Mr. JACOB VAN LENNEP. (continued 2)
Reading edition
Op eene der diep inspringende vensterbanken en half achter de sponning verscholen, was een jonge juffer gezeten, die, blijkens het boek dat zij in de hand hield, met lezen bezig was, toen haar mijn onverwachte verschijning daarin stoorde. De eerste blik, dien ik op haar sloeg, deed mij zien dat zij een wit morgengewaad droeg, hetwelk een bevalligen zwier bijzette aan haar slanke gestalte: de tweede, dat zij een allerliefst gezichtje had: en de derde, dat zij, geheel niet gesticht scheen over mijn vrijpostig binnentreden, en ik mij haasten moest daar grondige redenen van verschooning voor in te brengen, of mij ten spoedigste te verwijderen.
Ik deed echter in den beginne noch het een noch het ander; want ik was van verrassing niet in staat een woord te spreken: ik zag dat zij ook onthutst was: het geraas der buien had haar waarschijnlijk belet, mij te hooren aankomen: bovendien zat zij met den rug naar de deur gekeerd en had mij dus niet opgemerkt, dan voordat ik reeds binnengetreden was en mijn hoed op den grond geworpen had, om de fraaie stoelen van rood hout met gevlochten zittingen en zijden kussens niet vuil te maken. Zij herstelde zich echter terstond van haar plotselingen schrik, zoodra zij mij met een vluchtigen blik had verwaardigd: misschien ontdekte zij in mij 't een of 't ander, 't geen haar, in weerwil van mijn ongunstig uiterlijke, deed oordeelen, dat ik tot den fatsoenlijken stand behoorde: in allen gevalle behoefde zij geene groote mate van verbeeldingskracht te bezitten om de aanleidende oorzaak mijner verschijning te bevatten.
En hier ondervond ik, hoeverre de jonge lieden van ons geslacht bij zoodanige ontmoetingen achterlijk zijn bij die eener zwakkere kunne; 't geen voorzeker daaruit voortspruit, dat de vrouwen een vlugger vernuft bezitten en spoediger haar tegenwoordigheid van geest hervinden dan wij. Immers, zoo een van ons beiden een allerzotst figuur maakte, dan zeker was ik het. Blozende en als op de plaats vastgenageld bleef ik standhouden achter eene, tusschen ons beiden in staande, tafel van ongemeene grootte, doch uit slechts ééne plank vervaardigd, en waarop een werkmand, een tuinhoed en een paar handschoenen lagen, en stamelde ik ettelijke onsamenhangende woorden van verontschuldiging, over het slechte weer, over mijn leedwezen van de Juffer gestoord te hebben enz., waarna ik, al achteruitschuivende, mijn hoed wederom opraapte en te kennen gaf, dat ik door een onmiddellijk vertrek mijn onbescheidenheid zoude verbeteren.
"O! 't is niets, Mijnheer!" zeide zij, met een vrij stijve hoofdbuiging: "gij hindert mij niet en het is waarlijk zulk een geweldige bui, dat men alle plichtplegingen wel mag ter zijde stellen."
Ik maakte een diepe, vrij onhandige buiging: waarschijnlijk bracht mijn zotte houding haar in een goede luim; want haar gelaat klaarde op, en zij vervolgde met een vriendelijken glimlach:
"Ik heb eigenlijk niets over dezen koepel te zeggen; maar mijn oom zal het mij niet ten kwade duiden, zoo ik voor een oogenblik in zijne rechten trede en u een schuilplaats vergunne."
Ik had langzamerhand moed gevat, en bij deze minzame toespraak was mijn beschroomdheid geheel geweken. "In waarheid," zeide ik, "het weer is zoo boos, dat ik niet aarzel om van uwe beleefdheid gebruik te maken, al mocht het onbescheiden geacht worden." Dit zeggende maakte ik weder een buiging, min gedwongen dan de vorige, leide hoed, stok en pakje bijeen en bleef op denzelfden eerbiedigen afstand achter de tafel staan.
De jonge juffer zag mij nogmaals terloops aan, vroeg mij of ik niet wilde zitten, nam haar boek weder op en ging stil met lezen voort, zonder zich verder met mij te bemoeien. Ik bleef eenige oogenblikken weifelen, als wachtte ik een herhaling van haar aanbod; maar toen deze niet kwam, zeide ik, dat ik vreesde door mijn vochtig gewaad de fraaie meubelen te zullen bederven. Ik bekwam geen antwoord op deze aanmerking; waarop ik, een weinig geraakt, het kussen van een der stoelen nam en op tafel leide en mij op de naakte zitting plaatste. Zoo zaten wij nu een tijdlang, gedurende welken mij de oogenblikken uren toeschenen: en waarin ik mijn toestand, dien anderen hoogst benijdbaar zouden geacht hebben, hoe langer hoe lastiger begon te vinden. Ik had, wel is waar, mij aangenaam kunnen bezig houden met de beschouwing van het fijngevormde neusje, de aardig gekuilde koontjes en rozeroode lipjes, die het bevallige aangezichtje mijner nieuwe halvekennis versierden;—maar ik begreep dat betamelijkheid mij verbood, haar zoo gedurig aan te staren. Ik zocht dus mijn troost met nu en dan eens naar buiten te zien, of de regen ook ophield, iets waarop althans voor 't oogenblik, geen uitzicht scheen,—en met de binnenzijde van het zomerhuis te beschouwen. Ik kon niet nalaten, hierbij den goeden smaak des bouwmeesters te prijzen, die, zoo hij aan de buitenzijde misschien wat al te kwistig met versierselen en krullen was te werk gegaan, van binnen een edele eenvoudigheid tot leidsvrouw scheen gekozen te hebben. De wanden en het gewelf waren wit gepleisterd: maar de kroonlijst, zoowel als de pilasters, waar zij op rustte, bootsten zoo natuurlijk het roode marmer na, dat men die moest voelen om zich te overtuigen dat zij slechts uit hout vervaardigd waren. De vier vakken, die zich tusschen de deuren en de vensters bevonden, schenen elk tot een bijzonder gebruik bestemd, hetwelk werd aangeduid door vierregelige opschriften, in gouden letteren daarop gesteld. Het eene vak was opengeschoven en bevatte een verzameling van nette boeken, naar den laatsten smaak ingebonden. Met behulp van een weinigje verbeeldingskracht giste ik nu, dat het vak daartegenover met glazen en kopjes zou gevuld zijn; dat het derde een fontein verborg, en men in het vierde
een verholen trap, die uitquam in een kelder,
zoude vinden. Wat den vloer betreft, deze was geheel samengesteld uit marmersteenen van onderscheidene kleur, zoodanig ingericht, dat zij een groote ster binnen drie breede randen voorstelden;—echter waren alleen de uiterste punten dier ster zichtbaar, daar het midden door een groote Moskovische mat bedekt was, waar de tafel op stond, en waar ik mijn voeten over uitstrekte, ten einde zoo weinig mogelijk de blijken mijner aanwezigheid op de gladde steenen achter te laten.
Ik had dit alles nu eenige reizen en tot verzadiging toe bezichtigd en inmiddels, wanneer ik een zijdelingschen blik op mijn schoone gastvrouw sloeg, bemerkt, dat zij nu en dan van haar boek opzag, om naar het weer te kijken; welke beweging ik niet kon nalaten, toe te schrijven aan haar verlangen naar mijn vertrek. Mijn toestand werd mij nu zoo onverdraaglijk, dat ik oprees. Den blik naar buiten slaande, zeide ik op een toon, die in weerspraak was met mijn woorden:
"Ik geloof, dat de bui nu wat begint te bedaren: en dat ik best zal doen met u onder dankbetuiging te verlaten."
"Ik zou nu maar wachten tot het opgehouden had met regenen," zeide zij, haar heldere blauwe oogen eerst eventjes op mij en toen zeer lang op de zwarte wolken gevestigd houdende: "het is waarlijk nog geen wandelweer."
En een nog geweldiger kletteren van den stortregen tegen de ruiten bevestigde de waarheid van haar woorden.
"Mejuffrouw is al te goed," hernam ik: "er zou mij anders minder aan gelegen liggen; maar ik had gehoopt heden nog voor 't poortsluiten binnen Naarden te zijn, en ik zal frisch moeten aanstappen om mijn oogmerk te bereiken."
Mijn schoone gaf geen antwoord op deze aanmerking: ik gevoelde, dat zij alle aanleiding tot een onderhoud wilde vermijden, met iemand die haar geheel onbekend was.
"'t Is noodweer!" vervolgde ik, eenigszins geraakt, en haar aan 't praten wenschende te krijgen: "het koren dat te veld staat zal er zeker vrij wat door lijden."
Het koren was zeker geen onderwerp, dat de Juffer toescheen gelukkig gekozen te zijn: althans zij bewaarde het stilzwijgen.
"Ik beklaag de arme visschers, die zich op de Zuiderzee bevinden," zeide ik, in den waan, dat, zoo het minste gevoel haar boezem bewoonde, zij mijn aanmerking niet onbeantwoord laten kon; maar jawel! zij beet op de lippen en keek in haar boek.
"Dit schijnt eene fraaie hofstede te zijn: ik heb zelden, zelfs buitenslands, schooner boomen gezien dan die beuken in het overstuk."
Er was wederom geen antwoord.
"Voor den drommel!" dacht ik: "is het preutschheid, trotschheid of domheid, dat zij mij niet te woord wil staan?" Ik kon het haar echter, bij nader inzien, niet erg kwalijk nemen, dat zij, een steedsche, misschien wel een hoofsche juffer, in geen gemeenzaam onderhoud verkoos te treden met iemand, die er uitzag als een landlooper. Ik wilde echter weten waar ik mij aan houden moest, en ontdekken of een lief gezichtje de eenige gift was, die zij van de natuur ontvangen had, en of onwil dan wel ongeschiktheid tot spreken haar tong boeide. Ik besloot dus een duidelijk vraagteeken achter mijn volgende woorden te plaatsen:
"Mag ik vragen," zeide ik, "of dit goed niet toebehoort aan den Heer Blaek van Amsterdam? Ik meen wel gehoord te hebben, dat hij in deze omstreken een fraaie hofstede bezat."
"Ja, Mijnheer! de Heer Blaek is mijn oom," was het antwoord, waarvan de koele toon mij niet afschrikte; want ik bevond mij nu op een vast terrein, waarvan ik mijn aanval kon beginnen, zonder vrees van teruggedreven te worden.
"Dat is mij bijzonder aangenaam," zeide ik: "ik herinner mij niet den Heer Blaek ooit gezien te hebben."
Hier zweeg ik bot stil: en zij keek mij eenigszins verwonderd aan, als wilde zij te kennen geven, dat zij niets van mijn gezegde begreep, maar dat het haar voorts ten eenenmale onverschillig was of ik haar oom al dan niet kende. Nu vervolgde ik:
"Maar den broeder van den Heer Blaek heb ik voor vele jaren wel eens ten huize mijns vaders ontmoet... Hendrik Blaek, zoo ik mij wel herinner."
"Hij was mijn vader," zeide de jonge Juffer, terwijl haar gelaat opeens een meer vriendelijke en tevens weemoedige stemming bekwam: "ik heb voor twaalf jaren reeds het ongeluk gehad hem te verliezen."
"Het is waar," zeide ik: "ik spreek van den tijd, toen ik nog een knaap was: de Heer Blaek kwam somtijds bij mijn vader: beiden hadden toen betrekkingen bij de Oost-Indische Compagnie.... Mijn vader is thans Hoofdschout te Amsterdam."
"De Heer Huyck uw vader!" zeide Mejuffrouw Blaek, op een uiterst minzamen toon, haar boek sluitende: "o! ik ken hem zeer goed; en vooral uw moeder en uw zuster: voor veertien dagen heb ik ze nog allen gesproken en ik hoop ze eerstdaags weer te zien, daar wij morgen naar Amsterdam vertrekken."
"En zij waren wèl, hoop ik?... indien ik zoo vrij mag zijn daarnaar te vernemen?"
"O! zeer wel!" antwoordde zij, haar boek op de vensterbank leggende en geheel ongedwongen: "en zij waren zeer verlangende u weer te zien. UEd. wordt met ongeduld en smart verwacht, dat kan ik u beloven."
"Nu! het verlangen is wederkeerig," zeide ik: "het doet mij ondertusschen recht veel genoegen goede tijdingen van hen te hooren en vooral uit zulk een beminnelijken mond."
Mejuffrouw Blaek kreeg een kleur en zweeg. Ik begon terstond uit een anderen toon, uit vrees, dat zij het gesprek niet zou willen vervolgen.
"En is waarlijk mijn lieve moeder zoo wèl als UEd. zegt? Volgens de laatste berichten, die ik van haar ontving, had die lastige kwaal, de hoofdpijn, haar weer gekweld."
"Zij scheen nu volkomen gezond, de zachte, lieve vrouw," zeide Mejuffrouw Blaek: "ik weet echter, dat de schijn ten haren opzichte niets bewijst; want zij klaagt nooit, en is altijd even lijdzaam en geduldig; maar uw zuster Suzanna heeft mij verzekerd, dat zij in lang zoo wel niet geweest was."
"En hoe maakt Santje het? Ik begrijp waarlijk niet, hoe zij het zoolang heeft kunnen uithouden zonder mij; want toen ik nog in huis was, leefde zij slechts half, wanneer zij mij niet driemalen in 't uur de les kon lezen."
"Dan denk ik, dat er na uw lange afwezigheid al heel wat voor u in 't zout is gelegd," zeide Mejuffrouw Blaek, lachende: "nu, gij zult het toch van Santje wel willen hooren?—waar zijn de oudste zusters voor, zoo niet om haar broeders wat in toom te houden?...—ofschoon ik vrees, dat gij nu haar plak wel ontwassen zult wezen."
"Ontwassen! daar twijfel ik aan: zij zal mij zoo lang bruien, tot zij een man heeft, om dien te regeeren.... Apropos, weet UEd. ook of er zich al één voor haar heeft opgedaan?"
"Zoo ik haar vertrouweling ware," zeide mijn nieuwe kennis met een fijnen glimlach, "zoude ik mij wel wachten, u iets te zeggen van hetgeen ik weet:—en in allen gevalle wil ik haar van het genoegen niet versteken om zelve u dienaangaande de noodige mededeelingen te doen."
"O hemel!" hernam ik, "dan zal ik niets vernemen, voor en aleer de voorzanger in de Oude Kerk, met zijn neusstem, aan de gansche gemeente verkondigt, dat er trouwbeloften bestaan, tusschen den Heer N.N. en Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck."
"Ik vlei mij, dat zij wel wat vertrouwelijker met u zal wezen. Ten minste, zoo ik oordeelen moet naar den toon, waarop zij altijd over u sprak, mag ik besluiten dat zij niet weinig van u houdt."
"Zij heeft u dus over mij gesproken," zeide ik met levendigheid: "dat verheugt mij recht; want dan ben ik u niet geheel onbekend."
"UEd. schijnt derhalve te gelooven, dat zij u in uwe afwezigheid niet benadeeld heeft," zeide Mejuffrouw Blaek: "en dat gij meer verplichting aan haar hebt, dan men uit uwe woorden van zooeven zoude opgemaakt hebben."
"Wel, daarvan ben ik overtuigd," zeide ik: "verre van mij, zal zij niets dan goeds van mij zeggen;—maar wee mij, wanneer ik weer voor haar oogen verschijn."
"Dat is de ware vriendschap," zeide Mejuffrouw Blaek: "iemand zijn fouten in 't aangezicht te zeggen en achter zijn rug hem te prijzen:—maar wees slechts niet te hoovaardig. Zij wist uw brieven soms op zulk een kluchtige wijze te ontleden en met aanmerkingen te versieren, dat gij er meer dan eens deerlijk afkwaamt."
"Hoe!" herhaalde ik, terwijl ik een gemengd gevoel van blijdschap en spijt ondervond: "zij heeft u mijn brieven laten lezen?"
"Immers uittreksels daarvan ... beschrijvingen van landen en steden, zeden en gewoonten, en uw aanmerkingen daarover: ik kan niet ontkennen, dat zij mij dikwijls vermaakt hebben."
"Helaas!" riep ik uit, een bedrukten toon aanwendende: "vermaakt! wellicht ten koste van den armen schrijver, die zich na de vermoeienissen van den dag uitsloofde om met vakerige oogen en een slaperig brein aan de schrijftafel te gaan en ter liefde zijner familie halve nachten doorbracht met papier te bekladden, terwijl hij veel liever op zijn bed had liggen droomen.—Nu voorwaar! nu zal ik toch ook op mijn beurt eens klagen over een misbruik van vertrouwen."
"Ik dank u voor de beleefdheid," zeide Mejuffrouw Blaek: "UEd. denkt dus, dat het vertrouwen slecht geplaatst was."
Ik stond een oogenblik verzet en voelde dat ik rood werd: ik herstelde mij echter, toen ik bespeurde dat Mejuffrouw Blaek, misschien oordeelende dat zij te vrij gesproken had, insgelijks een kleur kreeg: en ik ging dus schertsende voort:
"Het was verre van mijn bedoeling u een slecht compliment te maken: integendeel! daar ik niet geloof, dat Santje met mijn brieven rondloopt, beschouw ik die mededeeling daarvan aan u als een blijk dat gij beiden zeer nauw verbonden zijt: en dewijl de vrienden onzer vrienden ook de onzen zijn...."
"Dat spreekwoord gaat niet door," zeide Mejuffrouw Blaek, droog weg:—en als willende zij mij te kennen geven, dat zij niet van plichtplegingen hield, vroeg zij mij op een kouden toon of ik ook wist, hoe laat het ware.
"Dat zou ik u moeilijk kunnen zeggen," antwoordde ik: "want mijn uurwerk heeft mij de poets gespeeld van stil te gaan staan. Naar mijn gissing moet het echter niet verre van halféén zijn."
"Reeds zoo laat! dan vrees ik, dat zij mij reeds door de geheele plaats zoeken; want ik had al lang te huis moeten zijn. Het is etenstijd en ik ben nog niet aangekleed."
"Wilt gij, dat ik naar uw huis ga, en om een regenscherm voor u vrage?"
"Wel neen," zeide zij lachende: "dit is de meening niet: gij zit hier droog; waarom zoudt gij u nogmaals aan de bui blootstellen?"
"Indien dit uw eenige reden is," zeide ik, "snel ik er dadelijk heen. Ik ben toch reeds doornat, en, buitendien, zou men niet desnoods door een water loopen, om u van dienst te zijn."
"Neen! neen! ik dank u," zeide zij, eenigszins ongeduldig; "er zal straks wel iemand komen, om mij te halen ... of liever ... zoodra de bui bedaart, gaan wij beiden elk zijn weg."
Wij zwegen een oogenblik, gedurende hetwelk ik aan de deur post vatte, gereed om naar het heerenhuis te snellen, zoodra zij, mij daar verlof toe gaf. Ondertusschen kon ik in haar oogen lezen, dat zij mij nog iets wilde zeggen, doch aarzelde het uit te brengen. Eindelijk scheen zij haar beschroomdheid overwonnen te hebben, en vervolgde, voor zich ziende:
"Hoor eens, Mijnheer Huyck! ik heb waarlijk liever, dat UEd. niet gaat. UEd. is de broeder mijner vriendin! ik kan het u dus wel zeggen ... ik ben bang dat mijn oom misschien kwalijk zou nemen dat...."
"Dat een wensch, door u geuit, dadelijk vervuld wordt, zoo ras hij gehoord is?" viel ik in de rede.
"Luister!" hernam zij, terwijl zij dreigend den vinger ophief: "ik moet u waarschuwen, laat alle complimenten varen, of ik zwijg bot-stil, daar ik u toch niet ontloopen kan."
"Op mijn woord," hernam ik met vroolijkheid: "ik kan niet gelooven, dat UEd. de nederigheid zoover zoudt drijven, om elk vriendelijk woord, dat u gezegd wordt, dadelijk voor een plichtpleging en niets meer te houden. Indien UEd. uitdrukkingen, welke niets dan waarheid behelzen, als vleierij wilt opnemen, zult gij mij dwingen anders te spreken als ik denk."
"Hoe langer hoe mooier!" zeide zij: "in welk van de door u bezochte landen hebt gij die hoofsche taal geleerd? Uw gesprek gaat het bereik van een onnoozel Hollandsch meisje als ik ben ver te boven: en ik weet er niet naar behooren op te antwoorden."
"Het is dan toch waarlijk al te erg," hervatte ik, "dat al mijn gezegden zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen met u allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den tegenovergestelden zin op te vatten. In 's hemels naam!" voegde ik er haastig bij, ziende, dat een wolkje van ongenoegen op het blanke voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken: "wees niet boos, maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand, die nu twee jaren buiten de gelegenheid is geweest een meisje in 't Hollandsch aan te spreken: en zoo ik iets zeg, dat u mishaagt, schrijf het daaraan toe, dat mijn blijdschap over de eerste ontmoeting met een stadgenoot mij 't hoofd op hol brengt. Moet ik het niet als een gelukkig voorteeken opvatten, ja zelfs er het onweder voor dank weten, dat gij die persoon zijt en niet de een of andere...." hier schoot ik onwillekeurig uit in schaterend gelach; want mijn ontmoeting met Simon kwam mij voor den geest. Mejuffrouw Blaek keek mij eenigszins verbaasd aan, niet wetende wat die ongemeene vroolijkheid beduidde.
"Ik bid u duizendmaal om vergeving," vervolgde ik: "maar juist herinnerde ik mij, dat ik reeds hedenmorgen een stadgenoot ontmoet heb, en wel een Joodje met negotie: dat denkbeeld in verband met hetgeen ik zeide, kwam mij zoo zot voor, dat ik niet kon nalaten er om te lachen.... UEd. is er toch niet boos over?"
"Niet in het minste! Het spijt mij maar om uwentwil, zoo UEd. aan voorteekenen hecht; want nu ligt het gansche gebouw uwer hoop in duigen."
"Nog niet! Op mijn eerste ontmoeting is een geweldige regenbui gevolgd, en dus heb ik het leed, dat zij mij aanbrengen moest, al beet, maar deze tweede kan mij niets dan goeds voorspellen."
"Zij voorspelt u een duchtige verkoudheid," zeide het schalksche meisje: "of kunt gij nogal tegen een nat pak?"
"O ho!" zeide ik: "daar vrees niet ik voor: straks loop ik mij weer warm?"
"Wel mogelijk!" zeide zij, met een goedaardigen blik: "maar het ware toch niet kwaad, zoo gij iets naamt om u wat te verwarmen. Het zou mij voor de eer van mijn oom spijten, indien gij op Guldenhof geweest waart en niets gebruikt hadt om u te verkwikken. Ik zal zien wat de kast bevat."
Met deze woorden sprong zij op, nam een bos sleutels, die aan de boekenkast hing, er af en opende, niettegenstaande mijn betuiging, dat ik niets behoefde, eene der andere kasten, welke, gelijk ik al vermoed had, tot buffet diende en waar, behalve eenig Japansch en Chineesch porselein, een zilveren tabakskomfoor, een kistje en verder toebehooren, zich ook een likeurkeldertje bevond, hetwelk ik er uitnam en op de tafel zette.
"Ziehier!" zeide zij: "wat zult gij; nemen? cognac, rum, rosolis, ratafia! wat gij begeert."
Ik nam een glas cognac aan en voelde inderdaad dat het mij goeddeed. Intusschen had ik, terwijl mijn schoone gastvrouw in de kast schommelde, het opschrift gelezen, hetwelk daarboven prijkte en luidde als volgt:
"Gij, die in dit verblijf wilt toeven met gemak, Gij vindt in deze kast pijp, vuurtest en tabak: Ook keurig porselein van China's verre kust En goeden morgendrank, zoo u geen koffie lust."
"Een zeer goede terechtwijzing voor de dieven, die altemet hierbinnen mochten dringen," zeide ik, "om niet verlegen te zijn, waar zij iets naar hun gading kunnen vinden."
"O!" zeide Mejuffrouw Blaek: "de koepel wordt goed gesloten: en het weinige, dat zich hier bevindt, is de moeite van 't inbreken niet waardig."
"Het schijnt hier vol rijmpjes te zijn," zeide ik, mij omdraaiende, en het opschrift der boekenkast lezende, 't welk van dezen inhoud was:
"Men streele en voede 't lijf; maar beter nog den geest, Is voor eene eeuw de les van Vader Cats geweest; Zoo gij begeerig zijt om onderricht te zoeken, Hier binnen vindt gij keur van goede en nutte boeken."
"'t Is jammer van 't goud, dat aan de letters verspild is," dacht ik bij mijzelven; maar te gelijk mompelde ik overluid: "hm! zeer aardig!"
"Thans, heer waarheidspreker," zeide de schalksche plaagster, "ben ik overtuigd, dat gij niet meent zooals gij spreekt."
"Wat zal ik zeggen," hernam ik, de schouders ophalende: "hoog dravende poëzie is het juist niet: maar het zijn rijmen, die doel treffen, en dat kan men juist van alle niet zeggen. Ook moet ik u bekennen, dat ik hoegenaamd geen gevoel voor, noch kennis van dichtkunde bezit."—En dit was waar.
"Mag ik eens verder lezen?" vervolgde ik, en hief nu aan met het opschrift, boven het derde vak geplaatst:
"De leeuw, dien Simsons vuist ter neder heeft geveld, Had honing in den muil, gelijk de Schrift vermeld: Maar zoo deez' kast almeê een leeuwenkop besluit, Daar vliet nooit anders dan gezuiverd water uit."
"Voorwaar!" zeide ik: "ik dacht niet dat ik Simson bij deze gelegenheid zou aantreffen."
"Wat zal men veel zeggen over een fontein?" zeide Mejuffrouw Blaek, de schouders ophalende: "onze koepeldichter heeft zelfs kans gezien om op de wenteltrap te rijmen, die achter dit beschot loopt, en er onze stamvaders bij te pas te brengen."
Ik wendde mij om en las het vierde opschrift:
"Nieuwsgierigheid heeft vaak den mensch gebracht in 't leed, Gelijk zij 't Adam en zijn bedgenoot al deed. Bedenkt dit, eer gij 't waagt, ook deze deur te ontsluiten; Gij mocht licht tuim'len en u arm of been verstuiten."
"Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten," zeide ik: "hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen."
"O! wat zijn naam betreft," zeide Mejuffrouw Blaek, "die staat buiten boven den ingang, onder een vijfde opschrift, waarbij hij in brommende woorden vertelt, dat dit gebouw een koepel is, even of de lieden het voor een kippenhok zouden aanzien. Het is anders een goede man, die Lucas Helding; maar het nageslacht zal er weinig aan missen, al zet hij nimmer weer een pen op het papier."
"Ik houd mij toch overtuigd," zeide ik, dat hij betere dingen maken kan, wanneer hij waardiger onderwerpen heeft dan een koepel en een wenteltrap. In zijn hoedanigheid als dichter van Guldenhof heeft hij ongetwijfeld uwe begaafdheden meer dan eens bezongen: en het kan niet anders, of het onderwerp moet zijn dichtgeest hebben aangeblazen."
"UEd. raadt wel," zeide zij: "ik heb nog nooit mijn verjaardag gevierd, zonder een berijmden gelukwensch van hem te ontvangen: en er is geene godin op den Olympus, waar ik niet bij vergeleken ben geworden. Ongelukkig had hij verleden jaar zijn stof wat uitgeput; want toen was ik niet alleen Venus, dat sprak vanzelf, maar Juno, Vesta, Ceres, Minerva, weet ik wat al meer: 't is waar, ik had hem ook een degenstrik geborduurd; maar dit jaar kwam ik er slecht af en was niet meer dan Atalante! dat was een leelijke val."
"Zeker waart gij dezen of genen minnaar ontloopen," merkte ik lachende aan: "maar komaan! dan wil ik u weder op den Olympus terugbrengen en u mijn dank als Hebe toebrengen," en ik dronk mijn glaasje uit.
"Hebe bediende alleen de goden, mijnheer!" zeide zij, spottende.
"Ik bid u om vergeving," zeide ik: "zij gaf ook Hercules, die maar een halve god was, nu en dan wat te drinken, als hij nat te huis kwam."
"'t Is mogelijk!" hernam zij: "ik zal mij niet vermeten te twisten met iemand die gestudeerd heeft. Wilt gij nog een glaasje?... o hemel! daar luidt de etensbel! nu zal ik er wel door moeten, regen of geen regen."
"Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis," vroeg ik, "dat niet een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?"
"Ik durf niet langer blijven," zeide het jonge meisje, met blijkbare verlegenheid: en haar boek in de kast geplaatst hebbende, nam zij haar werk op; maar de breikluw ontviel haar en rolde onder de tafel. Ik bukte juist om die op te rapen, toen opeens de kreet van: "gevonden! gevonden!" mijn ooren trof, en drie mij onbekende aangezichten zich gelijktijdig op de stoep vertoonden.
VIERDE HOOFDSTUK.
'T GEEN VERHAALT WAT ME VERDER IN DEN KOEPEL VOORVIEL.
De voorstanders der nieuwe school, welke sedert eenigen tijd in de letterkunde het hoofd begint op te steken, schijnen, met verwerping der oude eenvoudigheid, welke wij van de Grieken en Romeinen hadden ontvangen, in hunne voortbrengselen, vooral in die van dramatischen aard, machtig veel prijs te stellen op treffende en ongehoorde tegenstellingen en contrasten, en op alles, wat vreemde en door hun onverwachte verschijning sterk schokkende uitwerkingen teweegbrengt. Hiertoe behooren voornamelijk de zoogezegde coups de théatre, welke tegenwoordig bij onkundigen, ja zelfs (ik zeg het met leedwezen) bij ettelijken, die beter moesten weten, meer indruk maken en meer toejuichingen verwerven dan de fraaiste gezegden of de schilderachtigste beschrijvingen onzer beste dichters. Wat mij betreft, wellicht komt het daar vandaan, dat ik op mijn ouden dag mijn smaak niet weet te plooien naar dien des hedendaagschen tijds; maar ik kan maar van mijzelven niet verkrijgen, dat verschrikkelijk bonte, dat sterke licht en bruin, al die schuddende en schokkende contrasten te bewonderen: en zoo ik al in enkele gevallen vrede heb met die coups de théatre, welke mij doorgaans eer een lach van medelijden dan een kreet van genoegen afpersen, het is in een blij- of kluchtspel, waarin ik oordeel dat zij te huis behooren.
Men vergeve mij deze uitweiding, welke sommigen misschien zal ergeren en aan allen waarschijnlijk ongepast en misplaatst zal voorkomen; maar het is een voorrecht van den ouderdom, bij ettelijke gelegenheden wat lang van stof te worden, en wat te beuzelen, 't geen soms bazelen wordt. Tot mijn verdere verschooning moet ik zeggen dat de aanleiding daartoe zich zeer natuurlijk verklaren laat uit den toestand, waarin Mejuffrouw Blaek en ik, zoowel als de drie nieuwe personages, die ons kwamen verrassen, ons aan het slot van het voorgaande hoofdstuk bevonden, en welke toestand over en weder een der aardigste coups de théatre opleverde, die immer in de gefingeerde tooneelwereld kan worden uitgedacht.
Verbeeld u slechts, aan de eene zijde, den schrijver dezer gedenkwaardige geschiedenis, in den fraaien dos, die vroeger beschreven is en die door den regen niet beter van aanzien geworden was, op handen en voeten onder de tafel liggende om de kluw op te rapen van Mejuffrouw Blaek, die op het geroep het blonde hoofdje had omgewend, en zoodra zij de aankomenden herkende, met neergeslagen oogen en bloedroode wangen, als op haar plaats genageld bleef staan, gelijk iemand, die op een schuldige daad wordt betrapt:—en, aan den anderen kant, de drie nieuwaangekomenen, verbaasd en als versuft op den drempel staande om dit tooneel aan te gapen, en zeker alle drie in den waan verkeerende, dat het hier niet zuiver toeging, en dat Mejuffrouw Blaek een vrijer had, die zich onder de tafel zocht te verbergen. Waarlijk, dit leverde een tooneel op, het penseel van mijn ouden kennis Troost, of een hem gelijken schilder overwaardig. En opdat het niemand, die zich mocht opgewekt gevoelen, deze ontmoeting op het paneel te vereeuwigen, aan de vereischte bijzonderheden ontbreken moge, welke hem in staat kunnen stellen alles als naar 't leven af te beelden, wil ik hier de beschrijving bijvoegen van de drie personen, door welke ons tête-a-tête zoo onverwachts gestoord werd.
De voorste van hen was niemand minder, dan de eigenaar zelf der hofstede, de Heer Jacobus Blaek, een man van middelbare lengte, schraal en ongezond van uitzicht, en voorzien met een gelaat, waarvan men de kleur gevoeglijkst bij die van een glas zuiver Amsterdamsch grachtwater zou kunnen vergeleken hebben. De rimpels, die zijn voorhoofd groefden, de ziekelijke uitdrukking van zijne, diep in de kassen weggezonken oogen, de ver vooruitstekende kin en magere wangen, en het gemis van de grootste helft zijner tanden, gaven hem het voorkomen eens afgeleefden grijsaards; ofschoon hij werkelijk niet ouder was dan drie en vijftig jaren. Zijn houding echter was altijd afgemeten en deftig; ja, in sommige gevallen niet van waardigheid ontbloot, en zijn voorkomen dat van een fatsoenlijk man. Zijn gewaad bestond in een effen zomerrok van gevlochten zilverdraad. Van uit de breede omslagen der mouwen, die tot even onder de ellebogen reikten, viel een aanzienlijk pak lubben op den voorarm neer. Het kamizool was van zwart gebloemd damast, evenals de wijde broek; en tusschen beide in blonk een hagelwit linnen. De zijden kousen staken in groote vierkante schoenen met hooge roode hakken voorzien. Hij droeg thans geen degen, maar een kostbaren hartsvanger op zijde, aan een zilveren ketting, in een scheede van robbevel, en waarvan het gevest van ivoor was vervaardigd, ingelegd met goud. Een touwen pruik en daarboven een witte lakensche pet met een breede ver vooruitstekende klep, bedekten het hoofd: en een das met kantwerk aan de tippen, waarover rijkelijk snuif gestrooid was, omstrikte den hals. In de rechterhand hield hij een langen bruinen rotting met barnsteenen knop, en in de linker een regenscherm.
Rechts achter hem bevond zich zijn eenige zoon, de Heer Lodewijk Blaek, een rijzig, kloek gebouwd jonkman, met groote bruine oogen, een welgevormden mond en regelmatige trekken, welke hem een allergunstigst uiterlijk zouden geschonken hebben, indien er niet in zijn schuinschen blik en in de wijze, waarop hij gewoon was den neus en de onderlip op te halen, iets ware gelegen geweest, dat van hoogmoed en verachting sprak en een onaangename uitdrukking over zijn gelaat verspreidde: en indien niet enkele roode vlekjes, op zijn fletse wangen verspreid, te duidelijk heur herkomst hadden geopenbaard van de menigvuldige brasserijen en nachtwaken, die toen, wat ook een laudator temporis acti moge zeggen, meer in zwang waren dan tegenwoordig. Zijn kleeding was rijker en meer nieuwmodisch dan die van zijn vader, ofschoon insgelijks die van een buitenman; maar zijn rok was van groen laken, als bezaaid met een onnoemelijk getal kleine ronde knoopjes, en met wingerd-ranken van groene vlaszijde om de zakken en op de naden geborduurd. Zijn broek, waarboven een driedubbele gouden horlogeketting bungelde, was van geel leder: zijn gerolde bovenkousen van gele zijde, en de onderkousen van geweven touwwerk; van onder een ouden hoed, dien hij zeker in de haast had opgezet, golfde een fraaie pruik van kastanjebruin haar in sierlijke krullen naar beneden, en deelde zich op den nek in twee zoogenaamde marteaux, waarvan slechts de eene zijn weg over den rug vervolgde, terwijl de andere, naar den toen heerschenden smaak over den linkerschouder naar voren was gebracht. Hij droeg degen noch jachtmes; maar een klein hondenzweepje met een gouden fluitje aan den steel stak hem onder den arm uit, terwijl ook zijne hand zooals die zijns vaders gewapend was met een regenscherm; het zijne echter was van rood taf met gelen rand, bloemen en gewerkte franje: dat van zijn vader van grof linnen en meer ouderwetschen vorm.
Wat de derde personage betrof, die meer achterwaarts bleef en de slinkerhand hield, deze was niemand anders dan de Heer Lucas Helding, de voortbrengselen van wiens vernuft ik in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld. Men had den goeden man slechts aan te zien om gewaar te worden, dat hij door de beide Heeren, in wier gezelschap hij zich bevond, slechts geduld was en niet meer, en er verre van af was, die onafhankelijkheid te bezitten, waarop de Muzenzonen gewoon zijn zich te laten voorstaan. En waarlijk, het was, in die dagen zooals nu, een beklagenswaardig lot voor een inboorling van ons Gemeenebest, wanneer hij, niet door de fortuin bedeeld zijnde, zijn brood met de beoefening der schoone kunsten en wetenschappen verdienen moest: vooral in Amsterdam, waar men weinig of geene achting koesterde voor al wie aan de begaafdheden, welke hem de natuur geschonken had, het gewicht niet wist bij te zetten van eenige goede zakken met dukaten en eenige liassen schuld- en kustingbrieven;—maar meer dan één schilder, wiens voortbrengselen thans duizenden gelden, in een gasthuis stierf; waar meer dan één plaatsnijder zich uit armoede verdronk en menige geleerde op een vliering woonde.
Er was er echter onder de begunstigden van Apollo en het negental, aan wien wel geen rijkdom te beurt viel, maar toch een zeker bestaan werd verschaft,—zeer draaglijk voor alledaagsche geesten; maar voor hoogvliegende vernuften meer onverduurbaar wellicht dan de ellende zelve. Hoewel onze Amsterdamsche Patriciërs (ik spreek hier in 't algemeen: er bestonden enkele en treffelijke uitzonderingen) weinig met de beoefenaars der kunst ophadden, zij konden, bij de steeds klimmende weelde, de kunst zelve hoe langer hoe minder missen. Men bouwde overal nieuwe en prachtige huizen: goed: men betaalde de bouwmeesters wel; maar dan moesten er ook beelden en vazen zijn in de voorportalen en gangen; schilderijen op de behangsels; basreliefs boven de deuren; allegoriën, beeldspraken en deviezen aan de gevels, stoepen, tuin- en zomerhuizen.—Men had fraaie rijtuigen;—maar de paneelen moesten met de wapens des eigenaars en met keurig schilderwerk prijken. Men had sierlijk aangelegde lusthoven; maar dit moest een ieder weten, en daarom moesten die in een "deftig dicht", gelijk men 't noemde, bezongen worden. Men had boekerijen;—maar het was niet altijd de zaak des eigenaars om die zelf te verzamelen. Eindelijk, men had van Augustus en Mecenas hooren spreken, van de aanmoediging en bescherming, door hen aan de kunst verleend, en hoe zij, ter wedervergelding, door dichters en kunstenaars werden geëerd en geprezen: en nu moest ieder, die geld had, een Augustus of Mecenas worden en ten minste aan een paar schilders of dichters zijn hooge gunst doen blijken. Dat bij sommige aanzienlijke ingezetenen een wezenlijk gevoel voor het schoone en goede bestond, kan niet geloochend worden; en ik zal de eerste zijn om hulde te doen aan mannen, gelijk ik er velen gekend heb, die met den luister hunner geboorte en het aanzien, dat stand en rijkdom hun gaven, vernuft, geleerdheid, goeden smaak en echten kunstzin wisten te vereenigen; maar, dat het bij de meesten een zaak van mode was, zal evenmin weersproken worden door iemand, die van den toenmaligen tijdgeest slechts een flauwe kennis draagt:—en zoo gebeurde het, dat schilders van den eersten rang hunne goddelijke kunst moesten verlagen om die te doen strekken tot het versieren van vertrekken of staatsiekoetsen, of het teekenen van perspectieven aan het einde eener laan en op de wanden eener oranjerie: of wel, tot het afbeelden van hun beschermer en zijn huisgezin, in de door hen gekozen, vaak belachelijke gewaden en houding;—dat de dichter zijn vlucht beperken moest binnen de enge grenzen van het lofdicht, ter eere van den rijkaard, die hem betaalde, en van het beschrijvend gedicht, ter verheffing van de buitenplaats, waar hij nu en dan het onwaardeerbaar voorrecht genoot een paar dagen door te brengen: wanneer er namelijk geene meer aanzienlijke gasten waren dan de jongste boekhouder en diens familie.—Want, waagde hij het, hooger tonen te slaan, hij kon van te voren berekenen, dat zij hem geen stuiver zouden opbrengen.
Zoodanig een lot was ook dat van Lucas Helding, wien de Heer Blaek zich had aangetrokken, niet omdat deze eenig gevoel voor de dichtkunst bezat, maar omdat gezegde Lucas Helding hem eenige jaren vroeger, door zijn zoon Lodewijk (die er zijn redenen voor had) was aanbevolen geworden tot het bezingen der schoonheden, welke de hofstede Guldenhof opleverde. Ettelijke honderden van exemplaren in 4° formaat, met fraaie lederen banden en goud op snede, onder de vrienden en kennissen van den Heer Blaek rondgedeeld, getuigden, hoe treffelijk zich de hofdichter van zijn taak gekweten had; en deze, hierdoor onder het patronaat van den eigenaar der door hem bezongen hofstede gekomen, genoot sinds de benijdbare onderscheiding, van somtijds bij zijn beschermer eenige dagen te mogen doorbrengen en nu en dan met een kleine douceur in geld, of wel met een ouden rok of hoed te worden vereerd. Hij had het in waarheid slechter kunnen treffen, want op Guldenhof waren geen kinderen, die men te vergezellen had, wanneer zij in een bokkenwagentje reden (een bezigheid, die gewoonlijk anders aan zulke logeergasten werd opgedragen): geen Fransche gouverneur, met wien men uitgestuurd werd ter wandeling en wien men niet verstaan kon: geen vrouw des huizes, die de portiën aan tafel zelve voordiende en zorg droeg, dat een gast als deze niet meer kreeg dan zijn bekomst;—het gansche huisgezin bestond er slechts uit drie personen, waarvan twee zich weinig of niet met hem bemoeiden, en de derde—een engel was. Lucas Helding sleet dus, zoo dikwijls hij op Guldenhof kwam, daar werkelijk gulden dagen; at en dronk zooveel hem lustte, wandelde waarheen hij wilde, mocht ongemoeid in de boekerij snuffelen, en vond Mejuffrouw Blaek altijd gereed en genegen om een praatje met hem te maken en hem te plagen.
Met dat al, men behoefde, gelijk ik reeds heb gezegd, onzen Muzenzoon slechts aan te zien, om zich overtuigd te houden, dat zijn financiën zich geenszins in een voordeeligen staat bevonden, en Plutus hem evenmin gunstig was geweest als zoovelen anderen, die voor en na Lucas Helding de lier van Apollo getokkeld hebben.
Mijn bemerking geldt echter alleen het uiterlijke voorkomen van den man; want niettegenstaande zijn soberen opschik, schenen zijn ronde buik en blozende wangen van een betere keuken en meer voorzienen spijskelder te gewagen dan hem gewoonlijk ten deel viel: en de goede moeder natuur had het vergoedingsstelsel te zijnen opzichte in zooverre gevolgd, dat zij hem bij zijn armoede een gelukkig humeur en een blijde vroolijkheid had geschonken, welke hem de nukken der fortuin trots den besten wijsgeer deden tarten, en alleen, gelijk uit het vervolg zal blijken, nu en dan voor smarten van een meer treffenden aard moesten zwichten. Zijn rond en open gelaat, zijn kleine, maar geestige oogen, zijn lachende roode lippen, hadden, om voordeelig uit te komen, een betere lijst verdiend dan het magere pruikje, waaruit eenige grijze haren ontsnapten, die te kennen gaven, dat hun eigenaar de zes kruisjes reeds achter den rug had. Wat het overige van 's mans kleeding betrof, om met een dichter van zijn slag te spreken,
Zijn kamizool, schoon 't van damast was,— Was 't slechtste stuk, dat aan zijn bast was,
en miste reeds lang de grootste helft der knoopen, waarmede het vroeger versierd was geweest en wier plaats tegenwoordig vervuld werd door een menigte spelden, zoo hoog opgestoken, dat zij het vraagpunt in 't midden lieten, of er al dan niet eenig linnengoed onder dat vest verborgen was. De rok was bij uitstek fraai ... geweest, maar de kleur der gele, blauwe en oranje ruiten, welke daarop te zien waren, was lang verschoten en het fatsoen ten eenenmale ouderwetsch geworden: ook was hij niet ruim genoeg, om dichtgeknoopt te kunnen worden over den vooruitpuilenden buik, die met moeite geborgen werd in een groen fluweelen broek, welk laatste kleedingstuk, nog zoogoed als nieuw zijnde, merkelijk tegen de rest afstak. Witte geweven kousen, welke tot boven de dijen reikten en onder de knie met een paar marokijnen kousebanden opgehouden werden, omsloten de korte en met fraaie kuiten voorziene beenen, waarmede hij angstig op en neder trippelde, om een paar groote honden van den Heer Blaek te ontwijken, die er vermaak in schenen te vinden om hem in verlegenheid te brengen. Wanneer men zich nu bij dit alles een klein degentje met tinnen gevest, onder het rokspand half verborgen, en een paar lomp gemaakte schoenen voorstelt, zal men zich een klaar denkbeeld kunnen maken van den persoon van Lucas Helding. Ook hij droeg een regenscherm; maar het zijne was zoo bedekt met lappen en zetstukken, dat de oorspronkelijke aard en kleur der stoffage niet langer te onderkennen was.
De drie personages, waarvan wij de beschrijving hebben gegeven, bleven dan, als gezegd is, in stomme verbazing op de stoep staan en herinnerden Helding, gelijk deze naderhand beweerde, aan soldaten, die,
Verdadight met een dack Van schilden (regenschermen) dicht gevoeght,
een bres beklimmen en halverwegen worden gestuit.
De verbazing, welke zich op de drie onderscheidene troniën vertoonde, leverde een kluchtig en veelbeteekenond contrast op. Bij den ouden Heer Blaek scheen zij vermengd met een gevoel van angst en toorn, 't welk hem den mond wijd deed openen en den knop van zijn rotting krampachtig vastknijpen. Zijn zoon wierp het hoofd in den nek, en trok den neus en de wenkbrauwen naar boven: en op de lippen van Helding rees een glimlach, dien hij zich haastte met de hand te bedekken, in de onzekerheid, hoe een scherts met dit voorval zou kunnen worden opgenomen.
Het stilzwijgen, door de wederzijdsche verrassing veroorzaakt, duurde echter niet lang: de drie Heeren traden binnen, voorafgegaan door de beide honden, die dadelijk al blaffende en grommende toeliepen naar den ongelukkigen indringer, die ondertusschen, met de kluw in de hand, van onder de tafel voor den dag gekomen was: en de jonge juffrouw ging haar oom een schrede te gemoet.
"Wij kwamen u halen, Mejuffer!" zeide de Heer Blaek, op een toon van ontevredenheid, welken de omstandigheid eenigszins wettigde, en zonder eenige de minste notitie van mij te nemen: "niemand wist waar gij heengestoven waart."
"Ik was ... ik zat hier te lezen. Oom!" antwoordde het lieve meisje, beurtelings rood en bleek wordende: "het regende zoo, en...."
"Wij waren bang dat gij u verveeld zoudt hebben," zeide Lodewijk Blaek met een schamperen lach, terwijl hij tevens een schuinschen blik op mij wierp: "maar wij wisten niet, dat gij gezelschap hadt."
De Heer Blaek wierp op zijn zoon een eenigszins onvergenoegden blik en wendde zich tot mij, als om mij te vragen, wie ik was, toen ik, verlangende mijn lieve gastvrouw uit de verlegenheid te redden, vooruittrad en hem voorkwam.
"Ik hoop, Mijnheer Blaek," zeide ik, "dat gij het mij niet ten kwade zult duiden, zoo ik hier voor eenige oogenblikken een schuilplaats tegen den regen heb gezocht."
"Het staat voor de deur," mompelde Helding halfluid:
"Zoo gij voor regen vreest of gure noordenwinden, Gij kunt in dit verblijf een zoete schuilplaats vinden...."
"Gij waart zeker bang," voerde Lodewijk Blaek mij spottende te gemoet, "dat het dak lekte, en dat gij slechts onder de tafel tegen den regen beveiligd zoudt zijn."
"Ik raapte deze kluw op, die de juffer had laten vallen," zeide ik, zoo bedaard mogelijk, en reikte meteen het garen aan mijn bekoorlijke gastvrouw toe, die het met een beleefde nijging aannam.
"En waart gij ook al aan 't borrelen, Nichtje?" vroeg Lodewijk, naar de tafel gaande en een der fleschjes opnemende: "mij dunkt gij hieldt hier open hof. Wat zeg je, poëet!" (tegen Helding) "heeft de maag ook een prikkel noodig, voor wij aan tafel gaan?"
Helding naderde met eenige strijkages, en, het glas opnemende, dat Lodewijk voor hem had ingeschonken, hield hij het zoolang in de hand, totdat de zoon van zijn beschermer het zijne geledigd had, waarna hij met kleine teugjes de fijne likeur begon in te slorpen.
"En heeft mijn nicht U genoodigd, hier te koomen schuilen, vriendje?" vroeg mij de Heer Blaek op een vrij knorrigen toon, tegelijkertijd zijn parapluie aan Helding overhandigende, die, reeds zijn handen vol hebbende, zich haastte zijn glas op tafel te zetten en de beide regenschermen neder te slaan.
"Het is hier anders een besloten plaats," vervolgde de eigenaar van Guldenhof, een zware gouden snuifdoos voor den dag halende en er drie vingers van zijn rechterhand in dompelende: "en geen herberg, waar iedereen zoo maar vrij mag inloopen." Dit gezegd hebbende, bracht hij de lading snuif, tusschen zijn vingers bevat, naar haar bestemmingsoord, en stak de doos aan Helding toe, die, deze beleefdheid niet durvende weigeren, spoedig de beide natte regenschermen onder den linkerarm bracht, tot groot nadeel voor zijn kleed, en met de rechterhand van het aangeboden gunstbewijs gebruik maakte.
"Mejuffrouw is zoo vriendelijk geweest, mij niet van hier te jagen," antwoordde ik, eenigszins bedremmeld over de barsche toespraak van den Heer Blaek: "overigens is het schrikkelijke weer mijn verschooning, zoo ik onbescheiden geweest ben. Mijn naam is...."
"Ik vraag u niet naar uw naam," viel mij de oude Heer in de rede. Eenigszins hardhoorend, en buitendien ontevreden zijnde, verstond hij slechts ten halve hetgeen ik vrij zachtjes gezegd had; "maar mij dunkt, het weer is nu al heel wat bedaard en gij kost nu wel weer opkuieren, vriendje!"
Tegen dezen wenk, of dit bevel, was niets in te brengen: ik trad derhalve naar Mejuffrouw Blaek, en haar mijn dank betuigende voor haar vriendelijk onthaal, vroeg ik, of zij mij ook eenige bevelen te geven had voor Amsterdam.
"Ik dank u, Mijnheer Huyck!" zeide zij, met nadruk mijn naam doende hooren: "ik denk zelve eerstdaags daar te komen en hoop misschien van de week nog Mevrouw uw moeder en Santje te komen bezoeken."
Het hooren dezer woorden bracht geen geringe verandering in de gelaatstrekken der aanwezigen teweeg. De Heer Blaek zag op, gelijk men zegt, alsof hij het te Keulen had hooren donderen: Lodewijk begon te lachen; doch op een wijze, die mij nog onbeleefder toescheen dan zijn trotsche blik van kort te voren, en Helding liet van verbazing de beide regenschermen op den grond vallen.
"O ho! is het een kennis van u, Jetje?" vroeg Lodewijk, na een oogenblik zwijgens! "wel, had je dat maar terstond gezeid, meidlief! daar was vader, die zich al verbeeldde dat Mijnheer een medegenoot was van de bende van Jaco."
"Huyck! Huyck!" herhaalde de Heer Blaek, zijn nicht en mij beurtelings aanziende: "is Mijnheer van de familie van den Hoofdofficier van dien naam?"
"Ik ben zijn zoon," antwoordde ik, met een buiging: "heeft Mijnheer ook eenige boodschappen?"
"Ik wist niet, dat UEd. in kennis waart met mijn nicht," vervolgde hij, zonder op mijn aanbiedingen te letten: "Mijnheer is, geloof ik, uitlandig geweest?.... anders zou Mijnheer weten, dat het de gewoonte in Holland niet is, dat jonge dames, wanneer zij; alleen zijn, bezoeken van Heeren ontvangen."
"Ik kom van de reis," hervatte ik, eenigszins geraakt: "en zie Mejuffrouw Blaek heden voor de eerste maal. Ik wist niet, dat er zich iemand in den koepel bevond, waarin ik schuilen kwam; anders ware ik zoo onbescheiden niet geweest."
Het scheen mij toe, alsof deze mijne verklaring den Heer Blaek een pak van het hart nam: en, als wilde hij zijn onbeleefdheid vergoeden, vroeg hij mij, of ik niet tot zijnent wilde komen en iets gebruiken. Ik sloeg zijn aanbod af, zeggende dat ik mij spoeden moest, daar ik gaarne voor poortsluiten binnen Naarden wilde wezen."
"Welnu! steek dan ten minste een pijp op voor uw vertrek," zeide de Heer Blaek: "Lodewijk zal wel een tondeldoos bij zich hebben."
"Ik heb mijn vuurslag vergeten," zeide Lodewijk, zich met onverschilligheid omwendende. "Helding! neem eens de moeite van die glaasjes wat om te spoelen en in het likeurkeldertje te bergen."
"Foei!" zeide Henriëtte (ik wist nu haar naam): "dat is dameswerk: dat zal ik wel bezorgen."
"Ik ben het rooken buitenslands verleerd," zeide ik, en groette nogmaals het gezelschap. Op de stoep gekomen, hoorde ik Lodewijk overluid zeggen:
"Nu ja: geloof maar vrij, Jetje! dat het de zoon van den Heer Huyck zou wezen. 't Is een verkleede fielt, die zien komt of er iets van zijn gading is."
Ik hield mij niet op om te weten of de bevallige Henriëtte mijn verdediging op zich zou nemen, maar stapte, niet weinig ontevreden over de handelwijze zoo van vader als zoon, de hofstede af. Dewijl de koepel, wanneer men van den kant van Amersfoort kwam, voorbij het hek was, moest ik, den landweg vervolgende, dien nogmaals langs gaan. Toen ik zulks deed, lichtte ik beleefdelijk den hoed tot afscheid. De Heer Blaek beantwoordde mijn groet op een koele, doch gepaste wijze: zijn zoon zag mij aan met een onbeschaamden blik, dien ik hem met woeker teruggaf. Wat zijn nicht betrof, 't zij; uit verlegenheid, 't zij uit onverschilligheid, 't zij omdat zij aan de inblazingen van Lodewijk gehoor had gegeven, zij bleef met den rug naar het venster gekeerd met Helding praten: en mijn hoop, om nog een enkelen blik als vaarwel te erlangen, was in rook vervlogen.
De bui was nu geheel over en de lucht aangenaam verfrischt door het onweder; slechts enkele waterlooze wolkjes dreven nog in het zwerk rond. Vroolijk zweefden de vogels om mij heen, als om de wederverschijning van het zonlicht te begroeten. De weg daarentegen was, als te denken is, nog glibberig en vol plassen; alleen het voetpad was redelijk;—maar ik had zeker al een geruimen tijd doorgestapt, eer ik, 't zij op het fraaie weer, 't zij op den slechten weg begon te letten; zoo geheel waren mijn gedachten van de zonderlinge ontmoeting op Guldenhof vervuld. Een onbeschrijfelijke en mij toen nog onbegrijpelijke mengeling van hoogst genoeglijke en alleronaangenaamste gewaarwordingen hield mij bezig. Met verrukking dacht ik aan het lieve gezichtje, aan de zoete, welluidende spraak, aan het spelend vernuft der beminnelijke Henriëtte; maar met wrevel en misnoegen aan de zotte rol, die ik, naar mijn meening, tegenover haar gespeeld had. Ik ging al de woorden na, die ik had uitgesproken, de geheele houding, die ik had aangenomen, en ik vond al wat ik gezegd en gedaan had, zot en onverstandig. De oude Heer Blaek had mij in den aanvang, de zoon bij voortduring, onbeleefd behandeld! doch hunne bejegening trok ik mij minder aan dan die van Henriëtte, welke mij, ik kon het mijzelven niet ontkennen, tot afscheid den rug had toegedraaid. Ongetwijfeld, dacht ik, was zij mijn gezelschap lang reeds moede, en blijde daarvan eindelijk ontslagen te worden: ongetwijfeld had ik het onderhoud, dat zij wel met mij heeft willen voeren, alleen te danken aan het slechte weer, dat haar dwong met mij te blijven, aan haar beleefdheid en aan haar vriendschap voor mijn zuster—en geenszins aan eenig behagen dat zij er in schepte.—Dan weder vroeg ik mij af, wat mij toch eigenlijk hare welwillendheid of tegenzin aanging, en hoe ik mij zoo verlegen kon maken over de gevoelens, te mijnen opzichte gekoesterd door een juffer, die ik voor de eerste maal mijns levens zag. Ik had toch op mijn reizen vele vrouwen en meisjes ontmoet, zoo schoon en misschien nog schooner dan deze: maar nooit had eene daarvan zulk een indruk op mij gemaakt. Was die teweeggebracht door het verrassende, het romaneske (gelijk men het thans zou noemen) der ontmoeting?—Maar zooveel ik mijzelven kende, was mijn karakter kalm en bedaard; zelden of nooit nam mijn ziel haar vlucht naar het gebied der verbeelding, en niemand had ooit uit zijn aard minder aanleg dan ik om zich idealen te scheppen, die met ingebeelde hoedanigheden te versieren, de wezenlijkheid aan den schijn op te offeren: in 't kort, een romanheld te worden. Ik verwonderde mij dus zelf over de onrustige beweging, die ik in het hoofd voelde, en over de ongewone heftigheid, waarmede mij het hart in den boezem klopte: ja, ik was er ten laatste niet verre af, om die toe te schrijven aan den invloed van den brandewijn, dien ik genuttigd had, en die misschien van beter en sterker allooi was dan de geestrijke dranken, welke men in andere landen tapte.
Wat hiervan wezen mocht, de gespannen stemming, waarin ik mij bevond, verliet mij niet eer, dan toen ik, met natte voeten en een hongerige maag, mij voor de herberg van Eemnes bevond, alwaar ik mijzelven had voorgesteld het middagmaal te houden.
VIJFDE HOOFDSTUK.
HETWELK BANGE LIEDEN BIJ AVOND NIET MOETEN LEZEN.
"Wel dat treft nou ongelukkig!" riep de waardin, na mijn schoenen bij het vuur in de keuken geplaatst, en mij in een opkamertje te hebben gelaten, waar zich een tafel bevond, beladen met de overblijfselen van een aldaar gehouden middagmaal: "dat is jammer, koopman! dat je nou geen amerijtje vroeger 'ekomen waart! dan had je mee kunnen anzitten met twee passeziers, die hier 'egeten hebben en bijkans al de proviand uit mijn huis hebben met 'epakt."
"Zoo!" zeide ik, niet zeer gesticht over deze onwelkome mededeeling, en voorziende, dat mij de overgeblevene spijzen nu dubbel zouden worden aangerekend: "waren dat zulke schrokkers?"
"Dat wil ik nou justement niet zeggen," antwoordde de vrouw des huizes, terwijl zij de overgeschoten kliekjes ontweldigde aan de duizend en eene vlieg, die er op aasden: "de jonge vrijster althans heit bijkans geen mond vol 'egeten; maar zij hebben al wat ik nog overhad an vleisch en nog een brood, dat ik van den bakker heb laten halen, in een groote blikken trommel 'estopt, die zij met zich hadden, puur as gingen zij naar het onbekende Zuien, en of er te Naarden of te Weesp, waar zij dan ook heentrokken met 'erlui huifkar, geen sikkepitje te krijgen ware."
Het woord huifkar herinnerde mij terstond aan den man, dien ik tot Czaar verheven had: en ik vroeg aan de waardin of de reiziger niet een rooden mantel droeg?
"Een kerel as een boom," antwoordde zij: "en dien ik niet graag alleen in een bosch zou ontmoeten. Ja kijk! as de vrijster niet zoo'n hupsche deern was 'eweest, en as ze niet alles pront betaald hadden en nog een fooi an de meid 'egeven toe, dan zou ik bij mijn zondige ziel 'edacht hebben, dat het Zwarte Piet zelvers was. Ik had warentig medelijen met het arme schaap, zoo bedrukt as ze keek,... maar met dat al mot je geen honger lijen, koopman! en ik zou deur al dat praten wel heelendal vergeten van je te bedienen. Nou! ik zeg, je heit ook al een weertje op weg 'ehad! 't Zel de boeren ook rouwen, die 'erlui hooi nog niet binnen 'ehaald hebben. Het onze is deur Gods zegen al in de schuur, op een paar wagens na van een kampje, dat ver leit, heel onder Eembrugge; maar er zijn lui, die het altoos op het laatste laten ankomen. Heb je nog ergens 'eschuild, koopman?"
Niet ongenegen om aan mijn praatzuchtige gastvrouw de gelegenheid te verschaffen, haar tong te vieren over een belangrijker onderwerp dan haar hooibouw, vertelde ik haar, dat ik op Guldenhof den regen ontvlucht was.
"Op Guldenhof!" herhaalde zij, eenigszins vreemd opziende: "een mooie plaats, hè? Ken je meneer Blaek? Hij houdt er anders niet veul van, dat men zoo bij hem oploopt."
"Ik ken hem slechts van aanzien," antwoordde ik: "ook heb ik niet in huis, maar op den koepel geschuild."
"Nou kijk! dat had hij eensjes motten weten!—Niet, of 't is een weldoend Heer, die veul an de arme lui geeft, dat mot ik zeggen: lest heit hij nog twee dikketonnen en een flesch wijn 'ezonden an Lijs, de vrouw van Tymen den varkenslachter, die een kwaje kraam 'ehad heit;—maar ik wil maar zeggen—hij ziet niet graag menschen bij zich: hij leeft zoo wat eenigjes met zen nicht en zen zeun, en een mild heer, dat beloof ik je.—Men zeit zoo, ze zullen een paartje worden samen:—Volle neef en volle nicht! 't is niet zoo as 't hoort!"
Ik kon niet nalaten innerlijk deze uitboezeming der waardin te beamen, schoon niet uit dezelfde beweegreden als de goede vrouw, die, tot den Roomschen godsdienst behoorende, gelijk uit het gouden kruis op haar boezem te bemerken was, een dergelijk huwlijk af moest keuren, als met de kerkwetten in strijd. Intusschen had haar aanmerking mijn nieuwsgierigheid opgewekt.
"En zou dat huwelijk al spoedig doorgaan?" vroeg ik.
"Dat 'loof ik niet, koopman!—Dat jonge Heerschap is zoo wat los en liber, zooals ik zei: en houdt te veul van zijn vrijheid om van nou af aan den ketting te liggen."
Het bericht, dat Lodewijk Blaek zijn nicht waarschijnlijk trouwen zoude, was mij hoogst onaangenaam geweest;—doch de gedachte, dat hij zulk een verbintenis niet op den waren prijs zou stellen en die als een lastigen band beschouwen, maakte hem volkomen hatelijk in mijn oogen.
"Nou!" vervolgde de waardin: "ik ken 't me wel begrijpen: het meisje heit van der aigen niet veul, zeggen ze: en 't is maar een schraal poppie: hij kan wel wat beters krijgen!"
Ik keek de waardin aan, die de slanke, bevallige Henriëtte een schraal popje dorst noemen: het was een dikke, gezonde zus, met wangen of zij de hel had aangeblazen: zij scheen mij op dat oogenblik zoo afschuwelijk toe, dat ik niet verkoos, verder een woord met haar te wisselen; maar slechts verzoekende, dat zij wat spoed maken zonde, mij voor het venster plaatste en haar den rug toekeerde. Of zij uitgepraat had, weet ik niet: althans zij had de tafel opgeruimd en verliet mij, met de belofte in een ommezientje met het eten terug te wezen.
Niets beters te doen hebbende, vermaakte ik mij gedurende haar afwezigheid met uit het raam te zien, hetwelk het uitzicht had op de niet verre van daar aan de overzijde van den weg gelegene kerk, een kloek gebouw, met twee verdiepingen en transen en van een tamelijks spits voorzien. Meer nabij en vlak tegenover mij stond een koepeltje, wat minder prachtig dan dat van Guldenhof, en het uitzicht hebbende over een tuintje, hetwelk geen ander plantsoen bevatte, dan eenige heestergewassen, in dier voege geschoren, dat zij allerlei figuren op een wanstaltige wijze nabootsten.
Ik bekeek deze voorwerpen, welke mij eigenlijk bijzonder weinig belang inboezemden, zoo lang, totdat de wasem, welken mijn adem op de glasruiten had teweeggebracht, die aan mijn oog onttrok, en bleef toen kijken, totdat ik bespeurde, dat mijn gedachten ergens anders waren: ik bespeurde zulks, zeg ik, en wel aan een onwederspreekbaar teeken: ik had namelijk met den vinger een H en een B in krulletters op de ruit getrokken.
Ik werd, toen ik dit ontdekte, eenigszins wrevelig tegen mijzelven, en haastte mij, deze vruchten mijner afgetrokkenheid van gedachten uit te wisschen, als ware ik bang geweest, dat iemand die lezen zoude en een geheim raden, dat ik mijzelven nog niet bewust was.
Deze daad bracht mij opeens van het rijk der verbeelding tot het werkelijke leven terug: want het nu weder heldere glas deed mij iemand zien, die, een weinig zwaaiende, althans met geen vasten stap, van den kant van Soest kwam aangetreden:—en terstond herkende ik in dien persoon denzelfden Andries, die zulk een opschudding te Soest had verwekt.
Reeds wenschte ik mijzelven geluk, dat ik niet op den weg door dien lastigen kwant was ingehaald geworden, toen ik tot mijn spijt gewaarwerd, dat onze matroos, die ongetwijfeld niet gewend was een kapelletje voorbij te gaan zonder eens aan te leggen, naar de huisdeur stevende en binnentrad. Hoe blijde was ik, dat ik in een afzonderlijk kamertje gezeten was! "Mits nu maar," dacht ik, "de waardin dien niet hier brengt om met mij te eten, gelijk zij mij met dien vreemdeling en zijn dochter had willen doen spijzigen!"
Doch dit liep beter af: na een geruime poos kwam de vrouw des huizes terug met eenig brood en spek en een kan bier. Ik haastte mij, haar mede te deelen, dat ik 's morgens te Soest eenig ongenoegen gehad had met den man, die beneden zat, en liever niet met hem opnieuw in aanraking wenschte te komen.
"Nou! ik 'eloof het wel!" zeide de waardin: "'t is een ongemakkelijke kompeer ook as hij begint, die eigenste Andries;—maar hij zel zich nou stil houen hoop ik; hij zit althans heel bedaard een glaasje bier te drinken, en een praatje te maken met een kennis van hem, die juist beneden was:—zij spreken ondertusschen een rare taal: maar die ik liever niet hoor dan al: 't is Duitsch [3] en toch geen Christenziel kan 't verstaan: 't is net dieventaal."
Ik maakte geen aanmerkingen op dit gezegde der waardin, hetwelk zoo volkomen strookte met de slechte gedachte, die ik reeds van den knaap had opgevat. Alleen verzocht ik haar, mij te zullen waarschuwen, zoodra Andries vertrokken was, daar ik niet op zijn gezelschap langs den weg gesteld was. Na dezen maatregel van voorzorg zette ik mij aan tafel en begon niet zonder graagte, op de mij voorgezette spijzen aan te vallen. Zoodra echter mijn eerste honger gestild was, ging ik met meer bedaardheid te werk, ten einde mijn maal ten minste zoo lang te rekken, totdat Andries de herberg zoude verlaten hebben: doch, spek en brood waren reeds van het bord naar mijn maag verhuisd en de stem van den lastigen matroos deed zich nog in het onderhuis hooren. Ik stond op, liep wrevelig de kamer op en neder, begon ma eindelijk verwijtingen te doen, dat ik voor den twistzoeker vreesde en bloosde een oogenblik over mijzelven.
"Kom!" dacht ik: "waarom niet moedig de deur uitgestapt?—Misschien ziet mij de kerel niet eens: en, zoo hij mij al opmerkt, 't is niet gezegd, dat hij nu juist weer twist zou zoeken."
"Maar neen!" vervolgde ik bij mijzelven, de deurklink, die ik reeds had aangevat, weder loslatende: "schoon hij mij hier al met vrede liet, hij zou mij op den weg kunnen volgen: en hoewel ik hem alleen wel zou durven staan, er steekt geene eer in, om zich zonder noodzakelijkheid bloot te stellen aan de aanrandingen van iemand, die zijn beroep van 't vechten schijnt te maken. Wie een dollen hond ontmoet en niet uit den weg gaat, handelt dwaas: en die dronkaard beneden is niet veel beter dan een dolle hond."
Na door deze fraaie redeneering mijzelven overtuigd te hebben, dat geen vrees, maar hooge wijsheid mijn handelwijze bestuurde, bleef ik bij mijn besluit, om niet te vertrekken, dan voordat Andries vooruitgegaan was. Het leed echter nog een goed half uur, gedurende hetwelk ik vrij verdrietig het kamertje op en neer ging, al brommende over al de tegenspoeden, die mij beletteden mijn weg voort te zetten, en zelfs de aangename kennismaking van Henriëtte Blaek op den achtergrond stelden: het leed een half uur, zeg ik, eer ik de banken in het benedenhuis hoorde verschuiven, en, aan het raam glurende, zag ik nu weldra Andries met nog een man, die oogenschijnlijk beter gekleed was dan hij, de herberg verlaten. Zij liepen met groote schreden voort, als menschen, die hun tijd verpraat, en haast hebben. Ik toefde hierop nog eenige oogenblikken, ten einde hun gelegenheid te gunnen, om zich ver genoeg te verwijderen, betaalde vervolgens de vertering, en vertrok, mijn weg links af naar Laren nemende.
Ik ging echter in den aanvang niet dan langzaam voort, zoowel omdat de slechte staat van de wegen na den regen het loopen moeilijk maakte, als ten einde zeker te zijn van mijn twee wandelaars niet op zijde te komen, en keek ondertusschen, zooveel de slingers van den bochtigen weg mij zulks toelieten, voor mij uit, om te zien of ik hen ook ergens ontdekte. Ik had echter wel een goed kwartieruurs geloopen, eer ik iets bespeurde, dat op hen geleek, maar nauwelijks was ik den grenspaal voorbijgetreden, die Eem- van Gooiland scheidt, en zuchtte ik bij het overzien der schade, door den hagel teweeggebracht in de korenvelden, welke deze anders zoo lachende heuvelen bedekten, of ik kreeg rechts van mij af zeer in 't verschiet, twee personen in 't oog, die een paadje volgden, dat door de bouwlanden heen slingerde, en wier uiterlijk voorkomen mij voorkwam in allen deele gelijk te zijn aan dat van Andries en zijn makker.
Ik was nu geheel gerustgesteld, en wandelde onbezorgd voort. Te Laren hield ik mij niet op, maar trad integendeel met dubbele schreden voort, daar de tijd reeds, bij al het door mij ondervonden oponthoud, verder was verstreken dan ik gedacht had, en de allengskens dalende zon mij vreezen deed, Naarden niet voor poortsluiten te zullen bereiken, hetgeen toenmaals in die vesting te zes uren plaats had. Wel is waar, er bestond nog altijd mogelijkheid om daar binnen te komen: doch hiertoe werden meer formaliteiten vereischt, dan ik lust had af te leggen. Terwijl ik, met die onaangename gewaarwording, welke ons eigen is, wanneer wij nog een goed eind weegs af te leggen hebben en vreezen te laat te komen, den heuvel beklom, die zich tusschen het bevallige Laren en de grijze vesting, waar ik zooeven van sprak, bevindt, zag ik een rijtuig mij van de hoogte af te gemoet komen, hetwelk ik, bij het naderen, voor de huifkar herkende, die ik des morgens te Soest had gezien, en die thans ledig terugkeerde. De voerman, het pijpje, dat hem tusschen de lippen stak, hebbende laten uitgaan, zat te dommelen en te knikkebollen op het krat, terwijl zijn zweep hem ontvallen, maar gelukkig was blijven vasthaken aan het wiel en daarmede langzaam voortslingerde.
Ik achtte het betamelijk, den man te waarschuwen: "hei! ho hè wat! goede vriend!" riep ik: "gij zult een goede zweep verspelen, zoo gij niet oppast."
"Wat is er?" riep de voerman, met schrik ontwakende, en door een natuurlijke beweging naar zijn zweep tastende: "wat wou je?"
Het paard, dat waarschijnlijk reeds zijn bekomst van den tocht had, was op mijn geroep al dadelijk blijven staan, en ik wees nu aan den voerman, waar zich zijn onmisbaar wapentuig bevond.
"Sta, Kees!" zeide hij tot zijn knol, die deze vermaning niet behoefde; want het beest had volstrekt geen plan op den loop te gaan: "dankje wel, koopman!" vervolgde hij, afstijgende en zijn zweep niet zonder moeite loswurmende.
In weerwil van mijn haast om voort te komen, kon ik niet nalaten een oogenblik stil te staan, om naricht in te winnen omtrent den Roodmantel en de Juffer die met hem was, en vroeg ik den voerman, of hij zijn volk al naar Naarden gebracht had.
"Dat weet ik niet, waar ze 'estoven zijn," antwoordde hij: "ik heb ze aan deuzen kant van Naarden of'ezet op een plek, daar huis noch pad te zien was. Waar ze wezen mosten, weet Joost: en ik vertrouw het werk maar half: ze lekenen allebei zoo bang om 'ezien te worden.—Maar, wat scheelt het mijn ook? ze hebben mijn een goeie fooi 'egeven en dus, ik heb niks op ze te prittendeeren. Nou, ajus koopman, en je wordt bedankt veur je beleefdheid."
Met deze woorden steeg hij op; doch voor hij wegreed, riep hij mij nog toe: "je meugt wel voorzichtig wezen; want ik hou 't er veur, dat het niet pluis is buiten Naarden: ik heb een paar keeren in 't bosch hooren fluiten; zoodat ik blij was dat ik hier weer op den open weg kwam. Hi Kees! vort pért!"
De huifkar verwijderde zich en ik vervolgde mijn weg, slechts weinig gesticht over de tijding, mij door den voerman medegedeeld. Ik poogde mij wel wat gerust te stellen met de gedachte, dat men het niet wagen zoude, iemand op den helderen dag aan te randen en wel zoo nabij een vesting, terwijl bovendien mijn bagage noch mijn uitrusting van dien aard waren, dat zij een roover in de verzoeking konden brengen;—maar de veronderstelling alleen, dat het geval van roof mogelijk ware, was alles behalve aangenaam.
Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men van daar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerlijk geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen;—over Blaricum, de beide Eemnessen, Soest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blauwe zee, de Stichtsche bergen en de grauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen:—en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen.
Immers, wanneer men eens die hoogte over is, neemt de weg een geheel ander aanzicht. Geen welig groeiend geboomte, geen vruchtbare bouwlanden, geen landhoeven meer: aan weerszijden een dorre, wijduitgestrekte heide, over welke het uitzicht ten Noorden op enkele bosschen kreupelhout, en ten Zuiden op het donkere groen der 's-Gravenlandsche lusthoven stuit. Ik kon niet nalaten van, zoo dikwijls ik den blik naar deze laatste zijde sloeg, een vergelijking in te stellen tusschen de woestenij, welke ik doortrok, en die, slechts een uur of anderhalf van mij gelegen, oase, waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt. "Voorwaar!" dacht ik, "mijn goede tante Van Bempden, die ginds haar buitenplaats altijd vol gasten heeft, denkt thans weinig, dat haar neef hier eenzaam door de heide kuiert ... ik ben ook wel dwaas geweest, dat ik haar niet geschreven heb: de goede vrouw had mij zeker haar koets te Amersfoort gezonden, en dan was ik vrij wat meer op mijn gemak en vrij wat royaler de provincie binnengekomen;... maar dan had ik ook Henriëtte Blaek niet ontmoet."
Het hoofd alzoo vol hebbende van Henriëtte Blaek, van mijn tante Van Bempden, van Andries en van de rooversbende van Zwarten Piet, kwam ik langzamerhand verder. De grond langs den weg, hoezeer nog altijd dor en zandig, droeg, naarmate ik de vesting naderde, eenige meerdere sporen van bebouwing: hier en daar vond ik een versch ontgonnen hoekje, en nu en dan kleine kampjes met peulvruchten beteeld: wat verder op groeiden heestergewassen langs de kanten van den weg en belemmerden al meer en meer het uitzicht, totdat ik eindelijk aan mijn rechterzijde een vrij dicht geplant boschje kreeg, hetwelk tot deze of gene rustplaats scheen te behooren.
Het was op die hoogte ongeveer, dat de flauw gehoorde tonen van een klok of bengel, welke allengskens duidelijker in mijn ooren klonken, mij aankondigden, dat ik Naarden al vast naderde, doch tevens, dat ik mij zou moeten reppen om er nog tijdig te zijn. Terwijl ik alzoo met verhaasting voorttrad, kwam ik aan een plaats, waar kort te voren, gelijk aan het wielspoor te zien was, een wagen had omgedraaid: waarschijnlijk de meer vermelde huifkar. Dit zou echter mijn opmerkzaamheid niet bijzonder hebben getrokken, ware het niet geweest, dat ik, juist te dier plaatse, in 't voorbijgaan iets zag liggen, hetwelk ik, bij nadere beschouwing, voor een groene beurs herkende.
Ik raapte die op en bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan. Waarschijnlijk was deze beurs, welke redelijk wel voorzien scheen, aan een der personen, die in het rijtuig gezeten hadden en wier voetstappen nog bij het spoor te zien waren, bij het uitstappen ontvallen: maar hoe die weer aan de eigenaars terugbezorgd? de voerman was mij onbekend en kende zelfs, volgens zijn voorgeven, zijn passagiers niet, die hem niet aan een huis of plaats, maar midden op weg hadden verlaten.
Al overpeinzende, wat mij te doen stond, opende ik onder het voortwandelen de beurs, ten einde te onderzoeken of zich daar ook iets in bevond, hetwelk mij eenig licht zou kunnen verschaffen. Ik ledigde het daarin beslotene in mijn hand: het was een goede som in gouden rijders en dukaten, en bovendien een gouden zegelring, met een fraaien koralijn, waarop een wapen zeer kunstig gesneden was. Terstond liet ik het goud weder in de beurs glijden en vestigde al mijn aandacht op het wapen, in de hoop dat mij dit op den goeden weg zoude helpen om den eigenaar terug te vinden; maar nauwelijks had ik gezien, dat het in een Sint-Andrieskruis met omgekrulde punten bestond en bovendien met talrijke sieraden omslingerd was, waarvan ik de beteekenis niet zoo spoedig kon ontcijferen, of ik hoorde opeens in de nabijheid een gefluit en te gelijk een geritsel van takken, alsof iemand zich een weg door de struiken baande. Ik verschrikte, zag om: en ziet! daar sprong een kerel van den hoogeren boschkant op den weg en klopte mij op den schouder met den uitroep "annemekanneme meêsamen!
Ik stond verzet: ik wist dat deze woorden, wier rechte samenhang of beteekenis ik nooit heb kunnen uitvorschen, zooveel moesten te kennen geven, als: "wij deelen het gevondene te zamen:"—en, wat mijn ontsteltenis niet weinig vermeerderde, was de omstandigheid, dat ik in den man, die mij zoo vrijpostig op zijde kwam, mijn vriend Andries herkende, en de overtuiging, dat hij mij de beurs had zien oprapen.
Ik zag terstond in, dat een onverschrokkene houding alleen in staat ware, den vent van mij af te houden, en, mijn stok met kracht omvattende, zag ik hem scherp in 't gezicht en vroeg, wat hij begeerde.
"Wat ik begeer!" herhaalde hij met een hoonenden lach: "wel! niet meer, hoop ik, dan wat mij van rechtswege toekomt. Ik heb die beurs net even gauw gezien als jij: en ik wou er juist op an laveeren, toen jij er zoo vlak voor-de-wind op aanschoot: je moet niet denken, dat jij alleen recht heit, om die geeltjes bij moeder Kee te gaan verzwendelen: ik heb ze al zoo noodig als jij."
Ik was staande deze redeneering van Andries met hem vooruitgewandeld, maar hield hem niettemin in het oog, gereed hem voor te komen bij de minste verdachte beweging die hij maakte: "al wat gij zegt moge waar zijn," zeide ik: "maar hetgeen ik gevonden heb, behoort noch aan u noch aan mij, en ik ben voornemens het den rechten eigenaar terug te brengen!"
"Ei! ei!" zeide Andries, een spottend gezicht zettende: "terugbrengen! wel dat bedenk je fijn! denk je dat ik je uitvluchten niet merk en geen lont ruik? Je wilt met ongebroken lading wegzeilen; maar dat gaat zoo niet: je zult bijdraaien, kameraad! of we zullen jou enteren."—En dit gezegd hebbende, floot hij ten tweedenmale.
De zin der geuite woorden was te duidelijk om kwalijk verstaan te worden: ik was nu overtuigd dat Andries niet slechts een twistzoeker, maar een struikroover was, en dat ik mij van hem moest ontslaan eer hij hulp kreeg: met vaardigheid lichtte ik mijn knuppel op en deed dien op een niet zachte wijze op zijne, reeds naar mij uitgestoken handen nederkomen, waarna ik het met allen spoed op een loopen zette, in de hoop van alzoo den medehelpers van Andries, zoo hij die al had, te ontkomen.—De vlucht was mij echter van geen nut; want nauwelijks was ik tien passen verder, of twee andere kerels sprongen van weerszijden uit de struiken voor den dag: en terwijl de een mij den pas afsneed, greep mij de ander in den kraag.
"Pas op, Haentje! dat hij je de loef niet afsteekt," riep Andries, toesnellende: "hij wou het mij draaien, maar hij zel er voor bloeien, nou hij voor drie ankers leit."
"Verroer u niet, of het gaat er door," duwde mij Haentje te gemoet, in wien ik den man herkende, met wien Andries uit Eemnes vertrokken was: en meteen zette hij mij een mes op den strot.
"Kom Koopman!" zeide toen de derde roover, met veel bedaardheid een pistool voor den dag halende, hetwelk hij mij voorhield: "laat u raden: alle tegenstand ware onnut: overhandig ons goedschiks hetgeen gij aan goud en zilver bij u mocht hebben: gij zult daarna eens zoo luchtig voortwandelen."
Ik zag dezen man, terwijl hij sprak, in 't gezicht. Hij was iemand van een allergunstigst uiterlijk, dat merkelijk afstak tegen het hatelijke voorkomen van Andries en de bruine, fielterige tronie van Haentje. Zijn gelaatstrekken waren, ja, eenigszins verschroeid en verhard, als die van iemand, die in verre landen gereisd heeft; maar toch regelmatig en innemend; geestigheid fonkelde in zijn gitzwarte oogen: en krullende lokken van dezelfde kleur versierden zijn schedel. Zijn gewaad daarenboven, dat uit een deftigen zwarten rok en broek bestond, zoude aan niemand in hem den struikroover hebben doen vermoeden.
Alle weerstand was vruchteloos: ik lag letterlijk, zooals Andries zich had uitgedrukt, voor drie ankers vast. "Indien het niet anders kan," zeide ik, "neem dan hetgeen ik bezit: voor geweld moet ik zwichten."
"Ziet! dat is gesproken, gelijk een verstandig man betaamt," zeide de Zwartrok, op den vriendelijken toon, welken een grootvader zonde aannemen ter aanmoediging van zijn kleinzoon, die hem een verjaringsgedicht was komen opzeggen: "en daar gijzelf niet rijk schijnt, zullen wij ook matig in onze eischen zijn en u nog een paar dubbeltjes overlaten om te Naarden een slok te koopen en van den schrik te bekomen."
"Niet rijk!" herhaalde Andries: "zoo meteen is hij nog op onze eigene kust komen kapen en heeft een beurs vol goud van den weg opgevischt—ik heb hem net bijtijds gepraaid, anders was hij er mede schoot gegaan; want dat doet er niet toe ... wou jij hem laten loopen, Pieterbaas? ik heb hem hedenmorgen al gewaarschuwd, dat hij niet weer in mijn vaarwater zou komen ... en mijn woord moet ik houen, weet je.".
Deze woorden boezemden mij geen geringe bezorgdheid in, en ik sloeg het oog met ongerustheid op den in 't zwart gekleeden roover, tot wien Andries zijn rede wendde. Ik sidderde, toen ik hem de wenkbrauwen zag samentrekken en op een korten gebiedenden toon hoorde zeggen: "kent gij hem?—In 't bosch dan met hem!"
Dit bevel was nauwlijks geuit of de schelmen namen mij op en sleepten mij tegen de hoogte op en door de struiken.
Een koude rilling liep mij door de aderen; want welk ander oogmerk kon men hebben met mij van den weg af te voeren, dan dat van mij uit te schudden en te vermoorden? Ik vormde intusschen het vast besluit, mijn leven niet dan ten duurste te verkoopen, en alle middelen, welke list of geweld mij aan de hand mochten doen, ter ontkoming aan te wenden. Voor het oogenblik echter viel er aan geen wederstand te denken; want ik bleef het koude staal tegen mijn nek en den mond van het pistool op de borst voelen; maar, toen wij allengskens wat verder in het kreupelbosch geraakten, waar ik mij met opzet als een levenloos lichaam doorheen liet sleuren, vonden zich de roovers genoodzaakt hunne moordtuigen een oogenblik van mij af te houden: Haentje om een tak af te snijden, die hem in den weg was, en de Zwartrok, om zijn hoed op te rapen, die aan een struik was blijven haken. Ik oordeelde, dat nu het gunstige oogenblik ter mijner verlossing gekomen was; ik rees eensklaps weder op, en mij van Andries, die mij nog vasthield, losrukkende, maakte ik rechtsomkeert, sprong over de mij in den weg staande struiken heen en liep nu al wat ik loopen kon om den heirweg weder te bereiken. Het bleek mij echter daarna dat ik een verkeerden kant had ingeslagen: weldra bevond ik mij, bijna gelijktijdig met de drie knapen, die mij onder de afgrijselijkste vervloekingen achtervolgd waren, op een klein open kampje, met mislukte rogge beteeld, en waar een voetpad dwars doorheenliep. Mijn krachten waren uitgeput: ik bemerkte, dat ik weldra zou ingehaald worden, en keerde mij derhalve als wanhopend om.
"Waagt het niet, mij te naderen," riep ik, mijn stok, dien ik altijd was blijven behouden, met gezwindheid om mij heen zwaaiende.
Mijn houding boezemde den schurken eenig ontzag in. Hij, die de hoofdman der bende scheen, haalde den haan van zijn pistool over.
"Laat die gekheid varen," zeide hij, op mij aanleggende, "of het gaat er door."
"Maak maar gerucht," hernam ik: "de justitie is u al op 't spoor."
"Hij heeft voorden duivel gelijk ook," hernam de Zwartrok, lachende, en stak meteen zijn pistool, dat waarschijnlijk ongeladen was, weder bij zich: "maar, het zal hem weinig baten." Dit zeggende, haalde hij een kort rapier van onder zijn kleederen voor den dag, trok zijn rok uit, en kwam met het ontbloote staal op mij af. Ik verdedigde mij een korte poos, onder het aanhoudend geschreeuw van: "moord! moord! dieven!" maar het gelukte eindelijk aan den knaap, die den naam van Haentje droeg, mijn arm te vatten op het oogenblik dat ik daarmede een stoot van den hoofdman afweerde: en te gelijkertijd voelde ik mij door Andries bij de beenen grijpen en van den grond lichten. Ik stortte voorover, en achtte mijn laatste uur geslagen te zijn, toen ik op het onverwachts een krachtigen vuistslag op het hoofd van een mijner bespringers hoorde klinken en Andries naast mij op 't gras zag neertuimelen. Ik rees op, en ziet! de vreemdeling met den rooden mantel stond met opgeheven hand aan mijn zijde. Hij droeg geene wapens en toch schenen zijn forsche houding, zijn onverwachte verschijning en de krachtige wijs, waarop hij Andries het gewicht van zijn arm had leeren kennen, diens makkers met verbijstering te hebben geslagen: althans zij bleven een wijl besluiteloos staan. Echter vatteden zij weldra weder moed: en terwijl Haentje zijn mes opraapte, dat hem bij de worsteling ontvallen was, liep de hoofdman met opgeheven staal mijn redder tegemoet.
"Hoe is het, Zwarte Piet? Kent gij mij niet meer?" vroeg deze, zonder zich te verroeren, en hem strak aanziende.
"Is het wel mogelijk!" zeide Zwarte Piet, met verbazing, terwijl hij zijn rapier zakken liet, en zijn hoed haastig afnam: "zijt gij het zelf, Kapitein! of is het uw geest?"
De andere roover wilde toespringen, maar de hoofdman deed hem door een wenk op zijn plaats blijven.
"Is dat uw handwerk tegenwoordig?" vervolgde de Roodmantel, op een verwijtenden toon: "moest ik zoo iets verwachten van iemand, die onder mij gediend heeft?"
"Ja, Kapitein!" zeide Zwarte Piet, met een deemoedig gezicht, en zijn hoed tusschen de handen wrijvende: "wat zal ik u zeggen? 't Is een slechte tijd, en...."
"Geen woord meer!" hernam de vreemdeling: "neem uwen makker op, zoo hij niet loopen kan: en zorgt, dat gij voor den nacht alle drie den omtrek van Naarden verlaten hebt, of gij zult de galg niet ontsnappen, dat beloof ik u."
De roover zette, zonder een letter te antwoorden, den hoed weder op het hoofd, stak zijn rapier in de scheede, trok zijn rok aan, en gelastte Andries op te staan en hem te volgen. De schelm, die intusschen weder was bijgekomen, voldeed terstond aan het eerste gedeelte van het verzoek, maar had naar het tweede geen ooren.
"Voor den d....!" zeide hij, den vreemdeling en mij met een woedenden blik aanziende: "zullen wij vlag strijken, zonder die schooiers nog eens de volle laag te geven?"
"Ja!" zeide Haentje, zijn hoofdman met bevreemding aanziende: "ik begrijp niet...."
"Gij begrijpt niet?... Gij behoeft ook niets te begrijpen, domme ezels die gij zijt," zeide Zwarte Piet, hen elk bij een arm nemende: "gij ziet den man, die daar staat: zoo hij mij gelastte u beiden op te hangen, ik zou het doen ook, voelt gij. Kom! kom! geen praatjes meer. Gij weet, waar wij elkander terugvinden en maakt dat gij van hier komt, of ik zal u beenen maken."
Hoewel de twee schelmen vrij wat forscher uiterlijk hadden dan hun hoofdman, schenen zij echter gewoon van voor den zedelijken invloed des laatsten hetzelfde ontzag te voeden, als deze wederkeerig aan den vreemdeling betoonde: en, schoon eenigszins brommende en schoorvoetende, trokken zij langs verschillende kanten het bosch in en weldra uit ons gezicht.
"Is er nog iets van uw dienst, Kapitein?" vroeg de roover, zoodra zij vertrokken waren, den vreemdeling beleefd naderende.
Deze vergenoegde zich met van neen te schudden.
"Indien gij mijn diensten noodig mocht hebben," vervolgde hij: "mijn adres is altijd te bevragen bij Maaike Katers, in den Duivelshoek, te Amsterdam."
Hier zweeg hij plotseling en sloeg een argwanenden blik op mij:
"Ik heb mij daar mooi verpraat," zeide hij: "maar!" hier werd de toon zijner stem, die, zoodra hij tegen den vreemdeling sprak, beleefd en welluidend was, weder kort en scherp: "Mijnheer! gij zijt gewaarschuwd, voorzichtig te zijn."
"Ik zal dat alles wel schikken," zeide mijn redder. "Maak maar, dat gij nu van hier komt, en gij zult niets te vreezen hebben."
De roover glimlachte op eene wijze, welke zien liet, dat hij geheel tevreden gesteld was, boog zich en was spoedig uit ons gezicht.
ZESDE HOOFDSTUK.
WAARIN ONZE HELD VOOR DE TWEEDE REIS OP DENZELFDEN DAG GEVAAR LOOPT VAN ZIJN HART TE VERLIEZEN.
Ik had dit gansche tooneel met een stomme verbazing beschouwd, onbekwaam om de betrekking te verklaren, welke er tusschen mijn redder en den hoofdman der roovers bestond, en dezen zoo gedwee het veld voor hem ruimen deed. Was de ontzagwekkende vreemdeling misschien ook zelf het hoofd geweest eener meer uitgebreide bende? en moest ik zijn invloed op Zwarten Piet, en den naam van Kapitein, dien deze hem gaf, daaruit afleiden? Wat hiervan wezen mocht, ik voelde mij van eerbiedige bewondering doordrongen voor den man, die, wapenloos, en, bijna alleen door het vermogen van zijn wil, mij uit de handen van drie boosdoeners verlost had: en, zoodra het geritsel der struiken, waardoor zich Zwarte Piet een weg baande, en waarnaar de vreemdeling aandachtig scheen te luisteren geheel had opgehouden, begon ik, in de warmste bewoordingen, mijn erkentenis aan hem uit te drukken voor den dienst, dien hij mij bewezen had.
Hij ontving mijn betuigingen met koelheid: "al genoeg," zeide hij, na een poos zwijgens: "ik was u wederkeerig een dienst schuldig, ter vergelding van dien, welken gij mij hedenmorgen bewezen hebt."
"Geloof, Kapitein!" zeide ik, hem den titel gevende, welken Zwarte Piet omtrent hem gebezigd had, "dat mijn dankbaarheid...."
"Verschoon mijl!" viel hij mij kortaf in de rede: "ik heb thans geen tijd om al het fraais aan te hooren dat gij mij zeggen wilt. Ik heb iets op den weg verloren en moet mij haasten het op te zoeken; want het is allemans gading, en...."
"Een groene beurs!" riep ik uit, verheugd over de gelegenheid, welke zich aanbood van hem op mijn beurt een dienst te bewijzen.
"Hebt gij haar gevonden?" vroeg hij, terwijl hij al rechts en links van het pad langs den grond keek.
"Zij bevatte goudstukken," vervolgde ik: "en bovendien...."
"En een ring met een stempel," zeide hij, den volzin besluitende.
"Hier is zij," hernam ik, de beurs voor den dag halende, en met blijdschap aan den eigenaar ter hand stellende, "door mij te redden hebt gij meteen uw eigendom gered"—en ik verhaalde hem, hoe die beurs de voorname aanleiding was geweest mijner ontmoeting met de roovers.
"Het is als ik gedacht had," zeide de Kapitein: "ik heb den voerman op den weg betaald en toen zeker de beurs naast mijn zak in de plaats van er in gestoken. Gij hebt mij inderdaad een gewichtigen dienst bewezen. Te oordeelen naar uw wezen en uw spraak," vervolgde hij, terwijl hij mij met opmerkzaamheid beschouwde: "schijnt gij tot een deftigen stand in de maatschappij te behooren en zou ik u misschien met een aanbieding beleedigen. Daar echter uw plunje geen weelde aanduidt, meen ik niet onbeleefd te handelen, door u een geringe douceur voor de genomene moeite te schenken." En terzelfder tijd nam hij een paar goudstukken tusschen de vingers en stak mij die toe.
"Ik dank u," zeide ik: "uw aanbieding is zoo bescheiden gedaan, dat zij mij niet beleedigen kan. Ik behoef geen belooning, ik ben de zoon van den Heer Huyck, den Hoofdschout van Amsterdam, en zoo ik u van eenigen dienst kan zijn...."
"Zoo!" zeide hij, terwijl zijn gelaat zich op een zonderlinge wijze samentrok: "de zoon van den Hoofdschout moest zich, minder dan iemand, alleen wagen op onveilige wegen."
Hier zweeg hij een poos, deed het geld weder in de beurs en vervolgde op deze wijze:
"Het was ongetwijfeld uw voornemen heden tot Naarden te gaan."
"Ik vrees," zeide ik, "dat het te laat zal zijn de stad nog voor poortsluiten te bereiken: ook hoor ik de klok niet meer luiden; echter zou ik van meening zijn, dat ik derwaarts behoor te gaan, om rapport te maken van de ontmoeting, die mij is overkomen ... en zoo UEd. mij wildet vergezellen...."
"Dat noem ik spreken, gelijk den waardigen zoon eens Hoofdschouts betaamt," zeide de vreemdeling, met een gemaakten lach: "maar ik voor mij gevoel geene roeping om aan de bruggen mijn keel heesch te schreeuwen en bij elken schildwacht een half uur te wachten tot de korporaal der ronde komt, en dan van de beleefdheid van dezen af te hangen om teruggezonden te worden of den halven nacht in het wachthuis door te brengen, ten einde de zotte verhooren te ondergaan, welke bij een zoodanige gelegenheid nooit missen."
"Zooals UEd. wil," zeide ik: "doch ik meen dat er aan deze zijde buiten de poort een vrij goede herberg is, Jan Tabak of een dergelijken naam voerende;—zoo wij daarheen gingen en iemand zonden, om...."
"Niets van dat alles," zeide de vreemdeling, met de hand een ongeduldige beweging makende: "laat Zwarte Piet met zijn bende elders gaan om zich te doen ophangen: ik wil de koord daartoe niet spinnen. Wat u betreft, handel zooals gij het goedvindt: ik schrijf u geene wetten voor; maar zoo gij mij gelooft, en er eenigszins prijs op stelt om mij genoegen te geven, zult gij hedenavond niet naar stad gaan; integendeel stel ik u voor tot mijnent te vernachten: en zoo gij de eenvoudige huisvesting voor lief nemen wilt, welke een eenvoudige boerenwoning u kan verschaffen, zal ik mij aan u verplicht rekenen."
Ik beken, dat ik eenigszins over deze aanbieding verzet stond, en aarzelde, hoe die te beantwoorden. Juist de schijnbare gulheid en openhartigheid, waarmede zijn voorslag gedaan werd, boezemden mij wantrouwen in; want ik wist die niet te rijmen met de geheimzinnigheid, welke zijn overige daden en gezegden tot nog toe omsluierd had, en het kwam mij onverklaarbaar voor, dat iemand, die zich voor 't overige gedroeg, als wilde hij alle nasporing en onderzoek ontwijken, de onvoorzichtigheid zou hebben, een hem onbekenden jongeling, en dat nog wel den zoon eens Hoofdschouts, in zijn verblijf toe te laten, ja te noodigen. Met dat al, ik gevoelde weinig trek om alleen stadwaarts te kuieren en mij nogmaals bloot te stellen aan een ontmoeting met de lieden, uit wier handen ik zooeven verlost was: nieuwsgierigheid spoorde mij aan, om nader uit te vorschen, wie toch mijn redder wezen mocht: en dit een en ander te zamen gevoegd deed mij besluiten het gedane voorstel te aanvaarden, onder de betuiging mijner erkentelijkheid en tevens van de hoop, dat ik door mijn verblijf geen ongelegenheid aan mijn gastheer zoude veroorzaken.
"Volstrekt niet," zeide deze, terwijl hij met haast het voetpad weder insloeg, hetwelk hij was langs gekomen: "alleen door hier te blijven draaien, zou ik in ongelegenheid kunnen geraken."
"In dat geval vergezel ik u terstond," zeide ik, en volgde hem op het ingeslagen spoor. Het paadje geleidde ons weldra op een hollen dwarsweg, aan weerszijden dicht begroeid met doornestruiken, en door de gevallene regens op vele plaatsen zoo vol water staande, dat men werk had voort te komen.
"'t Is hier slecht wandelen, Kapitein!" zeide ik, mijn voet losrukkende, die in de modder was blijven steken.
"Dat kan ik niet ontkennen," antwoordde hij: "maar mag ik vragen, waarom gij mij den titel van Kapitein toekent?"
"Ik heb u door een dier lieden van zooeven aldus hooren noemen," hernam ik.
"Wel mogelijk!" zeide hij, met een spottenden blik naar mij omziende: "maar omdat die gekken mij zoo noemen, moet daarom een verstandig jongmensch hun voorbeeld volgen? Ik heb op dien naam thans even zoomin aanspraak als op dien van Czaar, waarmede gij mij van morgen vereerd hebt. Gij kunt alle titels met mij sparen, vervolgde hij op een vrij hoogen toon: "ik heet eenvoudig Bos ... althans voor het tegenwoordige."
Ik zweeg en volgde, gelijk een hond, die een kastijding ontvangen heeft, zonder verdere woordenwisseling mijn geleider, wiens groote stappen ik moeite had bij te houden. Ik dacht, dat die fatale holle weg nimmer zoude eindigen, toen wij ten laatste aan een klein boerenhekje kwamen, hetwelk de Heer Bos openstootte en waar wij doortrokken. Een vrij smal pad, hetwelk door een dichtvallend hekje gesloten was, bracht ons weldra van achteren op een moestuin, aan welks einde ik een landhoeve gewaarwerd, welke ik veronderstelde dat het doel onzer wandeling zijn zoude.
Ik bedroog mij niet. Op het geblaf van een naast de deur aan een ketting gelegen mopshondje, ging de voordeur open, en een zwarte gedaante, van welke de meer en meer vallende duisternis mij alleen toeliet de vormen te onderkennen, trad haastig naar buiten en fluisterde van verre: "Zijt gij het, Vader?"
"Stil! stil!" antwoordde deze: "ik kom niet alleen ... dezen weg op, Mijnheer!... waar is de oude Martha?"
"Bezig met het avondeten te bereiden," antwoordde de dochter op een nog flauweren toon, terwijl ik meende te bespeuren, dat zij met weinig verwonderd was over de aankomst van een zoo onverwachten gast als ik.
"'t Is wel!" antwoordde haar vader, binnentredende: "breng Mijnheer in het opkamertje: hij zal van nacht hier blijven: ik ga even met Martha overleggen, waar wij hem huisvesten zullen."
Dit zeggende, opende hij de deur van een soort van keuken, alwaar ik een oude vrouw zag nedergehurkt en bezig met koeken te bakken. Hij trad binnen en, de deur achter zich sluitende, liet hij mij met zijn dochter alleen, beiden voorzeker evenzeer met onze figuur verlegen. De jonge Juffer althans oogde haar vader met verbazing na en wendde vervolgens de vragende blikken op mij.
Ik begreep dat de welvoeglijkheid eenige verontschuldiging vorderde.
"Mejuffer!" zeide ik: "ik vrees, dat ik hier ongelegenheid zal veroorzaken; maar Mijnheer uw vader heeft gewild, dat...."
"Wat mijn vader begeert, moet volbracht worden," antwoordde zij, met een vaste stem en een deftige hoofdbuiging: "wees zoo goed mij te volgen." Dit gezegd hebbende, keerde zij zich om en besteeg een trapje, dat naar een klein vertrekje geleidde, waar binnen ik haar volgde.
Zij schoof mij een stoel toe: ik nam echter geen plaats; maar bleef met de eene hand op de leuning rusten: mijn hoofd was zoo vol en al mijn denkbeelden door de vreemde ontmoetingen van den dag zoo verward, dat ik nauwelijks wist of ik droomde, dan of ik waakte. Intusschen bleef mijn geleidster over mij staan, in de houding van iemand, die een opheldering verwacht, en ik achtte het mijn plicht, haar die te geven.
"Uw Heer vader," zeide ik, "heeft mij zooeven het leven gered. Zonder zijn grootmoedige tusschenkomst had het er slecht met mij uitgezien.
"Is u eenig ongeval overkomen?" vroeg zij, op een deelnemenden toon.
Ik was op het punt, haar mijn wedervaren te verhalen, toen het denkbeeld mij opeens voor den geest kwam, dat mijn gastheer het wellicht niet zou goedkeuren, zoo zijn dochter van het voorgevallene onderricht en alzoo noodeloos verontrust werd. Ik vergenoegde mij dus met te antwoorden: "uw Heer vader zal u voorzeker wel zelf willen mededeelen, op welke wijze hij zich een eeuwige aanspraak op mijn dankerkentenis verworven heeft."
"Maar neem toch plaats, Mijnheer!" hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens, waarschijnlijk bespeurende, dat ik niet genegen was, haar verder bescheid te geven. "Mijn vader zal ongetwijfeld dadelijk hier zijn. Vergun mij u een oogenblik hier alleen te laten. Ik ga eens zien, of ik hem ook van dienst kan zijn."
Met deze woorden zweeg zij en vertrok, de deur zorgvuldig achter zich sluitende.
Mijn eerste beweging, zoodra ik mij alleen bevond, was, op mijne knieën te vallen en den innigen dank mijns harten te brengen aan den Almachtigen God, die mij zoo genadiglijk uit het doodsgevaar verlost had. Niet slechts om mijnentwille dankte ik Hem, maar ook voor mijn ouders en dierbaarste betrekkingen; want ik ijsde op het bloote denkbeeld van hun ontsteltenis en rouw, indien zij eens vernomen hadden, dat die zoon, wiens leven op een zoo langdurige reis en in vreemde landen in gezondheid was gespaard gebleven, in zijn eigen vaderland en zoo nabij het doel zijner bestemming door het moordend staal van roovers ware gevallen. Ik bleef een geruimen tijd in die gestalte; want mijn gemoed was vol en mijn ziel in een staat van hooge spanning: een natuurlijk gevolg van mijn toestand. Toen ik oprees, voelde ik mij vermoeid en afgemat, en zonk met gesloten oogen en gevouwen handen op mijn stoel neder.