, hem vroegen wat hij van den toestand dacht—hij was in het kamp beroemd om zijn snedige antwoorden—sprak hij plechtig: Mijne Heeren! van hier en heden begint een nieuw stadium in de wereldgeschiedenis; en Gij kunt zeggen dat Ge er bij zijt geweest!

De verbondenen moesten nu al de behaalde voordeelen stuk voor stuk prijsgeven. Gedurende den afschuwelijken terugtocht, door allerlei ontberingen doodziek geworden, nam Goethe, nadat de hertog er lang op had aangedrongen, van het leger afscheid. Onderweg bereikte hem een zwervende brief van zijn moeder, waarin deze polste of hij bereid was, zich tot lid van den Stadsraad in Frankfort te laten aanwijzen. Hij bedankte. Gelukkig dat de oude Caspar het niet beleefde!

Na vier maanden nu hier dan daar gelogeerd te hebben, bij verschillende oude vrienden, die hem verwilderd vonden, en bij nieuwe kennissen, op wie hij den indruk maakte een vroom katholiek te zijn, keerde hij naar Weimar terug. Daar vond hij het huis, dat de hertog hem eerst in bruikleen, later ten geschenke had gegeven, heel naar zijn smaak verbouwd: een enorme vestibule, in Italiaanschen stijl, met antieke beelden in de nissen, breede marmeren trappen, zalen waar hij zijn geliefde schilderijen zou hangen; op de eerste verdieping de eenvoudige werkkamer met aangrenzende bibliotheek; en verder de ruimten die hij tot laboratorium en voor natuur-historiesch museum zou inrichten.—Om zijn ergernis over het om zich grijpen van de revolutie te verdrijven, zette hij zich aan zijn Reineke Fuchs, den "leeken-bijbel" die hem gelegenheid gaf, menige bijtende spotternij te loozen, zonder dat men 't hem kwalijk mocht nemen. Kort daarop nam de hertog ontslag uit dienst, en toen was ook Goethes rol in het revolutie-tijdperk gespeeld.

Door vele geschriften trachtte hij zijn opvatting over de nieuwe richting, die ook in Duitschland tierde, ingang te doen vinden. Een ternauwernood bedwongen onrust spiegelt zich in deze geschriften hinderlijk af. Op Grosskopta en den tendentieusen Bürgergeneral is reeds gewezen. Het fragment Das Mädchen von Oberkirch en Die Unterhaltungen der Auswanderer met Het sprookje spreken voor zich zelf. Daarentegen dient het treurspel Die Natürliche Tochter uitvoeriger doordacht.

Het behoort tot de drama-groep Iphigenie-Tasso. De Trilogie, waarvan het deel moest uitmaken (die echter in verband met nader te noemen omstandigheden onvoltooid bleef), zou genoemde drama's o. i. in waarde nabij zijn gekomen en, wat feitelijken inhoud en toepasbaarheid op het werkelijk leven aangaat, hebben overtroffen. Doch vele Goethe-kenners, die den dichter zijn standpunt tegenover de revolutie kwalijk nemen, laten, als zij De natuurlijke dochter aanroeren, hun gewonen speurzin varen. Zij, die Goethe roemen omdat hij zijn levensondervindingen in zijn werk neerlegde, kunnen hem niet vergeven, dat hij de zuiver-intellectueele ondervinding, in het boven besproken tijdvak opgedaan, niet rechtstreeks, doch na ze te hebben verwerkt, in een drama belichaamde. Zij achten het bijvoorbeeld een fout, dat noch de omwenteling, noch het land waarin de handeling verloopt met name worden genoemd; dat de groote gebeurtenissen van dien tijd in het stuk rechtstreeks bijna geen rol spelen. De lezer die onze bespreking van Iphigenie heeft gevolgd, begrijpt dat wij aan dit bezwaar weinig hechten. Wij beweren dat van Goethe, gegeven zijn aanleg, niets anders te verwachten viel. Ten eerste omdat hij de hier belichaamde ideeën altijd als ideeën, nooit als zakelijke ervaringen heeft bezeten. Ten tweede omdat voor Goethe, die omstreeks dien tijd bewustelijk individualist was geworden, de groote gebeurtenissen in belangrijkheid verre ten achter stonden bij de processen, die zij te voorschijn riepen in de kleine d. i. de zedelijke wereld: in één ontvankelijke menschenziel. Daardoor moest het stuk iets ontijdelijks, iets wezenlijks krijgen. Zonder dat toespelingen op de Fransche revolutie er geheel in ontbreken, moest het verwijzen naar politieke woelingen in het algemeen. Sinds Egmonts lieveken Clare vergeefsche moeite deed, om de groote massa voor haar gevangen minnaar in 't geweer te brengen, wenschte Goethe de massa, en met haar alle rumoerige gebeurtenissen, van 't tooneel te weren. De massa, die zelf niet oordeelt en van geen zelfbedwang weet, kon geen kunstmotief zijn voor den denker, die slechts in den met helder zelfbewustzijn strijdenden mensch, in het innerlijke, in de zelfoverwinning behagen vond.

Goethe ontwierp zijn Natuurlijke Dochter (en de twee stukken die er op moesten volgen) toen hij kennis had gemaakt met de (zoogenaamde) Mémoires van Stéphanie-Louise de Bourbon-Conti. Hij heeft echter de karakters van de hoofdfiguren, en daarmede de motieven van hun doen, zoo aanmerkelijk veranderd (hij deed dit reeds, toen hij nog meende zijn historische gegevens te "dramatiseeren") dat ook in dit opzicht het treurspel een geheel onafhankelijke schepping is. Overigens: de personages, hoe scherp ook omlijnd, zweven in de atmosfeer van Goethes gedachteleven. Ze staan ons voor oogen zooals ze zijn, maar bovendien zooals ze zich verhouden tot 's dichters levenswijsheid. Slechts de kunstenaar die het wezen der dingen bevroedt kan deze twee werelden dooreenweven, zonder dit hier en daar uitdrukkelijk te constateeren. Vrij en verantwoordelijk handelen de menschen in Goethes "classieke" stukken, en toch ook weer gebonden aan een hooger beginsel. Zoo handelt ook de mensch, wanneer men hem beschouwt in zijn geheimzinnige relatie tot de eeuwige voorzienigheid.

De dichter heeft de stroom van plechtige gedachte, die zich door dit treurspel mengelt, voelbaar gemaakt door de praegnante gedrongenheid van zijn taal, die van den lezer of hoorder strenge aandacht vergt, terwijl op vele plaatsen het lidwoord ontbreekt, en diepzinnige uitdrukkingen, vreemde woordverbindingen, alliteraties en half-verhulde rijmen hem beurtelings spannen en bekoren. De personen in dit spel spreken dus een opvallend "onnatuurlijke taal". Alle kunst en alle cultuur is ten slotte onnatuurlijk. Indien dit niet zoo ware, konden wij beiden missen. Een bekwaam snelschrijver, die een belangrijk gesprek heeft genotuleerd en zoo "natuurlijk" mogelijk, nl. letterlijk weergeeft, is daarom nog niet een dramaturg. De gevoelens die Goethes figuren hier vertolken zijn echter volkomen menschelijk—hoewel ook al weer niet zonder meer "natuurlijk". Slechts het dier heeft natuurlijke gevoelens en de mensch is mensch, om daar met hulp van zijn rede bovenuit te streven. Juist door hun eigenaardige taal worden deze personen geheven naar de sfeer, waarin het essentiëele, het eigenaardige zich laat bespeuren en 's menschen plaats in het wereldverloop zich openbaart. Zij zijn typiesch en blijven toch geïndividualiseerd. Zij zijn geheel waar, en toch zal men ze nooit zoo ontmoeten.

Begrijpelijkerwijze is de oppervlakkige leeken-critiek van den rap oordeelenden schouwburgbezoeker daardoor in de war geraakt. Deze meende dat Goethe symbolen, voorbeelden wilde geven. Er is ook al weer iets van aan: iedere ziel, tot op haar kern doorschouwd, opent den toegang tot vele gelijkgestemde zielen. De leeken-critiek werd in haar meening gesterkt, doordien de dichter alleen aan zijn heldin een naam (Eugénie) heeft gegeven. Verder treden in het treurspel nog op "de secretaris", "de graaf", "de koning" enz. Dit beantwoordt aan een verschil in belichting. Slechts Eugénie staat in hevige kleuren en ten voeten uit ons voor oogen. De lieden die haar omgeven liggen half in schaduw. Nu, iemand dien men slechts ten deele kent, noemt men eer bij zijn maatschappelijke kwaliteit dan bij zijn naam. Men denke aan "den dokter", "den conducteur", en zij hiermede genezen van den waan, dat "de hertog" in De Natuurlijke Dochter eigenlijk het type van een hertog, van alle mogelijke hertogen moet voorstellen.

Hier volgen nu de groote lijnen van dit treurspel, die natuurlijk omtrent de fijne schakeering van ieder détail niets zeggen:

—Eugénie, de natuurlijke dochter van den hertog en een vrouw van koninklijken bloede, is in stilte opgevoed tot ridderlijke kracht en vrouwelijke zachtheid; kunstzinnig en vertrouwend op het edele in den mensch. Na den dood van haar moeder verzoekt de hertog den zwakken koning, wiens vijand hij tot dan toe was, haar als prinses te erkennen. De koning belooft, dit op zijn verjaardag te zullen doen. Zij ontvangt nu van haar vader een kistje met kleinoodiën en gewaden, die haar op dien dag zullen tooien. In een hoog gestemd sonnet zegt zij haar dankbaarheid aan den koning uit. Ze heeft beloofd, het kistje niet voorbarig te zullen openen, maar ze doet 't toch en toont dan hoe nieuwsgierig en pronkziek vrouwtje ze bij al haar ridderlijkheid is gebleven.

Haar juffrouw-van-gezelschap, verloofd met den secretaris van haar broer, weet niet te zwijgen en zoo komt haar broer alles te weten. Deze, een doorbrenger, is zeer ontsticht over het gevaar dat zijn erfdeel dreigt. Hij gelast zijn secretaris, Eugénie te verdonkeremanen, desnoods te doen vermoorden, en ter verwezenlijking van dit plan wordt de partij des oproers misbruikt.

De gouvernante acht het gevaar onontkoombaar en besluit Eugénie te geleiden naar "de eilanden". (Men denkt hierbij meestal aan Engeland) Een prelaat maakt den hertog, haar vader, wijs dat zijn dochter, die reeds eenmaal op een roekeloozen tocht van haar ros was gestort en voor dood werd opgenomen, nu werkelijk een ongeluk heeft gekregen en daarbij zoo verminkt is, dat men hem het lichaam niet dorst toonen en haar onmiddellijk heeft begraven. De hertog, die eerst in een klooster wil gaan, nu hij zijn geliefde dochter moet missen, komt onder den invloed van den geestelijke, tot het typiesch-Goethe-achtige besluit, verder te leven en haar, na een deugdzaam leven te hebben gesleten, in de eeuwigheid weer te zien, voorgoed naast zich te hebben.

Eugénie, in de havenstad aangekomen, wil haar vaderland niet verlaten en kan niet gelooven dat de koning, die zich zoo goedgunstig heeft getoond, haar kwaad wil. Verschillende lieden die ze om hulp vraagt, laten haar na vage beloften in den steek, als de gouvernante het verbannings-decreet overlegt. De koning heeft door haar verwijdering de partijen met elkaar willen verzoenen. Slechts één reddingskans is haar gelaten: ze mag blijven als ze huwt met een man uit den burgerstand. De "Gerichtsrat" heeft haar zijn hand geboden, doch ze bemint hem niet, meent dat ze zich niet in burgerlijke verhoudingen kan schikken. Door een monnik, dien zij om raad smeekt, gewaarschuwd, dat een algeheele ommekeer in haar vaderland op til is, besluit zij de bescherming die de Gerichtsrat haar aanbood te accepteeren. Ze heeft begrepen wat deze bedoelde toen hij haar uiteenzette, dat echtgenooten, in het gezin vereenigd, hoe arm ook en hoe verdrukt, voor het geraas van de buitenwereld onschendbaar zijn, dat in hùn harten slechts het ware geluk is te vinden. Hier spreekt een grondtoon van Goethes geloof:

"Denn, wenn ein Wunder auf der Welt geschieht, Geschieht's durch liebevolle, treue Herzen".

Zoo pas heeft ze nog ondervonden dat het volk, door haar te hulp geroepen, haar leed niet begrijpt. Ze heeft gezweefd tusschen het verlangen naar iets dat buiten haar staat (een rang, haar vaderland) en de liefde tot haar Ik. Nu zal zij trachten haar persoonlijkheid te redden en zelfs degenen die haar willen treffen bij te staan. Doch, ze heeft den Gerichtsrat slechts vriendschap te bieden. De huwelijksband wordt gelegd om haar te redden. Voorloopig moet hij, die haar bemint, haar als een zuster beschouwen. Op een klein landgoed, dat hij bezit, zal ze zich terugtrekken, en hij zal geduldig afwachten totdat ze hem roept. Zoo moet hij zelfs van haar blik afstand doen, om haar misschien! eens te winnen. Wel wetend hoe zwaar dit offer is, wil hij toch ernstig trachten het te brengen. Ze volgt hem naar 't altaar en, door zijn edelmoedigheid verteederd, geeft ze hem te hooren dat later een inniger toenadering van haar te wachten is.—

Goethe heeft de vergissing begaan (hij zag 't te laat in) dit drama te doen opvoeren, voordat de twee vervolgstukken gereed waren, die te zamen al zijn ideeën over de Fransche revolutie zouden bevatten. Toen is het publiek het gaan beschouwen als een soort van voorspel, als een lange, eentonige inleiding tot de bloedtooneelen en avontuurlijkheden, waarop het zich had gespitst. Deze echter kon Goethe niet geven. Te Berlijn vonden de schouwburgbezoekers "dit onsterfelijke meesterwerk zeer vervelend"; ze oordeelden dat men er "drommels goed bij moest opletten, daar er niets in gebeurde"; te Jena werd het wel zoo ongeveer uitgejouwd. Die natürliche Tochter moest vallen, wijl de groote massa Goethes blik op de dingen niet begreep. Men vond het stuk "zoo koud als marmer", terwijl hij zelf bij de repetitie in tranen uitbarstte en de spelers verzocht te pauseeren. De meening van het publiek verrastte hem niet—heel het treurspel heeft tot leitmotief dat onder de menschen het ware niet is te vinden—maar ze ontmoedigde hem. Hij heeft er verder het zwijgen toe gedaan en de schets van het verdere verloop zelfs ten deele vernietigd. Wel een bewijs dat hij dit, zijn "rijpste en krachtigste werk"—als de veeleischende Herder het ietwat overdreven noemde—heeft geschreven, ten deele om er zijn tijdgenooten mee van dienst te zijn. En dit in de jaren dat men hem het scherpst van egoïsme beschuldigde.

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
ornament hoofdstuk XXII
ornament hoofdstuk XXII

XXII

Wer Kunst und Wissenschaft besitzt Hat auch Religion.

GOD EN WERELD.

In den loop van de voorafgaande bladzijden moesten wij hier en daar eenig onderdeel aanroeren van Goethes levensbeschouwing, zijn natuurwetenschappelijken arbeid, zijn kunstopvattingen, zijn wijsgeerig getoonde sentimenten. Nu ons relaas het tijdstip heeft bereikt, waarop zijn meeningen over allerlei groote vragen hem definitief bewust werden, waarop hij—de dichter—zich uitsluitend ging wijden aan natuurwetenschappelijk onderzoek, schijnt het gewenscht vele draden, die wij tot nu toe lieten vallen, op te nemen en naar behooren dooreen te leggen. Goethe heeft meermalen getracht, al de uitkomsten van zijn denken tot één geheel te verwerken. Dit verwondert ons niet van den man, die onophoudelijk zijn papieren ordende en herordende om goed te overzien wat zijn lijden had opgeleverd; en menig fragment uit zijn nalatenschap, menige passage in zijn wetenschappelijke boeken wijst hierop. Zulk samenvatten echter kon hem niet afdoende gelukken, wijl hij den allerlaatsten grondslag van zijn overwegingen—de gedachte zelf—niet bezat, altijd meer had gegeven om het gevoel dan om het betoog van een waarheid, zich steeds in gelijkenissen uitdrukte, en zoo met gevoelvolle beelden het punt omspeelde waar alle weten ontspringt en samenvloeit. Men heeft hem terecht een "esthetiesch idealist" genoemd; wij verstaan hierdoor een denker, die de grond-ideeën (welke de leek met abstracties verwart) wel kent, doch ze slechts kent als gevoelens, als aandoeningen: Onverwacht borrelden de beelden op uit zijn bewustzijn.

I. DE PEINZER.

I. Voordat Goethe zijn "heer en meester" Spinoza kende, gingen zijn sentimenten in de richting van diens wijsbegeerte; ook toen hij hem nog verfoeide. Later verliet hij zich gaarne op Spinoza, omdat deze met strenge betoogen aannemelijk maakte de ideeën, die hij zelf in stilte koesterde. Dat de jonge Goethe juist Spinoza tot leidsman, bijna tot voorvechter koos, is in een speciaal opzicht typiesch voor zijn geestesaanleg. Immers de Hollandsch-semitische philosoof is wel streng en sober in woordkeus, wel nauwkeurig in redeneertrant, maar een fijn logicus in den modernen zin des woords toont hij zich zelden. Zijn "geometrische methode" is een soort contrôle-middel, een uiterlijk ordenings-principe, dat hij zich willekeurig oplegt. Uit den aard van zijn onderwerp vloeit het niet voort. Hij is een intuïtief vinder, een fijngevoelig ontleder van zijn eigen aandoeningswereld. En juist daardoor (niet alleen dus door den schijn van exactheid) kan hij den ontluikenden jongeling leiden. Hij heft diens liefste gevoelens in de sfeer van zijn edel en gerijpt gemoed, en toont dat ze daar passen. De vredeslucht waait er Goethe tegen; terwijl hij in eigen boezem schouwt meent hij de wereld nog nooit zóo duidelijk te hebben gezien. Men lette op dit veelzeggend beeld!

II. Want het verklaart: waarom de ontspoorde Leipziger student, de dichter die wel techniek maar geen onderwerpen heeft, besluit zijn werken tot "een groote biecht" te maken, tot een reservoir dat al zijn vreugde en zijn kommer zal bevatten. Hij zelf motiveert dit besluit—waaraan hij zich heel zijn leven zal houden—al byzonder slecht. De reden er van kan niet gelegen zijn in de dorheid van de poëten, die hem tot voorbeeld dienden; niets belette hem, die zoo critiesch tegenover hen stond, sappiger te zijn. Ook niet in de onbelangrijkheid van zijn omgeving. Neen, het proces dat zich in zijn onbewuste wezen afspeelt komt hierop neer: hij tracht (wat de grijze schrijver van Wahrheit und Dichting wel weet) zijn pijnen, hartstochten, verlangens, de menschen die hij haat of niet begrijpt, thuis te brengen in de sfeer des Geheels: In de sfeer van het blijvende, noodzakelijke, essentiëele houden de hartstochten op "lijdingen" te zijn. En Goethe vindt deze sfeer in eigen boezem. Dit is dan ook de ruime wereldblik dien hij in Spinoza prijst, zoodra hij (omstreeks den Werther-tijd) diens Ethica (d. i. niet Moraal, doch Levensbegrip) leert kennen.

III. Zijn overgave aan Spinoza—terwijl hij diens werken niet stelselmatig bestudeerde, maar ze oplettend doorbladerde—was toch niet een geloof. Zij berustte aanvankelijk op de gerubriceerde, rustig gebouwde en samenhankelijke uiteenzetting van zijn lievelingsidée (God en natuur zijn niet te scheiden), die hij bij dien denker aantrof; doch al spoedig op zijn steeds toenemend vertrouwen in een van de voornaamste (voor hem en voor Spinoza eigenlijk de voorname) menschelijke kenbron, nl. het intuïtieve weten, de rechtstreeksche aanschouwing van de Waarheid. Deze kenbron wordt door Spinoza gerechtvaardigd met dit betoog: De toereikende, wezenlijke kennis van eenige attributen Gods kan leiden tot de kennis van het Wezen der dingen. Gods liefde tot ons menschen manifesteert zich door ons innerlijk verwant-zijn, dat is ons deel-hebben aan God; door ons vermogen hem te kennen en zoodoende in Gods wijsheid rust en welbehagen te vinden.—Hoe echter Gods liefde te verwerven? Wij moeten God volkomen onbaatzuchtig liefhebben, zonder te verwachten dat God ons wederkeerig zal beminnen. Want door zulks te verwachten zouden wij aan God een hartstocht toeschrijven, die hem niet kan passen, daar God de volmaaktheid in zich zelve is, en degeen die zich door hartstocht laat leiden zich afhankelijk stelt van iets anders. God bemint ons echter in zooverre wij opgaan in het Geheel, d. i. in God zelf; want hij is alom en heeft behagen in eigen volmaaktheid, waartoe wij gaan behooren in zooverre wij ons overgeven. Deze overgave geschiedt doordien onze Geest zich voortdurend bezig houdt met de liefde tot God. Nu, deze liefde is het streven naar wezenlijke kennis van de wereld, de natuur, onze eigen aandoeningen; die de strekking heeft, ons van onze hartstochten te bevrijden, dezen hun plaats aanwijzend in de sfeer van de noodzakelijkheid, die wij door onze innerlijke verwantschap aan God kennen.

Maar: gelijk wij op het terrein van ons levensgedrag door deugd (d. i. vrijheid) ons verheffen en de goddelijkheid benaderen; zoo maken wij ons op het terrein des intellects, door oplettende beschouwing van de eeuwig werkende natuur, waardig, aan haar scheppend vermogen deel te erlangen. Dan geeft ons innerlijk antwoord op teekenen uit de buitenwereld. "Indien ik de wereld niet reeds door voor-besef in mij had gedragen (aldus Goethe tot Eckermann) dan ware ik met ziende oogen blind gebleven, en al mijn vorschen en ervaren ware een totaal vergeefsche bemoeiing. Het licht is daar en de kleuren omgeven ons, maar droegen wij geen kleuren en geen licht in ons eigen oog, wij zouden die ook buiten ons niet waarnemen".

2. DE DICHTER.

IV. Hiermede is dit gezegd: de dichter, in deugdzaamheid, in onbaatzuchtigheid, in de grootst bereikbare innerlijke reinheid scheppend, brengt zins-beelden voort, welke even waar, vast, evenwichtig en noodzakelijk zijn als natuurgewrochten. Goddelijke gewrochten dus, die den dichter over zijn eigen lijden onderrichten en hem bevrijden. "Wanneer ik sprak (laat Goethe zijn Prometeus zeggen) waande ik God te hooren, en meende ik God te vernemen, dan sprak ik zelf". De kunst, zoo opgevat, is dus niet nabootseres van de natuur, doch duidster van de natuur. Het schoone is dan een openbaring van geheime natuurwetten, van een eeuwig-werkenden Geest, die—indien hij geen gestalte aannam—eeuwig verborgen ware gebleven. Door de kunst vindt de enkeling zich in de ruimteloosheid weer; door haar wordt overgave genot. Zij maakt het mogelijk, zich in het Geheel te verheugen, door dit Geheel in het kleinste te aanschouwen. Want de Geest des Geheels is

"das Ewig-eine Das sich vielfach offenbart".

V. Begrijp nu dat de jonge, angstig zoekende Goethe de kiem van deze ideeën in zich droeg. Zie dan zijn offerande, waarmede hij kinderlijk wijsneuzig God rechtstreeks zegt te vereeren; zie hem vluchten in de ongerepte natuur of bij natuurlijke menschen, als hij zich uit den druk van hartstocht of uit de kwelling van onbegrijpelijkheid wil bevrijden; zie hem later in de uitbeelding van natuur-sentimenten, van ongetemde menschen verkwikking zoeken; begrijp in dit licht zijn uitroep: Natuur, natuur! niets zoo natuurlijk als Shakespeares menschen! Te Straatsburg rijst het beslissende woord in hem op: God en de natuur zijn niet te scheiden. En van dezen kant nadert hij de Sturm-und-Drangbeweging, die in alle opzichten een terugkeer tot de natuur voorstaat. Men had zoo lang dat groote onbekende geheel naar menschelijken maatstaf gemeten en gekeurd; nu zou men de gekunstelde begrippen "goed en kwaad" afschaffen, teneinde, omgekeerd, de ontzenuwende beschaving te oordeelen naar natuurlijke begrippen. Uit dezen gezichtskring ontspringt Werther, die herhaaldelijk tegen de heerschende moraal protesteert. Maar in de motieven, die Goethe tot de beweging drijven, ligt reeds een aanleiding tot scheiding opgesloten. De uiterste toespitsing van de Sturm-und-Dranggevoelens geeft het geval Werther te aanschouwen: Zij willen aanpassing aan de uiterlijke natuur, geheelen ondergang desnoods in de uitleving van aangeboren hartstochten; ik echter zoek de edele, verborgen kern van de natuur, die ook in het menschenhart woont. Goethes moraal wordt: zie de uit uw wezen voortvloeiende wetten in overeenstemming met de wetten des geheels. Doch daartoe moet alles overwonnen worden, wat den mensch afhankelijk maakt van de buitenwereld. Zelfbeperking en ontzegging wijzen dus den weg tot heil. Zelfs God kan niet buiten de wetten gaan, die uit zijn wezen voortvloeien,—zoo luidt een woord van Spinoza dat Goethe diep ontroert. Hij heeft tot dan toe de natuur beschouwd, ja, maar "van buiten naar binnen". Hij heeft in zijn indrukken gezocht naar het noodzakelijke, dat is het Goddelijke. Nu gaat hij bewustelijk den tegengestelden weg op. Aan het begrip, dat uit zijn onbewuste wezen ontspringt, gaat hij vorm geven. Zooals het Eeuwig-Eene zich openbaart door een natuurlijken (waarneem- en zichtbaren) vorm aan te nemen, zoo moet nu zijn innerlijk zich manifesteeren. Het omhult zich daartoe met motieven uit de ervaring, of (zooals Schiller eens zeide) Goethe gaat den mensch opbouwen uit zijn natuurlijke bestanddeelen. Aanvankelijk reconstrueert hij figuren, zooals hij ze in hun geheel heeft waargenomen; later (van Egmont, of liever: reeds van Carlos af) geeft hij figuren die hij vrij schept. Door toenemende zelfzuivering leert hij zich steeds nauwkeuriger bedienen van het nieuwe orgaan, dat uit zijn eigenaardige Godsvrucht is geworden: het intuïtieve intellect. En nu herroept de lezer den glimlach, dien hij zich veroorloofd heeft bij onze vraag, of Iphigenie is menschenwerk of Gods-gewrocht.

VI. Goethe tracht met dit "orgaan" voortdurend naar eenzijn met het hoogste, zoodat gedurende lange tijdvakken de kracht om van het goede af te wijken hem schijnt ontvreemd. Hij voelt zich rechtstreeks in Gods greep. Gelijk Egmont zweeft hij slaapwandelend van daad tot daad. Hij is (naar Jacobi's uitdrukking) een bezetene. Eerbiediglijk beschouwt hij zijn dichtkunst als noodzakelijke manifestatie Gods, als een natuurkracht. Half-sluimerend gaat hij des nachts naar zijn lezenaar en schrijft met potlood, diagonaalsgewijs zijn liedjes op flarden papier, die hij aantreft. Voordat hij zich ter ruste legt, verwijdert hij den inktpot, vreezend dat het krassen van zijn veder hem zal schrikken uit zijn scheppingsdroom. 's Morgens bekijkt hij zijn werk, zooals een kloek de kuikens bekijkt, die ze heeft uitgebroed: hij heeft het voortgebracht en ziet het niettemin voor het eerst.

Wisset nur, dass Dichterworte Um des Paradieses Pforte Immer leise klopfend schweben, Sich erbittend ew'ges Leben.

VII. In de instandhouding van deze geheimzinnige innerlijke kracht, waarin zijn reinste neigingen en ideeën zijn saamgevloeid, m.a.w. van zijn Persoonlijkheid, zoekt hij zijn hoogste geluk. Zijn eenig geluk. Genot der zinnen is hem niet ontzegd, mits het niet op zich zelf een doel wordt, mits het bijdraagt tot zijn leering, zijn opgewektheid, het evenwicht zijner lichaamskrachten. Maar vrij moet hij staan tegenover genot en have; hij moet er desnoods afstand van kunnen doen, ook ten behoeve van misdeelden. Zij die buiten de mate, door hun persoonlijkheid gesteld, naar aardsche goederen haken, zullen deze ten slotte verachten en "alles" ijdel vinden, wat zondig is: Immers Geest en materie, ziel en lichaam, gedachte en uitgebreidheid, zijn noodzakelijke dubbel-verschijningen van het Universum, die gelijke rechten hebben, en te zamen als stedehouders van God zijn te beschouwen. De natuur, aldus gezien, heeft evenmin een kern als een schaal. En toch heeft ieder zich ter dege af te vragen: ben ik kern of schaal?

VIII. Want in de ongrijpbare kern van natuur leven Entelechiën, dat zijn krachten, wier wezen is werkzaamheid. "Als ik (dus) tot aan mijn levenseinde rusteloos werk, is de natuur wel verplicht, mij een anderen zijnsvorm aan te wijzen, wanneer de tegenwoordige mijnen geest niet langer kan bevatten". Maar niet ieder is op deze wijze persoonlijk onsterfelijk: Om mij in de toekomst als groote entelechie te manifesteeren, moet ik er een zijn: mijn werkzaamheid mag dus nooit verslappen.

Dit is het inzicht dat Goethe in zijn later leven verwierf, nadat hij geweldige hartstochten en begeerten had moeten overwinnen, om niet van zijn blijvende goed, zijn persoonlijkheid, te vervreemden. Hij ging naar Italië om dezen strijd uit te vechten. Te midden van de werken der antieken, die het individueele (dat den mensch uiterlijk onderscheidt van soortgenooten) met het persoonlijke (dat den mensch aan God bindt) vereenigen, vatte hij het besluit: zich voortaan slechts met dingen van blijvenden aard bezig te houden. Allengs kreeg de wereld minder vat op hem en kon hij vrienlijk afstand doen van veel genot, veel lof, veel instemming. En hij keek zoo rustig de wereld in, dat (naar getuigenis van tijdgenooten) van zijn verschijning wel evenveel invloed uitging als van zijn werk. Deze gemoedsrust, waarmede hij velen gelukkig maakte, sproot voort uit de begrippen, die hij na veel lijden had voortgebracht.

3. DE NATUURBESCHOUWER.

IX. Is dus zijn werken als scheppend kunstenaar hem geen liefhebberij maar welbewust een heerlijke plicht, welker vervulling zijn persoonlijkheid vormt, volmaakt, en hem Gode welgevallig doet zijn; hetzelfde geldt van zijn arbeid als natuuronderzoeker. Hij vorscht naar het noodzakelijke in de natuur teneinde zijn zedelijk leven vaster, zijn kunst dieper, zijn godsdienst vruchtbaarder te krijgen. Al deze uitingen streven naar hetzelfde. Wie Goethe als kunstenaar of als mensch hoogstelt, moet de grondslagen van zijn natuurbeschouwing kunnen waardeeren. Of liever: Men kent Goethe volstrekt niet, zoolang men niet zijn kunst en zijn wetenschap, als factoren van zijn zieleheil, even ernstig neemt.[A] Hij zelf deed het stellig: hij wist dat van deze twee zijn leven afhing.

Reeds als kind zoekt hij de natuur te begrijpen. Als student in de rechten volgt hij bij voorkeur allerlei colleges over natuurwetenschappen. Onwillekeurig tracht hij naar verkeer met natuurgeleerden, omdat die, ieder op eigen gebied, zoo goed de détails kennen, en hem, nog voordat hij heeft onderzocht, een algemeen idee kunnen verschaffen van het feiten-materiaal. De beschrijvingen, die hij levert van zijn tochten door woud en gebergte, zullen in den negentiend'eeuwschen mensch liefde tot de grootsche vrije natuur wekken. Op uren dat jonge studenten zich nog in hun bed omkeeren, zien wij den reeds wereldberoemden Goethe door sneeuw en regen naar Loders theatricum anatomicum flaneeren, waar hij soms de eenige toehoorder is. Als nu toevallige aanleidingen zijn sluimerende begeerte naar stellige wetenschap van de natuur doende maken, ziet hij zich lijnrecht geplaatst tegenover zijn tijdgenooten, die hem niet als medegeleerde willen erkennen—en wier spotternijen nog tot op den huidigen dag schijnen te gelden. Toch is hij de man, die de kennis van de organische natuur tot een wetenschap heeft omgevormd.

X. Met de Renaissance begon een ietwat strengere beoefening van sommige wetenschappen: en de mensch, met vele nieuwe instrumenten "het onbekende veroverend", ontdekte, verkende zooveel vreemde landen, gewassen en menschen, zooveel wemelende sterren, gedierten en verschijnselen, dat men op het einde van de achttiende eeuw ernstig verlangde naar orde in de menschelijke kennis. Het spreekt wel van zelf, dat men bij die ordening aanvankelijk op een verkeerde manier te werk ging. Voor zoover men niet, gelijk de encyclopédisten, aanstuurde op een veelomvattend, overzichtelijk résumé van alle in den loop der eeuwen verzamelde gegevens, ordende men de gegevens naar uiterlijke kenteekenen. Zoo bracht Linné de planten in "systeem" door ze te rangschikken naar het aantal meeldraden etc. dat haar bloem vertoonde, naar den vorm van kelk of blad. Deze methode, zelfs als ze door een talentvol geleerde wordt toegepast, brengt, op zich zelf beschouwd, de wetenschap niet verder; immers men heeft eerst het bewijs te leveren, dat dergelijke kenteekenen iets zeggen omtrent het wezen van de voorwerpen waaraan men ze vindt; de geheele rubriceering valt ineen, zoodra blijkt dat een bepaald uiterlijk kenmerk bij voorwerpen van verschillenden aard wordt gevonden. Zij doemt de wetenschap tot onvruchtbaarheid; zij kweekt kamergeleerden en aan den anderen kant charlatans, die haar fouten vermoeden maar te zwak zijn om ze te corrigeeren, en door hun volslagen bandeloosheid het menschelijk weten in discrediet brengen; zoodoende een mysticisme, het menschelijk denken vijandig, aankweekend, dat met ware Godsvrucht weinig heeft uitstaande. Aldus de stand van zaken in Goethes jonge jaren. Nu, hij schiep een wetenschappelijke werk-methode, die in onzen tijd wel door alle ernstige onderzoekers stilzwijgend of uitdrukkelijk wordt gehuldigd, maar die in zijn tijd ontsteltenis wekte.

XI. Hij wenscht nl. dat de onderzoeker door langdurige beschouwing van de natuur: aandachtig, belangeloos, onbevangen, zich vertrouwd make met het intieme leven en werken van de natuur, zooals het zich uit in de gedaanten en gestalten, die hare schepselen aannemen en noodzakelijk moeten aannemen. Voelt hij met zijn intuïtief kenvermogen den Geest, waarvan alle levende wezens de verschijning zijn, zooals het volmaakte kunstwerk de verschijning is van de zuivere kunstenaarsziel, kent hij aldus de wereld van binnen naar buiten, dan is voor hem het oogenblik gekomen om van gedragslijn te veranderen. Hij heeft al wat hem gegeven is ontleed; nu gaat hij zelf geven. Naar den maatstaf, dien hij aan de ware werkelijkheid heeft te danken, gaat hij scheppend te werk, en contrôleert nu door opzettelijke proefneming of de typische natuurgewrochten, zooals hij zich die denkt, mogen beschouwd worden als vertegenwoordigers van het wezen der dingen, van het blijvende in de bonte en warrelende wisseling der verschijnselen:

"Anschaun wenn es dir gelingt Dass es erst ins Innre dringt Dann nach aussen wiederkehrt Bist am herrlichsten belehrt".

Zoo ontwikkelt zich wetenschap uit poëzie.

Dit is Goethes synthetische methode, waarbij inductie en deductie, analytiesch en synthetiesch schouwen zinlijkheid en rede, phantasie en verstand elkaar afwisselen, steunen, ja elkaar in waarde en evenwicht houden.

Door de scheppende phantasie wordt de ervaring, bevorderd, het vinden en het uitvinden voorgelicht. Zoo begrijpt de Straatsburger student welke détails, blijkens den geest des geheels, aan de cathedraal ontbreken, en ziet: de oorspronkelijke teekening stelt hem in het gelijk!

Men wilde indertijd niet toegeven, dat een wijsgeer-dichter, krachtens zijn dichterschap, baanbreker op het terrein van de natuurgeleerdheid kan wezen. Thans zal geen ter zake kundige meer ontkennen dat de wiskunstenaar, de botanicus, de ontdekkingsreiziger, de arts, de chirurg, de onderzoeksrechter, de advocaat, ieder naar hun aard, krachtens hun scheppende phantasie werken.

XII. Bestaat nu voor Goethe de waarneembare natuur uit de gestalten, die een werkzaam Wezen aanneemt, dan is het begrijpelijk, dat twee verschijnselen voor hem rechtstreeks met dat innerlijke van de natuur samenhangen, nl.

de vorm en de kleur

der dingen. Aan deze twee verschijnselen te zamen wijdde hij een leven van studie. Het resultaat van deze studie waren zijn Morphologie (d.i. de leer van de organische natuurvormen, die bij Goethe begint) en de Farbenlehre (kleurenleer).

XIII. Als hij medewerkt aan Lavaters boek over gelaatsuitdrukkunde en diens enorme verzameling portretten doorloopt, is hem reeds de voor-onderstelling gerezen: er is niets in de huid, dat niet in 't gebeente zit,—een meening die hij in zijn "Bijdragen over dierschedels" in genoemd boek nader uitwerkt. Hij ziet (zooals vele moderne anthropologen) in den beenderbouw van den mensch het toonaangevende element in diens lichaamsvorm. De anatomie, voornamelijk de osteologie (beenderleer), blijft hem sindsdien boeien. Zoodra zijn positie hem daartoe in staat stelt, gaat hij ze onder de grootste geleerden uit zijn omgeving ernstig beoefenen. Den 27sten Maart 1784 gelukt hem de belangrijke ontdekking van het os intermaxillare (tusschenkaaksbeen, waarin de boven-snijtanden zijn geplaatst) bij den mensch. Vol vreugde schrijft hij over deze ontdekking een tractaat: een toonbeeld van wetenschappelijke zeggingswijs, dat hij beschouwd wenscht als een soort van proefschrift, hetwelk hem toegang tot de geleerde wereld moet geven. Teekeningen van mensch- en dierschedels—door een van zijn leerlingen aan de teeken-academie vervaardigd—toonen de verschillende vergroeiingen van het tusschenkaaksbeen, die hij heeft waargenomen. Doch men weigert hem het plaatsje waarop hij aanspraak maakt. Alle anatomen (uitgezonderd zijn leermeester) blijven het bestaan van dit beenstuk in den menschenschedel ontkennen. Ook onze landgenoot Petrus Camper, de grootste ontleedkundige van zijn tijd, door Goethe als een universeel licht gewaardeerd, en die het overigens eens was met alle waarnemingen, neergelegd in het anonyme geschrift, hem toegezonden door den wederzijdschen vriend Merck. Pas een halve eeuw later doet Goethe zijn opstel drukken: al dien tijd wacht hij op erkenning.

XIV. De ontdekking van het os intermaxillare was voor Goethe en zijn tijd van groote beteekenis. De geleerden, die natuurlijk niet blind waren gebleven voor de overeenkomst tusschen 's menschen lichaamsbouw en den lichaamsbouw van de hoogere dieren, konden toch geenszins aannemen, dat mensch en dier in dit opzicht variaties zouden zijn van het zelfde grond-type. Zij hadden daartegen formeel-godsdienstige bezwaren, terwijl zij wijsgeerig te laag stonden om deze overeenkomst te waardeeren en te verwerken. Enkele op zich zelf staande onderzoekers, die er toen reeds anders over dachten, worden pas in onzen tijd gehuldigd. Algemeen beweerde men dat het tusschenkaaksbeen, dat bij den aap wèl, bij den mensch niet zou voorkomen, als het ware een scheidingslijn uitmaakte tusschen mensch en beest; hieraan klampte men zich halsstarrig vast, aldus weer eens bewijzend, hoe aanmerkelijk overigens eerbiedwaardige vaklieden zich laten beïnvloeden door religieuze en pseudo-wijsgeerige vooroordeelen. Goethe echter, die overal bespeurde "het Eeuwig-Eene, dat zich veelvuldig openbaart" kon, juist wijl hij besefte dat de kern der natuur den mensch—en dus ook hem—"in het harte leefde", in zulk een scheidingslijn niet gelooven. Ze kòn er niet zijn, en het os intermaxillare moest derhalve ook bij den mensch worden aangetroffen. Zijn ideeën over zedelijkheid hadden van een eventueel te bewijzen verwantschap tusschen mensch en dier niets te vreezen; ook wist hij wel, dat het verschil tusschen hoogere en lagere wezens niet in eenig détail doch in het geheel moet worden gezocht. En vandaar zijn vreugde toen hij mocht beweren, dat voor vergelijkende studie van dier- en menschenschedels de vermeende scheidingslijn niet stand hield. Want nu kon ieder hooger dier (morphologisch) beschouwd worden als een toon in de groote harmonie, die men als geheel moet bestudeeren, indien men niet wil dat iedere toon een doode klank blijft. Na tien jaren van voortdurend onderzoek—in Italië had hij de schoonheid van het menschelijk lichaam leeren liefhebben, en zoo was de studie van de ontleedkunde hem een doorloopende genieting[A]—gaf Goethe zijn Eerste ontwerp van eene algemeene inleiding in de vergelijkende anatomie, uitgaande van de Osteologie (1795). In dit werk beschrijft hij den grondvorm, die zich in alle hoogere dieren weerspiegelt, en die dus de basis uitmaakt, waarop werkelijke kennis van de uiteenloopende diervormen dient te berusten. Zijn Morphologie (1820) belichaamt deze gedachte uitvoeriger.

XV. Goethes zoeken als plantkundige gaat in dezelfde richting. Sedert den tijd, dat hij telkens de vrije natuur invluchtte om daar tot bezinning te komen, leeft hij vertrouwelijk met de planten. En als hij, eenmaal te Weimar, zich als minister aan landbouw en aan boschcultuur heeft te wijden, in zijn toovertuin vruchten en bloemen teelt, de zelfgekweekte fijne asperagis aan Charlotte zendt, met boom en struik van zijn liefde spreekt, bezit (zooals hij zich gaarne uitdrukt) het plantenrijk hem geheel: het "zimplifiziert" zich in zijn ziel. Ook hier leert hij, langs den bekenden weg in eigen boezem schouwend, het Eene kennen, dat zich veelvuldig openbaart.

Naar de oerplant zoekt hij. Oerplant mag niet verstaan worden in analogie met het moderne woord oerdier, waardoor wordt aangeduid een levend wezen, slechts onder 't microscoop waarneembaar, dat uit één cel of uit enkele cellen bestaat. Het microscoop is in Goethes tijd nog zeer onvolmaakt, en van de verdwijnend kleine kiemdiertjes wist men weinig of niets. Goethe heeft ze, zoo niet nauwkeurig gekend, dan toch vermoed; doch wij meenen dat zijn begrip "oerplant" zich niet hadd' gewijzigd, indien hij er nauwkeuriger kennis van hadd' bezeten. Een plant of een dier is voor hem de verschijning van een geest, die zich het materiaal uit zijn omgeving eigen maakt, het organiseert. Het is de vormverovering van een "wezen". De cellen nu zouden voor hem het te organiseeren materiaal zijn geweest, waaruit zijn oerplant zich zou vormen; en niet om de geaardheid van het materiaal, doch om den vorm is het hem te doen.

Na zijn terugkeer uit Italië begrijpt hij dat deze oerplant, hoewel in alle planten aanwijsbaar als "voorbeeld", niet op zich zelf bestaat. Zij is het beginsel (niet een abstractie, maar een voorafgaandelijk principe) waarnaar alle planten zich vormen: dat het plantenrijk dan ook overzichtelijk maakt, echter op geheel andere wijze als Linnaeus dit beproeft.

Want de organen die, in zekere getale en in bepaalde groepeering voorkomend, in het plantenkundig stelsel van Linnaeus merkteekenen zijn, waaraan men een bepaalde plant herkent en waarnaar men ze benoemt, deze organen zijn voor Goethe (en voor de moderne plantkundigen) niet vaststaande vormen, die reeds in het zaadje liggen opgevouwen, zich dan óntvouwen, en, verder groeiend, principiëel niet veranderen (Linné). Al deze organen als bloem- en kelkbladen, meeldraden, stampers etc. zijn volgens Goethe wijzigingen van het eenige oorspronkelijke plant-orgaan, het oerblad. In de Metamorphose (d. i. in den ontwikkelingsgang "van zaad tot nieuw zaad") vormt het oerblad zich geleidelijk om tot de veelsoortige onderdeelen, bloem en bloesem, blad en vrucht, die men aan de volwassen plant waarneemt. En merkwaardiger wijze (merkt Goethe op) herhaalt de vorm van blad en vrucht zich in den vorm van een geheele plant, wat bijvb. duidelijk uitkomt als men de kroon van een appelboom met blad en met vrucht van dien boom vergelijkt.—Dit is het tooverwoord dat de plantkundige vormenleer tot een wetenschap heeft gemaakt en waaromtrent de vermaarde Geoffroy St. Hilaire (een van Darwins voorloopers) getuigt: dat Goethe "de geniale dwaasheid beging een halve eeuw te vroeg met zijn ontdekking te komen, toen er nog geen botanici waren die ze konden bestudeeren en begrijpen".

XVI. Maar de grondgedachte, door Goethe de metamorphose der planten genoemd, reikt veel verder dan het beperkte gebied, waarop hij ze aanvankelijk toepaste. Evenzeer als men Linné's opvattingen benutte bij de studie van geheel de levende natuur, is dit met Goethes inzicht het geval. En heeft Linné's principe aanleiding gegeven tot de beruchte préformatie-leer, waarvan de consequentie is, dat moeder Eva van alle menschen die na haar zijn geboren, en tot in lengte van tijden geboren zullen worden, de kiemen in elkaar gewikkeld met zich droeg—Goethes idée bevatte de leer van de ontwikkeling. De meeste stellingen, later door Darwin aan een maniacaal rijk mensch- en diermateriaal gedemonstreerd: de beteekenis van arbeidsverdeeling en specialiseering van bepaalde organen, van den strijd om het bestaan, van aanpassing, van omgeving, van pathologische afwijkingen die als kenmerken van bepaalde vergroeiingen zijn te beschouwen, heeft Goethe ongeveer driekwart eeuw vroeger reeds uitgesproken. Hiermede zij niets afgedongen op de oorspronkelijkheid van Darwin. Integendeel: wij zijn van oordeel dat Darwin, indien hij zich voldoende aan den idealist Goethe hadd' gespiegeld, allerlei populaire platheden, die in zijn leeringen stilzwijgend liggen opgesloten, voor zoover hij ze niet uitdrukkelijk heeft verkondigd, zou hebben vermeden. Een ernstige vergelijking tusschen Goethe en Darwin zou kunnen illustreeren, hoeveel de dichter-wijsgeer voor heeft op dezen vakman. Een wijsgeerig en sentimenteel houdbare evolutie-leer moet o. i. tot Goethe teruggaan.

XVII. Het zou te ver voeren, Goethes werkzaamheid op het gebied van delfstofkunde, geologie ("de beenderleer der aarde") en weerkunde breedvoerig te bespreken, en gewag te maken van zijn vruchtbare opmerkingen aangaande de waarde, die aan de opgraving van voorwereldlijke dieren is toe te kennen.

Wij naderen thans zijn kleurenleer en hebben te wijzen op zijn scherpzinnige doch ook scherptongige bestrijding van Newton: "Kan men grooter dwaling begaan (zoo heeft hij gedurende de laatste helft zijns levens in velerlei toonaard gevraagd) dan te meenen dat het klare, reine, eeuwig ontroebele licht uit donkere kleuren is saamgesteld?" De lezer wete dat, volgens Newton, zuiver wit licht al de kleuren bevat, die men aanschouwt, wanneer zulk licht (onder bepaalde voorwaarden) door een driehoekig prisma dringend, op een wit scherm wordt weerkaatst.

Goethes belangstelling in kleurverschijnselen kwam tot uiting in den tijd dat hij schilder trachtte te worden, en langs theoretischen weg trachtte te bereiken wat anderen door hun natuurlijken aanleg gemakkelijk valt: dat de kleuren en de lichten en schaduwen die op het doek worden gelegd tezamen rustig en harmoniesch doen. Hij merkte dat zijn leermeesters volstrekt niet weergaven de kleuren van de voorwerpen die zij nabeeldden, doch door oordeelkundig gebruik van contrasteerende kleuren en belichtingen naar bevrediging van het oog instinctief streefden: dat dus het oog van den beschouwer eigenlijk andere kleuren waarneemt dan, objectief bekeken, op 't doek aanwezig zijn; dat het oog de kleuren ten slotte zelf maakt. Wanneer in het algemeen het oog door een bepaalde kleur wordt getroffen, eischt het de daaraan "tegengestelde" kleur: ziet men bijvoorbeeld een helder rood ding, dan bespeurt men, zoodra men den blik afwendt "in zijn verbeelding" dezelfde gedaante groen; de zon, bij zuiveren dampkring aanschouwd, wekt in het oog zoodra men het sluit, een zwart beeld. Op dergelijke verschijnselen heeft Goethe het eerst de aandacht gevestigd; hij heeft ze buitengewoon nauwkeurig beschreven en benoemd in zijn groote "Farbenlehre". Zij hebben aanleiding gegeven tot de ontdekking van de z.g. physiologische en subjectieve kleurverschijnselen. Joh. Muller, de vader van de nieuwere physiologie, getuigt dat hij de ontdekking van zijn "spezifischen Sinnesenergiën" aan vierjarige studie van de Farbenlehre dankt.

Over den grondslag van Goethes kleurtheorie zijn de geleerden echter minder te spreken. Door een toeval ontdekkend dat het Newtonsche spectrum zich onder bepaalde omstandigheden niet vertoont, is deze, na langdurige proefneming, gaan meenen dat het spectrum niet ontstaat door ontleding van wit licht, maar naar gelang het eenige licht dat denkbaar is (door Newton wit licht geheeten) door een dikker of een dunner gedeelte van het driehoekige prisma dringt. Voor Goethe bestaat er slechts licht en niet-licht (gewoonlijk duisternis geheeten). Kleuren ontstaan bij een bepaalden graad van verduistering van het licht. In absoluut licht zouden wij niets zien; absoluut licht ware absolute duisternis. Het licht wordt slechts zichtbaar aan zijn tegenstelling; en waar licht en duisternis samensmelten ontstaan de zoogenaamde "gekleurde randen", die in Goethes theorie, vooral in zijn eerste boekje over dit onderwerp, een groote rol spelen. Verduistering van Het licht heeft plaats doordien het medium, waardoor wij het Licht zien (glas, de dampkring, een membraan enz.) min of meer troebel is. Zoo is de kleur van den hemel bij zekere samenstelling van de atmosfeer blauw, zweemt bij zwaren of troebelen dampkring naar indigo en violet, bij zeer verdunden dampkring echter naar rood-geel (bijvb. de zoogenaamde Sirocco-lucht, die Goethe in Italië waarnam). Hiermede houdt verband de leer van de gekleurde schaduwen: wanneer bijvb. op sneeuw, waarvan men te voren zag dat ze helder wit was, een schaduw (verduistering) valt, dan ziet men er niet een zwarte doch een blauwige tint over heen glijden, als gevolg van de vermenging van licht en duisternis.

Intusschen, het kan onze taak niet zijn, in een boek als dit een theorie te gaan verdedigen, die door de mannen van het vak nauwelijks behoorlijk is onderzocht. Na er enkele grepen uit te hebben gedaan, wenschen wij niet in détails te treden, omdat de kern van de zaak verre buiten den gezichtskring ligt van hen, die wij ons gaarne als lezers van dit boek voorstellen: het vermelden van meer byzonderheden zou een soort van kennis kunnen kweeken, tot welker bevordering wij ons niet gaarne leenen.

Maar gaarne constateeren wij hier, dat Goethe deze quaestie naar onze meening te uitsluitend als een natuurwetenschappelijke heeft beschouwd, en zich te veel heeft verlaten op de juistheid van zijn experimenten. Proeven bewijzen in dit opzicht niets. Een proef kan bewijzen dat men een bepaald verschijnsel goed heeft waargenomen, of een onderdeel van dit verschijnsel goed heeft geïsoleerd. Maar een verklaringsgrond voor dat verschijnsel volgt niet uit de proef; die kan slechts voortvloeien uit het Geheel onzer ideeën, en door zijn plaats in dit Geheel wordt zijn juistheid bewezen. Zoolang men zich op het gebied der proefnemingen verschanst, is het zeer wel denkbaar dat eenzelfde verschijnsel door twee of meer tegengestelde gronden zich verklaren laat. Inderdaad is ons gebleken, dat vele kleurverschijnselen, waarvan Goethe meende dat de Newton-theorie ze niet kon bereiken, zoowel deze theorie als de zijne dulden. De physicus neemt deze verschijnselen waar, maar de wetenschappelijke wijsgeer slechts kan den strijd over de verklarings-theorieën beslechten. En dan past het, hier in herinnering te brengen, dat Schelling het Newtonsche spectrum "een echt spectum" (d. i. een spook) heeft genoemd, dat Hegel zoowel als Schopenhauer de leer van de Engelschen wiskunstenaar een "Barbarei" heeten, en dat Hegel (die Goethes theorie in hoofdzaak beaamt, en als "wijsgeerige kleurenleer" verkondigt) het tot Goethes verdiensten rekent: "het prisma naar den duivel te hebben geholpen".

Teekenend voor Goethes wereldbeschouwing is het volgende: Toen in 1830 te Parijs de Juli-revolutie was uitgebroken, kwam hij de kamer van zijn secretaris Eckermann binnenstormen, roepend dat de vulkaan tot eruptie was gekomen, dat alles stond in vlammen, dat nu eindelijk de zaken niet meer konden worden behandeld met gesloten deuren.—Ja, een vreeselijke geschiedenis! antwoordt de secretaris, maar hoe kon het in de gegeven omstandigheden en onder zoo'n ministerie ook op iets anders uitloopen dan op de verdrijving van het vorstelijk huis?—Mijn waarde, zegt nu Goethe, wij schijnen elkaar niet te verstaan: ik spreek heelemaal niet van die luidjes, ik heb het over heel wat anders. Ik spreek over den voor de wetenschap zoo belangrijken strijd tusschen Cuvier en Geoffroy St. Hilaire, die nu in de Académie tot een voldongen uitbarsting is gekomen!—

De synthetische methode van natuuronderzoek, waarvoor ook hij 50 jaren had gestreden, had in Frankrijk post gevat. Ondanks de bloedige gebeurtenissen was de vergaderzaal van de Académie vol. En dit maakte den meer dan tachtigjarigen Goethe zoo jongensachtig blij, dat hij op de revolutie niet lette.

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
ornament hoofdstuk XXIII
ornament hoofdstuk XXIII

XXIII

Lieve hemel! Daar kruipen er toch zooveel tegen de Parnassus op—laat ze meekruipen! FRAU AJA.

Hongerig en ontevreden was Schiller naar Weimar gekomen, in de verwachting een hapje of wat te mogen meeëten aan de hertogelijke ruif, die al zoo veel groote geesten in het leven hield. Hij had te voren kennis gemaakt met Carl-August, die hem bij die gelegenheid tot staatsraad benoemde. De weggeloopen officier van gezondheid (in wien men den dichter had willen dooden), lang en tenger, met zijn bleek-blauwe, hemel-zoekende oogen, uitgeteerd door honger en ziekte, zwervend van vriend tot vriend, boekjes vertalend voor een prijsje, vertaalwerk uitbestedend aan literators die nog meer honger hadden dan hij; en toch steeds door schuldeischers opgejaagd; vertrouwend op zijn bruikbare kwaliteiten als geschiedschrijver, dichter, wijsgeer, tooneelprutser, criticus, meende op een emplooy te mogen hopen.

Goethe reisde toen in Italië, doch overal voelde zijn bewonderaar den invloed van zijn arbeid; nu eerst begreep Schiller dat deze dichter tevens een groot staatsman, een vindingrijk geleerde, een zorgzaam paedagoog was; en hij sprak het uit dat Goethe meer als mensch dan als dichter werd bemind. Toen nu de arme zoeker zich verliefde in Charlotte von Lengeveld, die zeer bevriend was met Frau von Stein, verwachtte hij, spoedig tot Goethes kring te worden toegelaten. En gedienstige geesten ontwierpen allerlei plannen, die toenadering tusschen de twee groote mannen moesten uitlokken. Doch juist in dien tijd was Goethe allerminst gesteld op de kameraadschap van een intellectueel, wiens bedoelingen hij aanstonds doorgrondde. Toch reeds afgemeten in zijn manieren en koel tegenover vreemden, hield hij zich gedurende de eerste ontmoetingen met Schiller zoozeer op een afstand, dat deze wanhoopte, ooit intiem te worden met den belangwekkenden causeur, die zich in ieder verdiepte maar zich nooit geheel gaf, en dusdoende (zoo meende Schiller) planmatig zijn eigenliefde streelde.

Door Goethes toedoen kreeg Schiller (die met een werk over den afval der Nederlanden een goeden naam als historicus had verworven) een buitengewonen leerstoel voor geschiedenis aan de hoogeschool te Jena; en toen hij in alle bescheidenheid te kennen gaf, dat hij zich voor die taak nog niet bekwaam genoeg achtte, beduidde de minzame Olympiër hem, dat men al onderwijzend leert. En zij bleven elkaar vreemd. Schiller moest aan de voorbereiding van zijn colleges zooveel tijd geven, dat zijn levenswerk op den achtergrond raakte; zijn oude bitterheid tegen den verkwistenden, luien Goethe, die er zoo warmpjes in zat terwijl hij zich afsloofde, borrelde weer op: Die man zit mij in den weg!

Inderdaad waren zij antipoden, en (zegt Goethe) tusschen geestes-antipoden ligt meer dan de doorsnêe van den aardbol. Indien men nu bedenkt dat Goethe, àls poëet, natuurvorscher was geworden; en dat Schiller, nadat hij reeds als mediesch student in allerlei natuurwetenschap had uitgeblonken, daar een soort minachting voor had gekregen, en zich uitsluitend aan de cultuur zijns geestes hoopte te wijden: dan voelt men hoe dit verschil in levensgang op een diepwortelend verschil in aanleg wijst. De denker Goethe was passief; zijn ideeën ontstonden in de duisternis van zijn onbewuste wezen; hij moest aarzelend tasten en geduldig wachten, totdat zijn ideeën waren voltooid en hij ze als beelden aanschouwde. Doch "dan had hij ook maar aan zijn levensboom te schudden en de rijpe vruchten vielen in de menigte!" Schiller was als denker actief: hij bestudeerde en beheerschte de verrichtingen van zijn brein; hij werkte berekenend met zuivere begrippen, en met constructies van begrippen, die hij bouwde. En daarna zette hij met overleg die constructies om in beelden, zijn denken prikkelend met allerlei stimulanten. Schiller bereidde zijn werken met zijn vrienden voor, doorsprak, doordacht zijn plannen met hen. Goethe wist nauwelijks wat er in hem gebeurde, en merkte dan plotseling dat er iets in zijn ziel was ontstaan. Goethes dichten geschiedde instinctief; hij wilde geven natuurlijke menschen wier onbewuste verwantschap met God zich kond deed; zijn ideaal lag in argelooze uitleving van loutere menschelijke instincten. Doch Schillers dichten geschiedde strikt intellectueel; hij trachtte te maken menschen die overwegend Goddelijk en maar eenigszins natuurlijk waren; in vrije zedelijkheid, zedelijke vrijheid zocht hij zijn ideaal. Hij had in de levensperiode die achter hem lag aanleiding te over gehad, om de werkelijkheid te haten en te ontvlieden, om bij voorkeur in het rijk van gedachte en schoonheid te verwijlen. En hij moest een volgzaam discipel worden van Kant, die leeraarde dat de mensch de natuur maakt tot wat ze hem dunkt te zijn, dat de mensch vrijheid heeft, de natuur te onderdrukken en te dwingen. Dit boekstavend had hij Goethe geërgerd: deze immers had de werkelijkheid doorgaans nogal goedmoedig genomen, zag in de natuur een milde moeder, die men vooral moet leeren kennen zooals ze werkelijk is. Zijn levensloop was niet zóó, dat deze overtuiging daardoor kon worden aangetast: hij had het geluk gehad, het leven in velerlei richting te genieten, had naar hartelust gestudeerd, had menig volk van nabij leeren kennen, had vele ambten, ook zeer hooge ambten, bekleed, verkeerde gemeenzaam met denkers en heerschers, bezat de middelen om een ongewenschte omgeving te verlaten, toen dit voor zijn ontwikkeling noodig was. Voor hém geen reden om aan de werkelijkheid te twijfelen.... Heel anders Schiller, die, toen hij tot zuivering van zijn smaak Griekenland moest bezoeken, zich mocht te vreden stellen met van Grieksche helden te—lezen.

Daar kwam bij, dat Goethe Schiller beoordeelde naar zijn drama "De Roovers", waarin veel wapengekletter, geroep om vrijheid, inbreuk op wet en regel voorkwam. Dit drama behoorde tot de Sturm-en-Drangsfeer, die hij was ontgroeid; die hij haatte sinds hij een hoogere richting had ingeslagen, en voor dat betere vruchteloos huldiging zocht bij een publiek, dat zich gaarne hield bij het wapengekletter en wat dies meer zij. Daar gingen de ideeën van de Fransche revolutie, mede tengevolge van het heillooze Sturmen-en-Drängen, in Duitschland veld winnen, daar werd zoowaar de heer "Chille" (sic), de schrijver van "Robert, chef de brigands" tot burger van de Fransche republiek benoemd; het verband tusschen Schillers drama en de nieuwe richting viel niet meer te loochenen! Goethe wist niet, dat Schiller, gelijk velen, door de gebeurtenissen in Frankrijk was bekeerd, geloofde dat de gemeene man eeuwig blind was, nog in geen eeuwen rijp voor de vrijheid; en hoopte de menschen door het schoone op te voeden.

Maar onverwacht leerden zij elkaar inniger kennen. Een avond, ze hadden een natuurwetenschappelijke lezing bijgewoond, wandelden ze samen op, en Schiller maakte de opmerking, dat men met fragmentarische beschouwing van de natuur toch eigenlijk niet veel verder kon komen. Goethe was getroffen, zegde zijn meening dat men van het Geheel naar de Deelen moet gaan, noodde den sympathiek luisterenden professor op zijn kamer, wierp daar met enkele pennestreken zijn "oerplant" op 't papier.

"Dit is geen ervaring", zei Schiller die in het wijsgeerige altijd op correctie gesteld was, "dit is een Idee!" Goethe, voor wiens geesteshouding dit weinig verschil maakte, merkte ironiesch op, dat het hem aangenaam was, te vernemen dat hij werkelijk ideeën had; en (voegde hij er diepzinnig aan toe) "ideeën die ik met mijn oogen kan zien".

Toen kwam het gesprek op de wetten van het schoone en alras bleek dat de twee mannen, die tot dan toe elkander vreemden waren geweest, op dit gebied naar hetzelfde doel streefden; hoewel natuurlijk niet te loochenen viel, dat zij dit doel niet van denzelfden kant beschouwden: wat dan ook uit hun woordenkeus en gevoelstoonaard bleek. Maar vooral verheugde het Goethe, uit Schillers zeggen te begrijpen, dat deze kunst en gedachte niet koesterde wijl beroep, broodnood of liefhebberij dit zoo wilden, maar omdat zijn leven, d. i. zijn persoonlijkheid er van af hing. Met dezen man moest hij zich vereenigen tegen de domme wereld, die zich wilde vermaken!

Toen kwam de brief, waarin Schiller bekende, dat hij de ontwikkeling van Goethes genie al jaren met de grootste deelneming volgde; en van diens geheimste bedoelingen en strevingen een schets gaf, die toonde hoe ver hij met zijn fijn en geduldig vernuft in Goethe was doordrongen. "Gij vat de heele natuur samen (lezen wij in dezen brief) om over het op zich zelf staande licht te krijgen; in het Al-geheele van haar verschijningsvormen tracht gij een verklaringsgrond voor het individu te vinden. Van het eenvoudigste organisme stijgt Gij schrede voor schrede tot de meer ingewikkelde, om eindelijk het ingewikkeldste van allen, den mensch, genetiesch uit de bouwstoffen van het gansche natuurgewrocht op te bouwen.. Wat Gij echter bezwaarlijk zelf kunt weten (daar het Genie zich zelf altijd het grootste geheim blijft) dat is de prachtige overeenstemming tusschen Uw wijsgeerig instinct en de zuiverste resultaten van de speculeerende Rede. Oogenschijnlijk kunnen er geen twee grooter tegenstellingen bestaan dan de speculatieve geest die van de eenheid, en de intuïtieve die van de veelheid uitgaat. Zoekt echter de eerste met kuischen en trouwen zin de ervaring, en zoekt de laatste met eigenmachtig vrije denkkracht het Wetmatige, dan kan het niet missen, of zij komen elkaar halverwege tegemoet".

En zij kwamen elkander tegemoet. De "egoist" Goethe was ontdooid. Hij schreef dat hij voor zijn verjaardag, die juist in die week viel, geen schooner geschenk had kunnen wenschen dan zulk een brief; hij zeide openlijk dat Schiller nu nog een stapje verder moest gaan; dat hij hem noodig had, wijl hij altijd in half-duister tastte en niet onderscheidde wat er in hem omging. En onuitgegeven essays kwamen over en weer los. Schiller bracht een poos onder Goethes dak door, en bekende blijmoedig dat het zeer lang zou duren, eer hij de vele ideeën, welke de ervaring en het profetische gemoed van zijn gastheer in hem hadden gewekt, zou hebben uitgewerkt; maar geen enkel idee mocht verloren gaan!

En Goethe? Juist in dien tijd voelde hij zich sterk geïsoleerd. Carl-August beslistte wel eens in belangrijke zaken zonder hem om raad te vragen; beoordeelde letteren en tooneel naar Franschen smaak, heulde meer dan nuttig was met de émigrés; wilde in zijn bekrompen huizing den koning van Pruisen ontvangen; liet—zonder het te weten—soms merken dat hij toch eigenlijk de vorst was, hetgeen Goethe hem betaald moest zetten door zeer onderdanig te doen; waaruit Carl-August dan weer begreep, dat Goethe toch eigenlijk een egoist was. Wieland toonde zich gebelgd omdat Goethe, door medewerking aan Schillers maandblad, zijn "Teutsche Mercur" ondergroef. Met de wispelturige familie Herder leefde hij in onmin, vooral sinds hij den inhaligen predikant in een administratief geschil ongelijk moest geven, en deze, het onmogelijke eischend, niet waardeerde dat het mogelijke voor hem werd gedaan. Weldra zou Herder van den man, dien hij als een jongeling aan zijn borst had gedrukt, beweren: "Humaniteit en Christendom zijn bij hem contrabande en belachelijke veroordeelen". Wat Goethe hem betaald zette, door enkele jaren nadien zijn zoon door hem te doen "bevestigen".

Zulke onaangenaamheden hielp Schiller hem dragen. Om hem henen rees een nieuwe lente, en vele zaden ontsproten thans tot vroolijk bloeisel: hij ging weer aan het dichten. De proletariesch-voortvarende Schiller hield hem aan het werk, was gewoon te strijden tegen den remmenden invloed van lichaam, atmosfeer, stemming, stoffelijke omstandigheden. Met verwondering zag Goethe op tegen dien man, die van week tot week merkbaar vooruitging, die bij theevisite of terwijl hij zijn nagels besneed even groot was als aan de studeertafel. Hij nam op diens aandringen half-vergeten fragmenten weer ter hand, en Schiller, die de mechaniek van het denken zoo goed kende, werkte er zich in, wist te zeggen, waarop nauwelijks geschetste lijnen moesten uitloopen. Goethe liet zich door hem gaarne besmetten met theoretische wijsbegeerte, en begon, als hij, zijn werkplannen in te richten naar het resultaat van zijn bespiegelingen. Gelijk Lessing indertijd de grenzen tusschen beeld- en dichtkunst had afgebakend, zoo trachtten de twee dichtervrienden na langdurige discussie uit te maken, waar epische poëzie ophoudt en dramatische poëzie begint. Goethe schreef een studie over dat vraagpunt, en toen een goede kennis hem, terwijl hij voortwerkte aan zijn Faust, van Italië vertelde, liet hij het Germaansche drama liggen, en schreef een essay over Laakoon. Hij wilde weer naar het Zuiden, zijn wetenschap van dat land en zijn kunst volmaken, om er een monumentaal boek over te schrijven. Maar Schiller oordeelde dat hem voorloopig nog genoeg stof ter bewerking overbleef, mits hij zijn herinnering maar wilde ontginnen, en complotteerde om hem in Duitschland te houden: wat gelukte. In zijn dankbaarheid voor dit alles wist Goethe op zijn beurt zich voor zijn makker op te offeren: toen Schiller arbeidde aan zijn Wallenstein, onderving hij diens journalistieke beslommeringen, en besprak ieder tafereel met hem. Deze samenwerking maakte Schiller op zijn manier "realistiesch"! Van zijn derde reis door Zwitserland bracht Goethe plannen mee en locaal-studies voor een epiesch gedicht over Willem Tell, maar toen zijn aandacht voor die stof verflauwde, gaf hij zijn portefeuille aan Schiller over, die er tot zijn verbazing gladweg een drama uit samenstelde. Daarentegen gaf Schiller zijn vriend en mededinger den stoot tot het dichten van ballades: De bruid van Corinthe, De Toovenaarsleerling, de God en de Bajadere, De Schatgraver.

Er zijn schrijvers die het noodig achten te betoogen, dat men in de literatuur-geschiedenis van alle landen vergeefs zal zoeken naar de weergâ van een dergelijke vriendschap. Wij mijden dien weg; liever wijzen wij er op, dat de meest egoistische ideeënvrek bij zijn opgeslotenheid niet beter is gevaren dan deze twee dichters, die voor elkander geheimen noch naijver hadden.

Goethe hield nu ook voortdurend voeling met Jena, de universiteitsstad, die nu wel niet een "Muzenhof" (gelijk Weimar), maar toch een verzamelplaats van echte geleerden was geworden, waar mannen van zeer uiteenloopenden aanleg als Schelling, Hegel, de Humboldts, Loder, Hufeland, elkander steunden en waardeerden, vurig streden tegen een groep bekrompenen, die hen voor gedoopte heidenen aanzagen.

In deze omgeving kregen Schiller en Goethe kracht, om hun ergernis over menschen en richtingen, die langzamerhand de overhand namen, eens duidelijk uit te spreken. Directe aanleiding daartoe was het te niet gaan van het tijdschrift "Die Horen".[A] Schiller had het willen maken tot een manifestatie van het echt-menschelijke dat in zeer verschillende talenten en overtuigingen is aan te wijzen: "Hoe meer (zoo zeide hij in een circulaire aan de medewerkers) de bekrompen belangen van het tegenwoordige de gemoederen spannen, samendrukken en onderwerpen, des te dringender is de behoefte, om door een algemeene en hoogere aandacht voor hetgeen dat puur-menschelijk is en verheven boven den invloed der tijden, de gemoederen weder vrij te maken en de politiek-verdeelde wereld onder de banier van waarheid en schoonheid te vereenigen". Maar de weinigen die het tijdschrift lazen waren geenszins tevreden, en in het gekakel dat zij ten beste gaven meende Goethe een klank te herkennen, dien hij al meer had vernomen, telkens als hij het waagde een goed werk te publiceeren. De aanhangers van de verschillende literaire scholen sloten onderling vrede en liepen tegen de twee vrienden te hoop. Men beweerde dat de Duitsche literatuur in een stadium van verval verkeerde, en wenschte terug de gouden eeuw van Lessing. Zoo bleek dat de verschillende richtingsleuzen eigenlijk voorwendsels waren, die veel wansmaak moesten bedekken. En Goethe meende toch ook wel iets gedaan te hebben voor de Duitsche literatuur! Hij voelde zijn ouden strijdlust terugkomen. Hij haatte weer. Hij haatte de volgelingen van Nicolaï. Hij haatte de pedante voorloopers van de romantische schilder- en dichterschool, die in zijn classicisme een reactie zagen naar het heidendom, en die hunnerzijds de poëzie nu onder de controle stelden van het geloof, gelijk dit in de mystieke middeleeuwen was geweest; die het onbestemde waas van de middeleeuwen verheerlijkten, terwijl hij naar steeds beslister omlijnde vormen streefde; die gereed stonden om zich bij groepen tot het Katholicisme te bekeeren, en die verkondigden dat alle kunstenaars monnik moesten zijn, omdat er wel eens monnikken waren geweest die goede kunst hadden voortgebracht. Hij haatte de zwakke, middelmatige aanstellers, die hem collega dorsten noemen. De vinnigheid van de Venetiaansche Epigrammen was nog maar een zwak voorproefje van hetgeen den kerels nu wachtte!

Schiller en Goethe hadden elkander al eens getroost met kleine gedichtjes, waarin de een of andere bengel die byzonder lastig was geweest werd afgestraft. Nu wilden zij met een honderdtal van die stekeldichtjes de hinderlijkste personen treffen, en daarna in even korte, maar ernst-zware uitspraken boekstaven wat zij daar tegenover hadden te stellen. Tusschen Jena en Weimar ging een schrijfboek heen en weer, waarin zij beurt om beurt hun uitvallen luchtten. Vaak hokten de strafrechters samen, broeiden, vonden, knutselden samen: men weet nu niet meer wie de schrijver van elk vers is. De meest tweeregelige Xeniën[B] in den vorm van het Grieksche distichon verschenen in Schillers Muzenalmenak van 1797. Sommige stegen als lichtgevende kogels omhoog, anderen schroeiden, weer anderen werden slechts opgeworpen om het oog te verstrooien. Zij brachten hevigen schrik onder de beklaagden; men verwachtte dat het nu jaar in jaar uit zoo zou gaan, dat men nu niet meer ongestraft zich kon aanstellen als "geestelijk poortwachter, een ieder halt! toeroepend die geen pas kon toonen". Geen enkele partij bleef gespaard. Zoodra wij ons zelve niet ontzien, meenden de "Dioskuren", mogen wij heilig en profaan te lijf. Sansculotten zoowel als piëtisten werden bespot, geprikkeld, uitgekleed, vertrapt. Ook Goethes beste vrienden hadden te lijden: Jung-Stilling, die bij zijn bijbel was verdwaasd, Lavater, die schijnheilig en heerschzuchtig was geworden, Stolberg, die voorheen tyrannenbloed begeerde, maar nu elken vrijgeest heiden schold.

Natuurlijk bleef wraak niet uit. Er verschenen heel wat parodieën, anti-xeniën, tegengeschenken, die persoonlijke aanvallen in den zelfden trant beantwoordden, die Goethes huwelijksleven bezwadderden, die van de onjuiste onderstelling uitgingen, dat Goethe en Schiller op dezelfde wijze waren te treffen als gewone literaire straatjongens. "Het is grappig, te zien wat dit soort van menschen eigenlijk heeft geërgerd (schreef Goethe aan zijn vriend) en waarmede zij meenen een ander te ergeren; hoe laf, leeg en gemeen zij een hun vreemde Existentie beschouwen, hoe zij hun pijlen op den buitenkant van iemands lichaam richten, en hoe weinig zij vermoeden in wat onneembaren burcht hij woont, die zich zelf en de dingen altijd ernstig neemt". Hij wilde terughouwen: De wansmaak bleek nog erger dan hij te voren had gemeend. Hij had spoedig een soort van comedie "De gouden bruiloft van Oberon" gereed, waarin hij zijn belagers opnieuw ongenadige straffen toediende. Maar Schiller vond dat het nu mooi was: tegen domheid stonden zelfs de goden machteloos. Het stuk bleef liggen, en werd later in Faust verwerkt.

De "dichtervorsten" besloten, het bij dit eene "dolle waagstuk" te laten, en voortaan met monumentale schoonheid den menschen te toonen hoe het eigenlijk moest; zij wilden, allen tegenstanders ten spijt, hun proteus-achtigen aard thans in de gestalte van het edele en goede doen verschijnen.

Wijze moeder Aja was over dezen inkeer geestdriftig verheugd, al had ze het land aan de literaire "zonder-broeken".

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
ornament hoofdstuk XXIV
ornament hoofdstuk XXIV

XXIV

Bilde, Künstler! rede nicht Nur ein Hauch sei dein Gedicht

HERMANN UND DOROTHEA.

Schillers invloed en voorbeeld zetten Goethe aan tot onophoudelijk doelbewust werken, op alle gebieden die zijn geest tot dan toe hadden verlokt. En zulk werken bracht mede dat hij onafgebroken gestemd was op de harmonie van het Eene dat veelvuldig zich openbaart, dat hij menschen en gebeurtenissen met rustigen blik doorzag. Zoo is dan begrijpende rust het hoofdkenmerk van het epische gedicht Hermann und Dorothea, dat in deze periode ontstond, en dat techniesch zoowel als psychologiesch tot Goethes volmaakste werken behoort. Men zal bij oppervlakkige lezing glimlachen om de bewering, dat een man, die in geen enkele wetenschap vreemdeling was, buitengewoon veel menschen, verdorven, brave en verheven menschen goed kende, en menig spannend avontuur had beleefd, zijn glorie zou vinden in een zoo eenvoudig verhaal van zoo weinig bladzijden druks. Men ziet voorbij, dat in die weinige bladzijden druks Goethes standpunt is neergelegd—niet polemiesch doch beeldend—tegenover een groote drijfveer van de omwentelingsgszindheid, die hem zooveel droeve uren had bezorgd; men ziet dit voorbij doordat de raad, dien de dichter zijn landgenooten geeft, zich niet rechtstreeks laat voelen of volgen. Men vergeet, dat in die enkele bladzijden druks wel een dozijn tragische spanningen worden ontbloot, gepeild, opgeheven, die ieder voor zich zelf konden dienen om in een modernen horizonloozen roman uitgeplozen te worden, en alsdan vele lezers te overprikkelen of wanhopig te maken. Men vergeet het, doordien deze spanningen, gelijk Goethe ze te boek stelt, den lezer wel intens doch slechts voorbijgaand treffen: wreedheid en naastenliefde, gemeenheid en adel, woede en humor zijn in dit epos zoo gegroepeerd, dat zij elkander dragen, dat de ontroeringen die ze stichten tot een genietelijke eenheid samensmelten.

Dit moet echter niet zoo begrepen worden: dat de dichter met fijne vaardigheid en gereede kunde de "classieke rust", die hij in oude beeldgroepen had bewonderd, op de poëzie "toepaste", teneinde daarmede den lof van typiesch-Duitsche esthetische snuffelaars te oogsten; doch zoo: dat de dichter o.a. de antieke beeldgroepen had bewonderd, wijl ze iets hadden van de gelaten schoonheid, die hij in zich voelde worden. Zijn verlangen naar zulke schoone gelatenheid ontsproot uit een wijsgeerigen levenskijk—de lezer kent ze in grondtrekken—welke als zoodanig den classieken beeldhouwer wel zal hebben ontbroken; daar ze slechts volgen kon op de storing in het intellectueele evenwicht, die met de Christelijke zelfbespiegeling samenhangt. Door Iphigenie en Tasso was een langdurige evolutie naar deze schoone gelatenheid bekroond. In Hermann und Dorothea deed Goethe een poging, enkele menschen, strijdend om hun heil, voor te stellen: niet in doorzichtige gewaden die hun vormen en hun zielen nauw omhullen, doch in moderne kleedij en in het coloriet van zijn tijd. De vraag, of hij daar directe aanleiding toe vond in een verhaal dat hem ter oore kwam, of in het heldhaftig gedrag van Lili, eens zijn verloofde, kunnen wij onbeantwoord laten: Hij moest deze poging vroeg of laat wagen. Eéns moest hij trachten, ook de uiterlijke omstandigheden, die gewoonlijk de roeringen van een menschenziel begeleiden, en die hij, krachtens zijn aanleg, uit zijn zuiverste drama's had gebannen, met een psychiesch gebeuren te verweven en te vergeestelijken, zoodat relaas en werkelijkheid elkander naderden, zoodat zijn innerlijk ook de realiteit doordrong.

Doch hierdoor was de keuze van het milieu, waarin zijn gedicht zou spelen, van de menschen die hij zou oproepen, vrij streng bepaald: Grootsteedsche menschen kon hij niet gebruiken, want die omhangen en omsnoeren hun ziel gelijk hun lijf; ze willen te sterk individueel ontleed worden, om met korte duidingen zich te laten verheffen in de sfeer des geheels. Gewone boeren daarentegen zijn in den regel nog niet toe aan de verfijning—ze moge al of niet bewust zijn—die een ziels-conflict mogelijk en belangwekkend maakt. En zoo moest en mocht Goethe hier menschen geven zooals hij ze graag had: menschen op de grens van stads- en landleven, instinctief maar maar toch voor redeneering vatbaar; praatgraag en toch besloten genoeg om eigenzinnig te zijn; vertrouwelijk en toch op hun hoede; gesteld op hun bezit maar toch mild; vurig bij geval, maar doorgaans gematigd; natuurlijke menschen, eventjes door den stroom des tijds geraakt, maar zoo verknocht aan het ras, dat op het vruchtdragen van een boom of de veredeling van een gewas jarenlang moet wachten, om tegen allerlei nieuwigheden rotsvast te staan. Ze hebben alle hun eigenaardigheden, deze lieden, maar ze blijven toch algemeen-menschelijk genoeg om in geen enkelen tijd byzonder vreemd te schijnen. Het zijn echt kleinburgerlijke Duitschers, maar zooals Goethe ze behandelt voelen lezers van iederen stand en van elken volksaard zich bij hen tehuis: als een hunner eigenaardigheden naar voren springt, vergeet hij nooit te toonen, hoe zulk een eigenaardigheid uit het algemeen-menschelijke is ontstaan.... En dit zonder ook maar één moment te preeken of te betoogen; de wijsgeerige strekking, die hij noodig heeft om de overgangen zacht te doen verloopen, is gegeven mét de groepeering van de personen. Plechtig, geurend, kleurend, klinkend glijden de tooneelen door onze verbeelding. Wij aanschouwen de menschen zóó levendig dat wij meenen ze te grijpen; en niettemin zijn ze zoo wazig geteekend, dat duizend verschillende lezers zich duizend uiteenloopende Hermanns zullen phantaseeren.

Dit gedicht, in de wereld-literatuur een verschijning van groote voornaamheid, is na den Werther, het eerste werk van Goethes hand dat er bij de groote massa insloeg en dat in volks-edities op vodderig papier werd verkocht. Het spreekt tot den eenvoudige zoowel als tot den kunstgevoelige en den geleerde; evenals de natuur. Het is voor dezen een trouwe kameraad en voor genen een tonige rijkvormige ets, of een vonk oeroude levenswijsheid.

Daarom juist is het Goethes glorie!

Naarmate wij dieper zijn doorgedrongen in 's dichters persoonlijkheid, naarmate de werken die wij in nauwe overeenstemming met dit verder doordringen vermelden, zuiverder zijn: voelen wij minder behoefte aan critische of afwerende beredeneering van die werken. Vandaar dat de lezer hier zonder meer een korte inhoudsopgave van Hermann und Dorothea zal vinden en voor het overige naar het origineel en naar zijn eigen gevoel zij verwezen:

EERSTE ZANG: Benauwde middag in nazomer. De waard van "Den Gouden Os" zit met zijn vrouw op een bank voor zijn deur. Zij kijken naar de thuiskomst van hun medeburgers, uitgetrokken om de boeren te zien, die door de Franschen uit hun hofsteden aan den overkant van den Rijn zijn gejaagd. Hermann, hun zoon, is den vluchtelingen met een wagen vol levensmiddelen en kleeren tegemoet. Apotheker en Dominee zetten zich ook op de bank. De eerste scheldt op de wreede nieuwsgierigheid van zijn stadgenooten, de laatste verontschuldigt ze. Het gesprek wordt in in de koelere gelagkamer voortgezet bij een glas Rijnwijn. De apotheker klinkt niet mee. De waard, aan aardsche goederen hangend als hij, raadt dat hij zich angstig maakt voor de naderende vijanden; doch vertrouwt dat de Rijn hun doortocht zal stremmen. Bovendien zal de vrede wel gauw worden geteekend, en hij hoopt dan ook de bruiloft van zijn zoon Hermann te vieren. Juist nadert deze op zijn dreunenden wagen.

TWEEDE ZANG: Dominee leest op Hermanns gezicht dat er iets byzonders met hem is voorgevallen; doch over zijn toespelingen praat deze heen. Hij verhaalt van zijn ontmoeting met de vluchtelingen: hoe een meisje dat een ossenwagen bestuurde, waarin een pas bevallen vrouw lag, hem om linnen had gevraagd voor moeder en zuigeling, en hoe hij haar zijn heelen voorraad levensmiddelen had afgestaan, ter verdeeling onder haar lotgenooten: daar zij beter dan hij wist wie onder hen gebrek leed. Het is toch maar goed vrijgezel te zijn, meent de apotheker, dan ontkom je gemakkelijker aan gevaren. Waartegen Hermann ernstig aanvoert, dat juist in zulke barre tijden een meisje den steun van een man, de man vrouwelijken troost behoeft, en hij liever vandaag dan morgen trouwt. Dat doet zijn moeder goed: zij herinnert, dat zij haar man de hand heeft gereikt op de puinhoopen van het afgebrande ouderhuis. Ook de vader hoort Hermann graag van trouwen spreken, maar waarschuwt dat het moeilijk is, zonder een duit te beginnen, en dat de man een arm meisje ten slotte als een dienstbode gaat beschouwen. Waarom kiest Hermann niet een dochter van den rijken koopman, hier vlak bij, tot bruid? De aangesprokene bekent, dat hij eenmaal zijn oogen naar een van buurmans dochters heeft opgeslagen; hij heeft echter gezworen daar nooit weer een voet in huis te zetten, omdat de meisjes er met zijn boerschheid spotten. Als nu de waard toornig uitroept, dat hij een fijne, een rijke schoondochter wenscht, die clavier kan spelen, verlaat Hermann eerbiedig zwijgend de kamer.

DERDE ZANG: De waard legt zijn gasten uit, dat volgens hem de zoon zijns vaders positie moet voorbijstreven; zijn vrouw beweert met trots dat haar zoon eens het toonbeeld van een goed burger zal worden, als zijn vader hem maar niet door voortdurende critiek verlamt. Zij gaat Hermann opzoeken en onderwijl betoogt de waard, dat vrouwen toch echte domme kinderen zijn. De apotheker toont, dat hij het standpunt van zijn gastheer beter vat.

VIERDE ZANG: Nadat moeder haar uitgestrekte, kostelijke landerijen doorzocht heeft, treft zij Hermann op een bank onder een perenboom, vanwaar hij een onbelemmerd vergezicht geniet naar de vermoedelijke verblijfplaats van het vreemde meisje. Hij heeft blijkbaar geweend, en zegt zijn moeder op haar bezorgde vraag, dat hij mét de vluchtelingen lijdt, en dat hij zich verplicht voelt onder dienst te gaan om zijn vaderland te verdedigen: laat vader dan nòg zeggen, dat ik geen eergevoel heb.... Als nu de moeder over Hermanns plannen ten hoogste verwonderd blijkt, valt hij, nadat hij nog getracht heeft zich goed te houden, haar om den hals, en beklaagt zich smartelijk over de miskenning van vaders kant, die hem zoo vaak ontmoedigt. Zonder overgang wijst hij op zijn dakkamertje, waar hij het zoo eenzaam heeft: een echtgenoote ontbreekt hem. Hij ontkent niet langer dat hij het verdreven meisje begeert, maar, wanhopend aan vaders toestemming, smeekt hij de waardin, hem maar ten strijde te laten trekken. Geen denken aan! zij vermaant hem, zijn vader vriendelijk toe te spreken—die is tegen den avond altijd ontvankelijker gestemd—en verder op de hulp van dominee te rekenen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings