← Table of contents
Goethe

Illustraties (continued 4)

Reading edition

En maakte Goethe zich druk op de verjaardagen van zijn vrienden—niet zoo druk als Merck, die hem tot ernstigen arbeid maande, wel geloofde—zijn vrienden lieten zijn herinneringsdagen ook niet ongemerkt voorbijgaan. Zoo werd in 1781, bij de opening van den nieuwen schouwburg, een schaduwspel gegeven dat de geboorte van Minerva uit het hoofd van Jupiter op doek bracht. De godin der Wijsheid, door andere goden van haar bekende attributen voorzien, zegent den 28sten Augustus,—den dag waarop het stuk gespeeld werd want: Voor drie en dertig jaren werd een man geboren, die als een van de wijsten en besten vereerd zal worden! En in de wolken verschijnt een engel, die Goethes naam toont, waarop Minerva den naam bekranst en haar zooeven ontvangen geschenken, waaronder een gouden lier, voor Goethe bestemt. In vuurletters verschijnen de woorden Faust en Iphigenie.

Langzamerhand, met de wilde haren, raakte men den lust in het tooneelspelen kwijt: een troep "teutsche Comedianten" kreeg verlof den schouwburg te gebruiken. Toen verklaarde Amalia (op de hovelingen doelend): Ze snorken allemaal! en ging Grieksch leeren.

Goethe heeft in zijn Wilhelm Meister vele gebeurtenissen uit den hier besproken tijd naverteld. Toen hij, uit Italië teruggekeerd, zich van het verleden had gezuiverd, trachtte hij opnieuw, weldra met medewerking van Schiller, de totstandkoming van een nationaal tooneel te bevorderen. Hij heeft in zijn school enkele goede kunstenaars ontwikkeld, heeft ook, naar den lezer zal blijken, eenige stukken gegeven, zooals men ze zeker niet alle dagen ziet opvoeren. Doch zijn tooneel stond te ver van het volk om rechtstreeks als beschavingsmiddel te kunnen fungeeren. Het zou volksleiders opvoeden, die grover dan hij van spraak en gebaar zijn meeningen zouden vulgariseeren. Maar zijn meeningen laten zich niet gemakkelijk in den volkstoon zeggen, bestaan bijna niet zonder den toon waarop hij ze zeide.

Niet als meeningen, maar als daden van een machtig en onafhankelijk man kunnen Goethes ideeën onder de menschen komen!

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
ornament hoofdstuk XIV
ornament hoofdstuk XIV

XIV

Dem Geier gleich, Der auf schweren Morgenwolken Mit sanften Fittig ruhend, Nach Beute schaut.... HARZREISE.

Hij zou zijn taak te Weimar niet zoo gereedelijk aanvaard hebben, indien niet steeds de practische staatsmanskunst in zijn gezichtskring had gelegen. Als kind en als student interesseerde hem het doen en laten van de werklieden uit zijn omgeving, zocht hij verband tusschen hun karakter en hun beroepskeus. Nijverheid, mijn- en boschbouw hadden voortdurend zijn aandacht, vooral gedurende de Straatsburger periode. De zevenjarige oorlog, de Fransche inkwartiering, het verkeer met den schout, zijn grootvader, brachten hem vroegtijdig in aanraking met groote diplomaten en legeraanvoerders van dien tijd,—en het wijze jongetje had hun meer op de vingers gekeken dan zij wel vermoedden. Hij stond in vertrouwelijke relatie tot een groot aantal mannen die—zooals de eeuw het wilde—niet alleen op het gebied van het ideaal, maar ook op het terrein van de practische politiek werkzaam waren: Merck, Jacobi, Schlosser, Kestner, Laroche. De groote staatkundige vraagpunten van dien tijd droeg ook hij in zich om: omtrent vrijhandel, emancipatie en ontlasting van den derden stand, verlichte despotie, had hij zich een eigen overtuiging gevormd, en zoo kan het niet verwonderen dat in zijn van de hand gewezen academiesch proefschrift zulk een vraagpunt nogal resoluut wordt opgelost. Schoon hij vroeg wist wat er achter de schermen te koop was, deelde hij nooit de hoovaardige minachting voor het openbare leven, waarmede de Sturm-und-Drängers pronkten. Neen, geïnspireerd door Herders Shakespeare-vertolking, wilde hij het lot van een volk leiden, niet zoozeer uit liefde tot het volk als wel om zijn behoefte aan actie, orde, rechtvaardigheid te kunnen bevredigen. Goethe (aldus Lavater) ware een heerlijk handelend wezen bij een vorst. Daar behoort hij. Hij zou als koning niet ontsieren.—De wanhopige liefde tot de "naakte" werkelijkheid, die binnen hem de stemmingspoëzie afwisselde, had zich omgezet in een verlangen om in het practische staatsleven geen abstract, veelomvattend ideaal, doch billijkheid en tucht te vestigen, waarbij zich dan nog kwam voegen het inzicht, dat de Duitsche volkskracht ten koste van de nageaapte Fransche beschaving moest gevoed. Hij wilde de werkelijkheid rechtstreeks aanvatten en omvormen naar zijn gading, gelijk hij deed met de taal. Hierbij trad het zuiver-persoonlijke zoo uitsluitend op den voorgrond, dat hij er niet aan dacht, die werkelijkheid in staat te stellen méde te regeeren, zoo min als hij den man van de straat zou hebben uitgenoodigd hem bij te staan in de redactie van zijn Werther.

Een jong vorst voor zijn opvatting te winnen, was meer dan hij had durven hopen. Gedurende een tiental jaren werd hij in alle opzichten Carl-Augusts leidsman. Aanvankelijk vol geestdrift voor zijn taak, waande hij dat hij slechts den monarch, het hart van den staat, had te veroveren om het kleine Weimar tot welstand te brengen niet alleen, doch ook om door zijn voorbeeld de andere Duitsche vorsten op den goeden weg te helpen.

De hertog was door zijn moeder en Wieland wel idealistiesch maar niet verstandig opgevoed. De eischen van zijn ongebreideld temperament vloekten tegen Goethes streven naar orde en bezuiniging, zoodat de nieuwe minister vaak bovenkrachtelijk moest strijden om den overigens goedwilligen jongeman binnen de perken terug te dringen. Door korte, kernachtige troostwoorden in zijn dagboek trachtte hij dan zijn moed te bewaren en zijn breeden kijk op de verhoudingen, die door den vaak langdurigen détail-arbeid werd bedreigd.

Hij behaalde een groote overwinning toen hij Carl-August op een reis naar Zwitserland van allen rompslomp en overbodige weelde isoleerde, en, door aanraking met de "engelenstilte" van Lavater en de zijnen en met de grootsche natuur tot bezadiging bracht. Ook in Frankfort stapte hij af en hij logeerde met Carl-August eenigen tijd onder vrouw Aja's dak. De hertog kon het goed vinden met de verstandige moeder, en deze had geen woorden genoeg om Amalia haar bewondering kenbaar te maken voor den jongen vorst, zoo ernstig, zoo rijk aan menschenkennis en toch pas 22 jaar! Half Frankfort was op de been om "Goethes hertog" te zien, en van toen af ging er geen jaar voorbij, of in het sombere ouwerwetsche huis logeerden een paar hovelingen. Hertogin Amalia kwam zelfs over om moeder Aja bij te staan in de verpleging van haar ouden Caspar, die zwakzinnig werd.—

Op deze reis legde Goethe ook bezoeken af bij Friederike, die hij vond zooals hij haar acht jaar te voren had gelaten, en bij Lili, die tot een edele, zeer schoone vrouw was opgegroeid. In Wurtemberg bij den regeerenden hertog te gast, woonde hij de overdreven-plechtige opening bij van diens militaire school. Hier werd de gevierde Götz-dichter langdurig en aandachtig gade geslagen door een mageren, bleeken jonkman met rosblond haar en ontstoken oogen, den meermalen bekroonden medicus Schiller, die toen in het geheim zijn Räuber schreef.

De lastertongen hadden beweerd dat deze reis naar Zwitserland weer een gewone dwaze streek van Goethe was, maar toen men den hertog terugzag moest men erkennen, dat hij een ander mensch was geworden. Goethe was met dit resultaat zoo ingenomen, dat hij een gedenkteeken wilde oprichten ter herinnering aan den gelukkigen ommekeer dien zij bij Carl-August te weeg had gebracht.

In den beginne kon hij slechts via zijn kweekeling den loop der gebeurtenissen in Weimar eenigszins leiden: zijn stem in den geheimen Conseil verleende hem daartoe allerminst bevoegdheid. Maar snel breidde zijn invloeds-sfeer zich uit, doordien hij aan het hoofd kwam te staan van de commissies voor wegbouw en krijgszaken, en eindelijk Voorzitter van de Kamer en beheerder van Financiën en domeinen werd. Toen bewerkte Carl-August (zeer tegen zijn zin) dat hij door den Keizer werd verheven in den adelstand. Hiermede was de oppositie van een deel der notabelen gebroken. Maar toen Goethe de oorkonde aan Vrouwe von Stein zond, voegde hij er o.a. deze ontboezeming bij: Hoeveel heerlijker zou ik mij bevinden, indien ik, van den strijd der politieke elementen verre, tot kunsten en wetenschappen, waarvoor ik ben geboren, mijnen Geest kon wenden!—Deze "kruipende, hoofsche vorstendienaar" (gelijk vele schrijvers die zijn leven noch zijn werk doorgronden hem noemen) voelde maar al te zeer, dat zijn verheffing slechts een formaliteit was, teneinde te ontwapenen de bende aan het—"Muzenhof", welke hem wilde beletten de zaken te ordenen die zij had verwaarloosd:

Het landje kwijnde. Eigenmachtige, gedemoraliseerde ambtenaars voerden er een wanordelijke administratie en lieten het volk bloeden. Nu sloeg Goethe overal de hand aan 't werk en zorgde dat de overheid iets werd voor de onderdanen. Hij verliet 's nachts zijn tuinhuis om—zooals hij te Frankfort in de Judengasse had gedaan—het blusschen van groote branden persoonlijk te leiden. Hij organiseerde een reddingsdienst, keerde den watersnood, zorgde voor besproeiïng van de akkers, voor verbetering van wegen en gebouwen. Hij ging zelf recruten keuren en verkleinde het leger van 600 op 310 man, daarin gedwarsboomd door Carl-August die met zijn troepenmacht maar wat gaarne "macaroni" d.i. fratsen maakte. Hij bracht de mijnen van Ilmenau, die verlaten waren, opnieuw in ontginning, nadat hij het mijnwezen in het algemeen en den bodem van Thüringen speciaal had bestudeerd. Hij schraapte geld bijeen voor de hoogeschool van Jena, die onder zijn beheer tot bloei zou komen. Hij bevrijdde de kleine luyden van belastingen en heerlijke rechten—waardoor hij het bij den adel nog meer verbeurde—en hield onverbiddelijk de schatkist gesloten, toen hij merkte, dat de hertog meer uitgaf dan zijn civiele lijst gedoogde: Ik wil mijn zaken in orde hebben of—opdoeken!

Er dreigde oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk en hij trok met Carl-August naar Berlijn om daar de neutraliteit van Sachsen-Weimar te verzekeren. Frederik den Grooten kreeg hij niet te zien (deze had het te druk met zijn leger) doch hij dineerde met den kroonprins. Hij zag aan het Hof heel wat gordijnen scheuren, en wat hij daarachter te aanschouwen kreeg ontlokte hem den uitroep: Hoe hooger hoe zotter. Teruggekeerd, bemerkte hij dat zijn land een groot gevaar dreigde: Pruisen wenschte op 's hertogs gebied soldaten te ronselen, en was daar al mede begonnen, zonder op verlof te wachten. Verzet hiertegen zou natuurlijk duur komen te staan, terwijl men het toch ook niet mocht toelaten, daar Oostenrijk dan dezelfde voorrechten zou eischen of nemen.

Toen rijpte bij Von Goethe het plan, alle kleine staten die in dezelfde omstandigheden verkeerden in een bond te vereenigen—een bond, die wellicht ook heilzaam zou kunnen werken voor de verlevendiging van het nationaal bewustzijn. De onderhandelingen, met de verschillende vorsten gevoerd, bleven echter langen tijd een voorloopig karakter dragen. Toen het oorlogsgevaar week, was Pruisen zoo vriendelijk, het plan te pousseeren, daar dit land tegenover het hebzuchtige Oostenrijk een sterk gewapende Duitsche unie wenschte. Het oorspronkelijke idée was hiermede ontzenuwd: het plan dat Pruisen opperde ging rechtstreeks tegen Goethes vredelievende bezuinigings-politiek in. Maar voor Carl-August werd het er des te verleidelijker om, niet alleen doordat er veel soldaten aan te pas kwamen, maar ook wijl Pruisen beweerde, er de wedergeboorte van het Duitsche volk mee op 't oog te hebben. Hoewel zeer teleurgesteld, stond Goethe sterk genoeg om te beletten, dat Carl-August het militaire geheim-artikel in de bonds-acte teekende. Dit geschiedde pas—en ook toen nog onder voorbehoud nadat de groote Fritz was overleden en door een zwakker koning opgevolgd. De veelomvattende werkzaamheid die Goethe in de tien jaren dat de zaak hangende bleef aan den dag legde—hij deed alle schrijfwerk, omdat hij de onderhandelingen geheim wilde houden—leverde geenszins op wat hij er van had gehoopt.

Naarmate de tegenkanting van den hertog hem in snipperwerk opsloot, groeide bij hem de overtuiging: Wie zich met administratie inlaat, zonder regeerend heer te zijn, moet of een philister, of een schurk, of een gek wezen! Welnu, hij wilde die gek zijn, omdat hij de taak die hij van het Noodlot had aanvaard ten einde wilde brengen: Hic est aut nusquam, quod quaerimus, hier of nergens is, wat wij zoeken! schreef hij aan Knebel, begrijpend thans dat hij zijn post niet mocht verlaten, voordat zijn innerlijke strijd, door zijn uiterlijke bemoeiingen te voorschijn geroepen, was volstreden.

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van eind November 1777 tot 3 September 1786.
De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van eind November 1777 tot 3 September 1786.

"De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van eind November 1777 tot 3 September 1786.

XV

Wer nie sein Brod mit Thränen ass Wer nie die kummervollen Nächte Auf seinem Bette weinend sass, Der kennt euch nicht, ihr himmlichen Mächte!

HARPSPELER in Wilhelm Meister.

