← Table of contents
Ferdinand Huyck

Mr. JACOB VAN LENNEP. (continued 9)

Reading edition

"Hm! hm! Hij is niet onknap, en heeft een goeden wil, maar hij is wat jong."

"Des te ijveriger zal hij zijn en des te minder eigenwijs."

"Dat moet ik u toegeven;—maar er is nog iets anders:—hij rijdt te paard:—en ziedaar iets ongehoords voor een makelaar."

"Niet anders als zeer vroeg in den morgen," zeide ik: "en op voorschrift van zijn dokter;—maar ik geloof niet, dat iemand hem ooit in gezelschap met anderen heeft zien rijden."

"En dan," vervolgde Van Baalen: "wat het ergst van alles is, hij maakt rijmpjes.—Hoe wil er nu ooit een degelijk en bruikbaar mensch van groeien?"

"Wel!" zeide ik: "dat bewijst alleen, dat hij te veel ledigen tijd heeft. Hij is waarlijk niet onknap: en, zoo ik er eenigszins over durf oordeelen, dan heeft hij veel kennis van zaken en een helder, gezond verstand. Verschaffen wij hem werk, dan zal hij dat rijmen vanzelf wel laten varen."

"Nu, fiat! UEd. heeft zijn zaak zoowel bepleit, dat ik er niets verder tegen kan inbrengen. Zijn vader was bovendien een braaf man, aan wien ik veel verplichting heb gehad.—Wij kunnen het beproeven.—Zien wij verder: Willem Bartelsz. en Co. te Enkhuizen schrijven, dat zij op ons trekken zullen. Eilieve! Mijnheer Wijdveld! Hoe staat onze rekening met dat huis?—Mij dunkt, wij moeten reeds in avans voor hen zijn."

"Zoo is het, Mijnheer!" zeide de Boekhouder, het folio opslaande.

"Daar zal over geschreven dienen te worden," zeide Van Baalen: "dat kan zoo niet gaan."

"Heeft UEd. geen vertrouwen op de lieden?" vroeg ik.

"Hoor, mijn waarde Heer Huyck! Vertrouwen is een goede zaak en buiten die kan men geen handel drijven: maar ne quid nimis! zooals wij op de school plachten te zeggen. In de negotie moet men zelfs zijn eigen vader niet te veel vertrouwen schenken: dat is een vaste regel: hou u daaraan. Niet of de firma Willem Bartelsz en Co. staat ter goeder naam en faam: en ik zou gaarne een dik pak wissels op haar bezitten, door een solide huis getrokken;—maar alles kan mee- en tegenloopen: en ik heb er zoovelen in mijn leven zien vallen, die zoo vast schenen te staan als het stadhuis.—Monsieur Snijders! zijt gij bij den Notaris Bouvelt geweest?—En hoe luidde de boodschap?"

"Ja, Mijnheer!" antwoordde de kantoorbediende: "En het briefje was meer geruststellend: de patiënt heeft een redelijken nacht gehad en bevindt zich iets beter."

"Nu! dat verheugt mij," zeide Van Baalen: "zou hij er waarlijk bovenop komen? Er zou ook veel aan den man verloren zijn geweest.—Hij bezit het vertrouwen van de halve stad, ja van menigeen buiten de stad:—ik geloof zelfs, dat men weinig handelskantoren zoude vinden, die zulke uitgebreide relatiën hebben als hij."

"De Hemel geve dat hij spoedig herstelle!" dacht ik bij mijzelf: "dan is het te verwachten, dat mijn geheimzinnige vriend Bos ook spoedig klaar komt en opdrost."

Die naam van Bouvelt had intusschen opnieuw een snaar aangeroerd, welke een reeks van herinneringen deed ontstaan, en ik had werk om behoorlijke aandacht te schenken aan hetgeen mijn Compagnon mij verder mededeelde. En toen ik eindelijk, aan mijn lessenaar gezeten, mij tot den arbeid zoude begeven, zag ik mij opnieuw buiten staat om een behoorlijke oplettendheid te wijden aan datgene, waar ik mij mede bezig moest houden, en schenen de letters, die ik voor mij had, zich telkens te vereenigen om geen anderen naam aan mijn oogen voor te stellen, dan dien van Henriëtte Blaek.

Ik schaamde mij echter, niet over mijn liefde, maar over den invloed, dien een hartstocht over mij uitoefende: en ik vormde het besluit om niet langer uit te stellen mijn ouders met het gebeurde bekend te maken. "Het is," dacht ik, "alleen de onzekerheid, welke mij het werk moeielijk maakt. Is eens mijn lot op deze of gene wijze beslist, dan zal ik kalmer zijn en weer in staat mijn plichten naar behooren te vervullen."

Hoe zegende ik het geluk, een moeder te bezitten. Want men gevoelt het, het was voor haar, dat ik in de eerste plaats mijn hart wenschte te ontboezemen. Zij, dit wist ik, zou mij met verschoonende deelneming aanhooren; zij zou wat in mijn hart omging op rechten prijs stellen: zij zou mij ten voorspraak strekken bij een vader, dien ik liefhad en eerde, maar die wellicht mijn liefde af zou keuren, of als een voorbijgaande neiging aanzien, bestemd om even spoedig te verdwijnen als zij was opgekomen.

Ik nam dan ook nog dienzelfden middag de gelegenheid waar, dat mijn vader in zijn kamer aan 't werk zat, en dat Suzanna met de jongere kinderen een grachtje rondging, om de lieve vrouw over mijn huwelijksplannen te onderhouden, en haar te bidden, mijn vader te bewegen, om een bezoek bij den Heer Blaek af te leggen en hem voor mij de hand zijner nicht te vragen. Mijn moeder luisterde naar mij met de belangstelling, waarop ik wist te kunnen rekenen: maar toch kon ik aan de eenigszins ontevredene uitdrukking van haar gelaat bemerken, dat het medegedeelde haar niet volkomen welkom was. Ik was echter op zwarigheden voorbereid en wist met de welsprekendheid eens verliefden al de bedenkingen op te lossen, welke zij, zoowel uit de kortstondigheid mijner kennismaking met Henriëtte, als uit ons gebrek aan fortuin wist te putten. Het viel mij echter zwaarder dan ik gedacht had, haar te overreden om mij haar hulp te beloven ter bereiking van een oogmerk, dat, naar ik duidelijk gewaar werd, hare meer verhevene verwachtingen teleurstelde. Want, welke moeder, zij moge overigens de nederigste en verstandigste vrouw zijn, koestert geen inzichten en wenschen omtrent haar kinderen, hooger en grootscher dan de wezenlijkheid kan teweegbrengen? Eindelijk echter, toen zij vernam, dat ik mijn liefde reeds verklaard had, en dat de zaak tusschen Henriëtte en mij zoo goed als beklonken was, deed zij, zooals alle moeders zouden gedaan hebben: zij omhelsde mij, en beloofde, mijn belangen te zullen voorstaan en bij mijn vader bepleiten.

Den volgenden namiddag riep mijn vader, die aan tafel buitengewoon stil en afgetrokken was geweest, mij met hem naar zijn kamer. Ik volgde bevende als een misdadiger, die in het verhoor zal gaan; want zijn gelaat stond strak en ernstig en voorspelde weinig goeds. Hij wees mij zwijgend een stoel aan en zette zich over mij. Na een snuifje te hebben genomen, begon hij aldus:

"Uw moeder heeft mij gezegd dat gij huwelijksplannen in 't hoofd hebt."

"Inderdaad, Vaderlief! En ik zou mij hoogstgelukkig achten, indien zij uwe goedkeuring konden wegdragen."

"Gij hebt altijd een bedaard oordeel gehad, Ferdinand! en waart nooit gewoon u te overijlen. Des te meer bevreemdt het mij, dat gij, nu het den gewichtigsten stap uws levens geldt, u blootstelt, wegens onberadenheid veroordeeld te worden."

"Ik hoop," zeide ik, "dat mijn keus mij voor een dergelijk vonnis vrijwaart.

"Rechtuit gesproken, dat doet zij niet. Ik heb altijd veel goeds van de bedoelde Juffer gehoord:" ('t is zonderling, dat vaders in een dergelijk geval nooit den naam uitspreken, als waren zij bang dat daarin een mystieke kracht lag opgesloten), "zij ziet er lief uit, en ik kan klaar begrijpen, dat een jongmensch haar naar zijn zin vindt;—maar toch! een meisje, dat gij nog den tijd niet hebt gehad te leeren kennen, zoo opeens tot de gezellin uws levens te kiezen, dat is wat vlug, wat wild geprocedeerd, en, zooals ik zeide, dat had ik niet van u verwacht."

"Ik moet bekennen," zeide ik, "dat uw beschuldiging veel grond heeft; maar ik neem de vrijheid, u te doen opmerken, dat ik, door een samenloop van toevallige omstandigheden, gelegenheid heb gehad, haar karakter te leeren kennen en waardeeren. Toen ik haar voor het eerst ontmoette op den koepel van Guldenhof, trof mij haar beschaafde toon, haar ingetogenheid en minzaamheid: later op Heizicht vond ik een nieuw behagen in haar ongedwongen en toch recht fatsoenlijken omgang:—en op het jacht, in de ure des gevaars, kreeg ik eerbied voor haar beradenheid, haar kalmte van geest en godsdienstzin. UEd. zult mij toestemmen, dat die weinige dagen mij beter hebben in staat gesteld, een oordeel over haar te vellen, dan dat ik haar jaren lang op gastmalen en danspartijen ontmoet had."

"Daar is wat van aan:—en met welk oog ziet zij u aan?"

Ik verhaalde aan mijn vader de omstandigheden van mijn onderhoud met Henriëtte.

"Ik had niet verwacht," hernam hij, "dat gij een dergelijken stap zoudt doen, alvorens uwe ouders daarover te raadplegen."

"Ik betuig u, mijn vader!" zeide ik, "dat het volstrekt mijn voornemen niet was, toen ik naar Heizicht vertrok, mijn liefde te verklaren; doch na hetgeen op het jacht was voorgevallen, kon ik niet nalaten te spreken."

"Intusschen zie ik niet, dat gij nog ver gevorderd zijt."

"Niet!—daar ik de zekerheid heb, dat mijn aanzoek aan Henriëtte niet onverschillig is?"

"Goed! maar zij heeft u te kennen gegeven, dat haar oom zijn toestemming waarschijnlijk zal terughouden:—en ik moet u betuigen dat ik niet anders zeggen kan, of de man zal gelijk hebben ook. Zoolang zij nog minderjarig is, zou hij zeer verkeerd handelen, alle meer schitterende uitzichten, die zich voor haar zouden kunnen opdoen, te vernietigen, door haar weg te geven aan iemand, wiens fortuin slechts in verwachtingen bestaat;—want gij weet het, wat ik u kan medegeven is weinig of niets."

"Ik verlang ook niet," zeide ik, "dat de Heer Blaek terstond in een huwelijk toestemme. Zoo hij slechts verlof geeft, dat ik zijn nicht oppasse, en zoo 't heet, nadere kennis met haar make: ziedaar alles, wat ik voor het oogenblik vergen kan."

Mijn vader haalde de schouders op. "Na hetgeen gij met de Juffer gesproken hebt," zeide hij, "hebt gij mij in een zekeren zin wel in de noodzakelijkheid gebracht om acces voor u te verzoeken. Ik zal den Heer Blaek belet doen vragen."

"Vader!" riep ik, uitgelaten van blijdschap: "uw goedheid is grooter dan ik verdien. Hoe zal ik dat vergelden?"

"Stil," zeide hij: "verheug u niet te spoedig en bouw geen luchtkasteelen; want het antwoord van den Heer Blaek kon die wel opeens vernietigen.—Intusschen, ik moet het u zeggen, de mededeeling van uw liefde heeft mij in zeker opzicht genoegen gedaan. Ik was inderdaad bezorgd, dat gij andere dingen in uw schild voerdet, en dat uw afgetrokkenheid in de voorgaande week een andere, min verschoonbare oorzaak had.—Doch ik hoor Heynsz de trap opkomen:—ianitor ante fores: ga nu heen:—ik beloof u, hedenavond nog zal ik aan den Heer Blaek schrijven."

Ik kuste vurig de hand mijns goeden vaders, en na aan mijn moeder en Suzanna den stand van zaken te hebben medegedeeld, snelde ik met een opgeruimd gemoed naar het kantoor. Bij mijn terugkomst in den familiekring, verhaalde mijn vader mij, dat hij aan den Heer Blaek had geschreven, en dat deze geantwoord had, hem den volgenden avond te zullen afwachten.

"Nu hoop ik, Papa!" zeide Suzanna, "dat UEd. toch niet vergeten zult, al de goede hoedanigheden van Ferdinand op te tellen, ten einde den Heer Blaek te overtuigen, dat hij aan niemand anders zijn nicht beter kan besteden, dan aan hem."

"Gij zoudt weldoen, mij die op een lijstje te geven," zeide mijn vader: "misschien mocht ik er sommige vergeten."

"UEd. zoudt kunnen beginnen, hem het lofdicht van Helding te laten lezen," zeide Suzanna."

"Carminibus confide bonis," zeide mijn vader: "maar Ovidius *beweert nergens, dat men ook op prulverzen vertrouwen moet."

"Nu!" hernam Suzanna: "dan most UEd. het over een anderen boeg wenden en vooreerst hem prijzen wegens het buitengewoon doorzicht, dat hij aan den dag legt door zoo, in vier of vijf dagen, welke hij met haar heeft doorgebracht, zich in staat te bevinden om al de voortreffelijke hoedanigheden te ontdekken, waarmede Jetje Blaek begiftigd is."

"Ik zou die snaar maar niet aanroeren," zeide mijn moeder, het hoofd schuddende: "ik vrees, dat de Heer Blaek al wel uit zichzelven de opmerking zal maken, dat die liefde al vrij spoedig is opgekomen."

"In de tweede plaats," vervolgde Suzanna: "moet UEd. hoog opgeven van Ferdinands zelfvertrouwen, hetwelk hem vrijmoedigheid geeft om, hoewel hijzelf niets bezit, een Juffer te vragen, die ook niets heeft, in de vaste overtuiging, dat hij spoedig fortuin zal maken."

"Och, gij maakt weer paskwillen," zeide mijn moeder, "maar al heeft Ferdinand nu niet veel, hij is toch niet geheel zonder vooruitzichten: en, zooals ik mijn schoonzusters ken, vlei ik mij, dat zij wel iets zullen bijbrengen, om hem in staat te stellen, zijn huishouding te beginnen."

"Wel ja!" zeide Suzanna: "wat zou men niet voor zulk een lief neefje doen?—Nu! ik zal eens zien, of ze in de bos voor hem blazen; want zij zullen voor mij vast niet minder doen, en dan weet ik, ingeval ik eens gevraagd worde, waar ik op rekenen kan;—maar laten wij niet afdwalen:—UEd. moet verder zijn standvastigheid roemen in het bewaren van 't geheim, 't geen zich daaruit bewijzen laat, dat hij aan niemand, zelfs aan mij niet, die hem toch nog met goeden raad had kunnen dienen, iets van zijne liefde heeft laten blijken."

"Dat was juist zoo lofwaardig niet," zeide mijn moeder.

"Ga maar voort," zeide ik tot Suzanna: "ik ben nu best gestemd om geplaagd te worden."

"Wel, gij zoudt mij haast doen zwijgen," hernam zij: "want in dat geval heb ik er weinig eer van.—Voorts moet Papa breed uitweiden over de welsprekendheid, die gij bezit, en waarmede gij zoo in een wip het hart van een onschuldig maagdelijn veroverd hebt, zoodat gij zeggen kunt als César: ik kwam, zag en overwon."

"Ik weet niet," zeide mijn vader: "of het juist veel voor het oordeel van de Juffer bewijst, dat zij haar jawoord zoo spoedig aan dien Sinjeur gegeven heeft."

"Foei Willem!" zeide mijn moeder: "hoe kunt gij zoo iets zeggen."

"Och! 't is maar één paar bedorven," zeide Suzanna: "maar gij moet denken, Papa, dat Jetje ook niet te streng veroordeeld moet worden. Zij kan haar vrijers wel tellen: en dewijl haar neef, die bullebak, haar toch niet hebben wil, doet zij zoo mal niet, de gelegenheid bij de haren te pakken. Ik weet, helaas! zelve bij ondervinding, dat de liefste, beminnelijkste, aardigste, geestigste meisjes, zonder geld, vruchteloos op den uitkijk zitten, en als Mevrouw Blauwbaard roepen: Anna! zuster Anna! ziet gij niets komen?"

"Ei zoo, Santje!" zeide ik: "ik wist niet dat gij er zoo over dacht. Hebt gij zulk een haast om getrouwd te zijn?"

"Oho! hadt gij hoop, mij als een oude vrijster te zien sterven, en rekent gij al op mijn erfenis voor uwe kinderen?

Op potgeld, rente, kustinghbrieven; En schimmelpenningh, lang vergaert, En spaerpot uyt myn mont gespaert?—

zooals Vondel zegt:—Och jongenlief! Stel dat maar uit uw zinnen: het zou de bloeien toch uit de hand vallen: en ze zouden hun vingers aan Tantes geld wel niet blauw tellen. Maar Vaderlief! zeg mij toch eens, wij hebben er laatst ook over gesproken, Ferdinand en ik: hoe komt de oude Heer Blaek toch zoo schrikkelijk en geweldig rijk en zijn nichtje zoo arm?—heeft Jetjes vader er den boel wezenlijk doorgelapt, gelijk men verhaalt?"

"Gij vraagt mij meer dan ik u zeggen kan," antwoordde mijn vader: "Ik ben ambtshalve genoeg gedwongen om in de geheimen van anderen te dringen, zoodat ik mij daar uit nieuwsgierigheid zelden over bekommer. Wel weet ik, dat zoowel Jacobus als Hendrik Blaek weinig vermogen bezaten: zoo zelfs, dat zij beiden, eens weduwnaars zijnde, het vaderland hebben verlaten om hun fortuin elders te beproeven. Den eenen is dit gelukt: de andere is gestorven eer hij tijd had gehad, iets te vergaderen."

"Hij moet wel schrikkelijk veel geld hebben, die oom Blaek," zeide Suzanna: "althans zijn zoontje maakt nogal vertering, zonder dat het hem schijnt te hinderen."

"Lodewijk Blaek heeft geld van zijn eigen," zeide mijn moeder "maar wat bekommert ge u daarover kinderen! het geld maakt iemand immers niet gelukkiger: uw vader en ik zijn nooit lieden van vermogen geweest en wij hebben toch genoeglijke dagen te zamen gesleten. Ik heb, dat beken ik, wel eens gewenscht, dat uw vader niet verplicht ware, een zoo drukke bediening waar te nemen als hij doet, en dat hij wat meer tijd overhad; maar zonder werkzaamheden zou hij zich ook ongelukkig voelen."

De komst van mijn jongere broeders en zusters, die zooeven door den cijfermeester verlaten waren en nu het vertrek binnenstoven, deed het gesprek hier afbreken, en er werd dien avond over dat onderwerp niet meer gerept.

Men kan licht beseffen, dat ik den daaropvolgenden dag weinig rust of duur had en den Hemel dankte, toen de werkzaamheden aan het kantoor des avonds waren afgeloopen, en ik, hoewel met een beklemd gemoed, mij naar huis kon spoeden, alwaar ik mijn moeder en zuster, benevens tante Letje, die mede in 't geheim was, gezeten vond, insgelijks in pijnlijke verwachting de terugkomst mijns vaders verbeidende.

Er verliep echter nog een goed half uur, alvorens wij de bekende schel hoorden overgaan. Ons aller hart klopte hevig bij zijn binnentreden; maar toen wij hem aanzagen, stond zijn gelaat zoo strak, dat de vraag: "wel! hoe is het afgeloopen?" ons op de lippen bestierf en wij elkander zuchtend aankeken.

Mijn vader plaatste zijn hoed op de tafel en nam zwijgend plaats.

"Ik zie het al," zeide ik: "het aanzoek is niet gunstig opgenomen."

"Ziehier in substantie waarop het antwoord is nedergekomen. De Heer Blaek heeft mij zeer beleefd ontvangen, en betuigd, dat een verbintenis met onze familie hem zeer zou vereeren. Maar, volgens zijne meening rustte er, ten opzichte zijner nicht, een nog zwaardere verantwoording op hem dan er bestaan zoude, ingeval de Juffer zijn dochter geweest ware.—Zoolang zij nog minderjarig was, kon hij, als haar voogd, zijn toestemming niet geven tot een huwelijk met iemand zonder middelen: zij was nog te jong en te onbedreven om zelve te kiezen: hij kende u volstrekt niet;—en hij moest u dus verzoeken alle verdere pogingen om zijn nicht te zien of te spreken te laten varen, tot zij meerderjarig was en zelve gerechtigd een keus te doen."

"Hoe! mag ik zelfs de kennis niet onderhouden?—Dat is toch wat hard en onbillijk."

"Veroordeel den Heer Blaek niet," zeide mijn vader: "ik kan hem zoo groot ongelijk niet geven: hij is aan God verantwoording schuldig van het lot zijner nicht, en hij behoort voor haar te waken. Gij hebt haar reeds alleen gesproken, uw liefde verklaard en antwoord van haar ontvangen; hij mag, nu hij het aanzoek afslaat, de hernieuwing van dergelijke pogingen niet toestaan."

"Hij bewaart haar zeker voor zijn lieven Lodewijk," zeide Suzanna wrevelig: "maar zoo zij dien neemt, wil ik haar nooit meer zien."

"Kom! omhels mij, Ferdinand! en troost u," zeide mijn goede moeder: "de tijd baart rozen: zoo gij haar wezenlijk blijft liefhebben en gij haar mede niet onverschillig zijt, kan alles nog terecht komen."

"Rechtuit gezegd," zeide mijn vader: "is het misschien beter zoo:—gij zult nu gelegenheid hebben om uw hart te beproeven en te ontdekken of het alleen een voorbijgaande neiging dan wel een duurzame, oprechte liefde is, die u bezielt. Het is voor u, ik beken het, een teleurstelling; maar het is nuttig en heilzaam voor ons, zwakke stervelingen, beproevingen te ondervinden en die standvastig te leeren dragen."

Ik zweeg en zag voor mij; want hoe waar en verstandig ook de woorden mijns vaders waren, het was van mij toch op het oogenblik niet te vergen, dat ik er mede instemde. Ik zette mij mistroostig neder: ook de overigen waren weinig tot vroolijkheid gestemd: en de avond zou vrij treurig zijn afgeloopen, had niet een onvoorzien bezoek ons eenige afleiding geschonken.

Het was namelijk Reynhove, die zich liet aandienen: wij konden niet nalaten, hem te ontvangen, daar men hem reeds gezegd had, dat wij te huis waren; ofschoon wij, althans in de eerste oogenblikken van gedachten waren, dat hij zijn tijd al zeer verkeerd uitkoos. Hij werd dan binnengelaten, en zijn ongedwongen, vroolijke zwier leverde een zoo sterk contrast op met de donkere, betrokkene gezichten der aanwezigen, dat hij in het eerst geen aangenaam denkbeeld van onzen huiselijken kring kan hebben opgevat.

"Ik kan niet mankeeren," zeide hij, na eenige strijkages, mij te komen informeeren naar de gezondheid van Mejuffrouw Huyck. Ik hoop, dat UEd. geene suites van die fatale historie hebt ondervonden.

"Volstrekt geene," antwoordde Suzanna: "en het eenige, wat er mij van bijblijft, is een vast voornemen om niet weder met zulke wilde zeilers scheep te gaan."

"En tevens kwam ik mij de eer procureeren," vervolgde Reynhove, "van kennis te formeeren met den Heer en Mevrouw Huyck: een satisfactie, welke ik mij tot nog toe had moeten refuseeren, en welke het gunstigste resultaat is van dat facheus geval."

"Wij zijn zeer verplicht voor uwe goedheid," zeide mijn vader, glimlachende: "het doet ons echter leed, dat er een zoo gewichtig voorval noodig was, om ons de eer van uw bezoek te verschaften."

"De Heer Reynhove," merkte Suzanna aan, "kan met recht zeggen, dat hij hier is komen aanwaaien; vermits hij zonder den storm niet hier zou geweest zijn."

"Mejuffrouw drijft er den spot mede," zeide Reynhove, een weinig verlegen: "en ik beken, dat ik mij verkeerd exprimeerde. Ik heb tegen mijn eigen belang gehandeld, dat ik hier niet vroeger een visite ben komen brengen; maar, ik declareer oprecht, dat zoodra ik aan Mejuffrouw Huyck gepresenteerd was, ik het project geformeerd had, dat ik thans effectueer." Dit zeggende, keek hij Suzanna zoo veelbeteekenend aan, dat zij een kleur kreeg en dat mijn moeder enigszins bezorgd opzag.

"Men kan wel zien, dat Mijnheer uit Den Haag komt," zeide Suzanna, en zag te gelijk haar moeder aan, als wilde zij zeggen: "heb geen zorg."—"Wat mij betreft," vervolgde zij tot Reynhove: "ik blijf nooit achterlijk, wanneer ik complimenten ontvang, en ik zal op mijne beurt avoueeren, dat ik, hoewel eerst na den storm, het plan geformeerd had, Mijnheer te bedanken voor de attenties, ons bij gelegenheid van het ongeval getemoigneerd."

"Foei Santje!" zeide mijn moeder: "gij moet dit niet als een compliment doen voorkomen. Het is niet meer dan plichtmatig dat gij Mijnheer bedankt, en wij, als ouders, doen hetzelfde."

"Het weinige, dat ik verrichtte, meriteert geen eloges," zeide Reynhove: "ik ben te gelukkig van in de occasie te zijn geweest, om de dames eenige geringe diensten te kunnen bewijzen, en heb niets gedaan als hetgeen ieder, die eenig gevoel van compassie en betamelijkheid bezit, in mijne plaats zoude verricht hebben."

"Dat is een mooi compliment voor Weinstübe," zeide Suzanna.

"Ik kan het niet helpen," zeide Reynhove, "zoo hij geen beter meriteert."

"Nu!" zeide mijn moeder, altijd geneigd om alles van de beste zijde te zien: "hij is verschoonbaar: ik kan nog al vergeven, dat men bij een storm anderen vergeet en alleen om zich zelven denkt. Aan wal zou hij waarschijnlijk beleefder geweest zijn."

"Ik twijfel er aan," zeide Suzanna, het hoofd schuddende.

"En dan," voegde Tante Letje er bij: "ik ken den mensche niet; maar, een zondaar zijnde, gelijk wij allen, zal hij misschien, toen hij de stemme Gods hoorde spreken op de wateren, gedacht hebben, dat de ure des oordeels over hem gekomen was, en zijn ziele hebben gewend tot boete en bekeering."

"Dat is wel mogelijk," zeide Reynhove: "want hij heeft dien avond meer gebeden gereciteerd, dan hij anders, geloof ik, in een jaar doet."

"Welnu," hernam Tante: "UEd. ziet, dat ik gelijk heb:"—en alzoo acht ik het vergeeflijk niet alleen, maar zelfs betamelijk en lofwaardig in dien Weinstübe, dat hij, vervuld zijnde van die dingen, welke dienstig zijn tot de zaligheid, zich alleen bezighield met het noodige, en die kleinigheden verwaarloosde, welke de wereld voorschrijft, maar die in een zoo plechtig oogenblik niet meer zijn dan asch en drek."

Reynhove keek eenigszins zuinig bij het aanhooren van deze taal; maar hij was te wellevend om er iets op te antwoorden; Suzanna beet zich op de lippen, als wilde zij het stekelige antwoord bedwingen, dat haar op de tong zweefde. Wat mij betreft, ofschoon hulde doende aan de gevoelens, welke de woorden mijner Tante hadden ingegeven, ik kon niet verdragen, dat Weinstübes gedrag op het jacht als lofwaardig voorgesteld of ten koste van dat van Reynhove geprezen zoude worden, en vatte daarom het woord op.

"Tante!" zeide ik: "neem mij niet kwalijk; maar ik moet een opmerking maken. UEd. hebt menigmalen, in mijn bijzijn, die kluizenaars veroordeeld, die wanen den hemel te zullen winnen, door zich af te zonderen en hun leven met bidden te slijten, zonder van eenig nut voor hun medemenschen te zijn."

"Dat heb ik," zeide Tante: "want er staat geschreven: Niet zij, die roepen: "Heere: Heere!" maar zij die den wille des Vaders doen, zullen het koninkrijk Gods beerven.

"Welnu," vervolgde ik: "op de groote levensreis zijn wij verplicht ons leven zoodanig in te richten, dat het niet slechts tot onze heiligmaking strekke, maar ook aan den naaste nut en voordeel aanbrenge. Is dit in het algemeen waar, zoo is het zulks ook in bijzondere gevallen als op onzen tocht met het jacht, dien ik een afschaduwing der levensreis durf noemen, in zooverre als wij, reisgenooten zijnde, met moeilijkheden en wederwaardigheden te kampen hadden. Nu, op dien kleinen tocht handelde Weinstübe juist zoo, als de kluizenaars, die UEd. veroordeelt. Hij vergat, dat er anderen met hem waren, zwakker en meer hulpbehoevend dan hij, en in de plaats van hun nood te verlichten, bemoeide hij zich niet met hen, maar strekte hun tot last en maakte hun toestand nog moeilijker en onaangenamer. De Heer Reynhove daarentegen, die voorzeker, zoowel als ik, met ernstige gedachten bezig was, bleef echter in het oog houden, dat zijn welbegrepen plicht niet medebracht om op een bank te liggen zuchten, maar wel om zijn reisgenooten te ondersteunen en op te beuren: en zoo wij in die ure vergaan waren, zou hij met de zelfvoldoening gestorven wezen, dat hij bij het opontbod werkzaam gevonden was."

"Zoo gij het op die wijze beschouwt, Neef!" zeide Tante, "dan hebt gij gelijk: en dan had zeker die Duitsche Heer beter gedaan, zoo hij niet alleen zelf gebeden had, maar ook de overigen in een lofwaardige stemming had pogen te brengen."

"Mijnheer!" zeide Reynhove, mij met warmte de hand drukkende: "ik declareer u op mijn eer, dat UEd. een perfect Advocaat zoudt zijn! maar waarlijk! ik meriteer niet, dat UEd. met zulken lof spreekt van de stemming, welke mij toen bezielde. Ik had een pressentiment, dat wij er wel zouden afkomen; en dacht daardoor zeer weinig aan die zaken, waarover ik had moeten denken, gelijk Mejuffrouw mij zeer juist doet inzien. Ik schaam mij wel een weinig, dat te avoueeren; maar ik begeer geene louanges, die mij niet toekomen."

"Dat is braaf van u gedacht, Mijnheer Reynhove!" zeide mijn vader, "en doet u in mijne opinie rijzen. UEd. zal het misschien onbeleefd vinden, dat ik u de eerste reis, dat UEd. ons met een bezoek vereert, zoo onbewimpeld de waarheid zeg; maar ik moet u ronduit verklaren, naar het weinigje, dat ik van u gezien heb, oordeelende, dat het van u afhangt, een voortreffelijk mensch, en wat meer zegt, een godvreezend Christen te worden."

"En ik, Mijnheer!" zeide Reynhove, "kan u van mijne zijde declareeren, dat ik niets meer ambitionneer dan uwe goede opinie te meriteeren."

"Is UEd. niet een zoon van den Heer Ambrosius Reynhove, die lid is van HH. Hoogmogenden?" vroeg mijn vader.—Reynhove boog.

"Wel! dat verheugt mij. Wij zijn nog te zamen aan de academie geweest. Hij was een mijner beste vrienden."

"Hij heeft mij ook met hooge achting over UEd. gesproken," zeide Reynhove, "en mij gechargeerd, UEd. zijne complimenten te brengen."

"Wij zeiden dikwijls onder ons," vervolgde mijn vader: "Reynhove zal nog eens een aanzienlijk persoon worden; want toen reeds was hij de primus inter pares en de geboren Voorzitter van alle mogelijke Studenten-commissiën.—En UEd., Mijnheer Reynhove! bekleedt zeker ook reeds deze of gene betrekking?"

"Tot nog toe niet. Ik kan niet zeggen, dat ik die ooit zeer geambitionneerd heb."

"Des te erger, Mijnheer!—Iemand van uwe jaren, die niet geheel van bekwaamheden ontbloot is, behoort werkzaam te zijn, en niet te vergeten, dat de Staat recht heeft op zijn arbeid en talenten:

Hos ante effigies maiorum pone tuorum,

Bovendien, de ledigheid is een duivelsoorkussen."

"Spreek toch niet zoo, Papa!" zeide Suzanna, die ik alreeds wegens haar langdurig stilzwijgen bewonderd had: "'t Is uit klinkklare edelmoedigheid, dat Mijnheer niets uitvoert."

"Uit edelmoedigheid, Mejuffrouw!" herhaalde Reynhove verbaasd.

"Wel ja," hernam zij: "er zijn zoovele arme slokkers, die niets bezitten en naar een postje hunkeren, om er van te bestaan, dat de Heer Reynhove, die rijk genoeg is, geen hunner daarvan berooven wil."

"UEd. is te goed, Mejuffrouw!" zeide Reynhove: "maar ook dezen lof moet ik refuseeren; want ik beken, dat mij dit excuus nimmer voor den geest is gekomen."

"Het zou bovendien geene verschooning zijn," zeide mijn vader: "zoolang er eereposten genoeg zijn, die werk verschaffen en die men zonder bezoldiging waarneemt. Ik ben overtuigd, Mijnheer Reynhove! dat uw vader er over denkt gelijk ik."

Reynhove boog, niet wel wetende wat hij zeggen zoude.

"Maar ik vergeet," vervolgde mijn vader, "dat UEd. mij niet zonder reden zoudt kunnen betichten mij te bemoeien met hetgeen mij niet aangaat. Schrijf dit toe aan mijn post van Hoofdschout, die mij in de noodzakelijkheid brengt van mij met eens andermans zaken te bemoeien."

"Ik schrijf," zeide Reynhove, "dit liever toe aan UEd. belangstellende vriendschap en neem in die suppositie uwe raadgevingen met dankbaarheid aan, gepersuadeerd, dat UEd. mij niets kunt zeggen dan hetgeen door mij verdient gemoditeerd en betracht te worden."

"UEd. neemt het recht heuschelijk op," zeide mijn moeder: "mag ik vragen, waar UEd. gelogeerd is?"

"Bij den Heer Blaek," antwoordde Reynhove: "ik heb zijn zoon op de paardenmarkt leeren kennen en heb niet kunnen weerstaan aan zijn pressante invitatie, om eenigen tijd bij hem te komen passeeren."

Mijn vader keek eenigszins strak; maar hervatte spoedig met minzaamheid: "ik twijfel niet, Mijnheer! of uw verblijf bij den Heer Blaek is genoeg berekend om u allerlei genoegens te doen smaken: ook wil ik hem zijn gasten niet aftroggelen. Intusschen, zoo UEd. eens een dag vrij zijt en den gewonen pot bij ons voor lief wilt nemen, wees dan zoo goed daarvan gebruik te maken. UEd. zult ons altijd welkom zijn."

"O ja, Mijnheer!" zeide mijn moeder: "maar vergeet niet, dat het geen Haagsche festijnen zijn, welke wij u kunnen verschaffen."

"UEd. heeft te veel goedheid," zeide Reynhove: "zijt geassureerd dat ik er met het grootste plaisir van profiteeren zal, en mij feliciteer, van zoo wèl in eene estimabele familie als deze geaccueilleerd te zijn."

Na eenig verder onderhoud stond Reynhove op en nam afscheid. Toen hij vertrok, deed ik hem uitgeleide. Zoodra wij in de gang waren, nam hij mij bij de hand: "Ik had nog een verzoek aan u," zeide hij: "maar ik dorst er daarbinnen niet mede voor den dag komen: uw ouders zijn zulke deftige lieden: ik was bang, dat zij mij railleeren zouden. Ik zal u zeggen, wat het geval is. Ik beweerde gisteren tegen Blaek, dat ik met mijn Engelschman naar Haarlem en terug zoude rijden in zeven kwartier; hij pretendeert hetzelfde te kunnen doen met de harddravers, die hij van den Heer Van Baalen gekocht heeft: en daaruit is een pari ontstaan, wie onzer het eerst den weg heen en weder zoude afgelegd hebben. Wij moeten dit morgennamiddag beslissen: te vijf uren rijden wij af aan de Tweehonderd Roe. Hebt gij lust om het te komen zien en naderhand een glas wijn te blijven drinken?"

"Ik dank u," antwoordde ik, "ik moet aan 't kantoor zijn. Er is een schip van ons, dat op zijn vertrek staat, en dat geeft mij veel drukten."

"Het spijt mij," zeide hij: "nu, au revoir dan."

Hij vertrok en ik keerde in de huiskamer terug, bij mijzelven denkende dat Reynhove wel gedaan had, zijn voorstel niet te doen in tegenwoordigheid mijner ouders, bij wie een harddraverij contrabande was. Toen ik binnentrad was mijn moeder bezig, mijn vader in 't vriendelijke te beknorren, dat hij dien vreemden Heer, bij zijn eerste bezoek, zoo de les gelezen had.

"Kom! kom!" zeide mijn vader: "ik zou het niet gedaan hebben, indien ik niet de overtuiging bezat, dat bij dien knaap een goede grond ligt en dat de kern beter is dan de schil. 't Is maar jammer, dat hij met dien Lodewijk Blaek omgaat."

"En dat hij zooveel Fransche woorden bezigt," zeide mijn moeder.

"Dat is Haagsche stijl," zeide ik: "en hij doet het niet erger dan anderen."

"Hij zal nog veel te leeren hebben, eer hij de tale Kanaäns spreekt," zeide Tante Letje.

"En gij Santje! Hoe denkt gij over onzen nieuwen kennis?" vroeg ik, bemerkende dat Suzanna, tegen haar gewoonte, stil was: "hoe bevalt hij u?"

"O! ik vind hem zeer naar mijn zin," antwoordde zij: "gij weet, ik hou veel van kapellen, en duizendschoonen, en gouden torren, en palmpaschen- en pinksterbloemen en al wat blinkt en sierlijk is."

"Dat is geen bepaald antwoord op mijn vraag," zeide ik: "hij verdient volgens de getuigenis van vader, niet verward te worden met die pronkers, wier eenige verdiensten in hun mooien rok bestaat."

"Volstrekt niet," hernam zij: "want hij draagt bovendien een bijzonder nette pruik en keurige lubben en een schitterenden diamant aan zijn das.—Het portret van den saletjonker uit den Verliefden Poëet van Buysero is volkomen op hem toepasselijk:

'k Zag nooit netter van mijn leven: Wel driemaal op een dag werd hem schoon goed gegeven. Geen kreukje zag men in zijn kleeren, en, om recht Te gaan, 't was in dien tijd een keuning van een knecht. Hij wou zijn handen maar in rozewater wasschen. Men heeft zijn leven zoo geen man een pruik zien passen. En zijn handschoenen, ho! die waren klaar Jasmijn."

"Santje! Santje!" zeide ik: "biecht zuiver op; want ik bedrieg mij zeer, of die Hagenaar heeft een goed oog op u; en zoo gij iets tegen hem hebt, is het beter, dat hij maar spoedig daarvan kennis bekome; anders zal hij het u nog lastig genoeg maken."

"Santje heeft volkomen gelijk, dat zij het met een Jantje van Leiden afmaakt," zeide mijn moeder: "een jong meisje moet zich nooit uitlaten over een Heer: het mocht haar naderhand berouwen."

"Juist zoo!" voegde mijn vader er bij: "want de oude spreuk zegt terecht, dat men met zijn spot naar bed gaat."

Met deze grap was het onderhoud over Reynhove besloten en wij vervielen langzamerhand weder tot de zwaarmoedige stemming en de stilte, waaruit zijn bezoek ons voor een poos gered had.—Mijn zuster zelfs, anders zoo levendig en opgeruimd, deed geen moeite om het gesprek gaande te houden, en zat in gepeinzen verdiept: 't zij dat haar genegenheid voor mij haar de slechte uitkomst van mijns vaders pogingen evendiep had doen gevoelen alsof het haar eigene zaak geweest ware: 't zij dat werkelijk het bezoek van Reynhove een bijkomende aanleiding tot overdenking had opgeleverd. Eindelijk vroeg mijn moeder, onder andere onverschillige zaken, aan Tante Letje, of zij de Juffer nog gezien had, die bij Heynsz aan huis woonde?

"Wel ja!" antwoordde Tante: "heeft Neef u niet verhaald, dat hij haar tot mijnent ontmoet heeft?"

Allen zagen mij aan en mijn vader zelfs met een ernstigen blik. Ik gevoelde terstond, hoe verkeerd ik gedaan had, van deze toevallige ontmoeting niet te reppen; daar ik nu van achteren den schijn op mij laadde, als had ik die opzettelijk verzwegen.

"'t Is waar!" zeide ik: "ik had het vergeten ... ik had het hoofd zoo vol. Ook heb ik niet gedacht, dat er iemand belang in stelde."

"Nu! die jonge Juffer stelt dan wel belang in u," zeide Tante in haren eenvoud des harten: "zij is nog tweemalen sedert dien tijd bij mij geweest, en heeft mij telkens naar u gevraagd, Neef!—Een zoet meisje, dat moet ik zeggen: jammer maar, dat zij Roomsch is. Haar vader had mij heden ook bezocht, om mij te bedanken voor de vriendelijkheid, die ik, zoo hij zeide, voor zijn dochter gehad had. Een beleefd mensch die Heer Van Beveren, dat moet ik zeggen."

"Van Beveren!" herhaalde mijn vader, die met aandacht naar de woorden zijner zuster geluisterd had: "waar hoort die man te huis?"

"Te Deventer!" antwoordde Tante: "doch hij schijnt hier welbekend; althans hij heeft mij over vele lieden gesproken en wist bijna aller betrekkingen."

"Te Deventer! zoo!" herhaalde mijn vader, nadenkend: "en heeft u die Heer Van Beveren geen geld ter leen gevraagd?"

"Neen Broeder! En hij zag er ook niet uit als iemand, die geld behoefde. Hij was goed gekleed en had het geheele voorkomen van een man, die in de groote wereld leeft."

"Ik behoef u niet te vertellen, Zuster?" zeide mijn vader, "dat de duivel zich somtijds in een engel des lichts verkleedt, om zijn oogmerken te bereiken. Ik zou u aanraden, wat voorzichtig met die lieden te zijn."

"Hoe dan: weet gij eenig kwaad van hen, Broeder?" vroeg Tante, met eenige bezorgdheid.

"Niet het minste; maar ik wil dat toch eens onderzoeken ... er is toch iets, dat mij vreemd voorkomt."

"Gij zult toch niet denken, Willem!" zeide mijn moeder: "dat Heynsz verdachte lieden zal herbergen?"

"'t Is zeker, dat zulks nogal grappig zoude wezen," hernam mijn vader: "maar gij hebt gelijk en uw aanmerking is juist.—En Zuster! sprak de dochter van dien Heer zoo belangstellend over Ferdinand?"

"Och Vader!" zeide ik, alle vermoedens wenschende af te wenden: "Tante zal de zaak waarschijnlijk een weinig vergrooten. Zij en ik zijn misschien de eenigen, die Amelia behalve haar huisgenooten kent."

"Ei! heet zij Amelia?" vroeg mijn vader: "gij schijnt reeds vrij familiaar met haar te zijn, om haar zoo bij haar doopnaam te noemen!"

Ik zag, dat Suzanna bleek werd en ik merkte dat ikzelf een kleur over mijn onvoorzichtige uitdrukking kreeg. Mijn Zuster, waarschijnlijk om mij uit de verlegenheid te redden, zei met een gemaakten lach:

"'t Zal een prinses zijn, die incognito reist; en prinsessen worden nooit anders als bij haar voornamen genoemd."

"Dat is zeker," zeide ik, moed vattende, "dat ik haar doopnaam beter weet, dan haar familienaam; maar overigens is onze kennis al zeer gering en ik verlang die niet nader aan te knoopen, hoe lief zij ook wezen moge."

"Niet?" zeide Tante: "en gijzelf, Neef! hebt haar zoozeer tot voorspraak gestrekt, toen ik haar wilde verstooten."

"Wel Tante! Wat zal ik u zeggen? Uw goedheid spoorde u aan, haar, die u onbekend was, bij u te ontvangen: en mijn hart zeide mij dat de leer, die zij beleed, haar aanspraak op uwe bescherming niet verminderde. Dat is alles."

Mijn vader zag mij aan, schudde bedenkelijk het hoofd, nam een snuifje en verwijderde zich om in zijn vertrek te gaan arbeiden: zoodat, zeer tot mijn genoegen, het gesprek over Amelia en haren vader hierbij rusten bleef.

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN GELEERD WORDT, HOE MEN BEST OUDE PAARDEN VERKOOPT, EN JONGE BEDERFT.

Het was gelukkig voor mij, bij de stemming, waarin ik mij bevond, dat het ophanden zijnde vertrek van Kapitein Pulver mij vrij wat bezigheid aan 't kantoor verschafte en daardoor buiten de mogelijkheid stelde om mij over te geven aan mijn leedwezen over de ondervonden teleurstelling. Al had de arbeid geene andere nuttigheid als deze, dat hij den geest bezig houdt en belet het verdriet te gevoelen, dan nog zou hij als een weldaad voor het menschdom moeten beschouwd worden. En boven alle andere zijn, in gevallen, wanneer de ziel ontroerd en geschokt is, de zoogenaamde dorre eentonige werkzaamheden, welke ons beroep verschaft, verkieslijk boven die, welke een meer aanlokkende zijde hebben en waarbij de verbeelding mede in 't spel gebracht wordt. Wijsbegeerte en fraaie letteren mogen op den duur kalmte en vertroosting aan den geest bieden: haar beoefening zoude ik vergelijken bij die van de gezondheidskuur, waarvan de invloed, hoe heilzaam ook, eerst later gevoeld wordt; beroepsbezigheden zijn als de pijnstillende opium of de blaartrekkende pleister, welke de kwaal niet wegnemen, maar ons beletten die te gevoelen.

Maar toen ik, na afloop van het kantoor, weder te huis kwam, en de avond te schoon was, om dien op mijn kamer door te brengen, terwijl de dames uit waren, keerde mijn zwaarmoedigheid. "Kom!" dacht ik, na een wijl gepeinsd te hebben: "ik heb op dit oogenblik geen grooter vijand dan mij zelf en mijn gedachten: ik moet of werk hebben of bezigheid zoeken. Waarom zou ik niet naar den Haarlemmerweg gaan en zien hoe de weddenschap is afgeloopen?"

Dit besluit gevormd hebbende, begaf ik mij dadelijk op weg, wandelde de singels om naar de Haarlemmerpoort en kwam ongeveer tegen half zeven ure aan de Tweehonderd Roe; waar ik weldra vernam, dat de beide wedders te vijf uren precies waren afgereden, en dus, bijaldien er geen ongeluk had plaats gehad, welhaast moesten terug wezen. Een vrij talrijk gezelschap zat in den tuin en voor de deur der herberg bijeen, met de wijnflesch of bierkan voor zich, naarmate de staat hunner geldbeurs meerdere of mindere uitgaven gedoogde: anderen wandelden langzaam den weg op en neder, blijkbaar den uitslag des wedrens verbeidende; terwijl enkelen, te paard of in hun chaisen gezeten, met hetzelfde oogmerk stapvoets op en neder reden. Daar waren, onder dien toevloed van menschen, lieden van elken rang of stand, vermogende renteniers, deftige kooplieden, beunhazen, pikeurs, stalhouders en voerlieden; doch allen, op weinige uitzonderingen na, ridders van de zweep: en de onderscheidene gesprekken, welke hier en daar gevoerd werden, hadden overal slechts één onderwerp, de edele rijkunst. De verdiensten der paarden van Lodewijk Blaek, die bij allen bekend waren, werden overwogen: de groote feiten, door hen verricht, in ai hun kleuren opgevijzeld; hun betrekkelijke waarde vergeleken: de prijs, dien zij gegolden hadden, genoemd, enz. enz. Wat het paard van Reynhove betrof, daarover dorst men een minder beslissend oordeel vellen, vermits het slechts aan weinigen bekend was; doch men was van gedachten, dat het, ofschoon uiterlijk van weinig apparentie, echter droog en fraai was, en tot die soort van paarden behoorde, welke niet bij uitstek snel loopen, maar een gestadigen gang hebben en het lang uithouden zonder zich te vermoeien.

Ik keek ondertusschen rond, of ik niet hier en daar onder de menigte een gezicht van een kennis zoude aantreffen; maar ofschoon ik met dezen en genen, die mij van de beurs of van elders bekend was, een groet, of een kort: "hoe vaart Mijnheer?" wisselde, zag ik niemand, met wien ik het de moeite waardig achtte, een bepaald gesprek aan te knoopen. Daar ik eerst aan de Academie, en toen buitenslands geweest was, had ik weinig bekenden, althans onder dat slag van lieden, hetwelk zich hier bevond.—Eindelijk, mij langs een hoopje begevende, dat nog luidruchtiger en drukker was dan de rest, hoorde ik mij eensklaps bij mijn naam noemen: en, mij omwendende, herkende ik Weinstübe, die met een grooten roemer in de eene en een zweep in de andere hand, den redetwist, waarin hij gewikkeld was, afbrak om mij aan te spreken.

"Huyck" riep hij: "foor wien wed jij?"

"Voor geen van beiden," antwoordde ik, mijn hoed even aflichtende, als wilde ik mijn wandeling vervolgen.

"Nein! Pots tit und tat! Je komt er zoo nicht af! Je solt seggen voor wien je pint. Wed jij tegen mich. Ik heb een sakkie sesthalven kewed op de plessen van Plaeck: en er is niemand, die meer dan een sakkie toepeltjes teugen houdt. Toe jij me nou de frundschap und neemt de rest."

"Ik zou u gaarne dat genoegen doen," zeide ik: "maar ik wed niet zoo maar in den wilde: de blessen van Blaek ken ik ternauwernood en het paard van Reynhove in 't geheel niet: zoodat ik over hunne vergelijkende waarde niet kan oordeelen."

Ik dacht er hiermede af te zijn; maar weldra had ik berouw, van maar niet ronduit verklaard te hebben, dat ik in 't geheel niet wedde; want nu kreeg ik terstond het loon voor mijne valsche schaamte.

"Laat je dat niet afschrikken, Mijnheer!" zeide een dikke vent, wien ik naderhand vernam, dat een kastelein van den Overtoom, en een beroemd paardenkenner was: die beestjes van Blaek loopen drommels goed, dat 's waar; 't bennen poppetjes, daar niks aan mankeert: zoo rond as appeltjes en as een zij zoo zacht in den bek, daarom niet; maar kijk! daar hebje dien anderen: heb ik jou daar? het biest mag zoo mager wezen as het wil: des te minder zit hem zijn vet in den weg:—en as je 't zoo ziet afrijen, je zoudt zeggen: het slaat zien beenen deur mekaêr of het mal was;—maar laat hem gerust zijn gang gaan: hij zal het uithouen op den langen weg—en ze alle achter hem laten. Kijk!—het zakkie dubbeltjes durf ik op hem resikeeren; en het past mijn en mijns gelijken niet om meer te doen;—maar hou jij gerust de rest: 't zei je geen schaê doen; zoowaar ik Krijn Jaspersz hiet."

"Ik wil het best gelooven," zeide ik: "maar in zoodanige gevallen ga ik niet op goed geloof af, en dat zult gij mij niet kwalijk nemen. Gij zoudt ook niet gaarne een paard koopen of er op wedden, zonder het alvorens gezien te hebben."

"Nou, dat 's waar ook," zeide hij: "maar anders!... Ik heb de eer niet, van Meneer parteklier te kennen, en ik weet niet, of Meneer verstand van paarden heit; want anders ben je nog niet sekuur al heb je ze gezien: dat heit die makelaar ondervonden, die laatst bij ons was, daar Blaek die ouwe knol van hem an verkocht heit."

"Ja!" zeide Weinstübe, grinnikende: "dien heeft hij oud peet kehad."

"Zoo! heb je ook al gehoord van den moord van Parijs?—Nou! die goeie man had het paard ook gezien en geprobeerd: en hij docht, dat hij wonder wat kocht; maar jawel!—hij liet zich royaal weg een ouwen blinden knol in de handen stoppen en mag den hemel danken, zoo hij er den volgenden dag den nek niet mee gebroken heeft."

"Maar dat is niet veel beter dan stelen," zeide ik: "op deze wijze van eens anders onnoozelheid partij te trekken."

"Hei ho! daar komen zij! daar komen zij!" riepen eenige stemmen. Alles stoof op en keek den weg op; hoewel er nog niets te zien was, dan een stofwolk, die aan deze zijde van het tolhek opsteeg.

Ongeduld, verwachting, hoop en vrees, waren op de aangezichten te lezen, en men staroogde, alsof men den blik door het stof heen had willen laten dringen, om te ontdekken, wie de overhand had. Het duurde echter niet lang, of beide rijtuigen waren naast elkander zichtbaar, zonder dat men nog door den afstand kon onderscheiden welk het eerste was.

"Zij zijn er waarachtig allebei!" riep de een,—"zij hebben mekaar goed bijgehouen!" riep een ander.—"Nou! wat braatje nou van uithouen?" vroeg Weinstübe aan Krijn Jaspersz.: "je ziet immers, dat de peesten an mekaar kewaagd zijn. Heb je ook perauw? Sol je 't afmaken wille voor de helft."

"Patientie!" zei de kastelein: "de laatste loodjes wegen het zwaarst."

"De ruin is voor!" riep opeens een stem.

"Neen! neen!" zeide een ander: "de blessen winnen het."

"De blessen winnen het!" riepen onderscheidene stemmen. En inderdaad zag ik nu ook, dat de twee paarden een eind dichter bij waren dan het eene; ofschoon het rijtuig, dat door de eerstgemelden getrokken werd, wild over den weg heen en weder slingerde, terwijl de sjees van Reynhove met een gelijken gang vorderde.

"Hoera!" riep Weinstübe, met den hoed zwaaiende: "had je nu mijn foorschtel maar aannemen willen. Het sakkie toeppeltjes is mein."

"Hoezee!" riep de menigte, en opende zich voor het rijtuig van Blaek, die, met purper aangezicht, schreeuwende en juichende kwam aangereden. Maar nauwelijks had hij de plek bereikt, als de uiterste grens van den wedren bepaald, of een zijner paarden stortte en hij zelf tuimelde uit de sjees. Hij was echter dadelijk weder op de been en werd nu door de toestroomende liefhebbers met luid gegalm als overwinnaar begroet. Reynhove was intusschen insgelijks aangekomen, mede vrij verhit en ontdaan; doch zijn paard toonde slechts weinige blijken van vermoeidheid en wettigde daardoor de lofspraak, daaraan door Krijn Jaspersz gegeven. Alleen het schuim, waarmede het bedekt was, een korte hoest en een trillende beweging van het lichaam, toen het stilstond, gaven bewijs dat het hard geloopen had. Een lakei van Reynhove schoot dadelijk toe, dekte het met een warm kleed en bracht het op stal met behulp van den kastelein der Tweehonderd Roe. Ofschoon nu onze Hagenaar het onderspit gedolven had, bleek mij echter dat de oordeelvelling van den Overtoomschen kastelein juist geweest was; want de paarden van Blaek hadden zich overloopen: het eene lag, zooals ik gezegd heb, op den grond en scheen meer dood dan levend; het andere stond nog, doch hijgende als een juffershondje en zoo onvast op de beenen, als ware het op het punt van neer te storten. Met veel moeite deed men het gevallene opstaan, en bracht men beide opstal.

"Jongen! dat is jammer!—Ik hoop, dat het den beestjes geen kwaad zal doen! Zij hadden zich zoo mooi gekweten!—Je bent den ander toch vooruitgebleven!—'t Mag wezen hoe 't wil: 't is beter, dat ze crepeeren, dan dat die magere knol je voorbij ware gereden, enz. enz."—Zoo klonken de troostredenen, die nu in ruime mate aan Lodewijk werden toegevoegd; maar waar hij geen oor naar had, zoo grootsch was hij op zijn overwinning; ofschoon hem die waarlijk een paar goede paarden kosten zoude.

"Ik ben toch de baas gebleven!" riep hij Reynhove toe, met een zegevierenden blik.

"Dat geloof ik wel," zeide deze, met spijtige bedaardheid: "gij waart schier aan 't hollen geslagen: en ware uw paard niet gestort, dan zoudt gij ze niet gearrêteerd hebben. Op zoo'n wijze zoude ik niet willen triomfeeren."

"Heb ik het niet gezeid?" zeide Krijn Jaspersz: "'t is een bloot toeval en meer niet, zoo de blessen eerst an zijn; maar ik vraag maar an iedereen, of die prijs mooi gewonnen is? Ik heb gezeid, en ik blijf er bij, dat de ruin op den langen weg beter loopt: en as Meneer hem niet had willen sparen, was hij nog de baas gebleven."

"As! As!" herhaalde Weinstübe: "asch is verbrante tourf: en je pint toch je toeppeltjes kwijt, man."

"Dat ben ik," zeide Krijn: "heb daarover geen zorg; maar dat belet niet, dat ik op zoo'n manier geen weddenschap zou willen winnen."

Onder dit praten waren Reynhove en Lodewijk, door de omstanders heen, de herberg binnengedrongen: en geen trek hebbende, om mij in dien wilden boel te mengen, noch om langer naar de klaagliederen van Krijn Jaspersz te luisteren, begaf ik mij naar den tuin, zette mij neder en bestelde een roemer wijn, met oogmerk om na het gebruik daarvan huiswaarts te keeren. Ik had nauwelijks eenige minuten gezeten en was, bij de algemeen heerschende drukte, nog niet geholpen geworden, toen de waard in persoon naar mij toekwam en mij uit naam van Reynhove vroeg, of ik hem en aan de overige Heeren de eer aan wilde doen, mij bij hen te vervoegen.

"Ik bedank Mijnheer wel voor zijn beleefdheid," antwoordde ik: "het is mij daarbinnen te vol en ik ga zoo aanstonds heen."

"Vol! Mijnheer!" herhaalde de waard: "wel neen! zij zitten maar metter zessen daar gunter in den koepel: 't is zeker anders wel de gewoonte, datter meer van de partij zijn, maar die Heer uit Den Haag valt nogal grootsch en wil niet graag met anderen als met zijns gelijken converseeren. Nou! 't is mij wel wat scha; maar wat zal ik zeggen?"

Ik keek in de richting, welke hij mij aanwees, en zag inderdaad, dat Reynhove, Blaek, Weinstübe en een drietal Officieren, zich in een der bij de herberg behoorende koepeltjes bevonden, dat voor hen was vrijgehouden: en het gaf mij juist geen kwaden dunk van Reynhove, dat hij niet verlangde met Jan en alleman te zitten.

"Nou, wat mot ik zeggen?" vervolgde de waard.

Ik had voorzeker wijzer gedaan, en mij vrij wat verdriet bespaard, indien ik bij mijn voornemen gebleven ware en de Heeren alleen had gelaten; maar eensdeels deed een misschien kwalijk gepaste schaamte mij vreezen, dat Reynhove het euvel zoude opnemen, indien ik het voorstel afsloeg; te meer, daar ik mij den vorigen dag verschoond had en nu toch was komen kijken: en daarbij dreef een dwaze ijdelheid mij aan, om mij geroepen te wanen, ten einde aan die liefhebbers een nuttige les te geven. Kortom, ik stond op en volgde den waard naar het koepeltje, waar onze Heeren onder de flesch bijeenzaten.

"Wel! ik moet zeggen," zeide Reynhove. toen hij mij zag: "het kost niet weinig moeite de eer van Mijnheers gezelschap te bekomen. Gisteravond verzoek ik u, en gij refuseert: vandaag verandert gij van idee, en dan laat gij u nog bij de ooren trekken, om ons uw sociëteit te schenken."

"Ik houd niet van mij in te dringen," zeide ik: "en blijf slechts een oogenblik."

"Wel, ik hoop van beter," hernam hij: "maar neem plaats: ik weet niet of gij deze Cavaliers kent: de Heeren Contour, Reekalf Van Ranst, officieren te Naarden in garnizoen." '

Ik boog mij en nam plaats.

"Wat is dat voor een bocht van wijn?" riep Lodewijk, die mij slechts even met een hoofdknik had begroet: "Jan! haal anderen wijn: denk je, dat wij zulke vergifte kost willen zuipen? Haal van den Klooster Baserac: immers zoo de baas er nog van dezelfde heeft als laatst."

"Het heeft weinig gescheeld," zeide ik tegen Reynhove, "of gij hadt den prijs behaald."

"'t Heeft genoeg gescheeld," zeide Lodewijk: "ja! laten zij maar komen, die het tegen de blessen uithouden."

"Nu ja," zeide Reynhove, niet zonder wrevel over het bluffen van Lodewijk: "indien ik mijn paard had willen ambimeeren, zooals gij uwe beesten gedaan hebt, dan had ik u op Halfweg al vooruit kunnen zijn."

"Nu vraag ik aan elk verstandig mensch," zeide Lodewijk, met een luiden lach, "of zulk een verschooning wel iets anders als een uitvlucht is?—Wat duivel! die zijn paarden sparen wil moet niet wedden.—Wat zegt gij er van, Weinstübe?..."

"Das ist recht," antwoordde deze: "onze freund Reynhove sol het auch gaar nicht meinen wollen. Maar met dat al, zijn rein is ein gnap peestje und loopt blaisierig: ich sol hum er nog een sakkie koeltens voor pieten wollen."

"Wacht eerst, tot het te koop is," zeide Reynhove; "intusschen ben ik gereed, zoo vriend Blaek wil, morgen weer tegen hem te rijden, tot aan Guldenhof toe: en voor het dubbele geld."

"Of ik mal ware," zeide Lodewijk: "kom over veertien dagen eens weer, dan zullen wij er nader over spreken."

"Over veertien dagen," zeide Reynhove: "zullen de blessen wel denzelfden weg zijn opgegaan als de witvoet."

"Dat ware altijd een laatste uitkomst," zeide Lodewijk, lachende: "ja! van dat ouwe dier ben ik zeker wél afgekomen."

"Van den witvoet?" herhaalde Reynhove, met verbazing.

"Wat was dat?—Eilieve vertel eens!" vroegen de Officiers: "heb je nog geld aan dat oude beest verdiend?"

"Ja kottorie!" zeide Weinstübe: "laat Plaek dat eens vertellen: je houdt waaraftig je pijk fast fan 't lachen, as je 't hoort."

"Wel, luistert dan," zeide Lodewijk, zijn glas inschenkende, waarna hij zich, met de handen in de vestzakken, achterover in zijn stoel wierp en de houding aannam van een ouden gediende, die een treffelijke krijgsdaad gaat verhalen: "Gijlieden kent Jan Velters van de Leliegracht, die in de wandeling Jan Rijstenbrij wordt genoemd?"

"Een best goed kalf van een jongen," zeide Contour: "'t is nog zoowat een brok van een neef van mij: wij plachten hem altijd te foppen, toen hij klein was: maar er was geen eer met hem te behalen; de sul liet zich alles doen."

"Ik heb hem een paar reizen ontmoet," zeide ik: "hij kwam mij voor een beleefd, werkzaam mensch te zijn, wien niets ontbreekt als een betere gezondheid en wat ruimer middelen."

"Ja!" zeide Weinstübe: "recht zoo! 't is een khale rot; maar hij werkt koet: hij petient ons wel als makelaar: en ik moet zeggen, hij is altijd bront en oblizant."

"Juist zoo!" zeide Lodewijk: "welnu!—Gij hebt allen dien witvoet van mij gekend: een goed en deugdzaam paard in zijn tijd; maar die nu mooi oud, gebroken en hardademig was, en zoo blind, dat ik al last had gegeven om hem dood te schieten.—Maar of ik blij ben, dat ik het niet gedaan heb.—Verleden week, moet gij weten, zit ik bij den ouwe in zijn kamer; daar komt mij die Jan Rijstenbrij met zijn bleeke tronie aangewandeld, met een pak papieren onder den arm, van een graf, dat de ouwe in de Westerkerk voor zich had laten koopen."

"Jongen!" viel de luitenant Reekalf in: "heeft de ouwe plan om op te stappen? Dat zou je goed komen, vriendje?"

"Dat zou het net," zeide Lodewijk, terwijl Reynhove een blik van verontwaardiging op den Officier wierp: "nu:—de knaap zag er zoo ontdaan uit van de kleine wandeling, die hij gemaakt had, dat de ouwe hem verzocht te gaan zitten en hem vroeg, hoe hij het al zoo maakte: "niet te best," was het antwoord: "ik ben verleden week naar Leiden geweest om Professor Boerhave te raadplegen: en die heeft mij het paardrijden aanbevolen."—"Zoo!" zeide mijn vader: "en heb je zijn raad al gevolgd?"—"Ja Mijnheer!" was het antwoord van Velters: "ik heb al een tochtje of wat gedaan met paarden uit de rijschool: ik wenschte wel, dat ik een goed mak beestje in eigendom kon krijgen; doch ik weet niet hoe er aan te komen. Veel geld er voor uit te geven schikt mij niet: en ik ben bang, dat zij mij in den nek zullen zien; want ik heb er geen verstand van."—Toen kwam mij de witvoet voor den geest: ik trok af, liet onzen maat zijn zaakjes met den ouwe af handelen en wachtte hem aan de voordeur af: "Zeg eens, Sinjeur Velters!" zeide ik, toen hij aftrok: "jij woudt gaarne een mak beestje hebben, nietwaar?"—"Jawel, Mijnheer Blaek!" zeide hij.—"Nu man! zoo weet ik er een voor je," zeide ik. "Er staat er nog een bij Jaspersz op stal: dat is net je gading. Zij zullen er misschien wat veel voor vragen; maar met loven en bieden komt men ver: en ik zal je de vriendschap doen, en gaan met je om te zorgen, dat je niet beetgenomen wordt.—Daar was onze man over de huizen, gelijk gij denken kunt. Wel tienmalen zeide hij, hij wist niet, waar hu zooveel beleefdheid aan verdiend had: enfin! 't was aandoenlijk om zijn dankbaarheid te zien.—Ik sprak met hem af, hij zou den volgenden morgen tegen zeven uren bij Jaspersz op stal komen, om het beestje te zien, en dan zou ik er ook wezen. Nu! gij kunt denken, wat er gebeurde: ik dadelijk naar stal, stuur den witvoet bij Jaspersz, ga zelf den man spreken en zeg hem zijn les voor. Den volgenden morgen kom ik met opzet wat later: daar stond onze maat al sedert een kwartier bij het beest, met Jaspersz, die hem er al de fraaie hoedanigheden van aanprees, alsof er nooit een beter een zadel op den rug had gedragen. Jongens! ons Veltersje was zoo blij, dat ik kwam; want hij wist niet meer wat te zeggen.—"Zoo!" zeide ik: "vriend Velters! heb je den knol al eens geprobeerd?"—"Neen Mijnheer!" antwoordde hij: "en ik weet niet, of hij mij wel lijken zou; want, naar Jaspersz zegt, moet het beest al mooi wild en vurig wezen: en dat lijkt mij niet; maar Mijnheer!" vervolgde hij, terwijl hij mij zachtjes ter zijde trok' "heeft het paard niet een ingezonken rug? dat is immers een gebrek?"—"Hm!" zeide ik: "dat hindert, niet, wanneer het gezadeld is; anders, mooi staat het niet, daar hebt gij gelijk in;—maar wij zullen eens zien. Haal het beestje maar eens uit, Jaspersz!—Jongens!" fluisterde ik Velters in, terwijl Jaspersz het beest liet opzadelen: "zie je wel hoe zuur of Jaspersz kijkt, dat ik meegekomen ben? hij weet wel, dat hij je nu niet kan foppen, al wou hij."—Dat alles slikte vriend Rijstenbrij op als zoeten koek. Toen het paard nu buiten stond, ik er op en reed er wat mede de laan op en neder, nu stappende, en dan weer op een hand galopje:—want ik was bang dat hij er in 't geheel niet mede voort zou komen, zoo ik het hem eerst berijden liet. Toen het beest wat los en lenig was geworden, verzocht ik hem mijn plaats te nemen. "Wel! wat zeg je er van?" vroeg ik, toen hij een keer of wat heen en weer was geweest. "Mij dunkt, het loopt vrij aardig," zeide hij: "maar zou het niet wat te gauw moe zijn? Het zweet staat hem een duim dik op het lijf."—"Ja!" zeide ik, "dat dunkt mij ook, Jaspersz!"—"Och Mijnheer!" zeide deze, terwijl hij een groote pruim tabak in den mond stak, om niet te lachen: "dat is van de heetigheid; het beest is in geen zes dagen van stal geweest."—"Maar!" zei Velters wederom, die toch minder onnoozel was dan ik dacht: "struikelt het niet nu en dan wel eens?"—"Dan heb je hem niet goed op den toom gehouden," zeide ik: "toen ik hem reed heeft hij niet gestruikeld."—"En hoe oud is het beest wel?" vroeg hij alweer. "Ja," zei Jaspersz: "piepjong is hij niet meer; maar Monsieur Velters verkiest ook geen heel jong beestje; meer dan een jaar of acht zal hij toen wel niet halen."—"En," vroeg ik, "wat moet dat juweel nu gelden?"—"Honderd dukaten," antwoordde Jaspersz: "en daar valt niets af te dingen. Ik heb er nog gisteren vijfhonderd gulden voor geweigerd aan Mijnheer Zadelhoff, dien Mijnheer kent."—"Honderd dukaten!" herhaalde ik op een toon van verontwaardiging, terwijl ik bij mijzelven lachen moest om het scheef gezicht, dat Velters zette: "wel dat zou de duivel!—Neen man! mij dunkt fl 400 is een mooi bod—of althans—Monsieur Velters moet het weten: maar ik voor mij zoude niet gaarne meer geven."—"Neen zeker!" zei Velters, die bleek van angst was: "en zelfs fl 400 is wel een honderd gulden boven mijn prik; ik ben geen man van de Nieuwe Heerengracht, zooals Mijnheer Blaek." Toen trok ik hem op zij; "hoor," zeide ik, "'t is wel wat duur; maar in uwe plaats betaalde ik liever wat meer voor een goed paard, dan dat je een knol koopt, die u in den steek laat." Hij zat er deerlijk in, maar dorst niet teruggaan:—en om het maar in korte woorden te vertellen, na veel over en weer praten werd de koop voor fl 450 gesloten: en onze vriend trok af, na herhaalde dankbetuigingen voor al de moeite, die ik mij gegeven had; terwijl Jaspersz hem achternariep, dat hij nu een beest had, waar hij de wereld mee uit zou rijden. 't Kan wel waar zijn ook; want vandaag of morgen rijdt de blinde knol den Amstel met hem in."

"Nu! die was heerlijk!" riepen de Officieren; "vierhonderd vijftig gulden voor een knol, die het doodschieten nauwelijks waard is.—Nu! dat verdient zoo'n beunhaas. Wat behoeft hij ook te rijden? Je hebt je dan recht dapper gehouden."

Ik zag met genoegen, dat Reynhove niet instemde met den lof, welken de overigen Lodewijk toezwaaiden; maar, evenals ik, stilzweeg en het hoofd schudde. Wat mij betrof, ik was verontwaardigd over een zoo schandelijk bedrog, te minder verschoonbaar, omdat het gepleegd was tegen iemand, die er zich bij geen mogelijkheid tegen hoeden kon: en, wat mij nog meer ergerde, was de onbeschaamde wijze, waarop men zich nog dorst verhoovaardigen en lofspraak vergen op een daad, die mijns oordeels een geeseling waardig geweest ware. Ik kon mij eindelijk ook niet meer bedwingen; maar, niet gezind mijn gedachten ongevergd te uiten, bij lieden, die mij niet verstaan zouden, vergenoegde ik mij met de vraag, wat de arme Velters toch wel gezegd had, toen hij naderhand ontdekte, hoe deerlijk hij bedrogen was geworden.

"Bedrogen!" herhaalde Lodewijk, mij schuins aanziende: "vergun mij u te zeggen, Mijnheer Huyck! dat dit een uitdrukking is, welke ten dezen niet te pas komt. Gij meent ongetwijfeld—toen hij bemerkte, dat ik hem bij den neus had gehad."

"Indien gij oordeelt, dat deze laatste uitdrukking zachter is," zeide ik, koeltjes, "dan heb ik er vrede mee: de beteekenis blijft toch dezelfde."

"Toen hij het bemerkte," vervolgde Lodewijk, zonder schijnbaar aan mijn woorden te hechten, "toen zag hij, dat hij zijn geld kwijt was, en daar bleef het bij. Denk je, dat hij zoo gek is, zich te beroemen, dat men hem beet heeft gehad?—Of dat hij zou durven klagen over mij? en gevaar loopen mijns vaders gunst en de mijne te verbeuren?"

"Des te erger," zeide Reynhove, met warmte: "ik zou het u pardonneeren, indien gij dezen of genen maquignon had gedupeerd, of wel een cavalier, gelijk gij zijt, die u satisfactie kon vragen; maar dat gij abuseert van de goede trouw eens mans, die van de affaire geheel ignorant is en bovendien van u dependeert, dit is geen nobele manier van ageeren."

Ik knikte goedkeurend bij deze redeneering, die mij zeer behaagde, al was zij in onzuivere taal gesproken. Wat Lodewijk betrof, hij toonde zich ten hoogste gebelgd over hetgeen hij een beleediging noemde: en er zou twist ontstaan zijn, indien de overigen er zien niet tusschen gevoegd hadden en verzocht, het onderwerp daar te laten.

"Hei ho!" riep nu opeens Lodewijk: "wie komt daar aan?—Lucas Helding, zoo waar ik leef! blazend en zweetend als een narrepaard. Hier!" schreeuwde hij, tegen de ruiten tikkende: "hier vriend Helding! hier moet gij wezen! Toe vrienden! ziedaar een heerlijk voorwerp om ons mede te vermaken. Wij moeten hem binnenroepen en besissen."

Ik keek uit! en inderdaad, daar kwam Helding voorbij, met den hoed in de hand, en het gezicht zoo rood als een kalkoensche haan, terwijl hem het zweet tappelings langs de wangen droop. Zoodra hij hoorde dat er getikt werd, draaide hij het hoofd om, en zijn gelaat helderde op, bij den aanblik van een volgeschonken roemer, dien Lodewijk hem voorhield. Ik had den goeden man wel willen waarschuwen, tegen het gevaar, dat hem bedreigde, maar het was te laat: hij was den tuin ingewandeld en stond reeds op den drempel van den koepel te buigen.

"Wel poëet, kom binnen!" riep Lodewijk: "waar komt dat zoo vandaan? Maar drink, eer gij antwoordt. Gij schijnt warm en hebt wat verfrissching noodig."

"Veels te veel goedheid," zeide Helding, nadertredende en het hem aangeboden glas met nieuwe buigingen aannemende: "uwe gezondheid Heeren!—Ik was de slatuintjes eens rondgekuierd; ik dacht niet, dat ik op weg naar huis nog kennissen zoude vinden."

"Allons! ga zitten," zeide Lodewijk, hem bij de schouders vattende en op een stoel plakkende: "en drink nog reis. Zeker ben je weer aan 't verzenmaken geweest onderweg. Toe! laat hooren; wat heb je bij je?"

"Is Mijnheer een dichter?" vroeg Contour, een blij gezicht zettende.

"Een dichter!" herhaalde Lodewijk: "puf nou poëetjes! 't is de baas van 't gansche land! Is dat een vraag, of Lucas Helding een dichter is?"

"Is UEd. waarlijk die vermaarde Lucas Helding, wiens verzen mij zoovele aangename uren hebben doen doorbrengen?" vroeg Contour, met een gemaakte verbazing: "wel, ik had nooit durven droomen, dat ik het geluk ooit zou hebben mogen smaken, van uwe kennis te maken. Gun mij, uwe gezondheid te drinken."

"Te veel goedheid," zeide Helding, zijn glas op nieuw ledigende: "maar hoe kan Mijnheer zoo bekend zijn met mijne gedichten, als ik vragen mag? want ik heb nog nooit iets laten drukken, als eenige...."

"O Mijnheer!" zeide Reekalf, zijn kameraad in verlegenheid ziende: "alsof wij geen kopieën van uw werken hadden;—maar mijn vriend is mij vooruit geweest: gun mij thans ook de eer...." En er werd op nieuw geklonken.

"Ik ben niet minder gecharmeerd van uwe kennis te maken," zeide Reynhove. "Ich wil auch een klaasje wein mit UEd. trinken," zeide Weinstübe. "Ik mag mij mede dat genoegen niet ontzeggen," riep Van Ranst:—en Helding, hoezeer zich tegen die al te groote eer verzettende, zag zich genoodzaakt met elk afzonderlijk een glas te ledigen. Zeker deed hem de wijn naar meer smaken; want toen hij de ronde gedaan had, verzocht hij mij uit zichzelven, de eer te mogen hebben, van ook met mij te klinken.

"Ik kan u zeggen, mijn waarde Monsieur Helding!" zeide Contour, "dat er geen dichter is, wiens verzen meer bij ons regiment bewonderd worden, dan de uwe."

"Het gaat zooverre," zeide Reekalf, "dat twee Luitenants, een Vendrig en drie Kornetten in arrest zijn gezonden, omdat het lezen uwer gedichten hen het parade-uur had doen verzuimen."

"Wat praat gij van arrest," zeide Van Ranst: "ik ken er verscheidenen, die zich moedwillig naar de provoost laten brengen, om op hun gemak uw voortreffelijke dichtwerken te kunnen bestudeeren.

"'t Gaat zooverre," hernam Contour, "dat onze Kolonel laatst, in stede van het commando te geven, een regel uit een uwer werken opzeide."

"Wij hadden bij ons een Cadet," zeide Reekalf, "wiens dood gij op uwe rekening hebt."

"Zijn dood!" riep Helding in verbazing uit: "UEd. spot er mee."

"Volstrekt niet: hij wilde uw schrijftrant navolgen en heeft zich, uit wanhoop over het mislukken zijner pogingen, een kogel door 't hoofd gejaagd."

"Wel! is het mogelijk?" hernam Helding, de handen van verbazing in elkaar slaande: "ik ben er waarachtig van ontsteld."

"Toe geschwind! trink tan tegen den schrik," zeide Weinstübe, hem inschenkende.

"Voor den drommel," zeide Van Ranst: "ik, die hier zit, heb al zes officieren van de Garde in tweegevecht overhoop gestoken, omdat zij ontkenden, dat Helding de eerste dichter van het gemeenebest was."

"Hemel beware ons!" riep de goede Helding uit, verschrikt op zijde schuivende; want Van Ranst, die een groote zwaarlijvige kerel was met dikke knevels en bakkebaarden, zag er inderdaad vervaarlijk uit.

"UEd. is immers," hervatte Contour, "de maker van dat lieve dichtstukje op ... hoe heet het ook?... "Eilieve, Reekalf! help mij eens op den weg."

"Wel ja! van dat geestige gedichtje, dat wij te zamen lazen," zeide deze.

"Welk bedoelt UEd.?" vroeg Helding, zijn oogen beurtelings van den eenen naar den anderen kant wendende: "ik kan niet nagaan...."

"Wel! dat verliefde stukje," zeide Van Ranst: "ik heb het den vijfden van mijn weerpartijders nog in de ooren geschreeuwd, toen ik hem den kop gekloofd had: maar nu ben ik het waarachtig vergeten."

"Dat waar eine frolijke manier om hum naar de eeuwigkeit te promenieren laten," zeide Weinstübe.

"Misschien," zeide Helding, "meent UEd. dat gedichtje op het kuiltje in het kinnetje van Phyllis!"

"Juist!" antwoordde Contour: "'t geen aldus begint ... och! hoe begint het ook weer?"

"Lief kuiltje!..." hief Helding aan.

"Juist: lief kuiltje.... Stilte, Mijne Heeren! Ga voort, mijn waarde Heer Helding!"

"Ja! maak dat wij uit dat kuiltje komen," zeide Lodewijk.—En Helding, die alles voor goede munt opnam, hief op deze wijze aan:

"Lief Kuiltje! waar de God der liefde in ligt verscholen, Als in een zacht satijnen bed!...."

"Een satijnen bed.—Juist! recht poëtisch!"—viel Reekalf in.

"Van waar hij pijltjens schiet, die in het wilde dolen, Maar treffen steeds, en gloeiend zijn als kolen, Wier vier elk hart in vlammen zet."

"Precies!" zeide Contour: "er kwam van kolen in."

"Die kolen maken een lumineux effect," zeide Reynhove.

"Wier vier het hart in vlammen zet."

herhaalde Reekalf: "wat is het aardig uitgedacht en geestig volgehouden: gloeiende kolen en een vlammend hart! Laten wij eens drinken, om dien geweldigen brand te blusschen. Uwe gezondheid, Monsieur Helding!"

"Om u te bedanken, Mijne Heeren!" vervolgde hij: "maar het zal mijn tijd worden, om huiswaarts te keeren."

"Ja!" zeide ik: "ik begin ook te vinden, dat het laat genoeg wordt. Wij zullen een eindweegs samen gaan, vriend Helding!"

"Wel ja! Waarom niet den geheelen weg," zeide Lodewijk, mij spottend aanziende: "dan kunt gij nog in 't voorbijgaan een bezoek afleggen bij uw Dulcinea, die beneden hem woont.—Neen, neen! Wij gaan allen samen heen."

"Ik heb geen Dulcinea, die beneden Helding woont," zeide ik, op een ernstigen toon: "en gij, mijnheer Blaek! weet dat zoogoed als iemand."

"Nu! wij blijven ook niet lang meer," zeide Reynhove: "en wij gaan samen heen; maar wij moeten toch het vervolg van het gedicht hooren."

"Kottorie neen!" zeide Weinstübe: "wou je nu al opkrassen? het mooie moet nog ankomen."

"Wel, het zij zoo!" hernam ik: "maar dan gaan wij ook."

"Als de Heeren het dan zoo verkiezen," zeide Helding: en hij vervolgde aldus met zijn gedicht:

"Lief Kuiltje! zeg mij toch, indien gij 't kunt verhalen, En prent het mij ter dege in, Hoe zijt gij toch ontstaan? en wat toch deed u pralen, Zoo schoon, als geen Apèl het beter konde malen, In 't midden van die ronde kin?"

"Bravo! bravo!—Maar drink eens, Helding! dat opzeggen moet u vermoeien na een zoo lange wandeling."

"In 't minste niet:—nu antwoordt het Kuiltje, Mijne Héeren!"

"Een sprekend Kuiltje! hoe geestig!"

"Toen Venus zelf 't gelaat, waarin men mij ziet prijken, Door hare gunst te voorschijn bracht, Deed zij haar eigen merk in alle trekken blijken. Zij schiep die schoone verf, waarvoor de roos moet wijken, Die oogen, vol van tooverkracht."

"'t Is onnavolgbaar!" galmde Reekalf uit.

"Dat geestig kopje, rijk versierd met blonde lokken, Dien fijnen neus, zoo wel besneên, Dien wenkbrauwboog, om 't oog zoo zuiver heengetrokken, Dat mondje, slechts bestemd tot kussen en tot jokken."

"Foei! Jokte Phyllis?" merkte Reynhove binnensmonds aan.

"'t Komt zoo in 't rijm te pas," fluisterde ik hem toe.

"Jokken beteekent hier zooveel als schertsen," zeide Helding, aan wiens nauwluisterend oor de aanmerking niet ontsnapt was. Hij vervolgde:

"Die tandjes, wit als elpenbeen," Toen zei zij: "aan mijn werk mag heden niets ontbreken. En, als de moeder van de min, Wil ik, hetgeen ik schiep, doen prijken met het teeken, Dat elk herken." Zoo sprak ze, en drukte, al onder 't spreken, Haar duimpjen in de kin."

Hier werd dit kreupele rijm vervangen door een algemeen concert van toejuichingen, en zoovele gezondheden den maker gebracht, dat ik berouw begon te gevoelen, van hem niet vóór het einde van het gedicht te hebben medegevoerd, daar ik wel voorzag, dat hij den hem gespreiden strik niet ontgaan zou. Vreezende bovendien, dat ook de overigen, terwijl zij hem de laag gaven, zelven mede hun bekomst zouden krijgen, rees ik op en wenschte nu de eerste gelegenheid te baat te nemen om te vertrekken, en, zoo mogelijk, Helding mede te krijgen, toen het gesprek opeens een wending begon te nemen, welke mij blijven deed.

"Wat ik bovenal admireer," zeide Reynhove, terwijl hij den dichter bij zijn knoopsgat hield, "is de variëteit, respireerende in de differente poësies, die gij aan Mejuffrouw Blaek hebt gedediëerd. Zeker heeft u het sujet geïnspireerd."

"Ongetwijfeld, Mijnheer!" zeide Helding: "wie zou niet in heilig vuur ontstoken raken, wanneer hij zulk een engel moet bezingen? Zouden wij hare gezondheid niet eens drinken, Mijne Héeren?"

Ik gevoelde een hoogst onaangename gewaarwording, en het was mij, of de naam van Henriëtte ontheiligd werd, dat men dien bij een gelegenheid als deze dorst uitspreken. Dan ik had spoedig meer gegronde reden tot ontevredenheid.

De gezondheid van Mejuffrouw Blaek werd gedronken, en die ellendige Weinstübe voegde er bij: "dat is een gonditie, die onze frund Plaek zich vooral wel zal aantrekken wollen. Immers; hoe staat es? Pin je al keënkacheerd met haar? En wanneer sollen wir op je prijloft tansen?"

"Niet zoo mal," antwoordde Lodewijk: "zij is geen onaardig bekje en zou wel willen, geloof ik; maar wij zullen er niet aan doen."

Ik gevoelde een innigen trek, om den pochhans op zijn gezicht te trommelen—en bedwong slechts met moeite mijn toorn.

"Maar toch, Plaek!" zeide Weinstübe: "man sagt, der Her papa wil mit alle kraft und keweld, dat je haar trauwen solt."

"Ja! dat heeft de ouwe zich in 't hoofd gezet, Joost weet waarom! althans hij gunt haar aan geen andere."—Hier zag hij mij aan met een schampere uitdrukking, die mij het bloed in 't gezicht deed stijgen: "doch," vervolgde hij: "als ik ooit zoo gek worde om mijn vrijheid te verkoopen, zal ik ten minste een half millioentje in ruil moeten hebben, en geen kale rot, die op haar best," enz. Hier bezigde hij eenige uitdrukkingen, te gemeen om herhaald te worden, maar die door Weinstübe en de officieren met een luid gelach werden aangehoord.

Er had een hevige strijd in mijn binnenste plaats. Ik had te veel eerbied voor Henriëtte, om haar op zulk een tijd en plaats en in een dergelijk gezelschap tot onderwerp van een twist te doen strekken, en haar partij te trekken tegen haar eigen bloedverwant: maar aan een anderen kant was het in mijn oogen een ellendige laagheid, te dulden, dat zij in mijn bijzijn tot onderwerp moest strekken van zulk nietswaardig gesnap. Terwijl ik mijn denkbeelden zocht in orde te schikken, ten einde aan Blaek mijn ongenoegen op een betamende wijze te kennen te geven, kwam Reynhove mij voor en gaf mij daardoor de gezochte aanleiding, om mij, zonder stof tot opspraak te geven, in het onderhoud te mengen.

"Vriend Blaek!" zeide Reynhove: "gij doet verkeerd, aldus over uw cousine te spreken: zij is een charmant meisje, en zou ook zonder geld in staat zijn, iemand gelukkig te maken, die haar wist te appreciëeren: en daar zijt gij de man niet naar."

"Dunkt u dat?" vroeg Lodewijk: "welnu! trouw haar dan zelf: en geluk er mede."

"Het verwondert mij," sprak ik nu op mijn beurt, "dat de Heer Blaek op een zoo losse wijze spreekt van een naastbestaande, die wellicht door geene onzer jonge dames overtroffen wordt, en wier zedigheid althans boven alle lofspraak verheven is."

"Wat weet gij daarvan?" vroeg Lodewijk: "omdat gij een paar keeren alleen met de meid geweest zijt, en zij tegen u misschien de preutsche gespeeld heeft, denkt gij, dat zij tegen een iegelijk zoo zijn moet. Loop heen! wij weten, wat wij weten."

"Ik weet," zeide ik, "dat ik in twijfel sta, of ik uwe taal met den naam van laster of met dien van kinderpraat moet bestempelen."

"Wat!" riep Lodewijk uit, terwijl hij opstoof van zijn stoel: "weet gij wel wat gij zegt?"

"Niet alleen, dat ik het weet; maar ik ben bereid, het te herhalen, en geen woord meer te verdragen ten nadeele van Mejuffrouw uwe nicht."

"En wie duivel heeft u opgedragen haar ridder te zijn?" vroeg Lodewijk: "maar dat is hetzelfde: wij zullen elkander nader spreken, Mijnheer Huyck!"

"Ik ben uw seconde, Blaek!" zeide Van Ranst, zich oprichtende, en de breede borst omhoogzettende.

"Ja kottorie! dat kun je niet onder je laten, Plaek!" zeide Weinstübe.

"Wees toch zoo dwaas niet, Blaek! zeide Reynhove, tusschen beiden tredende: "onze vriend Huyck heeft perfect gelijk. Gij hebt op een impardonnable wijze van uwe nicht gesproken: en gij zoudt de zaak niet amelioreeren, door er verdere suites aan te geven. Laat alles liever en état blijven, haar naam niet meer geprononceerd, en de quaestie afgedronken worden."

"Ja!" mompelde Heldring: "dat is naar mijn hart gesproken, laat de quaestie afgedronken worden."

"De Heer Reynhove heeft volmaakt gelijk," zeide Contour tegen Lodewijk: "gij kunt niet vechten tegen iemand, die het opneemt voor uwe eigene nicht."

"Ja! das ist auch waar," zeide Weinstübe: laten wij er maar nicht meer over spreken und ein klaasje von frundschap trinken."

"Met genoegen," zeide Lodewijk: "indien Huyck mij naar behooren excuus wil vragen voor de onbehoorlijke taal, die hij zich tegen mij heeft veroorloofd."

"Ik geloof," zeide ik, "dat mijne uitdrukkingen gematigd genoeg zijn geweest, en kan geene verschooning vragen voor hetgeen ik op goede gronden gezegd heb. Dit alleen wil ik verklaren, dat ik geen oogmerk had, u te beleedigen, maar alleen de eer van Mejuffrouw uwe nicht tegen alle blaam te handhaven."

"Die reparatie moet u genoeg wezen, Blaek!" zeide Reynhove: "kom! wees geen kind en begin geen dispuut, waardoor gij u-zelf een ridicule zoudt geven.—De eer van een jong meisje is een teeder punt en behoort niet zoo lichtvaardig onder een glas wijn gecompromitteerd te worden."

"Ach ja!" zeide Helding, terwijl Lodewijk, hoezeer onwillig, het glas aannam, dat Contour hem opdrong: "de eer van een meisje is een teeder punt. Och! mijn Klaartje! mijn Klaartje! wanneer men zoo los over u sprak, niemand zou het voor u willen opnemen!"—Hier liepen de tranen den man, wien de wijn in een aandoenlijke stemming gebracht had, langs de wangen.

"Wat ist das!" vroeg Weinstübe: "wat hebje te hijlen und te lamenteeren? Trink liever een schlok, dan dat je zoo staat te balken."

"Och! mijn waarde Heer!" zeide Helding, terwijl hij den aangeboden roemer al snikkend ledigde: "Ik kan nooit over een lief meisje hooren spreken, of ik denk om mijn arme dochter, die ook eens zoo braaf en goed was, en thans ... och! och!—Mijnheer Lodewijk zal zich wel herinneren, welk een braaf, beminnelijk schepseltje het was, alvorens een schelm haar ... och! och!"

"Ik!" zeide Lodewijk, terwijl hij bleek werd, hetzij door de uitwerking van den wijn, of uit eenige andere oorzaak: "wat weet ik van uw dochter af?... Doch ja!... ik herinner mij ... zij is het pad opgegaan, nietwaar?"

"Ja Mijnheer!" antwoordde Helding, blijkbaar door de woorden van Lodewijk beleedigd, en hem aanziende met een vrijmoedigen blik; want de kracht des wijns had de afstanden tusschen hen gelijkgemaakt: "zij is het pad opgegaan: en ik kan het zonder blozen zeggen; want ik heb haar altijd het goede voorgehouden en liefgehad:—en haar schande komt alleen op den schelm neer, die haar bedorven heeft. Ziet Mijne Heeren! ik ben maar een oude, afgeleefde vent; maar indien ik den verleider wist, die mijn geluk verstoord heeft: ik zou hem opzoeken en in 't aangezicht slaan. Neemt het mij niet kwalijk, Mijne Heeren! Gij zijt allen nog jong en neemt het misschien zoo nauw niet; maar indien gij nadacht, hoe uwe onbezonnenheid iemands geluk voor eeuwig kunnen verstoren, gij zoudt over zulke onderwerpen niet schertsen. Och! Ik zou al die verzen, welke UEd. geprezen hebt, met vermaak op het vuur gooien, indien ik daardoor slechts mijne arme dochter terughad."

Helding had op dit oogenblik iets ernstigs, iets waardigs in zijn houding: het gevoel van eigenwaarde, dat anders bij hem sluimerde en hem elken hoon lafhartig deed slikken, was opgewekt geworden nu het zijne dochter gold: de wijn had hem vrijmoedigheid geschonken om zich te uiten, en de beschroomde, laffe, kruipende tafelschuimer had in mijn oog iets eerbiedwekkends verkregen.—Het was echter niet meer dan een flikkervlam, bestemd om even spoedig te zijn uitgedoofd als zij ontstaan was.

Het scheen, dat zijn zedenpreek Lodewijk en zijn vrienden weinig aanstond; althans de eerste deed weldra het voorstel, om de paarden te gaan zoeken: en ik nam deze gelegenheid waar, om den dichter te beduiden, dat wij nu lang genoeg gebleven waren en het tijd werd om naar huis te gaan. Na een korte tegenstribbeling liet hij zich gezeggen, en, afscheid van het gezelschap genomen hebbende, verlieten wij de herberg.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN ONZE HELD IN NIEUWE ONAANGENAAMHEDEN WORDT GEWIKKELD.

Ik had nog nauwelijks twintig stappen stadwaarts gedaan, toen die zelfde Helding, die even te voren zoo verstandig gesproken had, mij plotseling bij den arm nam: "het is toch zonde en jammer," zeide hij: "te moeten aftrekken, zoolang er nog zulke goede wijn in de flesch is."

Ik zag hem aan: de oogen puilden hem uit het hoofd: en een misstap, dien hij op dat oogenblik deed, en waardoor hij bijkans tegen mij aantuimelde, deed mij overtuigend zien, dat hij dronken was, althans door den plotselingen overgang uit den warmen koepel in de lucht, bevangen geraakt.

"Hou u maar bedaard, vriend Helding!" zeide ik: "en laat ons voortstappen, zonder de menschen te dwingen van naar ons te kijken."

Wij wandelden verder op, en ik deed mijn best, den sukkel voort te krijgen, die bij elken stap tegen mij aankwakte en met de beenen al de bewegingen maakte van een schaatsenrijder. Het begon gelukkig al te schemeren, en er waren weinig menschen meer voor de herbergen; maar ik schaamde mij toch om met een dronken man de poort in te komen. Reeds had ik een paar keeren stilgestaan en rondgezien naar iemand om een rijtuig te bestellen, toen tot mijn blijdschap Reynhove met twee der Officieren ons achterop kwam geloopen. Ik wenkte hen toe en zij hadden niet veel moeite om te zien hoe de zaak geschapen stond. De Hagenaar bood mij terstond zijn hulp aan; doch de beide anderen, die waarschijnlijk haast hadden, wenschten ons in 't voorbijgaan pleizierige wandeling en stapten voort, zonder zich wijders over ons te bekommeren. Reynhove nam nu Helding bij den anderen arm en op die wijze gelukte het ons, hem tot in de poort te krijgen. Op het Haarlemmerplein gekomen, bestelden wij een slede en pakten onzen maat, die zoo gedwee als een schaap was en nergens meer besef van had, daarin, terwijl wij gearmd naast het voertuig voort bleven wandelen. Ik vroeg aan Reynhove, hoe het met zijn paard gesteld was.

"O!" zeide Reynhove: "het is zoo gezond als een visch. Ik laat het uit precautie op stal staan; moest hij morgen weer aan den gang, hij zou aan de blessen van Blaek desnoods een zeshonderd roe vooruit geven; want, wat die betreft, ik geloof niet, dat hij er ooit weer mede zal kunnen rijden."

"Dit is dan," zeide ik, "een weddenschap geweest, waar niemand bij gewonnen heeft: gij zijt het geld kwijt, en Blaek een paar brave paarden."

"Hij verliest er meer bij dan ik," zeide Reynhove, lachende.

"Ik zie niet, dat zulks u eenigen troost kan geven, dat twee edele schepselen buiten gebruik raken en het wellicht met den dood bekoopen; terwijl zij buiten deze dwaasheden den eigenaar tot nut en genoegen hadden kunnen strekken."

"Ma foi! het is hun lot! waar zijn de harddravers voor, anders als om te loopen? Gij zult toch een echt nationale gewoonte als de harddraverijen niet willen condemneeren?"

"Volstrekt niet," hernam ik: "maar de paarden, welke men daartoe bezigt, worden er uitdrukkelijk toe bestemd, en door een gestadige oefening bekwaam gemaakt om het lang uit te houden en sterke beweging te doen zonder nadeel voor hun gezondheid: en bovendien bereden door lieden, die de noodige zorg dragen, dat zij zich niet boven hunne krachten inspannen. Wat ik veroordeel, zijn die bijzondere weddenschappen, waarbij welopgevoede lieden zich met rostuischers gelijk stellen, hun paarden slaan, mishandelen en bederven, en per slot slechts een schralen roem inoogsten. Ik geloof, dat ik mij des te vrijer jegens u aldus mag uitlaten, omdat ik bespeurd heb, dat gij, uit liefde voor uw beest, en om het niet te bederven, de kans der overwinning verspeeld hebt. Doch juist dit toont aan, dat gij althans voor dergelijke grappen de man niet zijt. Om die mede te doen, moet men beginnen met alle gevoel van deernis uit te schudden."

"Ik geloof, dat gij gelijk hebt," zeide Reynhove: "mais que voulez-vous?"

"Gij althans," vervolgde ik, "zoudt niet handelen, gelijk Blaek gedaan heeft ten opzichte van Velters. Gij ziet waar die paardekoopers-zedenkunde toe brengt."

"Ik verzeker u," zeide Reynhove, "dat, toen ik kennis maakte met Lodewijk, ik hem voor een bon compagnon aanzag, die wellicht zijn gebreken had, maar rond en voor de vuist was;—maar hij is mij erg tegengevallen:—en dan de manier, waarop hij over zijne cousine spreekt!—foei!—Apropos! is het een indiscretie, u te vragen, of gij vues op haar hebt?"

"'t Is nu de tijd niet, daarover te spreken," antwoordde ik, ongenegen hem tot mijn vertrouweling te maken.

"Integendeel!" hernam hij: "en gij behoeft voor mij niet te vreezen:—er zal tusschen ons geen rivaliteit bestaan.—Maar wat kan de reden zijn, dat haar oom zoo geweldig op een huwelijk tusschen haar en Lodewijk gesteld is, en zich daar zoo zonderling en dringend over uitlaat?"

"Heeft hij dat in uw bijzijn gedaan?" vroeg ik, verrast.

"Aha!—die vraag is een antwoord op hetgeen ik zooeven vroeg:—In mijn bijzijn? mieux que ça, tegen mijzelven, vriendlief!"

"Hoe dat?"

"Luister eens. In den gepasseerden nacht lag ik gerust op mijn bed, toen opeens de deur van mijn slaapkamer wordt opengedaan: "wie is daar?" vraag; ik.—Geen antwoord.—Ik ga overeind in mijn bed zitten, en zie: daar nadert mij een lange gestalte, blootsvoets en 't lijf in een nachtjapon gewikkeld, met een slaapmuts op au een kaars in de hand, die naar mij toetreedt. Het was de oude Heer Blaek."

"Inderdaad! En wat kwam die u vertellen?"

"Daarnaar was ik niet minder nieuwsgierig dan gij. "Mijn God! Mijnheer Blaek! Wat is er gebeurd?" vroeg ik.—Maar hij, zonder mij te antwoorden, zette de kaars op de tafel, en, een stoel nemende, plaatste hij zich aan het hoofdeneind van mijn bed. Toen bemerkte ik eerst, dat hij een slaapwandelaar was."

"En hij sprak met u?"

"Hij nam mijne hand tusschen de zijne, en toen, mij met een gelaat vol angst aanziende: "om Gods wil, Lodewijk!" zeide hij: "maak uw ouden vader niet ongelukkig. Heb medelijden met mij. Geef mij de rust mijner ziel weer en neem Henriëtte tot vrouw. Ik heb heden weer een aanzoek voor haar afgeslagen.""

"Hij zeide dit?"

"Ik herhaal u zijn eigen woorden: "O! Wist gij," vervolgde hij, "wat het zegt, jaren lang de folteringen des gewetens te gevoelen, en slechts één middel tot herstel van het misdrijf te kennen. Het is in uwe macht mijn Lodewijk! mij de rust terug te geven. Ik heb u altijd uwen wil laten doen;—ik heb u wellicht te veel liefgehad: ja! God weet het: veel te veel:—doe gij dan het eenige, wat gij voor mij doen kunt.""

"Onbegrijpelijk! En welk geheim kan het zijn, dat hem zoo zwaar op het hart ligt?"

"Ik weet het niet; en ik was liever de kamer uitgeloopen dan op een zoodanige wijze de confident te worden van iemand, aan wiens huis ik hospitaliteit geniet.—De slapende vervolgde: ""gij weet het niet, waarom ik zoo sterk op dat huwelijk insisteer. En gij zult het ook nooit weten dan in de ure mijns doods. En die zal niet ver meer verwijderd zijn, indien gij aldus voortgaat, mijn beden te weerstreven.""

"Schrikkelijk! En wat toch kan het zijn, dat hier achter schuilt."

"Het tooneel begon mij te vervelen. Ik trok mijn hand los, en kroop zoo dicht tegen den wand, dat ik buiten zijn bereik lag. Hij tastte nog eenige oogenblikken naar mij, zuchtte toen diep, rees op, nam den kandelaar en trok af gelijk hij gekomen was."

"Ik zou dit geval maar niet rondvertellen," zeide ik: "hetgeen u gezegd is, was niet voor uwe ooren bestemd, en openhartig gezegd, steekt er niet een soort van misbruik van vertrouwen in, het aan derden mede te deelen?"

"Dat zegt gij nu gij 't weet," zeide Reynhove, lachende: "maar gij hebt gelijk, en ik zou het u ook niet verhaald hebben, dacht ik niet, dat het u interesseeren kon en u den sleutel geven van het refus, dat gij geleden hebt. Aan Lodewijk echter heb ik gemeend het te moeten zeggen, die er hartelijk om heeft gelachen, en gezegd, dat hem dergelijke bezoeken zoo dikwijls gebeurden, tot hij eindelijk de resolutie had genomen, van zijn deur te sluiten, wanneer hij naar bed ging. Ik geloof, dat ik zijn voorbeeld volgen zal voor de weinige dagen, die ik nog denk te blijven; want ik ben niet op de herhaling dier visites gesteld en zou wellicht meer hooren dan mij aangenaam was."

"Denkt gij spoedig weer naar Den Haag te gaan?"

"Ik geloof van ja: ik verlang met die Blaeken niet intiem te worden: en bovendien, uw vader heeft mij een goeden raad gegeven: en het zal den mijnen aangenaam zijn, indien ik mij in deze of gene carrière begeef. Voor mijn vertrek echter, kom ik stellig nog eens ten uwent aan."

Wij spraken nu over onverschillige zaken, totdat wij ons aan de deur der woning van Heynsz bevonden. Mijn oogmerk was om, ten einde de gelegenheid te vermijden van Amelia opnieuw te ontmoeten, onzen patiënt aan Heynsz over te leveren, en dezen de verdere bezorging op te dragen. Doch de huisheer was uit: en daar de meid natuurlijk geen kans zag, om Helding, die gevoelloos als een blok in de slede lag, naar de derde verdieping te sjouwen, zagen wij ons wel genoodzaakt deze taak zelven te aanvaarden. Juist op het oogenblik, dat wij den poëet uit de slede tilden, kwam Lodewijk aangeloopen, gevolgd van zijn bediende. "Zoo!" zeide hij: "zijt gij daar eindelijk? Ik heb mij in 't zweet geloopen, om u in te halen. Gij vergeet, dat ik ook bij de grap hoor."

Dit zeggende, pakte hij mede een been van Helding aan; doch ik bemerkte dadelijk, dat zijne hulp ons weinig baten zoude, want hij waggelde zelf, en had allen schijn van onder den invloed van den wijn te handelen. Ook liet hij, zoodra wij den beschonkene de benedentrappen opgesjouwd hadden, dezen los, en ging op het portaal zitten. Intusschen sleepten wij Helding hooger op; maar ik had in 't voorbijgaan gemerkt, dat de deur van Amelia's kamer even was geopend geworden, en dat haar vader, waarschijnlijk ongerust over het buitengewoon gedruisch, om het hoekje gekeken had. Lodewijk, die misschien ook niet zonder doel was achtergebleven, had hem ook bespeurd, was weder opgestaan en de kamer van Amelia binnengetreden. Ik zag dit met een zwenk.

"O wee!" zeide ik tegen Reynhove: "laten wij ons haasten: anders komt er gekheid daar beneden."

Wij legden dan ook, zonder verderen omslag te maken, den snorkenden Helding op zijn bed, en stoven de trappen weer af. De deur van Amelia's kamer stond open: zijzelve zat aan haar werktafel, bleek van schrik en met de handen krampachtig saamgevouwen. Haar vader stond midden in het vertrek, met de armen over elkander geslagen, en staarde Lodewijk aan, die nauwelijks op de beenen staan kon en al vloekende uitriep:

"Nu zie ik het eindelijk, Juffertje!—Al wil je mij niet tot galant, gij ontvangt toch visites van Heeren.—Voor Huyck blijft de deur niet gesloten, en wie is deze snaak? Zeker de betaalmeester en chef! He?"

"Blaek!" riepen Reynhove en ik, hem van weerszijden bij de hand nemende: "Stel u toch zoo niet aan.—Ga met ons!"

"Met uw verlof!" zeide Bos: "is deze de Heer Blaek, die de onbeschaamdheid heeft gehad, aan mijne dochter schandelijke voorstellen te doen?"

"Uw dochter!" herhaalde Lodewijk, een oogenblik verrast: "nu ja! wat doet het er toe?" vervolgde hij met zijne gewone onbeschaamdheid: "ik heb haar rijk willen maken: en zoo gij een verstandig man zijt, zul je er niets tegen hebben. Er steekt immers geen kwaad in, op een mooi meisje te verlieven?—En zij neemt ook presenten aan, al houdt zij zich fijn."

"Wacht!" zeide Bos: en meteen, een lade openhalende, kreeg hij het doosje met juweelen voor den dag en stak het Lodewijk tusschen vest en hemd; waarna hij, zonder er een woord bij te voegen, hem met de andere hand een heftigen slag in 't aangezicht gaf.

"Mijnheer!" zeide Reynhove, onthutst: "wij zullen wel zorgen, dat hij u niet incommodeert: maar zoo gij hem slaat, laten wij hem los."

"Mijne Heeren!" zeide Bos, op een bedaarden toon: "hij bekomt niet als het honderdste deel van hetgeen hij verdient; en het is hoog noodig, dat hij eens leere, hoe hij hier in 't vervolg ontvangen zal worden."

"Gij zult het mij betalen," brulde Lodewijk, pogingen aanwendende om zich los te rukken: "houdt mij niet vast, lamme, valsche vrienden die gij zijt! Pieter! mijn zweep! ik wil dien schoft mores leeren."

En Pieter, die geen haar beter was dan zijn Heer, stormde binnen en kwam met opgeheven zweep op Bos aan. Ik sprong tusschen beiden; maar zag mij hierdoor genoodzaakt, Lodewijk los te laten, die, zich nu ook van Reynhove bevrijdende, als een razende Roeland op Bos toeschoot. Maar deze, hem zonder schroom afwachtende, greep hem met de eene hand in de das en met de andere in den gordel, droeg hem, ondanks zijn tegenspartelen, de deur uit en smeet hem toen van al de trappen af.

"O God! wat zal het gevolg van dit alles zijn?" riep Amelia: "Mijnheer Huyck! in 's Hemelsnaam!—Help hem toch aan 't bedaren."

"Ga uw Heer oprapen," zeide Bos, terugkeerende, tegen Pieter: "of ik zal u denzelfden weg wijzen."

Pieter, hoewel anders een onbeschofte, ruwe kerel, en voor geen kleintje vervaard, scheen echter ongenegen een nieuw bewijs uit te lokken van de kracht des forschgespierden mans, die voor hem stond, en begaf zich, zonder een tweede bevel af te wachten, naar beneden. Reynhove trad nader: "is dit niet wat hard geprocedeerd, Mijnheer?" vroeg hij: "onze vriend is een weinig beschonken, en...."

"En ik behandel hem als zoodanig," zeide Bos: "gij zult mij genoegen doen, hem te volgen: ik verlang vrij op mijne kamer te zijn en van bezoeken verschoond te blijven.—Mijnheer Huyck! een woord met u eer gij gaat."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings