Illustraties (continued 2)
Reading edition
Intusschen, niet alleen Herder houdt hem van zijn vakstudie. Hij is pas 22 jaar geworden als een tafelgenoot, de medicus Weyland, hem binnenleidt bij de familie Brion te Sesenheim,—een dorpje dat hij al in de verte, door blauwigen ether overstroomd, had zien liggen, toen hij vanaf den Munstertoren zijn blik liet gaan over de bloeiende Elsasser laagvlakte. Dominee Brion—stijl in de leer, maar overigens goedhartig en gastvrij genoeg—ontvangt den ietwat schunnigen theologischen student (als zoodanig heeft Wolf zich vermomd) onder het bemoste dak van zijn schilderachtig-vervallen boerenhuizing. En terwijl dominee en Weyland over familieaangelegenheden babbelen, houdt de schalk zich bezig met de dochters, die ongeduldig zeggen te wachten op haar zuster Rieck. Ze is een apartje, denkt Wolfgang, en de lieveling van de familie....
Daar verschijnt dan eindelijk de 19-jarige Friederike—in een waas van verkwikkenden blauwigen ether. Ze is gekleed als landmeisje in nationaal costuum: wit, voetvrij rokje, rood gezoomd, met kleurig, laag uitgesneden rijgkeurs en een schortje van glanzig zwarte stof. Haar breedgerande tuinhoed hangt aan een lint over haar arm. Ze heeft zonnig-blauwe oogen met een zweempje weemoed; en een levenslustig stompneusje. Het smalle gezichtje en het poesle blanke halsje lijken bijna te zwak om de zware, donkerblonde vlechten te torsen. Ze kijkt of er geen verdriet op de Wereld kan bestaan. En ze is zoo slank en zoo licht dat ze Wolfgang pas echt dunkt, als ze, zwevend, onvermoeibaar huppelt over 't grasveld. Hij kan niet gelooven dat ze een zwakke borst heeft en dat hij haar moet sparen; hij gelooft dit nog minder als zij met krachtige stem haar Zwitsersche liederen over de beemden joedelt.
Eensklaps bemerkt hij dat zijn gemoed van de jarenlange ziekte hersteld is en weer tot vertrouwende overgave bekwaam. En in zijn neiging: kunst en leven dooreen te doen vloeien, vergelijkt hij weldra Brions gezin met het gezin van den landgeestelijke in den roman van Goldsmith, dien Herder hem doet kennen; en niet hìj rekent zich tot degenen die "in deze eeuw van overvloed en verfijning belust zijn op "High-life" en verachtelijk den rug toekeeren aan dezen landelijken haard." Een wandeling in den maneschijn besluit den dag. Haar stemmetje verandert de donkerte der bosschages in klaar licht. Onder een priëel (dat aan Goldsmiths jasmijn-priëel herinnert) vertelt hij haar zijn sprookje van De Nieuwe Melusine, en nu begint zijn vermomming hem te verdrieten, ofschoon deze hem niet belet, de heele familie voor zich in te nemen. Bij het slapengaan verneemt hij van zijn makker dat Friederike nog niet verloofd is.
En—in Straatsburg terug—voelt hij zich gedrongen, zijn "lieve, lieve vriendin" te schrijven (maar hij weet niet wàt) al ware 't slechts om de zoete pijn van de scheiding levendig te houden, daar het harde rumoer van de drokke stad dreigt ze hem te ontnemen. Tegen Kerstmis bezoekt hij de Brions weer en kondigt zich aan met verzen, waaruit blijkt, hoe innig hij den naïeven natuurtoon heeft beluisterd, die aan zijn bewondering voor Friederike verwant is:
"Ich komme bald, ihr goldnen Kinder, Vergebens sperret uns der Winter In unsre warmen Stuben ein. Wir wollen uns zum Feuer setzen Und tausendfaltig uns ergötzen, Uns lieben wie die Engelein. Wir wollen kleine Kränzchen winden, Wir wollen kleine Sträuschen binden Und wie die kleinen Kinder sein. --"
Het gebeurt, dat aan de middagtafel een nieuwe gast om zijn oud-modischen ronden paruik bespot wordt, en dat Wolfgang in een vaardig beheerschte opwelling van ergernis den grappenmaker het zwijgen oplegt. De nieuweling wordt zijn vriend. Het is de 30-jarige Jung, genaamd Stilling, die in de medicijnen komt studeeren nadat hij kolenbrander, kleermaker, schoolmeester en oogarts (volgens een hem schriftelijk overgeleverde methode) is geweest. Wolfgang tracht zijn diepgewortelde vroomheid te doorvorschen en zijn kinderlijk vertrouwen, dat hem bij elken tegenspoed doet zeggen: God zal zorgen! Hij kan het niet van zich verkrijgen, zijn vrienden ooit alleen een nieuw veld van kennis of gewaarwording te laten betreden, en zoo neemt hij dan nu het ontleedmes ter hand, volgt Jung naar de klinieken en naar de voorlezingen over verloskunde, hoewel deze liefhebberij hem een flink deel van zijn zakgeld kost.

FRIEDERIKE BRION (vermoedelijk)
Nu blijkt, dat de operaties die Herder achtereenvolgens heeft ondergaan jammerlijk mislukt zijn. De zieke ontlast al zijn wrevel op Goethe. Maar deze verdraagt dit zonder morren; hij wijkt niet van de ziekekamer, waar hij onder Herders leiding meer en meer bevrediging gaat vinden in het streven van de Sturm- und Drangbeweging.
Hij leert hoe in den loop van de Wereldgeschiedenis de echt natuurlijke poëzie der volkeren door klimaat, omgeving, regeeringsvorm wordt beïnvloed; leert den bijbel, de boeken Mozes', de psalmen waardeeren als poëzie van oorspronkelijke genieën. Poëzie blijkt hem het product van een nationalen geest, niet het privilege van een paar bevoorrechte enkelingen. Hij maakt kennis met den zacht schreienden weemoed van Ossians Schotsche zangen, met de sterke, omnevelde helden van de Noordsche mythologie, met Swifts brandenden spot, Homeros' onverstoorbaren lach.... Nu eerst leert hij dezen Griekschen volksdichter goed lezen en hij gaat diens helden in zijn gewone spreektaal te pas brengen.—Herder vertrouwt hem toe dat hij meedingt in een prijsvraag naar den oorsprong van het Woord. God, aldus zijn opinie, was niet de spreekmeester van het paradijs, maar hij heeft den mensen een aanleg geschonken, die tot het ontstaan van de Taal mòest leiden.—Een uitroep van bewondering voor het talent en de kunde waarmede dit thema is uitgewerkt, haalt hem een berisping van den auteur op den hals. Zwijgt hij eerbiedig, terwijl Herder hem rustig en gevoelvol een vertaling van Goldsmiths "Vicar of Wakefield" voordraagt, dan wordt hem toegevoegd dat hij het natuurlijk niet heeft gesnapt. Hij mort niet. En het volgend oogenblik omarmt Herder hem voor 't beeld van Shakespeare, "dien grootsten dichter der Noordelijke menschheid".
Hij heeft nu eenige stukken van Shakespeare ernstig gelezen en hij durft niet voort, want hij vreest dat de geestdrift hem te machtig zal worden. Want dit is geen menschenwerk! Wolfgang gelooft dat de reusachtige boeken van het Noodlot zich voor hem openen. Het wezenlijke in dezen geweldigen, aan geen enkele kunstwet zich bindenden dramabouwer, datgene wat er van hem overeind blijft nà de vertaling, stelt hij tegenover de onnatuurlijke Fransche tragedieën: "Fransoosje, wat wou jij in die Grieksche wapenrusting uitvoeren? ze is je toch immers veel te groot en veels te zwaar!"
Reeds vroeger heeft Wolfgang Shakespeare zijn meester genoemd (in een brief aan Oeser), maar nu pas dringt hij in hem door. Een nieuwe wereld—zoo zal hij het weldra in een Gedenkrede zeggen—gaat voor hem open, en blijft voortbestaan naast de wereld die woelt om hem henen. Door Shakespeares voorbeeld voelt hij zijn scheppingskracht van alle opgelegde mooidoenerij bevrijd en nu pas durft hij "springen". Natuur, natuur! niets zoo natuurlijk als Williams menschen!—wil hij verkondigen. Maar hij ziet op 't zelfde oogenblik dat die menschen niet natuurlijk zijn. Want ze handelen als waren ze horologies met kast en cijferplaat van crystal; die wijzen, gelijk het hun betaamt, den loop der uren aan, doch men kan tegelijkertijd de raderen en de veeren onderscheiden, waardoor ze worden gedreven. Zóó ontwaart men de motieven die Shakespeares menschen regeeren. Met dat heldere inzicht in de mysteriën van ziel en karakter, dat goed en kwaad als tegenoverliggende polen begrijpt; met zwaar pathos of met woesten humor of met padvindend vernuft toont de Engelsche profeet hem: hoe de eigenaardigheden van ons Ik zich te pletter botsen tegen het groote, ondoorgrondelijke Geheel.
En in dat Straatsburg, waar de primitieve Duitsche volksaard door de binnendringende Fransche beschaving wordt gekruisd, leert Wolfgang beseffen dat zijn innerlijke strijd verknocht is aan den nationalen strijd: dat hij, zoo goed als heel de Duitsche literatuur, zich volstrektelijk los moet maken van het Fransche voorbeeld. Hij gaat de eens zoo gezochte Franschen minachten; hij heeft gemerkt dat zij, in conversatie met een vreemdeling, zich bepalen tot een angstvallig-beleefd corrigeeren van diens taalfoutjes; hun holle overmoed mishaagt hem; en Herder, die te Nantes en te Parijs heeft gewoond en daar enkele Fransche grooten heeft gekend, sterkt hem in zijn overtuiging. Zijn groote grief is, dat de Fransche geest bejaard is en aftakelt, en toch de mannen die vernieuwing kunnen brengen weert. Is het wonder dat een staat die een dapperen denker als Rousseau doodarm door de straten van zijn hoofdstad laat zwerven—en Rousseau is de eenige niet—aan verval en velerlei misbruik ten gronde gaat? Het jongste werk van Franschen geest, de vermaarde "Encyclopedie", lijkt Goethe een groote fabriek, vol rammelende weefspoelen. En het dunkt hem teekenend voor het Fransche onverstand, dat men het "Système de la nature", dien bijbel der materialisten, in allen ernst gevaarlijk acht. Daar het werk klaarblijkelijk op afstootelijke onderstellingen en allerminst op feiten berust, oordeelt hij het hoogst onschuldig. Baron Holbach, de schrijver, kondigt zich aan als afgeleefd grijsaard, die op den rand des grafs der afgeleefde menschheid de waarheid wil openbaren. Wel zeker, spot Wolfgang, die dit niet als een aanbeveling kan opvatten: Oude kerken hebben troebele ruiten. Wat weet die ouweman van de natuur? Hoe beziën en kersen smaken vrage men liever aan spreeuwen en aan kinderen.
Boven de wuftheid, de overspanning, de verfijning der Franschen gaat Wolfgang hier in Straatsburg de waarheid, en de kracht, en den eenvoud van den Duitschen volksaard hoog schatten; en hij getuigt luidruchtig van zijn bevindingen. Om hem groepeeren zich de "biedere" jonge Germanen die zich in het openbaar zoo ruw, d.i. zoo ònfransch mogelijk gedragen, op straat en aan tafel, als gold het een betooging; zeer hoorbaar Duitsch spreken, en elkander geenszins onderschatten. Hij zelf verdient door zijn buitensporige ongeliktheid eernamen als "de Beer", "de Wolf", "de Westindiër".
Hij heeft nu een onvergelijkelijk sprekend voorbeeld van Duitsche kunst ontdekt in de gothische cathedraal, die hij van begin af had bewonderd, zonder zich van het waarom rekenschap te geven. Gothische kunst zal voortaan Duitsche kunst heeten, en wordt ze thans nog onregelmatig genoemd en vormloos, hij zal betoogen dat de gothische bouwselen, bevallig maar toch sterk, zwaar maar toch rijzig, en dat speciaal Erwin von Steinbachs woud-schemerachtige Munster, dat natuurwerk, dat schoone kristal met zijn ver-doorgevoerde overeenstemming tusschen hoofdlijn en détail, getrouw afspiegelen het Duitsche karakter. En menigmaal bestijgt hij met zijn bent den toren, houdt toespraken op het platvorm, waarna de Sturmers en de Drängers met gevulde roemers de rood-ondergaande zonne groeten.
Eens zijn de vrienden voor het gebouw vergaderd en een van hen maakt de opmerking: Jammer toch, dat er maar éen toren van voltooid is.—Wolfgang, met zijn gewone levendigheid, beweert dat die toren niet is voltooid: er behooren nog vier slanke pinakels bij, op iederen hoek éen.—Hoe weet u dat? vraagt hem een omstander.—Ik heb, antwoordt Goethe, de Münster zoo lang en met zooveel liefde bekeken, dat ze mij dit geheim heeft toevertrouwd!—De vreemde begeleidt hem naar 't archief en laat zien dat de oorspronkelijke teekening hem in 't gelijk stelt. Dankbaar trekt Wolf die teekening over op een blad oliepapier.
Nu hij, Herders leiding snel ontgroeid, een persoon en een aanvoerder wordt, kan een botsing tusschen zijn karakter en dat van zijn leermeester niet uitblijven. Herder is door en door theoreticus en datgene in de menschen dat aan zijn algemeene begrippen niet beantwoordt, hun eigen individualiteit, bespot hij met ruw en onvermoeid sarcasme. Wolfgang houdt al zijn zwakheden: zijn alchimistische studiën, zijn zoeken naar mystiek, zijn dichtproeven waaruit verliefdheid blijkt, zorgvuldig voor hem geheim. Doch Herder voelt in hem den toekomstigen leider, en terwijl hij in brieven aan zijn verloofde met gekunstelde onderschatting van "den jongeman" spreekt, vervolgt hij hem met critiek, en bedilt zelfs zijn naam, waarvan hij zich afvraagt of die op verwantschap met Goden, Gothen of Kothe (d.i. modder) duidt. Dit pijnigt Wolfgang, die meent dat een naam maar geen manteltje is, dat men afwerpt als het hindert. Maar hij weet zich te bedwingen. Hij is bezig volkomen zelfbeheersching te leeren:
Om zijne nerveuze vatbaarheid voor geluid te overwinnen, gaat hij 's avonds bij de taptoe naast de rommelende trommen loopen, hoewel aanvankelijk zijn ingewanden meetrillen. Wetend dat het uitzicht van een hoogte af hem doet duizelen, klautert hij herhaaldelijk tot in het nokje van den Munstertoren, en blijft daar een kwartier lang op een vlak van nog geen el in 't vierkant staan. Zijn medische liefhebberij went hem aan lijken en aan afzichtelijke zieken. 's Nachts op het kerkhof tracht hij zijn geheimzinnig beven te bedwingen, en hij slaagt daarin zoo goed, dat hij dit angstgevoel later, zelfs met groote moeite, niet geheel terugvindt. En ook de uitvallen van grimmigen Herder wil hij verdragen. Hij vermijdt gesprekken over onderwerpen die den zieke ergeren, hij weet altijd een terrein van gemeenschappelijke sympathie te vinden. Voortaan kan hij ook bevriend zijn met iemand die totaal anders denkt als hij. En zoo blijkt zijn samenzijn met den rijperen Herder niet toeval alleen: door een machtige zelftucht heeft hij zich diens leeringen waardig gemaakt, toen hij voelde dat hij er behoefte aan had.
En nadat hij Herder met geleend geld—waarvoor hij later met een hekeldicht zal worden bedankt—heeft voortgeholpen, bespeurt hij hoeveel hij heeft gewonnen. Er zijn zooveel plannen in hem ontstaan, dat hij niet weet, welk plan het eerst aan te pakken. Hij leest de auto-biographie die de laatste ridder, Götz von Berlichingen, tot zijn verdediging heeft opgesteld: en hij wil de nagedachtenis van dezen braven, ruwen, waarheidlievenden zelfhelper uit den middeleeuwschen vrijbuiterstijd, de nagedachtenis van dien echten Duitscher redden, door hem in dramatischen vorm te doen herleven.—Zijn geestverwantschap met den zoekenden Faust uit het oude poppenspel, die evenals hij in menigerlei weten den samenhang der dingen tracht te bevroeden, en daarna zich in het Leven werpt, gaat zich openbaren. Hij vergast zich in stilte aan de dus ontstane scheppingsmogelijkheid, zonder iets neer te schrijven van wat binnen hem tot hevig leven is ontbloeid.—Hij stelt belang in Elsasser antiquiteiten, wier kennis hem den volksaard gemakkelijker laat naderen. Hij luistert ouwe moederkens op het land haar naïeve taal en haar eenvoudige liedjes af, en zijn eigen lied wint daardoor aan natuurlijkheid en volheid van klank. Wilkommen und Abschied Mailied, Kleine Blumen en bovenal Heideroslein en Ein zärtlich jugendlicher Kummer heeft hij in dit opzicht nadien maar zelden overtroffen.—En dan verdiept hij zich al meer in Shakespeares kleurige weireld. Hij doorziet hoe aan elkeen, al naar zijn aard, een levenslot is toebedeeld, en wordt nu den lust gewaar: met zijn eigen lot te strijden in de wisselende kansen van het werkelijke Leven. Herder wil Catherina II gaan dienen en, gebruik makend van haar macht, haar land en daarna heel Europa hervormen. Goethe, nog niet wetend hoe, hoopt eens met breede daden het lot van een volk te leiden, en weldra gaat hij de hervormingsplannen van Möser, Wielands Gouden spiegel, Machiavelli's Vorstenboek bestudeeren, teneinde gereed te zijn, indien ooit de begeerde taak hem wordt aangewezen. In het Leven, niet in collegezaal of in laboratorium, hoopt hij nu God te vinden. Want het groote Leven is, wel doorgrond, een openbaring Gods, voor hem die het als geheel op zich laat inwerken.
En in welken vorm zal hij nu het echte Leven ontmoeten?
De Paaschvacantie is begonnen. Snel te paard en naar Sesenheim. Hij komt er laatavond aan, maar Friederike heeft 't voorspeld en is nog op. Hij heeft haar hart gewonnen: in een warm oogenblik komen de eerste kussen. En reeds voelt hij dat hij ze niet verdient. Hoe ze tegen hem opziet, de maagd die hem moed tot nieuwe liederen heeft gegeven! O, moge hun liefde geen kortstondig rozenleven hebben! Ze kijkt hem met vochte oogen na, als hij terug naar Straatsburg draaft.
Daar krijgt hij zijn vriend Jung, genaamd Stilling, te troosten, die pas een literaire miskenning heeft ondergaan, en wiens verloofde zwaar ziek ligt. Jung gaat haar verplegen en als zijn vrouw brengt hij haar terug. God zal zorgen.—Zoodra Wolfgang dit van hem verneemt, mept hij hem op zijn schouder en roept dat hij een excellente kerel is!
Want hij moet denken aan zijn Rieckchen. Ze staat verre boven Annette, want ze is geheel natuur. Maar voor Annette heeft hij gekropen, nadat ze hem had verstooten, en nu hij als gerijpt man en meester over zijn grillen voor dit naïeve kind staat, het kind dat van hem heeft geleerd wat liefde is, nu.... Gelijk de edele Helena in Fausts armen tot woedende furie vergroeit, zoo wordt onschuldige Friederike door haar liefde hem een kwelgeest. Een smartelijke geestesverwarring jaagt hem de koorts op 't lijf. Hij weet niet meer: zijn brein is als een windvaan. Hij ervaart dat zijn hartstocht haar al kwaad genoeg heeft berokkend. Haar borstziekte verergert. Hij snelt naar Sesenheim en, zelf zwak, blijft hij vier weken aan haar sponde, verwijt zich onophoudelijk, dat hij aanspraken in haar heeft gewekt die hij nooit zal vervullen. Hij weet goed dat ze 't liefdegeluk—zoo ooit—slechts van hem zal aannemen, dat hij gaat terugrooven wat hij haar een oogenblik heeft geschonken.
Maar, na de zelfkastijding tot bezonnenheid gekomen, neemt hij voor beiden het besluit hun liefde op te offeren; dit is het eerste groote offer dat hij brengt aan zijn genie.
Hij heeft Friederike eens bijgewoond toen zij bij een deftige stadsfamilie logeerde, en weet dat zij, landmeisje, in burgerlijke omgeving niet past. Zijn vader zal haar noode als schoondochter dulden. Doch dit weerhoudt hem niet en evenmin de angst die hem bekruipt als hij denkt aan de mogelijkheid, zijns vaders plannen opnieuw te dwarsboomen. In ieder geval zal zijn practijk als rechtskundige hem bijzaak blijven, zijn dichterschap hoofdzaak, zelfs al huwt hij Friederike niet. Maar hij besluit zijn harte-geluk op te geven om zijn geestesontwikkeling te redden. Hij weet dat een huwelijk een al te lange rustpoos voor zijn innerlijken strijd zal beduiden, ja, dien strijd misschien voor goed zal afsluiten—terwijl hij voelt dat hij nog vele geestestoppen voorbij moet, voorbij kàn. Zal hij op den duur sterk genoeg zijn om zijn arme vrouwtje niet te verwijten, dat hij haar eenvoudig bestaantje is gaan deelen: op het oogenblik dat zijn aanleg hem drong naar het groote Leven?
Nu krijgt het sprookje van De Nieuwe Melusine, dat hij haar, geen kwaad vermoedend, in 't priëel heeft verteld, een schrikkelijke beteekenis voor zijn levenslot. Hij vereenzelvigt zich met den man, die aan een schoone dwergprinses is getrouwd, nadat een tooverring zijn lichaam heeft doen krimpen. Hij heeft dien man de volgende woorden in den mond gelegd: "Ik werd in mij gewaar een maatstaf van mijn vroegere grootte, die mij ongerust en ongelukkig maakte. Nu begreep ik voor het eerst, wat de wijsgeeren bedoelden met hun Idealen, die de menschen zoo konden kwellen. Ik had een Ideaal van mij zelf, en in mijn droomen verscheen ik mij dikwijls als reus. Kortom, de vrouw, de ring, mijn dwerg-gestalte en nog vele andere banden maakten mij totaal ongelukkig en ik begon in ernst na te denken over mijn kansen op ontsnapping".—Hij vreest dat het hem zelf eens zoo zal vergaan, als de kleine Friederike zijn vrouw zal zijn. Maar hij blijft bij haar, en tuchtigt zich met haar tegenwoordigheid. Hij leest haar voor uit zijn werk, hij is met haar in den blauwen ether die Friederike overal omzweeft: dit zal hij nu verliezen. O de wereld is zoo schoon, zoo schoon—voor hem die haar genieten kan. Nu zijn de droomen van zijn kindsheid vervuld. Wandelt hij niet door de toovergaarden uit zijn droomen? Ja, ze zijn 't, ze zijn 't, maar hij is geen grein gelukkiger, al heeft hij gekregen wat hij wenschte. Want in iedere gelukzaligheid mengt het noodlot een toegift, en er behoort veel moed toe, hier op aarde niet te vertwijfelen.
Hij spreekt haar van zijn aanstaande promotie, maar hij spreekt haar niet van trouwen. En ze begrijpt. Haar liefde is grooter dan de zijne was. Wolfgang is haar alles geweest: nu heeft hij haar jonge leven gebroken. Hij voelt dat deze schuld altijd op zijn geweten moet drukken.
Hij zal zijn boetedoening weldra aanvangen. Eerst in de figuur van den laffen minnaar Weislingen; vervolgens in Clavigo, die zijn liefde offert voor zijn literair welslagen; eindelijk in Faust, die met àl zijn Idealen enkel maar vergeet wat hij aan Gretchen verplicht is (maar zij vergeet hem niet en bidt voor hem), zal hij zijn wandaad zich voor oogen stellen. Met de Marie's uit de drama's Götz von Berlichingen en Clavigo, maar vooral met de ontroerend-fijn geteekende Gretchen, zal hij toonen wèl te weten wat hij heeft vergooid. En als het waar is dat de dichter meeleeft met zijn werk, dan heeft Goethe ruimschoots voor zijn schuld geboet. Toen hij aan Salzmann een exemplaar van zijn Götz voor Friederike zond, zei hij in een begeleidend schrijven: "De arme Friederike zal zich eenigszins getroost bevinden, als ze ziet dat de trouwelooze (Weislingen) is vergiftigd". En een eeuw later trok zijn werk de eerste pelgrims naar Sesenheim, naar de plekjes die van hun rozenliefde getuige waren.
Zijn vrienden roepen hem en streng vermaant hem zijn vader aan zijn studie een eind te maken. Hij keert naar Straatsburg terug en legt de laatste hand aan zijn proefschrift. Natuurlijk heeft zijn onderwerp met de rechtspractijk heel weinig te maken. Onder den invloed van Rousseau's "Contrat Social" behandelt hij de stelling: "De staat is niet alleen gerechtigd maar ook verplicht, een eeredienst vast te stellen, waaraan noch geestelijkheid, noch leekendom zich kan onttrekken. Overigens worde niet onderzocht, wat ieder burger denkt en gevoelt". Op deze wijze, meent hij, wordt den staatsburger de grootst mogelijke vrijheid gewaarborgd.—Vader Goethe is verheugd met dit in goed Latijn gestelde tractaat. De hooge faculteit minder: zij laat alle recht wedervaren aan de kennis en de scherpzinnigheid van den schrijver, maar geeft hem, bij monde van haren deken, in kiesche bewoordingen te kennen, dat zij de publicatie van zijn betoog moet ontraden, daar het den godsdienst, ongeacht het leerstuk van de Openbaring, als een soort uitvinding schijnt te beschouwen ten nutte van den staat; en dit, aldus de faculteit, is strijdig met het.... publiek belang. Wolfgang, die sinds hij Behrisch heeft gekend, niet gaarne iets laat drukken, is het tegen alle verwachting in geheel eens met de hooge faculteit. Geholpen door zijn repetitor flanst hij in alle haast 56 stellingen bijeen, sommige vol grilligen overmoed, andere, bijvoorbeeld: De schoonste studie is de studie van de rechten,—ietwat gewoontjes.
Hij zal ze in het openbaar verdedigen. Zijn bentgenoot Lerse, die eigenlijk theoloog is, behoort tot de opponenten; hij weet het hem, den jurist, zoo warm te maken, dat vriend Wolf naar zijn degen grijpt, eensklaps zijn Latijnschen woordenvloed onderbreekt en hem in goed Duitsch toevoegt: Ik geloof, broedertje, dat je aan mij een Hector wilt worden![A]—Hij wordt bevorderd tot licentiaat, wat hem in Duitschland recht geeft op den doctorstitel. Een vroolijke maaltijd bezegelt de promotie, en dan volgt een dolle rit door den Elzas, waarbij potsierlijke hymnen worden gezongen die aan Ceres gewijd zijn, maar onderwijl ook het vraagstuk van den vrijhandel oplossen. Thuiskomend vindt Doctor Goethe een bitter gestemden brief van Herder, die hem herinnert aan het vele dat hij nog heeft te leeren en te ondervinden.
Hij heeft te Straatsburg geen gunstige reputatie gevestigd. Men vindt hem wel geniaal doch ook onverdraaglijk ingebeeld; men noemt hem een waanwijzen half-geleerde, een krankzinnigen godsdienst-verachter. Aan den anderen kant pogen de Professoren Koch en Oeberlin hem voor den Franschen staatsdienst te winnen en beloven hem officieus een leerstoel voor geschiedenis, staatsrecht en welsprekendheid. Maar hij wil er niets van weten. Zoo gaat het met jongelings-idealen!
Onmiddellijk voor zijn vertrek brengt hij een afscheidsbezoek aan Friederike. Afscheidnemen ligt anders niet in zijn aard: hij is, evenals zijn moeder, uiterst bang voor scènes. Friederike ontroert hem door haar stil gedragen leed. Ze verwijt hem niets. Maar op den terugweg heeft hij een wonderlijk visioen: Niet met de oogen des geestes, neen, met zijn lijfelijke oogen, ziet hij een ruiter in een vreemd grijs-met-goud costuum hem tegemoet draven: hij is het zelf! Acht jaar later, als hij Friederike nogmaals zijn hulde gaat brengen, zal hij met hevigen schrik zich dit visioen herinneren, en opmerken, dat hij toevallig het vreemde grijs-met-gouden costuum draagt!

Het drama Götz von Berlichingen verscheen — — — midden 1773 — — —
V
"Als jouw Wolfgang naar Mainz gaat, brengt hij meer kennis mee dan anderen die van Parijs of Londen terugkomen."
Frl. KLETTENBERG aan moeder Goethe.
Hij liet zich te Frankfort dadelijk als advocaat beëedigen. Zijn vader was blij, weer eens in acten en proces-stukken te kunnen snuffelen, en hij nam hem een deel van de zaken uit handen. Ook bracht hij orde in de vele ontwerpen, vertalingen, reisbeschrijvingen die de zoon onder zijn papieren had; hij hoopte hem tot voltooien en uitgeven van zijn werk te noopen. Doch bij Wolfgang waren de oude plannen reeds door nieuwe verdrongen: zijn levendige geest wilde voortdurend afwisseling en de dingen die hij eenmaal had neergeschreven boeiden hem niet meer. Slechts één onderwerp hield hem voortdurend bezig: de geschiedenis van den "edelen Duitscher" Götz von Berlichingen, die hij wilde dramatiseeren, gelijk hij als jongen sprookjes had gedramatiseerd voor het poppenspel. Götz' levensloop, zooals zijn kronyk die met droog-eerlijke woorden vermeldde, had zich in zijn phantasie vervlochten met voorvallen uit zijn eigen leven. De bedoelingen van den trouwhartigen, eenvoudigen, ruwen, moedigen ridder schenen hem verwant aan de bedoelingen van jong Duitschland: hij wilde aan zijn zwakke tijdgenooten hém tot voorbeeld stellen. En allerlei personen die hij had ontmoet (zijn vriend Lerse) of geschapen (de verleidster Adelheid) leken hem geschikt om, in middeleeuwsche kleedij gehuld, het lot van zijn held te beïnvloeden. Hij sprak er zijn zus Cornelia over en declameerde haar heele tafereelen voor. Zij vroeg hem of hij nu eindelijk er ook eens wat van beliefde op te schrijven? Toen hij haar de eerste scènes toonde, betwijfelde zij dat hij het drama ooit op die manier zou afmaken. Daardoor geprikkeld ging hij dapper aan het werk en zes weken later—December 1771—verzond hij van uit zijn dakkamer afschriften aan zijn oudere vrienden.
Reeds waren nieuwe helden in hem opgestaan: hij wilde nu ook de geschiedenis van Socrates, die van Mahomet, die van Julius Caesar dramatiseeren. De leidende gedachte van deze Skizzi en ook van den Götz was deze: Doen blijken hoe de rechtschapenheid, de wijsheid, het talent, kortom "het oorspronkelijk genie" zich in deze domme wereld niet kan uitleven, maar in botsing met de gemeene alledaagschheid ten ondergaat of zelf gemeen wordt.
Tot uitwerken kwam het niet. Zijn overstelpende gedachten-rijkdom mengde zich met wroeging over zijn wangedrag jegens Friederike (die zich intusschen met den mallotigen dichter Lenz had getroost) en joeg hem van zijn werktafel naar de vrije natuur. Hij ondernam lange wandeltochten en als hij door storm en slagregen zijn woeste liederen zong, dan vormde zich in hem het vertrouwen, dat zijn genie den strijd tegen de gemeenheid zou volstrijden. Een dezer verwarde, vonk-doorgloeide zangen is ons bewaard gebleven als Wanderers Sturmlied.
In dien tijd maakte hij kennis met iemand die hem van veel ballast zou bevrijden en die hem daardoor rust tot werken gaf. Het was Johann Heinrich Merck, weldra door vriend Wolf Mephistofeles Merck geheeten,—een fijngevoelig, veelzijdig man, in allerlei kunsten en wetenschappen zeer te huis; krijgsbetaalmeester van professie en verbolgen tegen de wereld, wijl hij geen ambt kon vinden dat met zijn aanleg en bekwaamheid strookte. Hebben wij een pretje—aldus Herders verloofde—al is het ook een mager pretje, wat doet het er toe? hij weet er altijd iets zurigs door te mengen. Hij stond met verschillende groote mannen van zijn tijd in vertrouwelijk briefverkeer en stelde aan zijn vrienden hooge eischen, die hij meestal negatief formuleerde, namelijk in den vorm van onbekommerd-scherpe critiek of killen spot. In dit opzicht was hij de opvolger van Behrisch—de jonge Goethe had behoefte aan een ouderen biechtvader en aan lieve biechtmoedertjes. Hij stond echter veel hooger en was te bezadigd om, als Behrisch, tot uitersten over te slaan. Hij was zoo weinig "de geest die steeds verneent" (dien wij later in Faust zullen ontmoeten) dat hij gedichten, satyres, kunst- en natuur-historische geschriften in het licht gaf.
Hoe toegevend hij—de verstandsmensch—was, zelfs jegens overdreven gevoeligheden van anderen, blijkt wel uit de geaardheid van het gezelschap waar men hem hoogschatte en ook Wolfgang, dien hij introduceerde, gaarne ontving. Dit gezelschap groepeerde zich om den galanten, sentimenteelen Leuchsenring, oprichter van het Genootschap des Gevoels; een heertje dat alle groote emoties schuwde, voortdurend dreef op zoete, uitgezocht-liefelijke gedachtetjes, en—als vriend Wolf het in Pater Brey uitdrukte—berg en dal gelijk wou maken, elke ruwheid met pleister en kalk glad wou strijken. Hij ging liefst met weeke, etherische freules, die zich kinderen en herderinnen waanden, en zich poëtische of romantische naampjes als Urania of Psychê toeëigenden en in rozenpriëelen dineerden van water-en-wind onder toezicht van blank-gewasschen lammekens, en de maan vereerden, en feest- of vastendagen hielden bij aankomst of vertrek van vrienden. Zij waren de apostelen van den "Heilige" Leuchsenring, die heur brieven en linten in keurige portefeuilles met zich droeg en hier en daar met een allerkeurigste toespraak vertoonde. De schepseltjes doorzagen niet, dat de leege "Heilige" haar hartegeheimpjes ontlokte om zijn intrigezucht te bevredigen. In dit kringetje werd Goethe—schoone, poëtische jongeling, die pas een ongelukkige liefde had meegemaakt—als een door den hemel gezonden vriend op de knietjes aangebeden. Hij dichtte oden op de empfindsame freules. Als hij—die pelgrim, die bode, die zwerveling!—zijn voettocht van Darmstadt naar Frankfort begon, begeleidden de satijngeschoeide feeën, als fladderende kapelletjes, hem een eindweegs.... Nu, als Merck wezenlijk den roep van duivelsgezant verdiende, dan hadd' men hem in dezen kring niet geduld.
Zijn nuchtere wereldkijk belette hem niet, onder Herders invloed met zijn sympathieën aan de zijde van de Sturm-und-Drängers te staan. Toen een bevriend uitgever hem de leiding opdroeg van een reeds gevestigd journaal, de Frankfurter Gelehrten Anzeigen, met den wenk het een beetje te verjongen, werd dit het orgaan van jong Duitschland. Herder en Merck, Goethe en Schlosser—weldra verloofd met Cornelia—redigeerden het blad. Het verscheen twee maal in de week en was gevuld met levendig gestelde boekbesprekingen. De hoofdlijnen hiervan werden na onderling overleg vastgesteld: wie een bepaald boek het eerst had gelezen opende ter redactie-vergadering de discussies. Wolfgang, die vaak als rapporteur optrad, kreeg verlof nu en dan eigen beschouwingen in zijn verslagen te vlechten. Van dit verlof maakte hij ruim gebruik. Het was weliswaar nog schemer in hem, en hij streefde vooruit, zonder precies te weten waarheen, maar hij had toch een ingeschapen besef van het Ware, "een tooverroede die hem aanduidde waar goud lag". Hij ging "de pruiken", en met een zekere voorliefde de theologische pruiken, overmoedig te lijf; en wijdde meermalen uit over zijn gemoedsstemmingen, ook wanneer die slechts in de verte verband hielden met zijn onderwerp. Botsingen met de geestelijkheid konden niet uitblijven, daar het journaal den bijbel als het werk van vele menschen beschouwde (wat ongehoord scheen in dien tijd) en den godsdienst opvatte als een natuurverschijnsel. Hoewel de medewerkers gaarne streden, lieten zij Wolfgang de een na den ander in den steek, toen de uitgever, zonder hen er in te kennen, artikelen van vreemden opnam. Spoedig ging de redactie in professorale handen over en had van toen af niet meer een scherp uitgesproken richting. In een droog sarcastiesch stukje deelde Goethe het publiek mede dat de "ongezeggelijkste recensenten" waren uitgetreden.
Doch vóor dit tijdstip valt zijn kortstondig verblijf te Wetzlar, in welk stadje hij op verlangen van zijn vader een poos als "praktikant" zou werken aan den Hoogen Raad teneinde er wat routine op te doen en wat kijk op den procesgang.
Zijn eerste groote werk: "Götz von Berlichingen met de ijzeren Hand", had hij toen in portefeuille. Het droeg tot motto: "Het ongeluk is geschied, het hart des volks is in het slijk vertreden en tot geen edele begeerte meer bekwaam". En in een brief aan Merck verklaarde hij dat hij met dit drama alle betweters, apen en pruikmakers uit hun tent hoopte te lokken, maar dat ze hem.... konden likken.
OVERZICHT VAN "GÖTZ VON BERLICHINGEN" Tweede lezing
EERSTE BEDRIJF: 1. Kroeg. Enkele boeren, Berlichingen goed gezind, zoeken twist met twee ruiters van den bisschop van Bamberg; waard scheidt vechtenden; twee lansknechten van Berlichingen treden binnen, begrijpen uit een en ander dat Weislingen, de vijand van hun meester, bij bisschop logeert, verwijderen zich terstond om dit Götz te gaan melden. 2. Herberg in 't Woud. Götz loert op Weislingen, zijn afvalligen vriend; Georg, zoon van herbergier, heeft spelenderwijs harnas van Götz' knecht aangegespt, krijgt de belofte dat hij volgend maal mee mag op avontuur; voorbijreizend monnik Martin (Luther?) drinkt een glas met den vereerden Götz, wil diens ijzeren kunst-hand kussen; de twee lansknechten komen zeggen dat Weislingen in de nabijheid is; Götz en de zijnen werpen zich te paard. 3. Jaxthausen, Berlichingens burcht. Elisabeth (zijn Gade), Maria (zijn zuster) en Carl (zijn ietwat verwijfd zoontje) beiden zijn terugkeer; Götz verschijnt met den terneergeslagen Weislingen als gevangene; tracht, door hem te herinneren aan de jaren, toen zij beide page waren aan 't hof van den markgraaf, hem op te vroolijken, wat langzamerhand gelukt; hij betreurt dat Weislingen zich verlaagt tot werktuig van den bisschop, terwijl een ridder toch slechts God en zijn keizer heeft te gehoorzamen; verzoening, maaltijd. 4. Bisschoppelijk hof op Bamberg. Een drinkgelag wordt gestoord door het bericht van Weislingens gevangenschap. 5. Jaxthausen. De strenge, zedige Maria verloofd met Weislingen; diens page komt melden, dat bisschop weigert Götz' schildknaap tegen Weislingen uit te wisselen; Götz geeft niettemin zijn aanstaanden zwager de vrijheid weer, onder voorwaarde dat hij den bisschop niet meer zal dienen; page maakt Weislingens belangstelling gaande voor de buitengewoon schoone weduw Adelheid, die aan 't bisschoppelijk hof vertoeft.
TWEEDE BEDRIJF: 1. Bamberg. De sluwe Liebetraut belooft den bisschop, Weislingen weer in zijn burcht te voeren, als Adelheid hare medewerking niet weigert. 2. Jaxthausen. Götz heeft den Nürnbergers oorlog verklaard: zij hebben zijn schildknaap verraden. 3. Bamberg. Weislingen komt werkelijk. 4. Spessart. Götz, ridder met één hand, en Selbitz, ridder met één been, liggen op den loer naar Nürnberger kooplui: Georg komt zeggen dat Weislingen weer bij bisschop is. Götz gelooft het niet, draagt Georg op zich te vermommen en te verspieden wat Weislingen op Bamberg uitvoert. 5. Bamberg. Vergeefs tracht bisschop door listige verwijten Weislingen aan gelofte te onttrekken. 6. Adelheids vertrek. Maar Adelheid brengt hem in verwarring en stoot hem terug als hij goed verliefd is. 7. Adelheids antichambre. Weislingen besluit te blijven. 8. Spessart. Georg brengt nu zoo stellige berichten van Weislingens afval, dat Götz hem moet gelooven. 9. Bamberg. Adelheid heeft Weislingen in haar macht; brengt hem in den waan dat ze zijn vrouw zal worden, als hij den keizer tegen Götz weet op te zetten. 10. Boerenbruiloft. De afpersingen die de Justitie den rechtzoekende doet ondergaan, versterken Götz in de meening, dat hij zich zelf recht mag verschaffen. Hij trekt op de Nürnbergers af.
DERDE BEDRIJF: 1. 's Keizers tuin te Augsburg. Twee Nürnberger kooplieden beklagen zich bij keizer Maximiliaan over Götz' roofzucht; Keizer, toch al slecht geluimd, is vertoornd om deze nieuwe "zaak"; Weislingen bewerkt dat Maximiliaan tegen Berlichingen en diens vrienden zal optreden. 2. Jaxthausen. Ridder Sickingen komt om de hand van verlaten Maria vragen. 3. Kamp van Staatsleger. De officieren moeten Götz, wiens burcht zij belegeren, zoo mogelijk levend vangen; beteekenen hem den banbrief. 4. Jaxthausen. Maria wijst Sickingen niet direct af; deze zal twintig ruiters zenden en daarna de vrouwen afhalen. 5. Bamberg. Terwijl Weislingen tegen zijn vroegeren vriend op het oorlogspad is, versmaadt Adelheid de warme lippen van zijn page geenszins. 6. Jaxthausen. Franz Lerse (wiens dapperheid en kracht Götz vroeger aan den lijve gevoeld heeft) biedt zijn diensten aan; den vijand wordt een gevoelig verlies toegebracht. 7. Woud. Twee rijksknechten: de een, die voor zijn officieren wijn en brood moest halen, klimt in een boom, als Berlichingens troep nadert; de ander, die aan buikloop lijdt, komt in het moeras om. 8. Kamp. Een jongen aanvoerder, door Götz van zijn paard gereden, draagt men binnen. 9. Jaxthausen. Selbitz komt den belegerden te hulp en verzekert dat de heele aanslag op aanstichten van Weislingen is begonnen. 10. Kamp. Het rijksleger, dat reeds honderd man heeft verloren, bereidt een wanhopigen aanval voor. 11. Gebergte en woud. Götz deelt zijn strijdmacht in. 12. Heide. Botsing van de twee legers. 13. Hoogte met wachttoren. Een knecht vertelt den gewonden Selbitz den loop van het gevecht: Götz stoot aanvoerder van rijkstroepen van paard en verovert vaandel; Georg redt zijn meester het leven; overwinning. 14. Kamp. Bevelhebber scheldt op zijn soldaten, die bang zijn voor één man. 15. Jaxthausen. Götz gunt zijn dienaars, nadat zij een glaasje hebben gedronken, geen rust; Sickingen belooft Maria, haar broer ter zijde te staan; Götz heeft een pater besteld en zij worden een paar, met dood voor oogen. 16. Kamp. Van de 400 rijksknechten zijn 150 over: zij richten zich nu rechtstreeks tegen den burcht. 17. Jaxthausen. Als Götz van Georg verneemt, dat de aanrukkende hulptroepen totaal verstrooid zijn, jaagt hij de jonggetrouwden op reis, roerend afscheid: Selbitz zal Maria's bed niet bestijgen voordat hij Götz gered weet. Deze weigert zich over te geven en behandelt den parlementair onwelvoeglijk. 18. Keuken. Vrouwe Elisabeth zegt haren heer dat het slecht staat met voedsel. 19. Zaal. Georg en Lerse gieten kogels uit dakgoot en venstersponningen; Lerse beweegt den vijand, Götz en de zijnen vrijen aftocht toe te staan. 20. Eetzaal. De verdedigers van Jaxthausen brengen een laatsten heildronk uit op keizer en Vrijheid! 21. Slot-plein. Georg zadelt de paarden, zingt een deuntje. 22. Wapenzaal. Twee knechten, die buksen halen voor den aftocht, zien uit venster, dat de vijand den vooruitrijdenden Götz verraderlijk overweldigt....
VIERDE BEDRIJF. 1. Herberg te Heilbronn. Elisabeth bereidt haren heer voor op komst van gerechtsdienaars. 2. Raadhuis. Een aantal sterke dappere burgers heeft zich op keizerlijk bevel verdekt opgesteld, om Berlichingen gedurende terechtzitting te overvallen. Götz verschijnt voor gerecht en staat den raadsheeren met zijn gewone vrijmoedigheid te woord; hij wijst de keizerlijke genade af, als hij moet bekennen een rebel te zijn, als men weigert hem te zeggen, wat er van zijn vrienden is geworden. Nu op wenk van raadsheer de gewapende burgers binnenstormen, rammelt hij ze dooreen, ontneemt een hunner zijn zwaard. Op hetzelfde moment bericht torenwachter dat Sickingen stad nadert om zijn zwager te bevrijden. 3. Groote zaal op Raadhuis. Als Berlichingen met kracht van wapens is verlost, wil hij zich weer in gevangenschap stellen. Sickingen vermaant hem, nu ook vrijheid voor zijn knechten te eischen. 4. Adelheids vertrek. Adelheid neemt Weislingen (met wien zij intusschen is gehuwd) kwalijk, dat Götz verlof heeft gekregen, op ridderlijk woord van eer in zijn burcht te wonen. Zij troost zich met de hoop, dat bij nieuwe keizers-keus de krachtige Karel (V) den troon zal bestijgen. Weislingen voelt (terecht) dat Karel hem reeds uit heur hart heeft verdrongen. Ook de liefde van zijn page houdt ze aan: ze mocht dien armen jongen eens noodig hebben! 5. Jaxthausen. In zijn ridderlijke ballingschap zoekt Götz vergeefs afleiding door het schrijven van zijn levensgeschiedenis. Georg en Lerse stellen zich door jacht schadeloos voor gedwongen rust. Zij brengen het bericht van den boerenopstand.
VIJFDE BEDRIJF: 1. Plundering van een dorp. Vluchtelingen. Terwijl bloeddorstige boeren het dorp uitmoorden en -branden, blijkt dat ze behoefte gevoelen aan een krachtigen aanvoerder. 2. Veld. Götz, door dreigementen gedrongen, belooft vier weken hun bevelhebber te zijn, mits ze zich ordelijk gedragen; hij wordt heimelijk bewaakt. 3. Berg en dal: Weislingen en andere ridders spannen samen tegen de boeren. 4. Jaxthausen: Elisabeth beseft dat Götz' vijanden hem nu zullen beschuldigen, zijn ban te hebben verbroken. 5. Bij een dorp. De boeren storen zich niet aan hun belofte, zetten hun gruweldaden voort. Een onbekende waarschuwt Götz, dat de boeren van plan zijn hem uit den weg te ruimen. Een afdeeling plunderaars door bondstroepen gevangen. Als Götz de boeren ter verantwoording roept voor hun woordbreuk, ontstaat ruzie, waarbij hij een van de belhamels een geweldigen klap geeft. In gevecht met bondstroepen wordt Götz gewond. Weislingen hoopt hem nu te vernietigen. 6. Nacht in 't woeste woud. Zigeunerkamp. Götz, bloedend binnengereden, wordt gastvrij ontvangen. 7. Tent van het opperhoofd. Terwijl de Zigeuners Götz verbinden, overvallen staatsche troepen het kamp; dooden het opperhoofd en nemen Götz gevangen. 8. Adelheids slaapvertrek. De page, door Weislingen uitgezonden om op zijn vrouw het oog te houden, wordt 's nachts binnengelaten, en belooft, door Adelheid geliefkoosd, vergif in Weislingens drinken te doen. 9. Heilbronn, voor den toren (waar Götz gevangen zit). Elisabeth, beangst voor wreedheid van de overwinnaars, zendt Maria naar Weislingen, om voor Götz genade af te smeeken. 10. Weislingens slot. Weislingen, reeds onder invloed van het gif, beeft voor den ter dood veroordeelden Berlichingen. Op Maria's smeekbeden verscheurt hij het vonnis. Page, door wroeging gekweld, bekent, hem op last van zijn overspelige Adelheid te hebben vergiftigd, en springt door het venster in den Main; Maria bidt voor ziel van stervenden Weislingen. 11. In een duister eng gewelf. Veemgericht veroordeelt Adelheid tot dubbele straf van koord en zwaard. 12. Binnenplaats van een herberg. Maria heeft geen rust, voordat ze haar broer heeft weergezien. 13. In den toren. Götz, door vernedering ontzenuwd, mag een half uur in het tuintje van den cipier. 14. Tuintje. Maria meldt dat het doodvonnis is vernietigd. Als Götz echter verneemt dat zijn dappere knaap Georg, dien hij als een zoon bemint, is gesneuveld, voelt hij, dat hij zich heeft overleefd; sterft met het woord "Vrijheid" op de lippen.
Als Herder, wien hij een afschrift van dit werk heeft gezonden, hem met zijn gewone bittere pedanterie toevoegt, dat hij zich door Shakespeare heeft laten bederven, en dat alles maar gedacht en niet geschàpen is, antwoordt hij dat hij zelf het maar als een eerste poging beschouwt, van plan is het om te smelten en met nieuwe, edele stof aan te vullen.
Wèl mag hij zeggen, dat zijn Engelsche meester hem heeft leeren "springen". Niet alleen de ontembare veelheid van personen en voorvallen die hij kreeg te boeken, maar ook het bewustzijn dat hij—als partijleider—het eerste schoone werk van de school moet voortbrengen, heeft hem gedwongen, den door zijn tijdgenooten als wet gehuldigden grondvorm van het classiek-Fransche drama te verbreken. Een rijke, natuurlijk levende stof—meent hij—wordt vermoord als men haar wil concentreeren, zoodat zij zich afspeelt als éene handeling, op éene plaats, in enkele uren. Hij heeft, naar het voorbeeld van Shakespeare, zijn lezers of toeschouwers willen voeren van stad naar stad, door een bonte wisseling van gebeurtenissen, die zich over jaren uitstrekken. Maar hij heeft dit zoo overdreven, dat zijn werk er onoverzichtelijk, dus duister door wordt en de bijpersonen den Held overstemmen. Het streven naar woeste grootheid is uitgeloopen op vormeloosheid. De wetlooze vrijheid van den kunstenaar is omgeslagen in gril. Zoo volgt op het zich-laten-gaan, dat een eisch van Goethes periode is, met onafwijsbare noodzakelijkheid een poging tot zelfbeperking. Zoo wordt de uitvoerige natuurlijke waarheid in het kunstwerk ondergeschikt gemaakt aan het hoogere belang van de rustige klaarheid. En binnen korten termijn gaat nu vriend Wolf van enkel-genialen Sturm-und-Dränger zich ontwikkelen tot den zelfbewusten Goethe.
Hij heeft—daar een wereld, geheel vervuld met de louter-manlijke heldendaden van den "laatsten ridder" hem onnatuurlijk, dus innerlijk-onwaar lijkt, een vrouwelijke drijfkracht behoeft—de figuur van de duivelachtig-verleidelijke Adelheid in het historiesch gegeven gemengd. Maar al schrijvende heeft hij zelf zich in die vrouw verliefd, en, zijn oorspronkelijke bedoelingen vergetend, heeft hij haar zoo breeduit geteekend, heeft hij zooveel mannen voor haar doen buigen, dat zij tenslotte de Götz-figuur beschaduwt. Nu—van Wetzlar terug—gaat hij aan het over-werken; want hij kan niet van zich verkrijgen in het manuscript te schrappen. Ruwe uitdrukkingen—als men Zola een aschkarreman mag noemen, dan weten wij niet, welken titel voor den jongen Goethe te kiezen—worden door zachtere vervangen: het stuk kan thans onder de "Weiblein" komen. Adelheid (en haar wankelmoedige aanbidder Weislingen, in wien de schrijver zich eigen ontrouw voor oogen stelt) worden tot juistere proporties met het geheel teruggebracht. Maar nu moeten (gelijk van zelf spreekt) juist de scènes, die voor het schoonheidsgevoel van Sturm-und-Drang het hoogst staan, verdwijnen. Zoo het phantastische waarzegsters-tooneel, waarin bij het vlammen der wachtvuren en het warrelen der sneeuwvlokken de jonge Zigeuner met de betuiging van zijn wulpschheid angst aanjaagt. Goethe offert die scènes op (later heeft hij er een ballet van gemaakt, dat bij Weimar in een bosch werd vertoond). Maar hij is nog niet voldaan.
Doch nu weet "Mephistofeles" Merck hem te overtuigen dat ook aan het overschrijven een eind moet komen, daar anders de aanvangs-inspiratie verloren gaat. En als, ten slotte, Wolfgang meent, dat hij dit werk, waaraan hij met zijn innigste persoonlijkheid heeft gecomponeerd, toch niet aan het philister-oordeel van den een of anderen uitgever kan onderwerpen, zegt de vreemdsoortige duivelsgezant: Dan geven wij het samen uit; er zijn schatten mee te verdienen! Gij betaalt het papier, ik betaal den drukker. Zoo geschiedde.
In Mei 1773 werd overgegaan tot de verzending van het anonyme stuk, dat was "grootsch en onregelmatig als het Duitsche rijk" (Herder), het gewrocht "waarin alle drie de eenheden op z'n gruwelijkst werden mishandeld, dat was blij- noch treurspel en toch het schoonste en interessantste monster, waartegen men honderd comiesch-huilerige comedies zou willen inruilen". ("Teutsche Mercur") Vele groote schrijvers ontvingen het niet; wel de vrienden links en rechts.
Het is geen drama. Het toont ons niet de rechtstreeks nawijsbare, logiesch onafwendbare, ontknooping van een scherp gestelde verwikkeling, die om één aandachts-centrum zich groepeert. Het is, zooals op het titelblad van de eerste bewerking vermeld stond, een gedramatiseerde (d.i. in dialoog omgezette, tot aanschouwlijke voorstelling zich leenende) kronyk. Gedramatiseerd, om haar zoo sprekend mogelijk te maken. Het is geen afgerond verhaal, doch een reeks episodes, welke grootendeels veroorzaakt worden door toevallige en van elkander vrijwel onafhankelijke omstandigheden; die met het karakter van den held slechts dit te maken hebben, dat de schrijver ze er mede in relatie brengt. Geen der te voorschijn geroepen botsingen wordt er psychologiesch geheel ten einde gevoerd. Telkens wordt de zooeven opgenomen verhaaldraad losgelaten, en wordt een nieuw moment ingevoegd, dat even spoedig vervalt.
Doet, oppervlakkig bekeken, de drukke en op de planken onuitvoerbare wisseling van decoratief, binnen een en het zelfde bedrijf, aan Shakespeare denken,—in wezen is de Götz allerminst Shakespeariaansch (als geestdriftige bewonderaars het wel genoemd hebben). Indien men het—gelijk in Shakespeares tijd gebruikelijk—zou vertoonen op een kaal tooneel, waar opschriften het decoratief vervangen, en met spaarzaam gecostumeerde spelers: dan zou blijken dat bij den jongen Goethe de inkleeding bezwaarlijker is te ontberen dan bij zijn Engelschen meester. M.a.w. dat hij minder diep zijn karakters heeft ontleed, niet het universeele, door de eeuwen heen blijvende in de menschenziel heeft bereikt. De menschen van Shakespeare doorziet de ontwikkelde toeschouwer ondanks hun (vaak foutieve) "antieke" costumeeringen en zeden. Maar Goethes figuren staan of vallen met hun historische inkleeding, welke slechts door min of meer geleerd publiek volkomen wordt gevat. Terwijl bij Shakespeares menschen uitspraken en handelingen duiden op de laatste en geheimste gronden hunner karakters,—zoodat hun dieper wortelende verwantschap blijkt en een veelzeggende eenheid in de schijnbare tegenstrijdigheid hunner gedragingen zich openbaart—liggen de motieven van Goethes figuren in het duister; en vaak moet de uiting van hun gevoelens slechts dienen om een aan het oppervlak liggende situatie of enscèneering beknopt aan te wijzen. Kortom: Shakespeares menschen lijken natuurlijk doordat zij gedachtelijk-waar zijn; Goethes personages daarentegen zijn slechts natuurlijk. Men leert ze wel iets, maar niet véél beter kennen, dan men leert kennen een buurman, in wiens huishouden nu en dan een enkele blik gegund wordt, doordien zijn gordijnen toevallig openstaan. Men krijgt—Götz von Berlichingen genietend—het spijtige gevoel van hem wien in zijn droom schoone en wijze menschen werden voorgetooverd: hij zou ze zoo gaarne vasthouden om ze nader te bekijken, om ze te ondervragen naar de beteekenis hunner woorden ... maar ze hooren niet, ze schieten voorbij, plaats latend voor evenzeer teleurstellende volgers.
Maar schòon is de droom; en overweldigend schoon is ook dit werk van den 23-jarigen Goethe. Hij was de eerste Duitscher, die zijn tooneelfiguren echt-menschelijke taal deed spreken. Maar deze taal is toch zoo bondig, zoo kleurrijk, zoo lakoniek, zwaar van beteekenis, dat men ze eerst bij tweede of derde lezing in al haar rijkdom doorgrondt. Ze staat verre boven de taal van het eerste Duitsche blijspel, de Minna von Barnhelm van Lessing. In het uitbeelden van ingewikkelde gebeurelijkheden met een minimum van effectmiddelen is Goethe reeds aanstonds een meester en overtreft hij Shakespeare; wellicht wordt hij in dit opzicht door Maeterlinck eenigszins geëvenaard. Enkele uitroepen—een warnet van intrige wordt ons bewust. Een paar halve regels dialoog—een veldslag staat ons voor oogen; schielijk, als ware hij geschetst, en toch met de uitvoerigheid van een schilderij.
Doch voor Goethe zonk de artistieke waarde van het werk—mits de vorm maar absoluut ongebonden bleef—in het niet bij de beteekenis die hij hechtte aan de zaak: Hij wilde een Duitscher ten tooneele voeren, uitmuntend niet door kunstmatige bevoorrechting maar door eigen kracht, en waarvan de eensklaps ontwakende toeschouwers moesten getuigen: Dàt is een kerel! en hij wilde dien man doen òndergaan, zoo dat de herboren toeschouwers met zijn trouwen lansknecht moesten uitroepen: Wee het nageslacht dat hem miskent!
Hij is hierin geslaagd. Zijn stuk werd—zij het ook gebrekkig—door heel Duitschland gespeeld en uitbundig toegejuicht. Doch het karakteristieke van den Götz ligt juist in zijn onopvoerbaarheid. Hiermede immers toonde Goethe, evenals zijn bentgenooten te streven naar omvatting van "Het Geweldige". En vooral in boekvorm maakte het stuk opgang. De bewonderaars vroegen elkander af, wie toch de ongenoemde schrijver mocht zijn, opdat zij hem hun hulde persoonlijk konden gaan zeggen. Diefachtige uitgevers—drie te gelijk—drukten den Götz na, zoodat de schrijver en zijn vriend geen financiëel voordeel hadden van het succes, en Wolfgang zich het probleem stelde: Hoe zal ik het papier betalen, door middel waarvan ik de wereld met mijn talent heb bekend gemaakt? Er was ook een uitgever die hem een vorstelijk honorarium bood voor een dozijn dergelijke stukken. Maar hij had ze zoo niet meer kunnen maken. Niet alleen wijl hij heel sterk naar afwisseling zocht, maar vooral: omdat zijn geest al weer verder was.
Mogen wij Wilhelm Meister gelooven (en hij is gewoonlijk goed op de hoogte!), dan heeft Goethe spoedig begrepen dat men vooral door de schitterende harnassen, de vlammende wachtvuren, de zwaarden, de gewelven was bekoord. De Götz verwees Walter Scott naar de kleur-wazige middeleeuwen; hij maakte in Duitschland de aandacht gaande voor den tijd, toen de menschen weer als menschen wilden leven, den tijd van hervorming en humanisme en onbegrensd vertrouwen in de vrije menschelijke kracht. Zoo kon hij richtsnoer worden voor een nieuwe dichter-generatie, die, rondom slechts laffe middelmatigheid vindend, haar voorbeeldige helden zocht in het verleden. Maar Goethe had, al schrijvend, deze geestesrichting eens voor al gepeild en overwonnen. Zoo moest zijn volgend werk—voor hem een triumph—zijn navolgers verschrikken en teleurstellen. Spoedig zou zich hem bewaarheiden het wijze woord: Als men voor de wereld een liefdedaad heeft verricht, dan weet zij er wel voor te zorgen dat men het niet voor de tweede maal doet!


De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen — van midden Mei tot 11 September 1772 —
VI
Mijn idealen groeien dagelijks in schoonheid en grootte.... Ik laat mijn vader maar begaan; hij zoekt mij van dag tot dag meer in de burgerlijke zaken van onze gemeente te spinnen. Zoo lang mijn kracht nog in mij is, één ruk en de zevendubbele boeien zijn gebroken.
Wolfgang was—toen hij juist zijn eerste drama op papier had geworpen, de gedachten van zijn tijd en zijn eigen idealen met verbluffende phantasie had gekoppeld aan een gloeiend gekleurde ridderhistorie—niet in de beste stemming om zich tot stipt, spitsvondig, zakelijk pleitbezorger te bekwamen. Dit lag ook niet in zijn bedoeling, maar hij gunde zijn vader bereidwillig de illuzie.
Doch de toestanden, die hij aan het opperste Duitsche gerechtshof leerde kennen, verijdelden zijn laatste brave voornemens ten aanzien van zijn broodwetenschap, verwoestten het laatste restje van zijn eerbied voor hooge staatscolleges. Ongeveer zestienduizend processen wachtten te Wetzlar op berechting, sommige reeds honderd jaar en langer. Men kon er jaarlijks wel zestig afdoen, doch er kwamen veel meer bij. Wie binnen een eeuw beslissing in zijn zaak wenschte uit te lokken, moest de raadsheeren door prijzige geschenken beïnvloeden of een bevriend autoriteit te hulp roepen. Er hing een zoo bedorven geestes-atmosfeer in de zalen van dezen Hoogen Raad, dat een na lang aarzelen benoemde commissie van onderzoek, die begonnen was met drie rechters, wegens gebleken omkoopbaarheid, achter slot en grendel te zetten, ten slotte zelf werd aangestoken en uittertreure mee knoeide. Geen verstandig rechtsgeleerde dan ook die het van zich kon verkrijgen, in den warwinkel te Wetzlar zijn energie te gaan verspillen. En zeker niet de enthousiaste, dat is: van Goden vervulde Wolfgang, die van zijn prilste jeugd af streefde naar zelfontwikkeling. Zijn Götz werd een revolutionair pamflet door de minachting voor de publieke rechtspraak, die er in is neergelegd. Zoo sloot het stuk zich aan bij de tijdsstrooming, die vorsten en overheidspersonen gaarne als boeven op het tooneel zag.
Hij maakte het zich dan ook niet druk in zijn ambtsbediening.
Door "het jaargetijde der jeugd", de heerlijke lente, liet hij zich gaarne uit zijn bureel lokken of uit de zonlooze straat waar hij kamers had. In den omtrek van Wetzlar, in het mooie Lahndal, ontdekte hij allerlei plekjes die hem lievelingsplekjes werden; Homeros zong er zijn vurig gemoed te ruste en hij verdiepte er zich in de aanschouwing van de kleine natuur: van de plechtige mossen, van de wriemelende wormpjes en insecten; totdat de behoefte aan overgaaf in hem heerschte en hij wenschte een meikever te zijn om heen end weer te kunnen zweven in de goede geuren: totdat de natuur geheel rustte in zijn ziel, zooals de gestalte eener bruid.... Uren bleef hij geboeid bij een bron, waar de dorpsmeisjes kwamen water putten; hij zag in die meisjes oud-testamentische koningsdochters en leende haar "zonder plichtplegingen" zijn sterken arm, om haar de volle emmers op het hoofd te beuren. Op het kerkplein van Garbenheim, geheel omsloten door donkertonige huisjes en schuren, boeiden hem een paar oeroude linden; dikwijls liet hij zich uit de nabijzijnde herberg stoel en tafel brengen en hij bracht er heele dagen door met teekenen, mijmeren en lezen. Hij koutte met de eenvoudige natuurlijke dorpsmenschen, hij kookte zelf zijn potje, hij deelde zijn klontjes, zijn brood en zijn zure melk met de kinderen, die geregeld bij hem terug kwamen, en iedere week hun Zondagscenten van hem kregen; was hij na kerktijd nog niet gekomen, dan had de waardin order tot uitbetalen. In zijn hart stonden de kinderen hem het naast: hij zag alle deugden en ondeugden—maar die nog onschuldig!—in hen kiemen, en begreep het gulden woord van den Heiland: Zoo gij niet wordt als een van dezen....

KERKPLEIN MET "GOETHE-LINDE" TE GARBENHEIM
In het eethuis, waar "De Kroonprins" uithing, hadden enkele jonge ambtenaars en wat geduldige rechtzoekenden, om zich na hun Jobsarbeid wat te verstrooien, een riddergenootschap in middeleeuwschen trant gesticht. Bij het middagmaal zat de heirmeester aan het hoofd van de tafel: aan zijn rechterhand zetelde de kanselier en naast dien waren naar ancienneteit opgesteld de andere ridders, die namen droegen als Lubomirsky de Strijdbare, of St. Eustacius de Voorzichtige. Wolfgang werd met ridderslag en gewichtige potsierlijkheid in den kring toegelaten; hij heette er Gottfried von Berlichingen de Treffelijke. Een van de ridderen, Goué, heeft het groepje later in een tooneelstuk nageteekend. Ook de gezantschapssecretarissen Jerusalem en Kestner, wier invloed diep door Goethes leven zou grijpen, behoorden er toe, maar ze verschenen zelden, daar zij buitengewoon ernstig waren, en drukke bezigheden hadden.
Johann Christian Kestner was acht jaren ouder dan Wolfgang: een ijverig, verstandig man, edel van inborst en met steeds duidelijke bedoelingen, hoewel ietwat droog in het spreken. Hij maakte kennis met Doctor Goethe—in wien hij aanstonds een niet onbelangrijk persoon zag—terwijl deze onder een boom, op zijn rug uitgestrekt, goed geluimd met eenige omstanders babbelde over zwaarwichtige zaken. Spoedig genoeg begreep Kestner met wien hij in aanraking was gekomen. "Hij heeft—dus oordeelt hij met zijn gewone fijne nauwkeurigheid in een brief—hij heeft vele talenten, is een waar genie en een man van karakter. Hij bezit een buitengewoon levendige verbeeldingskracht, zoodat hij zich meestal in beelden en gelijkenissen uitdrukt. Hij pleegt zelf ook te zeggen dat hij zich altijd oneigenlijk uitdrukt en zich nooit eigenlijk kàn uitdrukken; maar als hij ouder wordt, hoopt hij de gedachten-zelf, gelijk ze zijn, te denken en te zeggen. Hij is in al zijn gemoedsaandoeningen hevig, doch heeft vaak veel zelfbeheersching. Zijn denkrichting is edel. Vrij van vooroordeelen, handelt hij al naar 't hem invalt, zonder er zich over te bekreunen, of dit anderen mishaagt, of het mode is, of de wellevendheid het gedoogt. Allen dwang haat hij.—Hij houdt van kinderen en kan druk met hen bezig zijn. Hij is bizar, heeft in zijne gedragingen, in zijn uiterlijk, allerlei dingen die hem onaangenaam zouden kunnen maken; maar bij kinderen, bij dames en vele anderen staat hij toch goed aangeschreven. Voor het vrouwelijk geslacht heeft hij zeer veel hoogachting.... Over zekere onderwerpen spreekt hij met slechts weinig menschen uit, hij stoort anderen niet gaarne in de rust hunner voorstellingen. Toch haat hij het scepticisme, streeft hij naar waarheid en bepaaldheid in sommige hoofdzaken en gelooft dat hij over de voornaamste reeds een bepaalde meening heeft; voor zoover ik heb kunnen nagaan is dit niet zoo. Hij gaat niet naar de kerk ook niet naar het avondmaal en bidden doet hij zelden; want, zegt hij, daarvoor kan ik niet goed genoeg liegen. Soms is hij op zekere punten erg gerust, soms echter alles behalve dat. Voor de Christelijke religie—echter niet in den vorm waarin onze theologen ze ons voorstellen—heeft hij hoogachting. Hij gelooft in een toekomstig leven, in een beteren staat. Hij streeft naar waarheid, hij geeft echter meer om het gevoel dan om het betoog van de waarheid. Hij heeft reeds veel gewerkt, bezit veel kennis, belezenheid; maar toch nog meer gedacht en geraisonneerd."—Wel zelden werd een zoo treffende karakteristiek van een jeugdig tijdgenoot neergeschreven. Toch zag Kestner zich genoodzaakt, er in een kantteekening aan toe te voegen: "Ik wilde hem schilderen, maar het zou mij te ver voeren; want zeer veel laat zich over hem zeggen. Hij is, in éen woord, een zeer merkwaardig man."
Begin Juni moest Wolfgang met zijn twee nichten, die in zijn straat woonden, naar een landelijk bal; onderweg zou hij haar vriendin, Charlotte Buff afhalen, wier cavalier pas laatavond kon verschijnen. Hij trof dit 19-jarige blonde meisje aan, terwijl ze, subtiel gekapt, in witte baljapon, brood sneed voor een zwerm broertjes en zusjes. Haar leest was er niet minder sierlijk, de uitdrukking van haar blozend aangezicht was er niet minder vroolijk, haar gesprekken waren er niet minder interessant om, en haar blauwe kijkers niet minder spottend. In het rijtuig en bij den dans bemoeide Wolfgang zich slechts met haar; hij vernam hoe zij, sedert het overlijden van hare moeder, voor een zestal kinderen had te zorgen en hoe goed dit haar lukte. Hij schroefde zich, al bewonderend, tot een luidruchtige uitgelatenheid op, blijkbaar zeer ten genoege van.... Kestner, haar inmiddels verschenen cavalier. Toen hij met haar had gewalst, nam hij zich heilig voor, liever te sterven dan te gedoogen dat ooit een meisje op wie hij eenige aanspraak mocht hebben met een vreemde walste.... Lotte verzweeg Wolfgang dat zij reeds vier jaren met Kestner was verloofd: geen buitenstaander zou hebben vermoed dat deze twee een paar vormden. Ook Kestner sprak er niet van: hij wist dat zijn meisje haar aanbidders steeds stelde voor den tweesprong: Mijn vriend worden of uit mijn oogen! en hij had onbeperkt vertrouwen in haar.
Van de verloving hoorde Wolfgang eerst, toen hij bij de familie Buff vriend van den huize was geworden, toen Lotte's vader hem als een zoon beminde en de kinderen, met wie hij stoeide en smulde, hem een heerlijk kameraad achtten. Reeds was Lottchen in zijn oogen een schoonheid geworden, en terwijl hij, aan haar voeten zittend, de kleintjes over zijn knieën liet klauteren en boontjes voor haar sneed, terwijl hij vruchten voor haar plukte, in keuken of moestuin optrad als haar dienaar, liet hij zijn verliefdheid rustig ontbloeien. Hij bezocht haar vaker dan haar verloofde, die door drukke ambtsbezigheden werd teruggehouden; die wel bespeurde dat zij voor den mooien Goethe niet blind was, wèl zich afvroeg of hij—eenvoudig-braaf man—haar ooit zoo gelukkig zou kunnen maken als zijn begaafde vriend, maar te kiesch was om door eenig blijk van ongeduld Wolfgangs warme, doch onschuldige en poëtische liefde tot iets dubbelzinnigs te stempelen. De drie deden samen menig uitstapje, hielden menig ernstig gesprek. Steeds toonde Lotte zooveel tact, dat ze in de achting van de beide mannen steeg en ook in hunne liefde,—zoodat juist tengevolge van haar welbewuste reinheid de verhouding zich ging toespitsen.
Goethe, door een vriend gevraagd, waarop dat moet uitloopen, antwoordt dat hij stellig is besloten, het eerste oogenblik dat Lotte zich als een gewoon coquet meisje doet kennen, het eerste oogenblik dat haar nòg nader tot hem voere, het laatste moment van hun omgang te doen zijn. Maar—op haar vertrouwend—laat hij zijn phantasie onbedwongen om hun liefde spelen, vervult hij zijn brieven, zelfs zijn recensies, met toespelingen op hun liefde. Kestner spaart hem, maar hij gaat in stilte meenen, dat iemand van Goethes geestkracht en zielefierheid zich nu toch eindelijk moet terug trekken. En zoo kan hij kleine botsingen niet altijd verhoeden.
Daar heeft Wolfgang in een te laat gevoelde opwelling Charlotte gekust. Zij biecht het eerlijk aan haar verloofde, die bijna zijn geduld verliest; en nu moet ze vriend Wolf door koelheid van zich houden. Als ze 's avonds voor haar deur zit, brengt hij haar een ruiker. Ze legt dien onverschillig naast zich neer. Hij begrijpt en gooit den ruiker op straat. Hij troont Kestner mee, verkondigt hem den heelen nacht hemelhooge ideeën, in duistere parabelen gehuld, en als het daagt vinden de vrienden het leed zoo licht, dat ze tegen een muur geleund het moeten uitproesten.
Intusschen wordt Merck ernstig bezorgd over zijn warmbloedigen, phantastischen Wolf. Hij wil hem uit Wetzlar drijven, en moet daartoe zijn illuzie verwoesten. Twee dagen na het voorval met den ruiker heeft hij te Giessen een samenkomst met hem, en als hij dan toevallig ook Charlotte leert kennen, acht hij den toestand nog gevaarlijker en tracht, al schertsend, Goethes passie te doen ontvlammen voor de "Junonische" vormen van een ander vriendin. Wolfgang is te zeer door Charlotte bekoord om hem te zeggen, hoe duivels hij dat van hem vindt.
Den achtentwintigsten Augustus zijn Kestner en Goethe jarig. Den avond te voren moeten de twee mannen tot middernacht boontjes snijden. Als de klok twaalf slaat, wordt de nieuwe jaarkring met prettige gezichten en een kopje thee ingewijd. Wolfgang krijgt een klein-formaat Homeros van zijn vriend ten geschenke; dan hoeft hij dat groote, zware boek niet meer op zijn wandelingen mee te torsen. Zijn voornemen getrouw om op zijn verjaardag altijd iets groots te ondernemen, gaat hij nu ernstig met zich zelf te rade, en oordeelt dat hij zich moet losrukken. Het besluit is genomen, maar het duurt nog veertien dagen eer het tot uitvoering komt:
—Hij heeft Lotte al zoo vaak op zijn vertrek voorbereid, dat ze hem er bijna mee gaat plagen. Nu zit hij weer aan haar voeten en speelt met de garneering van haar jurk. Zij weet niet dat hij daar nu voor 't laatst zit. Het gesprek gaat over 's menschen staat na het afsterven. Zij belijdt eenvoudig hoe ze verwacht haar moeder weer te zien en te herkennen..
.... Dan voelt Wolfgang dat hij in tranen zal uitbarsten als hij langer blijft. En hij springt op. Hij kust haar hand en spreekt: Wij zullen elkaar weerzien; in elke gestalte zullen wij elkaar herkennen. Ik ga vrijwillig, maar als ik moest zeggen: voor eeuwig! dan zou ik het niet uithouden. God zegen u. Wij zien elkaar terug.—Ja, morgen natuurlijk, zegt Charlotte lachend.
Doch den volgenden ochtend bereikt haar dit biljet:
"Wel hoop ik weer te komen, maar God weet wanneer! Lotte, hoe eng werd het mij bij Uwe woorden om het harte, daar ik toch wist dat ik U voor de laatste maal zag! Niet de laatste maal en toch vertrek ik morgen. Welke Geest bracht U op dit onderwerp! waarbij ik alles mocht zeggen wat ik voelde. Ach, ik doelde op hierbeneden, op Uwe hand, die ik voor 't laatst kuste. De kamer in welke ik niet zal terugkeeren, en Uwen lieven vader, die mij voor het laatst uitliet! Ik ben nu alleen en mag weenen. Ik laat U gelukkig achter, en ga niet uit Uw harte. En zie U weder—maar niet morgen is nooit. Zeg aan mijne kinders: Hij is weg. Ik kan niet meer."
Kestner en Lotte, hoe zeer ook voldaan met zijn vertrek, waren geheel van hem vervuld en ze lazen en herlazen zijn korte briefjes met betraande oogen. Om hen heen speelden de kinderen die telkens hun kameraad misten en dan angstig herhaalden: Doctor Goethe is weg.

"Das Leiden des Jungen Werthers" verscheen — — — in September 1774 — — —
VII
Ik dwaal in woestenijen, waar geene wateren zijn; mijne haren zijn mijn dak en mijn bloed is mijn bron......
Het was hoog tijd dat hij ging; indien hij nog even langer ware gebleven, zou zijn wil zijn te kort geschoten, zou zijn oponthoud te Wetzlar niet zijn geëindigd als betrekkelijk rustige idylle. Hoe het had kunnen worden zal hem nu blijken. Zijn liefde voor Lotte heeft hij geenszins verzaakt. Integendeel, zijn liefde groeit, nu hij, ver van Lotte, meent zich er aan te mogen geven. Haar silhouette heeft hij naast zijn alcoof met spelden aan den wand bevestigd. Hij groet haar beeld voor hij te rusten gaat, houdt gesprekken met haar beeld wanneer hij zich voor den eten verfrischt. Schlosser moet voor beroepsbezigheden naar Wetzlar en hij kan geen weerstand bieden aan de verzoeking, hem te volgen. Naast Lotte op de canapé bevangen hem "hangenswaardige gedachten"; hij moet zich afvragen wat er gebeurd ware, als Schlosser hem niet zeer tegen zijn zin had verwijderd.

CHARLOTTE BUFF
Het gerucht bereikt hem, dat Von Goué zich om 't leven heeft gebracht; en hij voelt zich geroepen, deze daad, die de domme wereld wel verkeerd zal uitleggen, goed te pleiten en te vereeren. Het gerucht blijkt onjuist, maar wordt gevolgd door het bericht, dat Jerusalem zich een kogel door het hoofd heeft gejaagd. Wolfgang kent dezen Jerusalem reeds sedert Leipzig. Hij heeft hem niet vaak gesproken, maar voortdurend is zijn belangstelling gaande gebleven voor dien vreemden, teruggetrokken jongen, wiens prikkelbaar pessimisme uit kunstzinnige overgevoeligheid voortsproot. En te Wetzlar, als hij wandelde in het maanlicht, strijdend met zijn hopelooze liefde, had hij vaak Jerusalem zien wandelen in het maanlicht en daarbij vermoed dat ook deze aan een liefde leed. En nu heeft de brave jongen zich doodgeschoten, nadat een vriend, op wiens vrouw hij in stilte verliefd was, hem zijn huis heeft ontzegd. Aan dit conflict, dat hij—Wolfgang—instinctmatig is ontsprongen, is Jerusalem ten gronde gegaan.
Een nieuw lotgeval brengt hem den doode nog nader. Op zijn terugreis van Wetzlar stapt hij af bij de kunst-minnende familie Von Laroche, om er Merck te ontmoeten. Mevrouw Laroche had de wereld pas een sentimenteelen roman geschonken, en haar verlangen naar een vleiende recensie zal wel niet vreemd zijn geweest aan de heusche ontvangst die zij beiden journalisten bereidt. Ze wordt spoedig Wolfgangs vertrouwde raadgeefster, zijn "Mamachen". De tergende aanwezigheid van den gewetenloos-dwazen Leuchsenring met zijn briefmappen, drijft Goethe naar de twee dochters van den huize, in wier gezelschap hij herademt: vooral de mooie, fijn beschaafde Maximiliane heeft hij diep in de zwarte oogen gekeken. Nu is deze Maxe door haar o zoo gevoelige Mamachen gekoppeld aan den uitgedroogden weduwnaar Brentano, een Italiaansch koopman te Frankfort, vader van vijf kinderen, die geheel opgaat in zijn olie- en kaashandel, en zijn jonge vrouw verwaarloost. Wolf bezoekt haar vaak, mede op verlangen van haar man. Hij stoeit dan met de kleintjes en begeleidt haar clavierspel op zijn cello. Vele jaren later zal Maximilianes dochter Bettina den huisvriend in haar "Goethes briefwisseling met een kind" (Dat kind was, en passant, een hysterisch-opdringerige literaire zwendelaarster van diep in de twintig!) huldigen als volkomen rein in zijn verhouding tot haar moeder. Brentano echter kan aan een genegenheid als tusschen broer en zuster—waarvan ook Merck niet overtuigd is—geen geloof slaan. Hij ontlaadt jegens zijn vrouw zijn jaloezie in grievende verwijten. Wolfgang, op de hoogte gesteld, neemt zich voor, zijn drempel niet meer te betreden, tenzij Maximiliane zijn vuisten noodig mocht hebben tegen haren gebieder.... En voor zulk een man nu zou Jerusalem zich den dood hebben aangedaan! Goethe moet onophoudelijk denken aan dien lieven, weeken jongen met zwakken wil. Hij verzoekt Kestner—den nauwlettenden protocol-schrijver—hem uitvoerig in te lichten omtrent de omstandigheden die den zelfmoord begeleidden. En hij verneemt dat slechts voor oppervlakkig oordeel Jerusalem slachtoffer is geworden van een "ongelukkige liefde". Immers ook in zijn ambtelijk leven was hij herhaaldelijk in botsing gekomen met de hardheid der doorsnee-menschen, die hem aandeed als gemeene grofheid. Iemand die zoo machteloos staat tegenover zijn overvloeiende sentimenten is—wat hem ook treffe—bestemd voor een smadelijken dood. De wereld is hem te machtig. Zijn levens-liefde—hoe sterk ook—is niet opgewassen tegen de beleedigingen die hem dagelijks worden aangedaan. De kwaal des tijds—d.i. verfijnde ontvankelijkheid zonder wil en zonder godsbetrouwen—heeft Jerusalem gesloopt.
Nu gaat Wolfgangs meening over "de wereld" (in hoofdzaak de meening van het dan opgroeiend geslacht) zich vlechten in het relaas dat Schlosser hem heeft gezonden. Met andere woorden: de op zichzelf staande gebeurtenis wordt geheven in de sfeer van zijne overtuigingen, opgenomen in het geheel van zijn ideeën, van zijn innerlijk doorlicht. Maar juist in die periode is zijn leven éen verdrietelijkheid:
Hij ziet zijn zuster weggaan, getrouwd met den kundigen, geletterden Schlosser. Hij is jaloersch. Hij voelt dat ook dit huwelijk ongelukkig moet zijn en voor Cornelia, zijn ondoorgrondelijke troosteresse, moet uitloopen op beschaming. Zij leek hem wel geschikt om een groot klooster te bestieren, maar niet geschikt voor huisvrouw.
Zijn teedere vriendin Urania sterft. Als hij op haar graf een gedenkteeken wil zetten, merkt hij dat men zijn verhouding tot deze lieve ziel ook al verkeerd heeft opgevat: waar vriendschap is praat de wereld van bezit; waar liefde verlangd wordt eischt de wereld, eischt de bekrompenheid van het menschenlot, ontzegging.
Hij ziet de onmiskenbaar loffelijke bedoelingen van zijn knappen vader mislukken en het gezin ondergraven; zoodat een angstvallig verzwijgen van zijn plannen een schijn van vrede en onderworpenheid moet bewaren. Maar kleine, laffe mannetjes ziet hij overal in zijn omgeving zegevieren.
De omgang met Maximiliane, de eenige die hem 't verlies van veelbegrijpende Cornelia eenigszins vergoedt, is hem ontzegd. Hij mag niet liefhebben zonder zich met schuld te beladen of zich voor zijn leven te kluisteren aan een zoogenaamde positie, een baantje bij het stadsbewind, waarheen zijn vader hem stuwt. Maar hij kan er niet toe besluiten, een tweederangs-advocaatje te blijven: hij weet dat hij wel een goed redenaar is, doch slechts een middelmatig jurist. Neen, op zijn natuurlijke dichtergave, het eenige dat hem "ganz eigen" toebehoort, dat door geen invloeden van buiten geholpen of gehinderd kan worden, wil hij zijn bestaan bouwen. Het besef zijner genialiteit legt hij zinrijk neer in Adler und Taube, en woest-tartend zingt hij het uit in Prometeus. Hij voelt dat men iets schoons slechts kan voortbrengen als men alleen staat; aan vindingskracht ontbreekt het hem niet. Maar.... hij moet als het op werken aankomt telkens weer van voren af tasten en zoeken. Hij gelooft—als vele ware dichters—dat hij geen eigenlijken stijl heeft. Niemand kan hem helpen: Doctor moet zichzelf cureeren.
En als hij zich—nu toegeven aan zijn opwellingen hem is verboden en de wereld hem ergert—ten slotte tot zijn Ik keert, wordt hij ook in eigen innerlijk teleurgesteld. Reeds lang plaagt hem de traagheid van de taal en de stof, die hij wil vormen. Iedere dichterlijke overwinning verfijnt zijn eischen en toont hem dus opnieuw zijn onmacht. Zijn tweede lezing van den Götz, die zooveel zelfverloochening van hem heeft gevergd, verschrikt hem door zijn vormeloosheid. De toejuichingen van het publiek zouden wellicht zijn teleurstelling hebben verzacht, indien hij het publiek hooger hadd' kunnen schatten dan een "kudde zwijnen". De weinigen aan wier oordeel hij hecht laten zich minachtend uit over zijn drama. Zoo Herder, hoe zeer hij in stilte het stuk bewondert. Zoo Lessing, bezonken denker voor al, die door de middeleeuwsche gewelddadigheid van Götz in de war raakt en meent dat Goethe de darmen van een afgestorvene, met zand opgevuld, als koorden verkoopt. Zoo Frederik de Groote, die het stuk voor de inboorlingen van Canada wilde bestemmen en het noemde "une imitation détestable de ces mauvaises pièces anglaises" (Shakespeare!) en niet begrijpt dat men iets byzonders ziet in deze "afstootelijke onbenulligheid".
Van zijn jeugd af heeft hij neiging voor beeldende kunst. Hij oefent zich in etsen, boetseeren, schilderen. Maar zijn kleine succesjes troosten hem niet over zijn groote mislukking. Zijn willen noch zijn kunnen is geëvenredigd aan zijn groot verlangen.... "Ik zal vanmiddag voor het eerst 't oliepenseel ter hand nemen! met hoeveel nederigheid, ontroering, hoop, kan ik niet zeggen. Mijn verder Levenslot hangt zeer af van dit eene oogenblik".... De afgietsels van antieke beeldwerken, de reproducties van Rafael-koppen, die zijn dakkamer sieren, tergen hem!
Hij leeft uit een geestesstrooming die alle oude theorieën en dogma's verwerpt en met de in eere herstelde menschelijke rede een nieuwe wetenschap wil bouwen. En nu blijkt al wat de mensch uit eigen kracht kan weten hem onsamenhangend knutselwerk: "Ieder berusten in zekere uitkomsten van ons onderzoek is een soezerig zich gewonnen geven, waarbij wij de wanden, waartusschen wij gevangen zitten, met bonte gestalten en lichte verwachtingen beschilderen".
Natuurlijk is hij niet altijd zoo moedeloos: hij beoefent met passie het schaatsenrijden, dat, na de verschijning van Klopstocks IJs-oden een bij uitstek dichterlijk vermaak is geworden. Ook heeft zijn minbehoevend hart vaak behagen aan de sprakelooze, maar daardoor juist zoo overtuigende liefdeblijken van Cornelia's vriendin Gerock. Hij schrijft weer enkele overmoedige recensies voor de Gelehrten Anzeigen, bewerkt een te Straatsburg opgesteld concept tot de brochure: Over de Duitsche bouwkunst van Erwin von Steinbach,—die geestdriftig de Gothiek verdedigt. Verder schrijft hij een paar theologische tractaatjes, waarin hij zich (naar voorbeeld van Rousseau) achter een landgeestelijke verbergt; en die door hun trouwhartige verdraagzaamheid instemming vinden bij Lavater, den Zwitserschen profeet. Doch dit alles raakt niet de grondstemming van zijn gemoed.
Zijn min voor Lotte (die intusschen haren echtgenoot een kleinen Wolfgang heeft geschonken) wil niet wijken. Herder houdt zich op een afstand. Merck verlaat hem om zijn vorst naar Berlijn en Petersburg te vergezellen. Hij staat alleen. Zoo verhaasten toevallige gebeurtenissen het proces dat zich in hem voltrekt: Door zijn trachten naar volkomen uitleving van zijn sentimenten botst hij tegen de wereld en haar conventies, wordt hij teruggestooten in de eenzaamheid, lijfelijk en geestelijk. Nu keert hij terug tot zich zelf en "vindt daar een weireld". Hij behandelt zijn harte als een ziek kindeken: wat het vraagt krijgt het ook. Hij is nu aangeland bij die keerzijde van het Sturm-und-Drangindividualisme, nl. bij de angstige zelfpeiling, de roekelooze zelfverweeking. Alles verbittert hem. Als de Straatsburger faculteit door Salzmann laat aanbieden hem tot Doctor in de beide rechten te bevorderen, antwoordt hij dat hij meer dan genoeg heeft van promoveeren en advocaatspelen: Als ik geen vrouw neem en me ook niet ophang, dan moet men mij nageven dat ik dit leven toch wel lief heb; of iets dat mij nog meer vereert.—De Engelsche pessimisten Sterne, Swift, Young en vooral Ossian boeien hem, boeien half Europa. De zelfmoord en de daartoe gebruikelijke middelen vormen onder de geletterden van zijn tijd een gewoon onderwerp van conversatie. Hij gaat onderzoeken of het hem ernst is met zijn verlangen, uit dit leven te scheiden. Hij neemt iederen nacht een scherp gespitsten ponjaard uit vaders wapencollectie mee naar bed, en tracht het moordtuig een paar duim diep in zijn borst te drukken. Als dit hem nu veel malen is mislukt, acht hij bewezen dat hij sterk genoeg is om te leven. Maar nu eischt hij van zijn denken het machtwoord dat de euvelen waaraan hij lijdt vernietige. Zijn denken antwoordt: TUCHT.
En hiermede heeft hij uit de Sturm-und-Drangstrooming de leering getrokken, die er voor zijn aanleg in lag besloten.
Een heele periode in den ontwikkelingsgang zijns geestes is afgerond en historie geworden. De détails erlangen nu hun diepe beteekenis en hun logische plaats in het geheel. Zij eischen een gestalte. De levenssmart van zijn tijd zal Goethe nu zoo uitspreken, dat dit uitspreken zelf reeds de overwinning er van bevat. Ziehier de kiem van "Het lijden des jongen Werthers", die zich nu uit zijn ervaringsvoorraad gaat voeden.
Evenals in den Götz wil hij hier iemands nagedachtenis redden. Maar was hij, toen hij 't drama schreef, overstelpt door zijn colossalen Held; den lieven jongen, dien hij thans gaat verdedigen heeft hij doorzien, zoodat hij de kern van diens karakter tot eersten grond en tevens tot bewegingsmotief van het nieuwe werkstuk kan maken. Hij is nu niet minder bedroefd om den noodlottigen, onvermijdelijken ondergang van een edel man dan toen. Maar droefheid is hem hier niet het laatste. Bij het schrijven van den Götz omgeslagen in wanhopige verontwaardiging, wordt ze hier tot rust. Het geval Jerusalem verhalend, verhaalt hij een episode die in de gemoeds-historie van elk gevoelig man voorkomt, een ziels-phase die—wijl in Goethes tijd de jeugd met zijn ideeën aan 't bewind komt—de eerstvolgende decenniën zal beheerschen. Een levenslot, zoo universeel uitgebeeld, prikkelt niet tot opstand, hoe treurig het op zich zelf beschouwd ook moge zijn. Men ziet het in rechtstreekschen samenhang met den loop der dingen: het stemt tot berusting en tot zelf-critiek:
"Wat ik ook maar van de geschiedenis des armen Werthers heb kunnen vinden, heb ik met vlijt verzameld; ik leg het u hier voor en weet dat ge er mij om zult danken. Gij kunt zijnen geest en zijn karakter uwe bewondering en uwe liefde, zijn levenslot uwe tranen niet ontzeggen.
En gij, goede ziel, die den zelfden drang voelt als hij, laat dit boeksken uw vriend zijn; als ge door lot of eigen schuld geen naderen kunt vinden."
Deze korte, in ademlooze stilte neergeschreven voorrede ontzenuwt (indien nog mogelijk!) het wanbegrip dat "Werther" zou aanzetten tot echtbreuk of tot zelfmoord.—
Het eerste deel van den roman, de verwikkeling waaruit de verdere gebeurtenissen onontkoombaar voortvloeien, is bijna oogenblikkelijk gereed. Goethes ervaringen te Wetzlar behoeven slechts weinig gewijzigd om een ontknooping, als Jerusalems leven die vond, toe te laten. Gewoon zijnde, zich volkomen te geven in zijn brieven, die hij meer voor zich zelf dan voor anderen schrijft, vindt hij in zijn brieven, vanuit Wetzlar aan Merck en aan Cornelia gericht, een ontroerend brok roman. Ontdaan van enkele toevallige bijmengselen, die voor 't doel niet ter zake doen, door ophelderende dagboekblaadjes aaneengeschakeld, geven ze zijn zielsbeweging uit die dagen met bezonken woordmuziek in allerlei toonaard weer. De data laat hij zoo, enkele namen worden veranderd. Zijn bedoeling is geweest er een drama van te maken. Hij ervaart echter dat de stof niets dramatiesch heeft; het eigenaardige van een zoekenden, wankelenden, aarzelenden gemoedstoestand, als dien hij wil boeken, is juist, dat hij in alle stilte verloopt, zelden tot handelen leidt, en dus bezwaarlijk aan opvoerbare gebeurtenissen kan worden gekoppeld; geen drama doch een schier ononderbroken monoloog laat zich er uit vormen. Vandaar dat hij de ongezochte schilderingen, die zijn brieven zijn, onaangetast laat blijven. De zoo ontstaande roman-in-brieven is in wezen een samenstel van onuitgesproken en onuitsprekelijke monologen. Deze uitingswijze biedt het voordeel, dat de auteur, indien dit hem wenschelijk mocht blijken, deze monologen door stukken in werkzamer trant gesteld, door gedichten, schetsen, korte tweegesprekken kan afwisselen.
Doch aldus ontstaat voor Goethe de moeilijkheid, het tweede gedeelte, dat hij niet zelf heeft doorleefd, doch moet maken, te houden in den toon van het begin. Nu gaat hij zoo te werk: Als een bepaalde situatie is vastgesteld, beeldt hij zich in, dat verschillende kennissen hem bezoeken. Hij laat hen plaats nemen in zijn dakkamer, begint een praatje met hen en brengt het gesprek op het onderwerp dat hij in den eerstvolgenden brief moet behandelen. Nu beginnen de vrienden te leven: zij spreken hun persoonlijke meening uit, belichten de zaak van verschillende kanten. Op deze wijze ontlokt Wolfgang aan zijn scheppende phantasie een heel gamma van gevoelens en opinies over deze zaak. Geen gevoelsmogelijkheid ontgaat hem nu bij het stellen van zijn brief. En binnen vier weken voltooit hij een lange galerij van levende, kleurige, fijn geschetste zielstafreelen, die door hun doeltreffende groepeering en door de wel-overlegde wisseling hunner grondtonen bij den lezer een dooreen-strengeling van stemmingen teweeg brengen; welke de eigenlijke handeling van dit verhaal uitmaakt.
—Deze handeling omkleedt de hier volgende hoofdlijnen: Werther is als Goethe fijngevoelig op het ziekelijke af, zeer veelzijdig; een strever naar het absolute, rijk aan "tranen der eeuwige liefde", vol aangeboren natuurzin; doch tegenover even sterke begeerten, even stuurlooze aandriften, staat bij hem een veel zwakker wil. Ook heeft hij meer uren vrij voor zelfbespiegeling, daar hij geen enkel beroep uitoefent, het lezen moe is, en alleen van tijd tot tijd wat teekent of schrijft uit liefhebberij. Hij is het type van een idealistiesch gezind jong patriciër uit die dagen. Meer nog dan Goethe keert hij zich naar de natuur, verdiept hij zich in Homeros.
Hij leert de kerngezonde, immer vroolijke Lotte kennen op een bal. Dat ze reeds verzegd is deert hem niet, zoolang haar minnaar afwezig is. Hij bezoekt haar dagelijks, bewijst haar allerlei kleine diensten en zij laat zich zijn hooggaande vereering welgevallen. Albert, haar verloofde, komt terug, en nu begrijpt hij, dat hij het veld moet ruimen. Maar als Albert verre van ijverzuchtig blijkt, graag ziet dat men zijn meisje lief vindt, overtuigt Werther zich met vele drogredenen, dat hij wel kan blijven in hare nabijheid. Doch dra begint hij het onhoudbare van zijn toestand duister te beseffen. De voorheen geliefde natuur stemt hem nu tot droefenis; onschuldige kleinigheden verbitteren hem. Hij moet zich onder tranen bekennen, dat dit zal uitloopen op het graf. Eindelijk weet zijn vriend Wilhelm hem tot heengaan te bewegen (11 September).—Hier stokt de evenwijdigheid tusschen de lotgevallen van Werther en die van Wolfgang.
Werther kan door zijn vlucht een beslissende botsing met de ongevoelige wereld niet ontgaan. Wel maken zijn verwijdering van Lotte en regelmatige arbeid—hij is gezantschapssecretaris geworden—hem rustiger, doch nu ergert hij zich aan zijn naaste omgeving, niet het minst aan zijn pedant-stipten patroon, die gaarne van zijn haat voor het idealistische getuigt. Intusschen zijn Albert en Lotte gehuwd. In een verstandigen brief verklaart Werther hun, dat hij zich met een tweede plaats in Lotte's hart wil troosten. Kort daarop is hij bij een graaf, die met hem sympathiseert, te middagmaal; hij bedenkt niet, dat de etiquette hem voorschrijft te vertrekken, als er 's avonds adellijk bezoek komt; hij blijft en laat zich boeien door een freule von B. Totdat zijn gastheer, op aandringen van het gezelschap, hem beleefd verzoekt heen te gaan. In hoogere kringen begint aanstonds een overdreven praatjesmakerij, die zelfs het arme freuletje niet spaart. In hevige opwinding eischt Werther zijn ontslag en verlaat de stad. Hij houdt zich eenigen tijd op bij een edelman, die hem heeft uitgenoodigd, en die zich moeite genoeg geeft om hem aangenaam te zijn, maar hem door de daarbij betoonde middelmatigheid van aanleg mishaagt. In hartstochtelijke, wereldhatende wanhoop voelt Werther neiging om in den oorlog te gaan; als zijn gastheer het hem ontraadt, mist hij ook echter daartoe den wil. Meenend dat hij nu niets meer heeft te verliezen, volgt hij den trek zijns harten en zoekt Lotte op.
Vriendelijke ontvangst belet niet, dat hij dra het totale gemis aan poëzie bij het jonge echtpaar bespeurt; ook zijn vroegere liefde voor de vrije natuur kan hij niet weervinden: hij lijkt een uitgedroogde bron. Homeros zegt hem niets meer. Slechts Ossians nevelige klachten vinden weerklank in zijn moede ziel. Lotte wendt haar oogen van den al te drogen in zijn zaken opgaanden Albert naar haar jongen fijnbesnaarden gast. Zij wil echter haar huwelijkseed gestand doen, en spant zich in om haar groeiende sympathie voor Werther te verhullen. Maar met zijn ziekelijke scherpzinnigheid ontdekt en benut Werther het geringste aanknoopingspunt. Wetend dat hij niets van haar mag hopen, verdiept hij zich al meer in zijn levensmoeheid: zou God de vader hem van zich wijzen, nu hij tot het inzicht is gekomen, dat de wereld overal gelijk, en voortzetting van zijn leerreis door dit leven dus overbodig is? De dorre donkere herfst versterkt zijn doodsverlangen. Nog eens wil hij Lotte zien: hij vindt haar alleen en ze is verlegen. De voorlezing van zijn Ossian-vertaling moet hij, door weemoed en tranen beheerscht, onderbreken. Met bevende stem leest hij nu de passage: "Daar komt de stonde dat ik moet verwelken....", maar raakt nu zoo ontroerd, dat hij voor Lotte op de knieën valt, en haar handen, na ze gekust te hebben, zich tegen voorhoofd en oogen drukt. Ze buigt zich tot hem over, en hij richt zich op, kust haar onbedwongen op de lippen. Ze weet niet te kiezen tusschen liefde en gekrenktheid, stoot hem weg, snelt de kamer uit.
Onder voorgeven dat hij op reis moet, laat hij door zijn bediende Alberts pistolen ter leen vragen en schiet zich voor het hoofd. Lotte's broers en ook haar grijze vader voelen zich genoopt het bebloede lijk te kussen; doch geen priester geleidt de baar ten grave.
Dit boekje trof—door zijn vermenging van Engelsch Hamlet-pessimisme met Duitsche Emfindsamkeit, en vooral door zijn woeste aanvallen op de heerschende moraal—den geest des tijds in zijn kern: de lezers waren voorbereid op iets van dien aard en zij vonden zich zelf in Werther. Het werd herdrukt en na-gedrukt (in het jaar van zijn verschijning acht maal) bezongen door straatzangers, gedramatiseerd, vertaald in alle groote wereldtalen. Men vergoot stroomen van tranen om Werthers dood, en Werther is velen inderdaad een lieve vriend geweest. Het Engelsche costuum waarin hij zich om 't leven bracht—geel vest en broek, bruine laarzen, blauwe jas met koperen knoopen—werd mode onder gevoelige jongelingen. Maanzieke juffers verdronken zich met den roman op zak. Voor een dezer zou Goethe later diep bewogen een gedenksteen plaatsen in zijn toovertuin bij Weimar. De aartsbisschop van Milaan liet het gevaarlijke schriftuur in het openbaar door den beul verbranden. Het bezit er van werd te Leipzig met 10 daalders boete bestraft. De Chineezen leverden enkele jaren nadien Werther-tafereelen van 't fijnste porcelein. Napoleon las den roman zeven maal en droeg hem mede toen hij naar de Pyramiden trok. Werther is vooral in Frankrijk—waar het publiek door Rousseau's Héloise was bewerkt—Goethes bekendste boek geworden. Walter Scott zegt in de voorrede tot zijn Götz-vertaling heel naïef dat dit drama geschreven is door "den eleganten auteur van Het Lijden des jongen Werthers". Maar nu wist het publiek wie Goethe eigenlijk was; een anderen Goethe heeft het nooit erkend!
Lessing, hoewel hij het boek als kunstwerk hoog aansloeg, keurde de "neerdrukkende strekking" er van af. Terecht noemt hij Werthers overgevoeligheid het resultaat van achttien eeuwen Christendom en zelfbeschouwing, en hij meent (minder terecht) dat geen jongen in de oudheid zoo ware geëindigd. Hij gaf Goethe in overweging, den weemoedigen toon van zijn werk te neutraliseeren door een slothoofdstuk: "hoe cynischer, hoe beter". Zijn proselyt Nicolaï schreef een parodie getiteld: De genoegens van den jongen Werther. Hij laat den zelfmoord op grappige wijze mislukken en Werther een huwelijk aangaan met Charlotte. Goethe heeft "het Berlijnsche hondentuig" meermalen onbehouwen van antwoord gediend, o.a. in het hekeldicht "Nicolaï aan Werthers graf"; de criticus, door buikkramp geplaagd, doet op het graf van den zelfmoordenaar uitvoerig zijn gevoeg en beweert dat het met den jonkman nooit zoo waar afgeloopen, als ook hij op gezette tijden zijn pantalon had afgestroopt.... Goethe vond dat tegenover een echt kunstwerk "Kritteley" evenmin te pas kwam als tegenover een natuurverschijnsel. En den kerels, die zich aan zijn tafel eerst vol hadden gevreten en daarna scholden op de spijzen, riep hij met wellust na: Slaat dood den hond!
Lotte zelf en ook Kestner waren door de verschijning van het boek—tot Goethes pijnlijke verwondering—zeer onaangenaam getroffen. Zij erkenden dat de schrijver niet had geportretteerd, maar vonden juist daarom de gelijkenis in sommige onderdeelen te ver doorgedreven en vele vleiende détails te onrechte verzwegen. Zij zagen over het hoofd dat de Lotte in den roman de zwarte oogen van Maximiliane had en dat Albert meer op Brentano geleek dan op Kestner. De belangstelling van het publiek, die ontaardde in speurzucht, onderhield hun gemelijkheid. Goethe liet niet af te betoogen, dat hun smart klein was, vergeleken bij de intense vreugde en de diepgaande leering die het boek aan duizenden en duizenden had geschonken. Zij wisten ook wel dat hij, al schrijvend, niet aan hen had gedacht. Maar ze wisten niet welk eigenaardig egoïsme er in een schrijver omgaat en hun gekrenktheid bleef lang. Men noemt Kestner als auteur van een boekje, dat den Werther zegt te corrigeeren, door bijwerking van de Albert-figuur.


VIII
Franckfurt ist das neue Jerusalem wo alle Völcker aus und einziehen und die Gerechten wohnen.
Reeds voordat de Werther zijn roem voor goed had gevestigd, zoodat hij omzwermd was van nieuwsgierige dames, die meer van Lotte wilden hooren, dan hij had noodig geacht mede te deelen, kwamen vele groote mannen naar Frankfort om den schrijver van Götz, van talrijke geniale, overmoedige, door vriend en vijand bewonderde recensies te leeren kennen. Allerlei gedichten van Goethe circuleerden in handschrift, en werden druk besproken, evenals sommige misschien wat grove satyres, o. a. het stuk over Wieland, Grieken en Goden, waarin hij dezen dichter voorhield dat de Helden en de Goden, die hij met groote vruchtbaarheid voortbracht, in hun hart eigenlijk verwijfde, laat-achttiend'eeuwsche jonge Duitschers waren, en diens droomen liet verontrusten door de verschijning van sapvollen Hercules, die vijfentwintig jongens in één nacht verwekte.... Goethes brieven, die zijn hemelstormende veelzijdigheid nog het best deden uitkomen, werden in gezelschappen—wat in dien tijd niet vreemd was—onder groote aandacht voorgelezen. Men kende ook zijn weidsche plannen, de hoofdlijnen van een Caesar-drama, van een Mahomet, een Faust, en men voorspelde dat vooral dit laatste ongelooflijk schoon zou worden. Zijn openhartigheid, terloops zij het vermeld, had wel eens tengevolge dat sommige ontwerpen door anderen eenvoudig werden gestolen, zoodat er bewerkingen van verschenen voordat hij zelf ze ter hand had kunnen nemen. Zoo eigende zijn bentgenoot Wagner zich zijn Gretchen-historie toe, die hem in vertrouwen was verteld. Het spectakelstuk "Die Kindesmörderin" dat hij er uit brouwde is intusschen reeds lang vergeten. Maar hoe dan ook: het mishaagde onzen jongen auteur niet, als literair hemelverschijnsel te worden aangegaapt.
De eerste hooge bezoeker was de Zwitsersche predikant Lavater die reeds van de verschijning van de Briefe des Pastors af met Goethe in correspondentie stond, en hem ook portretten, waaronder een ideale afbeelding van den Heiland, had gevraagd voor zijn groote werk over Physionomie-kennis. De schilder, die hem Goethes portret moest zenden, had hem een afbeelding van den dichter Bardt gestuurd, maar Lavater liep daar niet in en beweerde dat het Goethe niet kon zijn. Toen hij echter Wolfgang in levenden lijve voor zich zag, scheen hij te twijfelen,—wat, bij de hooge achting die hij hem toedroeg, geen wonder was. "Ben jij het?"—"Ik ben 't." Lavater viel hem in de armen: Wolfgang verklaarde, dat hij hem moest nemen zooals God hem nu eenmaal had gemaakt, en weldra waren de twee bezig over de groote vraagstukken godsdienst en moraal, die ook in hun brieven werden besproken.
De Zwitsersche profeet was niet het minst beroemd om zijn bewerking van Bonnets Palingénésie, het boek van een beroemd natuurphilosoof, die het geopenbaarde Christendom in overeenstemming trachtte te zien met de wetenschap. Dit lag geheel in dien tijd: Men wilde terug naar het oorspronkelijke, het onbedorvene, naar de oerpoëzie, en dus ook naar het apostoliesch Christendom. Lavater was een lange, magere man met zeer scherp gelaat, hemelsche oogen, weldoende, bijna vleiende stembuiging. Hij werd, ook in het Goethehuis, achtervolgd door dweepende vrouwtjes met hooge coiffures; die hem heur kousebanden aanboden in ruil voor lokken van zijn hair, die in Sabbaths heilige stilte op zijn borst wilden rusten, en (naar de boosaardige Merck in harde woorden uitsprak) zelfs zijn slaapvertrek in alle hoeken en gaten inspecteerden. Lavater liet zich veel welgevallen omdat hij gaarne grooten invloed had. Hij wilde Goethe bekeeren; en Goethe hem.
Misschien wel om hem te toonen dat hij toch niet heelemaal verdwaald was, bracht Wolfgang hem in aanraking met zijn vriendin Klettenberg, die hij weldra de Sabbath van zijn reis noemde. En terwijl de profeet (wiens geloof aan zijn verbond met God zoo ver ging, dat hij verkondigde: God heeft de fouten in mijn schoolwerk verbeterd) discussiëerde met de Hernhuttersche, die zich strikt aan haren bijbel hield, zat Wolfgang met een ernstig gezicht zich af te vragen: Hoe is het toch mogelijk dat twee menschen, in wezen zoo dicht bij elkaar staand, in byzonderheden zoozeer kunnen verschillen? En hij begon een antwoord op die voor hem albeheerschende vraag te vinden in Spinoza.
Hij vergezelde zijn bezoeker naar Bad-Ems, maar kon niet van hem scheiden, liet dus zijn rechtspractijk aan vader en confrères over, en bleef er veertien dagen. Teruggekeerd vond hij een bewonderaar die in alles het tegendeel was van Lavater: den schoolhervormer Basedow: een rumoerig veelweter, in wiens altijd om hetzelfde thema draaiende boeken men zijn schorre schreeuwstem meende te herkennen, waarmede hij—of men wilde hooren of niet—zijn systeem van natuurlijke opvoeding à la Rousseau verdedigde. Een morsig drinkebroer, met een leelijken haakneus; onbeschoft spotter met bijbel en traditie. Maar Goethe, die graag van hem wilde leeren, liet zich door dit alles niet ontmoedigen. Hij weerstond leelijk door leelijk en debiteerde over den bijbel sarcastische ongehoordhedens, die zelfs Basedow deden blozen. Gedwee liet hij zich met stinkenden tabaksrook beblazen. Hij ging met den paedagoog, die op weg was (voor de zooveelste maal) om het Philanthropicum te stichten, waar zijn ideeën verwerkelijkt zouden worden, op reis. Onderweg ontmoetten ze Lavater, en Goethe moest wel eens de twee antipoden, als waren ze kinderen, binnen de perken houden, opdat ze elkaar geen pijn zouden doen.
Een geniaal drietal zoo: Goethe, romantiek gekleed met grijze sluitjas, bruinen halsdoek, hooge laarzen en slappen hoed, waarop van tijd tot tijd kwam te prijken een boeket, van de een of andere aanbidster gekregen. Men reed in rookerige koetsen, liet zich varen op den Rijn. Wolfgang, na de voltooiing van zijn Werther van een geweldigen last bevrijd, herleefde, improviseerde gewaagd-vurige gedichten, las voor uit zijn portefeuilles, en at als een beest. Op verschillende kasteelen werden ze gastvrij ontvangen. Goethe, een wonderlijke verschijning, maakt furore bij de dames, en ook bij de kinderen, wien hij sprookjes vertelt. Op het slot van de Steins, waar Basedow grof wordt, omdat men niet gereedelijk dokt voor zijn Philanthropicum, verwekt Wolfgang sympathie door zijn tact; en van daar gaat zijn roep naar het Hof te Weimar.
Doch, al leefde hij oppervlakkig avontuurlijk, hij bleef een zoeker. Hij bleef verlangen naar "een zeker iets dat hij duister voelde maar nog niet kende". Het gebeurde dat hij, verhit en opgewonden, de danszaal ontvluchtte om Basedow te interpelleeren over een vraagstuk dat vroeger al tusschen hen was besproken. Dit genie sliep nooit. Het zat 's nachts in een stinkende wolk zijn copist zwaarwichtige zaken te dicteeren, dommelde soms wat in zijn fauteuil, om na korte, onrustige sluimering voort te dicteeren. Hij beantwoordde Wolfgangs vraag en deze wipte weer naar de danszaal als de muziek begon. Nog voordat de deur van Basedows kamer achter hem was gesloten, dicteerde diens schorre stem reeds, beginnend midden in een woord.
Te Dusseldorf bezocht Goethe Fritz Jacobi. Hij had dien langen tijd geschuwd wegens zijn overgevoeligheid, die niet echt leek. Jacobi vond in Wolfgang de ziel, waarnaar zijn ziel verlangde en moest het herhaaldelijk in zijn armen uitsnikken en zwoer dat hij eeuwig zijn vriend zou blijven; dit is echter anders uitgekomen. Wolfgang vond in den ouderen man begrip voor vele dingen die onbestemd en raadselachtig in hem leefden. Hij had al lang naar een middel gezocht om zijn vreemde natuur, die hij niet aan anderer voorbeeld kon spiegelen, te ontwikkelen. Ook Jacobi. Zij hadden dit gemeen dat ze weinig hechtten aan den invloed van omstandigheden die van buiten af werken, en geloofden aan een innerlijke kiem die geheel uit eigen kracht moet groeien. Beiden ontmoetten ze op hun weg Spinoza.