Nu komt de tijd dat telkens duidelijker hij ervaart hoe de vervulling van zijn ambt hem op den duur eigenlijk maar middel kan zijn om tot zich zelf te komen, en als middel weldra zal zijn uitgewerkt. Hij heeft midden in den winter alleen een reis door den Harz gemaakt, gedeeltelijk voor mijnbouwkundige studie, gedeeltelijk om een door Wertherkoorts aangetasten theoloog, die hem de moeite van het troosten waard schijnt, ernstig toe te spreken. Wel te verstaan: hij stelt zich voor als landschapschilder en als de verbijsterde zich bij hem beklaagt, dat Goethe niet antwoordt op zijn welgemeende brieven, verontschuldigt hij Goethe "die het zoo verschrikkelijk druk heeft". Het is zijn gewoonte, zich te vermommen, zoo vaak er iets gewichtigs in hem omgaat. Hij blijft dan van vriendschappelijke betweterij verschoond, en heeft de gewaarwording dat hij, Wolfgang Goethe, op zijn eigen daden neerziet als op de daden van een vreemde.... Hij is pas ontsnapt aan het doodsgevaar, waarin hij heeft verkeerd toen hem op wilde zwijnenjacht zijn piek ontschoot. In de eenzaamheid van het besneeuwde gebergte denkt hij na. Hij begrijpt, dat zijn levensrichting aan 't veranderen is. Hij heeft gemeend dat hij al zijn idealen en zijn dichterschap noodig heeft om een goed minister te zijn. Maar nu hij ziet hoe weinig de menschen zich laten helpen, hoe hun bekrompenheid zijn beste bedoelingen ontzenuwt, komt hij tot de overtuiging: De minister kan best leven zonder den dichter; daarom moet ik den Geheimraad afstroopen en droom de droomen van mijn jeugd voort. Zalig (zoo zegt hij in zijn Maanlied) is hij, die zonder haat van de wereld zich afsluit. En nog scherper drukt hij zich uit in zijn dagboek: Ik leef nu met de menschen van de wereld, eet en drink en dol ook wel met hen, maar ik zie ze nauwelijks, want mijn innerlijk leven gaat onstuitbaar zijn gang. Hij heeft nu genoeg van het halve, het tweeslachtige: voortaan wil hij in het Heele, Goede, Schoone, vastbesloten leven. Hij benijdt de menschen die hij gelukkig maakt met een gift of een vriendelijk woord; hij moet zich zelf verder helpen. Hij gaat vaak alleen schaatsenrijden, maakt lange woeste wandelingen zonder te weten waar hij loopt: zijn gemoed wordt al reiner: een "voor-besef" van de wijsheid leeft binnen hem.

De reis door Zwitserland stelt hem in staat langdurig en ongestoord te verwijlen in zulke seraphijnsche stemmingen. Hij ziet de plekken terug, waar hij als kind heeft geleden en gehoopt, bezoekt zijn ouders en de vrouwen die hem eens een openbaring schenen van het goddelijke dat hij in zich droeg. De werken die hij in zijn jeugd heeft voortgebracht vindt hij nu duister, mistig, rumoerig. Hij hijgt naar een statiger, een diepzinniger, een harmonieus-plechtig werk. En hij begint te vreezen dat zijn leven te kort zal zijn voor het vele dat hem te doen blijft. Hij is nu in de dertig jaar, en wie weet hoe spoedig het met hem gedaan is. Zal zijn levenswerk zijn als een groote pyramide, welker zware grondslagen zijn gelegd, maar die onvoltooid blijft en waarvan de nakomelingen zullen praten dat zij kranig is.... ontworpen? Hij krijgt een hekel aan Weimar, de stad waar hij tien jaren nagenoeg heeft verknoeid. Hij bespeurt met ontzetting dat zijn portefeuille—behalve wat kleinere gedichten, zooals Erlkönig, door Corona Schröter getoonzet, en de Visscher—niets als fragmenten bevat: Faust, Egmont, Tasso, Prometeus, Wilhelm Meister rusten daar als grootsche plannen: het ontbreekt hem aan zielskracht om deze inspiraties te benutten. Iphigenie—gedeeltelijk in rhytmiesch proza geschreven—bevredigt hem niet, hoewel het wat den inhoud betreft een getrouwe afspiegeling is van zijn streven naar bezadiging. En niet alleen de gedachte dat er nog zoovele hongerige wevers en mijnwerkers in Sachsen wonen slaat hem met lamheid; hij begint ernstig te vreezen dat zijn scheppingskracht door een werkelijke ziekte is aangetast. Na zijn studentikoze uitspattingen is hij stijf en onvruchtbaar geworden. En deze koude, hoofsche, ruw-egoïstische minister schrijft in zijn dagboek:

Orde gesteld op mijn zaken, papieren doorgekeken, al de oude spaanders verbrand. Andere tijden, andere zorgen! Rustige terugblik op Leven, en de overdrijvingen, impulsen en gretige verlangens van jeugd; hoe deze in alle richtingen bevrediging zoeken. Hoe ik genot heb gevonden voornamelijk in geheimzinnigheden, in duisteren, ingebeelden samenhang der dingen; hoe ik Wetenschap slechts ten halve heb gevat, en haar daarna heb laten schieten; hoe een soort van bescheiden zelfvoldaanheid loopt door al wat ik heb geschreven; hoe kortzichtig ik was in Goddelijke en menschelijke zaken; hoeveel dagen verspild in gevoelighedens en donkeren hartstocht; hoe weinig goeds ik daaraan heb ontleend; en nu is de helft mijns levens voorbij, en ik zie dat ik geen stap verder ben gekomen, dat ik daar sta als een die aan de golven is ontsnapt en staat te drogen in de zon. Ik heb den moed niet de periode in mijn leven te overdenken, die in October 1775 begint. God helpe verder en geve licht, zoodat wij ons niet meer zoo vaak zelf in den weg staan, doch van den ochtend tot den avond het werk verrichten dat onze hand vindt te doen, en een helder begrip krijgen van het wezen der dingen; opdat ik niet ben als degenen die den dag doorbrengen met over hoofdpijn te klagen, en den nacht met den wijn te drinken, die de hoofdpijn veroorzaakt!

Hij heeft gehoopt als staatsman paleizen voor de menschen te bouwen en nu is hij blij als het hem gelukt de hutbewoners van hun afval te bevrijden. De hertog kan hem niet volgen in zijn verstrekkende plannen. Carl-August begint zijn residentie saai te vinden: de mannen hebben volgens hem hun jeugd uitgeleefd en de vrouwen zijn allemaal getrouwd! Hij is voornemens in vreemden krijgsdienst te treden, nu zijn minister hem in eigen land het soldaatspelen vergalt. Zijn militaristische geestdrift, die hem in den Duitschen vorstenbond drijft, maakt Goethe waakzaam. Deze verafschuwt den doelloozen bureel-arbeid, die hem is opgelegd, zooals hij van jongsaf alles verafschuwt dat uitloopt op niets, maar nu hij begrijpt dat hij nog jarenlang het volk voor den vorst moet behoeden, vat hij zijn taak met wanhopige stiptheid op. Hij verlaat zijn toovertuin en vestigt zich met Charlotte's zoontje Fritz in een prozaïsch stadshuis op het Frauenplan, dat beter past bij zijn drukke "Geschäfte". Slechts hij die zichzelf verloochent kan heerschen, meent hij. De poëzie lijkt hem zijn kwade geest, die hem weglokt van zijn plichten, een schuimende waterval, wiens kracht hij moet aanwenden om er een molen mee te drijven, maar die telkens buiten zijn bedding treedt om molen en graan weg te spoelen. Alleen met Vrouwe von Stein onderhoudt hij nog vriendschapsbetrekkingen. Eens in de week geeft hij "een thee", waarvan niemand is uitgesloten, maar hiermede meent hij zijn beleefdheidsplichten tegenover de wereld te hebben vervuld. Hij wil wel voor 't Hof zorgen, mits niet aan 't Hof. Den "Hofnood" houdt hij geen heelen dag uit. Sedert zijn bezoek aan Frederik den Grooten zijn in hem de bloesems van openhartigheid, vertrouwen en gevende liefde van dag tot dag meer verwelkt. Zijn vrienden maken zich ongerust over zijn stilzwijgen, dat zoo weinig bij hem past. Zijn gezondheid gaat snel achteruit; zorgrimpels trekken over zijn gelaat. Herder, doelend op zijn natuurstudie, spot dat hij alleen nog maar met keisteenen en bloemkoolen converseert, en aanklopt bij rotsen die geen antwoord geven. De bewonderaars die hem willen raadplegen over hun verzen, de opvoeding van hun kinderen, de verbouwing van hun huizen, worden hem vijandig gezind omdat hij ze niet grif genoeg te woord staat. Men weet niet dat hij in 't geheim een groot deel van zijn inkomen aan weldadigheid besteedt. Wat begrijpt men van den zwijger, die op een eenzamen top van het Harzgebergte zich overgeeft aan deze meditatie: "Hier rust ik rechtstreeks op een grond, die tot in het diepste der aarde reikt, geen nieuwe aardlaag, geen opeengehoopt puin heeft zich tusschen mij en den vasten bodem van de oerwereld geplaatst. Op dit oogenblik, nu de innerlijke aantrekkings- en bewegingskracht van de aarde gelijkelijk op mij inwerkt, nu de invloed des hemels mij na omzweeft, wordt ik gestemd tot ademlooze natuurbeschouwing, en, gelijk de menschengeest alles leven geeft, begint er een parabel in mij te woelen, aan welker verhevenheid ik mij niet kan onttrekken. Zoo eenzaam, zeg ik tot mij zelf, terwijl ik van den geheel naakten top naar beneden kijk, en verweg, aan den voet wat dun gezaaide mossen bespeur, zoo eenzaam zeg ik, wordt het den mensch te moede, die slechts voor de oudste, eerste, diepste gevoelens der waarheid zijn ziel wil openen. Ja, zulk een kan tot zich zelf zeggen: Hier op dit oudste, eeuwige Altaar, dat rechtstreeks op de diepten der Schepping steunt, breng ik het Wezen van alle wezens een offer".

CARL-AUGUST HERTOG VAN SACHSEN-WEIMAR
CARL-AUGUST HERTOG VAN SACHSEN-WEIMAR

CARL-AUGUST HERTOG VAN SACHSEN-WEIMAR

Merck, die zijn trouwe plichtsbetrachting hoog aansloeg, oordeelde dat hij de zaken te Weimar nu zoo had geordend, dat er alleen nog "dreckige" dingen te doen bleven, en dat daarvoor geen Goethe noodig was. Maar toen Goethe hem "een draak" noemde, warmde hij vrouwe Aja op met de bewering dat het klimaat niet deugde voor haar "troetelkind", en samen spanden ze zich in om hem terug te geven aan zijn roeping. Zijn vader was met gekrenkte geestvermogens overleden en vrouw Aja wilde haar "Hätschelhans" gaarne de middelen verschaffen tot rustige studie. Maar daar is het hem niet om te doen: hij wil het natuurlijke beloop der dingen afwachten en weigert, met een beroep op de leerschool die hij als minister doorloopt. Maar kort daarna schrijft hij haar: "U moet tevreden zijn als ik niet geheel-en-al sterf, en een goeden naam achterlaat."

Zijn inborst laat zich zoo weinig verloochenen, dat hij in zijn ambtsbeslommeringen niet alleen aanleiding maar ook verontschuldiging(!) meent te zien voor het beoefenen van allerlei wetenschappen. Voor de onstandvastigheid en inconsequentie van de menschen, wil hij zich schadeloos stellen met de consequentie van de natuur. Zijn bemoeiingen met mijn- en boschbouw, met wegaanleg, hoogeschool en teeken-academie, voeren hem tot delfstof-, aard-, plant- en ontleedkunde. Het is hem hier niet te doen om wat practiesch bruikbare gegevens; hij toont zich op dit gebied de dichterlijke wijsgeer, die de heele natuur als een éénig wezen ziet en nu in alle natuurverschijnselen een openbaring van dit Eenige verwacht. Spinoza heeft hem geleerd dat toereikende kennis van het wezen Gods tot toereikende kennis van het wezen der Dingen kan voeren, en deze weinige woorden geven hem moed, heel zijn leven te wijden aan de beschouwing der dingen die hij kan bereiken en van welker essentie hij durft hopen, een afdoende kennis te erlangen. Alle uitvinden en ontdekken (beseft hij) is de uitoefening van een oorspronkelijk waarheidsgevoel, dat zich in stilte reeds lang heeft gevormd, en dan plotseling, met bliksemsnelheid, tot een vruchtbaar inzicht voert. Het is van binnen naar buiten werkende Openbaring, die den mensch zijn godgelijkheid laat vermoeden. Het is de synthese van wereld en geest, die van de eeuwige harmonie in het bestaande de heerlijke verzekering geeft. Bij voorbaat lijkt hem uitgemaakt, dat mensch, dier en plant zich volgens dezelfde wetten hebben ontwikkeld, dat op geen enkel gebied sprake kan zijn van plotselinge schepping, dat alles geleidelijk is gegroeid, dat de rijken der natuur onmerkbaar in elkaar versmelten. En met deze werk-hypothese gaat hij nu in ontleedzaal en museum, in bosch en gebergte aan 't onderzoeken, en brengt dingen aan het licht, wier beteekenis pas veel later officiëel door de geleerden zal worden toegegeven. Hij begint nu in een geheel andere laag der maatschappij vijanden te verwerven, door zich àls dichter te bemoeien met de wetenschap. Hij ontdekt het tusschenkaaksbeen bij den mensch, komt met de ongehoorde bewering dat alle organen van de plant vergroeide bladen zijn.[A] Voor de leerlingen der teekenschool geeft hij lezingen over het menschelijk skelet. Hij begint een boek te schrijven over de vorming van de gebergten,—waarvan slechts een kleine verhandeling over het graniet klaar komt. Ondanks al zijn pogingen om een bureaucraat te zijn, is hij vol nieuwe ideeën en inspiraties. Ieder hoofdstukje dat hij voltooit, elke dichtregel dien hij onderdrukt, brengt hem nogmaals het bewustzijn dat hij als schrijver is geboren, en dat zijn eenige roeping is: goed te zeggen wat hij in zich heeft.

Ten slotte houdt alleen zijn liefde tot Charlotte von Stein hem te Weimar. De bezuiniging, waartoe hij Carl-August dwingt, heeft tengevolge dat deze de noblesse van zijn tafel uitsluit. Zoo wordt de opperstalmeester weer soliede, en Goethes vertrouwelijk verkeer met Charlotte is gestoord. Nu zij in deze omstandigheden nog niet geheel de zijne wil zijn, komt hij tot nadenken, en gaat vaag zich afvragen of hij niet te hoog staat voor een zoo dubbelzinnige liefde. Hij kan van haar niets eischen en dus krijgt hij het nog eenzamer. En als hij ziet dat hij al zijn krachten heeft ingespannen om in de waardelooze buitenwereld iets te veroveren, daarvoor kwellend zijn eenige schat, zijn ik, komt hij tot de schrikkelijke slotsom: Dat de man die den Werther schreef zich liever voor zijn kop had moeten schieten dan zulk een leven te beginnen.

Dit beteekent dat hij uit het verblijf te Weimar heeft geleerd wat er voor hem uit te leeren valt, daar hij immers tot ideeën is gekomen die direct zich aansluiten bij het ideaal, dat hij zich in zijn beste jongensjaren heeft gesteld.

Hij moet weg en is ook meer en meer gaan weten, dat hij naar Italië moet. Hij kan geen Latijnschen schrijver lezen (uitgezonderd Spinoza, dien hij met Charlotte bestudeert), hij kan geen Italiaansche prent zien of onder hevige smarten moet hij zich losrukken uit de bekoring. Want daar in Italië staan de overblijfselen van de antieke beeldwerken, die belichamen wat ook hij zoekt: "de oudste, eerste, diepste gevoelens der waarheid", het wezenlijke, den ideëelen mensch, die het voorbeeld is van alle andere menschen die ooit kunnen leven.

Omstreeks dien tijd beginnen zijn vrienden hem aan te zetten tot de uitgave van zijn werken in acht deelen. Hij besluit daartoe als een Berlijnsch uitgever, die, zonder hem er in te kennen reeds drie edities van "Doctor Goethes Verzamelde Werken" heeft gebracht, zoo onbeschaamd is, hem een porceleinen servies te zenden als aandeel in de winst. Zoo is hij genoopt al wat achter hem ligt opnieuw te overzien, en nu wordt hem duidelijk dat het geloof in de schoonheid van de classieke kunst, waarin hij is opgevoed, zich omgezet heeft in besef van die schoonheid, en dat dit het eenige is, dat hem overeind houdt. Zijn ziekelijk verlangen naar 't land waar

"die Citronen blühn Im dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn"

kan slechts door werkelijke aanschouwing geheeld. In zuiverder en poëtischer atmosfeer dan Weimars "ijzeren hemel" hem kan bieden, wil hij de innerlijke rust veroveren, die hem in staat zal stellen het ongrijpbare dat hem voor-zweeft vast te houden. Na veelvuldige wisseling van geestesavontuur zal hij als gerijpt man tot zijn eigendom maken: de leeringen die hem reeds hebben toegewenkt, toen hij als jong student stuurloos zocht.

Nu de periode van zijn kamerpresidentschap ten einde spoedt, weet hij de zaken zoo te regelen dat ze voor- noch achteruit kunnen, al moest hij ook dadelijk sterven: Carl-August kan nu geen kwaad meer. Hij voorziet geweldige politieke beroeringen in de naaste toekomst en dit drijft hem tot haastig vertrek.

En gelijk hij al meermalen heeft gedaan: Als het tegen zijn verjaardag loopt, neemt hij (zonder dit er bij te melden) afscheid van zijn vrienden, van Charlotte, "zijn lieve hart" en—verdwijnt den nacht voor Carl-Augusts verjaardag. Den hertog geeft hij in een briefje den raad, te doen alsof hij wel weet waar dr. Goethe steekt.

Niet voor zichzelf is hij ditmaal gevlucht!

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 3 September 1786 tot 23 April 1788.
De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 3 September 1786 tot 23 April 1788.

"De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen — van 3 September 1786 tot 23 April 1788 —

XVI

Hier muss man solid werden!

Hij deed de postkoets bijna anderhalf etmaal onafgebroken doorrijden; vele merkwaardigheden die hij gaarne had bekeken snelde hij voorbij; want hoewel niemand zijn reisroute kende, vreesde hij met een bijgeloovige vrees, dat zijn vrienden hem zouden achterhalen en zijn plannen verijdelen. Maar te Triënt in Tyrool kwam koopman Phillip Möller (zoo noemde hij zich) tot kalmte. Schoon op Germaansch gebied, voelde hij dat het gewoel van kleurig gekleede, zongebrande, gracieus bewegende menschen onder den zuiver blauwen hemel een echte Italiaansche atmosfeer om hem heen weefde. En met afgrijzen dacht hij terug aan de plomp gevormde lieden daar onder de grimmige, bewolkte Noorderluchten achter hem, die hem het denken hadden vertroebeld. Met liefde nam hij een harpspeler en diens dochtertje een eindweegs mee in zijn koets. Hij haastte zich Italië binnen te trekken en—eenmaal te Verona—kwam hij waarlijk tot rust: Nu was hij gedwongen voortaan "de beminde taal" te spreken; hij trok Italiaansche plunje aan, mengde zich onder de marktbezoekers, gebruikte al wandelend zijn maaltijd, die uit druiven en vijgen bestond, koutte met de kinderen—als eertijds Werther—en verdiepte zich in het levendige gebarenspel van de ouders. Het deed hem goed, weer eens ongedwongen te babbelen met kleine luyden, die niet in hem zagen den geheimen raadsman des hertogs, die hem niet bewonderden, die hem niet bedienden—oftewel hulpeloos maakten. Dieper drong hij door in het land waar de citroenen bloeien: hier de nieuw-classieke bouwwerken van Palladio bestudeerend als moest hij architect worden, ginds met groote oogen de weeke omlijningen der bergen beschouwend; lettend op zeden en gewoonten, op plantengroei, landbouw, te veld staande oogsten, geologische gesteldheid; steenen bekloppend, mineralen toetsend; afkeurend wat in den eens zoo vereerden Gothischen (barbaren) stijl was opgetrokken; terloops aan de waaierpalmen te Padua (sindsdien Palmi di Goethe gedoopt) en aan leerachtige zeeplanten een bevestiging speurend van zijn pas verkregen botaniesch inzicht.

Naar Venetië, de lagunenstad waar elk plekje grond ontworsteld was aan de zee, en welker bewoners toch kunstzin genoeg bezaten om hun huizen en kerken, paleizen, bruggen niet alleen sterk maar vooral statig-mooi te bouwen. Hier werden allerlei onverteerde woorden, hem uit beschrijvingen en uit de verhalen van zijn vader bijgebleven, hem tot phantastische werkelijkheid; hij zag de versierde schepen deinen op het blauwe water, hoorde de gondeldrijvers hun antieke rhapsodieën galmen, aanschouwde den grijzen Doge in hermelijn en goud met de Phrygische muts op, omstuwd door senatoren in violette of roode sleepgewaden. Voor het eerst in zijn leven stond hij aan een zee, maar hij vergat in zijn dichterlijken geestdrift niet, strandplanten en weekdiertjes te onderzoeken.

Hij is zoo verzonken in het jeugdig losse, rustig vlugge Italiaansche leven, dat hij zich verjongd voelt, en met duidelijker uitgesproken bedoelingen verder reist.

Nu richt hij zich over Florence naar Rome, "de hoofdstad der aarde". Reeds tweemaal is hij daarheen op weg geweest, en tweemaal heeft "een sterke magneet" hem onverhoeds naar 't Noorden getrokken. Hij vreest dat hij ook nu Rome niet zal bereiken, en in zijn bijgeloovig ongeduld besluit hij telkens zijn weg te bekorten, allerlei kunstschatten dan maar niet te zien. Ten leste gunt hij zich geen tijd meer om zich bij het slapengaan te ontkleeden: dan is hij eerder klaar met het bekijken van merkwaardigheden die hij zich niet màg laten ontgaan. Een voerman die hem—vroeger dan in zijn plan lag—naar Rome wil brengen lijkt hem door de Voorzienigheid gezonden: maar een ander, die nòg vroeger vertrekt, is van harte welkom.

Eindelijk geschiedt dan het ongelooflijke. En Goethe, die anders niet schijnheilig genoeg is om te bidden, zendt een vurige dankbede ten hemel: van nu af heeft hij twee verjaardagen te vieren. Weken en weken lang ziet hij dagelijks nieuwe schoonheden—oude bekenden en toch nieuw. Huiverend van ontzag staat hij voor de overblijfselen van antieke bouw- en beeldwerken: het Pantheon, het Colosseum (nog niet gerestaureerd en hem meer door romantische bouwvalligheid dan door architectoniesch schoon bekorend), de waterleidingen, de Apollo van Belvedere, de reusachtige Jupiter- en Juno-bustes, de Minerva medica, en de Hercules Farnese. De halfbesluierde schilderingen van Rafael dunken hem minder diep; de sprekende fresco's van Michel Angelo in de Sixtijnsche kapel zijn de eenige kunstuitingen van later tijd die in zijn schatting niet al te zeer afsteken bij het antieke. De ouden, begrijpt hij, dachten niet aan artistiek effect: zij bouwden hun tempels, zij vormden hun beelden tot getrouwe manifestaties van oprechte grootheid en trotsch zelfbewustzijn; geen hunner die dacht aan een tegennatuurlijk opluisteren of bepleisteren van zijn gewrocht. En de Duitschers brengen machteloos hemelstormende kerken, gepleisterde paleizen, doodgeboren beelden voort, wijl het hun aan grootsch innerlijk leven ontbreekt! Slechts een krachtig volk kent groote kunstenaars.

Gedurende de vier wonderwarme wintermaanden, die hij te Rome doorbrengt, heeft hij een eminenten leidsman in den historieschilder Tischbein, die de stad door lange studie in den geest van Winkelmann heeft leeren kennen. Nog enkele Duitsche kunstenaars—vrij middelmatig als uitvoerders maar sterk als bespiegelende theoretici—en ook de schoone, reine schilderes Angelica Kaufmann weten wie de zonderlinge koopman Möller (uit Leipzig!) is, en in twee documenten blijft aanschouwelijk vastgelegd hoe ze hem eerbiedigen. Het eene is een doek van Tischbein, voorstellende Goethe met grooten slappen reishoed en weeldig-peinzend gelaat, zich uitstrekkend te midden van oud-Romeinsche ruïnes: jammer genoeg heeft de ontwerper hem een langen witten mantel omgelegd,—die niet naar het leven is genomen doch naar een lap, om een hout model gedrapeerd. Het andere document is een marmeren portretbuste door Alexander Trippel, bijgenaamd "de Apollonische Goethe": een bekende buste van den Zanggod, doch met Goethes gelaat.

Vele omstandigheden dragen er toe bij, dat onze reiziger zijn aandacht aan het openbare leven onttrekt en die geheel wijdt aan kunstbeschouwing: als protestant èn als denker heeft hij een afkeer van het Roomsche volksleven, dat zich in het onmenschelijke Carnaval-rumoer karakteristiek teekent. Hij toont zich teleurgesteld als hij ziet hoe Gods stedehouder op aarde "als een gewone paap" voor het altaar buigt en pruttelt; de staatsman in hem wordt gekwetst door het wanbeheer waaraan het kerkelijke land ten gronde gaat en door de dwaze hebzucht van Paus Pius VI, die gedoogt dat onmisbare kunststukken, die in Rome thuishooren, door goedbetalende buitenlanders worden weggesleept. Nu de historische ontwikkeling van de classieke kunst bestudeerend, vindt hij orde in de overstelpende verscheidenheid van merkwaardige voorwerpen, die hij dag-in-dag-uit aantreft, en oordeelt dat Oesers verdienstelijke leerling Winckelmann veel heeft gepraesteerd, maar (helaas op jeugdigen leeftijd vermoord) ook veel heeft nagelaten.

Hij trekt nu naar Napels en beleeft daar ervaringen van geheel anderen aard. Zijn vader heeft hem herhaaldelijk een mooie gravure, waarop de Golf van Napels is te zien, in prijzende bewoordingen toegelicht, en zoo niet weinig bijgedragen tot het ontstaan van den "Sehnsucht" naar Italië, die hem lange jaren plaagde. Maar nu hij de cypressen en de blauwe baren en de witte huizenmassa's en de dampende Vesuvius mag aanschouwen van nabije, weet hij voor zijn geluk geen woorden. Vergeleken bij de lachende, schitterende tuinstad, lijkt Rome hem een klooster. Zijn aandacht vestigt zich nu meer op de zinnenwereld. Hij zet zijn natuurstudie gretig voort, werpt zijn incognito af en—leeft, in opgewekten omgang met vroolijke, schitterende, wereldsche, ten deele allerzonderlingste "genieën". Hij tracht de lichtzinnige Napolitaansche luiheid te verklaren en aan te leeren. Hij voelt zich zoo blij, dat hij tot zichzelf zegt: Of je was tot nog toe stapel, òf je bent het nu!

Een zeereis van vier dagen—de eerste in zijn leven—brengt hem naar de lichte reede van Palermo op Sicilië, naar het eiland waar Homeros' sproken handelen. Hij is een oogenblik van plan de Nausikaa-sage dramatiesch te bewerken, maar hij laat het plan weldra varen. Van historie wil hij niet meer weten, uit vrees, het welbehagen waarmede de rijke plantengroei van Sicilië hem vervult te breken. Hij zoekt ijverig naar zijn "oerplant", maar hij kan ze (al worden zijn theorieën door de werkelijkheid sterk bevestigd) niet vinden; wat begrijpelijk is, daar zijn oerplant slechts een idée vertegenwoordigt.

Midden in den zomer keert hij over Napels naar Rome terug en—schoon voornemens spoedig van zijn vrienden daar te scheiden—blijft hij er nog bijna een jaar. Carl-August (met wien hij, nadat het doel van zijn reis is bereikt, weer in correspondentie is getreden) heeft niet alleen zijn vacantie verlengd, maar hem ook uit zijn ambtsplichten ontslagen, voor zoover hij hem niet uit eigen beweging in de toekomst ter zijde wil staan. Nu is zijn ziel gerust, zijn lichaam gezond, zijn geest vindingrijk, en hij bezwijkt voor de verleiding, een onbekrompen kunstenaarsleven te gaan leven, waarin al zijn gaven tellen mee. Hij voltooit zijn Egmont, bouwt voort aan Faust, Iphigenie, Tasso. Zijn oude neiging tot schilderen komt weer op; zijn vrienden geven hem les in kleurenleer, in 't teekenen van landschap, mensch, figuur; hij werkt vlijtig en wilskrachtig, en wint nu definitief de overtuiging, dat hij "slechts" dichter is. Dit stelt hem te leur, maar het bevrijdt hem tevens van den lastigen plicht, zijn klein teekentalent te ontwikkelen. Intusschen is zijn vermogen: als schilder de dingen te zien en te combineeren, nog toegenomen, en daarmede zijn ontzag voor de overblijfselen van antieke kunst, die hij leert beschouwen als crystallisaties van grootsche droomen, als—natuurverschijnselen. Bij het vele dat zijn geest doorleeft voegt zich nu ook de muziek: de componist Kayser, die zijn zangspelen Claudine en Erwin und Elmire toonzet, brengt hem proeven van al wat de menschheid op dit gebied heeft voortgebracht ten gehoore. Hij is nu zoo onbevooroordeeld en naïef Italiaan geworden, dat hij kerkelijke plechtigheden niet alleen niet meer mijdt, maar ze ook leert waardeeren. Zelfs zijn behoefte aan vrouwliefde—die hij ook na een breuk met Charlotte von Stein (waarover nader) norsch heeft onderdrukt—gaat zich roeren. Bij het landschapschilderen ontmoet hij een mooie geestige Milaneesche met blauwe oogen, die hem bemint, echter reeds verloofd is, zoodat hij afstand van haar doet en daarbij blijft als zij vrij raakt. Maar nu zijn hart eenmaal warm is en hij—het Italiaansche schoon genietend—reeds lang naar zuidelijke maatstaf heeft leeren meten, geeft hij zich eenigen tijd over aan een los en luchtig liefdeleven; iets dat velen in hem veroordeelen, vergetend wat hij in dien tijd is, wat hij jaren en jaren geweest is, wat hij—mede door deze vrijgevige uitviering van al zijn talenten en verlangens—zal worden.

Tegen Pinksteren moet hij afscheid nemen van zijn vereerders, die hem zoo beminnen dat zij zich moede schreien,—hoewel slechts Angelica Kaufmann zijn Iphigenie bij voorlezing begrijpt (maar dan ook, zooals geen vrouw na haar ze heeft begrepen). Nog eens zwerft hij langs de oude ruïnes.... Helder maanlicht doet zoowel détails als slagschaduwen scherp uitkomen. Nu hij zich van dit alles losrukt voelt hij een kiem van waanzin in zijn ziel, en begrijpt, dat hij goed zal doen daar niet over te peinzen....

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
ornament hoofdstuk XVII
ornament hoofdstuk XVII

XVII

Gij hebt mij weder tot dichter gemaakt! GOETHE aan SCHILLER.

STELLIGE WINST

Zijn waarneembaar terugkeerende gezondheid, zijn ongedwongen kennismaking met een bende zorgelooze, gezellige, levenslustige menschen, die van weinig rondkomen en een waar genot vinden in droomen, kijken en ademhalen; zijn onafhankelijke positie—het ministerstractement gaat door en hij heeft het honorarium voor de nieuwe uitgaaf van zijn werken bij voorbaat ontvangen;—zijn vrijheid van beweging in veelkleurig en belangwekkend natuurschoon en tallooze kunstwerken, die alle het stempel toonen van grootsche beslistheid—dit bijeengevoegd brengt hem in den zielstoestand, waarbij de mensen slechts met eigen Ik heeft af te rekenen, daar geen maatschappelijke of stoffelijke zaken hem ergeren, of de expansie zijns geestes in den weg staan.

Hij krijgt geen eigenlijk nieuwe ideeën, maar zijn eens kwijnende en schrikachtige gedachten worden nu "zoo stellig, zoo levend, zoo samenhangend, dat zij kunnen doorgaan voor nieuwe". Hij heeft erlangd de helderziendheid, die hij zich eens beloofde: hij wil voortaan slechts met dingen van blijvenden aard zich bezig houden, teneinde voor zijn Geest de eeuwigheid te verwerven.

De marteling die Charlotte von Stein hem (met zijn toestemming en medewerking) gedurende een tiental jaren heeft opgelegd, heeft hem wel geleerd, in alle levensverschijnselen vooral het geestelijke en innerlijke te zoeken en te genieten; doch deze leering heeft hem overspannen en vernederd. Immers een ruwe scheiding tusschen de drangen zijns lichaams en de aspiraties zijns geestes was hem bevolen: "harmonie" tusschen het zedelijke en het zinnelijke liet zich alleen door vervloeking en verdrukking van een dezer fundamenteele levensuitingen bewerkstelligen. Aan dezen verwarrenden strijd komt voor hem onder den zeer klaren Italiaanschen hemel een eind; de luchtige liefde die hij te Rome geniet is een evenwicht herstellende revanche voor de leerrijke doch op den duur ongepaste slavernij te Weimar. En, eenmaal aan de verwarrende coquetterie van Charlotte ontkomen, overwint hij den twijfel, die hem de voltooiing van allerlei werkstukken heeft belet. Eindelijk weet hij dan onder woorden te brengen: wat een oprecht en eeuwig kunstwerk onderscheidt van de kunstvaardige doch oppervlakkige nabootsing van de natuur; schoone natuur of leelijke natuur.

—Een beeld, een schilderij, een drama heeft STIJL (dus spreekt hij het uit) wanneer het is beslist gesteld en strak omlijnd en in zijn kleinste détails aan inhoud rijk; wanneer het in "edelen eenvoud en stille grootschheid" weergeeft de typische gestalte, die het wezen der dingen aanneemt en noodzakelijk moet aannemen; zoodat zulke zinnelijke belichaming van het ware, hoe tastbaar en waarneembaar ook, den beschouwer een afspiegeling dunkt van het oerverschijnsel, dat rechtstreeks stamt uit Gods werkplaats en een voor-besef inboezemt van al wat geweest is en komen kan; van het Eene, dat veelvuldig zich openbaart, en dat den mensch onbekend zou blijven indien het niet verscheen.

Hiermede is verklaard dat Goethe zijn bewondering voor de overblijfselen van antieke kunst zegt door ze natuurverschijnselen te heeten; menschenwerk, ja, doch even onberispelijk en geweldig als het van God rechtstreeks geschapene; en toch niet een nabootsing van de natuur, maar: waardige uitlegging van de natuur.

Onder den indruk van de antieke en de betere Renaissance-bouwkunst (vooral het werk van Palladio) maakt hij van zijn bewondering voor de Gothiek—die in den loop der jaren snel is verflauwd—definitief zich los. Met grimmigen spot hekelt hij de pijpsteel-architectuur, die grootsch met groot verwart, en het grootsche zoekt te bereiken door domme opeenstapeling en herhaling van hetzelfde motief; die God tracht aan te raken door met spitse torens den hemel gewelddadig te bestormen; die met haar pilaren van opeengeplaatste heiligen juist den onzin waard is, die er in wordt geleeraard.

In den tijd dat hij zich meer dan ooit dichter en profeet voelt zingt hij geen geestdriftige zangen, schrijft hij tamelijk koele brieven, legt zich toe op de studie van gesteenten, infusoriën en lagere planten. Dit is geen liefhebberij van hem, zooals zijn vrienden wanen; geen poging om motieven te ontwerpen voor mooie arabesken en vlakversieringen, zooals zijn leermeester Tischbein verwacht; en het is geen "kunst van het genieten", die (gelijk een groot Goethe-kenner beredeneert) hem er op Sicilië toe brengt voor de historische uiteenzettingen van zijn geleider het oor te sluiten en alleen te letten op landbouw en plantenweelde. Hij zoekt als natuurvorscher bevestiging van zijn hypothese: dat de veelsoortige vormen en gestalten in het mineralen-, het planten-, het dierenrijk zijn terug te brengen tot enkele oer-verschijnselen, waaruit zij zich zonder schokken en volgens de wetten die den wereldgeest inhaerent zijn, hebben ontwikkeld. Als dichter, als natuurvorscher, als kunstrechter zoekt hij door idee-belichaming, door onderzoek, door overpeinzing het wezen der dingen te naderen.

Zijn pogen om alle dingen, menschelijke en ook natuurlijke, als een openbaring van het goddelijke te beschouwen, neemt een aanvang in zijn studententijd, voordat hij Spinoza kent; het is in zijn werk d.i. de uiting van het onbewuste binnen hem, na te wijzen. Doch pas in Italië heeft hij met zijn denken dit onbewuste doorgrond; begrijpt hij dat hij met dit onbewuste wortelt in den goddelijken wereldgeest, en daardoor dingen kan bevroeden, die hij nooit heeft waargenomen of ondervonden.

Hiermede is zijn dichterlijke intuïtie voor zijn denken gerechtvaardigd, gaan deze twee hoofdrichtingen zijns geestes voortaan in harmonie. Van den twijfel of hij naar de natuur moet werken of moet uitspreken zijn idealen, van dien twijfel is hij genezen. Hij weet, dat hij in zijn werk niet, naar den gewonen zin des woords, natuurlijk behoeft te zijn. Hij moet menschen en toestanden na-scheppen zoo, dat hun daden overtuigend en beslist zijn als de werkelijkheid; maar ook wijzen op het gemoed, dat ze schiep en dat deel heeft aan het goddelijke, oneindige. In dezen geest zal hij, steeds meer doelbewust, zijn vroeger ontworpen en ten deele uitgewerkte drama's gaan zuiveren en voltooien.

Als hij—kort nadien—de hier geopperde stijl-formule aan Schiller zendt, voegt hij er aan toe, dat hij, ze herlezend, het gevoel krijgt dat hij met een kinderschopje de zee wil leeghappen. Natuurlijk! Want deze formule is een gewaagde poging om zijn onbewust werkend scheppingsvermogen—dat alle formules naar den duivel wenscht—met zijn redeneerend verstand te benaderen. Hij gaat deze formule niet "toepassen", maar ze hergeeft hem het vertrouwen in zijn, nu gelouterde, intuïtie. De lezer zij er derhalve op bedacht, dat ook in de hier volgende drama's elementen leven die met dit kunstbegrip spotten.

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
Het treurspel Egmont, in 1775 te Frankfort ontworpen, werd in 1787 te Rome afgesloten.
Het treurspel Egmont, in 1775 te Frankfort ontworpen, werd in 1787 te Rome afgesloten.

"Het treurspel Egmont, in 1775 te Frankfort ontworpen, werd in 1787 te Rome afgesloten.

XVIII

EGMONT

Dit treurspel werd ontvangen in de Sturm-und-Drangperiode. De auteur van den Götz had toen alleen het plan, de geschiedenis van een vrijheidsheld te dramatiseeren. In de meening dat het verleden van Duitschland uiterst arm was aan helden, wier karakter hij zijnen tijdgenooten ten voorbeeld mocht stellen, was hij in de Nederlandsche historie gaan zoeken en had daar eigenlijk—niet gevonden.

Immers, bleef hij, zijn eerste drama samenstellend, aan de geschiedkundige gegevens nagenoeg getrouw, hier bleken belangrijke afwijkingen hem geboden. Goethes Egmont heeft één karaktertrek slechts gemeen (maar hij bezit hem in veel hooger mate!) met de ietwat dubbelzinnige figuur, die in onzen grooten bevrijdingskamp een ongezocht-pijnlijke doch uit chauvinistiesch oogpunt zeer dankbare decoratieve rol speelde; een karaktertrek welke pas sympathie verdient, als hij niet samenhangt met de neiging om van twee wallen te eten, doch—gelijk in het treurspel—op zich zelf staat. Bedoeld is het ziende blind zijn voor een groot en nabij gevaar, het onvoorwaardelijk toegeven aan den lust tot (hier onschuldige) genieting, ook al leidt deze genieting rechtstreeks en manifest naar ondergang; de karaktertrek, kortom, die den Held van dienst is als hij roekelooze ondernemingen waagt en die "het demonische", naar Goethe het meermalen noemde, vat geeft op den mensch.

Ouder gewoonte heeft Goethe hier weer een uiterlijk bewegingsmotief van een karakter opgelost in en vervangen door een ondeelbaren grondtrek van een schooner karakter: De historische Egmont valt in Alva's handen, doordat hij—te zeer gehecht zijnde aan zijn vrouw en zijn elf kinderen—niet durft vluchten; Goethes Egmont daarentegen tengevolge van de hem aangeboren glimlachende besluiteloosheid, van zijn onverzettelijk goed-geloof, door een soort van levenslust, die hem doet wanen dat niets in staat is hém te treffen. Niet Alva's verraad brengt zijn ondergang, maar zijn innerlijke tegenstrijdigheid die dit verraad mogelijk maakt. Terwijl hij zich gereed stelt om te vechten voor de vrijheid van een volk, blijkt (en ziedaar het door Goethe niet uitgewerkte tragische element) dat zulke vrijheid, als met geweld van wapenen zich laat veroveren, hém zeker niet zou baten, daar hij immers de vrije beschikking over zijn groote natuurlijke gaven mist.

Goethe voelde destijds zich in de sfeer van het demonische gerukt. Hoewel bij ondervinding wetend dat zijn liefde noch hem noch de uitverkorene gelukkig kon maken, had hij zich gebonden aan Lili. Hoewel begrijpend dat haar gemoed en haar omgeving hem nooit zouden bevredigen, had hij haar gezocht, nadat hij haar was ontvlucht, bleef hij aan haar gehecht nadat de verloving was verbroken. Geen redeneering, geen vriendenraad, geen vast besluit, slechts de conceptie van een waarschuwend beeld kon hem bevrijden: Egmont! En de historische stof moest zich aanpassen aan zijn sentimenteele behoeften van dat oogenblik. Terwijl de hertogelijke kamerheer (die hem als het ware naar een nieuw leven zou voeren) zich liet wachten, behield hij zijn bezinning door koortsig werken aan dit beeld. Te Weimar stokte de uitvoering, daar de conceptie haar heil volbracht had; slechts de bekoorlijke scènes werden te boek gesteld. In Italië voltooide Goethe het werk—denkelijk meer om zijn auteursplichten te vervullen (de complete en geautoriseerde uitgaaf van zijn "Schriften" zou alles bevatten wat hij in zijn voor-classicistische periode had ontworpen) en om het genot, weer-jong wordend, te blijven in den toon van het begin, dan om de pas-opgevatte kunst-principes te openbaren.

Zoo zijn in dit stuk het wapengekletter en het cinematographische gewirwar en het Shakespeare-pathos van Sturm-und-Drang; de losheid, de diplomatie, het ambtelijk pedantisme, de zwartgalligheid en de vluchtig-schoone gezichtseinders van de ministerjaren; en de bezonnen levenskijk, het streven naar symmetrische rust, naar inhoudzware kortheid van Goethes Italiaansche periode aan te toonen. En al deze momenten strijden om de heerschappij over den Egmont.

Een rad met zoo veel assen kan slechts stilstaan of uiteenspatten. De thema's, in een stuk dat als harmonie bedoeld is, die elkaar niet steunen, die, na gestreden strijd, niet opgaan in een rustig Geheel, doen elkaar te niet. Een straatgevecht kan, als het op zich zelf geen functie heeft, wel voeren naar een hartroerende sterf-scène of naar een luidruchtig triomf-festijn, doch niet naar de plechtig stille binnenkamer, waar twee bevriende groote mannen (Willem de Zwijger en Egmont) in precieus gekozen bewoordingen, met het doffe rhytme van onderdrukten hartstocht, uitspreken de diepste levensbeginselen, die hen voor eeuwig scheiden. En zoo is dit treurspel een los samenhangende mengeling van prachtige brokken, welker plaatsing in het geheel wel door afzonderlijke redeneering te verdedigen valt, maar die niet onmiddellijk, d. i. voor het oog van den toeschouwer, samenvloeien. Echter een doelmatig gevonden muziek, die de ruimten tusschen de verschillende sferen waarin de Egmont zich beweegt overbrugt, en zoo den overgang van het een in het ander voor de ziel des toeschouwers geleidelijk maakt, doet het als gehéel tot zijn recht komen. Als zoodanig is Beethovens compositie van Egmont bedoeld. Doch ook de schouwburgbezoeker die voor muziek even gevoelig is als voor dramatische effecten, en die dus in staat zou zijn dit nieuwe geheel onverdeeld te genieten, moet dit genot derven, daar Schiller, het stuk voor het nationale tooneel te Weimar bewerkend, (en deze bewerking wordt doorgaans opgevoerd) er sommige passages en personen uit heeft geschrapt, waardoor muziek en dramatiek elkander niet geheel meer dekken.

—Het grondgegeven van dit treurspel: de luchthartige, zwierige, dappere, vertrouwende Egmont, door het volk bemind maar niet begrepen, die ondanks vele gemotiveerde waarschuwingen op Alva's komst blijft wachten en door beulshanden sterft; hadde zich beter geleend tot een tragedie dan de Götz-cronyk. Götz is een eerlijke vechtersbaas, die wel weet dat de wereld het land aan hem heeft, doch met zijn achterwerk naar de wereld gekeerd op de vensterbank plaats neemt, daar door een uiterst onwelvoeglijke verrichting doet blijken wat hij van de wereld denkt, en het voor 't overige laat aankomen op zijn beproefd zwaard. Het tragische is, dat de domme, zenuwachtige Keizer Maximiliaan hem dit zwaard uit handen slaat, liever dan te buigen voor zijn ziele-adel. Doch dit is, welbeschouwd, niet te verwonderen: in dergelijken vorm ontmoet men het tragische bijna dagelijks. Egmont echter begrijpt de wereld niet, terwijl de wereld hem over 't geheel niet kwaad is gezind: landvoogdes Margareta en ook Alva's zoon, die zijn vijanden moesten zijn, vinden hem een sympathieken vent en willen hem graag helpen. Maar de menschen, vrienden en vijanden, die hem liefhebben en willen redden, hebben iets spokigs voor hem: hij kan niet gelooven dat hij ze hoognoodig heeft. De hem omringende wereld (zou Goethe later in een ander verband zeggen) blijkt telkens in tegenspraak met zijn persoonlijkheid, met het ìn hem levend ideaal van de dingen, omdat het idee dat hij van God heeft, datgene wat hij van God vermag te begrijpen nog zoo verre van God verwijderd blijft. En de macht die hém neervelt, het onbegrepene in den mensch, dunkt hem een afschuwelijke macht der duisternis, half sluipmoordenaar, half straffende voorzienigheid. Vandaar dat Egmonts ondergang binnen ons meer gedachten in beweging brengt en dus aangrijpender is dan de ondergang van Götz, al is de laatste uitvoeriger verbeeld.

Gedurende de jaren dat Goethe van 't geloof aan het demonische was vervuld, had hij die macht der duisternis in al haar verschrikkende onafwendbaarheid, "die door geen verstand of rede is op te lossen", voelbaar kunnen maken. Toen meende hij wel eens dat het dramatische is: de laatste oorzaak en het laatste doel van al het aardsch gebeuren. Doch de man, wiens Iphigenie het "Elke menschelijke tekortkoming wordt door reine menschelijkheid uitgeboet" reeds had verkondigd, wist aan Egmonts ondergang de wrange vreugd des dichters niet meer te beleven. Hij kon in dien ondergang niet meer berusten. Evenals zijn moeder ontweek hij het tragische, maar wat zijn moeder wenschte: de oplossing—dat had hij gevonden. Deze oplossing ontstond (zooals de lezer in Iphigenie zal bespeuren) niet door een verandering van de omstandigheden, maar door een vertroostenden en reinen kijk op de omstandigheden, m.a.w. in de wijze waarop hij voortaan verwikkelingen zou begrijpen en dus weergeven.

Doch de romp van den Egmont was in een vroeger gemoedsstadium ontworpen, de verwikkeling was er dus nog op de oude wijze gesteld. Toen hij er nu de nieuw-gevonden ontknooping aan wilde sluiten, merkte hij dat verwikkeling en oplossing niet pasten op elkaar. Echter, hij wilde in ieder geval een vertroostende ontknooping, en zoo moest hij wel zijn toevlucht nemen tot die "salto mortale in de opera-wereld" (zooals Schiller het wel scherp, maar nauwelijks correct heeft genoemd) tot de apotheose, waarin Clare, Egmonts lieveken dat zich pas om 't leven heeft gebracht, dezen in den kerker verschijnt, en, terwijl het schavot wordt getimmerd, haren held een lauwerkrans reikt. Egmont, gehallucineerd, verkondigt in rhytmiesch proza hoe vruchtbaar zijn vreugdig sterven in de zielen van de nakomelingen zal werken; nadat hij—o wraak van den rijpen Goethe op den aarzelenden Wolfgang—den schijn heeft gewekt dat hij sterft als martelaar, omringd door de dreigende speerpunten, welke de Goethe die het stuk ontwierp in het stuk zelf heeft vergeten. Zoodoende den ondergang van één menschenleven opheffend in de sfeer van de gerechtigheid der historie, maakt Goethe dien ondergang dragelijker voor—den toeschouwer. Of hij er zelf vrede mee heeft gehad mogen wij betwijfelen.

Hoewel dus in den Egmont nog minder dan in Götz de dramatische (d. i. zichtbare zoowel als voelbare) eenheid van handeling is bereikt, hoewel de geschiedkundige achtergrond er zoodanig naar voren treedt dat Margareta, Machiavell, Oranje, een aantal Brusselaars aanvankelijk handelende personages schijnen, en door hun plotseling wegblijven den toeschouwer de verwarrende ontdekking brengen dat hij zijn aandacht had misplaatst; is dit treurspel bij 't publiek zeer geliefd. Het publiek is altijd te vinden voor drama's die vele beminnelijke menschen op de planken jagen. Het publiek begrijpt geenszins, hoe slecht het er zelf af komt in dit treurspel. De volksgezinde titelheld, de voorzichtige, wijze en (wat voor het publiek wel aangenaam is) ietwat woordrijke Willem de Zwijger; het naïef vurige Clärchen (dat aan Friederike herinnert); haar geduldige aanbidder Brackenberg; ze zijn zoo levend en toch zoo ideaal, dat ze zelfs den scherpen criticus in verrukking brengen.

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending
Het schouwspel Iphigenie in Tauris ontstond in 1779 en kreeg in 1786 zijn definitieven vorm.
Het schouwspel Iphigenie in Tauris ontstond in 1779 en kreeg in 1786 zijn definitieven vorm.

"Het schouwspel Iphigenie in Tauris ontstond in 1779 — en kreeg in 1786 zijn definitieven vorm —

XIX

IPHIGENIE IN TAURIS

Met dit werkstuk zijn vervuld de aspiraties die wij bij het kind Wolfgang reeds zagen kiemen, die wij bij den jongeling en den man nu eens zagen onderduiken, dan weer zich ontplooien. Iphigenie is "de schemering die waar en onwaar verbindt", die den toeschouwer laat zien wat hij nooit gezien, hooren wat hij nooit gehoord heeft; het drama waarin toevallige motieven, onafhankelijk van het grondgegeven, overbodig zijn. Het moest dus worden het drama zonder uiterlijke handeling, dat wij in het oriëntatie-hoofdstuk in verband met Goethes aanleg reeds tegemoet zagen; het drama dat men kan genieten met gesloten oogen, zooals men goede muziek geniet, die louter zielsbewegen is.

Het verwondere niemand, dat de beoordeelaars van de Iphigenie al heel wat "esthetiesch" misverstand hebben verkondigd; immers, hier is Goethe op zijn grootst.

Men meent den Iphigenie-dichter geen schooner eer te kunnen bewijzen dan hem toe te kennen den titel "classicist", daarmede in zooveel woorden bedoelend, dat hij door langzame en geleidelijke ontwikkeling van het dramatiesch gebeuren, door zijn eenvoudige tooneel-oeconomie, door de scherpe omlijning van zijn figuren en hun bedoelingen, door zijn verheven doch eenvoudige taal, alsook door zijn echt-Helleensch onderwerp, de Grieksche tragedisten "uitnemend" heeft nagebootst. Alsof het voor den eersten Duitscher een eer zou kunnen zijn, een "uitnemend" Griek te heeten.—Andere beoordeelaars gaan niet zoo ver, maar meenen toch—zich daarbij beroepend op Goethes uitspraak: "Ieder zij een Griek op zijn wijze, maar hij zij het!"—dat hij van de Grieksche inkleeding zooveel heeft overgenomen als met zijn Duitschen smaak en met de eischen van zijn taal, "de onverwinnelijke taal" (zooals hij ze in de Venetiaansche hekeldichten noemt), was te rijmen. En daartegenover staat dan het oordeel van Schiller (gedeeltelijk als een veroordeeling bedoeld), dat dit drama is "verwonderlijk on-Grieksch", wijl het is een-en-al Ziel.

Uit de in voorafgaande bladzijden gegeven schets van Goethes geestes-evolutie tot aan zijn vertrek naar Italië, volgt een ontstaansgeschiedenis van Goethes classicistiesch kunst-inzicht, die met boven-aangehaalde uitspraken niet in overeenstemming is te brengen. Goethe ging niet naar Italië om daar aan de overblijfselen van antieke beeldwerken (let wel: de beeldwerken, niet de drama's boezemden hem belangstelling in!) te leeren wat echte kunst is; maar hij voelde zich naar Italië getrokken, vermoedend dat daar te aanschouwen waren de kunst-gestalten, die het algemeen-menschelijke met het individueele vereenigden, aardsch en hemelsch tegelijk, zooals hij ze in zich voelde rijzen, nadat hij de ijdelheid van vele aardsche aankleefselen en de schadelijkheid van vele aardsche hartstochten uit eigen ondervinding had leeren kennen. Hij droeg de schepping-mogelijkheid reeds mét zich, en meende door voortdurende veredelende beschouwing van de classieke beelden die mogelijkheid sneller tot werkelijkheid te zien crystalliseeren.

Dàt hij deze scheppingsmogelijkheid reeds in zich droeg bewijst de reeds vroeger aangeroerde comedie Die Geschwister, welke niet alleen naar den inhoud als een burgerlijke voorloopster van de Iphigenie is te beschouwen, maar vooral ook naar de daarin gevolgde methode van stof-opvatting. De handeling speelt er ten huize van den braven koopman Fabrice, maar de gevoelige toeschouwer krijgt den indruk, dat zoowel het milieu als de achttiend'eeuwsche costuums, waarin de figuren zich bewegen, hen hinderen in hun doen en laten, hun lieve en gevoelige gezegdes te naïef doen schijnen, en op een gegeven oogenblik àf zullen vallen, opdat deze menschen zich kunnen toonen gelijk ze van God zijn geschapen: niet als koopman, niet als huishoudster, maar als ontijdige en beminnelijke menschen, zooals ze nergens en toch in alle standen, alle professies, alle eeuwen worden aangetroffen. Doch de overbodige inkleeding valt niet weg, en daardoor wordt de ontwikkeling van de karakters in deze comedie gedrukt, zonder dat de realiteit van de personen er bij wint: zij passen niet in de lijst van de gewone, burgerlijke samenleving. Dit is een fout. En—mogen wij in Goethes natuur-historische hypothese betrouwen, die toepassen op het terrein van den geest—dan is deze vergroeiing ons meer waard dan een gewone àfwijking van 's dichters talent: ze verschaffe ons licht in een later stadium van zijn evolutie.

Nu dan, de figuren in het schouwspel "Iphigenie" zijn menschen in de losse gewaden, die hun vormen schoon verhullen en edel laten vermoeden, die hun bewegingen vloeiend en toch strak doen zijn; en deze menschen, deze wezenlijke menschen, blijven aardsch genoeg om "natuurlijk" te denken, maar zijn ook ideaal genoeg om een afspiegeling te mogen heeten van het noodzakelijke, goddelijke, oer-menschelijke, waarnaar men zich alle menschen geschapen acht, volgens eeuwige, onveranderlijke wetten. En niet in een knus kantoor gevoelen zij en hopen zij, maar in een heilig woud, waar de kolommen van den Artemistempel door het geboomte schemeren, en het ruischen van de onafzienbare zee den mensch noodt, in overpeinzing met zich zelf alleen te zijn, rechtstreeks onder het hemelgewelf. Deze classieke menschen heeft Goethe reeds in Die Geschwister gezocht!

Goethe kende het Grieksche drama wel, toen hij naar Italië ging; ware het hem daar om te doen, dan hadd' zijn eigen boekerij, hadd' de armste Duitsche bibliotheek hem reeds leering genoeg geboden. Maar de beeldkunst, niet de dramatische, was de zuiverste uitdrukking van de classieke rustige grootschheid. Fijnere dramakunst kon in de oudheid niet ontbloeien (gesteld eens dat men ze hadd' verlangd), wijl de toenmalige openbare schouwspelen (gegeven voor duizenden, op marktpleinen, door acteurs op hooge schoenen en met maskers voor, waarin spreektrompetten) op grove, massale uitwerking waren berekend, langzaam waren van ontwikkeling en rijk aan behendige herhalingen, omdat bijna geen enkel toeschouwer naar huis ging zonder vele gedeelten te hebben gemist. Maar vooral ook, wijl zij—in overeenstemming met het toenmalig psychologiesch inzicht—gaven passies als zoodanig. Daarom kon Goethe ze niet navolgen: voor hem zijn de menschelijke aandriften onderworpen aan zedelijk oordeel en aan zedelijke tucht; voor hem loopt de mensch niet blind en willoos tegen de Goden te pletter; zijn eigen ziel is het raadsel, welks oplossing hem uit den greep van het Noodlot bevrijdt. Vandaar dat Schiller dit "uitnemende" Grieksche drama "verwonderlijk on-Grieksch" noemde; zooals Lessing reeds den Werther in zekeren zin had veroordeeld met de beweringen, dat geen jongeling uit de classieke oudheid op deze wijze aan zijn eind zou zijn gekomen, en dat Werthers weekheid het resultaat was van achttien eeuwen Christendom en zelfontleding.

Wil men zich het resultaat van achttien eeuwen Christelijke zelfbeschouwing nader voor oogen stellen, dan make men een vergelijking tusschen de tragedie van Euripides (waarmede Goethes schouwspel enkele uiterlijke trekken gemeen heeft) en onze Iphigenie. Het diepe karakter-verschil tusschen antiek en Goethiaansch zal dan tevens aan het licht komen:

Ziehier de hoofdlijnen van Euripides' tragedie.

Iphigenie moet te Aulis geofferd worden door haar vader, den heldenmoedigen koning Agamemnon. Godin Diana ontvoert haar in een wolk en zet een hinde in haar plaats; de geredde wordt priesteres van Diana te Tauris. Zij is verplicht—geholpen door andere gevangen Grieksche vrouwen—iederen vreemdeling, speciaal iederen Griek, die op de Scythische kust landt, bloedig te offeren. Zij vervult die taak met afgrijzen, maar als in een droom, en daar men haar den dood van haar eenigen broer Orest meldt, besluit ze, geen genade meer te kennen. Orest en zijn vriend Pylades, daartoe genoopt door een uitspraak van het orakel, begeven zich naar Tauris om het beeld van Diana[A] te ontvoeren. Slagen zij daarin, dan zal Orest verlost worden van de furiën, die hem vervolgen, sinds hij zijn moeder vermoordde, om den dood van zijn vader te wreken. De vrienden worden gevangen genomen en moeten nu door Iphigenie ter eere van Diana geslacht en geofferd ...

Dit is het tragische moment in de Grieksche tragedie: zal de zuster (in haar onwetendheid) haar broer slachten? vraagt de toeschouwer zich af. En een befaamd Engelsch criticus kan Goethe niet vergeven, dat hij dit verschrikkelijke moment niet voldoende heeft benut, daarbij vergetend dat voor Goethe (gelijk de lezer zal ontwaren) het zwaartepunt elders ligt. Nu wordt deze knoop door Euripides als volgt opgelost(!): .... Door een toeval echter herkent Orest zijn zuster en zij (Iphigenie!) verzint met echt-vrouwelijke geslepenheid (voor den Griek bereikt haar vrouw-zijn een toppunt in hare geslepenheid!) een truc, om het Diana-beeld te ontvreemden. De Scythen achterhalen de diefachtige priesteres en haar genooten, en willen nu wraak nemen. Maar daar verschijnt godin Minerva, die koning Thoas tot kalmte brengt door de verzekering dat de drie Grieken den wil der Goden uitvoeren. Deze zijn nu gered.—

Goethes werk echter laat zich, ook bij ernstig streven naar beknoptheid, niet in zoo eng bestek vatten. De menschelijke passies zijn ons hier niet gegeven, ze worden tot in fijne trekken ontleed, opdat men ze in haar waren aard doorzie en de zelfoverwinning van de drama-helden meeleev'. En het is zoo omzichtig geconstrueerd, dat ieder détail, hoe schitterend ook op zich zelf, hoe scherp ook omlijnd, 's lezers aandacht niet onderbreekt, maar naar den hoofdgang van de ontwikkeling verwijst; toch blijken deze onderdeelen, ook in een résumé, onmisbaar:

I. Ofschoon reeds jaren priesteres in Tauris, blijft Iphigenie door heimwee naar haar geboortegrond vervuld, en bidt voortdurend dat de godin, die eens van den offerdood haar redde, haar nu moge redden uit de verbanning. Arkas, de vertrouweling van den Scythenkoning Thoas, meldt haar dat diens leger zegevierend thuiskeert, en klaagt dat bij dit bericht haar blik zoo koel blijft. Zij antwoordt, dat haar onnuttig leven haar een vroege dood is. Hiertegen protesteert Arkas: heeft zij niet den eerbied des volks in haar tweede vaderland verworven? heeft ze den koning niet zijn opgewektheid hergeven? heeft ze het wreede gebruik, iederen vreemdeling te slachten, niet afgeschaft? heeft ze niet juist daardoor Diana's zegen over volk en land gebracht? Zij wijze het verzoek dat Thoas haar zal doen niet van de hand: het is rijpelijk overwogen.

Nu nadert Thoas en zegt dat zijn verlangen, haar als zijn bruid in zijn huis te voeren, nog gegroeid is, sinds hij zijn laatsten zoon verloor, en vreest dat het volk hem, den kinderlooze, op den duur niet zal willen volgen. Als echter Iphigenie blijft vinden, zijner onwaardig te zijn, en hem waarschuwt dat hij haar misschien zal ombrengen, als hij te weten komt, welke vloek op haar rust—zij stamt uit Tantalos' geslacht, welks stamvader, nadat eens de goden zich aan zijn ervaring-diepe, bont-zinrijke gesprekken hadden vermeid, verdoemd is, wijl hij voor God te klein, voor mensch te groot was gebleken; en welks nakroost door broeder- en moederbloed zijn vloekwaardige begeerten koelde—belooft Thoas, dat hij afstand van haar zal doen, als de mogelijkheid rijst, haar naar haar land terug te voeren. Zij verzwijge hem nu haar afkomst niet langer. Met toenemende uitvoerigheid verhaalt ze van de gruweldaden, waardoor haar voorouders den haat der goden hebben doen ontbranden. Hij blijft haar hoogachten, terwijl ze volhardt bij haar meening, dat ze slechts den goden kan toebehooren. Thoas trekt nu wel, zooals beloofd, zijn aanzoek terug, maar hij herinnert haar in woede aan haar plicht, alle vreemdelingen, die op de kust landen,—er zijn er juist twee gegrepen—bloedig te offeren. Hiertegen verzet zich heel haar wezen, doch ze blijft rustig. Zij gelooft dat de Godin, die haar eens in een wolk ontvoerde, niet zal dulden dat ze haar hand met bloed bezoedelt:

Want de onsterflijken minnen der menschen Wijdverbreide vrome geslachten, En zij verlengen het vluchtige leven Gaarne den sterveling, willen hem gaarne Van hunnen eigenen eeuwigen hemel Medegenietenden zonnigen aanblik Wel voor een wijle schenken en laten.

II. De vreemdelingen zijn Orest (haar broeder) en diens vriend Pylades. Zij weten welk lot hen wacht, maar terwijl

Orest zich bitter beklaagt, en onder de kwelling van, "de furiën" (d. i. van zijn wroeging wegens den moedermoord) krimpt, blijft Pylades hopen. Hij verwijdert Orest, vreezend dat deze met zijn drift het gesprek zal bederven, dat hij met de priesteres hoopt te voeren. Tot zijn verrassing neemt Iphigenie hem de ketenen af en spreekt tot hem in zijn eigen taal. Als ze hem naar zijn afkomst vraagt, liegt hij dat zijn broer Orest door de wraakgodinnen wordt vervolgd omdat hij hun broer heeft verslagen; dat echter Apollo hem bij orakelspreuk genezing schijnt te beloven in den tempel Zijner zuster, Diana, in Tauris. Zonder op zijn bede om genâ te letten, ondervraagt ze hem over het lot van de Grieksche helden voor Troje—zij-zelf moest indertijd te Aulis geofferd, opdat de Goden in de zeilen van de Grieksche schepen zouden blazen—en ze verneemt dat Troje wel viel, maar dat Agamemnon, haar vader, door den bijzit van zijn gemalin is vermoord, omdat haar vader haar, Iphigenie, heeft geofferd. Zij trekt zich ontdaan in haar tempel terug, en hieruit leidt de slimme Pylades af, dat ze koning Agamemnon zeker wel heeft gekend: zijn hoop wordt sterker.

III. Als ze weer uit den tempel treedt, ontmoet ze Orest. Ook zìjn boeien slaakt ze, maar ze waarschuwt dat ze hem niet zal kunnen sparen. Orest begint met Pylades' leugentjes te ontzenuwen: hij noemt zijn waren naam, bekent Iphigenie dat hij zijn moeder heeft vermoord, wordt opnieuw door de wraakgodinnen bevlogen. Door haar oprechte woorden voelt hij, dat ze een edele vrouw is en tegen haar zin hier vertoeft; hij maant haar, samen met zijn vriend "een plan ter vlucht" te beramen, en snelt angstig weg. Uit zijn verhaal leidt Iphigenie nu met stelligheid af, dat hij haar broer is; haar vreugd openbaart zich niet in jubel maar in rustig dankgebed:

"O laat niet het langgewachte Nog nauwlijks denkbare geluk gelijk De schim van een gestorven vriend vergeefs En driewerf smartlijker aan mij voorbijgaan!"

Dra komt Orest weer: hij wordt nog steeds door de furiën gekweld. De priesteres vraagt hem: Orestes, kunt ge een woord des harten hooren? waarop hij uitroept: Bewaar het liever voor een vriend der goden. Ze deelt hem nu mede dat ze zijn zuster is, en hij herkent de stem, maar gelooft nu, door zijn wroeging overmeesterd, dat door haar mond een wraakgodin hem met valsche hoop wil tergen. Nu speelt zich de "genezings-scène" af, die plaatselijk en ideëel het centrum van het schouwspel vormt. Als Iphigenie al de lieve krachten van haar schoone ziel geduldig benut, om hem te overtuigen dat ze waarheid spreekt, gelooft hij, onrein als hij is, dat hij een hoere in priesterkleed voor heeft:

"'k Vertrouw u, schoone met uw vleistem, niet. 'k Dacht, Artemis eischt kuische dienaressen En wreekt de ontwijding van haar heiligdom. Neem uw verleidende' arm weg van mijn borst!

En wilt ge een jonkman redden en beminnen, En schoonst geluk in teederheid hem schenken, Zet liever dan uw hart op mijnen vriend: Hij is uw liefde waardiger".

Zij volhardt, en als eindelijk haar stem weer tot hem doordringt, ziet hij in het feit, dat de vrouw die hem zal slachten zijn zuster is, de oude vloek der goden in een nieuwen vorm, en verliest waanzinnig van smart het bewustzijn. Maar voordat hij haar heeft toegekrijscht:

"Ja, hef den dolk omhoog, ontzie mij niet, Rijt open deze borst en geef den stroomen Van 't bloed dat binnen in mij ziedt een uitweg!"

heeft hij haar gesmeekt:

"Ween niet! Gij zijt zonder schuld. Van af mijn jongste jaren heb ik niets Bemind als 'k u zoû kunnen minnen, zuster...."

Dit bewijst dat in zijn hart iets op haar reinheid heeft geantwoord. Zij gaat Pylades zoeken.

Langzaam ontwaakt Orest uit zijn bedwelming, en droomt dat hij in de onderwereld zich laaft aan Lethe's waatren: zijn voorvaderen aanschouwt hij hier, niet meer twistend en moordend, maar in vriendschappelijk verkeer, terwijl de kinderen "speleduiken om hen heen". Zoo diep heeft Iphigenies reinheid op hem ingewerkt: hij gelooft dat de vloek is opgeheven, en de furiën hebben geen macht meer over hem. Nu Iphigenie met Pylades nadert, vraagt hij verwonderd of ook zij reeds naar de onderwereld is gekomen. Iphigenie smeekt Diana, die toch ook haar broer (Apollo) jonkvrouwelijk mint: "(laat hem) Niet in den donkren nacht van waanzin razen!" Onderwijl dwingt Pylades zijn vriend, te herkennen "dit daglicht dat niet voor dooden straalt", en zich te haasten voor de vlucht. Nu (nadat hij Iphigenies gebed hoorde) gelooft Orest in de goddelijke genade, en dan komt die genade ook over hem. Hij is vrij, omarmt zijn weergevonden zuster, en laat zijn dankbaarheid in hartstochtelijke woorden klinken; die zijn een doorbreken van het motief waarmede Pylades, aan het begin van het tweede bedrijf, zijn veelbelovende jeugd herdacht. Daar heette het o.a.:

"Ben ik niet steeds vol levensmoed en lust? En lust en liefde zijn de sterke vleuglen Tot groote daden".

Waarop Orest treurig antwoordt:

"Groote daden! Ja, 'k Weet nog hoe wij haar in de toekomst zagen!" Hier jubelt hij: "De reuk der aarde geurt me als balsem tegen Als noodde zij mij op haar open velden Ter jacht naar levensvreugde en groote daden."

Reine menschelijkheid bewerkstelligde hier verzoening van menschelijken euvelmoed.

IV. Uit de stemming van heiligheid en stilte, waarin de toeschouwer is verzonken, rijst Iphigenie weer met fluisterende, plechtige verzen, die geleidelijk in breedte toenemen. Ze bewondert Pylades, die een plan ontworpen heeft om het Diana-beeld te ontvoeren, en haar heeft voorgezegd welke rol ze daarbij

moet spelen: haar is alles rein. Ze heeft voor den slimmeling geen woord van veroordeeling, doch ze betwijfelt of ze jegens Thoas wel zal kunnen veinzen.

(De critiek heeft opgemerkt dat Goethe, die overigens zoover boven de antieke opvattingen staat dat hij b. v. de schrikgodinnen symboliesch opvat, en Orests bevrijding geheel innerlijk laat geschieden, hier zich aan het oude verhaal houdt, en Iphigenie pogingen laat doen om het beeld te ontvoeren, welks ontvoering haar broeder heet te bevrijden. Men meent dat dit een dissonant is in het schouwspel, doch men wil Goethe daarvoor wel vergiffenis schenken, omdat deze dissonant hem gelegenheid geeft, op het laatste oogenblik nog nieuwe verwikkelingen in te voegen, zoodat de spanning niet langzaam verkwijnt, doch op het laatste oogenblik als bij tooverslag wordt opgelost. Wij meenen deze absolutie te mogen afwijzen: indien Goethe slechts dit had willen bereiken, dan had hij—naar de lezer aanstonds zal toegeven—het antieke motief niet noodig, wijl alleen het plan tot ontvluchting, dat wèl geheel in de lijn van handeling ligt, hiertoe reeds hadd' volstaan.—Neen, indien het ontvoeringsplan niet deugdelijker te motiveeren valt, dan heeft de critiek toe te geven dat hier een fout schuilt, een fout die zelfs niet verantwoord ware, indien ze de bedoeling had, die de critiek er aan toeschrijft. En het is nog erger dan de critiek meent: Want Iphigenie weet dat, zedelijk, Orest reeds ìs gered, begrijpt dat haar verblijf in Tauris bedoelde, deze redding te bewerkstelligen. Ze heeft in haar gebed tot den goddelijken broer en de goddelijke zuster (Apollo en Diana) al gezegd:

"En is aan mij uw wil die mij hier borg, Eindlijk volbracht, en wilt ge mij door hem En hem door mij uw godehulp verleenen, Maak los hem uit de banden van dien vloek, Dat reddings kostbre tijd ons niet ontga".

Dus: ze verwacht de redding voordat de ontvoering heeft plaats gehad!

Het verweer kan ook in dit geval eenvoudig zijn en minder gezocht dan de tegenwerping: Iphigenie is nog niet ontbolsterd als het schouwspel begint: ze is niet de wijze vrouw, die ze in zich heeft. Het dramatiesch gebeuren pas maakt haar vrij van Heidensch bijgeloof over de verhouding tusschen mensch en Opperwezen. De ontvoering beramend, die voor haar een leege formule is geworden, ziet ze een licht opgaan, dat haar veroorlooft, afstand te doen van het haar overbodig geworden beeld; eerst dàn heeft ze zich geheel ontplooid. Te voren was ze nog niet de volkomen reine, die Goethe van haar wilde maken: anders zou ze medewerking aan Pylades' list hebben geweigerd.)

's Konings vertrouweling komt eischen dat het offer nu spoedig plaats vinde. Zij antwoordt (op Pylades' raad) dat het Diana-beeld, door een van de vreemdelingen ontwijd, met versch geschept zeewater moet worden gereinigd. Arkas zal verlof vragen, maar herinnert nog eens aan Thoas' aanzoek, haar ernstig radend den koning, die haar zoo lang gespaard heeft, niet ondankbaar te zijn. Nu voelt ze de noodzakelijkheid, den koning voor te liegen, als een nieuwen vloek, en ze smeekt de goden: "Redt mij,—En redt Uw beeltenis in mijne ziel!"—In haar echoot nu het zwaar-sombere Parcenlied ("Het lied der Moiren") dat haar voedster eens zong, en dat haar voor oogen stelt hoe de goden wreed spelen met den sterveling. Maar ze beseft dat dit niet kan zijn, en vertrouwt dat ze ook uit de noodzakelijkheid tot liegen zal worden gered.

V. Intusschen heeft de koning bij geruchte vernomen dat de gevangen Grieken hem een laag leggen, en door het zenden van gewapenden verijdelt hij hun pogen. Hij ontsteekt in hevigen toorn tegen haar die hij voor zoo heilig hield. Hij heeft berouw van de genade die hij haar steeds heeft bewezen. Zoo is voor het drietal de kans verbeurd op ontsnapping door uiterlijke middelen; slechts een zedelijk middel kan nog baten.

Iphigenie weet niet dat de koning van Pylades' plannen is onderricht; ze heeft voor zich zelf besloten, van list afstand te doen en eischt van den woedigen Thoas, dat deze ook ditmaal het bloedoffer achterwege zal doen blijven. Tegenover de wetten van Tauris beroept ze zich op de wet der humaniteit

"de wet waarbij Ons elke vreemdling heilig is",

's Konings toespeling op een zekere list, die hij heeft ontdekt, ontwapent haar niet: een reine ziel behoeft geen list. Zij durft den koning wel bekennen, dat haar broer Orest met zijn vriend naar Tauris is gezeild, om op Apollo's maning het beeld van diens zuster Diana te rooven, waarmede dan Orest zijn bevrijding uit de macht der wraakgodinnen zal verdienen. Ze legt drie menschenlevens in 's konings handen: "Verderf ons—als ge 't moogt". Deze, hem onbegrijpelijke, reinheid overstelpt Thoas en doet hem wankelen

in zijn wraakbesluit. Hij ontstelt nog meer als Iphigenie, zijn aarzeling ongunstig uitleggend, zegt dat hij haar het eerst moet straffen, daar zij haar broer en Pylades door haar openhartigheid in het ongeluk heeft gestort; en hem herinnert aan zijn belofte: haar te laten gaan, nu de kans op terugkeer naar 't vaderland zich voor haar opent. Zij, de in het nauw gejaagde, eischt dat hij van het heilige beeld en van zijn hoop op haar bezit afstand doe. Zulke hooge eischen laten hem edel denken van zich zelf:

"Ik de barbaar, De ruwe Scyth, zoû luistren naar de stem van Waarheid en menschelijkheid, die een Helleen.... niet vernam?

—Maar: Onzoenlijk als zich tegen water 't vuur Vechtende weert en sissend zijnen vijand Tracht te verdelgen, zoo ook weert de toorn Zich tegen uwe woorden in mijn borst."

IPHIGENIE: Als 't heilig licht der vredige offervlam Waarom de blijde dank zijn lofzang heft, Laat zoo voor mij ook uw genade stralen.

THOAS: Hoe vaak heeft deze stem mijn hart vermurwd!

IPHIGENIE: Reik mij de hand. Is 't vrede tusschen ons?

THOAS: Gij eischt zooveel in zulk een korten tijd.

IPHIGENIE: Om goed te doen is overleg niet noodig.

THOAS: Maar al te vaak komt uit het goede 't kwaad voort.

IPHIGENIE. Het is de weifling die het goede slecht maakt. Bedenk u niet, hoor naar uw hart, geef toe.—

Daar komt Orest, met de Scythen slaags geraakt, het zwaard in de vuist aangestormd, en raadt Iphigenie te vluchten, zoolang het nog tijd is.

"In mijn tegenwoordigheid (roept Thoas, het zijne trekkend) voert straffeloos Geen man 't ontbloote zwaard".

Iphigenie belet een tweegevecht door Thoas aan Orest voor te stellen als haar tweeden vader: zoodoende dringt zij stilzwijgend bij Thoas op genade aan. Orest vraagt of Thoas vrijen aftocht toestaat, maar Iphigenie beweert: "Uw blinkend zwaard verhindert dat ik antwoord". De twee mannen zijn ontwapend. Arkas komt melden dat de Hellenen wijken; Pylades poogt vergeefs Iphigenie mee te tronen. Thoas heeft nu het heft in handen, maar gebiedt niettemin wapenstilstand. List en geweld heeft Iphigenie beschaamd door haar kinderlijk vertrouwen.

Thoas eischt van Orest bewijs, dat hij werkelijk Iphigenies broeder is. Orest wil een tweegevecht doen beslissen: de koning late zijn dappersten man met hem strijden; Thoas heeft in dit duel zèlf wel liefhebberij. Maar Iphigenie wil zulk bloedig bewijs niet, en toont den koning op Orests lichaam vlekken en litteeken, waaruit blijkt dat hij haar broer is. Maar, zegt de koning, mag ik wel vergeven dat de Hellenen mij Diana's beeld wilden ontrooven? Hierop antwoordt Orest: dat hij nu inziet wat de orakelspreuk van Apollo bedoelde: Niet Apollo's zuster Diana, maar zijn eìgen zuster moest hij brengen naar Hellas' kust:

en zal de koning haar rein vertrouwen niet beloonen?

"Geweld en list, de hoogste roem der mannen, Zijn door de waarheid dezer hooge ziel Beschaamd, en reinheids kinderlijk vertrouwen Beurt bij een edel man zijn zeker loon".

Iphigenie geeft den doorslag:

"Zie ons aan! Ge hebt niet vaak Gelegenheid tot zulk een eedle daad, Weigeren kunt ge 't niet; zeg aanstonds ja."

De koning overwint in zijn ziel de wet van de bloedwraak en zegt: Gaat dan. Maar zoo wil Iphigenie niet van hem scheiden: ze belooft dat ze de onderdanen van hem, die zich als een tweede vader jegens haar heeft gedragen, (wel verre van ze te offeren) steeds eerbiedig en gastvrij zal ontvangen. Ze zegent den koning en smeekt zijn zegen af, die hij thans niet meer kan weigeren.

—De tegenstelling tusschen de ruwe, domme, onbeschaafde Scythen en de slimme, edele, bij de Goden geliefde Grieken is hier vervangen door een andere tegenstelling; die, tusschen den passioneelen, aan zijn driften verslaafden mensch en de reine, "humane", bezadigde Iphigenie, die door haar onschokbare goedheid het betere in Thoas en Orest opwekt en tot leven brengt: zoo zorgt het Ewig-Weibliche dat de mensch niet sterft aan zijn eigen onvolmaaktheid. Want—gelijk in Egmont aanschouwelijk werd gemaakt—de kiem van het verderf schuilt hier in het Ik, en slechts in het menschelijk hart is daarvan redding te vinden.

Dat had Goethe ervaren gedurende zijn verblijf in Weimar. Zelf in de macht van driften die hem verlamden door hun onderlingen strijd; "gesotten und gebraten" van staatszaken; opgejaagd door laster en afgunst, gebroken door miskenning, geprikkeld door gebrek aan peins-stonden, door onderdrukten scheppingsdrang en kwijnende gezondheid; had hij ten slotte maar één verlangen gekend, een verlangen naar iets onbestemds, dat ten slotte werd een verlangen naar rust. En deze rust, aanvankelijk gevonden in de "engels-armen" van Charlotte, was hij gaan toeschrijven aan haar reinheid, welke allen die met haar in aanraking kwamen rein moest maken. Het ideaal dat hij zich van haar, "zijn zuster", gemaakt had, vond aan de omgewerkte Iphigenie-mythe een passende gestalte. In de genezings-scène verschijnt voorwaar een wezen dat eeuwig ongekend was gebleven, indien het niet een verschijningsvorm had gevonden. Weinig vermoedde Goethe, dat hij zich ook in dit geval redde door het behagen, dat hij vond aan iets, dat hij zelf had geschapen!

De eerste, de proza-lezing van Iphigenie, die hij, overstelpt door ambtsbezigheden, in korten tijd neerschreef en deed instudeeren, werd spoedig na haar voltooiing opgevoerd. Hij zelf speelde de Orest, Corona Schröter de Iphigenie, Knebel de Thoas. Deze opvoering beleefde veel succes, maar wij mogen (door het vervolg geleerd) dit voor een aanmerkelijk deel toeschrijven aan het voorkomen van "den mooien Goethe in Grieksche dracht"—waarvan de brieven en de dagboeken uit dien tijd ons verhalen. Hoewel naar den inhoud in hoofdzaak gelijk aan de Iphigenie die wij thans kennen, mocht het werk Goethe niet bevredigen. Er ontbrak iets aan, gelijk aan alles dat hij in dien tijd praesteerde. Pas nadat hij, twee overzettingen in rhytmiesch proza verwerpend, het stuk "met oneindig veel moeite, iederen zin in zich klinkend latend, 's avonds voor het naar bed gaan overpeinzend wat hij in den vroegen ochtend zou schrijven" had gesteld in verzen, en wel in vijfvoetige jamben, beschouwde hij zijn werk als af. En deze Iphigenie genietend, begrijpen wij wat er aan haar voorgangsters ontbrak.

Ter adstructie van de ook in deze bladzijden gehuldigde meening, dat Goethes herstel niet door zijn verblijf in Italië werd bewerkt, maar reeds te Weimar intrad, en onder den mooien hemel, in de poëtische omgeving werd bekroond, beweert George Henry Lewes, dat de versificatie aan dit schouwspel geen element van beteekenis heeft toegevoegd. Schreef Goethe niets reeds in de eerste lezing verzen, terwijl hij (meedoend aan de toen woedende mode) meende proza te schrijven? En zoo ja, heeft hij dan in Italië iets anders gedaan als het werkstuk optoetsen?

Hiertegen is in de eerste plaats aan te voeren, dat een vergelijking van de twee lezingen reeds toont, dat hier inderdaad heel wat meer is geschied: Wat een op sommige plaatsen haperende schets was, werd een levend tafereel. Iphigenie was nog niet geboren, zoolang ze lag omsponnen met stug "natuurlijk" proza; evenmin als Goethe—hoewel op zich zelf gelijkend—onder den "ijzeren Noordschen hemel" zich zelf kon worden. Een sprekend en vaak geciteerd voorbeeld—een uit velen!—verschoone ons van verdere uitweiding op dit punt: Hier worden vier verzen uit den aanhef van Iphigenies openingsmonoloog geplaatst naast de overeenkomstige proza-lezing:

Definitief: Und an dem Ufer steh ich lange Tage Das Land der Griechen mit der Seele suchend, Und gegen meine Seufzer bringt die Welle Nur dumpfe Tone brausend mit herüber. Proza: Mein Verlangen geht hinüber nach dem Schönen Lande der Griechen, und immer möcht' ich übers Meer hinüber.

Wie voelt niet dat het eerste het echte is? dat het niet anders mocht luiden? dat in de proza-lezing Goethe zelf aan het woord is, in plaats van Iphigenie? dat de versvorm door woordkeus en rhytme zeer picturaal werkt?—Geen wonder. Goethe had den hier weergegeven toestand pas in Italië doorleefd, toen hij aan de oevers van het blauwe Gardameer zich eenzaam voelde als Iphigenie aan de zee.

Maakt nu het stille rhytme met zijn zachte en toch krachtige caesuren, den inhoud hier pas tot wat hij is, de versvorm levert ook dit voordeel op, dat hij het logiesch geraamte van den inhoud voelbaar maakt, verschillende étapes in de ontwikkeling van een bepaald thema merkbaar afrondt, door fijne analogieën in woordklank en versmaat, in verband tegenover of naast elkander plaatst, zonder ze ruw te scheiden: zoodat de scherpe rubriceering der ideeën den plechtigen gang van het geheel niet stoort. Zoo wordt in de passage:

OREST: Mit seltner Kunst flichtst du der Götter Rath Und deine Wünsche klug in eins zusammen.

PYLADES: Was ist des Menschen Klugheit, wenn sie nicht Auf Jener Willen droben achtend lauscht?....

zeer voornaam aangeduid hoe Orest en Pylades, hun karakters en daarmee hun gedachten tegenover elkaar plaatsend, toch ook samen bouwen aan een hoogere synthese, die Goethe-zelf verkondigt. Een voorbeeld in ons résumé wijst aan, hoe de dichter motieven, die zeer ver van elkaar staan verwijderd, in symmetrie weet te brengen. Elders weer worden knallend-korte en gejaagde vraag-en-antwoordreeksen door hun metrum zachtkens opgenomen in de langere, statige versmassa's, waardoor dus, zonder dat de nerveuze angst of de spanning van de sprekers ongebeeld blijft, de eindindruk van den hoorder is plechtig. Binnen de lenig-gevoegde crystallen schubben van dit curas kan sluwheid, kan woede, liefde, vroomheid, bloeddorst, wellust, kan iedere menschelijke aandrift uitklinken, zonder dat de strakke en toch weeke schoonheid van het geheel er onder lijdt. De nuanceeringen en de klankverbindingen in Goethes taal zijn hier zoo fijn, dat zelfs de ideale voordrachtkunstenaar ze niet alle ten gehoore kan brengen, dat ze slechts bestaan voor den geest van den zeer aandachtigen en gevoeligen lezer. Vandaar dat Goethe kon zeggen: Ik ben er nog nooit in geslaagd een volmaakte voorstelling van Iphigenie bij te wonen. En zoo subtiel mòest de vorm zijn, wijl hij slechts dan in overeenstemming bleef met de handeling van dit schouwspel. Deze handeling ware ons niet geopenbaard, indien ze niet had gevonden een even fijne materie: het rhytmiesch woord, de ijle atmosfeer van echte verzen. Waar bleef de bekoring van vele Goethe-gedachten, in dit stuk en elders uitgesproken, zonder haar versvorm, die menigeen willekeurige kunstvaardigheid dunkt? Men denke zich Wanderers Nachtlied in proza! men verandere in iederen zin één enkel woordje, en men zal bespeuren dat heel het lichte bouwsel ineenschrompelt, gelijk de fijne flamboyante webbe eener spin, waarvan een hangdraad is geknakt.

Is het dus waar, dat Goethe reeds te Weimar rhytmiesch proza schreef en niet gewoon proza, dan heeft dit slechts deze beteekenis, dat hij een vaag, een onbewust voorgevoel had van wat het moest worden; zooals hij onbestemd besefte ook wat hij nog van zichzelf moest maken.

Schiller heeft met schijn van juistheid betoogd, dat Iphigenie eigenlijk te zeer epiesch is om een drama te mogen heeten. De kwaal b. v. waaraan Orest lijdt zou zijn te weinig uiterlijk zichtbaar, doordien Goethe de wraakgodinnen interpraeteert als gewetenswroeging. "Geen Orest zonder furiën", is de slotsom van dezen beoordeelaar: Wat men gewoonlijk handeling noemt, geschiedt hier achter de coulissen en slechts de zielsprocessen, die van deze handeling het gevolg zijn, komen aan het voetlicht. Voor Iphigenie is maar één woord: Ziel!—En men heeft, deze redeneering besluitend, voorgesteld Iphigenie te noemen een "dramatiesch gedicht", en het als zoodanig te bewonderen.

Dit voorstel zou ons allicht onverschillig laten, ware het niet op een overweging gegrondvest, die de verdienste van Iphigenie onderschat. Het is niet zoo, dat de figuren van dit drama eenvoudig de zaal in declameeren wat ze gevoelen, hopen, vreezen; doch zoo, dat ze geen woord spreken, dat niet rechtstreeks in de ziel van hun medespelers slaat, en daar een nawijsbare verandering te weeg brengt; geen woord, dat niet in hun eigen ziel met ongedwongen dialectiek een ontwikkelingsproces bewerkstelligt. Heel het stuk is een logiesch aaneensluitende keten van zielsgebeurtenissen; samenvloeiend in de genezings-scène, en daaruit weer ontspringend; zielsgebeurtenissen die den hoogstaanden toehoorder tot op het allerlaatste moment (den voorlaatsten regel) in spanning houden: dit is toch wel hándeling, maar onzichtbare handeling, ontastbare, wij zouden bijna zeggen: muzikale handeling.

Of liever: het is een harmonie van twée handelingen: de eene wordt kortelijk aangeduid omstreeks het Parcenlied, maar loopt door het heele stuk. Het is de evolutie van het menschelijk Godsbegrip; te vatten tusschen deze twee uitspraken:

"In vrees voor de goden Leef 't menschengeslacht!"

en:

"Want de onsterflijken minnen der menschen Wijdverbreide vrome geslachten, En zij verlengen het vluchtige leven Gaarne den sterveling, willen hem gaarne Van hunnen eigen eeuwigen hemel Medegenietenden zonnigen aanblik Wel voor een wijle schenken en laten".

Deze twee uitspraken van Iphigenie omsluiten de gedachtelijke sfeer, waarin zweeft de aardsche sfeer, de tweede handeling, die begint bij het gruwelijk verhaal over de misdaden harer voorvaderen, dat Iphigenie in het eerste bedrijf aan Thoas doet, en, daarmede in symmetrie, eindigt in het visioen van Orest, die zijn voorvaderen vreedzaam vereenigd ziet: Het is de evolutie van ruwe wraakzucht, die bloed voor bloed eischt, tot de idee van de humaniteit, die uitgaat van de onschokbaar-ware, ewig-weibliche Iphigenie, en die in het "Vaarwel" van Thoas een melodieuze oplossing vindt.

Deze twee motieven, elkander steunend en aanvullend, zijn zoo wonderlijk dooreengeweven, en deze dooreen-strengeling doet de spanning van den lezer zoo zeer stijgen, zijn vervoering bij het slot des te edeler makend, dat ik mij, na herhaalde lezing, meermalen on-naïef heb afgevraagd: Is dit menschenwerk of Gods-gewrocht?

En heeft niet Goethe meermalen uitgesproken, dat hij waande God te hooren als hij sprak?

In trouwe: Een menschenleven dat, na dwaling en kommer, één drama als Iphigenie mag voortbrengen, is rijk gezegend en verdient de huldiging van allen, die in den dienst van de Waarheid hun heil zoeken.

Zoo verwondere het niemand dat de Iphigenie zoo weinig succes had, in den tijd dat Schillers Roovers de planken deden daveren. Pas twintig jaar na de definitieve voltooiing werd het te Weimar nogmaals opgevoerd, gevend Goethe dus dit merkwaardig gevoel: de onmiddellijke praesentie van een lang overleefden gemoedstoestand.

Aan de mogelijkheid van een goede opvoering heeft Goethe na zijn terugkeer uit Italië altijd gewanhoopt, en de vertolking, in 1827 door den tooneelspeler Krüger gegeven, dorst hij niet bijwonen, al werd deze speler door zijn besten

illustration at chapter ending
illustration at chapter ending

DERDE BOEK

CHRISTIANE VON GOETHE
CHRISTIANE VON GOETHE

CHRISTIANE VON GOETHE (Op 36 jarigen leeftijd) Naar de krijtteekening van F. Bury

ornament hoofdstuk XX
ornament hoofdstuk XX

XX

Wundern kann es mich nicht, dass Menschen die Hunde so lieben, Denn ein erbärmlicher Schuft ist, wie der Mensch, so der Hund.

VENET. EPIGRAMME, 74

Goethe had het manuscript van zijn "Schmerzenskind" Iphigenie naar Weimar gezonden, doch bewonderende brieven van zijn vrienden bleven uit. Het schouwspel dat van zijn in Italië gewonnen zielsvrede en louteren kunstsmaak trouw getuigt, werd in zijn definitieven vorm niet begrepen; men betreurde vooral dat hij het (immers "natuurlijke") proza had vervangen door verzen; men kon niet toegeven dat juist daardoor Iphigenie als kunstwerk zichzelf was geworden, men voorzag niet dat het juist zoo tot de schoonste scheppingen van den menschengeest zou worden gerekend. Men verbeet zijn teleurstelling. De uitgever klaagde dat de nieuwe Goethe-editie slecht verkocht; tusschen het Duitsche publiek en den eens toegejuichten dichter was het uit. Nu bleek, dat de instemming van het publiek slechts het bekoorlijke oppervlak had gegolden. Weinigen voelden Berlichingens schitterende ruwheid, Clavigo's berouw, Egmonts loyauteit, het goddelijke in Iphigenie als openbaringen van de zelfde zoekende dichterziel. Nu ging Goethe soortgelijke détails minachten, of wel: hij plaatste ze zoo, dat ze aanhoudend en onmiskenbaar wezen naar de idee van zijn drama's, naar de kern van zijn genie. Van toen af gaf vluchtige lezing van zijn werk geen genot meer en werd dus nagelaten.

Zijn naaste vrienden herkenden hem niet, toen hij—in Weimar terug—weer naar Italië verlangde en zich met moeite schikte in de bekrompenheid van het duistere provincie-stadje dat hij was ontgroeid. Niemand had hem meer iets te geven. Geen vertrouweling hielp hem zijn gemoed verkennen. Als hij—met iemand in gesprek—voelde dat men hem niet de woorden uit zijn mond raadde, dan werd zijn taal zoo ingewikkeld, beknopt, hortend, dat zijn toehoorder er heelemaal niets meer van vatte. Stil ging hij zijns weegs, met effen gelaat voortpeinzende over de problemen, hem door zijn verruimde inzichten gesteld. Hij behoefde voor de fijnere contreien van zijn geestesleven niet de instemming van anderen. Hij beoordeelde de dingen naar een nieuwen maatstaf en begreep best dat de wereld zich bij het oude hield. Hij was geworden Wetgever, niet wet-houder. Hij stond onbevreesd alleen. Hij stond gaarne alleen. Hij verhaalde veel schoons, doch gaf zich nooit geheel. Hij leek een koude, eenzelvige, ondoorgrondelijke "Jupiter".

Nu kon ook zijn onzuivere liefde voor Charlotte von Stein niet meer stand houden. Te voren had een dwaalbegrip reeds verwijdering aan het licht gebracht: De ruim veertigjarige "vriendin", in wier genegenheid het streven naar ongedeeld en verzekerd bezit een zelfstandig bestaan was blijven voeren, had zijn vertrek naar Italië onedel uitgelegd. Zoo weinig was ze doorgedrongen in haren dichter, dat ze diens bijgeloovige vrees voor mislukking van zijn zooveel jaren gekoesterd plan buiten het geding liet, en zijn langdurig stilzwijgen—waarover ze natuurlijk terecht bedroefd was en ontstemd—opnam, zooals een coquette van lage afkomst dit zou hebben opgenomen. De ironie der feiten wilde, dat Goethe destijds nog voortdurend van haar was vervuld, een nauwkeurig dagboek voor haar bijhield en—eenmaal te Rome—zich eerst richtte tot God en onmiddellijk dan tot haar. Tot de vrouw die hem platweg zou "afschrijven", zoodra ze zijn adres kende.

Kort daarop bereikte haar het biechtboek dat haar wantrouwen ongezocht logenstrafte; zoodat ze alléen verantwoordelijk bleef voor de laakbare bijmengselen van haar stellig gerechte verontwaardiging. De uitgewisselde explicaties brachten een slechts schijnbare verzoening tot stand. Wolfgang von Goethe voelde zich vrij man en had voortaan geen liefde doch vriendschap haar te bieden.

En hetgeen ze altijd beweerd had van hem te wenschen—zuivere vriendschap—dat wees ze nu terug. Ze had vriendschap gewenscht, zoolang ze meende dat hij "meer" verlangde. Maar haar berekening, die bij een middelmatig man wellicht ware opgegaan, mislukte hier. In stede van zich geheel aan haar te verslaven werd hij, door haar tactiek, meester van al zijn drangen, en dus teruggeschonken aan zich zelf. Zij verloor hem, doordat hij haar liefdevolle leugen tot waarheid maakte!

En nu begon deze leugen zich te wreken. Zij moest zich bekennen dat haar overgave (deze moge dan al of niet zakelijk zijn geschied) bij haar gevoelens voor Goethe allerminst opoffering, doch behoefte, doch plicht was geweest. Ze moest rouwen, toen die overgave niet kon duren; terwijl hij haar rouw niet kon zien, haar klachten niet kon vernemen, daar hij zich aan het amoureuse verlangen naar Vrouwe von Stein had ontwrongen, meenend haar dus doende te dienen. Hij moest haar dien koelen, vochtigen, noordschen zomer onbewimpeld spreken over zijn gehechtheid aan Italië en over het gamma van warm-menschelijke genietingen, dat het woord Italië voor hem beduidde; zìj moest dit aanmerken als een beleediging, zonder dat hij 't begreep. Als ze hem noodigde op haar slot, bracht hij vrienden mee om—alleen te kunnen blijven.

De kwijnende Charlotte werd tot het uiterste gebracht toen haar zoon Fritz (die eens in Goethes huis had gewoond) haar bevestigde het lasterlijk gerucht, dat zijn pleegvader in handen was gevallen van een aanlokkelijk doch minderwaardig vrouwspersoon, genaamd Christiane Vulpius. Ze schreef hem een brief, waarin ze al haar grieven luchtte en hem openhartig stelde voor het ultimatum: die of ik. Hij smeekte haar om haar vriendschap, riep zijn omgeving tot getuige, dat hij door "het zoete geheim" als mensch niet was gezonken, verzocht haar, het arme schepseltje de gevoelens niet te misgunnen waarop zij immers geen aanspraak maakte. Doch ze wees zijn vriendschap stilzwijgend af. Ze ging tegen zijn raad in voort, haar zenuwgestel (dat bij het verlies van haar zoon Ernst reeds was geschokt) te ondermijnen door overmatig gebruik van koffie. "O!!!" schreef ze welsprekend op zijn brief. En haar vergeefsche liefde werd nog geëxalteerd, toen ze hem in haar verbeelding trachtte zwart te maken, en zich voorstelde hoe eenzaam naar de ziel hij moest leven naast dat minderwaardige vrouwspersoon.[A] Hij bleef haar vriendschap zoeken en als er een smakelijk gerecht op zijn tafel kwam, zond hij haar als voorheen een deel van dat gerecht. Zij onderschatte de waarde van zulke attenties, zooals de meeste vrouwen in dit geval zouden doen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings