Illustraties (continued 3)
Reading edition
—Goethe had als jongen reeds in de boekerij zijns vaders een werkje over Spinoza gevonden van den Nederlandschen predikant Colerus, die zijn beschouwingen over dezen denker met de grofste en de verfijndste scheldwoorden doorspekt. Op het titelblad een dwaas portret van Spinoza met het bijschrift: "Signum reprobationis in vultu gerens", d.i.: Hij draagt het teeken van verworpenheid in het gelaat. Wolfgang haatte dergelijke bestrijding instinctief; ook wilde hij niet in de eerste plaats weten wat een wijsgeer volgens dezen of genen behoorde te denken, doch: wat hij werkelijk dacht. In Bayles Dictionnaire—zijn vraagbaak voor onderwerpen uit de philosophie—had hij Spinoza nageslagen; doch de inderdaad oppervlakkige en foutieve aanduidingen die hij er aantrof, zegden hem niet veel. Maar in zijn Ephemeriden had hij aangeteekend dat hij Spinoza's vereenzelviging van God en Natuur een zuivere leer achtte, waarvan het slechts te betreuren viel, dat de ontwerper ze met zooveel dwalingen had omhuld. Genoeg om thans nader met Spinoza's werken kennis te maken. Hij was echter veel te ongeduldig en te verlangend om dien denker te volgen in zijn "geometrischen" betoogtrant, welke den lezer slechts met kleine pasjes vooruit brengt, en geen bewering toelaat, voordat de gronden waarop zij steunt volkomen vaststaan. Neen, Wolfgang doorbladert de boeken, en als hij hier of daar een idee leest dat plotseling een groote groep van zijn eigen ideeën in beweging brengt en ordent, dan heeft hij geen moeite om Benedictus op zijn woord te gelooven. Het doet zijn ongestadig bevroedend en onwiskunstig denken goed, een bezadigd systeembouwer voor zich te laten zorgen; met vreugde laat hij zich door een man, die in redeneertrant tegenover hem staat, als het ware voordenken, wat hij in de diepste donkerte van zijn ziel als waarheid voelt. Hem boeit Spinoza's wijde wereldblik die de groote, d.i. de uiterlijk-stoffelijke, en de kleine d.i. de innerlijk-zedelijke wereld tegelijk omvat. Hem ontroert de groote belangeloosheid die—in zonderlinge tegenspraak met wat de bestrijders voorgeven—door zijn leven straalt zoowel als door zijn leer, en die haar schoonste uiting vindt in de stelling: Wie God liefheeft moet niet verwachten dat God hem wederkeerig beminne. God heeft niemand lief en haat niemand. Want God is vrij van allen hartstocht en van elke aandoening van genot of smart. Daar nu liefde een genots-, haat een smartaandoening is (begeleid van de voorstelling van een uiterlijke oorzaak), kan niemand wenschen dat God hem liefheeft, zonder er bij te wenschen, dat God niet God is.... Toch heeft God den mensch lief, daar de mensch niet buiten God is, en God vreugde heeft aan eigen volmaaktheid.... Door Gods waren aard te doorgronden en in den geest met God één te zijn, heeft de mensch bewustelijk deel aan deze liefde Gods. Daartoe moet hij zich van alle belangzucht en hartstocht vrijmaken, het goede doen om het goede, zich bevrijden door zich voortdurend te geven.... Totale zelfverloochening in liefde en vriendschap lijkt ook Goethe, gegeven zijn persoonlijkheid, de eenige ware leefregel. En een nieuw gebied van zijn ziel wordt ontgonnen en bevrucht door het besef van een universeele noodzakelijkheid, die er ligt besloten in de idée: dat zelfs God zijn eigen wetten niet kan wijzigen. Zoo liggen in de ziel eens menschen de wetten, waaraan hij heel zijn leven niet ontkomt.
In Jacobi vond Wolfgang dus een goeden gids in eigen boezem. Deze had stelselmatig gestudeerd en hij beschouwde Spinoza's leer als een onwillekeurig betoog voor de ontoereikendheid van het menschelijk denken. Goethe had kort te voren gewanhoopt aan de mogelijkheid van een op het menschelijk denken uitsluitend gebouwde wetenschap. Hij sloot zich gaarne bij Jacobi aan. Maar wat hen vereenigde zou hen later scheiden.

JOHANN BERNHARD BASEDOW

JOHANN HEINRICH MERCK

JOHANN CASPAR LAVATER

FRIEDRICH GOTTLIEB KLOPSTOCK

FRIEDRICH HEINRICH JACOBI
Te Elberfeld, waar zijn vriend Jung, genaamd Stilling, zich als arts had gevestigd, legde Wolfgang zich als ware hij ernstig ziek te bed, het hoofd in groote doeken gewikkeld, en liet doctor Jung roepen. Alleen zijn pols stak nog boven de dekens uit. Maar toen Jung die aanpakte en beweerde dat hij niets abnormaals voelde, sprong daar eensklaps de Westindiër te voorschijn en viel den verbluften geneesheer om den hals.—Jung wist later te verhalen van een gastmaal, waar Goethe, Lavater, Basedow en meer dergelijke genieën vereenigd zaten; serieuze gedachtenwisseling kluistert de genieën aan hun zetels, maar Wolfgang kan bij al die tegenstrijdige en ietwat overdreven uitingen geen rust vinden; hij springt van groep naar groep, danst ten slotte om de tafel, en maakt grimassen. De omstanders meenen dat hij gek is, en hij bevestigt hun oordeel, door ze met verdwaasde oogen aan te staren. Maar als ze ten volle zijn overtuigd, beschaamt hij ze plots door één blik, schitterend, geestvol, vernietigend.
Terwijl geleerden en kunstenaars die reeds veel meer hadden gepraesteerd dan hij zelf, in hem hun meerdere voelden, in vurige woorden hun bewondering voor zijn aanleg, zijn uiterlijk, zijn plannen, zijn hecht idealisme te boek stelden, bleef hij wie hij was. In zijn Diné zu Coblentz gaf hij een guitig zelfportret uit dien tijd: Hij, kind van de wereld, zit met een spottig gezicht wijn en gebraad te verslinden; aan zijn eene zijde zit Basedow den doop te bespotten; aan zijn anderen kant zit Lavater de geheimenissen van de Openbaring na te openbaren; hij begeleidt hun argumenten met groote happen.
Kort daarop kreeg hij bezoek van Klopstock, den dichter van de Messias en de beroemde Oden, wiens rijmlooze verzen hij als kind in het geheim had gelezen. Deze, hoewel uiterst vriendelijk, kon het niet van zich verkrijgen met den jongeren Wolfgang op voet van gelijkheid over geestelijke onderwerpen te spreken. Wel gaf hij menigen nuttigen wenk ten aanzien van "den ijsloop" zooals hij het schaatsenrijden noemde. Goethe brengt hem natuurlijk een eind terug. Op den thuis-weg dicht hij in de hortende en stootende postwagen zijn ode aan Schwager Kronos, d.i. Voerman de Tijd, waarin hij te kennen geeft dat hij liever ter Helle vaart als vurig jongeling dan langzaam te verworden tot grijskop.
Fräulein Klettenberg wilde hem maar niet opgeven, en telkens geloofde zij dat ze hem had bekeerd. Maar hem werd nu duidelijk dat hij, bij al zijn eerbied voor de moravische broeders, nooit een christen naar hun hart zou worden. Het dogma van de erfzondigheid, volgens hetwelk de mensch, ondanks al zijn streven naar beter, hier op aarde nooit volkomen zondevrij zou worden, streed te zeer met het hem ingeschapen geloof dat voor den geduldigen, volhardenden strijder een staat van volkomen reinheid te bereiken moest zijn, een aardsche gelukzaligheid. Maar hij bleef trouw aan zijn liefde tot den bijbel, en dit leidde tot een poging om aan de oude legende van Ahasverus een dichterlijke gestalte te geven, en deze dan tevens te gebruiken om zijn meening aangaande de innerlijke gelijkslachtigheid van allerlei gelooven en stelsels tot rijpheid te brengen en te belichamen. Hij bracht de taak echter niet ten einde, terwijl de eerste opwelling hem daartoe nog kracht gaf. Later trachtte hij het gedicht weer op te vatten, maar hij kon niet verder. Het bleef een fragment ... en kwam naast vele andere fragmenten te rusten. Maar dit fragment Der Ewige Jude, dat op den lezer in zijn Hans-Sachsstijl, met zijn strengen, bijna rauwen humor, een diepen indruk maakt, doet de vraag rijzen of het zelfs een genie als Goethe mogelijk ware geweest het geheel in dezen toon uit te werken.
Doch er spookten immers zoo veel plannen in zijn hoofd! Meer dan eens stond hij 's nachts op om gelukkige invallen op het eerste stuk papier het beste neer te krabbelen: het kostte hem ontzettend veel moeite, zijn middaguren voor de rechtspractijk te reserveeren. Hij wilde nu eens alles doen, waartoe hij in staat was, teneinde de eer te hebben, zich zelf beter te leeren kennen. Zijn bewonderaars en zijn napraters en de velen die, naar Merck beweerde, in zijn glans hoopten te schitteren, lieten hem geen rust. Indertijd, terugkeerend van Straatsburg, had hij een jongen harpspeler meegetroond met de belofte van huisvesting en goede verdiensten. Toen had zijn moedertje den vreemden klant voor vader Gaspar verborgen en hem zoo spoedig mogelijk elders onderdak gebracht. Maar nu herbergde het stille, schemerige patriciërshuis zooveel vreemde klanten, avonturiers en hongerige talenten, menschen met merkwaardige manieren, sterk persoonlijke meeningen en geniale magen, dat Herr Geheimrath doorloopend verontwaardigd was; en moeder Goethe maakte zich ernstig bezorgd, wetend dat Wolfgang zich in schulden stak om zijn vele "vrienden" te helpen, en schoon hij tijd miste om aan zijn eigen scheppingsdrang te voldoen, anderen onbekrompen bijstond in onbelangrijke werkjes. Wolfgang zag diep in een karakter, waarvan hij de kern eenmaal had gevoeld, doch hij liet zich makkelijk beetnemen door iemand, dien hij van buiten naar binnen moest beoordeelen. Geen wonder dat de ouders aanstonds in actie kwamen toen ze meenden dat de kans op een huwelijk zich voordeed.
Het was in den kring van jongelieden, waar Wolfgang soms verkeerde, gebruik, iedere week een huwelijksloterij te houden: het lot wees aan, welke paren zich een week lang als getrouwd moesten voordoen. Man en vrouw moesten elkaar met beleefde onverschilligheid behandelen, mochten niet dicht bij elkaar zitten, niet te veel met elkander babbelen, en vooral: ze mochten elkander koozen noch kussen. Toen nu drie keer achtereen het lot Anna Sybilla Münch met Wolfgang had vereenigd, meende de woordvoerder van de club dat de hemel had gesproken, en dat zij voortaan onscheidbaar waren.
Inderdaad, Wolfgang mocht het meisje wel, en hij zondigde wel eens tegen de regelen der wellevendheid, door zich als haar minnaar aan te stellen. Hij verdiepte zich meermalen in de gedachte (juist wijl ze hem geen hartstocht inboezemde), haar als zijn vrouw in het groote ouderhuis te voeren. De wederzijdsche familie, verwachtend dat het huwelijk rustig en gelukkig zou zijn, moedigde toenadering aan. Reeds maakte men plannen voor een verloving; onmiddellijk nadat deze zou hebben plaats gehad, moest Wolfgang een reis door Italië maken—want zulk een reis kon niet gemist in het opvoedingsprogram dat vader Goethe nu eenmaal voor zijn zoon had vastgesteld(!)—en daarna het huwelijk. Maar aan Wolfgangs vergissing kwam betrekkelijk spoedig een eind. De ouders loerden op een betere kans.
Zijn omgang met dit meisje heeft beteekenis behouden, doordat hij min of meer heeft bijgedragen tot het ontstaan van een nieuw drama. Hij had op een van de jongelieden-bijeenkomsten de vierde Mémoire van den Franschen schrijver Beaumarchais voorgelezen; verhalend hoe deze naar Madrid was getrokken om daar Clavigo, een jong bel-esprit, die zijn zuster ontrouw was geworden, nadat hij door 's konings gunst een hoogen post had gekregen, een schriftelijke erkentenis van zijn laagheid af te dreigen. Nadat hij daarin door zijn groote vastberadenheid is geslaagd, zoekt Clavigo een verzoening met zijn meisje, maar tracht in stilte te bewerken dat Beaumarchais zal worden uitgewezen, om daarna met diens zuster korte metten te maken. Doch Beaumarchais verneemt dit, klaagt Clavigo aan, ziet zich gewroken, doordien de koning den gluiper uit zijn ambt ontzet.
Goethe had er reeds vluchtig aan gedacht, dit onderwerp dramatiesch te behandelen, maar och, hij had zooveel plannen die onuitgevoerd bleven. Nu liet Anna zich ontvallen dat, ware ze niet slechts zijn vrouw maar ook zijn gebiedster, zij hem zou bevelen een drama te trekken uit het voorgelezen Mémoire. Om haar nu te toonen, hoe hoog hij zijn vrouw stelde, beloofde ridderlijke Wolf haar opdracht uit te voeren, binnen een week. En hij hield woord.
Hij was trotsch op zijn Clavigo, omdat hij met dit treurspel in vijf bedrijven (het classieke aantal, naar men weet) den kerels getoond had, dat hij zich wel kòn houden aan de eischen van opvoerbaarheid en concentratie, als hij maar wilde; èn omdat hij, bezeten door een gloeienden scheppingsroes, ondanks al zijn haast er nog iets van had terecht gebracht. Hij liet dit nieuwe stuk, van zijn naam voorzien, verschijnen: het eerste werk dat hij teekende. (De uitgever van den Werther had zijn naam in een mis-catalogus verklapt). Hij was doorgaans uitermate fier, als hij iets gewoons had geleverd. Merck echter nam hem streng onder handen: Je moet zulke prullen niet meer schrijven; dat kunnen anderen net zoo goed als jij!.. Op jaren gekomen had Goethe er nog steeds spijt van, dat hij zich aan die vermaning had gestoord. Want, zeide hij, als ik een dozijn zulke stukken had geschreven, (waartoe ik met een beetje aanmoediging gemakkelijk in staat ware geweest) dan zouden er wellicht drie, vier van mijn drama's nu op het répertoire staan!
Goethes treurspel Clavigo houdt zich schijnbaar zeer nauwkeurig aan het mémoire. Alleen het slot is wat de gebeurtenissen betreft ingrijpend gewijzigd, en deze wijziging is kenmerkend voor het stadium, waarop Wolfgangs geestesontwikkeling zich toen bevond. Bij hem valt Clavigo niet in ongenade; hij laat Marie van verdriet sterven (misschien ook wel eenigszins onder den invloed van haars broeders akelig wraakgeschrei). 's Nachts, als haar stoffelijk overschot zal worden bijgezet, wil Clavigo toevallig(!) zijn vriend Carlos opzoeken; en zijn bediende leidt hem toevallig(!) hoewel hij 't hem verboden heeft, door de straat waar de Beaumarchais wonen. Weldra staat Beaumarchais met getrokken rapier voor hem; een kort tweegevecht: de ontrouwe minnaar valt over de baar van zijn verlaten minnares. Zijn bloed droppelt schoone rozen op haar blanke lijkkleed.. En nu dankt de stervende den wreker voor dezen genadestoot. Hij is daardoor zijn broeder geworden en voor de eeuwigheid met Marie getrouwd. Hij zal haar overbrengen de groeten van haar magen, de groeten die haar door haar snel afsterven zijn ontgaan. Stervend dwingt hij zijn inmiddels toegeschoten vriend Carlos de belofte af, dat deze Beaumarchais, die nu een moord op zijn geweten heeft en in gevaar verkeert, veilig over de grenzen zal leiden.—
Vermaarde Goethe-kenners noemen dit slot een gezocht aanhechtsel. Te onrechte. Het ligt, evenals het slot van De Medeplichtigen, geheel in de lijn van de grondgedachte. Om dit in dit zien, onderscheide men al weer tusschen de bewegingsmotieven, die het slot te voorschijn brengen (hier bv. de ongehoorzaamheid van den bediende; het samenvallen van het oogenblik waarop Clavigo zijn vriend zoekt met het moment waarop de lijkstoet zal vertrekken, enz.), en den psychologischen inhoud van het slot. De eersten zijn geheel toevallig ten opzichte van het karakter van den hoofdpersoon, waaruit zij dienden voort te vloeien. Daardoor wekken zij bij oppervlaksbeschouwers den indruk, dat ze zijn "gezocht" en "berekend op tooneel-effect". Zoo kunnen zij aanleiding geven tot de spotternij dat de werkelijke Clavigo, die meer dan dertig jaren later een natuurlijken dood stierf, het genot kon smaken, zich op de Duitsche planken te zien vermoorden.
Maar de fout van de bewegingsmotieven is: dat zij geenszins zijn gezocht. De schrijver, wiens krachten inderdaad te kort schoten om ze—ook wat het uiterlijke betreft—volkomen natuurlijk uit het oorspronkelijk gegeven af te leiden, heeft in een soort van radeloosheid (welke den fijngevoeligen dichter bij het bewustzijn van zijn onmacht overvalt) naar het eerste het beste vertelseltje gegrepen, en niet zijn toevlucht genomen tot een der vele bedriegelijke kunstmiddeltjes, die ook hem zeer zeker ten dienste stonden; kunstmiddelen, die weliswaar geen principiëele verandering hadden gebracht, maar toch de "gezochtheid" van het slot tamelijk wel hadden bemanteld,—en derhalve vele diepzinnige Goethekijkers hadden overbluft.
Is nu ook dit treurspel te rekenen tot de eerste periode in Goethes geestes-evolutie (de Götz, die het leven van een voorbeeldig man navertelt, valt buiten deze indeeling!) tot de drama's met gewrongen of voorkomen slot, geenszins is vol te houden dat het slot van den Clavigo onnatuurlijk, d.i. innerlijk onnatuurlijk is.
En hier breke men nu voorgoed met het sprookje dat Goethe zou zijn een realist, hetgeen slechts zou kunnen beteekenen dat hij in het onderhavige geval een karakter weergeeft, zooals hij het heeft waargenomen, en het op zijn hoogst door wat psychologische redeneeringen "aannemelijk" zoekt te maken. Ware dit zijn bedoeling, ware hij werkelijk het mémoire op den voet gevolgd, dan, ja dan ware het slot er slechts aan geplakt. Maar—in dit geval hadde het gegeven hem reeds voldaan, zou het gegeven reeds een bij zijn aanleg passende scheppingsmogelijkheid zijn geworden, òmdat het was een ware, werkelijk doorleefde, menschelijke gebeurtenis. Dan had hij van den Spaanschen koning, die een pas verheven gunsteling smadelijk van zijn hof jaagt, terwijl de stoutmoedige aanklager triumpheert, terwijl de duivelsche vriend Carlos rilt, wel een op effect berekende slot-scène kunnen maken: hij was handig genoeg.
Maar dat Goethe dit versmaad heeft, wijst ons er op, dat het grondgegeven zijn ziel op totaal andere wijze had getroffen. Niet realistiesch (als "schilderij") maar moralistiesch-wijsgeerig. Hij vroeg zich af: hoe uit zich hier de tegenstelling tusschen karakter, d.i. oorspronkelijk Ik, en de buitenwereld (waartoe dan ook de karakters van de andere personages zijn te rekenen)? Het antwoord luidde in dit stadium van zijn leven: Ondergang van den held. En in het speciale geval-Clavigo: dood door de hand van iemand dien hij hoogacht. Eerst toen hij dit antwoord duidelijk voor oogen had, kon hij zich zetten aan het belichamen van zijn grondgedachte, of liever: toen deden de gestalten die hij in het mémoire had aangetroffen zich aan hem voor àls belichamingen, als de levende plastiek van iets dat hij in zich omdroeg, van een moraal. Voor den Spinozistischen Goethe, die in ieder stuk natuur een uiting van het innerlijke, d. i. het Goddelijke wenschte te zien, ontstond eerst toen een scheppingsmogelijkheid. Hij gaf dus de natuur niet weer om de natuur, maar om de idee, waarvan de natuur de openbaring leek. Aan de natuur kòn hij zich niet houden. Hij was niet realist doch moralist. Het kon hem niet schelen hoe de dingen gebeurd waren; hij wilde aanschouwelijk maken hoe de dingen moesten gebeuren, volgens een in hem vaststaand schema. Vandaar dat hij het soms beter wist dan de natuur,[A] en dat de helden van zijn spelen met de historische personen die zij voorstellen, meestal slechts den naam gemeen hebben.
De schrijver dezer regelen laat zich niet uit het veld slaan door den kwalijk verholen trots, waarmede Goethe zelf hier en daar spreekt van zijn realistischen tic. Want hiermede bedoelt hij, wel-overwogen, slechts dit: dat hij, eenmaal aan het belichamen van een idee, aan zijn personages de grootst mogelijke realiteit trachtte te geven, ze niet nevelachtig wilde maken. Bij de bespreking van Die Geschwister zal in herinnering worden gebracht, hoe dubbelzinnig dit soms uitviel.
Hoe zag nu de moralist Goethe het karakter van den "verrader" Clavigo? Voor Beaumarchais was deze een diepverdorven man, een eerzuchtig bedrieger: hij verstoot zijn meisje als hij maatschappelijk een treedje stijgt. Maar voor Goethe was hij een twijfelende zwakkeling, half groot, half klein man, een uitvoerig uitgewerkte Weislingen, een afspiegeling dus van den zieletrek dien hij in zich zelf leerde haten toen hij Friederike verstiet, en dien hij nu wilde hekelen.
Om nu van den realistiesch (in zijn lectuur) waargenomen schurk Clavigo een twijfelaar te maken, moest hij hem zijn (van buitenaf gezien verfoeilijke) ontrouw niet doen plegen uit eigen beweging, d. i. uit ingeschapen boosheid, maar onder den invloed van een derde. Deze derde is zijn vriend Carlos, een koel-verstandig, practiesch vereerder, die hem door zijn mephistofelische inblazingen toont de wreede noodzakelijkheid van het aardsche leven; hier: de noodzakelijkheid om Marie te verstooten, teneinde in haar plaats een vrouw van positie te kunnen huwen. Clavigo hecht aan zijn toekomst als auteur evenzeer als aan zijn liefdesgeluk. Slechts als Carlos in zijn nabijheid is, en hem met een handigheid waaraan zijn gezond verstand geen weerstand kan bieden op de eischen van het leven wijst, overheerscht de eerstgenoemde gehechtheid in hem. Is Carlos weg, dan heeft hij berouw en verlangt terug naar Marie.
Men merke op, hoe scherp Goethe hier heeft gevoeld het verschil tussen dramatische en romantische behandeling van eenzelfde onderwerp. In een roman had hij Clavigo's zielestrijd uitvoerig kunnen ontleden en kon hij hem dus zijn wandaad doen bedrijven, zonder den lezer van hem afkeerig te maken. Maar de korte spanne tijds, waarover de dramaturg voor zijn karakterteekening beschikt, gedoogt zulke ontleding niet, of zij zou dienen te geschieden in lange monologen,[B] die onnatuurlijk zijn en een te groote mate van zelfkennis in dezen twijfelaar zouden veronderstellen. Clavigo mocht ook niet onbegrepen-onsympathiek worden; want een onsympathiek hoofdpersoon boezemt het publiek niet de ware belangstelling in. Vandaar de schepping van Carlos,[C] die is zijn kwade geest in letterlijken zin; dat wil zeggen: vertegenwoordigt en belichaamt een levenskijk die ook hij in zich heeft, maar nu het dramatiesch gezichtsbedrog bewerkstelligt, dat de toeschouwer hem houdt voor een verleider, die den tobbenden Clavigo "slecht" maakt.
Maar—aldus Goethes ervaring—uit zulk een twijfelzucht moet voor de geliefde groot onheil ontstaan. Clavigo is nog niet een boosdoener—al is het niet braaf je meisje te laten zitten; zijn motieven zijn niet geheel en al verwerpelijk. En Marie, hoewel ze zijn motieven niet begrijpt, houdt nog zoo veel van hem, dat zij hem weer in genade aanneemt, als hij—ontkomen aan Carlos' suggestie—zich aan haar voeten werpt. De historische Clavigo deed ook zoo iets. Maar hij deed het om zijn belager Beaumarchais in den val te lokken, terwijl het Goethes zwakkeling oprecht om vergeving is te doen. Hier ontstaat het tragische moment.
Onder den invloed van zijn kwaden geest, gaat Clavigo de herkregen gunst misbruiken; waar de valschaard uit het mémoire van begin af op heeft aangestuurd. Hij besluit Beaumarchais onschadelijk te maken: de zuster begrijpt dan natuurlijk, dat hij ook hàar niet welgezind is. Toch was zijn inkeer oprecht: zelfs de wantrouwige Beaumarchais heeft er in geloofd, en de met zooveel moeite verkregen schuld-erkentenis verscheurd. Maar (en hier grijpt het noodlot in) nu hij de bewijzen tegen Clavigo dusdoende uit handen heeft gegeven, valt het Carlos gemakkelijk hém te beschuldigen en met verbanning of gevangenis te bedreigen.
Is het wonder dat de aan een borstziekte lijdende Marie, onder den invloed van Clavigo's vele, snel opeenvolgende front-veranderingen, die zij slechts kan verklaren door aan te nemen dat haar minnaar een doortrapte boef is, geschokt wordt en sterft? Zeker, Goethe had het bij een hartkwaal kunnen laten. Maar een hartkwaal is veel moeilijker op het tooneel te brengen dan een plotselinge dood, en Goethe had weinig tijd over. En—dit is de hoofdzaak—hadd' haar broeder (wien niet in de eerste plaats haar overlijden, maar haar gekrenkte eer bedroeft) indien ze door een hartkwaal ware getroffen niet evenzeer naar wraak verlangd? Hadd' hij niet evengoed de eerste gelegenheid om Clavigo te treffen aangegrepen? En moest de stervende Clavigo—die op geen literair succes meer mocht hopen—dan niet evenzeer tot het inzicht komen, dat hij Marie nog steeds beminde, en door zijn smadelijken dood zijn schuld jegens haar eenigszins had uitgeboet?—Als men deze vragen bevestigend beantwoordt, dan moet men toegeven, dat het slot van het treurspel Clavigo niet een "aanhechtsel" is, maar een natuurlijk uitvloeisel van het grondgegeven,—zooals Goethe dit door de invoering van Carlos (die begrijpelijker wijze Merck's ergernis wekte) had gewijzigd; dat Goethe dus schijnbaar slechts zich hield aan het mémoire, doch in werkelijkheid sommige détails uit dat mémoire gebruikte om een van zijn ervaringen zich voor oogen te stellen. Dit slot mòest zoo zijn,—ook al is de gelegenheid tot wraakneming, waardoor de ontknooping wordt ingeleid, kunstmatig te voorschijn geroepen.
En hiermede is de fout van dit treurspel tot zeer kleine beteekenis teruggebracht, en zij den schrijver absolutie geschonken voor zijn phantastische fakkellicht-scène met den lijkstoet. Men bedenke dat hij een dergelijke scène pas uit den Götz had geworpen, omdat ze daar ontbeerlijk was. En de moord op Clavigo moest 's nachts geschieden (anders te veel politie op de been!) en 's nachts droeg men in dien tijd fakkels. Alleen kan gezegd worden: de lijkstoet gaat 's nachts uit, òmdat Clavigo overdag niet zoo gemakkelijk omver kan worden gestooten....
Geenszins is hier betoogd, dat dit treurspel staat op de hoogte van Goethes beste jeugdwerk. Het had veel succes en laat zich nog goed en vlot spelen; maar het werd geschreven in een overgangstijdperk, evenals sommige satyres en libretti, die hier niet worden besproken, en het treurspel "Stella" dat nader wordt gekarakteriseerd.
Doch wel is hier eens te meer bewezen, dat het genie zich ook in het kleine geniaal betoont. In het byzonder blijkt dit bij den voortreffelijken Carlosfiguur, die geen los inzetsel is,—gelijk vaak wordt beweerd—maar behoort tot den dieperen beweeggrond, die het stuk maakt tot wat het is. En ook uit de zeer naïeve fouten (de ongehoorzame knecht!) spreekt Goethes grootheid. De middelmatige zal zulke luttele dwalingen met overleg vermijden; op bergpaden neemt men ezels mee en niet renpaarden. De geniale, wiens oog ten hemel is gericht, ziet zelden nauwkeurig toe waar hij loopt, en struikelt over het geringste steentje.


IX
Warum ziehst du mich unwiderstehlich, Ach, in jene Pracht?
Einde 1774 arriveerden te Frankfort de twee prinsen van Sachsen-Weimar met gevolg, waaronder stalmeester Von Stein. De erfprins Carl-August had te Parijs met zijn bruid en met den Werther kennis gemaakt te zelfder tijd. Hij zond kapitein Von Knebel,—een man die zelf in literatuur liefhebberde—naar Wolfgang met uitnoodiging, bij de prinsen zijn opwachting te komen maken. De oude Goethe, echte burger-aristocraat, trachtte zijn zoon van dezen stap terug te houden, maar dank zij de tusschenkomst van Frl. Kettenberg liet hij hem ten slotte gaan.
Toevallig lag bij den prins een gloednieuw exemplaar van Mösers boek "Patriotische Phantasieën" op tafel. Goethe kende het boek door en door. Kort daarop betuigde hij aan de uitgeefster (Mösers dochter) in hartelijke woorden zijn dankbaarheid voor de honderlei wenschen, verwachtingen, plannen, die het in zijn ziel had ontvouwd. Wolfgang bracht het gesprek op de hervormingsplannen van dezen diepzinnigen doch zeer populair schrijvenden auteur; de prins wenschte niets liever.
Carl-August was toen ongeveer achttien jaar oud en stond op het punt de regeering van zijn landje—tot dan toe onder regentschap van zijn moeder Amalia gevoerd—persoonlijk te aanvaarden. Hij was opgevoed—en dit is teekenend voor Amalia's hooggeprezen ideeën!—door den goedig-boven-aardschen schrijver van "De gouden Vorstenspiegel", den poëet Wieland. Weinig benul had hij van de economische verhoudingen in Sachsen-Weimar en van de wijze waarop het schip van staat zich laat sturen. Een tengere, bleeke jongeling met hoog voorhoofd en zware wenkbrauwbogen, met stekend-scherpen blik en trotschen, vasten, ietwat scheeven mond. Hij had een passie voor honden, paarden, soldaten, drijfjachten. Niet in de eerste plaats een fijne, wel een sterke geest. Evenals zijn moeder heet van bloede; ook in andere opzichten meedoogenloos hartstochtelijk en hautain, verregaand frank in zijn doen en laten, had hij vroegtijdig de grenzen leeren kennen en overdenken, die zijn zwak lichaam, en de karakters, de gevoeligheden van zijn medemenschen, moesten stellen aan zijn ongebreidelde begeerten. Zijn aangeboren minachting voor conventies en uiterlijkheden werd in zijn aanstonds diepgrijpende levenservaringen bevestigd. Het Ik, het "oorspronkelijk genie"—en niet alleen het zijne—stelde hij boven alles. In daden, eigenmachtige daden, zoo noodig tegen de traditie, ja, liefst tegen de traditie, zocht hij levensgeluk. Wat reeds door geboorte het zijne was wilde hij veròveren. Innig verwant dus aan Sturm-und-Drang ontlook hij tot onafhankelijken, natuurminnenden oppermensch en besefte tegelijkertijd dat hij bestemd was alleenheerscher te worden, ja, maar in een landje dat, hoezeer ook uitgeput door den zevenjarigen oorlog, voor zijn dadendrang denkelijk was te eng; waar hij ten volle slechts zich zou kunnen bevredigen, wanneer hij zich ging roeren op het gebied van de Idee. Ten minste, zoo dacht hij toen. Snellevend door zijn hartstocht, joeg hij als de kunstenaar naar de uiterste grenzen van de menschelijkheid, beleefde hij, na uitviering van grove lijfsdrangen, periodes van aandachtigen inkeer, koesterde hij oprecht eerbied voor de intuïtie des dichters. Poëtiseerde ook zelf bijwijlen, maar was nooit méér dichter dan wanneer zijn veder weigerde.... Hij was een ruwe, naar zelfbedwang strevende Werther. En vandaar zijn niet aflatende vereering voor Goethe; in wien hij steeds een geheimzinnig toovenaar zou blijven zien, die altijd gelijk had—ook als hij het niet met hem eens was.
Toen nu Wolfgang betoogde dat de versnipperdheid van het Duitsche Rijk, hoe betreurenswaardig ook, deze goede zijde had, dat zij aan verlichte kleine vorsten gelegenheid gaf, tenminste in hùn gebied iets goeds tot stand te brengen—werd in Carl-August het verlangen sterker, hem als vertrouwd raadgever en medewerker naast zich te hebben. Nog nooit had iemand hem op zoo verheven en tegelijk eenvoudige wijze over de grondslagen van het staatshuishouden gesproken!
En Goethe vatte het plan op, den edel willenden jongen prins tot ideaal regeerder te vormen; zou dan toch verwezenlijkt worden wat hij in zijn laatste studiejaar had gedroomd?
Na veel over en weer praten met zijn republikeinschen vader kreeg hij verlof, zijn nieuwe vrienden naar Mainz te volgen. Daar wist de kroonprins hem te bewegen, een verzoenend briefje te zenden aan Wieland, die aan het hof te Weimar nog zeer gezien was. Goethe vond dit wel aardig, had allang spijt van zijn kwetsende satyre op den hofpoëet, die hij in wijnroes met een flesch Bourgogne naast zich had aaneengeflanst. Maar toen de brief weg was, kwam hij tot de ontdekking dat hij nu met de heele wereld op goeden voet stond. En hij voelde zich bedroefd, want hij had den haat evenzeer noodig als de genegenheid.
Hij hoopte dat Frl. Klettenberg, met haar gelouterden blik op menschelijke verhoudingen, hem zou kunnen raden aangaande de warmere gevoelens, die er waren gerezen tusschen hem en Carl-August; te meer daar zijn vader niet ophield hem te waarschuwen, dat de vorsten hun spel speelden met hem, den burgerzoon. Maar bij zijn terugkomst in Frankfort vernam hij, dat deze "schoone ziel" kalm was verscheiden en reeds begraven lag. De wrevel van den oude, door de "vorstengunst" tot vernieuwde uiting gebracht, zou hem voortaan rechtstreeks treffen.
Moeder Goethe bleef uitkijken naar een goed meisje voor haar avontuurlijken zoon; zij haalde zelfs de oude, notenhouten wieg te voorschijn, waarin hij eens had gerust, hopend hem belust te maken op de vorming van een eigen gezin.
Met nieuwjaar introduceerde een vriend hem bij de weduwe Schönemann, eigenares van een groote bankierszaak. Haar zeventienjarige dochter Lili trok zijn aandacht te midden van het groote gezelschap dat naar heur clavierspel luisterde. Diepdringende blikken gingen over en weer. Verdere bezoeken werden hem toegestaan.
Lili, blond-mooi en vermogend meisje, was altijd omgeven van een schare min of meer welmeenende vereerders. Zij had tot dan hun galanterieën glimlachend aanvaard en lichtzinnig genoeg aangewakkerd. Zij was bedreven in de kunst, mannen te beheerschen, door hen in den waan te laten dat zij beloofd had wat die mannen verlangden. Bedachtzaam speelde ze de eene vlam uit tegen de andere; zonder ooit iemand zoo te begunstigen dat zijn mededingers het recht hadden zich naijverig te toonen. Ze beoefende deze kunst niet minder rustig wanneer er werkelijk sprake was van liefde.
Ze scheen nu eensklaps ten volle ingenomen door den mooien, sterken, beroemden Goethe. De verheven levenshouding die door zijn gesprekken straalde nam zij ook aan, en ze kon hem weldra bewijzen dat dit edele zich voedde en gedijde in haar ziel. Zoo boeide ze hem. Voornamer, vrijmoediger, geestiger dan zijn vroegere beminden, bracht ze ondankbaren Wolfgang de overtuiging bij dat ze was zijn eerste groote liefde. Het viel haar echter niet in, om zijnentwil zich te onttrekken aan de ononderbroken reeks van festiviteiten, thees en bals die haar mama aanrichtte. Wolfgang verdiende nog steeds den bijnaam "De Beer". Hij ging bij voorkeur in losse romantieke plunje, voelde zich thuis in 't halfdonker, zei graag wat hij dacht, stoorde zich noode aan anderen. En nu moest hij avond aan avond zich steken in enge costumes, en aan de speeltafel, bij schitterende kaars-verlichting de flauwe salonpraat meemaken, die alles nuchter-materialistiesch beoordeelde. Hij werd als beroemdheid gevierd door lieden die zijn werk niet kenden. Wel zag hij Lili nu in haar element, als elegante, alomtegenwoordige gastvrouw, maar dit stelde hem niet schadeloos voor het verlies van zijn vrijheid, voor het gemis aan vertrouwelijkheid met het meisje, dat meer en meer als zijn verloofde werd beschouwd. O, waarom trekt zij mij zoo onweerstaanbaar in deze schittering, klaagde toen zijn lied; was ik, goeie jongen, niet even zalig in den wilden nacht? In mijn eigen kamertje verdoken, lag ik in maneschijn.... droomde daar van volle gulden uren onvermengde vreugd, voor-beseffend had ik reeds haar beeld gevonden, diep in mijne borst....
Hij doorzag zijn toestand; 't blijkt uit het ongezouten hekeldicht Lili's Beestenspel, waarin hij zich omgeven door het veelsoortige, kruiperige, vleiende gedierte laat optreden als de Beer, die wel zijn tanden laat zien en gromt als hij geplaagd wordt, maar toch hunkert naar zijn plaagster, in hare onnoodig-ruwe kastijdingen weelde vindt, en haar door liefde en trouw zoekt te verleiden, op zijn verdroogde beerlippen een drupje te strijken van haar vuurbalsam, "die door geen aardschen honing wordt geëvenaard".
Maar toen hij in het voorjaar Lili op 't buitengoed van haar oom wat vaker alleen ontmoette, geloofde hij niettemin dat nu eindelijk "de spindraadjes waar zijn levenslot aan hing en die hij zoo lange in draaiende slingering van- en naar elkander had doen trillen, zich dooreenen zouden strengelen". Nu bracht de Pinkstermis een bevriende zakenvrouw, die het koppelen in haar aard had, naar Frankfort. Deze meende dat men het jonge paar moest aanmoedigen, onderhandelde met wederzijdsche familie, en drong op zekeren avond met veel gewichtigheid Wolfgang en Lili de handen ineen te leggen. Zoo ondervond dan Goethe door een zonderling raadsbesluit van de Voorzienigheid, hoe het een bruidegom te moede is. In later jaren zou hij daar dankbaar voor zijn; toen voelde hij terstond dat hij zich niet kòn binden, wilde hij niet zijn geestesvrijheid verliezen, waartegen geen huiselijk geluk hem opwoog. Hij wilde "weer voort, de vrije weireld in". Zijn liefde bleek geschokt door de nuffige en welgemanierde koelheid, waarmede Lili zijn jongensachtige attenties had ontzenuwd. Alles wat hem aan "dat Volkje", aan die "grasapen" herinnerde haatte hij hartgrondig; hij betreurde dat het arme schepsel onder zoo 'n race was geboren. Zou hij zijn liefde kunnen overwinnen, voordat deze hen beiden ongelukkig zou hebben gemaakt? Toevallig kreeg hij gelegenheid, zich op de proef te stellen.

GOETHE IN 1775 Naar het gipsmedaillon van Melchior

LILI SCHÖNEMANN
De twee jeugdige graven Von Stolberg, die hem om zijn wanordelijken Götz geestdriftig bewonderden—aangestoken door den geest des tijds aanbaden zij hun vrienden—kwamen bij hem logeeren. Moeder Goethe heette van toen af, als moeder van deze drie "Heemskinderen", vrouw Aja. Zij schrok niet weinig toen ze merkte, dat de jonge Fritz Stolberg meer dan eens op Wolfs kamer met wreede gebaren het bloed van "de tyrannen" eischte. Ze haalde uit haar kelder de oudste flesschen, zette die voor hem op tafel en zei nadrukkelijk: Hier is het ware tyrannenbloed; vergast je daaraan; maar blijf mij met verdere moordplannen van 't lijf.
Goethe liet zich de uitnoodiging welgevallen, met zijn gasten en nog zoo'n jong genie een reis door Zwitserland te maken. Hij wilde weten of hij Lili kon ontberen. Zijn vader hoopte dat hij meteen naar Italië zou afzakken; hij kon Wolfgangs opvoeding niet voltooid achten, indien deze niet een reis door Italië had gemaakt, evenals hij zelf.
Merck was niet te spreken over deze nieuwe onderneming; maar hij spaarde Wolfgang zijn berispingen, begrijpend dat deze wel de noodige poëzie zou ontdekken in de dolle streken die hij zich door zijn reisgenooten liet opdringen. Te Darmstadt dreven de genieën de natuurlijkheid zoo verre, dat ze geheel onbekleed aan den openbaren weg baadden; tot hun verbazing kregen ze van de omstanders heel wat steenen op hun huid, en ze moesten in allerijl aftrekken om erger te voorkomen. Nadat zij eens in een herberg de gezondheid van Fritz' hartediefje hadden gedronken, keilden ze hun crystallen kelken tegen den wand aan scherven: na zulk! een dronk mochten geen onheilige lippen deze kelken bezoedelen.
Te Kalsruhe bracht Goethe enkele dagen door met den Hertog en diens bruid. Daarna reisde hij over Straatsburg—alwaar hij het dichtertje Lenz, zijn caricatuur, ontmoette, die Friederike had weten te troosten—naar zijn zus Cornelia. Deze, zelf ongelukkig in haar huwelijk met den prozaïschen Schlosser, ontraadde hem ernstig, een verbintenis met Lili aan te gaan. Maar reeds begon hij Lili's onheuschheid te vergeten. En terwijl hij, soms alleen, soms met zijn zwelgende cornuiten over de Zwitsersche Alpen voorttrok, voelde hij dat de aanschouwing van de groote natuur hem gelukkig zou maken àls hij haar niet beminde, maar dat hij zonder haar liefde hier niet zoo gevoelig zou zitten:
"Wenn ich, liebe Lili, dich nicht liebte, Welche Wonne gäb' mir dieser Blick! Und doch, wenn ich, liebe Lili, dich nicht liebte, Wär', was wär' mein Glück?"
Hij beklom den St. Gothard, kwam tot de grens van Italië; maar werd toen zoo onweerstaanbaar door het Noorden aangetrokken, dat hij weer huiswaarts, liefwaarts keerde. Na een afwezigheid van drie maanden in Frankfort terug, wilde hij zich wel duizendmaal om de ooren slaan, omdat hij opnieuw was gestrand in plaats van naar den duivel te loopen, terwijl hij nog vlot was. Zijn stemming zweefde tusschen liefde en trotsche onverschilligheid. Hij kwelde het meisje dat hem "met de ziel van een engel" ongelukkig maakte.
Intusschen waren de wederzijdsche vrinden aan 't kuipen geslagen. Het nuance-verschil in Godsdienst werd breed uitgemeten, Lili's mama werd gesterkt in haar meening dat een dichterlijk sujet als Wolfgang een onzekere toekomst wachtte. Daar kwam nog bij dat de oude Goethe er zich niet in woû schikken, een staatsiedame tot schoondochter te krijgen. Wolfgang kon zich echter niet losmaken, en tot einde September wisselden liefde- en smarte-uren elkander voor hem af. Maar ook in dezen verschrikkelijken tijd louterde zich zijn ziel, werd zijn blik helderder, zijn houding tegenover de menschen vaster. Mijn innerlijk (zoo schreef hij aan de "lieve onbekende", Augusta von Stolberg) blijft altijd en eeuwig gewijd aan de heilige liefde, welke langzamerhand het vreemde uitstoot door den geest der Reinheid, die zij zelve is, om eindelijk zoo zuiver te worden als gedegen goud. Het "zeker iets" was weer in hem opgestaan en gaf hem kracht, met Lili te breken.
In Lili zou het goede zegevieren. Eenmaal gehuwd werd ze een ernstige vrouw, en haar heldhaftig gedrag in den revolutie-tijd heeft Goethe enkele trekken ingegeven voor zijn Dorothea.
Weer vertoonde Carl-August zich in Frankfort. Hij had intusschen den hertoogelijken troon van Weimar beklommen en voerde nu zijn gemalin, prinses Louise van Hessen-Darmstadt naar zijn huis. Hij hoopte Wolfgang die den Werther maakte voor zich te winnen. De hoogstaande vorst begreep dat een geniaal dichter, die het leven kent, aan het hoofd van een Staat grondiger en bestendiger werk kan verrichten dan een gestudeerd politicus. En op zijn herhaald aandringen beloofde Wolfgang, hem te Weimar een bezoek te brengen.
Noch Goethe, noch Carl-August sprak duidelijk uit dat hij aanstuurde op blijvende samenwerking. Maar voor beiden stond dit vast. Wolfgang had al van zijn bekenden afscheid genomen. Zijn ten deele voltooide werkstukken als Egmont, Faust, Der Ewige Jude, Hanswursts Hochzeit lagen bijeengepakt: hij was voornemens lang uit te blijven.
Doch de koets die hem naar 't Hof zou voeren liet zich wachten. Zijn vader triumpheerde: De edele heeren hadden den burgerzoon een poets gebakken; maar hij was er dan toch nog beter aan toe dan Voltaire, die zoo juist was weggejaagd uit het paleis van Koning Fritz. Zooals echten Rijnlanders in zulke gevallen betaamt smeten vader en zoon elkander om de ooren met kernachtige rijmpjes, die moesten pleiten voor of tegen "Vorstengunst". Maar ten slotte wist ook Wolfgang niet meer, waaraan zich te houden. Hij schaamde zich voor zijn omgeving, sloot zich in zijn kamer op, werkte er onafgebroken aan de voorstudie tot zijn Egmont. Na eenige dagen begon hij te lijden onder het gebrek aan lucht en beweging. Vooral 's avonds verlangde hij naar zijn slenteruurtje.
Met donker waagde hij zich in een wijden mantel gehuld op straat. Natuurlijk sloop hij meermalen langs Lili's woning; hoe bonsde hem het hart toen hij eens, haar schaduw op 't gordijn ziend, naderbijtrad en mocht hooren dat zij aan 't clavier zijn lied "Warum ziehst du mich unwiderstehlich?" zong. Hij boog zoover voorover dat hij zich bijna wondde aan de uitspringende punten van 't hekwerk. Weifelde hij tusschen roeping en liefde?
Eind October had zijn vader hem bewogen van "Vorstengunst" af te zien en zijn reeds vaak verschoven reis naar Italië te ondernemen. Hij vertrok voor dag en dauw. Te Heidelberg logeerde hij bij Mamsell Delph, de handelsvrouw die het koppelen zoo in haar aard had dat ze, nu zijn verbintenis met Lili niet doorging, reeds een ander meisje voor hem had bestemd; een aantrekkelijk meisje dat nog wel op Friederike leek; en over welker goede eigenschappen zij tot diep in den nacht uitweidde. Nauwelijks ingeslapen werd Goethe door 't hoorngeschal van een estafette gewekt. Een brief van 's hertogs kamerheer helderde het misverstand op en verzocht hem dringend, terstond om te keeren. En nogmaals besloot hij, den weg naar Italië te verlaten.
Mamsell Delph, die al haar plannen zag mislukken, wilde hem bepraten, terwijl hij zich kleedde. Hij was door de plotselinge wisseling in zijn levensrichting zoo ontroerd, dat hij geen woord meer vond en haar ten slotte—toen de postillon door zweepgeknal zijn ongeduld liet merken—deze woorden van zijn Egmont hartstochtelijk toe-bulderde: "Zwijg! Niet verder! Als van onzichtbare geesten voortgezweept rennen de zonnepaarden des Tijds er vandoor met de lichte wagen van ons Levenslot; en ons blijft niets te doen als—dapper voorbereid—de teugels vast te houden, en nu eens rechts, dan weer links, hier van een steen, daar van een kuil, de raderen weg te sturen. Waarheen? wie kan het zeggen! Zij weten niet vanwaar zij komen!"
Na deze veelbeteekenende uitspraak heesch hij zich in de postkoets, die hem over Frankfort naar Weimar zou brengen.


X
Gott helfe weiter, gebe Lichter, dass wir uns nicht selbst so viel im Weg stehen........
DAGBOEK.
ORIËNTATIE.
Hij heeft hier bewust partij gekozen voor een van de vele machten en aandriften, die twistten om de heerschappij over zijn persoon. Tot nu toe heeft hij zich telkens na korten weerstand gevoegd in de grillen van "het lieve ding dat hem leidde en schoolde". Maar thans is hij niet gebukt voor den drang der omstandigheden. Zijn innerlijke rijpheid gedoogt, dat hij een gelegenheid aangrijpt, welker weerga hij vroeger meermalen heeft teruggewezen, vreezend de vrijheid tot zelfbeschikking te verliezen—die hij echter nauwelijks bezat. Maar déze wending in zijn levensloop wil hij zèlf, wil hij onbevreesd. Daarom mag gezegd, dat op dit oogenblik zijn eerste levenskring is voltrokken.
En een nieuwe phase in Goethes gemoeds- en geestesontwikkeling ware omstreeks dien tijd dus ook ingetreden, indien de ontmoeting met Carl-August eens niet hadde plaats gehad. Deze ontmoeting trad echter niet toevallig in: zij kwam voort uit zielsverwantschap en zou vroeg of laat door beiden zijn gezocht. (Voor de bepaling van hoofdlijnen in den zuiveringsgang van een sterk intellect, hebben uiterlijke beweeggronden minder belang dan men geneigd is aan te nemen. Zij brengen niets nieuws; zij maken het nieuwe dat zulk intellect uit eigen kracht verkreeg spoediger bewust).
Dat de invloed van allerlei mannen en vrouwen (achteraf geoordeeld) zich juist op het gunstige moment in Goethes leven mengde, zoodat hij zelf in een ontroerd oogenblik gewaagde van zijn verbond met God, komt in hoofdzaak doordat hij zulke mannen en vrouwen voor zich innam in den tijd dat zijn ziel behoefte aan hen had: m.a.w. op het moment dat zijn intellectueele of sentimenteele belangen de hunne ontmoetten. Vaak moest hij zulke verwante geesten met groote inspanning veroveren (Herder); meermalen heeft hij ze gezocht nadat hij ze in een vroeger stadium met hoon van zich had gestooten (Jacobi, Wieland); of ze op een afstand had gehouden door nadrukkelijke onverschilligheid (Schiller).
Hoe echter te begrijpen dat hij zich nu dorst blootstellen aan de perikelen, welke van een verbintenis met het Hof van Weimar te duchten waren voor de verdere ontplooiing van zijn geestesgaven? Hem werd bewust dat zijn vele driften, neigingen, krachten, verlangens, die tot nog toe elkander voortdurend hadden tegengesproken en tegengewerkt, die elkander hadden ondermijnd en tot ontijdige werkeloosheid gedoemd of tot storende activiteit, hem nu zoo bekend en ondergeschikt waren, dat hij ze—zij 't ook door sterke wilsspanning, nooit rustend vernuft en smartelijke ontzegging—zou kunnen beheerschen en leiden.
De jaren die achter hem lagen waren vervuld van een bevend streven naar een ideaal, dat hij niet wist te omschrijven, maar meestal duidelijk voelde. En dit streven werd, als het op zijn hevigst was, keer na keer onderbroken: nu eens doordat hij naar een bekorende vrouw gestuwd werd door een hartstocht die van waanzin niet verre verwijderd bleek; dan weer doordat zijn lichaam tengevolge van onmatige inspanning des geestes was geschokt en overprikkeld. Tegenover zijn ingeschapen en steeds zich hernieuwend godsgeloof woedde zijn niets sparende spotzucht, die sproot uit intellectueelen overmoed. Zijn weeke gevoeligheid werd door zijn op uitputtende lichaamsoefening beluste robuustheid bedreigd. Met zijn verlangen naar groote liefde streed zijn hang naar zelfstandigheid, die vaak onverwacht opschoot en hem noopte de geliefde (onverminderd zijn genegenheid) te kwellen. Zijn wetensdrang (die de dingen wilde kennen gelijk ze zijn) raakte niet uitgestreden met zijn troebel-idealistische vooringenomenheid (die de dingen dwong te schijnen zooals hij ze wenschte). Zijn talent: de taal te vormen naar zijn gevoelens, dat hem bijwijlen in enthousiaste verrukking bracht, sloeg dikwijls om in verfijnde zelf-critiek, voor welke de taal onbuigzaam leek. Zijn dappere pogingen om zijn ervaringen tot het bittere einde toe te doorleven, werden vaak verijdeld door zijn (van moeder geërfde) neiging: een ramp niet te zien, het onvermijdelijke te mijden. Zijn zin voor de werkelijkheid bestond bij de gratie van zijn bijgeloof; zijn zelfvertrouwen bij de gratie van zijn mystiek. Zijn geestdrift voor geweldige personen en onderwerpen vond in de levende verbeelding van een mogelijke schepping reeds verzadiging, en duurde niet genoeg om de beelding zelve mogelijk te maken.—Kortom: de strijdigheid zijner karaktertrekken benam hem zijn gemoedsrust en deed zijn streven onzeker zijn.
Zulke paarsgewijs zich groepeerende karaktereigenschappen hadden bij een man van middelmatige levenskracht elkander in evenwicht gehouden, en dusdoende een harmonie van nietigheden gevormd. Maar bij Goethe, die nooit middelmatig wilde of kon zijn, vormde elk hunner op zich zelve een macht, voldoende om op een zwakkere geheel beslag te leggen. En—door zijn ongeoefenden wil of zijn idealistische voorkeur ten halve bedwongen—aan hun lot overgelaten, trachtten ze elkaar te vernielen of vuurden ze elkander aan. Geen hunner die ongestoord kon groeien: geen gevoelssfeer waar Wolfgang Goethe zich blijvend mocht vestigen. Onophoudelijk werd hij van het eene naar het andere gesmeten: tusschen liefde en haat, tusschen kalmte en moedwil, tusschen edelaardigheid en ruwheid werd hij heen end weer getrokken. Zijne vriendschappen en zijn liefden leken vluchtig, zijn daden leken verstrooid, en hoewel hij zijn wil en zijn zielskrachten inspande, ja stelselmatig oefende, bracht hij het op geen enkel terrein van levenservaring tot rustige concentratie.
En vanuit dit gezichtspunt worden de zwakheden waaraan zijn werken van dien tijd lijden in hun oorsprong begrepen: Wij karakteriseerden zijn tot nu toe besproken drama's reeds als "drama's met gewrongen of voorkomen slot". De Götz staat—wat zijn wezen betreft—min of meer apart; het is Goethes eenige werk uit deze levensperiode, dat een reeds vaststaand historiesch gegeven in hoofdzaak getrouw ten tooneele wilde voeren.[A] Zijn andere stukken ontleenen wel hun stof aan ervaring of literatuur—op zich zelf een soort ervaring—maar zijn eigenlijk belichamingen van een bepaalden levensblik, ten behoeve waarvan zijn ondervinding geheel werd herschapen. Die Laune des Verliebten geeft Wolfgangs gedragslijn jegens Annette zoo weer: dat het bespottelijke van die gedragslijn in 't oog springt—een kwellende en leerrijke boetedoening. Die Mitschuldigen is niet alleen een beeld van treurige familie-omstandigheden, die jonge Wolfgang hier en daar had leeren kennen; het toont tevens hoe machteloos medeplichtigen staan ten aanzien van elkander. Werther is niet alleen een schildering van de gevoelens die elk rechtgeaard jongeling in meerdere of mindere mate verontrusten of boeien; het toont—gelukkig niet in dramatischen vorm!—waartoe die gevoelens moeten leiden, indien geen op overleg gevestigde wil een wijd verlangen bendigt. Hoe Goethe in Clavigo een wankelmoedige ten gronde laat gaan en (om een niet-dramatische figuur voor de planken geschikt te maken) de eene helft van diens karaktereigenschappen door een nevenpersoon (Carlos) laat vertegenwoordigen, het ligt den lezer nog versch in 't geheugen.
Al deze werkstukken zijn door de kracht, den treffenden eenvoud, de diepgrijpende gemoedskunde waarmede hun verwikkeling wordt voorbereid en de knoop wordt gelegd, door hun soberheid en hun voltooidheid werkelijke "scheppingen". Goethe had reeds menigen "knoop" beleefd, in vernuftige zelfkwelling doorvoeld; en in het weergeven van zijn gevoelens, hetzij in woorden, hetzij in beelden, stond hij aanstonds naast de grootsten.
Maar eigenlijke oplossingen van passioneele verwikkelingen had zijn ervaring nog niet geleverd. Zij kòn die niet leveren. De eigenaardige samenstelling van zijn gemoed—hierboven aangeduid—belette hem, eenige moeilijkheid te doorworstelen tot het einde toe. Zoo maakt iedere mensch zijn eigen ervaringen. De werkelijkheid ligt niet kant en klaar buiten ons, en voor een ieder te grijp; wij bespeuren slechts het deel van de werkelijkheid dat wij—waard zijn. Goethe nu ontweek het tragische.[B] Maar hij voelde dat hij zijn vrees zou overwinnen, zoodra zijn gemoed rijk genoeg was om voor allerlei wederwaardigheden compensaties te bevatten. Tot zoolang was hij niet in staat de dingen rustig op hun beloop te laten. Al zijn levensverwikkelingen ontknoopte hij gewelddadig. Hij ontvluchtte de menschen aan wie hij verwant was, dorst zich aan niemand binden. Hij kende nog niet de middelen om in het onvermijdelijke vrede te scheppen. Hij geloofde dat zijn verliefdheden moesten uitloopen op ondergang van zijn persoon. Maar hij liet het nooit komen tot zulk een catastrofe. En door de zuiverheid, waarmede de verwikkelingen in zijn drama's waren geboekstaafd, bleek maar al te duidelijk, dat hij in den blinde tastte, als hij een catastrofe moest beschrijven. Hij was te zeer gewoon, zijn gevoelens dicht te benaderen, dan dat hij de verlegenheid, die hem bij het laatste bedrijf van ieder stuk overviel, zou kunnen verhelen. Al zijn zelfoverwinningen waren bewerkstelligd door een inspanning, zoo bovenkrachtelijk, dat hij er zijn bezinning bij verloor, en nauwelijks wist of hij was ontsnapt. En dit geldt ook van de "ontknoopingen" die zijn drama's ons voorhouden. Hier stond aan zijn her-scheppend vernuft geen overvloed van doorleefde ervaring ten dienste. "Bei einer lebhaften Einbildung—zoo boekt hij in een brief aan zijn moeder, waarin hij op de hier gekarakteriseerde periode terugziet—war ich doch immer unbekannt mit der Welt geblieben...."
Hij werd gedrongen naar den dramavorm door de levendigheid van zijn phantasie, die slechts door werkelijk sprekende en handelende wezens in kleurigheid en volheid werd geëvenaard. Maar dit "realistische" in zijn aanleg kwam in botsing met zijn levens-visie. Eigenlijk waren de menschen, gelijk hij ze zag, geen dramatische figuren: Eigenlijk-dramatische figuren zijn zij, wier ondergang of lotswisseling te voorschijn wordt geroepen of grootelijk wordt bevorderd doordat zij in botsing komen met de overheerschende Macht in het heelal. Deze overheerschende macht deed zich in den loop der tijden voor als: De Goden, een Opperwezen, de doode natuur, een sloopende, een besmettelijke of een erfelijke ziekte, als de Maatschappij, de Conventie, als een mensch, onweerstaanbaar door zijn verdorvenheid of zijn goedheid. Door zulke botsing ontstaat een verbinding van onzichtbare (innerlijke) motieven met zichtbare (stoffelijke) d.i. vertoonbare elementen; en dit maakt een bepaald gegeven bij uitstek geschikt voor dramatische opvoering.
Doch zoo zag Goethe de menschen niet. Hij moge zich in theorie wel eens anders hebben uitgelaten (hij was nog niet gerijpt en kon dus dwalen) in feite zag hij de verhouding tusschen een bepaalden mensch en Al-het-andere aldus: dat deze twee niet scherp tegenover elkaar staan, maar openbaring zijn van denzelfden God. God en het Geschapene waren voor zijn intuïtief levensgeloof niet te scheiden. En wanneer hij vanuit dit zijn geloof de dingen tot op hun kern doorschouwde, dan kon er voor hem geen sprake zijn van een eigenlijke botsing tusschen het Ik en het niet-Ik. De mensch wordt door het buiten-hem-zijnde slechts beïnvloed (aldus Goethe), wanneer er iets in hem is dat aan dat Andere beantwoordt en daardoor zijn overige karaktertrekken gaat overstemmen. Ik en niet-Ik zijn doordrongen van de zelfde essentie. De dood van den Held is niet meer zijn verplettering—zooals in de classieke tragœdie—maar zijn opgaan in het groote Geheel. Lessing heeft opgemerkt,[C] dat het karakter van den waren Christen wegens zijn zachtmoedigheid, zijn Godsbetrouwen, zijn gelatenheid is zoo ontheatraal mogelijk. Welnu, zoo mogelijk nog ontheatraler is de mensch voor de opvatting die in alles het Eene ziet; voor den blik van den jongen Goethe, die voordat hij wist wat hij deed, in zoo menig eenvoudig vers de "doode natuur" met zijn eigen klachten en vreugden had doordrongen, zoodat het buiten-hem-zijnde uitstraalde 't licht van zijn gemoed. Ik ben niet in de wieg gelegd voor tragedist—kon hij op rijperen leeftijd aan zijn vriend Zelter schrijven—mijn inborst is te verzoenend; vandaar dat geen eigenlijk-tragische situatie mij treft, want zulk een is in haar wezen onverzoenbaar.—Voor Goethe gaat de mensch ten gronde aan innerlijke tegenspraak, moet de mensch ten slotte zegevieren niet over de natuur of over anderen doch over zich zelf. De menschen boezemen hem, als dramabouwer, pas belangstelling in, als ze van stoffelijke omstandigheden min of meer onafhankelijk zijn, en slechts met zich zelve hebben te maken. Als hij aan de eerste lezing van Iphigenie werkt is hij bezig, in zijn kwaliteit van minister, recruten te keuren en hij aanschouwt veel ellende van dichtbij. Dit noopt hem tot zijn minnares Von Stein de volgende ontboezeming te richten: "....hier wil het drama niet vlotten; vervloekt! de koning van Tauris moet spreken alsof er geen enkele arme kousenwever in Apolda hongerde".—
Maar deze levenskijk was nog gemengd met andere elementen. Hij hing nog aan het voorbeeld van groote meesters (wier overtuiging andere eischen stelde aan hun werk) en hij kon zich hiervan niet bevrijden (hij kon ze niet missen) zoolang hij niet éen critieke verwikkeling ten einde toe had doorleefd. Want daardoor moest hij zich zelve ten volle leeren kennen; moest hij gaan begrijpen, dat de zoozeer gevreesde menschen voor hem minder gevaarlijk waren dan—hij zelf. En dit inzicht zou hem zijn eigen stijl doen vinden.
Eenmaal—toen hij den Werther schreef—heeft hij begrepen dat een mensch, gelijk hij den mensch zag, geen waar tooneel-Held kan zijn. Wil men hem toch ten tooneele voeren, dan zijn twee dingen mogelijk:
òf men vermengt de uitbeelding van zijn karakter met allerlei bijwerk, dat den toeschouwer bezig houdt, maar overigens weinig ter zake doet—en aldus is Goethe begonnen (Götz),
òf men maakt drama's zonder zichtbare handeling, en die voor den toeschouwer niets verliezen als hij de oogen sluit en ze geniet, zooals hij echte muziek geniet, die zuiver zielsbewegen is. Dat zal hij in den nu komenden levenskring leeren!
Teekenend voor Goethes kunnen is de geschiedenis van het laatste drama dat hij in den thans beschreven tijd geeft, en dat gedeeltelijk reeds boven deze sfeer uitgaat. "Stella" was oorspronkelijk "een tooneelspel voor lievenden".
—De titelheldin behoort klaarblijkelijk tot de sentimenteele "Darmstädter heiligen". Uiterlijk een Friederike, innerlijk een Urania, een-en-al ziel. Fernando, die een tijdlang haar echtgenoot heeft gegolden (niet wetend dat hij reeds gehuwd is, heeft ze haar eer prijsgegeven om hem op zijn slot te volgen) heeft haar verlaten en ze beweent hem bij haar rozenaltaar. Ze sluit een "heilige" hartevriendschap met Cecilie, de moeder van haar jonge gezelschapsdame. De sympathie tusschen de twee hoogstaande vrouwen is gevestigd op overeenstemming in levenslot: Cecilies echtgenoot heeft haar in bekrompen geldelijke omstandigheden laten zitten.
Daar verschijnt Fernando weer, nadat hij getracht heeft, in den krijg zijn leven kwijt te raken, wijl hij geen bevrediging vindt in het fladderen van de eene liefde naar de andere. En wat blijkt? Hij is de ontrouwe echtgenoot van Stella's nieuwe vriendin Cecilie! Men zette er zich overheen dat de ontmoeting van deze drie personen slechts gemotiveerd wordt, doordat de auteur hun karakters op elkaar wil laten werken. Het probleem, logiesch voortgevloeid uit deze ontmoeting, is gesteld. Het luidt: hoe zullen deze twee vriendinnen, die elkander, doch ook (ondanks zijn fouten) Fernando lief hebben, zich uit deze situatie redden?
Goethe nu, die iets van Fernando's vlinderachtige natuur heeft (maar overigens een nobel en geestrijk man is—wat van Fernando niet kan gezegd!) Goethe zal zich in een eenigszins anderen vorm dit probleem meermalen hebben gesteld. Ook hij heeft al menige goede vrouw verlaten, al behoeft hij zich niet te verwijten, haar door onherroepelijke daden te hebben geschonden. Hij bemint de eene nog terwijl hij zich aan een volgende reeds bindt; gaarne zou hij beide vrouwen sparen. En de woorden van Cecilie "Und kann der Knoten gelöst worden, heiliger Gott im Himmel! zerreiss' ihn nicht!" zijn hem uit het hart gegrepen. Naar voorbeeld van een middeleeuwsche sage zoekt hij nu aanvankelijk de situatie zoo op te lossen, dat deze twee edele vrouwen den nietswaardigen, zwakken Don Juan om den hals vallen en verklaren één huis, één bed, één graf met hem te willen deelen.
Maar dit is geen ontknooping! Hier kan het doek wel voor den eersten keer opgaan, maar niet voor den laatsten keer vallen. Een nieuw probleem is uit het op te lossen probleem ontsprongen, of liever: dit heeft zich gewijzigd. Maar het was een schijn van een oplossing, een poging om den knoop niet met geweld door te hakken—zooals in alle voorgaande drama's is geschied. En deze poging bewijst ons, dat Goethe hier getracht heeft, het hoogere niveau te bereiken, waar de sleutel van dergelijke situaties gezocht wordt in de ziel van den getroffene:
"Denn, wenn ein Wunder auf der Welt geschieht, Geschieht's durch liebevolle Herzen".
Maar publiek en vrienden toonden zich zeer gebelgd door deze idealiseering van een soort veelwijverij. En in later jaren heeft Goethe het slot omgewerkt: hij laat Stella vergif slikken en Fernando jaagt zich een kogel door den kop. Hiermede is het stuk (dat van toen af "treurspel" heette) teruggevallen in de eerste sfeer. Fernando's dood wekt in den toeschouwer nauwelijks medelijden, wat toch in gewone omstandigheden de dood van iederen mensch—ook van een minderwaardigen mensch—pleegt te doen. Zijn leven heeft ons niet in dramatische spanning gevangen, doordat hij niet handelend optreedt, te veel innerlijke tegenspraak, te weinig éénheid is om te kunnen handelen. Maar de verwikkeling van het treurspel (waarbij hij wel genoemd doch niet gezien wordt) is weer zoo fijn en zoo uitvoerig gelegd, dat zij de zwakke motiveering van het slot—dat Fernando eigenlijk tot een man zou moeten maken—overschaduwt.
Goethes vlinderneiging, welke wij hier in oorsprong en uitwerking hebben aangeduid, zou overwonnen worden, zoodra Goethe moed had gevonden om zich in de invloeds-sfeer van krachtige en geliefde personen vrijwillig en blijvend te vestigen, om—zooals hij aan Lavater zou schrijven—"cordaat scheep te gaan op de golven der levenszee, vastbesloten te ontdekken, te winnen, te strijden, te stranden of zelfs met de heele lading in de lucht te springen".
Hij kon den moed daartoe echter eerst vinden, toen hij in zijn onderling strijdende neigingen een voorloopig evenwicht had verkregen, waardoor hij tegenover de buitenwereld als een onkwetsbare persoonlijkheid kwam te staan. Toen was zijn eerste levenskring voltrokken.
Hij is nu op weg; het zal een bezwaarlijke reis zijn!
Of—geven wij het beeld op!—niet een reis maar een organische ontwikkeling: het beginpunt van het komende stadium ligt diep in de ontworstelde periode verborgen; en de uitloopers van het verleden zullen nog verre in de toekomst reiken.

TWEEDE BOEK

"De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 7 November 1775 tot 25 Juni 1776.
XI
Und Niemand fragte: Wer ist denn Der? Wir fühlten beim ersten Blick: 's war Er! WIELAND.
Het Hertogdom Weimar besloeg een oppervlakte van 1900 vk. K.M. (dus nog iets minder dan de Nederlandsche provincie Limburg) en werd door de omringende staten verbrokkeld in vier kleine streekjes, die elk op eigen wijze geregeerd wilden zijn. Het geheele Rijk telde destijds 100.000, de hoofdstad aan de Ilm ongeveer 6000 inwoners. Eigenlijk een dorp, van niet meer dan 500 huizen: kronkelende, morsige, nauwe straten, niet geplaveid, die voor den voetganger werkelijk gevaar opleverden. De bouwvallige, lage huizen keerden hun gevels van den beganen weg af. Daar straatverlichting ontbrak, kon men 's avonds niet uitgaan zonder fakkeldrager of lantaarn. De burgerij leefde grootendeels van landbouw en veeteelt. Een belangrijk part van de bevolking teerde op het Hof, dat echter betrekkelijk eenvoudig huishield en zijn leveranciers allerminst rijk maakte. De "herder der residentie" placht 's morgens het vee van de stedelingen bijeen te toeteren, en niet zelden deed de kudde een groepje wandelende hovelingen uiteen stuiven.
Weimar lag vrijwel afgesloten van de beschaafde wereld. De wegen die er heen leidden waren voor voetgangers bijna onbruikbaar, de postverbindingen schaarsch en onregelmatig. Belangrijke gebeurtenissen vernam men er pas als ze al eenigszins tot de geschiedenis behoorden; couranten las men in burgerlijke kringen zelden. Wie de poort uit wilde, moest naam en beroep laten registreeren door den poortschrijver, die er dan den hertog melding van maakte. Wie met een fatsoenlijke dame buiten de stad wenschte te wandelen, moest allerlei listen te baat nemen om de kans op spotternijen van Carl-August te ontgaan. Het slot, dat met zijn bijgebouwen wel een derde van de residentie innam, was tijdens een onweer verbrand en men had de puinhoopen laten liggen. De hertog voerde zijn hoofsche gade in een groot heerenhuis, dat echter nog niet af was, inderhaast werd gemeubeld, en dat hij jarenlang onophoudelijk moest doen repareeren. Hij toonde in kleeding en leefwijze als in manieren dat uiterlijke praal hem tegenstond en dat hij niet van plan was voor "roi-soleil" te spelen, zooals vele andere Duitsche vorstjes. Wat hij zei, zei hij grof. Wat hij deed, deed hij onomwonden; al was het te voorzien dat ieder het zou afkeuren. Dit griefde de jonge hertogin Louise, die—aan het aristocratische Russische hof opgevoed—de etiquette gaarne zag geëerbiedigd. Haar eerste huwelijksjaren doorleefde zij kniezend en teruggetrokken. Haar karakter was zoo, dat velen haar vereerden, weinigen haar beminden.
Zij kreeg genoeg te verduren doordien mannen en vrouwen in haar omgeving (typische mengsels van tranenvolle, maanlichtbleeke, overgevoelige "Empfindelei" en ongemaskeerde wulpschheid), naar voorbeeld van hun jeugdigen gebieder en misschien wel aangemoedigd door diens idealistische maar heetbloedige mama (die met haar zoon achttien jaar scheelde) het met de huwelijksmoraal niet al te nauw namen. Men las en besprak in gezelschap "galante" boeken, die men in onzen tijd stellig pornografiesch zou noemen. De hofdames—hoe kunstzinnig en ontwikkeld ook—versloten heur hartjes al evenmin als haar boezems; en men behoeft de portretstukken uit dien tijd maar aan te kijken om te weten wat dit beduidt. Ze onderhielden bijna zonder uitzondering liaisons met al of niet gehuwde heeren en ze maakten daar geen geheim van. Integendeel: een zekere mate van avontuurlijkheid verhoogde haar aanzien. Wie een vriend te gast vroeg, en beleefd wilde wezen, vroeg ook de dame met wie die vriend het op het oogenblik hield. De poëet Wieland—verreweg de oudste aan het hof—werd zelfs door den hertog (dien hij had opgevoed) uitgelachen om zijn echtelijke trouw en om de vele kinderen die hij, zonder het dichten te onderbreken, fabriceerde—gelijk Carl-August het uitdrukte. Goethe had meermalen tot taak een byzonder ongewenscht amourtje van prins Constantijn, die sterk was in het opduiken van ontoonbare maîtresjes, met een minnelijke schikking te doen eindigen. En de zotte Vrijvrouw Von Werther, bijgenaamd de kleine Werther, die de zieke en vervolgens de doode uithing en een pop in haar plaats liet begraven, ten einde met een luitenant naar Afrika te kunnen vluchten, waar deze goud en diamanten hoopte te vinden; en die, berouwvol en berooid weergekeerd, door haar man in genade werd teruggenomen, steekt nogal gunstig af bij haar vriendinnen.
Genoeg om te doen zien, dat Weimar voor Goethe een gevaarlijke stad was. De roep van zijn schoonheid en zijn vurigheid ging hem voor, en geestelijk verkeer met vrouwen was hem een zielsbehoefte. Zijn dichtersroem, dien men in verband bracht met gedachten aan oproer en verboden liefde, aan goddeloosheid, zelfmoord, duivelslist en bigamie, maakte hem byzonder interessant voor de lichtzinnige Misels (d.i. meisjes) die de diepten van gewone minnarijen reeds te vaak hadden gepeild. Behalve bals, die te weinig zeldzaam, en tooneelvoorstellingen, die in den beginne uiterst middelmatig waren, bood het landstadje hem weinig verstrooiing. Hij wilde er blijven, het behoorde tot zijn levenstaak, maar vaak smaakte zijn broodje hem zuur. Hij wilde de schoone kern, die hij in den hertog vermoedde, verder ontwikkelen; maar hij begreep dat hij, de burgerjongen, zijn intiemen invloed op den edelman zou verliezen, als hij niet toonde ook in het "miseln", d.i. vrijen, in het zuipen, knijpen en fuiven, in het tappen van heel gewaagde moppen, in het volhouden van dolle streken, waarbij zijn leven gevaar liep, tegen hem te zijn opgewassen. Daarbij kwam dat de regering van het rijkje weldra voor een groot deel op hem berustte en dat men hem in zooveel kleinigheden consulteerde, dat hij wel eens geërgerd uitriep: dat hij "ten slotte ook nog voor de nachtspiegels zou moeten zorgen". Zijn dichtergave scheen in het drukke zakenleven te verwelken, terwijl binnen hem alles op losse schroeven stond en het zeer lang duurde, voordat hij, volkomen met zichzelf in vrede, onafhankelijk stond tegenover de buitenwereld.... Zooveel redenen en aanleidingen voor hem om in de eerste maanden van zijn verblijf te Weimar den duivel macht over hem te geven,—gelijk Wieland het uitdrukt.
Maar toen ging de vrouw door zijn ziel, wier heerschzucht, meer nog dan haar liefde, het binnen hem plaats grijpend proces versnelde en hem dwong tot zelftucht.
Hij kwam laat-herfst te Weimar aan, door een uitgelezen troep "prave" jongens en Misels, de meesten tusschen de twintig en dertig jaar, geestdriftig verwelkomd. Hij was in Werther-uniform: blauwe sluitjas met koperen knoopen, geellederen vest en broek, kaplaarzen en gepoederd staart-coiffure—en daar het voor onwelvoeglijk doorging, in gezelschap van dames anders te verschijnen als "in kousen en lage schoenen", bleek reeds hieruit, dat hij ook aan het hof zijn vrijheid van beweging niet wenschte op te offeren. De jonge hertogin gedroeg zich dan ook koel tegen hem, en duldde niet dat hij aanzat aan de vorstelijke tafel, waar slechts edellieden toegang kregen. Als Carl-August niet in de gelegenheid was, zich met hem af te zonderen, dineerde hij in "De Roode Os" of wel bij Wieland. Die voelde zich terstond "als een dauwdrup van de morgenzon" vervuld van den rijzigen jongeling met de nu eens donker schitterende, dan weer zwaarmoedig smachtende tooveroogen, waarmede hij alle misels het hof maakte; kort daarop gaf hij in een vurig gedicht de schoonste en treffendste schets die wij kennen van den 26-jarigen Goethe. Voor mij—zoo liet hij zich tegen Merck uit—is het leven niet meer denkbaar zonder dezen wonder-jongen, dien ik lief heb als mijn bloedeigen eerstgeborene, en van wien het mij, zooals ook eenen echten vader past, innig genoegen doet, dat hij mij zoo mooi over den kop groeit en alles is, wat ik niet heb kunnen worden.—Doctor Wolf vergaf den Hofpoëet gaarne zijn oppervlakkig tijdschrift "De Mercuur", wetend dat diens talrijke kinderen, wier vriendschap hij spoedig won, grage magen bezaten.

GOETHE IN "KAARSRECHTE HOUDING" (kort na zijn vestiging te Weimar)
Carl-August, nog zoo kort geleden aan den dwang van moeder en leermeesters ontsnapt, voegde zich slechts geleidelijk tot de ingetogenheid, die regeerings- en huwelijksplichten van hem eischten. Met naast zich den dichter, die gold als de verpersoonlijking van het "kracht-geniale" (d.i. de onbekommerde uitleving van alle echt-persoonlijke neigingen en verlangens) gaf hij zich over aan wat hij een natuurlijk en vrij leven achtte. Wolfgang zakte gedurende eenige maanden tot een lager levens-niveau af: geleid door de motieven die wij reeds noemden, maar toch ook onder den invloed van zijn omgeving. Zondagochtend-bijeenkomsten, waar men elkander bij wijn en punch met dwaze verzen hekelde; geforceerde tochten te paard, onmiddellijk gevolgd door danspartijen; wilde zwijnenjachten, waarbij hij wel eens in doodsgevaar verkeerde; overnachten in het winterwoud; eten op de straat voor het "vorsten-huis", onder het volbrengen van de ruwste streken, ten aanschouwe van de gapende burgerij; wedstrijden in het klappen met de jachtzweep, 's nachts, midden op de markt; dansen en vrijen met de boeredeernen uit de naburige dorpen; schaatsenrijden (een plebejisch bedrijf te Weimar!) bij fakkellicht; caricaturale maskerades; drinkgelagen, met schedels en voor-historische urnen, die de asch van echte Tuitschers hadden bevat, bijwijze van bekers; en een lange lijst van onbehouwen grappen als daar zijn: belletje trekken en het dichtmetselen van de slaapkamer eener laat thuiskeerende hofdame.
Vergat Wolfgang ook soms dat nobele beweegredenen hem tot deze bandeloosheid hadden gebracht, meestal spande hij zijn krachten om den lichamelijk zwakken hertog voor overdrijving te behoeden, hem te genezen van zijn gebrek aan practische menschenkennis. Hij maakte van vele uitstappen gebruik om op zijn schimmel "De Poësie" het land te verkennen. Bij iedere gelegenheid wees hij den jongen vorst op den vervallen toestand van zijn rijkje. In zijn brieven aan hem schreef hij zonder commentaar bijbel-spreuken af, die Carl-August op hartstochtelijken toon tot zijn plicht riepen. Een ander maal trad hij, als eenvoudig boertje verkleed, op den landheer toe en hield hem in een trouwhartig gedicht voor, dat het boersche trouwe bloed nog altijd zijn beste goed was, waaraan hij meer vreugde kon beleven dan aan paarden en aan stoeterijen. Tot diep in den nacht zat hij met zijn Carl soms bijeen, en dan werden er over verleden en toekomst harde woorden gesproken, die het diepste van 's hertogs karakter roerden en hem aanzetten tot arbeid; lastertongen wisten te vertellen dat zij zich dan achter gesloten deuren bedronken....
Maar Carl-August, hoewel meermalen door uitputting op het ziekbed geworpen, verlangde steeds terug naar zijn "woedige" uitspanningen (als Wieland ze betitelde), waartoe ook zijn natuurlijke vlugheid in het afdoen van loopende zaken hem verleidde. Goethe daarentegen, aan zulk een leventje ontgroeid, liet noode zijn werkkracht en zijn organisatietalent ongebruikt en verlangde innig naar rust. Evenals Margaretha in zijn treurspel Egmont "voorzag hij veel dat hij niet kon veranderen". In het begin van het nieuwe jaar ontsteeg hem een bede, zoo kinderlijk-oprecht, dat Pestalozzi ze later een Zwitsersche boerin en hare kinderen als avondgebed in den mond kon leggen:
"Der du von dem Himmel bist, Alles Leid und Schmerzen stillest, Den, der doppelt elend ist, Doppelt mit Erquickung füllest, Ach, ich bin des Treibens müde! Was soll all der Schmerz und Lust? Süsser Friede, Komm, ach komm in meine Brust!"
(Wandrers Nachtlied).
Onderdanen en bewindslieden gaven luide hun misnoegen te kennen over het vertrouwen dat de regeerende vorst den belletristischen burgerman, die bovendien zooveel onzedelijke en opstandige boeken had geschreven, bewees. Men beschouwde Goethe als aanstichter van de straks genoemde wanordelijkheden en vervolgde hem met dreig- en maanbrieven. Werthers: Schaamt u, gij nuchteren! ware hier zeker van toepassing. Het korte, zakelijke antwoord, dat hij Klopstock toezond op zijn goedbedoelden maar te hooghartigen brief, had een definitieve breuk ten gevolge.
Carl-August stoorde zich nergens aan, en verzocht hem de vergaderingen bij te wonen van den "Geheimen Conseil" (d.i. Ministerraad) om te ervaren, hoe hij zich als regeeringspersoon zou voelen. Dit lokte de ontslagaanvrage uit van den eersten minister, een zeer bekwaam man, die niet met Doctor Goethe in éen collegio wilde zitten, daar de aanwezigheid van Doctor Goethe de waarde van dit collegium zeker moest drukken. De fier gestelde kantteekening op het verzoekschrift van den minister, waarmede Carl-August zijn beleid verdedigt, stempelt den negentienjarigen schrijver er van tot een waarachtig vorst:
"Een man van genie op een andere plaats gebruiken dan daar, waar hij zelf zijn buitengewone gaven kan benutten, beteekent hem misbruiken. Wat echter de tegenwerping betreft, dat door zijn toetreden vele verdienstelijke lieden zich gepasseerd zouden kunnen achten, zoo ken ik in de eerste plaats niemand onder mijne dienaren, die, voor zoover ik weet, op deze plaats hoopte; en in de tweede plaats zal ik nooit een ambt, dat in zoo eng verband met mij, met het wel en het wee van al mijn onderdanen staat, naar ancienneteit, ik zal het steeds slechts naar betrouwen vergeven. Het oordeel van de wereld, dat misschien misbillijkt, dat ik D. Goethe in dit mijn voorname College plaats, zonder dat hij te voren Schout, Professor, Kamer- of Regeeringsraadsheer is geweest, doet niet ter zake. De wereld oordeelt naar vooroordeelen, ik echter zorg en arbeid, gelijk ieder ander die zijn plicht wil doen, niet terwille van de instemming van de wereld, doch om mij voor God en mijn eigen geweten te kunnen rechtvaardigen".
Intusschen vreesde men niet zonder grond, dat Weimar, die "stad van tienduizend dichteren en eenige inwoners", langzamerhand geregeerd ging worden door louter half-miskende Muzenzonen: Zoo was graaf Von Stolberg (dien de lezer reeds ontmoette als liefhebber van tyrannenbloed) tot kamerheer benoemd. De kettersche, vrijgeestige predikant Herder werd, ondanks hevige protesten van het Opper-consistorie, met het toezicht op den eeredienst belast en had van Goethe in een spottig gedicht verlof gekregen, zich—evenals te Straatsburg—met de punten van zijn mantel in zijn broekzakken te vertoonen. Hij begon met een preek te houden die den Hertog op zoo felle wijze aan zijn plichten herinnerde, dat men niet anders dacht of Carl-August zou hem uit den kansel trappen; de hertog echter meende dat het een brave preek was "heelemaal zonder speldeprikken". Herder praalde zoo hardnekkig met zijn geestelijk overwicht, dat men hem in het buitenland den Bisschop van Weimar noemde. Klinger, de "peetvader" van de Sturm- und Drangbeweging, dook plotseling te voorschijn, en op den achtergrond glimlachte het blonde, intrigeerende dichtertje Lenz, dat praatjes rondstrooide over den dollen boel te Weimar en onderwijl voor hertogelijke rekening hooge verteringen maakte; waaraan misschien de sage ontleend is, dat de Weimarsche schatmeester in zijn grootboek een aparte rekening hield voor "Kousen en broeken aan doortrekkende Genieën". Hertogin Louise beklaagde zich bij haar bloedverwanten over de misdragingen van haar gemaal; overdreven lasterpraat ging om.
Goethe denkt er niet aan, alle schuld van zich te schudden. Maar hij is niet van zins, de nieuwsgierigheid van vreemden te stillen; door vriendschap aan zijn Carl gebonden, beseft hij dat het nu tijd is tot lijden en tot zwijgen. En in het tot den hertog gerichte verjaarsgedicht Ilmenau, dat hem zelf voorstelt: gezeten bij het wachtvuur van zijn onrustig slapenden heer, afrekenend met het verleden, erkent hij dat het zijn geest is, die hier onheil heeft gesticht:
Ik haalde een reine fakkel van het Altaar maar wat ik heb ontstoken is niet reine vlamme, de storm verhoogt den gloed en het gevaar, ik sta rechtop terwijl ik mij verdoem!—
Maar hij durft hopen dat Carl-August nu weldra zijn plichten ernstiger zal opvatten:
Gewiss, ihm geben auch die Jahre Die rechte Richtung seiner Kraft. Noch ist, bei tiefer Neigung für das Wahre, Ihm Irrtum eine Leidenschaft. Der Vorwitz lockt ihn in die Weite, Kein Fels ist ihm zu schroff, kein Stegzu schmal;
Der Unfall lauert an der Seite Und stürzt ihn in den Arm der Qual. Dann treibt die schmerzlich überspannte Regung Gewaltsam ihn bald da, bald dort hinaus, Und von Unmutiger Bewegung Ruht er unmutig wieder aus. Und düster wild an heitern Tagen, Unbändig, ohne froh zu sein, Schläft er, an Seel und Leib verwundet und zerschlagen, Auf einen harten Lager ein: Indessen ich hier still und atmend kaum, Die Augen zu den freien Sterne kehre, Und, halb erwacht und halb im schweren Traum, Mich kaum des schweren Traums erwehre....
Onder zijn invloed ging de hertog de oppositie tegen zijn benoeming met groote bedachtzaamheid en matiging te keer. Eerst negen maanden na zijn aankomst, en nadat minister Fritz zijn ontslagaanvrage door voorspraak van de hertogin-moeder had ingetrokken, kreeg hij definitief (weldra met den titel "Geheim Raadsman", de hoogste onderscheiding die een Duitsch burger ten deel kon vallen) zitting en stem in den Conseil, op een jaarwedde van 1200 daalders,—een bedrag dat juist voldoende was om zijn ambtskleedij en zijn tooneelbenoodigdheden (waarvan nader) te bekostigen. Zijn vader—wel gevleid door de onderscheiding die "den Doctor" te beurt viel, maar zeer ontsticht wijl hij zijn groot huis nu alleen moest bewonen, zonder schoondochter, zonder kleinkinderen—had zich in den tusschentijd slechts door herhaalde brandbrieven laten bewegen, hem nu en dan geldelijk te steunen. Nu moest vrouw Aja weer pleiten om een uitzet en een klein jaargeld (zooals ook Cornelia had) voor haar grooten zoon. Kamerheer Von Kalb werd naar Frankfort gezonden om te bewerken dat de oude Goethe in het minister worden van zijn zoon toestemde(!); hij moest hem onder 't oog brengen, dat door deze kleine opoffering zijnerzijds vele duizenden gezegend zouden worden; dat de benoeming slechts ten doel had, Wolfs vriendschappelijke verhouding tot den hertog een officiëelen vorm te geven, en niets te kort deed aan diens vrijheid, te allen tijde weg te gaan of verlof te nemen.
Eens sprak de hertog zijn schatmeester in deze woorden toe: Bertuch, ik moet je tuin hebben. Ik kan er niets aan doen. Goethe wil hem hebben en hij kan er niet zonder leven.—Hij had Wolfgangs trek naar de eenzaamheid bespeurd en hij hoopte hem in Weimar te houden door hem een flinken tuin met een eenvoudig gemeubelde woning er in, waarbij wachtershuis, honds- en bijenstal en schietbaan, eerst in bruikleen, later ten geschenke te geven. Goethe leidde zelf de werkzaamheden, die het bouwvallige, spitsgedakte huisje en de hellende vallei, door de Ilm bespoeid, herschiepen tot een tooverachtig dichtersnest, door hooge boomen omgeven, door gebarricadeerde bruggen van de buitenwereld afgesloten, met priëelen, gewijde steenen en mosbanken.
Ich geh' meinen alten Gang Meine liebe Wiese lang, Tauche mich in die Sonne früh, Bad' ab im Monde des Tages Müh,
zong hij. Hier speelde hij met de kinders van Herder en van Wieland, hij ontving er den hertog, die vaak op de sopha overnachtte en dan met een eierstruif als maal genoeg moest maken. In volstrekte afzondering leefde hij er als een stuk natuur, gedrenkt van aardreuk, en hij noemde zich van toen af (naar een Elsasser legende) Erdkülin, d.i. aardkoetje. Vaak ook sliep hij, in een mantel gewikkeld, op zijn veranda, zoo vast dat donder noch regen hem konden storen. En tegen valavond baadde "de tweede man des rijks" zich in de koele rivier, waarbij hij dan, de druipend zwarte haren over zijn facie gestreken, terwijl alleen zijn hoofd boven de golven uitstak, met geheimzinnige geluiden menig voorbijganger schrik aanjoeg: Onder de boeren in den omtrek leeft nog thans het geloof aan watergeesten. Overigens schijnt zijn vertrouwelijke omgang met het koude nat en de open lucht op de destijds gemakzuchtige en onfrissche Duitschers een diepen indruk te hebben gemaakt.

GOETHES TUINHUIS MET VERANDA
Kort voordat hij besloot in Weimar te blijven, maakte hij alleen (zooals in zulke gevallen zijn gewoonte was) een uitstap naar Leipzig. Daar ontmoette hij zijn onherkenbaar geworden Annette. Ook zag hij er de zangeres Corona Schröter weer, aan wie hij als piepjong studentje reeds eenige bewonderende verzen had gewijd. Zij had zich toen koel getoond, als waren haar classiek-schoone lichaamsvormen inderdaad uit marmer gehouwen. Nu wist hij deze "engel" met haar vele begaafdheden naar Weimar te tronen, waar ze zich als tooneelkunstenares en als componiste zeer zou onderscheiden. Is ze meer hem geweest dan een vriendin, een phantastiesch speelgenoot? Men zegt.... Zeker is dat men haar in zijn toovertuin vaak kon aantreffen in de eenvoudige Grieksche dracht waarmede ze de "Iphigenie" creëerde, dat zij daar dikwijls bij droomige avondbelichting in een gazen kleed roerloos op een bank zat....


"De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, — loopen van 1774 tot voorjaar 1781. —
XII
So hast du meine ganze Natur an dich gezogen, dass mir für meine ubrigen Herzens-pflichten keine Nerve ubrig bleibt.
GOETHE aan CHARLOTTE v. STEIN.
Een jaar vóordat hij Carl-August volgde, had Goethe kennis gemaakt met den galanten doctor Zimmermann, en onder de honderden silhouetten, die deze hem vertoonde, had hem byzonder getroffen het schaduw-profielbeeld van Vrouwe Charlotte von Stein-Kochberg, hofdame te Weimar. Nog toegedaan de destijds heerschende meening, dat men iemands inborst op zijn gelaat kan lezen, en ijverig medewerker aan Lavaters "Physiognomische Fragmente", had hij de silhouette naar zijn Zwitserschen vriend gezonden met deze karakterschets (die zijn aandoenlijk pogen naar objectivistische koelheid doet blijken):
"Stein vastheid .... zelfbehagen Liefdevolle vriendelijkheid naïeveteit en goedheid, van zelf vloeiende spraak Toegefelijke vastheid Welwillendheid Blijft trouw Verovert met strikken"
Er onder schreef hij: Het ware een heerlijk schouwspel, te zien hoe de wereld zich in deze ziel spiegelt. Zij ziet de wereld gelijk ze is en toch door het medium der liefde. Van daar dat zachtheid haar algemeene (gelaats)uitdrukking is.—Toen kort daarop doctor Zimmermann in Frankfort bij hem logeerde, vertelde die hem zooveel van Vrouwe von Stein, dat hij drie nachten niet kon slapen.

CHARLOTTE VON STEIN Naar haar zelfportret
Charlotte was toen drie en dertig jaar, zeven jaren ouder en zeven kinderen rijker dan hij. Verslaafd aan de koffie en verre van schoon; sprekende, verstandige, wat kwijnende trekken en verflenste huid; rijk lichtbruin haar, heldere oogen en wijkend voorhoofd; een nog slanke gestalte, die door verfijnde aan vormen en stemmingen zich passende kleedkunst zeer tot haar recht kwam. Een ontwikkelde dame, vaardig met penseel zoowel als met veder of borduurnaald; absoluut zich beheerschend, in ieder gezelschap het hare denkend, zonder meer los te laten dan ze wenschte, terwijl toch haar diplomatiesch gesponnen taal aan openhartigheid deed denken. Met haar veelomvattende levenservaring, door huwelijksleed en smaak voor goede boeken nog verdiept, stak ze ver uit boven de triviale hoflieden in haar omgeving en hoopte op verkeer met buitengewone menschen. Ze was getrouwd aan een Opperstalmeester, die ongevoelig bleef voor haar ietwat perverse bekoorlijkheid—haar zelf wèl bekend. Eens per week logeerde hij onder 't echtelijk dak en overigens verwaarloosde hij haar voor jachthonden, volbloed paarden en vette ossen. Aan 't kniezen geraakt, nadat ze een paar jonge kinderen ten grave had gedragen, achtte ze zich te hoog om—als velen in haar omgeving—afleiding te zoeken in een gewone liaison. Doch het medegevoel van de wereld mishaagde de liefdebehoevende en scherpzinnige vrouw, die in haar levensmoeheid zich bewust bleef van haar waarde.—Zimmermann had haar aandacht gevestigd op al wat Goethe over haar zeide en schreef. Toen sprak zij den wensch uit, dezen beroemden dichter eens te ontmoeten. Zeer treffend antwoordde hier op de galante doctor: "Ge wenscht hem te zien? Arme vriendin, ge weet niet, hoe gevaarlijk deze lieve man U kan worden!" Inderdaad: haar gemoed, haar talent, haar levenslot: alles riep om zulk een lieven man. Toch zou hij haar niet gevaarlijker worden dan zij—na rustige overweging—wenschte toe te laten.
De eerste kennismaking viel Goethe—wiens verwachtingen sterk gespannen waren—niet mede. Maar kort daarna bezocht hij haar op haar slot Kochberg: Daar zag hij haar in huiselijken kring met hare jonge kinderen, hoorde haar spreken over de misstanden aan het hof, over de slechte verstandhouding tusschen Carl-August en zijn jonge, preutsche gade, wier vertrouwelinge zij was.—Een van de onderwerpen die (mits handig geëxploiteerd) een courtisane in staat stellen, met een wildvreemde intiem te zijn, zonder dat men haar ooit kan noodzaken, dit te erkennen. Sprekend over Goethes invloed op den hertog, die alles ten goede zou kunnen leiden, vergunde zij hem, haar ziel te beroeren. En met zijn rumoerige openhartigheid, zich opwindend aan haar vrij goedkoope instemming, zette hij haar zijn plannen uiteen, beredeneerde en verbeeldde haar zijn meeningen en zijn ideeën. Natuurlijk had hij weldra aanleiding tot het geloof, dat ze in zijn geheimste wezenskern kon lezen, en in een leven hiervoormaals zijn zuster was geweest of zijn vrouw.
Bijna terstond kwam zijn eerbiedige doch gloeiende liefde voor haar tot hartstochtelijke uiting, waarop ze hem gedurende enkele dagen onmeedoogend ontweek, en hem deels in briefjes of gedichtjes deels in wel-bestierde "explicaties" te kennen gaf, dat haar echtelijke plicht haar gebood hem slechts een zusterlijke vriendin te zijn. En wijl hij, meer en meer genoeg krijgend van het "woedige" hofleven, haar omgang niet wilde ontberen; toen zijn ongelukkige zuster Cornelia op haar kraambed was gestorven niet meer kon ontberen: liet hij zich de belofte in den mond leggen, dat hij zou trachten zich te bedwingen. Een "belofte" die hij telkens herriep, niet alleen door zijn gedragingen, maar ook door de vaak herhaalde verklaring, dat hij zich niet capabel achtte, zijn "Ungezogenheiten" af te wennen. Maar op iedere poging zijnerzijds tot toenadering volgde straf: zij verbood hem haar te zien, ging ondanks zijn smeekbeden op reis, als zijn ambtsplicht hem te Weimar hield, sloot zich op, dreigde met hem te zullen breken, beriep zich op de lasterzuchtige wereld.
Dergelijke straffen en vermaningen (wanneer zij niet uitzondering blijven doch regel worden) kalmeeren den verliefden man niet; zij verontrusten en verwarren hem. De vrouw die ze uitdeelt, toont niet de reine genegenheid waarvan ze spreekt: de oprecht beminnende vrouw vertrouwt dat haar bijzijn, indien zij 't wenscht, haren minnaar tot rust zal brengen. Zij neemt niet haar toevlucht tot dwang, wijl zij hoopt dat liefde meer vermag. Zij weet—en zeker wanneer haar levenservaring zoo rijk is als die van Vrouwe von Stein is geweest—dat ook de reinste hartstocht die een vurig man tot een vrouw drijft niet verkeert in broederlijke genegenheid, wanneer die passie met geweld wordt ingeperkt; zij tracht derhalve een man, wien ze niet "meer" dan zuster kan zijn, niet te boeien. Zij schrikt terug voor het leelijke schouwspel van een geestvol man, door handig toegebrachte tikjes en prikjes zoodanig verward, dat hij belooft wat hij niet meent, zijn gevoelens verloochent op bevel, en kruipt voor haar, die slechts haar egoistiesch-kalme heerschzucht op hem voor heeft.
En de wereld, d.i. de hofkliek? Maar die lasterde niet! De verhouding tusschen deze lang beklaagde vrouw en den schoonen, krachtigen Goethe—hoe ver die verhouding dan ook mocht zijn gegaan—zag ze met sympathie, en tegen eventueelen laster zou ze het gaarne voor Charlotte hebben opgenomen; wat den lezer nog wel zal blijken. Hoe dorst zij zich beroepen op "de wereld" tegenover den vrijgevochten Goethe, voor wien "de wereld" niets was! Zij, die hem in antwoord op de zijne, bijna dagelijks briefjes liet bezorgen door haar eigen echtgenoot, door gewone huzaren, door den hertog; zij, die geen aanstoot nam (hoewel door Goethe gewaarschuwd!) in een allegorischen optocht De Nacht voor te stellen, terwijl hijzelf er fungeerde als De Slaap! Lokte ze niet voortdurend commentaren uit? Had de hertog niet een spotdicht vervaardigd, waarin hij haar vermaande, haar billets doux op wat grooter formaat papier te schrijven, daar zij anders zoek raakten in de zakken van zijn huzaren, en hij genoodzaakt was, ze in 10 op elkaar gezegelde enveloppen te hullen?—En wat haar echtelijke plichten betreft (gesteld dat ze die nog had), haar stalmeester zag gaarne dat de poëet zich met het troosten van zijn "miskende" vrouw en met de opvoeding van zijn kroost belastte. Had zij aan deze "plichten" dan niet reeds principiëel te kort gedaan door voor Goethe te voelen gelijk ze deed, en werd de "haar zoo lieve zonde", waaromtrent ze op de keerzijde van een zijner brieven getuigde, dat haar geweten haar niet zeide of ze er voor moest boeten, er geringer op, nu zij haren minnaar op geveinsde gronden weigerde wat des huwelijks is?
Op geveinsde gronden! Want hoewel ze eerst na vier jaren hem bekende dat ze "meer" hem was dan een zuster—hij vertrouwde zijn wondere vreugde aan de ontluikende boomen toe—dat ze voor hem de liefde koesterde die niets weigert (behalve in dit speciale geval!), gedroeg ze zich van begin af als een jaloersche minnares, en deed hem aan de mogelijkheid van een zakelijk-intiemere vereeniging denken op oogenblikken dat hij meende, er afstand van te hebben gedaan. Ze hield de wonde bloedend. Terwijl ze wist hoezeer Goethe daar onder leed, logeerde ze het genie Lenz—dat met Friederike had gekoosd om haar Wolfs brieven afhandig te maken—op haar slot en zwelgde met hem in Engelsche literatuur. In een blijspel "Ryno" dat ze Goethe voorlas (Goethe las haar al zijn onuitgegeven werk voor, en ze vergunde hem dit, al wist ze dat hij, als het "enthousiasme" hem aangreep, zich allerminst kon bedwingen) bespotte ze zijn "zielsverlangen", door hem voor te houden dat bijna alle dames uit den omtrek zoete briefkens van hem bewaarden. Zijn verkeer met Corona Schröter—in welke schoone vrouw hij zeide hààr te huldigen, al vond hij dat ze niet genoeg op Charlotte leek!—verstoorde zij aanhoudend door haar intriges, wel wetend dat ook de hertog Crone's classieke vormen gaarne zag. De eerste opvoering van "Iphigenie"—het meesterstuk dat hàre "goddelijke wijsheid" huldigde—weigerde ze bij te wonen, naijverig als ze was op de gevierde Corona, die de titelrol creëerde.
Welke soort van liefde hij haar toedroeg—want er is hier geen sprake van min of meer, doch van een aard-verschil—make men op uit het volgende. Zijn gezellige, aandoenlijke comedie Die Geschwister symboliseert zijn verstandhouding tot Cornelia, maar meer nog zijn verstandhouding tot Vrouwe von Stein:—Marianne (gespeeld door Frl. Kotzebue) bemint onbewust Wilhelm, in wiens huis ze is opgevoed, en dien zij voor haar broeder houdt; nauwelijks echter blijkt—doordat een ander haar hand komt vragen—dat Wilhelm haar broeder niet is, maar een belangeloos vriend, of haar hartstochtelijke liefde openbaart zich. Goethe acteerde de daarbij behoorende omhelzing zoo natuurlijk, dat nog jaren nadien van een intiem verkeer tusschen hem en Frl. Kotzebue werd gefluisterd, hoewel zij beiden dit ernstig tegenspraken. Maar men bedenke dat hij in Marianne zijn tweede Lotte, Vrouwe von Stein zag, en men begrijpt deze verregaande "natuurlijkheid".—"Die Geschwister" is bovendien merkwaardig omdat een brief van Charlotte aan Goethe, de eenige die ons rest! er in is vastgehouden. Tenminste, men zou dezen brief met groote stelligheid kunnen dateeren tusschen twee epistels die Wolfgang aan de geliefde zond. Tot dergelijke berekeningen is de biograaf genoodzaakt zijn toevlucht te nemen, wijl zij later haar brieven—die haar konden compromitteeren—heeft opgevraagd en verbrand; de zijne echter heeft ze zorgvuldig bijeengehouden. In de enkele regels, hier bedoeld, zegt Vrouwe von Stein dat zij alle liefde tot het leven had verloren totdat ze hém ontmoette; en dat ze vreest hem kwellingen te zullen aandoen.
Was nu haar gedragslijn jegens hem verre van zuiver: het blijft haar onverdiende verdienste, in den dichter die bezig was zich tot een hooger levensplan op te werken, gevoelens en strevingen te hebben gewekt, die den omkeer in zijn ziel verhaast en over zijn verdere carrière beslist hebben. Ze was geen onervaren maagd: ze was een rijpe vrouw, die haar minnaar, hoezeer ze hem martelde, wist te boeien; ze spaarde hem geen leed maar dwong hem door heur aantrekkelijkheden: iedere nieuwe kwelling tot het einde toe te doorleven, zoodat hij er zijn intellectueel weerstandsvermogen aan vormde. Zij bracht hem telkens in de hoop, dat ze nog eens geheel de zijne kon worden, maar hield zich toch op een afstand, zoodat hij haar zag "zooals men de sterren ziet" of als—"een Madonna die ten hemel vaart" en die slechts door een bovenmenschelijke daad zich zou laten verteederen. Met het ideaal van deze bovenmenschelijk schoone daad in zich, moest hij tot diep nadenken komen te midden van de ordinaire vermakelijkheden en de désillusies die hij te Weimar vond. Haar eisch, dat hij haar slechts broederlijke genegenheid zou toedragen, dwong hem tot steeds grooter zelfbeheersching; doch—hier schuilt de kiem der ontbinding—dit ook jegens den wijn, de andere vrouwen, de woeste geneugten die hij met den hertog een oogenblik had nagejaagd. En—ontwarend wat geweldige driften daar in zijn binnenst te temmen bleven—moest hij het beeld van de vrouw die hij hoopte te winnen steeds voor oogen houden, en sterker vereeren, naarmate de vereischte krachtsinspanning grooter scheen. Zij had te weinig eerbied voor zijn inborst om ook maar in de verte te vermoeden wàt zij eigenlijk van hem vergde. Doch dit belette niet dat hij haar, wier beeld hem ook in het overstelpende zakenleven toelachte als door een floers, ten slotte ging beschouwen als "de Godin" die hem toereikte "des dichters sluier met de hand der Waarheid"; de bovenaardsche, die hij slechts in wijsgeerige verzen (Die Geheimnisse, waarin wel van een zonderlinge monnikorde, maar van geen enkele vrouw gewaagd wordt) kon zeggen "hoe lief hij haar had".
Geesteshelden laten lang met zich spelen, daar zij een weerstand, die hun drijven treft, pas begrijpen, en zoo noodig wantrouwen, als een langdurig en pijnlijk zuiveringsproces zich in hun boezem heeft afgespeeld. Toen Goethe echter na tien jaar worstelens de volkomen-beheerschte, evenwichtige persoonlijkheid was geworden, waartoe liefde, vernedering, smart hem moesten doen rijpen; toen had hij Charlotte von Steins intentiën overvleugeld, en bespeurde hij dat hij aan innerlijke waardij meer gewonnen had, dan hij mocht bieden voor haar, die hij met zijn zelfstrijd eens meende te veroveren.
Stellig! zegt Aurélie in Wilhelm Meister, het is goed dat wij niet altijd de menschen kennen voor wie wij arbeiden!


Grossmeister der Affen.
XIII
De hertogin-moeder voelde, hoewel ze als zuster van Frederik den Grooten Fransch was opgevoed, een warme belangstelling voor Duitsche tooneelkunst; ze begreep dat een nationaal tooneel door verdringing van den overheerschenden Franschen smaak de Duitsche volkskracht zou kunnen vergrooten. Een aantal hovelingen te Weimar vormden een liefhebberijgezelschap, dat zich de hulp van beroepsspelers, in Goethes tijd o.a. Corona Schröter, assumeerde. Ook Carl-August trad er gaarne op, hoewel hij in den beginne de zaak zoo weinig ernstig nam, dat hij met zijn stinkende tabakspijp en zijn groote honden de voorstelling in de war stuurde. Onder zijn invloed nam het gezelschap de allures aan van een reizenden kermistroep. Midden in den nacht werden de leden soms uit hun rust geklopt, om zich naar het woud-theater of naar een naburig hof te begeven. Dan moesten in allerijl de keukenwagens rijkelijk van spijzen voorzien, de requisiten in koetsen met ruiters en zeer veel paarden er voor weggereden. Na afloop van de voorstelling, als de dames zich hadden geretireerd, begaf men zich aan tafel en haalde dolle streken uit. Trouwens, ook gedurende de voorstellingen gaven koddige toevallen aanleiding tot uitbundige wanordelijkheid; bijvoorbeeld het scheuren van een vleeschkleurig tricot, of de halsstarrigheid van een adellijk acteur, die dood moest en niet meer wist hoe, en ten slotte door een paar pootige kerels met een bulderend "Sterrf!" van het scène werd gesleept; of de critiek van een Wieland, die in pompeuse taal verkondde dat de zooeven vertoonde Venus niet deugde, wijl deze godin nooit andere kleren draagt als haar traditioneelen gordel....
Een persoon van gewicht was de vindingrijke timmerman Mieding, de Director der Natur, wiens dood Goethe zou bezingen. Hij zette het openlucht-tooneel ineen, zorgde voor phantastische verlichting, watervallen van glasscherven, blikken harnassen, rotsen, vaak ook voor costuums, o.a. ook voor vogelpakken met beweegbare vleugels en rollende oogen, gebruikt in Goethes schaterspel Die Vögel, een satyre naar voorbeeld van Aristophanes, waarin de zwarte adelaar met grage klauwen Pruisen voorstelde.
Natuurlijk was Doctor Wolf een kostelijke aanwinst voor den troep, niet alleen wijl hij zelf gaarne meespeelde en vooral in komieke rollen succes had (tragische zaken overdreef hij), maar ook wijl hij uitmuntte in het bedenken van verstrooiingen, die toch ook altijd iets te leeren gaven. Hij leende er zich toe "in dienst van de ijdelheid, de feesten der zotheid op te sieren met maskerades en schitterende invallen, daarmede zijn eigen angst en de nood van anderen overstemmend". Behalve zijn reeds voltooide stukken kwamen op de planken schaduw- en herdersspelen, balletten, zangspelen op muziek van hertogin Amalia of van Corona Schröter, poppenspelen (Jaarmarkt te Plündersweilen), kluchtstukken, waarin sentimenteele liederen met waldhoornbegeleiding, allegorische stukken à grand spectacle (De verzoeking van den H. Antonius) en stukken die de spelers improviseerden. Vaak ook werden achter in het tooneel enorme vleugeldeuren geopend en betrok men heel de omringende natuur in de enscèneering; men speelde op de rivier en hare oevers (Die Fischerin); of in het woud (de Zigeunerscène, die Goethe uit den Götz had gelicht). Op jaar- en naamdagen bracht hij gelegenheidsstukken, bespotte hij van de planken af de aanwezigen beurt om beurt, en zoo scherp dat slechts de demonstratieve vroolijkheid van Carl-August uitbarstingen voorkwam. Door zijn Lila—oorspronkelijk De Goede Vrouw geheeten—trachtte hij in te werken op het hertogelijk paar, dat in onmin leefde. Met zijn Triumph der Empfindsamkeit of: De Opgelapte Bruid—"een klucht zoo dol en zoo grof mogelijk"—parodiëerde hij de valsche Werther-stemming, de ziekelijke natuurzucht waaraan de jongelingen destijds laboreerden, zoodat ze zich verplicht achtten hem gevoelige brieven te schrijven, hem overal aan te spreken, zich te zelfmoorden in Werther-uniform. De hoofdfiguur, een prins, heeft een groote machine laten vervaardigen, die zonsondergang, stergeflonker, maneschijn en woudgeruisch nabootst—voor de echte natuur is hij bang!—en in die machine vrijt hij met een pop, voorstellende het meisje dat hij eens lief had. Als deze pop nu door een samenloop van omstandigheden wordt opengemaakt, blijkt haar buikje gevuld met modeboeken uit dien tijd, waaronder ook de Werther.—Van een ander stuk in hetzelfde genre getuigt Vrouwe Aja: "Dat ding moet men lezen als men een verstopt onderlijf heeft en voor de kuur sta ik borg".