Illustraties (continued 6)
Reading edition
VIJFDE ZANG: In het zaaltje zitten de drie mans nog steeds bij een glaasje te kouten. De geestelijke bepleit voorzichtig Hermanns zaak: schoon is het, steeds naar beter te streven, maar juist den landman past het, ook in vele gevallen rustig bij het oude te volharden. Ligt in de onrust van den stedeling niet een groot gevaar? Gezegend Hermann, en de gelijkgestemde vrouw, die hij zich eens zal kiezen!—Nu komt de moeder met Hermann aan de hand binnen: zij brengt den waard onder 't oog, hoe vaak deze Hermann gezegd heeft, zich zelf een bruid te nemen. Nu heeft hij gekozen: het vreemde meisje. En als je hem dat meisje niet geeft, dan blijft hij eeuwig vrijgezel! Hermann herhaalt, dat zijn hart rein en stellig heeft gesproken. Maar de vader zwijgt en nu staat de predikant op om iets te zeggen:
De vader moet bedenken dat altijd het oogenblik beslist, ook wanneer langdurig overleg is voorafgegaan. De wensch verhult ons wel eens het gewenschte, dat uit Gods hand soms in vreemde gestalte verschijnt. Daar Hermann een brave en verstandige jongen is, heeft de liefde hem tot man gemaakt en is over zijn lot thans beschikt.—De voorzichtige apotheker echter biedt zijn diensten aan om bij de vluchtelingen naar het meisje te gaan informeeren. De vader zegt, dat hij dan maar voor zijn kinderachtige vrouw en zijn zwakken zoon moet bukken. Apotheker en predikant—de laatste op Hermanns verzoek—gaan naar het kamp. De verliefde Hermann rijdt hen naar het dorp en wacht met kar en paard in de schaduw van de linden. Hij verzuimt niet, den twee huisvrienden een nauwkeurige beschrijving van het meisje te geven. Terwijl nu dominee met den oudste, den arbiter van de vluchtelingen, een praatje maakt en verneemt, hoe flink Dorothea een troep soldaten, die het op de eer van haar en haar gezellinnen hadden voorzien, heeft afgeslagen, hoe flink zij zich heenzet over het verlies van haar verloofde (die te Parijs op het schavot stierf) gaat de apotheker haar zoeken..........
ZESDE ZANG..... en vindt. Als dominee haar ziet, getuigt hij dat in een zoo schoon lichaam een schoone ziel moet wonen, en gaat Hermann waarschuwen. Deze—bekropen door de vrees dat Dorothea al verloofd is—neemt de goede tijding nogal kalm op. Enfin, hij moet dan zelf zijn geluk maar beproeven, meent de apotheker.
ZEVENDE ZANG: Hermann kijkt den wagen, die de twee mans huiswaarts voert, peinzend na: en plotseling staat Dorothea voor hem. Zij gaat water halen uit de bron. Hij helpt haar en zij lachen hun spiegelbeelden in het water vriendelijk toe. Geboeid blijven zij op den rand van de bron zitten en babbelen met elkaar. Zij vraagt hem, hoe hij zonder zijn wagen hier in de buurt komt en hij, niet durvend spreken van liefde, vertelt dat zijn moeder reeds lang een meisje zoekt dat haar als een dochter begrijpt. En daarvoor wilt ge mij hebben? dus helpt ze hem uit den nood. Welnu, zij vindt dat een alleenstaand meisje liever moet dienen dan rondzwerven en volgt hem, nadat zij van haar lotgenooten, van de kraamvrouw en de kinderen ontroerd, afscheid heeft genomen.
ACHTSTE ZANG: In maanlicht gaan ze saam op weg. Een menschenkenner hadd' uit hun gesprek haar wederliefde gevoeld, maar Hermann blijft doen alsof hij werkelijk een dienstmaagd in huis haalt. Op haar verzoek licht hij haar in omtrent de karaktereigenschappen van haar aanstaande meesters, en waarschuwt dat zijn vader wel eens wat lastig is. Ze vraagt in welke verhouding ze tot hém zal staan. Hij neemt haar hand en—voelt haar verlovingsring. Laat je hart 't je zeggen, brengt hij uit. Als ze een hellend, met ruwe steenplaten bevloerd pad afdalen, verstuikt ze haar voet en valt in zijn armen. Maar hij drukt haar niet vaster aan zijn borst dan noodig is om haar te steunen. Nu moet ze nog even op adem komen. Een onwêer dreigt.
NEGENDE ZANG: Intusschen zitten Hermanns ouders en vrienden geduldig te wachten. Als het paar eindelijk binnentreedt, schijnt de deur bijna te klein voor de hooge gestalten. Hermann stelt Dorothea voor en waarschuwt tersluiks den predikant: ze meent dat ze hier als dienstmaagd komt! Maar reeds heeft de waard gezegd, dat zijn zoon een goede keus heeft gedaan, en dat het ook haar wel niet moeilijk zal zijn gevallen, een zoo flinken jongen te volgen. Dit klinkt haar natuurlijk als gemeene spot in de ooren: ze bloost en barst in tranen uit. De wijze predikant doet, alsof hij haar sussen wil: ze moet zoo'n grapje niet ernstig nemen en zich niet al te gevoelig toonen. De list gelukt. Ze bekent dat ze zoo onaangenaam is getroffen, omdat ze Hermann liefde toedraagt, terwijl de woorden van den vader het haar nu onmogelijk maken, zijn wederliefde door harden arbeid te veroveren. Ondanks de inmiddels uitgebroken onwêersbui wil ze gaan zooals ze is gekomen. De waard ziet nu een ongezocht kansje om toch nog een "fijne" schoondochter te krijgen en roept barsch: Ik ga naar bed!—Maar terwijl de moeder Dorothea vasthoudt, opent Hermann zijn hart, en bewogen omarmen de geliefden elkaar. De waard vraagt Dorothea zacht vergiffenis voor het leed dat hij haar heeft berokkend, en hij moet zijn tranen bedwingen terwijl hij haar kust: de vrouwen weenen. De verstandige predikant wil nu Dorothea den ring van Hermanns moeder aan den vinger schuiven, en constateert met goed-gekunstelde verbazing, dat ze al een verlovingsring draagt. Zoo dwingt hij haar, de tragische geschiedenis van haar eersten beminde te vertellen, en hoe deze, zijn leven voor zijn idealen op het spel zettend, haar de vrijheid gaf, een ander rein gelukkig te maken. Zonder nu aan het idealisme van den jonkman die vergeefs op het schavot stierf onrecht te doen, betuigt Hermann dat hij juist in dezen roerigen tijd zijn aardsche goederen: Eigendom, vrouw, ouders, wet en ook zijn Godsdienst meer dan ooit trouw wil blijven. Hij hoopt dat alle Duitschers dit zullen doen: daardoor wordt het 't mijne meer dan ooit te voren!—
Dit is een van de weinige groote gedichten, die Goethe zelf altijd met genot herlas. Nog voordat het verscheen, schreef hij zijn moeder dat er een vrouw Aja in dichtvorm op komst was. Zij vond haar portret verrukkelijk! Een exemplaar van het epos droeg ze steeds op zak; een ander exemplaar in groene zij gebonden, gaf ze 's Zondags aan enkele intieme kennissen in handen, zonder het ooit uit het oog te verliezen.
De dichter kon den vierden zang, die zooveel van zijn eigen jongensverdriet bevat, nooit voordragen zonder dat zijn ontroering hem totaal overmande.


XXV
WILHELM MEISTERS LEHRJAHRE.
Indien wij (op het voetspoor van vele geleerden) Wilhelm Meister zouden beschouwen als een welvoorziene collectie van brokjes zelfbeschrijving, door Goethe ingevolge een vroeger gedane belofte verstrekt; brokjes zelfbeschrijving, die wij hier aan de hand van dagboek-fragmenten, brieven, mededeelingen van derden konden blootleggen, verklaren, zuiveren van phantastische bijmengselen.... dan zou deze zedenroman onder dusdanige behandeling misschien meer inlichtingen omtrent 's dichters aanleg, onuitgesproken bedoelingen, toevallig of opzettelijk verzwegen ervaringen loslaten dan zijn overig werk.
Niet alleen wijl zijn wordingsgeschiedenis zich uitstrekt over twintig jaren: de periode van snelle lotsverwisselingen, die na "Werther" begint en in den tijd van Schiller verloopt. Niet alleen wijl de schrijver in dit zeer omvangrijke en uitvoerige proza-verhaal zich door zijn strenge stijlprincipes niet liet weerhouden van realistische "Kleinmalerei", het te-pas-brengen van tallooze bijpersonen, die wel de aandacht van den lezer afleiden, maar hém gelegenheid verschaffen zijn fijne, humoristische mensch- en wereldkennis te toonen, en zich in alle stemmen waarover hij beschikt te doen hooren. Ook niet wijl de auteur—naar achttiend'eeuwsch gebruik—in dit boek op critieke oogenblikken zèlf te voorschijn springt, om te melden waar hij sommige brieven of vergeelde dagboekblaadjes heeft opgediept, of om een illuzie te verscheuren met de glimlachend geuite explicatie, dat en waarom hij zeker intiem gesprek maar niet woordelijk zal navertellen: Niet alleen om deze redenen meenen wij, dat onze oogst aan biographische feiten en hypotheses overvloedig zou zijn; maar vooral omdat wij weten dat in Goethe, toen hij Wilhelm Meister ten deele had geschreven (vóór den Italiaanschen tijd) een nieuw kunstbegrip overwon, in overeenstemming waarmee hij zijn werkplan wijzigde, het reeds voltooide stuk nogal slordig omwerkte, en daar enkele gedeelten uitlichtte, om die verderop weer in te schakelen.
Zoo bestaat dus deze roman uit twee helften, die niet scherp gescheiden naast elkander liggen, maar tot op nawijsbare hoogte zijn aaneengevlochten; de eerste (geschapen onder een stuwende inspiratie) met sprekende, niet beschreven karakteranalyse, en een doorzichtigen verhaalgang, vol stellig omlijnde teekening, vervult den lezer "met zoet en innig welbehagen, met een gevoel van lichamelijke en geestelijke gezondheid"; de tweede, (bijeengegaard onder den drang van een met dat doel gesloten contract en het niet aflatende manen van welmeenende vrienden) paedagogiesch, betoogend, met uitweidingen en opzettelijk aangebrachte allegorieën, die het evenwicht verbreken, die bij eerste lezing benevelen en op dwaalpaden voeren. Twee helften, ieder een levensblik belichamend, niet harmoniëerend, kwalijk aaneengelascht. En juist op de nauw verborgen voegplaatsen, en op de plekken waar de restaureerende knutselaar brokken van de eene helft heeft weggekapt om voor kostbaarder brokken van de andere helft ruimte te krijgen, juist dàar zouden wij leeren wat de dichter van Iphigenie en Hermann und Dorothea vermocht en niet vermocht; juist van daar uit zou een verreikend panorama over zijn Oeuvre ons opnieuw gegund zijn. Immers: uit iemands fouten leert men zijn deugden kennen (zoo luidt, met een kleine wijziging, de moraal van Wilhelm Meister).
Doch gelukkig de steller van deze bladzijden, die Wilhelm Meister heeft genoten, voordat het hem inviel zich aan zulk vergelijkend onderzoek te begeven! en die (met Schiller) kan verklaren dat deze roman, door de inwerking van het schòone, een zedelijke crisis bij hem heeft te voorschijn geroepen. Want niets bederft het boek zoo grondig als de hier geschetste napluis-methode, ... hoe zeer ze ook, volgens sommige vermaarden, het intellectueel genot moge verhoogen.
De argelooze lezer, die eerst ondergaat en vervolgens misschien onderzoekt, heeft niet veel hinder van allerlei passages, welke het critiesch vernuft misplaatst acht. Want voor zoover deze gedeelten niet op zich zelf bekeken schoon zijn, of boeien door hetgeen er aan voorafgaat, stemmen zij den lezer dankbaar door de wijsheid die er in is neergelegd: als ons gevoel is verzadigd of verstrooid, geniet ons intellect. In een van zijn "tamme Xeniën" beantwoordt Goethe het verwijt, dat zijn werken zooveel onbeteekenende verhaaltjes bevatten, door te beweren dat die verhaaltjes de functie vervullen van leesteekens. Wie ooit is ingesluimerd bij eenig beroemd brok modern beschrijvend proza, en toen is gaan twijfelen aan de zuiverheid van zijn kunstgevoel; daar toch ieder woord, ja het geringste accentje van gezegd brok proza juist en prachtig is; díe is op weg om te beseffen de eminente waardij van de "leesteekens" welke Goethes proza bevat. En in Wilhelm Meister hebben al die leesteekens een eigenaardigen, kunstig gekozen toon, waardoor de lezer, wachtend op de dingen die komen, voor die dingen wordt ontvankelijk gemaakt, waardoor hem tevens het idee wordt bijgebracht, dat er tijd verloopt tusschen twee bepaalde voorvallen. Ziedaar bijvoorbeeld de beteekenis van de "Biecht eener schoone ziel" die de twee helften der roman verbindt: De zielsgeschiedenis van Freule von Klettenberg (door Goethe uit enkele gegevens intuïtief na-geschapen) brengt practiesch werkzamen godsdienstzin in het verhaal, introduceert nieuwe menschen, en houdt den lezer op passende wijze bezig, terwijl in den held "de groote geneesmeester", de tijd, toetast.
Wilhelm Meister, rijk koopmanszoon, op het kantoor van zijn vader werkzaam, haat zijn beroep en wil zich wijden aan de kunst, speciaal aan de tooneelkunst. Hij is altijd in theaters te vinden, heeft een liaison met Marianne, een gevierde actrice, met wie hij wil vluchten. De vader ontwerpt een groote zakenreis voor hem, hopend dat deze zijn handelsgeest zal ontwikkelen. Een klant heeft een paard aangeboden ter afdoening van een vordering die de firma op hem heeft: Wilhelm zal het halen. De dochter van dien klant blijkt aan den haal met den acteur Melina en op den terugtocht treft Wilhelm de voortvluchtigen aan, geboeid, door soldaten geëscorteerd. Hij weet den gevangenen allerlei hinderlijke formaliteiten te besparen, en merkt dat Melina een zeer lagen dunk heeft van het tooneelspelersberoep. Niettemin doet hij bij de ouders van het meisje een goed woord voor hem en het huwelijk wordt beklonken.
Thuisgekomen, wordt hij door een collega voor Marianne gewaarschuwd, doch hij blijft op haar vertrouwen, ook als ze niet zijn echtgenoote wil worden, en op den avond, voor de vlucht bepaald, zegt ongesteld te zijn. Hij pakt een halsdoek van haar mee om dien nacht toch iets van de geliefde te bezitten. Onderweg ontmoet hij muzikanten, hij laat ze bij Marianne's venster spelen, hij droomt daarbij, niet vermoedend dat zij op dit oogenblik bezoek heeft van den rijken wulpschen Norberg. Hij kust haar drempel, en, zich voor het laatst omkeerend, ziet hij een man uit haar huis sluipen, gelooft echter dat dit een spooksel is van zijn overspannen verbeelding. Op zijn kamer wil hij de gekaapte halsdoek zoenen en er valt een briefje van Norberg uit, dat hem beter inlicht omtrent Marianne's bezoeker.
Na langdurige ziekte gelooft hij zich een ander man, verbrandt zijn gedichten en al wat hem aan de kunst of aan Marianne herinnert. Hij wil nu een ijskoud koopman zijn en jarenlang koestert hij dien waan. Hij onderneemt eindelijk de groote zakenreis: en onophoudelijk vestigt zijn aandacht zich op het tooneel, totdat hij Melina ontmoet, die hem geld ter leen vraagt, teneinde er een stel verpande requisiten mee op te koopen, en een eigen troep saam te stellen. Indien niet de vriendelijkheid van de toonelisten en de verlokkelijkheden van de actrice Philine hem aan den troep, tot welks vorming hij zooveel heeft bijgedragen, hadden gebonden, dan zou hij toch de gelegenheid om als artistiek leider op te treden hebben aangegrepen. De liefde van de als jongen gekleede Mignon, die hij uit de handen van een wreeden kunstemaker redt, en die hem nu als een vader beschouwt; de aantrekkingskracht van een ouden harpspeler, wiens liederen hem ontroeren, en die hij tegen de harde wereld wil beschermen, dragen hiertoe veel bij. Het gezelschap speelt eenigen tijd op het slot van een baron. De conversatie met de ontwikkelde lieden die daar verkeeren roept zijn geestdrift voor de hooge-kunst weer wakker, vooral als majoor Jarno hem op Shakespeare wijst, welke dichter zijn gevoel vaster maakt en hém meer tooneelspeler dan ooit. Hij besluit, den handel vaarwel te zeggen.
Nadat in een korte, warme scène gebleken is hoe de vrouw van den baron hem bemint, trekt hij voort met zijn troep, die door roovers wordt overvallen en geplunderd. Hij, die zich met nog slechts één kunstbroeder heeft te weer gesteld, ligt zwaar gewond aan den weg, liefderijk verzorgd door Mignon en Philine. Een edele dame met reisgezelschap rijdt voorbij: zij doet hem door een heelmeester verbinden en als hij tot bewustzijn komt, meent hij in haar iets heiligs te zien. Terwijl hij geneest, maakt hij plannen om zijn goede helpster te zoeken, doch de onmogelijkheid hiervan ziet hij weldra in.
Nu tracht hij de leden van zijn troep—wier lafheid hij intusschen heeft leeren doorzien—bij een bevriend directeur, Serlo, onderdak te brengen. Hij hoopt Serlo te bewegen tot het opvoeren van Shakespeares drama's. Deze neemt dit aan, mits Wilhelm zelf als acteur toetreedt: hij zal de leiding hebben van de Hamlet-opvoeringen. Hij maakt studie van Hamlet—levert de beste beschouwingen die ooit over dit treurspel geleverd zijn—en de opvoering er van slaagt buiten verwachting. Maar na de eerste successen neemt zijn enthousiasme af, onder den invloed van het materiëele werk, aan zijn nieuw beroep verbonden, van het weinige begrip dat het publiek blijkt te bezitten, van de karakterloosheid zijner kunstbroeders: Nu komt hij in Melina's vaarwater. Welke richting zal hij inslaan? zal hij een levend-doode pessimist worden?[A]
Hier eindigt het gedeelte van den roman, dat wij in bovenstaande uiteenzettingen "de eerste helft" noemden. Wilhelms lot heeft een zeer verrassenden keer genomen, en wie hem van nabij kent, verwondert er zich over dat hij, die zooveel liefde voor het tooneel toonde, niet blijft op de planken, waar hij succes beleeft, ook al zijn er factoren die hem ontnuchteren....
Na van onze inleidende beschouwing kennis te hebben genomen, vermoedt de lezer reeds dat Goethe aanvankelijk van plan was, Meister in de beoefening en de bevordering van de tooneelkunst zijn levensdoel te doen vinden. Terecht! de roman was destijds sprekend getiteld Wilhelm Meisters zending als acteur ("theatralische Sendung"). De strijd: staatsman of kunstenaar? die zich in Goethe vóor zijn vertrek naar Italië voltrok, was er in verbeeld—op een eenigszins ander terrein overgebracht. Toen kwam voor hem de ontstellende en daarna rustgevende zekerheid, dat hij nooit schilder zou worden, terwijl hij daar toch zooveel jaren op had gehoopt, daar zoo volhardend voor had gewerkt. Een man met zuiver gemoed en kloek verstand kan dus tot op rijpen leeftijd een roeping voelen, die zijn roeping niet is; maar door de dwaling moet hij toch altijd tot iets goeds komen! Dit is een van de lessen, die Goethe uit dit geestesavontuur trok. En hij wilde zijn romanontwerp pasklaar maken om deze wreede doch leerrijke ervaring te belichamen.
Goed, maar er is een groot verschil tusschen Wilhelm en Goethe: Wilhelm heeft overweldigend succes als tooneelist, Goethe mislukt als schilder. Geen nood! Wilhelm was in staat, den Hamlet zoo heerlijk te vertolken, wijl hij zelf was een angstige, zoekende, twijfelende Hamlet, en slechts zich zelf had te geven. Hij was als tooneelspeler slechts naturalist, nabootser van de natuur (d. w. z. van hetgeen hem de natuur leek). Iets nieuws vrij scheppen kan hij immers niet. Hij is geen hoog kunstenaar, doch een rijk-begaafd, gevoelig man, een van de soort die zich onmogelijk maakt door den artist uit te hangen, maar die het in goede en bevredigende daden toch ver kan brengen.
Nu komt een eind aan den innerlijk-logischen samenloop van zijn lotgevallen. Goethe, meer en meer theoreticus geworden, zal hem beleeraren:
Door een behendig ingevoegd toeval gaat over zijn verleden eensklaps een nieuw licht op: nu blijkt dat een bond van edele menschenvrienden, die zich ten doel stelt, veelbelovende jongelieden in 't geheim moreel te steunen, van beginne af zijn schreden heeft bewaakt en hem menigmaal een teeken heeft gegeven, dat hij wel niet kon vatten, maar dat toch zijn gedachten "schwül" maakte. (Soortgelijke Bonden met onbestemd-humanitaire strevingen bestonden op het eind van de achttiende eeuw; Goethe zelf was sedert 1870 met hart en ziel vrijmetselaar). Op het slot van Lothario komt Meister met dezen "Bond van den toren" in aanraking, en hij krijgt op zijn aanleg een beteren kijk. Hij had zich naar dit slot begeven, om Lothario een afstraffing toe te dienen, voor het vele leed dat deze aan Aurélie, Serlo's zuster, zou hebben berokkend; hij heeft haar dit bij haar sterfbed beloofd, toen hij de zorg op zich nam voor den kleinen Félix, dien hij voor een zoon van Aurélie en Lothario houdt. Hij keert naar zijn woonplaats terug om Félix en Mignon te halen en zijn tooneelrelaties af te wikkelen: en nu deelt de oude Barbara—die eens zijn Marianne diende en beheerschte—hem onder aanvoering van bewijsstukken mede, dat Marianne hem nooit ontrouw is geweest, door zijn ontrouw ten doode werd gekweld en dat de kleine Félix is ... zijn eigen zoon. In den toren van het kasteel wordt hem nu met plechtige ceremoniën verklaard dat zijn leertijd is afgeloopen, en hij ontvangt er zijn "leerbrief", die de lessen uit zijn verleden bevat. Hij mag den geheimzinnigen "Abbé", die de plechtigheid leidt, een vraag stellen en nu uit hij de vrage die hem het meest op 't hart ligt. Niet: Hoe zal het mij nu verder gaan of iets dergelijks; maar: Is Félix werkelijk mijn zoon? Hieruit blijkt dat zijn leertijd werkelijk is volbracht. De natuur zelf heeft hem den vrijbrief gegeven; hij bekommert zich meer om zijn kind dan om zich zelf.
Wij zullen Wilhelm niet volgen in de vele leerrijke verwikkelingen, die hem op een beter leven moeten voorbereiden. Wij laten het den lezer over, door te dringen in de aandoenlijke geschiedenis van Mignon en in het geheim van den rampzaligen harpspeler, dat zich mét het hare ontsluiert. Wij zien den held, van vele lieve vrienden verlaten, met zijn zoon aan de hand de wereld in trekken: met den ontluikenden Félix die hem duidelijk maakt hoeveel hij nog heeft te leeren, en hoe hij met name blind is geweest voor de natuur, die den jongen steeds nieuwe vragen ingeeft. Wij verlangen naar het samenspel van deze twee levensharmoniën; wij wenschen dat de zoon een man, en dat de vader, tot nog toe in den greep van de omstandigheden, nu werkelijk een vrij Held zal worden......
Dit geschiedt in de "Wanderjahre", die wij hier niet zullen bespreken, omdat bespreking in klein bestek, tengevolge van de deerlijke verstrooidheid waaraan deze roman lijdt, onoverkomelijke moeilijkheden oplevert. Het zou dan allereerst noodig zijn, de talrijke kleine vertellingen, die Goethe door het boek heeft gezaaid omdat zijn uitgever om copy verlegen was, zorgvuldig van het geheel te scheiden. Het is ons natuurlijk allerminst onbekend, dat er critici zijn, die in de onmiskenbare sporen van decadentie, onverschilligheid en, in een man als Goethe, onechte romantiekerigheid van de Wanderjahre blijken van hyper-genialiteit met den vinger weten aan te wijzen; doch ons oordeel houdt stand tegenover hun vernuft.
In den Faust zal de lezer den ideëelen ondergrond van de Wanderjahre in sterkeren kunstvorm aantreffen.
Men heeft heel wat papier volgeschreven om het volslagen gebrek aan esthetische eenheid in den roman Wilhelm Meister te demonstreeren. Overbodige moeite! De aangeklaagde bekent: immers Goethe geeft toe dat deze roman is een alleronberekenbaarst product, waarin men vruchteloos naar een kern zoekt, en welks sleutel de schrijver zelfs niet bezit. Maar, laat hij in een gesprek met Eckermann op deze bekentenis volgen: is het dan niet genoeg dat ik mijn lezers een rijk stuk leven van nabij laat zien? Het gewone leven heeft toch ook geen tendenz; een tendenz bestaat slechts voor het verstand. Deze redeneering echter gaat in dit geval maar ten halve op.
Inderdaad, een roman behoeft niet aan de strenge eischen van soberheid, eenheid, concentratie te beantwoorden, waaraan een voortreffelijk drama, zeg Iphigenie, voldoet. Roman en drama zullen een zelfde stuk leven niet op de zelfde wijze aanvatten; de roman geeft meer détail, meer achtergrond, uitvoeriger bespreking van de wisselwerking tusschen karakter en omstandigheden, dan het drama.
Nu staat dit vast: niet alle personen en toestanden die wij ontmoeten spelen in ons leven een nawijsbare, ingrijpende rol. In verband met onzen aanleg kan hun taak wel eens deze zijn: ons voorbijgaand of langdurig bekoren, ons voor een poos van onzen levensweg verwijderen. Er is niets tegen, dat met het bestaan en de inwerking van zulke personen of omstandigheden in het levensrelaas van een romanheld rekening wordt gehouden. Nog sterker: Iemands leven kan een ononderbroken dwaling zijn; iemand kan een werkelijk groot man wezen en lijden aan deze eene tragische fout: dat hij zijn dienaren niet weet te kiezen. Deze fout zal zijn levenswerk verijdelen. Het leven van zulk een groot man zou het onderwerp kunnen uitmaken van een roman, waarin de held onverstoorbaar zijn idealen hoedt en van de zelf-gekozen belagers niets merkt: ze gaan buiten zijn levenskern om, die toch het aandachts-centrum in het boek vormt. Maar ook in dit geval—een uiterste!—behoort het feit dat sommige, dat véle personages buiten de hoofdhandeling staan tot.... de hoofdhandeling. En deze dieper liggende eenheid moet op een of andere wijze voelbaar worden. Natuurlijk, slechts een wijs en talentvol auteur brengt dit tot stand....
Maar nu is verklaard, waarom ons stijlbeprip niet al te hevig in verzet komt, ook al bespeuren wij dra, dat in de eerste helft van Wilhelm Meister, stylistiesch geoordeeld, veel te veel ruimte wordt besteed aan de schildering van enkele op zich zelf kostelijke en onvergetelijke figuren; als daar zijn: de snaaksche, volstrekt zedelooze en toch zedelijk charmante tooneelspeelster Philine; het onvergetelijke zondekind Mignon; de grijze, vloekbeladen harpspeler. Deze figuren staan buiten de hoofdlijn, maar op de gevoelens en de stemmingen van den held, die (men zal het bij eenig nadenken toegeven) mede zijn lot bepalen, hebben zij vaak leidenden invloed, en zoo dragen zij toch indirect tot de handeling bij. Wij zijn Goethe ten zeerste dankbaar voor de kennismaking die hij ons met deze buitengewone menschen veroorlooft: zij leven jaren nadat wij den roman opzij hebben gelegd nog als gewaardeerde kameraden in ons gemoed. Bovendien beschijnen zij de vaak prozaïsche en ietwat gekunstelde achttiend'eeuwsche atmosfeer, waarin Wilhelm ademt, met een vaag licht, dat zweemt uit een nauwelijks vermoede wereld. En wij vragen ons af, waarom de schrijver zijn phantastischen held niet in deze andere wereld deed leven, die toch beter bij hem past? Deze vraag, die, essentiëel genomen, voor ons alle een levensvraag is, beantwoorden wij, naarmate onze ervaring van jaar tot jaar toeneemt, steeds nauwkeuriger en afdoender. Want dit (het zij terloops vermeld) is een schoone kwaliteit in dezen roman: de ontluikende jongeling, de rijpe man, de moede grijsaard vinden er ieder voor zich hun levenservaring in bevestigd. Ziedaar de beteekenis van Goethes onbevangen blik op de menschen en van zijn "niemand bemoraliseeren", gelijk moeder Aja het hem heeft ingeprent. Hiermede hangt het "volslagen gebrek aan eenheid" dat wij bespraken ten nauwste samen. En hier ligt dan de aanleiding tot den vaak herhaalden dooddoener, dat Wilhelm Meister is een onzedelijk boek, of (zooals de mystieke Novalis zegt) een moreel-ongodistiesch boek; een aantijging die voor zich zelf spreekt......
Maar nu schieten wij op in het tweede gedeelte, en wij bespeuren daar wel degelijk een tendenz, al heeft de schrijver die, wie weet hoe onbewust, met groot talent verhuld. Deze strekking vergoedt, zooals wij reeds opmerkten, de vele benevelende uitweidingen. Doch waar de gebeurtenissen zich al spoedig onvermijdelijk groepeeren om een vaste ontwikkelingslijn, juist dàar kwetst het invoeren van enkele tamelijk overbodige personages en voorvallen ons stijlgevoel. En op dit gedeelte laat zich Goethes redeneering ook bezwaarlijk toepassen. Of........
Of moeten wij aannemen, dat de schrijver (die in de teekening van de karakters hoogst zelden zijn eigen meening als zoodanig mengt) op deze wijze heeft willen aanduiden, dat Wilhelm zelf, nadat zijn eerste hartstochten zich hebben gelegd, en de warmte van zijn gevoelens is gedaald, nadat hij voorloopig tot inkeer is gekomen, de dingen tendentieuzer ziet dan voorheen, ze meer rechtstreeks met zijn eigen levensloop in verband brengt, en daardoor sommige personen, wier nut voor zijn levensloop twijfelachtig schijnt, minder warm in zijn gemoed sluit?
Dit zou de uiteenloopende kleuring van beide romanhelften begrijpelijk maken. En men neigt tot zulke opvatting, als men ervaart dat Goethe in die Wahlverwantschaften de handeling veel sterker concentreert, de nevenpersonen en de uiterlijke omstandigheden nauwelijks aanduidt, en dit dan hieraan toeschrijft: Dat hij dàar met grootdeels gevormde karakters heeft te doen, die, als hun intiemste heil gemoeid is, meer op zich zelf rekenen en letten dan op anderen.


XXVI
Nun weint die Welt, und sollten wir nicht weinen? EPILOG.
Nadat hij vrouw en kind aan zijn moeder had voorgesteld en nogmaals een reis naar Zwitserland had gemaakt, bleef hij een tiental jaren vreedzaam in Weimar. Hij werd gemakzuchtig, ging zelden uit, en onderhield slechts met enkele vrienden conversatie. Hij nam équigage en had er liefhebberij in, zelf de paardenmarkt te bezoeken. Overigens maakte hij zoo weinig beweging, dat hij tamelijk corpulent werd. Een neiging om zijn lichaamskracht te sparen, teneinde ongestoord zijn drukken geestesarbeid te kunnen voortzetten, was over hem vaardig. Hij onderwierp zich zoo stipt mogelijk aan de dag-indeeling, die hij zich had voorgeschreven. Hij stond om zeven uur op en werkte tot elf onafgebroken. De morgenuren waren hem altijd het vruchtbaarst, terwijl een man als Schiller 's nachts dichtte, zijn brein verhittend met champagne. Om elf uur gebruikte hij een kop chocolade en ging dan tot twee aan den slag. Dan kwam zijn kleine August dikwijls onder zijn venster, en mocht happen naar een stuk taart, dat zijn vader aan een koordje liet zakken: sinds ze samen naar Ilmenau waren geweest droeg de jongen een mijnwerkerspak. Om twee uur middagmaal: gewoonlijk eenige vrienden aan tafel of een paar acteurs, met wie hij over tooneelzaken had te spreken. Hij at overvloedig en beperkte zich daarbij, hoewel van huis uit een zoetekauw, tot ernstige, zware spijs. Hij nuttigde twee of drie flesschen lichten rijnwijn per dag: voor dien tijd niet veel, voor een Rijnlander bepaald weinig. Langdurig behartigde hij de belangen van zijn maag, hield opgewekte, uitbundige tafelgesprekken. In den namiddag ontving hij bezoeken in verband met de vele leidende functies die hij bekleedde, en tegen den avond begaf hij zich vaak naar den schouwburg; men begon toentertijd veel vroeger te spelen dan thans. Van acht tot negen souper, waarbij hij wat groente en wat fruit gebruikte. Om tien uur bedtijd; men zegt dat hij een talentvol slaper was. Hufeland, de ook thans nog om zijn Langleefkunst bekende arts, weet te berichten, dat Goethe een "prachtige" spijsvertering bezat, en zich in een even prachtige bloedvorming verheugde.

GOETHE-SCHILLER GEDENKTEEKEN
Hij bemoeide zich in die dagen met velerlei dingen: Als leider van het tooneel te Weimar spaarde hij geen arbeid om den smaak van het publiek te louteren, om den aanleg van zijn spelers te veredelen. Sedert 1800 werd hij hierin terzijde gestaan door Schiller, die door den hertog in staat was gesteld, zich geheel aan het Duitsche drama te wijden. Enkele jaren daarop stichtte hij een tooneelschool, met aanvankelijk een dozijn jonge leerlingen; die school bezat maar één leeraar: Goethe, de directeur. Bij den aanbouw van een nieuw theater betoonde hij zich een zoo handig architect, dat de hertog hem halsstarrig in den aanbouw van een nieuw paleis bleef betrekken. Langzamerhand kreeg hij daarbij alle draden in handen, en mengde zich ten slotte in de arbeidsvoorwaarden van de werklieden: hij schafte de ploegbazen, die zich een deel van de loonen toeëigenden, af, en nam de arbeiders rechtstreeks in dienst.
Hij liet nu ook zien dat hij nog iets anders kon als Xeniën brouwen. Hij bracht herhaaldelijk het werk van jonge schilders op tentoonstellingen bijeen, schreef voor hen prijskampen uit; en de onderwerpen, die hij jongen kunstenaars opgaf, getuigen dat hij waarlijk niet alleen de richting die hem persoonlijk lief was beschermde. Toch trachtte hij eenheid te brengen in de verschillende kunststrevingen, die hij om zich heen zag opkomen; maar slechts in zooverre als hij eischte dat ieder kunstenaar in zijn soort echt gevoel en kundige phantasie uitte. Bij de beoefening van de theoretische schoonheidsleer—een wetenschap, die hij, na den vroegtijdig overleden Winckelmann, gemàakt heeft—vond hij een heerlijken steun in den Zwitserschen schilder Heinrich Meyer, met wien hij reeds te Rome vriendschap had aangeknoopt. Deze man met zijn eenvoudig en trouw karakter, met zijn helder verstand en zijn groote ontwikkeling (wij kunnen hem hier helaas geen recht doen wedervaren) woonde herhaaldelijk bij hem in, verzamelde gegevens voor het boek over Italië, dat hij noch steeds wilde schrijven, en voor zijn ander boek over Winckelmann en zijn eeuw. Zelden ontmoette hij iemand die hem uit korte aanduidingen zoo goed begreep, ook den dichter in hem. Met hem redigeerde hij zijn kunst-wetenschappelijk tijdschrift "Die Propyläen" dat echter maar weinig succes had, ondanks zijne en Schillers doorwrochte bijdragen weinig invloed oefende, na twee jaar ter ziele ging en den uitgever op een gevoelig verlies kwam te staan.
Hij kocht zich een landgoed en deed minder aangename ervaringen als grondbezitter op, zoodat hij blij was, het ten slotte van de hand te kunnen zetten.
Veel zorg baarde hem de universiteit te Jena: Pruisen wist door schitterende aanbiedingen zijn beste hoogleeraren weg te lokken, en ook de Litteraturzeitung, een invloedrijk blad, dat door die professoren werd beheerd, en dat veel goed deed aan den naam van de universiteit. Met koortsigen ijver, zijn toch reeds ziekelijk gestel ondermijnend, streed Goethe voor de stichting van een nieuwe Litteraturzeitung; de "echte", die hij zelf met groote opofferingen redigeerde, enkel en alleen om den roep die van Jena uitging te handhaven.
Hij wist wel dat dit alles niet bevorderlijk was aan zijn poëzie, maar hij troostte zich met de verwachting, dat ook uit deze ervaringen wel iets goeds zou groeien. Zijn "Natürliche Tochter" werd bij stukken en brokken voltooid. Rustig zette hij, daarin door Schiller bijgestaan, zijn wetenschappelijk onderzoek voort, steeds in lange gesprekken allerlei geleerden raadplegend. Zijn groote Kleurenleer, die in 1810 gereed kwam, beslaat vijftienhonderd bladzijden druks. Al wat er sedert de grijze oudheid over dit onderwerp was verschenen had hij aandachtig bestudeerd, en in onderling verband doorzien; het historische gedeelte van zijn kleurenleer is een voorbeeld van wat een geschiedenis van beschaving en wetenschappen zou kunnen zijn.
Maar zijn populariteit werd er niet grooter op. De zware massa's ervaring, die hij in zijn uitdrukkingen steeds sterker concentreerde, maakte dat zijn werk slechts voor weinigen geheel toegankelijk bleef. Hij wist dat en zei het openlijk: mijn zaken kunnen niet populair worden. Zijn teruggetrokkenheid, zijn princelijke manieren, zijn bevelende houding, waarvan men wel voelde, dat hij ze niet zou nalaten indien hij eens minder hoog ware geplaatst, maakten hem gehaat bij degenen die niet konden verdragen dat zij geestelijk zijn minderen waren. Slechts enkele uitverkorenen werden gedoogd in den kring van intellectueelen, in wier midden hij voordrachten hield over kunst- en natuurwetenschap. Toen b. v. de blijspeldichter Kotzebue aan het hof werd ontvangen zei hij: Ja, wel aan het wereldlijke hof, maar niet aan het geestelijke! Kotzebue trachtte zijn ongenoegen te luchten door Schiller tegen hem uit te spelen en een speciale Schiller-vereering met zwaar-allegorische feestelijkheden op touw te zetten. Hij vond medestanders in overvloed, ook onder de dames die kort te voren nog tot Goethes kring behoorden. Schiller besloot zich ziek te houden. Maar Goethe, met een ziekte onder de leden, barstte in woede uit, jammer genoeg. Kotzebue had daar veel pleizier van, ook al werd het feest, men zegt door Goethes ingrijpen, van hoogerhand onmogelijk gemaakt.
Nauwelijks had Goethe het scheiden van de achttiende eeuw vroolijk gevierd, of hij werd ernstig ziek. Hij verkeerde meermalen in doodsgevaar, en hij moest dagenlang blijven staan om adem te kunnen halen. Een halsgezwel, dat zich over de wang voortzette, hield zijn linkeroog gesloten. Vijf etmalen lag hij buiten kennis. Men vreesde dat hij een beroerte zou krijgen. Toen kwam in velen, die hij had gekwetst of op een afstand gehouden, de vriendschap weer boven. De hertog nam een werkzaam deel in zijn verpleging, en rustte niet voordat de doctoren die hij hoog stelde om het ziekbed stonden. Ook vrouwe Von Stein had medelijden met haar voormaligen vriend, die misschien in de vergiftigde omgeving van "dat mensch" zou sterven. Maar dat mensch verzorgde hem, gelijk geen ander het had kunnen doen, en toen hij, eindelijk door de crisis heen, haar, zijn "lieve kleine", en zijn zoon ontwaarde, schoten de tranen hem in de oogen. Van toen af besloot hij, haar ondanks alle tegenwerking in de wereld te doen erkennen. Tot groote ergernis van vrouwe Von Stein, die hij zijn dank voor de betoonde belangstelling liet overbrengen, vertoonde hij zich met Christiane en kind in een open ar, en bij verschillende feestelijkheden aan het hof liet hij haar meegenieten; toen nu de kleine August mét den hertog in een allegorischen optocht een rol had gespeeld, bleef tegenbezoek van de vorstelijke familie niet uit. En meer en meer kreeg Goethe de lijderes lief, die hem nog vier kinderen baarde, welke tot zijn grenzelooze smart òf dood ter wereld kwamen, of spoedig na hun geboorte stierven.
Er was groote toeloop van vrienden bij zijn herstel. Zijn huis bleef een tijdlang vol gasten: de boter werd bij vaten tegelijk betrokken, en dit in een tijd, toen zijn zuinige vrouw zich wel eens behielp met een japon van moeder Aja, die dan "zoo goed als nieuw" heette. Hij had nu gezelligheid noodig, want hij was zeer prikkelbaar geworden, wond zich op bij zijn werk, kon niet lang achtereen thuis blijven. In zijn zwaarmoedigheid benijdde hij Herder, zijn kwelgeest, die zoo pas begraven was. Hij sloot zich in die dagen nauw aan bij Riemer, den huisonderwijzer van zijn zoon, een zeer kundig man, later tot hoogleeraar bevorderd, en beroemd geworden om zijn "Mededeelingen over Goethe". Nog grooter voldoening beleefde hij aan zijn omgang met den gebrilden metselaarsbaas-componist Zelter; deze was de eenige, die sedert zijn terugkeer uit Italië verlof kreeg, hem met "du" aan te spreken. Zijn grootste vertrouweling: fijngevoelig maar—en dit deed Goethe zoo goed—verre van sentimenteel; een kernachtige volksman, "een heerlijk man", als men zich maar eenmaal over zijn weinig sympathieke verschijning (Goethe had het land aan brillen) had heengezet. Zelter werd zich door zijn aanraking met Goethe pas goed van zijn gaven bewust, die hij altijd voor zich en zijn naasten verborgen had gehouden, maar die de profeet van Weimar tot zijn verwondering terstond raadde. De correspondentie tusschen deze twee mannen is een zoo onverholen uitwisseling van teedere gevoelens en benamingen, dat hij die—de briefschrijvers niet kennend—ze inziet, op menige bladzij waant, een zoete liefdeshistorie te lezen. Dit heeft in onzen tijd geleid tot onderstellingen, die op de reinheid en op de cultuur-historische kennis van de onderstellers een eigenaardig licht werpen.
Allerlei mannen en vrouwen, die meenden met kunst of wetenschap ook maar iets uitstaande te hebben, trachtten, als ze in de buurt van Weimar kwamen, natuurlijk tot de bezienswaardigheid Goethe door te dringen. Zoo o. a. Madame du Stael, die toen haar boek over Duitschland schreef en meende dat geen groot man in staat zou zijn, haar nìet te ontvangen. Goethe ontweek haar, maar bezweek ten slotte voor haar aandrang, waarbij ze haar vrouwelijk charme ook liet spreken. De ruim twintigjarige dochter van Maximiliane Brentano, de zonderlinge Bettina, had een merkwaardige hoogachting voor hem opgevat: aan zijn moeder, die haar veel over haar beroemden zoon sprak, vertelde zij dat ze, als Mignon op Wilhelm Meister, verliefd was op Wolfgang, en dat ze in jongenskleeren naar Weimar wilde trekken. Bij haar eerste bezoek aan hem, wilde ze.... op zijn schoot inslapen. Goethe verdroeg haar verregaande en compromitteerende dwaasheden eenigen tijd met grootmoedig geduld, maar hij moest haar de deur wijzen, toen ze zich tegen Christiane onbehoorlijk gedroeg. Zij is hem steeds blijven aanbidden, ontwierp later een standbeeld van hem, en schreef een boek over Goethe, zijn "Briefwisseling met een kind(!)", dat op zich zelf beschouwd wel romantiesch bekoorlijk is, maar voor den critischen geschiedschrijver toch zeer verdacht en ten slotte verfoeilijk wordt, als hij bedenkt dat dit boekje niet brieven maar vrije bewerkingen van brieven geeft, en wemelt van malle beweringen, leugenachtige voorstellingen, verdraaiingen van feiten. Het zal wel lang duren, voordat de minder critische, de valsch-gevoelige publieke opinie zich ten opzichte van Bettina zal hebben gewijzigd......
Sommige bezoekers werden intusschen met blijdschap ontvangen: Goethe kon zeer beminnelijk zijn, wat bij zijn stijve manieren en zijn ernstige zwarte kleeding sterk opviel. Maar onsympathieke kijkers behandelde hij uit de hoogte: hij dwong ze urenlang over het weer te praten of hij bespotte ze met lijdelijk verzet, zooals bijvoorbeeld dien Engelschman, die zich had aangemeld om "Goethe te zien". Nadat deze ontvangen was met het gewone: "Ik vraag verlof, U den Geheimraad Goethe voor te stellen", werd hij overbluft met de kalm geacteerde mededeeling: "Zoo ziet u me van voren, zoo van opzij, zoo van achteren.... en kan ik U nu nog verder van dienst zijn?"—Dergelijke bezoekers, als ze niet zeer scherpzinnig waren, strooiden natuurlijk praatjes over hem rond, verkondigden dat hij geen hart had, en alleen voor standbeelden nog iets kon voelen. En ook zij hebben tot de vorming van Goethes reputatie bijgedragen!
Na de mislukking van zijn Eugénie raakte hij aan het kwakkelen, maar hij verdroeg zijn pijnen kalmer dan te voren. Begin 1805 kreeg hij het voorgevoel, dat òf hij of Schiller spoedig moest sterven. En nauwelijks was Christiane, die hun zoon een eindweegs naar Frankfort zou geleiden, afgereisd, of ze moest in allerijl terug: Goethe was ingestort. Hij leed nu aan een byzonder pijnlijk nierkoliek, en men kon hem van uit de verte hooren schreeuwen. Nauwelijks echter was voor hem het doodsgevaar geweken, of de uitgeteerde Schiller werd bedlegerig.
Goethe, zijn voorgevoel bevestigd vindend, durft hem niet bezoeken. Met betraande oogen rent hij in zijn tuin heen en weer; heeft hij zich in zijn kamer opgesloten, dan hoort men hem snikken. Een oogenblik schijnt het alsof de vrienden elkaar zullen behouden. Maar als Goethe goed op de been is, sterft Schiller, die niet meer kan spreken of schrijven, snel af. Men durft Goethe niet zeggen dat zijn tien jaar jongere vriend niet meer is. Meyer vlucht het gastvrije huis uit, vreezend dat hij zijn verdriet ontijdig zal verraden. Goethe denkt nog dat Schiller ziek is, en ligt 's nachts op zijn kamer te huilen. Maar den volgenden ochtend voelt hij uit den eigenaardigen nadruk die Christiane op de uitdrukking "zeer krank" legt, dat hij niet meer mag hopen. Hij durft het stoffelijk overschot niet zien: "Zoo'n vernieling!" roept hij uit, als men 't hem vraagt. Hij gelooft dat het nu met hem gedaan is. De helft van mijn leven weg! schrijft hij aan Zelter. In zijn wanhoop tracht hij Schillers Demetrius te voltooien, om tenminste nog geestelijk mét hem te zijn. Maar hij is gebroken; het werk mislukt, en nu is de vriend voor goed dood. Hij wil een groot drama maken om Schiller te herdenken. Het lukt niet. Het middel, dat hem nog altijd had geholpen in het verzetten van zijn smart, faalt thans. Later gelukt 't hem Schillers Lied van de Klok in den juisten toonaard voort te zetten met een "Epiloog", die de ziel van zijn bondgenoot ontvouwt en van het nageslacht voor hem opeischt den roem, dien het leven hem slechts ten halve gaf.
Maar toen hij op het eind zijner dagen, omstreeks 1830, den schedel van zijn vriend in handen kreeg, had hij ook voor dezen grooten slag een compensatie gevonden. En in een gedicht, zacht als de adem van een slapend kind, spreekt hij het uit, dat deze leege hulze, die niemand meer kon liefhebben, al had zij nog zoo schoone kern bevat, in hém alleen een verkwikkend warmtegevoel wekte, als ontsprong een levensbron uit den dood:
Geheim Gefäss, Orakelsprüche spendend! Wie bin ich werth, dich in der Hand zu halten? Dich höchsten Schatz aus Moder fromm entwendend, Und in die freie Luft zu freien Sinnen, Zum Sonnenlicht andächtig hin mich wendend. Was kann der Mensch im Leben mehr gewinnen, Als dass sich Gott-Natur ihm offenbare, Wie sie das Feste lässt zu Geist verrinnen, Wie sie das Geisterzeugte fest bewahre......
Woorden die den begrijpenden lezer van ons hoofdstuk "God en wereld" alleszins duidelijk zullen zijn, en die bewijzen, hoezeer in Goethe leer en leven waren éen geworden.
Nooit hebben twee kunstbroeders elkaar zoo oprecht en zoo krachtig gesteund. Geen wonder: kent men nog een paar dichters, die zoo stellig wisten, dat ze in zich zelf iets Hoogers dienden?

"14 October 1806
XXVII
Gott habe ich und die Kleine Im Leid erhalten reine........
Een verblijf te Karlsbad bevrijdde hem van zijn kwaal; deze was met korte tusschenpoozen meermalen teruggekeerd, en had zijn stemming, die zeer leed onder den lagen luchtdruk, bedorven. Hij vond destijds veel troost in vadervreugd: zijn zoon leerde graag en bleek vooral voor talen en voor wetenschappen waarbij iets te zien viel, o. a. voor delfstofkunde, goeden aanleg te hebben. August was een beste kameraad voor zijn vader (gelijk Félix voor Wilhelm Meister) en liet zich door de intriges van vrouwe Von Stein—die, zinspelend op de verhouding tusschen Goethe en Christiane, hem allerlìefst een toevluchtsoord aanbood, als zijn te huis tè vreugdeloos mocht worden—niet van zijn ouders vervreemden. Goethe gaf hem in alles volle vrijheid, en hoeveel invloed hij niettemin op hem had blijkt bijvoorbeeld hieruit, dat de jongen als gymnasiast halsstarrig weigerde verzen te maken of te vertalen, omdat vader dit eens in zijn bijzijn sterk had afgekeurd.
Eenmaal hersteld, begon Goethe zijn "Woensdagochtend-bijeenkomsten" te houden: hij gaf te zijnent voor een aantal voorname dames, waarbij zich later de weduwe Von Schiller en vrouwe Von Stein voegden—zij verdroegen de tegenwoordigheid van Christiane terwille van den man, die van dit schepsel zoowaar veel scheen te houden!—lezingen over kleuren, magnetisme, plantkunde; aan de natuurwetenschap gaarne moralistische beschouwingen knoopend, zooals de lezer die weldra in Die Wahlverwantschaften zal leeren kennen. Men wete dat zulke bijeenkomsten in dien tijd mode waren, maar men zal zich niettemin afvragen, of deze deels lichtzinnige en venijnig lasterende dames wel veel stichting hebben gevonden in hetgeen "de mooie Geheimrath" met zijn krachtig muzikaal geluid—jammer genoeg had hij de hebbelijkheid, vaak met een hand langs oogen en voorhoofd te strijken—ten gehoore bracht. Spoedig moest hij de savantes gelegenheid geven een kwartiertje voor de les te causeeren over de politiek; want door iedereen en overal werd zeer bezorgd over de nieuwste staatkundige gebeurtenissen gesproken. Hij deed daar niet graag aan mee, maar als men hem aan den babbel wilde hebben, bracht men hem op zijn gemak, door een tafel met teekengerei voor hem klaar te zetten: hij had zijn gedachten graag bij het teekenstift, wanneer het gesprek ging over allerlei misstanden waartegen hij zich vruchteloos had verzet:
—Bedachtzaam maar vlot veroverde Napoleon Europa. West-Duitschland kon hem niet meer ontgaan en nu wilde hij door geven en nemen Pruisen isoleeren, om het later, bij gunstige gelegenheid, des te makkelijker in te palmen. Weimar en de andere Thüringsche staatjes waren door allerlei banden vast aan Pruisen gebonden: Carl-August vervulde opnieuw een belangrijke functie in het Pruisische leger. Goethe had gaarne gezien—en hij heeft het o. a. in Hermann und Dorothea gezegd—dat de Duitschers als Natie in opstand waren gekomen tegen de Fransche heerschappij; maar tot zijn ergernis liet deze natie zich kalmweg versplinteren, totdat Napoleon door een beslissenden zet, de stichting van een Rijn-statenbond onder zijn protectoraat, een wanhopige oorlogsverklaring van Pruisen uitlokte: die hij best kon gebruiken. Weldra bleek dat het in den omtrek van Weimar tot een hevig treffen zou komen: de wederzijdsche troepenmassa's trokken zich daar samen en stichtten bij voorbaat groote verwarring in de residentie. Carl-August was bij zijn regiment, en op Hertogin Louise na vluchtte het hof. Goethe bleef waar hij was; hij nam zelfs geen maatregelen om zijn collecties en zijn papieren te bergen: evenmin als Egmont kende hij gevaar.
Het Duitsche leger werd bij Jena geslagen, de ontredderde Pruisen vluchtten door Weimars straten, gevolgd door overmoedige Franschen, die de stad bezetten en aan het plunderen sloegen. Goethe kreeg een twintigtal huzaren in huis, wier officier (Lili's zoon) hem veiligheid beloofde; de manschappen gedroegen zich nogal kalm en waren vermoeid genoeg om spoedig in te slapen. Maar in den nacht van 14 October beukten een paar plunderaars de voordeur kapot en eischten toegang. Riemer meende ze met wijn en buit zoet te houden, maar ze wilden den heer des huizes spreken. Deze trad hun tegemoet, indrukwekkend in zijn witte slaaprok—zijn "profetenmantel"! Zij bonden in, maar later vonden zij den weg tot zijn kamer, snuffelend naar kostbaarheden. Reeds stoven ze met getrokken degens op hem aan, toen Christiane, dapper en bijdehand, de wapens afwendde, snel een stadgenoot riep die in het achterhuis een onderkomen had gevonden, en met diens hulp de kerels uit het vertrek zette. Pas den ochtend daarop kreeg men ze weg: ze hadden geslapen op het bed dat Goethe voor hun Maarschalk gereed hield!
Tot juiste waardeering van dit moment, bedenke de lezer o. a. dat de menschheid twee groote werken van Goethe in het geheel niet, zijn grootste werk slechts gedeeltelijk zou bezitten—om nu gemakshalve van zijn natuurwetenschappelijke gewrochten en van vele kleine gedichten en novellen niet te spreken—indien hij (die toch een waardiger dood had verdiend) den 14den October niet was gered door het vrouwspersoon, dat men spottend noemde "dame Vulpia", ofte wel "de dikke wederhelft". (Deze laatste vinding is van Schillers weduw, die pochte, bij zekere plechtigheid, waartoe slechts vrijmetselaarsvrouwen toegang hadden, Christiane's bijzijn te kunnen afkoopen met een glas—zegge één glas—punch).
De Fransche opperbevelhebbers toonden dat het incident hen pijnlijk had getroffen en ze zonden een briefje, waarin zij "den grooten Goethe" verzochten, zich niet bezorgd te maken. Hij kreeg een schildwacht voor zijn deur en een van zijn "Italiaansche" vrienden, die inspecteur-generaal van de musea was geworden, werd nu bij hem ingekwartierd. Hij verschonk den hem opgedrongen gasten in enkele dagen 12 vaten wijn, en hij maakte totaal twee duizend daalders onkosten voor de heeren. Natuurlijk heeft men zijn positie, welke hem in staat stelde vele stadgenooten, die tot op het hemd waren uitgeschud, van dienst te zijn, op smadelijke wijze verklaard.
Terwijl nu de stad in vlammen stond en de kogels floten over zijn woning, begaf hij zich in overpeinzingen die tot resultaat hadden het volgend biljet aan den hofpredikant Günther:
Dezer dagen en nachten is een langgekoesterd plan bij mij tot rijpheid gekomen; ik wil mijne kleine vriendin, die zoo veel voor mij heeft gedaan en ook deze uren van beproeving met mij doorleefde, ten volle en burgerlijk erkennen als de Mijne. Zeg mij, waardige geestelijke heer en vader, of het zoo is te schikken, dat wij zoo spoedig mogelijk, Zondag of eerder, trouwen. Welke stappen hebben wij daarvoor te doen? Kunt Gij de inzegening niet zelf verrichten? Ik zou wenschen dat ze in de sacristy van de stadskerk geschiedde. Gelieve brenger dezes zoo mogelijk antwoord mee te geven.
Er is een echo van het gedicht Hermann und Dorothea in deze huwelijksplechtigheid op puinhoopen, die twee dagen later plaats vond. August en Riemer waren de eenige getuigen. In de trouwringen stond veelbeteekenend 14 October gegraveerd.
En van toen af gold Christiane de vrouw van den huize, al zweeg de laster niet. Ze had dit geluk duur gekocht: de moeizame verpleging gedurende Goethes langdurige ziekten, het doodsgevaar waarin ze zich wierp om haar man te redden, de gemeene behandeling die ze van de Fransche officieren had te verdragen.... ziehier nog slechts een deel van den prijs. Johanna Schopenhauer (moeder van den wijsgeer), die uit een groote stad kwam en in Weimar een nieuwelinge was, hielp Christiane over de eerste verlegenheid heen, toen ze aan "de wereld" officiëel werd voorgesteld: Ik kon doen alsof ik van de vroegere verhouding niets wist, schreef ze haren zoon. Maar de bruigom betaalde de felicitaties met een stereotyp en hooghartig: Ze is altijd mijn vrouw geweest!
Napoleon had zich als een brieschende leeuw aangesteld, toen hij Carl-August niet te huis trof, en hij wilde het landje doen boeten voor den weinig diplomatieken vorst, die verzuimd had den Imperator zijn opwachting te maken. Maar hertogin Louise (de vrouw die niet bang was voor zijn 200 kanonnen! zooals hij het uitdrukte) bracht hem door haar bewonderenswaardig optreden tot betere gedachten. Carl-August nam—wat Goethe hem reeds vóor den oorlog had aangeraden—ontslag uit Pruisischen dienst; Weimar sloot zich aan bij den Rijnbond; met een hooge oorlogschatting werd de vrêe gekocht.
Goethe voelde zich na de huwelijksplechtigheid vroolijk en mild gestemd. Had hij de Fransche bevelhebbers al kort te voren op het hart gebonden, de instellingen van de universiteit, die immers mede tot zijn levenswerk van de laatste twintig jaren behoorden, te sparen—nu trachtte hij zijn tweede vaderland naar vermogen met werken des vredes over de geleden verliezen te troosten. Men spotte niet als men verneemt, dat zijn schouwburg hiertoe veel moest bijdragen.
Nu werd Christiane ook in den familiekring te Frankfort gevoerd en ze verwierf er zich veler vriendschap. Moeder Aja schreef haar zoon: "Je mag God danken. Zoo een lief—heerlijk onverdorven schepseltje Gods vindt men zeer zelden—en wat ben ik nu gerust over alles wat jou betreft".


"De roman "Die Wahlverwantschaften" — werd in October 1809 voltooid —
XXVIII
Elkeen bespeurt in dezen roman een diephartstochtelijke wonde, die, al genezend, aarzelt zich te sluiten, een hart dat vreest te genezen.
GOETHE, DAGBOEK.
DIE WAHLVERWANTSCHAFTEN
Maar nauwelijks was hij van al deze ontroering bekomen, zoodat hij rustig kon schrijven aan de voortzetting van Wilhelm Meister, of een nieuwe slag trof hem: juister gezegd, hij schiep zich uit onverschillige omstandigheden het dreigement, dat hem in verband met zijn verleden en zijn karakter juist toekwam.
Om beter te kunnen werken, zonderde hij zich eenigen tijd in het stille Jena af, maar—vertrouwelijke gesprekken met natuurlijke menschen behoevend—ging hij vaak op thee bij den boekhandelaar Frommann, die een pleegdochter, Wilhelmina Herzlieb (meestal Minchen of Minna genoemd), huisvestte. Het meisje, toen achttien jaren oud, een bloeiende schoonheid, verstandig voor haar leeftijd, met veel "ziel", had als kind op zijn schoot gespeeld. En met vriendelijke deelneming volgde hij hare rijping tot vrouw.
Goethe, nagenoeg zestigjarige grijsaard, werd deels om zijn uiterlijk, deels om zijn faam, onophoudelijk door de "Weiblein" gezocht: men zou gemakkelijk een dozijn jonge en halfjonge dames kunnen opsommen die toen en veel later ernstig werk van hem maakten en hem gaarne hadden gevolgd:
Wie des Goldschmieds Bazarlädchen Viel gefärbt' geschliffene Lichter, So umgeben hübsche Mädchen Den beinah ergrauten Dichter....
Aldus gevoelde ook dit meisje zich tot hem aangetrokken en hij merkte dat zijn vaderlijke genegenheid zich ging ontwikkelen in deze richting: het moest voor zijn eer als echtgenoot weldra gevaarlijk worden, langer met haar om te gaan. Hij meed het huis harer pleegouders, ook al verveelde hij zich dus doende ondragelijk in de uren dat hij niet werkte.
Nu wilde het toeval dat hij den dichter Werner—die hem was nagereisd en relatie zocht met zijn tooneel—aan de familie Frommann voorstelde op den avond dat deze het in den zin kreeg, een poëtenkransje te vormen, dat, als sprak het van zelf, bij den boekhandelaar zou vergaderen. Wat deze levendige, welbespraakte man voorstelde werd zelden bestreden, en zoo kwam Goethe weer al te vaak in het huis dat hem verboden was: het lag in zijn aard, zich aanvankelijk niet te verzetten tegen dezen samenloop van bekoorlijke omstandigheden. Werner had zijn belangstelling gewekt voor het sonnet. Hij eigende zich dezen versvorm toe, en ook (niet: bij voorkeur) in de "Beschränkung" zijn meesterschap "toonend"—in de vormen die hij zelf koos bleef zijn meesterschap voor oningewijden meestal verborgen—nam hij deel aan de dichterkampen, die zijn nieuwe kennis organiseerde. Het kon niet uitblijven: in zijn mooiste sonnetten huldigde hij Minna als zijn "dame", o. a. ook (het zij terloops gemeld) in de charade welker eerste letters het woord HERZLIEB vormen, en die Bettina Brentano n. b. op haar bescheiden persoontje betrok. Zich bij den sonnettist Petrarca vergelijkend, moest Goethe wel inzien, dat hij met meer hoop huldigde dan de Italiaansche meester. Zijn phantasie zette zijn belangstelling voor Minna nu om in een dweepende liefde, welke zijn vrienden met droefheid waarnamen en hij zelf met schrik en schaamte. Dit duurde totdat men het meisje naar een verafgelegen kostschool zond....
Alleen met zijn gevoelens, kwam hij tot bezinning. En voor de zooveelste maal in zijn strijdvervuld leven moest hij trachten, deze gewelddadige scheiding door een zelfoverwinning te bekrachtigen.
Men mag veilig aannemen, dat zijn liefde tot Minna niet verder reikte dan een zeer oppervlakkige en voorbijgaande neiging, zooals ze hartstochtelijke menschen vaak overvalt, zonder dat dit hen verontrust. Maar ook dit kon zijn geweten niet toelaten na zijn huwelijk met Christiane, dat zooveel heiliger en deugdelijker rechten deed gelden op zijn persoonlijkheid. En hoe ernstig hij dan ook met zich zelve te rade ging, dit moge den lezer blijken bij kennisneming van den roman Die Wahlverwantschaften, in welken zijn zelfoverwinning beslag kreeg.
Hij heeft deze zelfoverwinning niet getoond, als een zielegebeurtenis van een door hem na-geschapen persoon; zij heeft hem aanleiding gegeven tot de vrije vorming van geheel nieuwe personen, die haar gezamenlijk en in verband met andere factoren naar een hooger levensplan dragen. Oorspronkelijk bestemd voor de novellenreeks over de zedelijke tucht, die in de Wanderjahren voorkomt, dijde het gegeven onder de bewerking zoodanig uit, dat zelfstandige behandeling ervan gewettigd werd. Om zich tot arbeid te dwingen,—want men scheurt niet gaarne zijn binnenst vaneen als men zestig jaren is geworden—sloot hij een contract met een uitgever nog voordat het boek was geschreven, en in volstrekte afzondering, zonder vrouw en kind te zien, werkte hij totdat de laatste proef was gecorrigeerd: Eerst toen keerde hij tot de zijnen gelouterd terug.
Goethe heeft eens gezegd dat Die Wahlverwantschaften de eenige roman is, waaraan hij bewustelijk volgens een bepaalde idee heeft geconstrueerd, en dat geen van zijn voortbrengselen zooveel doorleefde gebeurtenissen bevat: wel te verstaan, niet zooàls hij ze heeft doorleefd. Aanleiding te over voor scherpzinnige critici, om naar de doorleefde idee van dit werk te gaan snuffelen; maar—anders zou men den heeren scherpzinnigheid ontzeggen!—die idee zoo te begrijpen, dat ze ruimte laat voor gewichtige aanmerkingen op het boek zelf, die de heeren dan—want anders waren zij geen Goethe-vereerders—konden besluiten met een hartgrondig: Doch het goede in den roman (de mooie bijpersonen en de natuurbeschrijving, weet u?) weegt tegen dit alles op.
Deze methode pleit niet voor de onaanvechtbaarheid van de grond-idee, die men voor Die Wahlverwantschaften heeft gevonden. Men heeft de behandeling van dit boek veel te geleerd willen maken en—voor den dag er mee!—Goethe heeft in zijn later leven zulke spitsvondigheid wel eens aangemoedigd, door al wat hij schreef met een waas van symboliek te omhullen, en openlijk uit te spreken dat hij zich door sommige commentators gevleid voelde.
Om de idee van den roman waarlijk te vatten bedenke men twee dingen:
Het eerste is dit: de dichter wilde de boven-omschreven levenservaring, die voor hem dezen algemeenen kant had, dat de mensch meester over zijn affecten moet worden om den naam mensch te verdienen, in zijn boek uitvechten, ze aan vrij-geschapen personen verbeeldend.
Het tweede is dit: hij wilde die levenservaring voor al begrijpen, en nam daartoe natuurlijk de wetenschap van zijn tijd te baat. Allerlei occulte verschijnselen als dierlijk magnetisme, gedachte-overbrenging, mesmerisme, all-Magnetismus e. d.—die thans door vele geleerden met een glimlach ongedaan worden gemaakt, en door andere geleerden tot op zekere hoogte gewaarmerkt, maar nauwelijks verklaard—nam men toen als vaststaande aan. De geniale charlatan Mesmer was, vooral in hoogere kringen, een tijdlang minstens zoo gevierd als Blériot in onze dagen. Men meende te weten dat sommige stoffen binnen den mensch voeling hielden met verwante stoffen op aarde, of op de sterren, of ook wel in andere menschen. Heel het geschapene was doortrokken van een magnetiesch fluïdum. Zoo mag het den lezer niet verwonderen, dat (in den onderhavigen roman) een Engelsch geleerde in Ottilie teekenen waarneemt, die op de nabijheid van steenkolen heeten te wijzen. Verwante menschen trokken elkaar aan gelijk de hemellichamen, of gelijk de uiterste fijne deeltjes, waaruit (naar men beweert) alle materie is saamgesteld. Twee menschen—op deze wijze bijeengekomen—waren daartoe gedreven door krachten, die aan hun contrôle ontsnapten, en eigenlijke liefde gold pas in de tweede plaats mee. Ze vormden samen één, een magnetische celle; zoo treft men in Goethes boek een paar geliefden (tot elkaar gedrevenen) aan, waarvan de eene aan den linkerkant hoofdpijn krijgt als de andere die aan den rechterkant heeft. Niets belette den auteur, het algemeen geloof aan zulke verschijnselen te deelen: ze pasten in het geheel van zijn denkbeelden, en overal heerschte ten slotte dezelfde Geest. Bovendien stond hij zelf bijna machteloos onder den invloed van atmosfeer-schommelingen. En ook het Onafwendbare, dat voor geen redeneering wijkt, had hij in bijna al zijn verliefdheden ervaren. Wie zal zeggen in hoeverre hij, eenmaal met zulk geloof behept, in de zoo pas verhaalde gebeurtenissen aan den lijve iets als magnetisme meende te voelen?
En hier heeft men nu (voorloopig althans) de naakte idee van het eerste deel, die de uitbeelding van de volgende omstandigheden voor Goethe meebracht:
—Een huwelijk uit vriendschap: Charlotte en Baron Eduard hebben elkaar eens bemind, doch zij werd door haar onvermogende ouders gedwongen een andere partij te kiezen, en Eduard had een rijke vrouw getrouwd. Nu worden beiden door het afsterven van hun echtgenooten weer vrij en hij vraagt haar hand. Nadat ze hem in aanraking heeft gebracht met haar mooie nicht Ottilie, die hem echter onverschillig laat, stemt ze toe en ze leven nu rustig naast elkander voort. Eduard verlangt dra naar meer gezelschap en is van plan zijn vriend, den "hoofdman", die het niet breed heeft, bij zich in huis te nemen, en als rentmeester aan zijn bezittingen te verbinden. Charlotte ontraadt het hem, vreezend dat een derde hun geluk zou verstoren. Zij heeft haar dochter en haar nicht immers ook verwijderd om dezelfde reden! Maar Eduard dringt aan; ze geeft toe.
De hoofdman komt, werkt veel samen met haar echtgenoot, en slechts 's avonds heeft ze gezelschap aan beiden. Er worden dan zeer nuttige gesprekken gehouden over wetenschap, en bij deze gelegenheid zet de hoofdman de beteekenis uiteen van het woord Wahlverwantschaft (als willekeurig voorgestelde, onderlinge aantrekking van atomen) dat uit een scheikundeboek is voorgelezen: Als twee scheikundige lichamen vereenigd zijn, en een derde komt in de nabijheid, dat op een van de twee eerstgenoemde lichamen een sterker aantrekking oefent dan het lichaam dat er mede is vereenigd, dan valt deze verbinding uiteen, en de twee laatstgenoemde vereenigen zich. Schertsend past de uitlegger deze theorie toe op verhouding tusschen Eduard, Charlotte en hem....
(Wanneer de lezer nog enkele regels in ons résumé is gevorderd, zal hij zich misschien afvragen.... of neen, hij zal uitroepen: Een dwaas kunstje van Goethe, door een afgetrokken redeneerinkje bij voorbaat aannemelijk maken wat hij straks in werkelijkheid laat gebeuren! Oppervlakkig onhandig: deze redeneering in den mond te leggen aan den persoon, die in deze gebeurtenis de hoofdrol speelt! Zoodanige lezer gelieve te bedenken, dat heel het boek van geheimzinnige voorgevoelens en voorteekenen is vervuld. En hij vergete niet, dat redenaties, als zooeven verhaald, in den hier beschreven tijd aan de orde van den dag waren; dat Goethe zijn ervaring met Minna zelf voelde en doorleefde in verband met deze theorie!)
Thans neemt Charlotte haar nichtje, dat op de kostschool niet begrepen en vaak geplaagd wordt, weer in huis. Nog voordat Ottilie een woord heeft gesproken, vindt Eduard haar een aardig, een onderhoudend meisje. In verband met hun bezigheden verdeelen de vier personen zich weldra in twee groepjes. Charlotte is veel samen met den hoofdman, die haar behulpzaam is bij het aanleggen van haar park, terwijl Ottilie schriftelijk werk verricht voor Eduard, en de kunst verstaat zijn gebrekkig fluitspel goed op het clavier te begeleiden, daarbij vooruit voelend welke fouten hij zal maken. Overigens behaagt het zachte meisje allen door haar voorkomendheid en door haar zich-invoelen in de omgeving. Eduard sluit zich steeds nauwer bij Ottilie, Charlotte sluit zich onwillekeurig bij den hoofdman aan.
Ter gelegenheid van Charlotte's jaardag komen de graaf en de barones op het slot logeeren, en een vriend, Mittler, wiens specialiteit het is, familietwisten te beslechten en bij te leggen, vertrekt overhaast nadat hij gewaarschuwd heeft, dat deze twee echtschenners ongeluk zullen aanbrengen. Hij houdt een vurige lofrede op het huwelijk: de schuld die de gehuwden jegens elkaar hebben kan in der eeuwigheid niet afgedaan!
Als nu de lichtzinnige graaf met den hoofdman kennis maakt en hem een mooie betrekking bij een van zijn vrienden in het vooruitzicht stelt, merkt Charlotte eensklaps, hoe diep de genegenheid tot den hoofdman zich reeds in hare ziel heeft gevestigd: Ze barst in tranen uit. Hoe het tusschen hen staat blijkt nog scherper als zij—door Eduard, die naar Ottilie verlangt, alleen gelaten—met hem uit spelevaren gaat, waarbij hun boot vastraakt, zoodat de hoofdman haar naar land moet dragen; hij kan zich niet weerhouden haar te kussen! Ze verhelen hun gevoelens nu niet meer voor elkander, doch ze besluiten hun liefde waardig te dragen en te scheiden.—Op het slot speelt zich intusschen iets dergelijks af: Ottilie verricht eenig schrijfwerk voor Eduard en het blijkt dat ze onwillekeurig zijn handschrift nabootst. Ze zegt daar trotsch op te gaan, en het volgend oogenblik omarmen ze elkaar. Dien nacht sluimert Eduard onder Ottilies venster in. Hij merkt tot zijn vreugd, dat zijn vrouw den hoofdman niet onverschillig is, en hoopt dat een spoedige echtscheiding hem het bezit van Ottilie zal verzekeren. Kort daarop aanvaardt de hoofdman zijn nieuwe betrekking en Charlotte, die verwacht dat hij daar met een geschikte vrouw in relatie zal komen, doet afstand van haar liefde. Ze mag nu verlangen dat Ottilie het huis verlaat, opdat de vrede niet verder verstoord worde. Hiertegen verzet zich Eduard. Hij gaat dan liever op reis, echter onder voorwaarde dat Charlotte voor haar nichtje zorg zal dragen. Dan zal hij van zijn kant tegen zijn eventueele genezing zich niet verzetten. Maar Ottilie kan hem niet ontberen.
Mittler komt op het slot om de echtgenooten weer tot elkaar te brengen, en verneemt hier dat Charlotte een kindje verwacht. Tot zijn verwondering is de in eenzaamheid wonende Eduard wanhopig, als hij hem deze boodschap brengt, en besluit deze, in krijgsdienst te treden. Zoo eindigt het eerste boek.
—Hiermede is de knoop gelegd en—om het beeld vast te houden—deze knoop is door de geboorte van het kindje strak aangetrokken. Toch ontwikkelden de gebeurtenissen zich tot hier toe zoo geleidelijk, dat men ook bij herhaalde lezing niet altijd precies kan zeggen, waar een bepaalde richting-verandering in den verhaalgang intrad,—zonder intusschen ook maar een oogenblik te betwijfelen, dat alles zoo mòest zijn. Er is hier werkelijk aanwezig een kracht, die de menschen leidt, maar die kracht wordt als zoodanig nergens genoemd of beschreven. Zij behoort tot de diepverborgen beweeggronden van de handeling, wier bestaan de doorsneêlezer niet eens vermoedt, en wier constructie de moeilijkste, de verantwoordelijkste, de ondankbaarste taak is van den hoogstaanden auteur.
—In het tweede gedeelte van den roman zijn de bekende "Leesteekens" nogal sterk gezaaid, en wij krijgen het gevoel dat de nu volgende handeling zeer veel tijd in beslag neemt. Charlotte brengt een zoon ter wereld, die, door een zonderlinge speling der natuur, op den hoofdman lijkt (van wien ze tijdens de ontvangenis was vervuld) en tevens op Ottilie (aan wie de verwekkende echtgenoot dacht). Bij den doop overlijdt de oude dorpsgeestelijke. Ottilie houdt van het kindje en verzorgt het. Maar daardoor wordt haar duidelijk dat zij in hare verhouding tot Eduard volkomen rein moet staan. Eduard is gaaf en goed uit den oorlog weergekeerd en ziet daarin een teeken des hemels, dat hij zijn lieve Ottilie eens zal bezitten. Hij verzoekt den hoofdman stappen te doen, opdat hij van zijn vrouw kan scheiden: dan kunnen twee gelukkige paren worden gevormd. Hij wacht op een afstand: ongeduldig van hartstocht, draagt hij zijn vriend op, hem den afloop van de onderhandeling met kanonschoten te seinen. De hoofdman treft Charlotte niet thuis en wacht. Eduard kan zijn ongeduld niet bedwingen en sluipt naar zijn kasteel. Bij het meer ziet hij Ottilie met zijn kindje zitten en de geliefden omarmen elkaar vrijmoedig. De avond valt; Ottilie zal met het kind naar huis varen. Door haar onvoorzichtigheid slaat het bootje om en de kleine (die van zijn geboorte af omringd was met ongunstige voorteekenen) verdrinkt. Zij en Eduard, die te zamen het bestaan van het schepseltje tot een leugen maakten, hebben hieraan schuld. Op het slot valt Ottilie met het hoofd op Charlotte's knieën in onmacht. Deze laatste stemt nu in de scheiding toe, zonder intusschen haar minnaar hoop te laten. Ottilie die zich niet uit haar verdooving los kan maken, maar die bij haar bewustzijn is, hoort het gesprek tusschen Charlotte en den hoofdman aan. Onverschillig over den dood van zijn kind, wil Eduard aanstonds toebereidselen maken voor zijn huwelijk met Ottilie.
Maar het onderhoud tusschen Charlotte en Eduard heeft Ottilie de oogen geopend, en zij zegt nu haar tante dat ze nooit de vrouw van Eduard zal worden. Trekt Charlotte haar toestemming tot de echtscheiding niet in, dan zal zij zich werpen in hetzelfde meer waarin het kindje is verdronken. Daar ze in haar hart afstand heeft gedaan van Eduard, kan zij nu rein naast Charlotte leven. Doch de omgeving bevat te verschrikkelijke herinneringen, en zij gaat naar kostschool terug, wil onderwijzeres worden. Ze legt de gelofte af dat ze, wel verre van zich tegenover Eduard zwak te toonen, hem bij eventueel bezoek geen gehoor zal geven. Eduard weet haar op reis in te halen en dringt door tot in haar kamer. Ze wijst hem de deur. Vergeefs. Dan besluit ze naar het slot terug te keeren. Eduard volgt haar. Ze legt de handen van de echtgenooten ineen en snelt weg. Van nu af spreekt ze niet meer, drukt zich (als Mignon) door gebaren uit. Doch ze is dagelijks met Eduard samen, en deze vat weer hoop. Ze verzoekt, op haar kamer te mogen eten, en dit geeft haar gelegenheid, in het geheim te vasten. Een avond, als Mittler weer over het huwelijk theoretiseert en zegt dat het zesde gebod hem beter zou voldoen indien het positief gesteld ware, verlaat Ottilie plotseling statig het vertrek. Haar kamermeisje waarschuwt dat ze op sterven ligt. Allen snellen naar haar kamer. Daar verbreekt ze voor het eerst en voor het laatst 't stilzwijgen door van Eduard te eischen: Beloof mij te leven!
Ze wordt met symbolische praal bijgezet. Als de stoet passeert, meent het kamermeisje haar uit de open lijkkist te zien wenken, en valt uit het raam te pletter. Bij de lijkkist gebracht, is ze weer geheeld. Het eenvoudige dorpskind houdt een wijze rede in de door Ottilie gebouwde kapel, die nu tot een bedevaartplaats wordt.
Eduard voelt zich verplicht zijn geliefde te volgen. Hij vindt de taak zwaar, maar hij volbrengt ze: hij sterft den hongerdood en wordt naast Ottilie begraven:
"Zoo rusten de lievenden neveneen. Vrede omzweeft hun rustoord, vreugdige verwante engelen zien vanaf het gewelf op hen neder; en wat heerlijk oogenblik zal het zijn, als ze eens ontwaken samen".
Nu komen de geleerde opmerkingen, waarvan zooeven sprake was: Eén ding begrijpen wij niet, ja, vinden wij hartgrondig(?) jammer (aldus de critici): hoe kon Goethe het van zich verkrijgen, Ottilie verliefd te maken op Eduard, die toch zooveel lager staat dan zij; en haar verliefd te doen blijven, terwijl ze hem toch als een kinderachtig-ongeduldige egoist, als een harteloos vader leert doorzien? En is aan het slot de aankondiging dat ze elkander hiernamaals zullen ontmoeten niet romantiesch, onbetrouwbaar? Waarom blijft Ottilie, nadat ze de handen van de echtgenooten heeft ineengelegd, op het slot? Is dit niet in strijd met het hooger levensinzicht, waarvan ze kort te voren blijk gaf? Moest ze zich niet wijden aan hare heilige taak, de opvoeding van de jeugd, in plaats van nogmaals den vrede van het gezin te bedreigen?
Het antwoord op deze vragen kan afdoende zijn en kort. Men behoeft niet eens Goethes meening omtrent de onderlinge aantrekking van menschen te deelen, om aan te nemen dat een vrouw, nog hooger dan Ottilie begaafd, zich kan schenken aan een man, nog lager aangelegd dan Eduard. Ieder heeft dit in eigen omgeving meermalen ervaren; Goethe had in het echtpaar Von Stein een sprekend voorbeeld hiervan jarenlang voor oogen. Neemt men nu ten overvloede een nagenoeg onafwendbaren invloed aan, als het magnetisme er een is, overweegt men daarbij dat de personen in dit boek—dat tusschen haakjes, den frivolen adel uit dien tijd in al zijn uitingen heerlijk schittert en hekelt, evenals Wilhelm Meister dit doet—niets omhanden hebben als het najagen van hun liefhebberijen, en het beluisteren van hun gemoed in de stilte van een uitgestrekt park.... dat kan men in de verhouding tusschen Ottilie en Eduard niets onlogiesch zien, zelfs nadat deze laatste zijn waren aard heeft getoond. Waartoe deze zelfontmaskering van Eduard zou hebben geleid, indien de fijngevoelige Ottilie eens niet het besluit had genomen, deze wereld af te sterven, is niet twijfelachtig; maar het mag een open vraag blijven. Haar taak is niet: rechtstreeks te zorgen voor Eduards toekomst, doch wel: te boeten voor het verleden, en daardoor Eduard indirect te dienen.
Maar is deze liefde—logiesch dan of niet—dan geen wanklank in de harmonie van het boek? Waarom geeft Goethe—die anders zoo graag typische menschen geeft—hier een uitzondering?
Zoo vragend, laat men gelden dat het geval Eduard-Ottilie psychologiesch is gemotiveerd, maar men toetst het nu aan zijn esthetische waarde. Nu is er niets tegen, aan te nemen, dat Goethe hier een wanklank wilde doen ontstaan, wilde te kennen geven dat het magnetisme ook menschen verbindt die naar ons oordeel niet bij elkaar passen. Maar er is meer! Goethe moest aanduiden, dat het dierlijk magnetisme bij hoogstaande menschen niet het laatste woord spreekt. Indien wel, dan ware het verhaal aan het eind van het eerste deel afgeloopen met de vereeniging van de twee geliefden. Of liever, het ware ongeschreven: Goethe hadde Minna gehuwd en Christiane verlaten. Maar hij moest het zedelijk element, den innerlijken strijd, in zijn verhaal betrekken. Hij moest Ottilie doen twijfelen, totdat het voor een gewone oplossing te laat werd; zoodoende komt ze tot bezinning en besluit zich vrij te maken op de wijze die de lezer kent.
Maar waarom dan moest juist Ottilie zoo hoog staan? Waarom niet Eduard fijner begaafd: Eduard—dit zal toch wel niemand betwijfelen—vertegenwoordigt de eene helft van Goethes wezen, de hoofdman (die afstand doet) de andere.
Wij behoeven deze vraag niet te ontzenuwen door de bewering, dat Eduard volstrekt niet een karaktertrek van Goethe vertegenwoordigt, dat Goethes gedragslijn in liefdeshistories niet lijkt op Eduards gulzige hette. Wij laten dit daar en antwoorden op deze nieuwe vraag: Indien Goethe van den màn den strijder had gemaakt, dan hadd'—anders ware zijn boek esthetiesch mislukt—die man misschien na zwaren strijd (maar dit om 't even), in deze bepaalde omstandigheden het pleit gewonnen en Ottilie.... verstooten. Dit ware dan pas een èchte wanklank geworden, niet een dissonant in het midden van een stel samenstrevende accoorden, en die ten slotte nog in harmonie verkeert, maar een dissonant aan het slot! Uit louter edelaardigheid een lieve vrouw verstooten! (Eduard is niet een slecht man, maar een zwak man; zijn dubbelgangster ware dus niet een slechte vrouw geworden.) De strijd ware dan kort geweest, en het berouw uitvoerig noch grondig. Want men bedenke dit: een man, zelfs een hoogstaand man, is resoluter in het vertrappen van een liefde dan een vrouw. (Het geval-Goethe). Overigens flinke mannen, die hun.... gewetensrust met een wandaad jegens een goede maar zwakke vrouw koopen, zijn niet zeldzaam. En Goethe had een on-typige man moeten geven, als hij dien man den weg op had willen sturen die Ottilie inslaat.—Hadd' de dichter, ten slotte, Eduard en Ottilie gelijkelijk begaafd (zooals Charlotte en den hoofdman) dan ware de geschiedenis nog sneller ten einde, dan hadd' de dichter nog minder gelegenheid gevonden tot het beelden van een waarschuwing—wat immers zijn doel was.
Ergo: Goethe stond psychologiesch en esthetiesch voor de noodzakelijkheid, Ottilie een hooger zedelijk bewustzijn te geven dan Eduard bezit. Zij kon hem trouw blijven, zooals slechts een hoogstaande vrouw een middelmatig man trouw blijft. Maar in den strijd tusschen haar lagere drangen en haar hoogere aspiraties moest ze zich verwarren, zooals alleen een impulsieve mensch, rondtastend in het warme duister van zijn gemoed, zich kan verwarren. En zoolang ze niet heeft uitgestreden—dwaalt ze.
Want—O, knutselaars zonder scheppende intuïtie—ge ziet voorbij dat Goethe, sedert den Iphigenie-tijd:
niet meer uiterlijk-bestàànde personen benoemde tot dragers van zijn ziels-eigenschappen (zooals bijv. Egmont er een was),
maar deze eigenschappen opnam in het geheel van zijn overtuigingen en vandaaruit niet eenen mensch maar een heel stelsel van karakters en gebeurtenissen ontwierp, vormend te zamen de belichaming van zijn wereldbeschouwing op dit bepaalde punt.
Niet Eduard vertegenwoordigt een karaktertrek van Goethe (zooals voor de hand zou liggen), maar Ottilie. De dichter zelf zou in den strijd tusschen diepgewortelden plicht en oppervlakkige maar niettemin intense verliefdheid zijn gesneuveld—indien hij niet had mogen steunen op dat andere element in hem, op zijn kracht tot zelftucht, die het eerste was en het laatste van zijn wereldkijk.
Maar—waarom laat dan Goethe, die zelf niet in zulk voortbestaan geloofde....
.... Praatjes, hij geloofde er wel aan.—Goed, spons er over! Maar waarom laat Goethe Eduard en Ottilie, die niet geschikt voor elkaar zijn, en zondig zijn, zich in den hemel vereenigen, en waarom noemt hij dit "een vriendelijk oogenblik?"—Wel, hun liefde is slechts zondig in zooverre er een andere zonde—het vriendschapshuwelijk van Eduard en Charlotte—aan is voorafgegaan. En dit och zoo onzedelijke boek wil den laatsten triumph gunnen aan de liefde, die uit zuiver persoonlijke aantrekkingskracht tusschen de wederhelften is gesproten, nadat die liefde door het vrijwillig afsterven van de beide zondaars is gelouterd en verdiend. Ottilie, lijdend wijl ze de oogen opsloeg naar den echtgenoot van eene andere vrouw, is haar minnaar voorgegaan in boetedoening en heeft hem daarmee verlost: Dit praeludeert op de samenklinkende eindmotieven van de twee Faust-helften.—Maar, zelfs indien Goethe niet geloofde in zulk voortbestaan, dan nog ware het zinnetje, waarmede die Wahlverwantschaften sluit, niet te veroordeelen. Is het niet de zuiverst denkbare oplossing van de stemming, waarin Ottilie en haar minnaar deze aarde verlaten, en van het naïeve geloof dat aan hare rustplaats wonderkracht toekent?
Ik heb den dichter van Iphigenie in godvervulde stilte vereerd. Ik heb gewenscht, voor den bouwmeester van de Faust-tragedie een monument te mogen stichten: eenvoudig-verheven en veelbeteekend zwaar gelijk zijn werk. Doch toen ik, mij verdiepend in Die Wahlverwantschaften, stellig voelde wat ik hier uitspreek, dat ik deze Ottilie, hare hemelverlangens, die ten slotte slechts in stomme gebaren zich laten zeggen, mocht vereenzelvigen met het vrouwelijk-weeke in mijnen dichter—toen ben ik Goethe, den kloeken, strijdenden man gaan beminnen.


"De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 1810 tot 1830.
XXIX
Wie das Gestirn, Ohne Hast, Aber ohne Rast, Drehe sich jeder Um die eigene Last.
Gelijk de sterren, zonder haast, tòch rusteloos, wentele elk om zijn eigen roeping. Met deze verzen, bondig en toch niet hortend, gelijk alleen hij ze kon stellen, laat zich de laatste kwarteeuw van Goethes leven kenschetsen. Voorbij is nu de tijd, dat iedere verandering van woonplaats, de kennismaking met betrekkelijk onbeteekenende personen, een ombuigen van zijn loopbaan beduidt. Wist de onervaren jongeling Carl-August hem eens voor goed aan zich te binden, den wereldbedwinger Napoleon mislukt het, zijn gelijkmoedigheid te storen. De zelfmoord van Jerusalem, een man dien hij maar uit de verte kent, prikkelt hem tot groote daad: den Werther. Thans ziet hij de mannen, de vrouwen, die hij boven alles liefhad, beurt om beurt sterven; hij klemt zijn tanden opeen en is bijna terstond weer gereed om aan zijn taak—het boeken van zijn levenwinst, te gaan. Hij onttrekt zich aan de inwerking van het buiten hem staande. Slechts de wetten die uit de kern van zijn persoonlijkheid voortvloeien leiden hem. Hij is nu waarlijk vrij. Want hij is in staat, zelf te bepalen wat hij zal doen en laten. Overbodig te zeggen, dat dit hem ook nù niet altijd zonder hevige inspanning gelukt.

GOETHES WERKKAMER IN WEIMAR (Na zijn dood aldus gelaten)
Maar dan is zijn uiterlijk leven ook niet meer een opeenvolging van onderling afhankelijke gebeurtenissen. Zijn handelen schijnt op zich zelf doelloos. Hij onderneemt reizen, enkel en alleen om een gelaat nog weer te zien, of een landstreek, die in zijn herinnering droomt. Zulk weerzien heeft op de richting zijns geestes niet beslissenden invloed. Zijn geest voedt zich uit eigen rijkdom.
Nauwelijks was hij—na het lotgeval dat hem Die Wahlverwantschaften ingaf—in zijn vroolijk versierd huis weergekeerd, of daar viel de eerste doode. Zijn moeder overleed. Zij was haar aard getrouw gebleven: hij wist niet van haar laatste ziek-zijn.
Hij had haar in geen elf jaren gezien, en al dien tijd klaagde ze niet over zijn wegblijven, moeder Aja. Maar ze had van haar zoon genoten wat haar te genieten bleef: zijn werk. In brieven—gelijk die ontstaan, als een hartelijk iemand zich volkomen bewust is van zijn gebrekkige taalkennis en spelbedrevenheid, valsche schaamte daarover heeft afgelegd, en met zeer eigenaardige en zelfgevonden interpunctie de woorden neerpent, zooals hij ze zou uitflappen, daarbij drommels goed wetend, dat hij zijn geestdrift maar phantaseert—in kluchtig-aandoenlijke brieven dankte ze haar troetelkind voor zijn meesterwerken; die ze natuurlijk! prachtig liet inbinden, want dit hoort zoo bij meesterwerken—en die ze, alleen—op haar kamer—, met betraande oogen, reciteerde—totdat ze van verrukking—niet kon zien; een genot dat bijna niemand naar waarde kon schatten, je hadt de menschen maar aan te kijken en naar hun domme gesprekken te luisteren—om dat—te begrijpen!....
Over deze trouwe moeder, die haar zoon steeds wist te volgen, hoe weinig geletterd ze ook was, hem nooit goeden raad opdrong, maar juichte als hij, na pijnlijk dwalen, handelde zooals zij het in stilte had gewenscht,—geen woord meer over haar!
Carl-August, die nogal bestookt werd door Napoleon—deze verdacht hem dat hij trachtte zijn gezag in Duitschland te ondermijnen—moest naar het vorsten-congres van Erfurt, alwaar door een paar keizers, in het bijzijn van vele koningen en hertogen, over het lot van Europa zou worden gediscussiëerd. Goethe was niet in de geschikte stemming om het congres bij te wonen; hij bleef thuis. Maar op uitdrukkelijk verzoek van Carl-August volgde hij later. Zijn aankomst werd officiëel in de Staatscourant vermeld en Napoleon liet hem ter audiëntie nooden.
Hij trof den keizer aan het ontbijt en deze keek langdurig in zijn oogen. Toen sprak hij tot de hem omringende hovelingen het groote woord: Dat is een man!—Hoewel van staatszaken overladen, onderhield hij zich een uur met onzen dichter, op rustigen toon, in eenvoudige woorden; hij deed merken dat hij in Goethe een gelijke zag en de tijdgenooten oordeelden dan ook, dat de twee grootsten van Europa elkander op dat oogenblik ontmoetten. Hij informeerde vriendelijk naar den gezondheidstoestand van Christiane en August en beweerde dat Goethe er voor zijn zestig jaren kras uitzag. Toen kwam het gesprek, naar aanleiding van het optreden van den vermaarden acteur Talma, op de tooneelkunst. Napoleon keurde Voltaire's Mahomet—die Goethe op verzoek van Carl-August had vertaald—af, en beweerde dat het Fransche drama gekunsteld was en overdreven onnatuurlijk werd gespeeld. Den Werther had hij zeven maal gelezen. Hij bewonderde dit boek en had het meegedragen naar de pyramiden van Egypte. Maar nu de critiek! Waarom had Goethe dit en dat zoo gedaan; was dat niet tegen de natuur? Goethe antwoordde dat bij zijn weten deze opmerking nog nooit gemaakt, maar daarom niet minder gegrond was. Hij heeft later niet willen zeggen welke opmerking Napoleon eigenlijk had gemaakt, maar men mag stellig aannemen dat ze hierop neerkwam: Waarom pleegt Werther niet alleen uit liefdeleed maar ook uit gekrenkte eerzucht zelfmoord? Goethe had dit reeds op aandringen van Herder in een volgenden druk bijgewerkt, maar dit was hem door het hoofd gegaan! Wij hebben overigens zoowel uit de wordingsgeschiedenis van den Werther als uit de bewoordingen van ons résumé doen blijken, dat deze vermeende fout o. i. iets byzonder goeds is.
Goethe ontmoette den keizer nogmaals toen deze bij Carl-August te gast was. Gedurende het bal, dat op de voorstelling van Voltaire's Julius César volgde, zonderden de twee grooten zich af. Napoleon had te voren reeds beweerd, dat alle drama's waarin het Noodlot een rol speelde uit den tijd waren—de politiek was getreden in de plaats van het noodlot! Thans gaf hij Goethe in overweging een beteren César te schrijven, om te toonen hoeveel schoons César tot stand had kunnen brengen, als men hem niet had vermoord: Dit zou uw levenswerk kunnen worden! En Goethe moest naar Parijs komen: daar was wetenschap en daar was stof voor geweldige dichtstukken en daar zou hij den Franschen les kunnen geven in natuurlijken smaak.—Goethe heeft er een oogenblik aan gedacht, eens een kijkje in de wereldstad te nemen, maar hij dorst er op zijn leeftijd toch niet aan. Men zegt dat Napoleon den dichter voor zich heeft willen winnen, in de hoop dat deze de publieke opinie voor hem zou veroveren. Hij schonk Goethe een eerekruis en gaf vergoeding voor de schade, die Jena had geleden van het krijgsbedrijf. Goethe van zijn kant verklaarde dat de Keizer het puntje op de I zijns levens had gezet, en dat hij nooit schooner oogenblikken zou doormaken dan de oogenblikken, toen hem bewust werd, dat hij aan den Keizer was verwant. Maar reeds lang te voren had hij hem bewonderd en onoverwinlijk genoemd; terwijl hij aan den anderen kant eens had uitgeroepen, dat hij straatzanger wilde worden, om overal waar de Duitsche taal werd gesproken de schande uit te zingen van de Duitschers, die niet als éen man tegen hem in opstand kwamen.
Enkele jaren later gleed de vernederde Napoleon op zijn terugtocht uit Rusland langs Weimar en liet snel informeeren hoe Goethe het maakte. Toen begon de opstand van de Duitschers tegen den verzwakten Keizer. Ook ditmaal scheen het, dat er in de nabijheid van Weimar afdoend zou worden gevochten. De stad had veel te lijden door inkwartiering en vernieling. Russen en Pruisen hielden den omtrek bezet en toen Goethe, te midden van een groep kozakken, een kameel opmerkte, voelde hij dat het onbeschaafde Azië op zijn beurt naar de heerschappij over Europa streefde; en hij liet zijn kunstverzameling begraven, zijn handschriften in veiligheid brengen. Terwijl Weimar meer en meer een hospitaal werd dat besmetting uitwasemde, nam hij zich voor, nog zooveel mogelijk van zijn werk te laten drukken; want hoewel de dankbare Duitschers pas veel later hem zijn auteursrecht verzekerden en de uitgevers van roof-edities nog fortuin konden maken,—wat eenmaal gedrukt is gaat moeilijk verloren!
Men heeft Goethe zeer kwalijk genomen, dat hij zich tijdens den vrijheidsoorlog koel en onverschillig gedroeg. Dit heeft niet belet, dat de afstammelingen van dezelfde Duitschers, die hem om (wat zij noemden) zijn anti-patriottische gezindheid hoonden, in hém den grondlegger van de Duitsche volks-eenheid vereeren,—zonder Goethe geen Bismarck!—zijn werk omzwermen met holle frazen die den buitenlandschen geschiedschrijver maar al te zeer walgen, en menige daad van hem en menige uitspraak, die met hun moraal-opvattingen in volstrekten strijd is, goedpraten (niet doordenken maar goedpraten)—of verzwijgen, opdat hun nationale held toch vooral niet onzedelijk heette. Het kan verkeeren!
Goethe heeft later wel eens betreurd, dat hij niet mee heeft geleden met zijn volk—want lijden maakt groot—maar dit kan de motieven die hem in zijn rustige rust hielden geenszins te niet doen.
In de eerste plaats wilde hij met Napoleon op goeden voet blijven, teneinde hiervan gebruik te maken indien de opstand eens mocht mislukken. En hij wist dat Weimar scherp werd bespionneerd. Hij meende dat Napoleons leger, hoe weinig ook opgewassen tegen het Russische klimaat—nog steeds sterk en voorbeeldig georganiseerd was; en aan den anderen kant had hij weinig vertrouwen in den geestdrift die nu plotseling door heel Duitschland scheen op te laaien; hij hadd' daar meer vertrouwen in gehad, indien de Duitschers naar de wapens hadden gegrepen toen het Fransche leger nog voor den Rijn stond. Nu spotte hij, dat men geestdrift niet voor een jaar of wat in de pekel kan zetten om ze versch te houden, en hij vreesde dat allerlei ellende over het land zou komen, zoodra de eerste rake klap zou zijn gevallen.
Hij hield zich overtuigd dat Napoleons overheersching voorloopig eer goed dan kwaad had gedaan. Het Duitsche grondgebied was niet meer zoo verbrokkeld als voorheen, het schoolwezen was veel verbeterd, nog nooit hadden de Duitschers een zoo zuiver beheer en een zoo deugdelijke rechtsbedeeling gekend als toen. Napoleon deed geen moeite om het nationaal bewustzijn van de Duitschers uit te roeien of om hun taal te verdringen door het Fransch; gedurende zijn verblijf in den Elzas had hij wel gemerkt dat deze landstreek, reeds een eeuw bij Frankrijk ingelijfd, nog Duitsch was gebleven. Zooals Frederik de Groote zich eens omringd had met geleerde Franschen, zoo lieten Napoleons stadhouders zich grondig voorlichten door Duitschers van naam; en hij zelf had de Duitsche literatuur lief.
Maar ten slotte—hoe kan men vreezen voor de onderdrukking van een nationaal bewustzijn dat.... niet bestaat? De term Het Duitsche Volk was voor Goethe een leege abstractie en hij had moeite om niet zeer onbeleefd te worden, als men hem dáarmee kwam aandragen.
Zou de bevrijding, die men op het oog had, werkelijk vrijheid brengen? Zou niet Fransche overheersching vervangen worden door de Pruisische? en zou de hegemonie van Pruisen in het te stichten Duitsche rijk niet gevaar opleveren voor vrijheid en beschaving? O, Goethe droeg nog scherp in zijn herinnering hoe juist Pruisen zijn buitenlandsche politiek, die toch op éénheid was gericht, had tegengewerkt en verijdeld, hoe Pruisen zich destijds gereedhield om, zonder toestemming van de regeering, in Weimar de boerenzoons eenvoudig te nemen, en er soldaten van te maken. Hij wist dat de Franschgezinde Fritz—die eens zijn werk had bespot—in Berlijn het gevoel voor schoone kunst had onderdrukt, en hij had steeds ondervonden dat hij te Berlijn het grievendst werd miskend en bestookt, bijv. door Nicolaï en door Kotzebue. Met geld had Pruisen zijn bloeiende universiteit van haar beste leerkrachten beroofd. Het Pruisische koningspaar, te Weimar logeerend, had gedaan alsof er geen Goethe bestond, terwijl de Fransche geweldenaar zich nauw bij hem had aangesloten. Zou Pruisen, welks zwaartepunt zich meer en meer naar zijn oostelijke, Poolsche helft verplaatste, niet meer en meer onder den invloed geraken van het achterlijke, half-Aziatische Rusland, aldus den vooruitgang belemmerend?—Goethe heeft in vele opzichten juist gezien, en degenen die aannemen dat hij de Fransche ontvankelijkheid voor Duitsche beschaving heeft overschat, mogen niet vergeten, dat juist in de tweede helft van de negentiende eeuw de besten onder de Fransche denkers de voortreffelijkheid van de Duitsche Gedachte daadwerkelijk hebben erkend. Voor hem die toegeeft, dat de ideeën ten slotte heerschen, is dit, in spijt van de chauvinistische propaganda, in beide landen gevoerd, een lichtend teeken des tijds.
Hebben nu velen Goethe in staat van beschuldiging gesteld omdat hij geen vrijheidsdeunen wilde dichten—hij is, helaas, nadat Napoleon was verdreven voor den aandrang gebukt, getuige het half-kreupele Epaminondas' Ontwaken—hij had vrienden genoeg, die hem zijn afwachtende houding gunden, en die wel begrepen dat hij als dichter en als denker meer voor de Duitsche eenheid wrocht, dan hij met vaderlandsche zangen of pamfletten zou hebben gedaan. Hij zelf begreep dit, en hij liep met het plan rond, het boek te schrijven dat voor de Duitschers zou zijn, wat Homeros' werk voor de Grieken was geweest.
Maar ook van degenen, die hem al vroeger hadden lastig gevallen, kreeg hij veel hatelijkheid te verduren; vooral toen hij zijn zoon—die vrijwilliger wilde worden—met toestemming van den hertog daarvan terughield, daar August de eenige was, die in zijn zaken en handschriften den weg wist. Hij liet zich door zijn familie naar een badplaats drijven, maar het speet hem dra dat hij den laster was ontvlucht, en hij vond er toch geen rust: de vele uitgewekenen die hij er aantrof vervolgden hem met politiek.
Dit kon op den duur zijn geest niet afleiden. De cultuur-historische levensbeschrijvingen van Winckelmann, Benvenuto Cellini en Hackert, die hij had gemaakt, brachten hem op het denkbeeld, voor zich zelf te doen wat hij voor anderen had gedaan. Zoo ontstond "Wahrheit und Dichtung", dat zijn levensgeschiedenis tot aan zijn vertrek naar Weimar behandelt. Vooral in de eerste helft van dit omvangrijke boek wordt de kleine Wolfgang den lezer levend voor oogen gesteld, terwijl beschrijvingen van ouders, familieleden, van stad en landstreek, van beroemdheden en van geestelijke stroomingen den achtergrond vormen. Intusschen, wien het niet alleen om een aangenaam aandoend en over het geheel ook correct tijdsbeeld, maar vooral om nadere kennismaking met den jongen Goethe is te doen, die leze het werk, vooral wat de weergave van stemmingen en gevoelens betreft, zeer critiesch, voor een aanmerkelijk deel als "Dichtung", en onder voortdurende raadpleging van degelijke bescheiden.
De romantiek had velen aandacht gewekt voor het tijdperk der kruistochten, toen het Westen der beschaafde wereld zooveel leerde van het Oosten. Ook Napoleons veroveringen hadden daartoe bijgedragen en Goethe, die door den Bijbel zich reeds tot het Morgenland voelde aangetrokken, was eenigen tijd bezig met de studie van Oostersche literatuur, toen Hammers vertaling van Hafis' "Divan" hem verraste; want de Perzische dichter gelijkt in zijn liefdeleven en in zijn wijsgeerige overtuiging zoozeer op den westerling Goethe, dat deze zich afvraagt, of hij misschien al eens in Hafis' lichaam op aarde heeft vertoefd. Omstreeks dien tijd komt hij, vooral onder den invloed van den bouwmeester Boisserée, tot het inzicht dat de Gothiek en de middeleeuwsche kunst, die hij, na zijn terugkeer uit Italië, zoo heeft verguisd, toch zeer merkwaardige cultuurverschijnselen vormen. Hij laat zich (hoewel zijn denkrichting door en door Protestantsch blijft) door het gevoel, dat hij onrechtvaardig is geweest, eenigszins meesleepen naar het kamp van hen, die de hechte levensbeschouwing van de middeleeuwen terugverlangen. Al haat hij de papen te hevig, al is hij op het punt van belijdenis te onverschillig om, gelijk vele jonge kunstenaars toen deden, tot het Katholicisme over te gaan, in zijn Faust, zijn Wahlverwantschaften, zelfs in den Meister-roman schuift hij den katholieken eeredienst nadrukkelijk op den voorgrond, en in de beschrijving van zijn reis langs Rijn en Neckar keert hij tot een oude liefde terug, en pleit met propagandistische warmte voor de restauratie van de Keulsche Cathedraal. In Boisserée's museum oud-Hollandsche schilderstukken bestudeerend, roept hij plotseling uit: "Och kinderen wat zijn wij toch dom, wat zijn wij toch dom: we verbeelden ons dat onze grootmoeder ook niet mooi is geweest.... Potverblomme, dat waren nog eens andere kerels als wij.. en we zullen dat bekend maken; we zullen ze prijzen en nog eens prijzen".—De kern van zijn kunstopvatting is geenszins geraakt, maar hij overtuigt zich glimlachend, dat hij in allerlei zaken wat te leerstellig is geweest, daardoor eenzijdig. En nu, als gulle ouweman, spot hij een beetje met zijn leerstelligheid!
Zijn waardeering voor Oostersche kunst en de hier aangeroerde goedgeefsche stemming zijn twee elementen, die hij in een nieuwen dichtbundel, den West-Östlichen Divan, tot uiting zal brengen: glimlachende, schertsende Goethe met kaftan en tulband.
Ziehier nu het derde element: Hij vertoefde herhaaldelijk in zijn geboortestad Frankfort, waar men zeer gevleid was met het beeld, dat hij in het eerste deel van zijn auto-biographie van die stad had gegeven, en hem plechtig met groot eerbetoon ontving: "Zijne Excellentie de hertogelijke Sachsen-Weimarsche Geheime Raadsman, heer Von Goethe, de grootste nog levende en oudste Heros van onze literatuur" (zoo meldden de bladen) "is gisteren in zijn vaderstad gearriveerd, die twintig jaar lang van zijn vereerende tegenwoordigheid beroofd was". Daar had hij kennis gemaakt met de kleinkinderen van oude kennissen; en met den bankier Willemer en diens begaafde vrouw Marianne, een voormalige tooneelspeelster, nog bijtijds aan een gevaarlijk milieu onttrokken. Zij was mooi, zij zong zijn liederen, reciteerde zijn verzen, ze had iets van Lili en van Lotte. Ze maakte hem vroolijk en ze kwam hem tot het uiterste kantje tegemoet; doch zoo, dat haar echtgenoot, die waarlijk geen dupe was, hun omgang kon billijken, en Goethes achting niet verbeurde.—Dus wordt ze het middelpunt van den West-Östlichen Divan (d.i. Oostersche verzenbundel, door een Westerling geschreven). Maar Goethes warme genegenheid is in de phantasie vervangen door de zinnelijke liefde van Hatem en Suleika. De gedichtjes, die Marianne hem later toezond en die hij dan weer vroolijk met Hatem-verzen beantwoordde, heeft hij in zijn verzameling opgenomen. Haar werk laat zich bij eerste lezing niet van het zijne onderscheiden.
Men heeft uit dezen schertsend-hartstochtelijken beurtzang wel eens afgeleid, dat Goethe zijn levensgeloof—"de persoonlijkheid het hoogste"—na zijn zestigsten verjaardag heeft vaarwel gezegd; deze "bekeering" dan uitsprekend in de mededeeling dat Hatem (men weet nu dat deze niet Goethes evenbeeld is, en in zijn ernstigste momenten nog schertst) zijn hoogste geluk in Suleika slechts vindt. Voor zoover deze opvatting niet reeds door het betrokken gedicht in zijn geheel genomen, èn door de daarná voltooide Faust-tragedie wordt weerlegd, zij hier nog dit opgemerkt: Goethe heeft in dien tijd verkondigd, dat de sluier van aardsche liefde voor hem.... iets hoogers scheen te verhullen; en dat hij in de liefde eener vrouw de bode zag van de liefde Gods. In verband met hetgeen vroeger door ons over het begrip persoonlijkheid werd geboekstaafd, moge den lezer nu naar genoegen blijken, dat in den Divan on-ernstig en in Oostersche zeggingswijze door Goethe opnieuw (maar met een tintje spot wegens zijn leerstelligheid) het oude levensgeloof wordt uitgesproken.
Natuurlijk was het echt iets voor Goethe, om zijn kennis van het Oosten in een dik deel commentaren nog eens te luchten, en erg trotsch te zijn op de Arabische krulletters, die hij over het titelblad had getrokken.
Bij zijn thuiskomst weer een doode: Christiane gaat sterven. De pas zoo vroolijke man ligt geknield voor haar ziekbed, haar koude handen in zijn handen drukkend, eentonig kermend: "Neen, neen.... je zult me toch niet verlaten!"