← Table of contents
Ferdinand Huyck

Mr. JACOB VAN LENNEP. (continued 4)

Reading edition

"Zal ik het goed van Mijnheer niet te huis brengen?" vroeg de schippersknecht, de muts even aflichtende.

Dit was juist wat ik wilde: "wanneer heb ik het dan?" vroeg ik.

"Binnen het half uur is het bij u. UEd. is immers de zoon van den Heer Hoofdschout, wel bekend?"

"Goed!" was mijn antwoord: "alleen dat stuk," vervolgde ik, op het koffertje van Amelia wijzende: "moet ik terstond medenemen, omdat ik er iets uit moet nemen en het dan verder opzenden."

"Heel wel, Mijnheer! als Mijnheer dan daarvoor maar een van die menschen wil nemen...."

Ik zag om: een aantal knapen en sjouwerlieden had zich om mij heen gedrongen. Ik koos een hunner uit, aan wien ik het koffertje overreikte.—"Zuster!" riep ik toen: "als het u maar belieft."

Amelia kwam terstond voor den dag, en wij begaven ons, naast elkander, doch niet gearmd, en met den jongen achter ons, langs den Binnen-Amstel verder. Wij hadden het geluk, niemand van mijn kennis te ontmoeten. Aan de Amstelstraat gekomen, hield ik stil.

"Wij gaan hier van elkander," zeide ik: "jongen! gij volgt de Juffrouw en brengt haar bij den Heer Bouvelt op den Buitenkant bij de Peperstraat."

Amelia en ik drukten elkander de hand tot afscheid: zij ging met den knaap de lange houten brug naar de Muiderstraat op, terwijl ik mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Toen ik ongeveer honderd schreden verder gegaan was, wendde ik het hoofd nog, eens naar haar om: maar hoe groot was mijn verwondering en tevens mijn spijt, toen ik bemerkte, dat niet langer dezelfde knaap, maar Simon de marskramer achter haar ging met het koffertje op zijn rug. Ik waande een oogenblik, dat het mij schemerde; maar ik kon geen twijfel meer voeden; het was Simon zelf, en de andere knaap liep op een drafje met het marsje van den Jood weg. Mijn maatregelen van voorzorg, naar mij dacht met zooveel overleg gekozen, waren dus verijdeld! en dat wel door de schalkheid van een listigen marskramer, en die het nu in zijn macht had, althans gedeeltelijk, achter het geheim te komen. Maar het was te laat om er iets aan te doen; en elke nieuwe bemoeienis van mijn kant zoude, in den tegenwoordigen stand der zaken, meer na- dan voordeel hebben aangebracht. Voor 't overige wist ik bij geruchte, dat de Heer Bouvelt een geschikt man was, die de achting zijner medeburgers genoot en onder wiens bescherming Amelia zoo veilig mogelijk wezen moest; deze gedachte stelde mij weder enigszins gerust, en het denkbeeld, dat elke schrede, die ik nu deed, mij dichter bij de mijnen bracht, nam weldra mijn geest zodanig in, dat het alle andere, ook dat van mijn laatste avonturen, ten eenenmale verdrong.

TIENDE HOOFDSTUK.

WAARIN VERHAALD WORDT, HOE FERDINAND TE HUIS KWAM EN HOE HIJ INSLIEP, WELK VOORBEELD DE LEZER MAG VOLGEN, ZOO HET HEM GOEDDUNKT.

O! wie kan naar eisch dien stroom van gewaarwordingen beschrijven, die ons overstelpt, wanneer wij, na een lange afwezendheid, het ouderlijk huis weder naderen, en de oogenblikken tellen, die ons nog scheiden van hen, die ons dierbaar zijn. Welk een vreemde mengeling van blijdschap, van hoop, van angstvalligheid, van geluk, van vrees, komen ons gemoed vervullen!—Welk een aantal verwarde en verschillende vragen stellen zich aan onze verbeelding voor!—Zullen al de leden van het huisgezin gezond en bij elkander zijn?—Zal er geen lastig bezoek wezen van onverschillige derden, wier tegenwoordigheid die zoete stonden des wederziens belemmert en ons het warme gevoel des harten dwingt te smoren?—Heeft men wellicht juist dezen dag tot een pleiziertocht uitgekozen? of is men om een andere reden afwezig, zoodat wij bij onze terugkomst slechts ledige en verlatene kamers, en niemand vinden om aan het hart te drukken?—Leven de oude dienstboden nog, waaraan wij van kindsbeen af gewend waren, of zullen wij op ons aanschellen deze of gene onbekende neepmuts zien verschijnen, die, alleen de bovendeur openende, en met een verbaasd gelaat de ontroering bespeurende, die op het onze te lezen is, ons begroet met de ijskoude vraag: "wat is er van je dienst, Sinjeur?"—Zal het huisraad nog in elk vertrek dezelfde plaats bekleeden, waar het vroeger stond, en waar het, naar ons begrip, behoort te zijn gebleven? Zullen de kamers zelve dezelfde bestemming bewaard hebben?—Ach! wij herinneren ons alles, zooals het zich bij ons vertrek bevond, en wij weten, dat elke verandering, die wij vinden zullen, ook die ten goede is aangebracht, ons een gevoel van leedwezen zal doen ondervinden.

Ook in mijn geest speelden en verdrongen zich al die vragen, terwijl ik met haastige schreden mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Nu bereikte ik de Erwtenmarkt, de Doodkistemakersgracht: ik zag den Regulierstoren voor mij; deze was een herkenningspunt; want men kon hem evenzeer zien van het huis mijns vaders:—ik kwam op den Singel: in het hoekhuis woonde nog dezelfde bakker, waar ik als knaap gewoon was drieduitskorstjes te koopen, en de bakkerin zat nog op haar oude plaats achter de toonbank: ik knikte haar goeden dag;—maar ik wachtte niet af, of zij mij herkende: ik had den gevel van mijns vaders huis gezien: en ik verdubbelde mijn tred. Eenige onzer buren zaten voor het raam: ik groette hen met dien blijden blik, die te kennen geeft: "ja, ik ben het wèl; kijkt maar goed: het is Ferdinand, die te huis komt:"—ik snelde de stoep op en het was mij, of mijn voetzolen minder luid op de blauwe zerken klonken dan het hart mij in de borst bonsde: ik keek in de zijkamer:—ja waarlijk! daar zat mijn moeder met mijn oudste zuster, beiden op de gewone plaats:—het was mij, als werden mijn oogen beneveld: en terwijl ik met de eene hand tegen het raam tikte, trok ik met de andere aan de schel alsof het huis in brand stond.

Mijn goede moeder, die wat bijziende was, had mij niet herkend; en Suzanna zat met den rug naar mij toe. Ik had haar wel zien oprijzen; doch zij kwam niet aan het raam dan op hetzelfde oogenblik, waarin ik de voordeur intrad. En het was geen nieuw aangezicht, het was wel degelijk onze getrouwe Aagt de werkmeid, die voor mij; stond, en die onder den uitroep: "wel is het mogelijk!" mij om den hals viel: "goeden morgen Aagt!" zeide ik, haar omhelzing beantwoordende: "is alles wel?"

Maar zij dacht er niet aan om mij te antwoorden: zij had mij reeds weder losgelaten, en riep nu, terwijl de tranen langs haar dorre wangen liepen, met luider stemme: "Mevrouw! Juffrouw! daar is de jonge Heer Ferdinand!"—En tegelijkertijd bijna vloog de deur der zijkamer open, en drukte ik mijn lieve moeder en zuster aan het hart: en toen was het klos! klos! klos!—trip, trap, trip van alle zijden: en kwamen mijn jonger broeders en zusters van boven en de overige dienstboden van beneden de trappen af- en opgestormd: en het was een gedruisch, en een gekus, en een gelach, en een geween en een gevraag, en een geroep door elkaar, dat hooren en zien er bij vergingen. Eenige oogenblikken later zat ik in de zijkamer naast mijn moeder, die mijn handen tusschen de hare geklemd, en uit wier vriendelijke, hemelsblauwe oogen, nu en dan een traan langs het zachte, engelachtige gelaat nedervloeide: terwijl al haar overige kinderen in een blijden kring om ons heen stonden.

"Wij hadden u zoo spoedig niet verwacht, Ferdinand!" zeide Suzanna: (want moeder en ik waren bijna niet in staat een woord te spreken) "ik mag niet beginnen met te knorren:—maar ik dacht, dat gij in Westfalen verliefd waart geworden en met deze of gene moeffrikaansche pottedeern zoudt terugkomen, daar wij in veertien dagen geen tijding van u hadden."

"Hoe!" zeide ik: "ik verklaar u, dat ik geen zes dagen geleden uit Munster geschreven heb: dan is de brief verloren geraakt."

"Licht mogelijk," zeide zij: "men gebruikt tegenwoordig, hoor ik, enkel slakken en schildpadden tot postboden:—nu, in allen gevalle zijt gijzelf ons nog welkomer dan een brief en spaart het mij de moeite, uw hanepooten te ontcijferen."

"Pas op, Santje!" hernam ik: "ik weet van goeder hand dat gij mijn brieven zoo laag niet schat en die zelfs aan uw vriendinnen lezen laat."

"Hoe weet je dat!" zeide zij, een weinig rood wordende: "Qui te l'a dit? Zeker heeft papa u dat geschreven."

"Neen! dat heeft papa mij niet geschreven: maar dat weet ik toch van zeer goeder hand:—pas maar op! ik zal u daarover onder vier oogen de les eens lezen; en dan zult gij er niet gemakkelijk afkomen."

"Zie toch eens, mama!" zeide Santje, terwijl moeder tusschen haar tranen om ons harrewarren lachte; "wat is het reizen toch een heerlijk ding, om jongelieden te vormen. Daar verbeeldt zich Ferdinand nu, omdat hij eenige landen en steden bezocht heeft en misschien niets anders geleerd heeft dan te liegen als een courant, dat hij mijne plak ontwassen is en durft zich een meesterachtigen toon aanmatigen tegen zijn oudste zuster. Neen mannetje!" vervolgde zij, mij met den vinger dreigende: "ik zie wel dat het hoog tijd is, dat gij te huis komt en u weder onder subordinatie begeeft. Dat komt er van, wanneer die heertjes zoo lang hun eigen meesters geweest zijn."

"Kinderen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij zijt waarachtig nog altijd dezelfde. Gij ziet elkander eerst sedert een paar minuten terug, en het oude geplaag is weder aan den gang,"

"Wel! lieve moeder!" zeide ik, haar nogmaals omhelzende: "ik hoop waarlijk wel dat gij mij niet veranderd vinden zult."

"Hoe verwaand!" zeide Suzanna: "net alsof de jonge Heer volmaakt was, toen hij heenging. O hemel! wat zal ik daar nog aan te ontbolsteren hebben:—maar zeg mij? Wat zal Mijnheer na de reis gebruiken? Zal ik wat koffie zetten of verkiest gij een glaasje wijn? En hoe staat het met den eetlust? Is die nog zoogoed als voor vijf jaren? Dan kan ik mijn vingers weder lam maken van het boterhammen snijden; of lust u wellicht onzen Hollandschen kost niet meer?"

"Wel foei!" zeide ik: "zou mij een boterham niet smaken, met echte Delftsche boter en Beemster kaas?—En dat nog wel door mijn zuster bereid!"

"Dat is wel gezegd, Ferdinand! En nu begin ik nogal hoop op u te voeden. Maar kom! gij vertelt ons niets:—hoe hebt gij uw reisgenoot gelaten? en waar komt gij nu het laatst vandaan?"

"Dat zijn te veel vragen opeens," zeide ik, het tijdstip, waarop ik met mijn leugens zou moeten beginnen, zoolang mogelijk wenschende te verschuiven.

"Neen Santje!" viel mijn moeder in, mij zonder het te weten uit de verlegenheid helpende: "eerst moet de goede jongen wat te eten hebben: ofschoon ik u niet raad veel te gebruiken; want uw zuster en ik gaan naar de avondkerk en wij eten vroeg vandaag."

"Wel dat treft nu óók!" zeide ik: "zóó ben ik te huis, en zóó laat gij beiden mij weer alleen. Dat gij nu juist in de weekbeurt gaan moet? kan die kerkgang niet tot aanstaanden Zondag uitgesteld worden?"

"Had ik geweten, lieve jongen! dat gij heden thuis zoudt komen," antwoordde mijn moeder, "dan was ik liever gisteravond gegaan; maar het is nu eens zoo geschikt en uw tante Letje rekent er op, dat wij haar komen afhalen. Gij zult misschien wel met ons mede willen gaan, nietwaar? want het zal u ook aangenaam zijn, weder in een Hollandsche kerk te komen en den goeden God voor uw behoudene terugkomst te danken."

"Waarlijk ja, Ferdinandje!" zeide Suzanna: "dat moogt ge wel doen; want ik vrees dat gij wel een vrome toespraak noodig zult hebben, en dat het hoognoodig zal zijn, dat gij den catechismus weder eens opvat; gij hebt mooi tijd gehad om dien te verleeren."

"Wees maar gerust," hernam ik: wij zullen morgen eens zien, wie van ons beiden het best zijn vraagboekje in 't geheugen heeft."

Gedurende het laatste gedeelte van dit gesprek, hadden mijn moeder en Suzanna eenig ontbijt uit de kast gekregen en mij voorgezet. Terwijl ik bezig was, daarvan te nuttigen, met dien smaak, welken men na een lange afwezigheid ook aan de eenvoudigste vaderlandsche spijze vindt, en intusschen de menigvuldige vragen beantwoordde, mij door het jongere deel der familie gedaan, kwam mijn bagage te huis: en nu stoven allen, meisjes zoowel als knapen, naar het voorhuis, om de dienstboden te helpen in het naar boven slepen mijner koffers. Ik wilde mij insgelijks daarmede bemoeien; doch Suzanna weerhield mij.

"Wees maar bedaard," zeide zij: "gij zijt van daag de held van 't stuk en moogt geen hand uitsteken. Wij zullen wel oppassen, dat alles voorzichtig de trappen opga, zonder dat er iets breke van al de kostbare kristalwerken en fraaie porseleinen, die gij ons ten geschenke medebrengt, en zonder dat de keurige stoffage beschadigd worde, welke gij mij vereeren wilt om een danskleed van te maken.... Tusschen twee haakjes, ik hoop, dat gij nog eenige nieuwe rokken en vesten voor u zelven hebt liggen in een van die koffers; want zoo dat smerige pakje, 't geen gij nu aanhebt, uw eenige gewaad is, mogen wij wel terstond naar den kleêrmaker sturen en u, zoolang hij bezig is, achter slot houden; want een vreemde zou schrikken, zoo hij u zag."

Ik begon te lachen en keek op de huisklok; want het moest, dacht mij, haast de tijd wezen, dat mijn vader te huis kwam; en ik brandde van verlangen om hem te omhelzen. Men begrijpt, dat ik terstond bij mijn komst naar hem gevraagd had. Het antwoord was geweest, dat hij zich welvarend, en, als naar gewoonte, op het stadhuis bevond.

Het leed ook niet lang, of ik zag den waardigen man de stoep opkomen en aanschellen. "Wacht!" riep Suzanna: "blijf gij hier! wij moeten even een grap hebben met vader," en zij snelde naar de voordeur, die zij opende.

"Goeden dag, Santje," hoorde ik mijn vader zeggen.

"Goeden dag, papa! Wat ziet UEd. er bedrukt uit. Is er iets gebeurd?"

"Neen, kind!" was het antwoord: "maar zeg mij, is er nog geen brief van Ferdinand?"

"Neen, papa! die loopt zeker in Twente de ganzen na om een pen te krijgen."

"'t Is onbegrijpelijk," hernam mijn vader, terwijl hij, gelijk Suzanna mij naderhand vertelde, bedenkelijk het hoofd schudde en met een angstigen blik opwaarts zag.

"Maar kom toch hier, lieve Willem!" riep mijn moeder, die het niet langer uit kon houden: "hier is veel beter dan een brief."

"Vader! beste vader!" riep ik, den braven man tegensnellende en hem omarmende.

"Zoo! zijt gij er dan toch?" zeide hij, mij met hartelijkheid aan zijn borst drukkende: "laat mij u eens aanzien," vervolgde hij, mij zachtjes van zich verwijderende en aandachtig met zijn doordringende blikken beschouwende: "gij ziet er wat verhit en vermoeid van de reis uit," hervatte hij, na een korte stilte, op een langzamen toon: "maar anders voldoet mij uw uitzicht wel en gij brengt mij terug hetgeen gij bij uw vertrek bezat: mentem sanam in corpore sano. Gij hebt ons zeker willen verrassen en ons daarom niet geschreven, wanneer gij te huis dacht te zijn. Maar gij hadt waarschijnlijk vergeten dat uw vader Hoofdschout was, en dat ik op mijn avondrapport van gisteren de tijding hebben zoude, dat men u dien ochtend te Soest gezien had. Ik had u gisteravond reeds hier verwacht."

"Waart gij daarom gisteravond en heden aan het ontbijt zoo stil en afgetrokken?" vroeg mijn moeder: "en waarom hier niets van gezegd?"

"Ik wilde geen van u allen ongerust maken," antwoordde mijn vader: "maar zoo ik Ferdinand thans niet gevonden had, zou ik onmiddellijk een koerier naar Naarden gezonden hebben; want dan had ik gedacht, dat er een ongeluk had plaats gehad,—Gij hebt ongetwijfeld te Naarden gelogeerd, Ferdinand?"

Ik zat op heete kolen; want ik begreep, dat nu de ondervragingen zouden beginnen, en ik begon de moeilijkheid al te gevoelen van een verhoor, afgenomen door een vader, dien men niet misleiden wil, en een Hoofdschout, dien men niet licht misleiden kan. De woorden, die mijn vader tot mijn moeder gericht had, hadden mij ondertusschen den tijd gegeven om mij te herstellen: mijn antwoord luidde eenigszins ontwijkend:

"Ik ben door het slechte weer verhinderd geweest hier gisteren reeds te zijn, lieve vader! Het heeft hard geregend aan gene zijde van Naarden. Hebt gij hier geen bui gehad?—Ik heb onderweg moeten schuilen en ben nu met de eerste schuit van Naarden gekomen."

Er was niets anders dan volkomen waarheid in hetgeen ik zeide, en toch kromp mij het hart, alsof ik een samenweefsel van logens verteld had. Mijn vader nam echter volkomen genoegen met deze opheldering.

"'t Is juist zooals ik dacht," zeide hij: "ja, wij hebben hier ook wel wat regen gehad; maar toch niet zoo erg:—dan, naar ik hoor, moet de bui in Gooiland veel schade hebben gedaan:—nu, gij zult ons van dezen middag alles wel wat meer omstandig verhalen."

"Ja!" voegde mijn goede moeder er bij: "gij zult nu ook wel verlangen u wat op te frisschen. Kom! wil ik u eens naar uw kamer brengen?"

"Wil ik hem den weg niet wijzen, mama?" vroeg Suzanna: "ik zal hem op geen doolpad brengen."—"Of ik!—of ik!" riepen Letje en Keetje.

"Neen! neen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij ijdeltuiten kunt naar uwe kamers gaan en u kleeden om bijtijds klaar te zijn voor den eten. Ik zal mijn jongen te recht helpen: 't is lang geleden, dat hij niet door moeder is naar boven gebracht, nietwaar Ferdinand?"

Ik voelde, dat mijn oogen vochtig werden; en, de lieve vrouw onder den arm nemende, ging ik met haar de trappen op.

"Hoe, mama!" vroeg ik, toen zij mij binnenleidde in een ruim en luchtig vertrek, dat te voren tot logeervertrek had gediend voor zoodanige bekenden van buiten, als ons nu en dan bezochten: "is deze fraaie kamer voor mij alleen?"

"Ja Ferdinand," antwoordde zij, terwijl haar trekken het genoegen aantoonden, dat haar mijne vreugde over deze schikking verschafte: "mij dacht, gij waart nu oud genoeg om een kamer voor n zelven te hebben, waar gij onverhinderd kunt werken, en nu en dan dezen of genen ontvangen. Maar mij dunkt, de meiden hadden, nu gij eens hier zijt, de ramen wel kunnen sluiten." Dit zeggende, maakte de zorgvuldige moeder die zelve toe, keek vervolgens het beddegoed na, de waschtafel en het linnenkabinet, om te zien of er ook iets ontbrak, en wreef met haar zakdoek de bijna onzichtbare stofdeeltjes weg, die zich op het spiegelglas of op de gladde tafel bevonden.

"Waarlijk, mama!" zeide ik, diep getroffen over de blijken van haar zorgvolle liefde: "al de vrienden, die mij bezoeken, zullen mij deze kamer benijden, en vooral de lieve moeder, die ze voor mij in orde bracht."

"Ik ben blijde, dat zij u gevalt," zeide mijn moeder: "maar zeg mij eens, Ferdinand!" vervolgde zij, mij naderende, en met mijn lokken spelende: "hebt gij, toen gij op reis waart, wel eens gedacht aan de laatste belofte, die gij mij deedt op den avond voor uw vertrek?—Hebt gij nooit iets volbracht, dat gij u schamen zoudt mij te vertellen?"

"O! geloof mij," antwoordde ik, haar omhelzende: "altijd is mij de gedachte voor den geest gebleven: ik mag een zoo goede moeder als de mijne in niets bedroeven."

"Beste jongen!" hernam zij: "het besef der vreugde, die gij mij thans doet smaken, moet u zoeter genot schenken dan eene van die genietingen, welke gij om mijnentwille hebt opgeofferd, u had kannen aanbieden. O! wat zal het mij zalig zijn hedenavond mijn Schepper te danken, dat Hij u wedergebracht heeft, zoo rein en zoogoed als toen gij mij verliet.

En wederom rustten hare blikken, die niets dan liefde en teederheid ademden, op mij en speelde er een hemelsche glimlach tusschen de tranen die haar ontrolden. Een geruimen tijd bleven wij beiden, in stilte en zonder te spreken, de zaligheid genieten, die onze harten doorstroomde. O! dacht ik bij mijzelven, had die goede moeder gisteren kunnen weten welk gevaar zij geloopen heeft, dien zoon, dien zij zoo liefheeft, te verliezen, haar moederhart had die angsten niet doorgestaan!

Het schijnt den mensch ingeschapen, zich, zoodra de eerste opwelling voorbij is, ook voor de beminnelijkste zwakheden te schamen. Mijn moeder liet mijn hand los en veegde de oogen af.

"Kom!" zeide zij: "wij zijn kinderachtig:—maar zeg mij, Ferdinand, is al die bagage van u? En zijn al deze koffers vol? dat goed zal weder gepakt zijn, gelijk de Heeren dat gewoonlijk doen, alles door en op elkander gesmeten, zonder te passen of te schikken. Ik wed, dat ik wel kans zou gevonden hebben, met de helft dier koffers toe te komen."

"Wel mama! nu maakt gij het al te grof," zeide ik: "denkt gij dat ik gedurende mijn reizen geen pakken geleerd heb? Neen voorwaar, die beschuldiging is onverdiend. Maar ik heb onderweg mijn bagage niet weinig zien vermeerderen: en wanneer men bedenkt, dat ik geen klein getal broeders en zusters heb, die allen een geschenk verwachtende waren, zal het u niet verwonderen, dat ik mij in de noodzakelijkheid heb bevonden, de middelen van vervoer eenigszins te vermeerderen."

"Nu, wij zullen eens zien wat het geeft," zeide mijn moeder: "ik zal u niet langer ophouden: kleed u maar aan, en zoo gij iets noodig hebt, moet gij maar schellen."

Met deze woorden verliet mij de goede vrouw en bleef ik alleen in het bezit van mijn prachtig vertrek. Ik kon echter niet terstond voldoen aan haar laatste verzoek: mijn gemoed was vol: ik zonk half in een leunstoel neder en stortte mijn ziel uit in vurige dankgebeden tot Hem, die mij den zegen had doen smaken, van hereenigd te worden met al die panden, welke mij zoo dierbaar waren. Na het volbrengen dezer behoefte van mijn hart, rees ik op, haastte mij, al wat ik aan het lijf had af te leggen en met een gevoel van walging in een hoek te smijten, en schoone kleederen en linnengoed uit mijn koffer te krijgen: ja een gevoel van verkwikking en wellust vervulde mij, toen ik, nu van top tot teen in een nieuwen dos gestoken, mij met welgevallen in den spiegel beschouwde. Er ontbrak nog wel is waar een pruik om mijn toilet te volmaken; maar dewijl het weldra etenstijd zou wezen, en, ook, al ware de kapper bij de hand geweest, de plechtigheid van het haarsnijden en het passen van een nieuw hoofdtooisel te lang zoude hebben aangehouden, begreep ik die gevoeglijk tot den volgenden morgen te kunnen uitstellen. Ik haastte mij naar beneden en zat weldra met de mijnen op mijn oude plaats, tusschen moeder en Santje aan het middagmaal: waar ik van vragen bestormd werd door het jongere deel van het huisgezin, zoodat mijn vader meer dan eens stilte moest gebieden, en mijn moeder de kinderen beknorren en hun verzoeken, mij toch te laten uitblazen en in vrede mijn eten nuttigen.

Daar mijn moeder en zuster, gelijk ik reeds gezegd heb, voornemens waren naar de kerk te gaan, liep het middagmaal nog al haastig af: 't geen mij niet speet; want ik was weinig tot praten gestemd en begon de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag te ondervinden, en wel op een zoo blijkbare wijze, dat ik dienaangaande het verwijt van mijn zuster Suzanna moest ondergaan.

"Wat maakt het reizen de jonge lieden toch wellevend," zeide zij: "is het te Weenen of te Genua dat gij zoo hebt leeren gapen?—Ik dacht zoo meteen, dat de geheele soepterrine er aan moest gelooven. Gij kunt u gerust bij den drogist op het Rokin verhuren, indien hij zijn gaper verliest. Dominee Best krijgt een beroerte op 't lijf als hij u ziet."

"Ik geloof, dat ik hem niet in de gelegenheid zal stellen," zeide ik: "ik ga niet naar de kerk om te slapen: en ik ben overtuigd, dat mij hedenavond de Apostel Paulus zelf niet wakker zoude houden."

"Neen waarlijk, gij ziet bleek van de vaak," zeide mijn moeder, eenigszins ongerust: "vindt gij ook niet, schat!" (zich tot mijn vader wendende) "dat Ferdinand er, sedert hij aan tafel is gekomen, niet best uitziet."

"Dat is zeer natuurlijk," zeide Suzanna: "straks was zijn gezicht beter dan zijn gewaad, en nu is het omgekeerd."

"Ik geloof ook," zeide mijn vader, "dat hij maar wijzer zal handelen met te huis te blijven en wat rust te nemen. Hij zal vermoeid zijn, en daar is niets vreemds in:

Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit.

Ware ik in zijn plaats, ik ging een paar uren te bed liggen; of anders kan hij in mijne kamer in den grooten armstoel wat gaan dutten, tenzij hij liever verkieze, wat met mij te praten."

"Ziedaar een alternatief, dat ik gaarne aanneem," zeide ik: "ik beken, dat ik heden maar een half mensch ben en zelfs buiten staat, mij met fatsoen uit een schermutseling met Santje te redden."

"Dan zal ik ook maar geen kruit en lood op u verschieten," zeide Suzanna: "want er steekt geen eer in de overwinning, wanneer de vijand zich niet verweert: A vaincre sans péril, on triomphe sans gloire."

"Zeer goed," zeide ik: "zoo gij slechts niet vergt, dat ik u voor deze edelmoedigheid bedanke; want gij weet zoogoed als ik, dat de tijd om mij te plagen u toch ontbreken zou, daar het rijtuig binnen een paar minuten voor de deur zal staan."

Ik bedroog mij niet; nauwelijks had ik uitgesproken, toen er gescheld werd en men het rijtuig kwam aankondigen. De beide dames vertrokken: het jongere gedeelte van het gezelschap ging uit elkander, en ik trok met mijn vader naar zijn kamer. Wij spraken een wijl over onverschillige zaken; maar ziende, dat ik vruchtelooze pogingen deed om de aanvechtingen van den slaap te bestrijden, gaf mij op nieuw den raad daaraan geen langer weerstand te bieden. Ik begreep, dat zulks ook het wijste zoude zijn, en plaatste mij zoo gemakkelijk mogelijk in den grooten armstoel, dien ik in den donkersten hoek van het vertrek had geschoven. Mijn vader ging bij het raam zitten en eenige schrifturen nazien: en het leed niet lang of ik lag in een gerusten slaap gedompeld.

ELFDE HOOFDSTUK.

HETWELK ETTELIJKE POLITIE-GEHEIMEN AAN DEN DAG BRENGT.

Ik had ongeveer een half uur in dezen aangenamen, zorgeloozen toestand doorgebracht, toen ik half wakker gemaakt werd door drie kleine slagen, op een bijzondere wijze tegen eene der deuren gegeven.

"Daar wordt geklopt," zeide ik, de armen uitrekkende en willende opstaan.

"Hou uw gemak," zeide mijn vader: "het is niemand anders als Heynsz, die mij zijn rapport komt doen. Slaap maar door," vervolgde hij lachende: "dan geraakt gij niet in de verzoeking van de geheimen der Justitie te verklappen."

Dit gezegd hebbende stond hij op, haalde een bos met sleutels uit zijn zak, opende daarmede een deur, welke zich in een hoek van het vertrek bevond, en liet den zooeven genoemden persoon binnenkomen. Daar deze geen geringe rol gespeeld heeft in de avonturen, welke ik nog te verhalen heb, zal men het mij niet kwalijk afnemen, dat ik, tot recht verstand van het volgende, eenige meer omstandige beschrijving van den man ter neder stelle.

Het is mij onbewust of Zacharias Heynsz een afstammeling was van zijn naamgenoot, den dichter, wiens voortbrengselen onze vaderen een tijdlang bewonderden, maar die, sedert Vondel en Hooft hunne onsterfelijke werken uitgaven, al spoedig vergeten werd, schoon hij nog lang bij den Duitschen nabuur als een voorbeeld ter navolging werd aangemerkt. Zeker is het, dat de Zacharias Heynsz, dien ik gekend heb, niet misdeeld was van die begaafdheden, welke, zoo hij tot een andere loopbaan ware bestemd geweest, hem een meerdere vermaardheid zouden hebben gegeven dan hem nu ten deel viel. Intusschen, uit hetgeen mij bij onderscheidene gelegenheden van hem ter ooren kwam, ware stoffe genoeg te vergaren geweest, om een levensloop te beschrijven, die om het avontuurlijke zeer lezenswaardig had kunnen geacht worden, ja met den Gil Blas of Guzman d' Aifarache wedijveren, indien zich slechts een even bekwame pen als die van Le Sage tot de samenstelling daarvan had aangeboden. Wat mij betreft, die verre van het denkbeeld ben verwijderd zulk een schrijver zelfs op eenigen afstand te willen nastreven, ik zal mij vergenoegen met een korte opgave van het merkwaardigste, dat deze persoon, tot op den tijd dat ik hem in mijns vaders vertrek terugzag, was overkomen.

De vader van onzen Heynsz, indien hij dan al van den ouden dichter afstamde, was van de voorouderlijke deftigheid ontaard, als vervullende hij geene hoogere betrekking dan die van lakei bij een onzer aanzienlijkste Regenten, wien hij, bij gelegenheid dat deze als afgezant het Fransche hof bezocht, naar Parijs volgde. Aldaar wisten zijn breede schouderen, zijn kloeke gedaante en blozende wangen, aan welke begaafdheden de fraai gegalonneerde rok voorzeker niet weinig luister bijzette, het hart te winnen der dienstmaagd uit de herberg, waar de gezant zijn intrek had, en welke aannam onzen borst Fransch te leeren spreken. Of haar leerling goede vorderingen onder haar opzicht maakte, weet ik niet; zooveel is zeker, dat hij, als een tweede Alcibiades, het zooverre bracht in de minnekunst, dat zijn meesteres na verloop van een paar jaren als zijn echte vrouw met hem in Holland terugkeerde. Het was een wakkere tas, die vrouw Heynsz, en zij had voor haar huwelijk al vrij wat rondgezworven: ja men beweerde, dat zij, evenals de moeder van Campo Weyerman, in oorlogsvuur ontstoken, het schortekleed voor het musket verwisseld, ja den veldslag van Senef en de verovering van Namen had bijgewoond. Zelfs wilden kwade tongen wel verhalen, dat zij tot Sergeant bevorderd zoude geweest zijn, indien niet de Luitenant, verwonderd over de omstandigheid, dat haar figuur op een wijze uit begon te puilen, welke hem bij het behoorlijk aligneeren zijner Compagnie eenigszins hinderlijk voorkwam, de zaak nader onderzocht en het geheim ontdekt had. Wat er van zij, de vader van onzen Zacharias had geene reden zich over zijne echtverbintenia te beklagen. De ondersteuning van zijn vermogenden beschermer had hem in staat gesteld een herberg te Amsterdam te aanvaarden, voornamelijk ingericht voor de landgenooten zijner huisvrouw, die het talent had, hun de uien en magere soep, waaraan zij in het moederland gewoon waren, bijna evengoed, althans op dezelfde wijze toebereid, te doen terugvinden. Zacharias, de eenige spruit, waarmede hun echt gezegend werd, had dus al vroeg gelegenheid, om met menschen van allerlei slag te leeren omgaan, 't geen hem later, gelijk men zien zal, niet weinig te stade kwam. Te dier tijd echter maakte hij daarvan geenszins het behoorlijke gebruik en was zijn ouders tot weinig dienst, daar hij zich meer met lanterfanten en slenteren langs de straat geneerde, dan met het verrichten der boodschappen of bezigheden, welke hem werden opgedragen. Daarenboven gevoelde onze Heynsz een onweerstaanbare neiging voor de teekenkunst, welke slechts eenige meerdere opleiding en beschaving zou hebben noodig gehad, om hem in dat vak tot geene geringe hoogte op te voeren. Zijn ouders echter waren alles behalve in hun schik met deze begaafdheid van hun zoon: en hunne ontevredenheid had niet weinig kracht verkregen, toen zij van meer dan een reiziger klachten bekwamen, dat de onbeschaamde knaap zich verstout had, afbeeldingen van hun persoon, welke hen op een belachelijke wijze voorstelden, op hunne kamerdeur te plakken. Hierover ernstig bestraft zijnde, beloofde bij wel beterschap; maar de liefhebberij was te diep bij hem ingeworteld, dan dat hij die geheel zou hebben laten varen. Intusschen verwierf hem deze de gunst van een Franschen schilder, die, bij zijn ouders zijn intrek genomen hebbende, zoo getroffen werd door de beschouwing van sommige voortbrengselen van des jongelings kunstvermogen, dat hij aan de ouders den voorslag deed, hem met zich te nemen, en in de geheimen der kunst in te wijden, ter wedervergelding waarvan Zacharias hem eenigen dienst op reis zoude bewijzen. Dit werd met gretigheid toegestaan: en de ouders, nu geheel van inzicht veranderd, zagen reeds in 't vooruitzicht hun zoon, gelijk een tweeden Rubbens, met goud en ridderkruisen behangen, tot hen terugkeeren. Dan helaas! hoe ijdel was deze hoop!—De kennismaking met den Heer De Vieux (zoo heette de Franschman) moest den armen knaap, in stede van voordeel, louter schande en tegenspoed aanbrengen. In den beginne ging alles goed; en meester en leerling beiden wenschten elkander met hunne onderlinge betrekking geluk;—maar eensklaps vervielen voor Zacharias alle uitzichten voor de toekomst; daar zijn meester, zich met hem in Zwitserland bevindende, van waar zij voornemens waren naar Italië te trekken, in een herberg werd vermoord, na van al hetgeen hij aan goud en kostbaarheden bij zich had, beroofd te zijn geworden. Dewijl de misdadigers onbekend waren, vielen de vermoedens natuurlijk op Zacharias, die zich in de gevangenis zag werpen, zonder steun, zonder iemand, die hem kende of voor hem in de bres wilde springen. Hij raakte wel is waar, na een detentie, welke bijna een jaar duurde, wegens mangel van bewijzen op vrije voeten; maar werd nu ook, zoo kaal als de verloren zoon, in een vreemd land, en waar niemand zich zijner aantrok, op straat gezet. Hij besloot, al bedelende naar Parijs te gaan en aldaar te beproeven, of hij de familie zijner moeder vinden en door deze in staat gesteld zoude kunnen worden, de terugreize naar Amsterdam op eene meer behoorlijke wijze voort te zetten. Verscheidene malen gebeurde het hem, als vagebond te worden vastgezet, en de reis van Genève naar Lyon werd door hem niet in eenige dagen, maar in maanden volbracht: daar hij tot drie keeren toe weder over de grenzen teruggebracht werd. Eindelijk Lyon bereikt hebbende, deed hem een zonderling toeval met den beruchten Cartouche in kennis komen: een ontmoeting, welke hij later veelal behagen schepte te verhalen en waarvan de uitslag was, dat hij van dien Kapitein der gauwdieven een beurs met louis d'or bekwam. Dit maakte de uitvoering van het plan, dat onze reiziger gemaakt had, merkelijk lichter. Te Parijs trof hij den broeder zijner moeder in redelijke omstandigheden aan, en werd door hem wèl ontvangen. Dan, in stede van naar Amsterdam terug te keeren, keurde hij beter, zich eerst nog te Parijs in de schilderkunst te blijven oefenen, en ondertusschen den kost te verdienen met het maken van portretten, waarin hij, althans wat de gelijkenis betrof, zeer wel slaagde.—Dan het was hem voorbeschikt, dat de kunst hem altijd, in de plaats van eer en goud, ellende en schande berokkenen moest. Eens het afbeeldsel van een Edelman uit de provincie hebbende vervaardigd, stak hij in diens bijzijn de daarvoor ontvangene belooning in de beurs, welke hij van Cartouche bekomen had, en om haar fraaiheid gewoon was bij zich te dragen. De Heer zeide niets, maar den volgenden dag werd Heynsz voor het gerecht geroepen, en gevraagd, waar hij die beurs vandaan had, welke, gelijk van achteren bleek, te Lyon aan gezegden Edelman ontstolen was. Onze schilder, niet durvende bekennen, dat hij die van Cartouche ontvangen had, verklaarde stoutweg, dat hij die van een reizenden marskramer gekocht had. Men deed onderzoek, en, ongelukkig voor hem, bevond men, dat hij zich, juist tijdens den diefstal, nabij Lyon en wel in zeer bekrompene omstandigheden bevonden had; terwijl hij later op eens in een deftig gewaad was verder gereisd. De aanklacht wegens den moord van De Vieux werd mede ter sprake gebracht en was althans niet geschikt de gemoederen der Rechters voor hem in te nemen. Kortom, hij werd tot de galeien verwezen en bracht aldaar een tiental jaren door. Zijn gedrag was echter zoo gunstig onderscheiden van dat der overige boeven, dat hij er die verzachting in zijn lot genoot, welke met de reglementen van den dienst strookende waren, en zelfs eenigszins met het opzicht over de anderen werd belast. Eindelijk kwam toevallig zijn onschuld uit aan de beide wanbedrijven, welke hem te laste waren gelegd geweest. Hij werd ontslagen, en, Frankrijk nu vaarwelzeggende, trok hij, met het weinige geld dat hij van zijn familie te Parijs bekwam, en met een pas van den gezant van Hunne Hoog Mogenden, naar zijn vaderland terug. Te Amsterdam gekomen, vond hij zijn ouders overleden en de herberg in andere handen. Hij zette zich hierop in den Haag neder en vatte het schildersberoep weder bij de hand.—Maar de jaren van studie en genie waren intusschen jammerlijk vervlogen, en schoon hij nog altijd gelukkig in het treffen der gelijkenis was, zijn afbeeldingen misten die kracht van uitdrukking en die levendigheid van coloriet, welke den meester kenmerken, en zijn hulp werd dus niet ingeroepen dan door lieden van den minderen stand, uitgelokt door den matigen prijs, dien zij voor zijn voortbrengselen betaalden.

Terwijl hij aldus zich op een sobere wijs geneerde, werd hij voor de derde reize beschuldigd van een misdaad welke hij niet gepleegd had. Hij had namelijk de vrouw van een juwelier ten haren huize geportretteerd in een kamer, waarin zich verscheidene voorwerpen van hooge waarde bevonden. Kort na zijn vertrek werd er een prachtige garnituur gemist, en bij gedane nasporing bleek het, dat een man, die naar de beschrijving vrijwel op Heynsz geleek, gemelde juweelen verpand had. Hij werd opnieuw verhoord en gevangengezet; deze laatste gevangenis was echter de kortste. Hij had in den kerker het vertrouwen gewonnen eener aldaar met hem opgesloten dievenbende, door hunne afbeeldingen welgelijkend met kool op den wand te schetsen. Deze schelmen maakten hem deelgenoot van een plan ter ontkoming, dat vernuftig uitgedacht was en zeker zou gelukt zijn, indien hij, voorziende dat zulks hem geen ondienst zoude doen, het geheim niet aan de Justitie verklapt had. Tevens was het hem gelukt, door listige vragen, bij zijn medegevangenen uit te vorschen, wie den diefstal bij den juwelier had begaan: en het was hem gebleken, dat het de zoon des huizes zelf was, die zijn vader bestolen had. Zijn dubbele ontdekking had ten gevolge, dat hij niet alleen werd vrijgesteld, maar zelfs een belooning ontving.

Dan hierbij bleef het niet. De geschiedenis van onzen Heynsz trok de aandacht van den toenmaligen Hoofdschout van Amsterdam, mijns vaders voorganger, die zich te dier tijd toevallig in den Haag bevond. Hij deed onderzoek naar den schilder, en, na een met hem gehouden gesprek, oordeelde hij, dat deze de geschiktste persoon was, om te Amsterdam een bediening te vervullen, welke kort te voren was opengevallen.

Bekend is het, dat de Hoofdschout alhier in deze betrekking door vijf Onderschouten en door twee Klerken wordt geassisteerd, die van stadswege aangesteld worden en als stedelijke ambtenaren op de betaalsrollen verschijnen. Maar minder algemeen bekend en toch onontbeerlijk zijn de geheime agenten, welke het Hoofd der Justitie hunne diensten verleenen. Ontelbaar zijn de draden, waarmede het beleid van dien magistraat als met een kunstig geweven spinneweb niet alleen het geheele land overspant, maar welke, ook naar buiten verlengd, met al de voorname steden van Europa in betrekking staan. Het heir van spionnen en verklikkers, dat zich in die uitgebreide sfeer beweegt en tot welks bezoldiging de Hoofdschout jaarlijks aanzienlijke sommen ontvangt, kan echter uit den aard der zaak niet met hem noch zelfs met de ondergeschikte ambtenaren in onmiddellijke aanraking komen. Die onder hen, welke van een zoogenaamden fatsoenlijken stand zijn, zouden geen nut meer kunnen doen, zoodra het publiek kennis droeg dat zij met de Justitie in betrekking stonden; terwijl andere verklikkers van een minderen rang onderling onbekend blijven, en soms elkander moeten gadeslaan. Ten einde de zaken dus een behoorlijken gang zouden gaan is er een tusschenpersoon noodig, die, niet als ambtenaar bekend, zich belast met het overbrengen van des Hoofdschouts bevelen aan de geheime handlangers der Justitie, en hunne berichten wederkeerig te zijner kennisse brengt: een trechter waar alles doorheen gaat, of liever een totebel, die uit het slijk en de modder, waarin hij wordt nedergelaten, alleen datgene ophaalt, wat den meester van dienst is. Zoodanig een man wordt, of werd althans in dien tijd, uit de geheime fondsen betaald; hij had het oppertoezicht over de geheime agenten, knoopte de noodige betrekkingen aan bij de kollegiën der Admiraliteiten, bij de Bank, bij de lands- en stadsinrichtingen, in de koffiehuizen, enz., wierf de geschiktste voorwerpen aan of stelde de zoodanigen af, die hem geen genoegzaam vertrouwen inboezemden. Niet met de Onderschouten, maar onmiddellijk met den Hoofdschout stond hij in betrekking; en kwam bij deze tweemalen daags zijn rapport doen[4]. Deze bediening was opengevallen en nu sloeg de Hoofdschout, gelijk ik gezegd heb, de oogen op Heynsz, om die te vervullen. Hij oordeelde niet ten onrechte, dat iemand, die zoovele jaren van zijn leven in gezelschap van boeven en schelmen had doorgebracht, al de loopjes moest kennen, welke zij te baat nemen (en hiervan had Heynsz reeds een bewijs gegeven door de schrandere wijze waarop hij, op de Gevangenpoort zittende, den dief der juweelen had opgespoord): dat wijders Heynsz dit voor zich had, dat hij te vertrouwen was, en niet besmet door het gezelschap, waarmede hij zoo lang verkeerd had: en eindelijk, dat hij verscheidene talen sprak en een beroep dreef, hetwelk hij oogenschijnlijk kon blijven uitoefenen en 't geen hem overal den toegang bezorgde. Het akkoord was spoedig gemaakt, want, behalve dat de bezoldiging niet gering was, gevoelde Heynsz in zich juist die hoedanigheden leven, welke hem voor het aangeboden vak geschikt maakten. Hij verhuisde dan ook naar Amsterdam en was sedert, tot zijn dood toe, de getrouwe rechterhand der Justitie. Voor de wereld, die van deze schikking onkundig was, bleef hij de schilder van beroep, en voegde bij de winstjes, welke zijn portretten hem bezorgden, nog deze, dat hij gestoffeerde kamers te zijne huizen verhuurde: 't welk hem dikwijls in de gelegenheid stelde, verdachte personen op een gemakkelijke wijze in 't oog te houden, hun bedoelingen te leeren kennen, en, wanneer het noodig was, hen over te leveren.

Het huis mijns vaders stond, gelijk men reeds vernomen heeft, op den Cingel, en had van achteren gemeenschap met een gang, in het Klooster uitkomende. Door deze gang sloop Heynsz tweemalen daags ongemerkt binnen en kwam (gelijk ook thans geschiedde) aan het kabinet mijns vaders tikken.

Op den tijd, dat ik hem terugzag, kan hij ongeveer zestig jaren oud zijn geweest; maar, niet-tegenstaande zijn jaren en de veelvuldige wederwaardigheden, die hij had doorgestaan, was hij nog wakker en vlug: en men had hem slechts aan te zien, om te oordeelen, dat hij een dier lieden was, welke men, om zoo te spreken, met stokken moet doodslaan. Van postuur was hij klein en schraal, altijd zindelijk, ofschoon naar zijn stand en eenvoudig gekleed. Zijn gelaatstrekken hadden niets buitengemeens; maar zijn kleine graauwe oogen, die immerdoor in beweging waren, duidden aan, dat het hem niet aan vlugheid en scherpzinnigheid ontbrak. Niettegenstaande de post, door hem bekleed, in de oogen van velen verachtelijk zou schijnen, genoot hij in zekere mate de achting mijns vaders: een voorrecht, dat over het algemeen niet zoo licht te verkrijgen was. Want, behalve dat mijn vader hem wegens zijn bekwaamheid en trouwe dienst waardeerde, even als een jager zijn besten drijfbrak of staanden hond op prijs stelt, zoo was er in de daad niets op den man te zeggen, en vereerde hij, wel aangemerkt, een bediening, welke te voren doorgaans vervuld was geworden door voormalige dieven, verhelers van gestolen goed, of andere ter kwader faam staande personen: naar de oude leer, dat men dieven met dieven vangen moet. De gunst, waarin Heynsz wist dat hij bij mijn vader stond, deed hem dan ook wel eens zich in zijne tegenwoordigheid vrijheden veroorloven, die den eerbied, aan de achtbaarheid van den Hoofdschout verschuldigd, te buiten gingen, en noodzaakten mijn vader hem het zwijgen op te leggen, wanneer hij aan zijn historietjes zonder einde over Cartouche en de Fransche boeven begon.

Daar men de persoon van Heynsz niet altijd aan de oogen der huisgenooten onttrekken kon, had men eerst aan mijn zuster en mij, en voorts aan al de overige kinderen, van onze vroegste jeugd af ingescherpt, dat wij nooit aan iemand iets moesten laten blijken van 's mans verschijning ten onzen huize. Hiervan was het gevolg, dat wij hem altijd hadden aangezien als een geheimzinnig wezen, dat geëerbiedigd en ontweken moest worden: ja wij koesterden een heilige vrees voor hem, niet ongelijk aan die, welke ik mij voorstel dat de kinderen eens vromen Bramins gevoelen voor den ondergeschikten geest, die, volgens de Hindoosche fabelen, de huishouding in orde brengt.—Wat de dienstboden betrof, deze kregen Heynsz nooit te zien; want aan geen hunner werd de toegang tot mijns vaders studeervertrek vergund, dan bij de gelegenheid der maandelijksche schoonmaak: en alleen de gerechtsdienaar, die in de benedengang beidde, vermocht daar, schoon nooit dan na getikt te hebben, binnenkomen.

Na deze inlichtingen, voor wier wijdloopigheid ik verschoning verzoek, keer ik tot mijn verhaal terug.

Ik had mij, toen Heynsz, gelijk ik zeide, op de gewone wijze werd binnengelaten, met zijn stoel zoodanig omgekeerd, dat ik door de hooge leuning geheel voor zijn oog verborgen was: en, niet nieuwsgierig zijnde naar de geheimen der Justitie, de gemakkelijkste houding gekozen om weder in te slapen; maar, gelijk het veeltijds gaat, zoodra men moeite om te slapen doet, gelukt zulks het minst. Dit ondervond ik ook nu, en in weerwil van mij zelven moest ik luisteren naar een gesprek, hetwelk mij in de beginne onverschillig was, doch naderhand des te belangrijker werd.

"Welnu Heynsz!" vroeg mijn vader, zich weder aan de tafel plaatsende, waar de ander met betamelijken eerbied voor bleef staan: "wat brengt gij voor goeds?"

Ik hoorde Heynsz de bladeren omslaan van een zakboekje, waarin hij gewoon was op te teekenen hetgeen aan de orde van den dag was.

"N°. 1," zeide hij; terwijl zijn stijl en tongval den Hollander verrieden, die, reeds jong zijn land verlaten hebbende, de taal zijner ouderen wel niet geheel verleerd heeft, maar toch somtijds moeite heeft het rechte woord te vinden en den volzin behoorlijk te rangschikken: n° 1: de Koning van Corse logeert in het wapen van Emden en heeft bij Kuyt een cabriolet besteld, waarmede hij plan heeft morgen naar Rotterdam te rijden."

"Hij zal zijn reis nog wat dienen uit te stellen," merkte mijn vader aan, die insgelijks zijn zakboekje ter hand had genomen, en aanteekeningen maakte, naarmate de beambte sprak: "wij zullen hem heden voor zonnenondergang een logement in de gijzeling bezorgen."

"Een Koning in de gijzeling!" dacht ik:—en ik herinnerde mij niet zonder een sombere gewaarwording, dat ik op mijn reis dien zelfden Theodoor, met al de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd, op het plechtigst in Corsika had zien huldigen en met de kroon vercieren, welke hij slechts eenen zomer gevoerd had.

"Ma foi!" hernam Heynsz, "indien zijn crediteuren hem laten plakken, zij zullen lang wachten eer zij blaauw tellen hunne vingers aan zijn geld, en het zal hen wel verveelen, hem te geven de kost.—Ik weet de science certaine, dat hij kaal is als de oude Heer Job."

"Kent gij den kleêrmaker Melisz, ter wiens rekwisitie hij vervolgd is?" vroeg mijn vader.

"Of ik hem ken? Ik heb geschilderd het portret van hem, zijn vrouw, en zijn dochter: 't was jammer van de schoone coleuren, besteed aan die leelijke bakkes."

"Welnu! tracht hun dan te beduiden, dat zij het arrest opheffen, en geduld hebben. Ik zal zorgen, dat de debiteur zich niet verwijdere: en ik vlei mij, dat hij een goeden borg zal vinden. De man is ongelukkig: en, hoewel een gewezen Koning zijn schulden behoort te betalen gelijk een gewoon burger, dient men toch medelijden te hebben met iemand, die van zulk een hoogte gevallen is. Maar laat ons voortgaan.—Wat is er verder?"

"N°. 2. De diefstal bij den Juwelier Levi Samuëlz, is gecommitteerd door Mozes Abramsz, alias Mortje la Hayne, thans resideerende in den Duvelshoek, n°. 110."

"Mozes Abramsz!—Een oude kennis:

extenuata gerens veteris vestigia poenae;

maar zijt gij daar zeker van?"

"Zeer zeker. UEd. Achtbare weet dat ik vanouds heb een fijnen neus om te attrapeeren dieven van juweelen. Karel de Speelman, die hem assistentie heeft gegeven in het uitsnijden der glasruiten, en het goed op straat heeft aangenomen, is de man die hem heeft verklapt; ik geloof dat zoo Abramsz bij het deelen als een bonnette dief had gehandeld, de Speelman wel zou gehouden hebben den mond."

"Best! Gij geeft vier dukaten aan Karel den Speelman en waarschuwt hem, dat hij binnen vierentwintig uren de stad moet verlaten, of dat ik hem anders als complice zal laten pakken. Verder!"

"N°. 3. Campo Weyerman heeft de Loge der Vrijmetselaren in de Stilsteeg geopend met een heerlijke aanspraak en een fraai poême, waarin hij hun heeft geschilderd het groote belang van deugd en moraal. Alles is afgeloopen in complete orde."

"Zeer wel; doch wat mij minder moreel en deugdzaam voorkomt, is, dat die zelfde Campo een fatsoenlijke burgerdochter uit 's Hage, buiten weten van haar ouders, te zijnen huize heeft getroond. Waarom heb ik daar niet eer tijding van gehad?"

"Het is gebeurd in mijn absentie. Ik kom het heden eerst te vernemen en ging juist aan UEA. dit verhalen."

"Genoeg! draag zorg, dat de ouders ondershands bericht bekomen van het verblijf hunner dochter, en hou intusschen den knaap in 't oog. Het is de eerste reis niet, dat hem iets dergelijks gebeurt; hij is onverbeterlijk en behoort onder diegenen, qui hostili more matrimonia student sibi conjungere.—Wat meer?"

"N°. 4. Wij hebben het adres gevonden van dien Jean Albert, welken de Fransche politie vruchteloos door geheel Europa opspoort."

"Voortreffelijk! dat vergoedt uw verzuim met Campo. En waar houdt hij zich op?"

"Hij heeft niet gequitteert Parijs een oogenblik en logeert er nog altijd in de kleine straat du Bac. Ah! 't was een rusé compère, die zelfde Jean Albert: ik heb hem gekend heel wel aan het Bagne. Hij heeft nog eens aan mijn Heer d' Argenson geschreven, dat zoo hij hem wilde aanstellen als chef de la Police Secrète, er binnen zes maanden geen straatroof meer in Parijs zoude plaats hebben."

"'t Is wel! Gij zult mij de bewijzen opgeven die ter zake dienstig zijn, opdat ik deze tijding aan mijn ambtgenoot te Parijs schrijve. Wat is er meer?"

"N°. 5. Ziehier het lijstje der sedert gisteravond aangekomen personen."

"Hm! hm!" zeide mijn vader: en hij begon halfluid een soort van vreemdelingslijst te lezen, welke hij met aanmerkingen verzeld deed gaan:

"Donderdag morgen: de Heer Du Bourg: (hm! die komt hier zien, of hij het geld, dat hij aan de Bank te Aken verspeeld heeft met de acties op de Zuid terug kan winnen:—Iusus res antiqua ... sed pro tempore abiit in lacrimas....) met twee bedienden, logeert in den gouden Bal.—(De kastelein is een jong beginner. Gij zorgt, dat hij gewaarschuwd worde, niet te veel krediet te verleenen aan dien avonturier, ondanks zijn fraaien stoet:)—de heer Peperkorrel uit Hoorn: Jacob Jansz en familie uit Alkmaar: Nathanaël Rosen uit Berlijn, bij Levi den uitdrager in de Muiderstraat:—(die komt zeker een collecte doen:—) Peer, de Manke, Joost Roelifs en Symen de Beer, ketelboeters, in de Drie Verrotte Kamizooltjes:—(gij zult onderzoeken waar dat volkje den tijd doorbrengt:—) De heer Blaek en familie van buiten.—(Ik heb u reeds meer gezegd, dat het heen en wedertrekken der lieden naar hunne buitenplaatsen en terug niet behoeft vermeld te worden:) Jan Cornelisz, koekebakker van Haarlem enz. enz. Volgen de lieden die met de schuiten gekomen zijn."

Ik gevoelde een vreemde gewaarwording, toen ik den Heer Blaek en de zijnen zoo zonderling verzelschapt zag. Mijn vader vervolgde:

"In de schuiten van Haarlem niemand die suspect was dan alleen de knecht uit het groote koffiehuis in 's Hage die door zijn meester wegens diefstal verjaagd is. (Men houde dien man in 't oog.) Met de schuiten van Utrecht:" hier zweeg mijn vader een oogenblik en scheen met zijn potlood eenige namen aan te schrappen, als van personen, die hij der bewaking aanbeval: "met de schuit van Weesp: twee officieren van 't Oranje Regiment: twee deserteurs uit Hanover: (aangeschrapt!)—enz.—Met de schuiten van Muiden...."—werd ik dubbel aandachtig:

"Met de schuiten van Muiden: hm! hm! de Heer Ferdinand Huyck."

"Ik vat deze gelegenheid aan, UEA. mijn gelukwenschingen aan te bieden, over de voorspoedige terugkomst van uw Heer zoon."

"Ik dank u.—Wie is die juffrouw Bos: die ik op de lijst vinde?"

Ik begon over al mijn leden te beven: het antwoord van Heynsz stelde mij echter gerust.

"De dochter van den tabakskooper op den hoek van de Leliegracht."

"Er zijn dan twee Juffrouwen Bos van Muiden gekomen," dacht ik bij mij zelven: "of het vernuft van Heynsz is verschalkt."

"En die Juffrouw Van Beveren? vervolgde mijn vader: "waar neemt die haar intrek?"

"Bij uwen onderdanigen dienaar," antwoordde Heynsz: "een aardig meisje uit Deventer, dat mij door deftige lieden is aanbevolen...."

"'t Is wel!" zeide mijn vader: "Vervolg: wat geven de tijdingen van buiten?"

"N°. 6. De bende, welke weder eenige dieverijen en huisbraken onder Gooiland heeft bedreven, bestaat uit drie personen, indien namelijk mijn informatiën juist zijn."

Hier werd ik opmerkzaam, gelijk men denken kan. "Het zou nog al kluchtig zijn, dacht ik, "indien ik den aanval, op mij zelf gedaan, hoorde vertellen."

"De een," vervolgde Heynsz, "is een Bohémien, een Heiden, met name Peer Hendriks, alias 't Haentje, en op zijn Heidensch Baerlo. Hij is heden morgen, zoo ik hoor, door den veldwachter van Bussem geapprehendeerd geworden:—de tweede is Andries Mathyssen gewezen matroos, de zoon van een boerin, nabij Oud-Naarden."

"Ik ken hem en zijn moeder," zeide mijn vader: "hij stond vanouds in het kladboek aangeschreven: atro carbone notatus."

"Uw Heer zoon," vervolgde Heynsz, "zal UEA. kunnen vertellen, hoe die Andries gister-morgen den beest heeft gespeeld in de herberg te Zoest. Hij is vandaar naar zijn woning gekeerd; maar, toen heden-morgen de dienaars hem kwamen opsporen, was de vogel gevlogen."

"Hij zal wel in het net komen," zeide mijn vader. "En de derde?" "De derde, en die zooveel als de voornaamste der bende is, schijnt na al hetgene men van hem vertelt, niemand anders te wezen als de beruchte Zwarte Piet, die vroeger in de West-Indien heeft geexcerceerd het bedrijf van zeeroover, en nu, bij gebrek van beter, zich met straatschenderij geneert. Wat dien betreft, hij is geen vogel om zich zoo gemakkelijk te laten knippen; maar Tys de Blindeman zal zien of hij hem niet op kan loopen en mij bericht sturen van zijn gangen."

"Goed!—maar nu het belangrijkste van allen: de Vliesridder?—Het gij eenig bericht omtrent hem?"

"N.° 7. De Vliesridder is met zijn dochter gisteren-morgen om half acht ure uit Amersfoort gereden met een huifwagen van De Geus: te Zoest heeft hij stilgehouden en, aldaar onbescheiden behandeld zijnde door dien zelfden Andries Matthijssen, van wien ik zoo even sprak, hem een stoot gegeven, die bijna bespaard had aan den scherprechter de moeite, hem van dienst te kunnen zijn:—althans zoo vertelt kleine Simon de marskramer."

"Goed!—Verder!" zeide mijn vader.—Men kan licht beseffen met welk een aandacht ik luisterde naar een opgave, welke voor mij zoo belangrijk werd.

"Zij hebben te Eenmes het middagmaal gebruikt, zijn bij Naarden beiden uit de kar gestapt ... en sedert heeft men niets van hen vernomen."

"Niets!" herhaalde mijn vader, op een toon, die de hoogste ontevredenheid te kennen gaf: "is Simon hen dan niet achtervolgd?"

"Ed. Achtb.! Simon had last Andries mede in het oog te houden, en het is hem gegaan gelijk den man, waarvan spreekt vader Cats, die vangen wilde twee hazen te gelijk."

"Hij had zich aan den Vliesridder moeten houden.—Andries begaat voor alsnog zijn diefstallen buiten onze judicatuur, en het is meer uit beleefdheid voor onze Gooische naburen, en uit voorzorg, dat wij de moeite op ons nemen, zijn gangen na te gaan.—Maar de Vliesridder! Iemand tegen wien het hooge landsbewind een bevel van apprehensie heeft uitgevaardigd!—dat is een man van meer beteekenis, zou ik denken.

"Mag ik UEA. doen opmerken, dat alle kasteleins en voerlieden tusschen hier en Arnhem hebben zijn portret, en dat hij gevat moet worden, zoodra hij zich op het rechtsgebied vertoont."

"Dat is nog niet genoeg! Hij moet gevat worden, eer hij in staat zij, of zelf, of door anderen, papieren te lichten, die zich hier te Amsterdam moeten bevinden en van het hoogste belang zijn. Het is geen gewoon mensch met wien gij te doen hebt: hij kent de zaken en zal list tegen list stellen. Bovendien heeft hij nog vrienden en betrekkingen, die hem de behulpzame hand zullen bieden. Er moet hier dus een dubbele waakzaamheid plaats hebben. Kunt gij niet nagaan, met wien hij hier ter stede korrespondentie voert?"

"Nog niet, Ed. Achtbare!—doch zoo UEA. verkiest, zou men kunnen waarschuwen de post, en dan zijn er middelen genoeg om te komen achter het geheim."

"Hij zal zijne brieven zelf niet schrijven.—Wist ik hier maar iemand, met wien hij betrekkingen heeft onderhouden."

Mijn goede vader dacht weinig, dat de persoon, die in staat was, hem de meest voldoende narichten te geven, zich als derde in het vertrek bevond. Het gehoorde had mij intusschen zoo sterk aangegrepen, dat ik geen acht meer kon geven op het laatste gedeelte van het onderhoud tusschen mijn vader en Heynsz, hetwelk over voor mij onverschillige zaken liep en slechts korten tijd duurde, waarna de ondergeschikte ambtenaar, op dezelfde geheime wijze als waarop hij gekomen was, het vertrek weder verliet. Deze oogenblikken van respijt kwamen mij wel te stade. Ware hij terstond vertrokken, ik zoude, geloof ik, in weerwil van mijn beloften aan den Heer Bos (of aan den Vliesridder, gelijk ik hem had hooren betitelen) alles aan mijn vader bekend hebben! want dan ware ik zeker geweest, dat zijn doordringend oog een geheim op mijn gelaat zou gelezen hebben. Mijn toestand was met dat alles kwellend: ik begreep, dat eenmaal mijn geheim zoude moeten uitkomen, dat dan wellicht het crimen reticentiae mij ten laste zou gelegd worden: dat bovendien mijn vader zelf beticht zoude kunnen worden, der zake niet onkundig te zijn geweest:—en dan, al ware het maar alleen de gedachte van mijn vader onvergenoegd te zien, dat hij zijn ambtsplicht niet volbrengen kon gelijk hij wenschte: het middel te bezitten, om hem daartoe in staat te stellen, en gedwongen te zijn, dit voor mij te houden: O dit viel mij hard! En toch! ik zou mij zelven veracht hebben, indien ik in staat ware geweest, den man, die mij het leven gered had, aan hen, die zijn vrijheid belaagden, te kunnen verraden.

Ik veinsde derhalve door te slapen, en rees niet eerder uit mijn schuilplaats op, dan nadat Heynsz reeds een poos vertrokken was.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

WAARIN MEN NADERE KENNIS MAAKT MET DE LEDEN DES FAMILIE EN WAARIN TANTE LETJE EEN CONFITUURVLEK OP HAAR HALSDOEK BEKOMT.

"Welnu!" vroeg mijn vader, die nog altijd te schrijven zat: "zijt gij wel voldaan van uw slaapje? mij dunkt, gij waart ook in het geval van Argus: Succubuisse oculos, ad opertaque lumina somno.

Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik antwoordde dat mij de rust verkwikt had.

"Dat verheugt mij," zeide mijn vader: "ik had al half berouw, dat ik u bij mijn gesprek met Heynsz had laten assisteeren: maar gij sliept zoo gerust, dat de stads-omroeper zelf u niet wakker geschreeuwd zoude hebben. En is er altemet iets geweest dat u het eene oor is ingekomen, zoo vertrouw ik, dat zulks het andere oor weer is uitgegaan, en verzoek u althans er niemand, zelfs mij niet, iets van te laten blijken."

Dit was juist hetgeen ik zelf ook verlangde, en ik verzekerde mijn vader, dat ik van ganscher harte aan zijne aanbeveling voldoen zoude.

"'t Is wel!" zeide hij: "neem nu een stoel en ga bij mij zitten. Wij moeten een onderhoud hebben, dat ik liefst niet te lang wilde uitstellen: wij hebben nu den tijd: en in de volgende dagen zullen wij over weinige oogenblikken kunnen beschikken: want men zal u wel komen bezoeken en het zal zijn:

Salutant, ad coenam vocant, adventum gratulantur,

gelijk Terentius zegt. Of zijt gij nog te slaperig om naar mij te luisteren?"

Ik betuigde, dat ik volkomen bereid was hem aan te hooren; waarop hij aldus begon:

"Gij zijt nu weder terug: en ik vertrouw dat zulks niet zal zijn om uw dagen in ijdele ledigheid door te brengen, en een straatslijper te worden."

"In-tegendeel, vader! Niets zal mij aangenamer zijn, dan mijn tijd op een nuttige en werkzame wijze door te brengen."

"Zeer goed! ledigheid is een duivelsoorkussen. Gij weet, wat Ovidius zegt:

Quaeritur, Aegisthus quare sit factus adulter. In promptu est ratio: desidiosus erat.

En welk beroep zoudt gij u liefst verkiezen?"

"Ik beken u," antwoordde ik, "dat ik daaromtrent mijn keus niet zoude weten te bepalen."

"Hm!" zeide mijn vader, het hoofd schuddende: "daar houde ik niet van. Een jong mensch moet altijd voor dit of dat vak een voorkeur hebben. Ik haat onverschilligheid in dat geval: die is niet natuurlijk op uwe jaren, tenzij bij domkoppen en losbollen, onder geene van welke categoriën ik u rangschik.

"UEd. weet, dat ik het verwijt van onverschilligheid niet verdien, en dat ik als kind een bijzondere geneigdheid had tot den zeedienst, welke echter vroeger om gegronde redenen niet heeft kunnen ingewilligd worden, en mij thans ook weinig zou baten, daar ik te oud ben om te beginnen. Ik heb intusschen, zoo vaak ik over het onderwerp nadacht, te recht of te onrecht gemeend, dat de reden, waarom UEd. geweigerd hebt mijn liefhebberij ten deze in te willigen, daarin gelegen was, dat UEd. iets anders voor mij op het oog hadt. UEd. heeft mij laten studeeren en zult misschien verlangen, dat ik advocaat worde:—doch ik beken, tot mijn leedwezen, dat ik op reis veel verleerd heb, en mij weêr druk zal moeten oefenen, wil ik der balie geen schande aandoen."

"Dat laat zich alles wel hooren," zeide mijn vader, met een glimlach: "bovendien, hoezeer ik voor mij de betrekking van advocaat, nobile illud officium, boven alle andere stel, en u, wat mij betreft, gaarne gezien had onder de zoodanigen,

qui iuris nodos et legum aenigmata solvunt,

levert echter dat ambt, althans in de eerste jaren, weinig verdiensten op: en, hoezeer ik niet in een bekrompen stand leef, is mijn vermogen te gering en mijn huisgezin te groot, om u, zoo gij het trouwen eens in 't hoofd kreegt, een behoorlijk uitzet te geven. Ik zou u wel door mijn invloed aan dezen of genen post kunnen helpen: maar ieder heeft zijn eigene inzichten, en, schoon ik die van anderen eerbiedig, heb ik voor mij een tegenzin aan het uitdeelen van bedieningen. Gij moet door uw eigene bekwaamheid protectie verdienen, en niet door gunst alleen voortkomen. Intusschen, ik moet u thans gulweg zeggen, dat het mij in zekere opzichten niet spijt, dat uw keus nog niet gevestigd is; want nu vlei ik mij, dat gij te meer geneigd zult zijn te doen hetgeen u voordeeligst zijn kan.—Wat zoudt gij van den handel denken?"

"De handel is een heerlijk iets," antwoordde ik, eenigszins verwonderd over deze plotslinge vraag: "maar dat men niet zonder fondsen beginnen kan."

"Niet! En hoe doen dan zoovelen, die hier met een paar schellingen in den zak (God weet waar vandaan!) komen aanwaaien, menschen,

quorum nemo queat patriam monstrare parentis,

en die, eer men hun rechten naam nog weet, aan het hoofd van een huis van negotie staan?—Doch gij hebt gelijk.—Gij moet ook met iets beginnen en daartoe doet zich eene gunstige gelegenheid op. Gij weet, het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. heeft, sedert den dood van uw oom, onder die zelfde firma, maar alleen onder de directie van laatstgemelde blijven bestaan. Uw tante heeft haar geld daarin gelaten; maar haar oogmerk was en is nog, u, bij uw terugkomst, mede in die zaak te plaatsen en deelgenoot der firma te maken. De gelukkige uitslag uwer pogingen te Livorno aangewend, om bij de liquidatie van de firma Bertini nog een deel terug te bekomen van hetgeen dat huis aan uw tante schuldig was, heeft haar goede gedachten omtrent uw bekwaamheid ingeboezemd."

"Ik ben mijn tante zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij van mij heeft, en herken haar vriendschap te mijwaart."

"Gij hebt ook elders op uw reizen persoonlijke kennis gemaakt met verscheidene Correspondenten van het huis, en, naar eenige uitdrukkingen te oordeelen, welke sommigen hunner in hun brieven omtrent u hebben gebezigd en welke uw tante mij medegedeeld heeft, komt het mij voor, dat gij hun wel bevallen zijt. Dit kan nooit kwaad en zal bij hen het crediet voor het huis niet doen dalen, wanneer gij daar associé van wordt. Wel is waar,

omnia non pariter rebus sunt omnibus apta,

en gij zijt niet van jongs af tot den handel opgeleid; maar ik vlei mij, dat eenige inspanning, gevoegd bij de op uw reizen verkregen ondervinding, en vooral de leiding van den Heer Van Baalen, u weldra op de hoogte zullen brengen, waar gij op wezen moet. Het komt er nu slechts op aan om te weten, of gij geen tegenzin in het beroep zelf hebt."

"Ik geloof, dat ik mijn fortuin met voeten zou stooten, indien ik zulk een aanbod niet dankbaar aannam; maar is de Heer Van Baalen insgelijks met deze schikking volkomen tevreden? En ziet hij er niet tegen op, een onbedrevene als mij tot compagnon te nemen?"

"Hij Heeft geene zwarigheden gemaakt; en de drie ton, welke uw tante in het huis heeft gelaten, wegen ook nog al tegen eenige bedenkingen op.—Nu! ik wensch u geluk, en ik hoop, dat gij u zoowel zijne achting als het vertrouwen uwer tante zult waardig maken."

Ik kan niet ontkennen, dat mijn eigenliefde zeer gestreeld werd met het vooruitzicht, dat zich voor mij opende. Ik was nu geen ledigganger meer, die zonder bepaald doel in de wereld voortleefde, neen, ik zag mij, als deelgenoot in een bloeiende zaak, geplaatst in een betrekking, waarin het slechts van mij afhing een ruim bestaan en de achting mijner medeburgers te verwerven. Ik kon niet nalaten mijn blijdschap aan mijn vader te betuigen: de geheele geschiedenis van den vorigen dag was voor mij op den achtergrond teruggeplaatst, en, alleen denkende aan hetgeen mij thans was medegedeeld, deed ik dienaangaande een menigte vragen, welke mijn goede vader het zich een genoegen maakte, te beantwoorden. Ons onderhoud deed den tijd met snelheid vervliegen; en nog waren wij aan 't redeneeren, toen het ophouden van een rijtuig voor de huisdeur en het klinken der schel ons verwittigden, dat onze dames uit de kerk terugkwamen.

Wij gingen naar de zijkamer. Er stonden niet slechts eene, maar twee koetsen voor de deur. Uit de eerste kwam mijn moeder met Susanna en tante Letje: uit de tweede tante Van Bempden: en weldra traden de vier dames de kamer in: tante Letje, in haar effen violetkleurig taffen gewaad, met haar stijve neepmuts, zonder eenig cieraad, dan haar prachtigen kerkbijbel met schildpadden band en gouden sloten: en tante Van Bempden met hare fontanges, Brusselsche kanten, en honderden van linten en kwikken:—twee volkomen kontrasten; maar beide, elk in haar soort, voortreffelijke menschen.

Tante Letje, welke nu eene eerbare vrijster was van ongeveer vijfenveertig jaren, ging bij de booze wereld door voor hetgeen men eene fijne kwezel noemt. Men weet, het is geen ongewoon verschijnsel, dat in groote familiën, vooral in die, waar verscheidene zusters zijn, zich eene daarvan reeds vroeg begint te onderscheiden, door het dragen van een stemmig, onopgesmukt, gewaad, door het afzweren van alle wereldsche vermaken, door den schier uitsluitenden omgang met predikanten, zielverzorgers, en zoogenaamde vromen, door het spreken der tale Kanaans (gelijk men het bezigen van veelvuldige Bijbelsche uitdrukkingen noemt), door het getrouw ter kerke gaan en het houden of bijwonen van oefeningen ter onderlinge stichting. In de kerk kan men haar spoedig herkennen aan den deemoedigen gang, waarmede zij naar hare plaats: aan den eerbied, welken de plaatsbewaarsters voor haar koesteren, zoodat zij alleen nimmer gedwongen zijn, in te schikken: aan de groete des voorzangers: aan het lange gebed, dat zij, zoodra zij gezeten zijn, van achter den breed uitgeslagen waaier doen: eindelijk aan de wijze, waarop zij den leeraar aanzien en den blik vol hemelvreugde (anderen zeggen: vol hoogmoed) opwaarts slaan, zoo vaak in de predikatie gewag gemaakt wordt van uitverkorenen, waaronder zij zich bij uitsluiting achten te behooren. Gewoonlijk zijn het noch de mooisten, noch de geestigsten der familie, welke tot deze caste behooren, en verslijten zij haar leven in den vrijsterstaat, doch er is geen regel zonder uitzondering, en men zou onbillijk handelen, door de aanleidende oorzaak van haar gedrag altijd te willen toeschrijven aan hare vrees van in de wereld geen opgang te zullen maken. Er zijn er enkelen, ja, bij wie die reden veel moge gegolden hebben, zelfs buiten haar weten: er zijn er, die, hoovaardig op hare vermeende godsvrucht, in Fariseeuwschen hoogmoed op hare mede-Christenen als op de Tollenaren en Zondaren nederzien, alles, wat anderen goeds en loffelijks verrichten, met den naam van blinkende zonden bestempelen, en die alle Christelijke deugden bezitten, maar alleen de hoogste, de voornaamste, de liefde, ontberen;—maar al moge dit met enkelen het geval zijn, ik houde mij overtuigd, dat verreweg de meesten van haar, niet-tegenstaande de kleine gebreken, waarmede zij behebt mogen zijn, vaak als voorbeelden verdienen te worden aangeprezen, boven de zoodanigen, die haar gedrag bespotten en beschimpen.

Zoodanig althans was het oordeel, hetwelk mij de omgang met mijn tante Letje over de personen van haar slag heeft doen vellen. Bij haar voorzeker bestond de godsvrucht niet enkeld in uiterlijke vertooning, maar woonde die in naar rein menschlievend hart. Men mocht dan haar stijve, smakelooze kleeding berispen: de bijbeltaal, waarin zij sprak, mocht niet altijd evenzeer ter snede worden aangebracht: zij velde wellicht nu en dan een te gestreng oordeel over schuldige vermaken; maar niemand kon haar te laste leggen dat zij niet in oprechtheid wandelde. Haar kennis was niet uitstekend; maar zij bezat, wat oneindig meer geldt, een vast en onverzettelijk geloof; en zonder aan andersdenkenden de zaligheid te willen ontzeggen, blikte zij die met vromen Christenzin als haar wettig erfdeel te gemoet. Zij vooral was wars van kwaadsprekendheid en voer altijd tegen de zonde, nimmer tegen den zondaar uit: en wanneer zij zich met kracht tegen de leer der goede werken verklaarde, moest men niet vergeten, dat in haar volkomen bewaarheid werd hetgeen onze Katechismus leert, dat het onmogelijk is, dat een waarachtig geloof niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid; want nimmer was haar hart of haar beurs voor den lijdenden natuurgenoot gesloten, en wanneer zij gaf, vervulde zij letterlijk het voorschrift des Heilands, en wist haar slinkehand niet, wat naar rechte uitdeelde. Haar gebrek aan genoegzaam doorzicht en haar zucht tot liefdadigheid waren oorzaak, dat zij somtijds haar gaven ook aan onwaardigen wegschonk; doch zij verklaarde meer dan eens, dat zij liever honderdmalen door slechte lieden bedrogen wilde zijn, dan dat een vrome noodlijdende ongetroost van haar af zoude gaan.

Een geheel andere vrouw was haar zuster, Mevrouw Van Bempden. Nog zeer jong gehuwd zijnde met een schatrijken echtgenoot, die, geen naaste betrekkingen hehbende, haar hij zijn vroegtijdig afsterven aan het hoofd van een kolossaal vermogen had achtergelaten, had zij zich door haar maatschappelijke positie gedwongen gezien in de groote wereld te leven, en haar geneigdheid had zich daar niet tegen gekant. Haar rustelooze, nimmer lang met hetzelfde voorwerp bezige geaardheid, dreef haar aan, gedurig nieuwe voorwerpen van belangstelling en verstrooiing te zoeken: haar dagen rolden voort in eene bestendige afwisseling van gastmalen, feesten, comediepartijen, speelreisjes, enz. Zij las ook; maar zonder keus of onderscheid: stichtelijke boeken, romans, brieven, verhalen, zedekundige werken, poëzij, al wat maar gedrukt werd; doch zij faalde meestal, wanneer zij iets van het gelezene te pas zou brengen en moest alsdan de hulp inroepen van mijn zuster Susanna, die, zelve een liefhebster van lezen en in het bezit van een ijzervast geheugen, zelden bij die gelegenheid te kort schoot.

Men moet echter uit het bovenstaande niet afleiden, dat Tante Van Bempden in den slechten zin des woords een wereldsche vrouw was. Schoon in 't algemeen geen laudator temporis acti, durf ik zeggen, dat in die dagen een ongodsdienstige vrouw iets onbekends was. Tante Van Bempden ging trouw ter kerke, kende haar Catechismus op een haar, wist zoo goed als iemand, zelfs met tante Letje, een gesprek over geloofspunten te voeren en zich zeer dapper te verdedigen, wanneer deze haar berispte, dat zij nu en dan bij de Remonstranten ter kerke ging: zij was mededeelzaam, zelfs mild;—maar haar godsdienst was, gelijk men wel eens zegt, zonder verzuim van affaire. Intusschen, wie haar recht kende, vond zich gedwongen te verklaren, dat haar gebreken, zoo zij al dien naam verdienden, uit den maatschappelijken toestand voortvloeiden, waarin zij geplaatst was, terwijl haar goede hoedanigheden uit haar hart voortkwamen. Voor mij althans, die nimmer dan weldaden van haar ontving, ik zou schandelijk doen, indien ik een andere getuigenis van haar gaf, dan dat zij, alles wel gewogen, eene uitmuntende vrouw was.

"Wees van harte welkom, waarde Neef!" zeide tante Letje, terwijl zij mij omhelsde: "alzoo sullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren:" vervolgens zich tot mijn vader wendende: "wel moogt gij, waarde Broeder! den Profeet nazeggen: brengt mijn soonen van verre, ja van het eynde der aerde."

De verdere wenschen die zij uitte werd ik verhinderd te verstaan; want tante Van Bempden had zich voor mij geplaatst en drukte mij, met tranen in de oogen aan haar hart:

"Goeden dag! beste Ferdinand!" riep zij: "wèl, zijt gij eindelijk daar? ja, ik durf niets te voegen bij de vrome gezegden van Zuster: anders zoude ik zeggen met Racine ... hoe zegt Racine ook weêr, Santje?"

Thésée est arrivé, Thésée est en ces lieux,

declameerde Susanna.

"Tusschen twee haakjes," vervolgde Tante, "hebt gij de nieuwe uitgave van Racine medegebracht, welke ik verzocht had dat gij bestellen zoudt?... Hoe gelukkig was het, dat ik juist heden in de stad moest zijn om een comparitie te houden met den Heer Van Baalen, die geloof ik, vrij raar op zijn neus zal kijken wanneer hij u ziet: want hij verwacht zich op een klein jongetje met een dik hoofd, een rooden neus en groote ooren, die niets anders kan dan wat cijferen en wat pennen vermaken, en gij zijt voorwaar omtrent zoo groot als hij:... gij moet nog niet bij hem gaan, zoo gij er nog niet geweest zijt; want ik wil uw eerste ontmoeting met hem volstrekt bijwonen en mij met zijn verbazing vermaken."

"En nu gij hier zijt, Zuster!" zeide mijn vader, "zult gij ons wel het genoegen doen van uw rijtuig weg te zenden en hier den avond te blijven doorbrengen, om de terugkomst van Ferdinand met ons te vieren."

"Eigentlijk," antwoordde Tante, "was ik voornemens geweest, terstond weêr naar buiten te vertrekken, maar de omstandigheid dat Neef terug is, verandert mijn plan. Ik zal dan heden-avond blijven: op de voorwaarde alleen, dat nicht Santje nu haar woord houde en een week of drie bij mij op Heizicht kome doorbrengen; ik heb haar een kleine verrassing bestemd, die haar niet ongevallig zijn zal:—en Neef moet ook mede, al ware het maar voor een paar dagen."

"Hoe!" zeide mijn moeder, mij bij de hand nemende als vreesde zij mij te verliezen: "hij is pas terug en wilt gij hem ons weder ontnemen?"

"Wel zeker! Bovendien heb ik hem over zaken te spreken. Van Balen komt Zondag bij mij eten.... Broeder heeft immers al verteld wat het plan is:—maar ik laat hem zelf oordeelen of ik iets onbillijks vorder?"

"Volstrekt niet," zeide mijn vader: "en het zou de plicht van Ferdinand wezen, een paar dagen bij u door te brengen, indien het niet veeleer een genoegen voor hem ware."

"Natuurlijk!" merkte zijn Zuster aan: "het lieve jongetje zou anders ook te veel van zijn stuk raken, indien hij zoo op een bof het reizend leven tegen de eentonigheid der stad verwisselde. 't Is beter dat hij zoetjes aan de verandering wenne.—En bovendien hij mag niet nalaten op Heizicht te komen: want, zoo als Addison in the fair Rosamond zegt:

The bower and lady both are drest, And ready to receive their guest."

"Wil ik dan zeggen, dat het rijtuig van Tante Van Bempden maar weg moet rijden?" vroeg ik.

"Als 't u belieft," antwoordde Tante: "en laat Joris om tien uren terugkomen."

"En de koets van Tante Letje?"

Wat deze betrof, zij maakte zwarigheid om te blijven; daar het met hare gewoonte streed, den avond uit te gaan, wanneer zij ter kerke geweest was; echter werden de bedenkingen, welke zij opperde, zoo heftig bestreden, en verzocht mijn moeder, aan wier bede zij zelden weerstaan kon, haar zoo dringend, voor deze reis een uitzondering te maken, dat zij eindelijk toegaf.

Wij plaatsten ons dan om de theetafel, en ik moet hier tusschen twee haakjes de bekentenis afleggen, dat onder al de genietingen, welke mijn terugkomst bij de mijnen mij opleverde, die, van wederom een lekker kopje van dien goddelijken drank, in echt Sineesch porcelein geschonken, te mogen smaken, op verre na de minste niet was.

"Nu moet gij ons recht veel vertellen van uw reizen," zeide Tante Van Bempden: "hoe zegt Lafontaine ook weer van de zwaluw?"

"Quiconque a beaucoup vû, Peut avoir beaucoup retenu,"

zeide Susanna, haar te recht helpende.

"Van harte gaarne," zeide ik: "indien UEd. mij slechts vragen wilt, ben ik tot antwoorden bereid:" en ik schoof mijn stoel dichter naar den haren. Maar nu schoven ook de overigen hunne zetels bij en ik zag, dat mijn taak niet zoo gemakkelijk was, als ik mij die had voorgesteld; want ik werd van vier of vijf kanten bestormd met vragen van geheel verschillenden aard; en daar het mij minder gemakkelijk viel, die gelijktijdig te beantwoorden, dan aan de overigen, om die gelijktijdig te doen, moest ik wel verzoeken, of men ordelijk wilde te werk gaan, en ik stelde voor, dat, ten einde niemand redenen tot beklag zoude hebben, elk der aanwezigen, te beginnen met Tante Van Bempden, die rechts van mij zat, op zijn beurt mij eene vraag zoude doen. Dit vond goedkeuring, en nu werd ik beurtelings over de meest uiteenloopende onderwerpen ondervraagd. Aan Tante Van Bempden, moest ik een beschrijving geven van het Carnaval, dat ik te Napels had bijgewoond, terwijl Susanna mij over de kleeding der Oostenrijksche dames ondervroeg: mijn vader stelde er meer belang in, iets van de gedenkstukken van het Oude Rome te hooren, en tante Letje wilde weten, hoe ik het toch in dat Heidensche land had aangelegd om mijn godsdienstplichten uit te oefenen. Toen de beurt aan mijn goede moeder kwam, drukte de vraag, welke zij deed, haar moederlijke teederheid volkomen uit; want zij verlangde een volkomen beschrijving van alle zoodanige personen, die mij op reis van dienst geweest waren of beleefdheid hadden betoond, en van welke ik in mijn brieven gesproken had: en zij schepte er een zichtbaar genoegen in, van hen te hooren gewagen, die in haar Ferdinand hadden belang gesteld.

Toen de eerste nieuwsgierigheid bevredigd was, werd langzamerhand het gesprek meer algemeen: en Tante Van Bempden, wier gedachten zich zelden lang bij het zelfde onderwerp bepaalden, en die er van hield de gelegenheid bij de haren te vatten, nam mijn vader onderhanden, om zijn oordeel, waarop zij, en met recht, niet weinig prijs stelde, over eenige nieuw uitgekomen werken te vragen, over welke hij haar echter grootendeels antwoordt schuldig moest blijven door zijn beroepsbezigheden slechts zeer weinig tijd tot lezen had, en in de weinige ledige oogenblikken, die hem overschoten, liever zijn oude classici bij de hand nam, dan de voortbrengselen van den dag. Toen nu Tante bemerkte, dat zij omtrent deze punten weinig troost erlangen kon, begon zij over politiek te redeneeren: een onderwerp, waaromtrent mijn vader geen ignorantie kon pretendeeren, en welke behandeling hij zich dus getroostte, hoezeer dat duidelijk op te merken was, dat zulks alleen uit inschikkelijkheid geschiedde; want vooreerst was hij geen vriend van met dames over dergelijke stoffen te redekavelen, en ten andere dwong zijn ambt hem reeds genoeg daarover te hooren en wilde hij, in gezelschap zijnde, ter ontspanning van zijn geest wel eens over iets anders praten.

Gedurende het onderhoud van mijn vader met Tante Van Bempden, gaf mijn moeder, voor wie die onderwerpen veelal te uitheemsch en te hoogdravend waren, mij een vrij breedvoerig, doch zeer duidelijk verslag van de gehoorde predikatie, en voegde er nogmaals de betuiging bij van haar leedwezen dat ik haar niet vergezeld had: Tante Letje zat stil voort te arbeiden, en vergenoegde zich, met nu en dan een aanmerking betreffende het een of ander, dat haar meer bijzonder gesticht had, te voegen bij hetgeen mijn moeder verhaalde: terwijl Suzanna, die, zoo lang het verslag duurde, zich alleen met haar trekpot en schoteltjes bemoeid had, na het eindigen daarvan het woord nam en mij vertelde, wie er al in de kerk geweest was, en met wie zij al in het uitgaan gesproken had.

"Ik ben er gek afgekomen," zeide zij: "ik had mij gevleid, aan mijn buren in het doophek en aan al wie ik ontmoeten zou, in echten courantenstijl te vertellen: heden is hier met lang span (alias de Muiderschuit) gearriveerd de Heer Ferdinand Huyck, zoon van den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier en broeder van de beminnelijke Juffrouw Suzanna Alette Huyck;—maar jawel:—pas ben ik op mijn plaats gekomen, of daar haalt mijn buurvrouw, het dikke wijf van den koperslager, haar loddereintje uit de tasch en na mij driemalen te hebben aangekeken, als wilde zij zeggen: "ik weet wat ik weet," en driemalen aan het mooie zilveren doosje geroken te hebben, steekt zij het mij toe en vraagt: "is Mijnheer uw broeder ook in de kerk? Wel! wel! dat moet een vreugde geweest zijn!—Ja, ik heb het al gehoord van de krantenvrouw. En heeft Mijnheer een goede reis gehad? Wel! wel!"—En eer ik haar kon antwoorden, daar tikt Betje Du Fay, die aan de andere zijde zat, mij op den arm. (Je herinnert je Betje Du Fay wel, Ferdinand? de dochter van Schepen Du Fay met dien haviksneus?) en begint met een schor stemmetje: "ik feliciteer je wel Santje! met de terugkomst van je broer:" en te gelijk voel ik de dorre vingers van Mevrouw Muysvaal, mijn achterbuurvrouw, mijn schouder grijpen als met een arendsklauw, en gonst het in mijn ooren: "ik heb met veel genoegen vernomen dat uw broeder terug is. Ik feliciteer u wel:"—en meteen piept het en bromt het voor en achter mij al de rijen langs, als waren er overal echo's: "ik feliciteer je wel. Juffrouw Huyck, ik feliciteer je wel:"—zoodat ik blij was, dat het gezang werd aangeheven, want mijn nek begon mij zeer te doen van het knikken en buigen.—En bij het uitgaan was het nog erger; want toen dacht ik, dat ik nooit den dorpel, veelmin de koets zou bereikt hebben, zoo drong men zich om mij heen: "Is het waar wat ik gehoord heb? Is Ferdinand waarlijk terug?—Ik kom eerstdaags uw broeder zien. Hartelijk geluk!" enz. En zoo ging het voort, zoodat mijn ribben bont en blauw zijn van de stompen en duwen, die ik gekregen heb van al de lieden, die uit loutere deelneming op mij afkwamen."

"Santje overdrijft weer, volgens haar gewoonte, zeide mijn moeder; "ik heb maar een paar menschen gesproken die er iets van schenen te weten; maar Santje schijnt er van te houden, diergelijke opschuddingen in de kerk te maken."

"De menschen moesten wat meer denken," zeide Tante Letje, "dat de kerk is een bedehuis, en niet een plaats voor ijdelen klap en onnut gesnap; maar het is als de profeet zegt: zelfs in mijnen huyze vindt ik haar boosheyt.—Ik wilde wel, Nicht! dat gij over deze stofte gelezen hadt een dierbaar boekske, dat geschreven is door de eerzame Weduwe Knijpduim, en dat ten titel draagt: "over de onchristelijke opschuddinge in Gods Kerke," waarin dat alles uitvoerig betoogd wordt. 't Is niet gedrukt; maar zij heeft het ons eens op de oefening bij den zielbezorger Zoutbrand voorgelezen. Ik zal het u wel eens bezorgen, Santje! het kan u nuttig zijn."

"Spreek mij niet van Juffrouw Knijpduim, Tante!" zeide Santje: "die kan mij nooit door woorden of werken meer stichten, sedert ik haar laatst in de Oude Kerk met een andere oude Juffer een kwartier lang heb zien kijven en knorren over haar plaatsen, dat geen vischwijven het erger hadden kunnen doen. En wat mij het meest ergerde, was dat, toen zij gezeten waren, zij dadelijk de waaiers uitsloegen om te gaan bidden. Maar de oude Heer Slyper, die achter haar in de ouderlingenbank zat, tikte haar op de schouders en zeide: "wacht daar liever nog wat mede, tot gij bekoeld zijt, en denk inmiddels om Matth. V: 24."

"Hoe is het, Santje! krijgen wij geen thee meer?" vroeg mijn vader, die, ofschoon luisterende naar de redeneeringen van Tante Van Bempden, echter genoeg van Santjes vertelling gehoord, en te goed den onvergenoegden blik van Tante Letje bespeurd had, om niet te begrijpen, dat het gesprek een andere wending moest nemen. Santje begreep dien wenk en haastte zich, terwijl zij de kopjes vulde, mij te vragen, welke der plaatsen, die ik bezocht had, ik het liefst tot mijn verblijf zoude kiezen. Van mijn kant willende medewerken om het gesprek zoo ver mogelijk van het vorige onderwerp te verwijderen, gaf ik een ontwijkend antwoord, en begon de voor- en nadeelen op te tellen van al de voornaamste steden, waar ik eenigen tijd had doorgebracht. Mijn vader moest zich staande dit gesprek voor eenigen tijd verwijderen om ambtsbezigheden, en nu viel Tante Van Bempden, die mij van Rome hoorde spreken, mij plotseling in de rede, om mij te vragen of ik de fresco's in het Vaticaan gezien had.

Ik antwoordde toestemmend en wilde een uitgebreide beschrijving van deze kunststukken geven; maar kwam er deze reis vrij van; want Tante scheen de gelegenheid alleen te willen waarnemen, niet om van mij iets te vernemen, maar om mij een redetwist te vertellen tusschen den Kunstkooper Tempermes en den Makelaar Mosselzalf, betreffende een haar toebehoorende schilderij, welke de eerste beweerde dat een origineele Carlo Dolce was, de andere daarentegen voor een kopie hield. De behandeling van dit punt gaf aanleiding tot een omslachtige uitweiding over de Italiaansche school, welke gevolgd werd door een vertoog over het voortreffelijke der keurslijven v. Douillié, en besloten met een aanbeveling van den pasteibakker Jakobsz.

De verschijning der jongere leden van de familie, die nu uit de verschillende scholen terugkwamen, gaf een nieuwe wending aan het gesprek, door aan Tante een andere bezigheid te bezorgen; want, aan mijn broeder Frits verzocht hebbende, haar een groot pak aan te reiken, met grauw papier omwonden, dat uit het rijtuig gekomen en in een hoek der kamer gelegd was, opende zij het, en vertoonde aan de verheugde kinderen een menigte prentenboekjes, welke zij onlangs gekocht had en hun ten geschenke aanbood, aan elk in 't bijzonder de uitlegging op den koop toegevende van het onderwerp, dat in de boekjes behandeld of op de plaatjes afgebeeld was, met vele aanwijzingen daarbij, op welke wijze en ten welken einde zij een en ander best zouden kunnen gebruiken. De milddadigheid van Tante bracht mij te binnen, dat ik ook geschenken had rond te deelen, en, zoodra het theegoed van tafel was genomen verzocht ik Frits en Jakob mij even naar mijn kamer te willen volgen. Zij voldeden slechts schoorvoetende aan mijn verzoek; want het kostte hun moeite de geschiedenis van Robinson Crusoë met fraaie houtsneeplaten, en de galerij van uitheemsche kleederdrachten neder te leggen;—maar des te hooger steeg hun blijdschap, toen ik, hen in mijn kamer gebracht hebbende, mijn koffers opende en daaruit een talrijken hoop pakjes, doozen en andere snuisterijen haalde, waarmede ik hen belaadde, terwijl ik mijzelf belastte met die voorwerpen, welke het meest gevaar liepen van te breken of beschadigd te worden.

"Mijn hemel! Ferdinand! waar moet dat alles heen?" vroeg mijn moeder, toen ik, vergezeld van mijn twee helpers, de zijkamer instapte.

"Zij gelijken wel de drie koningen, die met giften en gaven uit het Oosten komen," fluisterde Suzanna Tante Van Bempden in 't oor.

"Stil!" zeide deze met een bestraffenden blik: "laat Tante Letje u niet hooren."

"Mijn tijd! zijn dat allemaal presenten?" riepen mijn zusters Letje en Keetje, terwijl zij, haastig opstaande, een hoektafeltje bijschoven om er mijn waren op uit te stallen: de twee jongsten, Karel en Truitje, klapten in de handen en dansten van vreugde.

"Wel Ferdinand! Ik geloof, dat gij u arm gekocht hebt," zeide mijn moeder, haar breiwerk neerleggende: "komt toch nergens aan, kinderen! uw broeder zal het u immers wel wijzen."

"Ik hoop dat er voor mij ook wat bij is," zeide Suzanna, insgelijks oprijzende en zich nevens mij vervoegende. Zelfs Tante Letje kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en ik vond mij weldra door de geheele familie omringd.

Het was een plechtig oogenblik. Daar stonden zij allen om mij heen in gespannen verwachting: en de stilte werd alleen afgebroken door halfgesmoorde uitroepen, als: "wat zou ik toch krijgen? hé! wat ben ik nieuwsgierig!—Ik weet wel wat ik zou verlangen! Stil toch! hinder uw broeder niet! Heden! wat een boel dingen!"—Wat mij betreft, ik liet mij geen woord ontvallen, maar een der zes of zeven scharen, om niet te gewagen van even zoovele knipmesjes, welke mij werden overgereikt, aannemende, maakte ik mij gereed om over te gaan tot het lossnijden der pakjes, toen ik mijn hand plotseling weder ophief.

"Wat is er? wat is er?" vroegen onderscheidene stemmen.

"Zullen wij niet wachten, tot vader weer terug is?" vroeg ik.

Daar keken zij elkander zwijgend en zuchtend aan.

"Wel foei!" zeide Suzanna: "dat is niet mooi, ons ongeduld eerst op de proef te stellen en dan niet te voldoen."

"Ja! maar mij dunkt dat Ferdinand gelijk heeft," zeide mijn moeder: "'t Zal vader zeker genoegen doen, de uitpakking bij te wonen, en daar moeten wij hem niet van berooven. Zijt nu verstandig kinderen!" vervolgde zij, ziende, dat deze en gene de lip liet hangen. "Uw vader zal wel zoo aanstonds terugkomen."

"Daar is Papa! daar is Papa!" riepen opeens een paar stemmen: en terstond liepen al de kinderen de kamer uit en kwamen terug, mijn vader, die uit zijn studeervertrek juist terugkwam, bij zijn gebloemde avondjapon voortsleurende.

"Ik geloof, dat ik ter goeder ure terugkom," zeide mijn vader, wien een blik, op de tafel geworpen, nog meer dan het door elkander roepen der kinderen, de toedracht der zaak deed begrijpen.

Nu ging de schaar haar gang: en het kleine Truitje was uitgelaten van vreugd, toen de losgemaakte papieren haar een fraai gekleeden pop deden aanschouwen.

"Ik hoop," zeide Kareltje, mij met zijn blauwe oogen vragend aanziende: "ik hoop...." hij durfde toch niet te zeggen wat hij hoopte; want hij begreep, dat het anders kon uitvallen; maar toen ik hem het voor hem bestemde toereikte, zag hij dat zijn wensch naar een verfdoos toch verwezenlijkt was.

Het zou bij u, waarde lezers! weinig belang wekken, indien ik stuk voor stuk de voorwerpen ging opnoemen, waarmede ik de jongere leden der familie beschonk; ofschoon gij,—voor zooverre gijzelven ooit in het geval zijt geweest, dergelijke geschenken na uw terugkomst van een buitenlandsche reis rond te deelen, of in uw jongere jaren die van anderen ontvangen hebt,—u de gewaarwordingen nog wel levendig zult kunnen voorstellen, welke men alsdan gevoelt, en welke te streelender zijn, naarmate het geschonkene meer de behoefte of den wensch van het oogenblik bevredigt. Wat mij betreft, ten dezen opzichte slaagde ik zeer gelukkig; want al wat ik uitdeelde was ook juist hetgeen men verlangde: en mijn broeders en zusters begonnen reeds te denken dat ik de gaaf had, op verren afstand iemands gedachten te raden, toen een glimlach mijner moeder aan de oudsten althans deed gissen, dat de goede vrouw mij in haar laatste brieven eenige wenken gegeven had omtrent hetgene meest welkom zijn zou.

Toen nu het kleine volkje beschonken, of, om niet dubbelzinnig te spreken, begiftigd—was, kwam de beurt aan de grooteren, en Suzanna zette groote oogen op toen ik haar met een sluier vereerde (men zou thans zeggen: een voile) die, in aanmerking mijner bekrompen middelen, als een kostbaar geschenk kon worden aangemerkt. Voor mijn moeder had ik een netgewerkt zakhorloge medegebracht en voor Tante Letje een eenvoudigen, doch sierlijk gesneden ivoren waaier, die haar bijzonder behaagde, omdat hij fraai en toch niet opzichtig was. Tante Van Bempden, die alles had of kom laten komen, wat de weelde verlangen kon, ontving een kleine antieke urn, welke ik te Rome had gekocht:—dit geschenk bracht een langdurige vergelijking teweeg tusschen den antieken en hedendaagschen smaak in bouw- en beeldhouwkunst.—Eindelijk was mijn vader niet weinig in zijn schik, toen ik, een doos openschuivende, hem een kleine verzameling aanbood der Romeinsche munten, die vóór den tijd der Keizers in gebruik waren, door mij gedurende mijn verblijf te Rome bijeengebracht. Mijn vader was, ondanks de bezigheden, welke zijn ambt hem opleide, een minnaar gebleven der classieke oudheid en van alles, wat daarmede in verband stond: en het was hem de zoetste verpoozing van zijn arbeid, wanneer hij, in de weinige uren van uitspanning, die hem te beurt vielen, zich in de lezing en beoefening zijner geliefkoosde schrijvers verlustigen kon. De brokken uit de Latijnsche dichters, waarmede hij gemeenzaam was, werden dan ook, gelijk men uit de vorenstaande bladzijden heeft kunnen zien, niet minder dikwijls in het dagelijksch gesprek door hem te pas gebracht dan de aanhalingen uit het Corpus Iuris: ja somtijds ontvielen hem die, wanneer hij tegen mijn moeder sprak, hetgeen dan bij deze, en vooral bij mijn zuster, niet zelden een glimlach of vroolijke scherts deed ontstaan. Maar niet alleen de werken der Ouden waren mijn vader dierbaar: al wat zich, al ware het slechts zijdelings, aan de dagen van Athene of Rome's grootheid hechtte, was hem welkom: en die geldstukken, wier gehalte of innerlijke waardij voorzeker van weinig beduidenis was, en die hun meeste waarde daaruit ontleenden dat het stel vrij volledig scheen, werden door hem met te meer opgetogenheid beschouwd, naarmate der grootsche herinneringen, die zij bij hem opwekten.

Allen waren dus recht vergenoegd en tevreden: en de vroolijkheid werd niet weinig vermeerderd, toen een groote taart, ter viering mijner terugkomst gebakken, op de tafel verscheen en de zintuigen door de aangenaamste geuren streelen kwam. Witte broodjes, schoteltjes met kalfsvleesch en ossetong, en heerlijke vruchten, zooals in Europa de stookkasten van ons land alleen kunnen opleveren, omringden den hoofdschotel: en de sleutel des wijnkelders werd mij toevertrouwd om een flesch te halen van den wijn, die mij het best beviel. De kinderen kregen allen verlof, tot tien uren op te blijven: en de avond liep zoo genoeglijk af als men bij mogelijkheid verlangen kon: ja de algemeene vreugde werd door geen ander toeval gestoord, dan dat Tante Letje door het afbrokkelen van een stuk taart, een confituurvlek op haar hagelwitten halsdoek kreeg, en dat Jakob een half glas wijn stortte over eene der prenten, welke hij van Tante Van Bempden gekregen had: twee ongevallen, die echter, zooverre mij gebleken is, geen blijvenden indruk bij de lijdende partijen achterlieten.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

BEHELZENDE, HOE SUZANNA EN FERDINAND HARREWARREN, EN HOE DE LAATSTE IN EEN WELKOMSTDICHT VERHEERLIJKT WORDT.

"Ferdinand!" zeide mijn zuster Suzanna, toen zij zich den volgenden morgen alleen bij mij op mijn kamer bevond, waar zij mij hielp, mijn kleedingstukken en linnengoed in de kasten te schikken: "gij weet, dat gij mij nog rekenschap schuldig zijt wegens een gezegde, dat gij u gistermorgen hebt laten ontvallen."

"Santje!" zeide ik, terwijl ik haar een zijden vest overreikte: "gij weet, dat ik nog de vierschaar over u moet spannen wegens een misdrijf, door u begaan."

"Boe! boe! denk niet, dat gij mij met uw groote woorden zult afschrikken!—Tusschenbeide gezegd, daar zal heel wat speksteen noodig zijn, om de vlekken uit dit vest te krijgen:—ter zake: wie heeft u verteld, dat ik uw brieven heb laten lezen?"

"Wat knaagt dat geweten! Wie heeft u verlof gegeven, de gedenkwaardige memoriën, die ik u toezond, onder het oog van anderen te brengen?"

"Komaan! daar hebben wij een formeele accusatie, gelijk mijn vader zou zeggen: alleen is zij nog, zoo ik mij niet bedrieg, wat vaag en ongedetermineerd: ja—ik kan ook wel stadhuiswoorden samenflansen: ik weet zeer goed, dat men iemand niet condemneert wegens toegebrachte slagen, tenzij men eerst wete, op wiens rug de slagen neergekomen zijn. Vrage: aan wie heb ik uw prulschriften medegedeeld?"

"Antwoord: aan Mejuffrouw Henriëtte Blaek.—Schuldig bevonden! Gij krijgt een kleur—spoedig tot de confessie."

"Wie heeft u dat gezegd?" vroeg Suzanna, terwijl zij uit loutere verbazing een batisten hemd, dat zij opgevouwen had, weder open liet rollen.

"Een irreprochabele getuige, Mejuffrouw Blaek zelve."

"Gij hebt haar dan gesproken?—En hoe vindt gij haar?"

"Een zeer aardig meisje!—maar dat doet niets tot het poinct in quaestie."

"Zeer aardig! Beken maar, dat gij op haar verliefd zijt. Gij krijgt een kleur—spoedig tot de confessie.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings