Mr. JACOB VAN LENNEP. (continued 12)
Reading edition
"Neen Vader!" zeide zij, treurig het hoofd schuddende: "naar Amsterdam terugkeeren, dat zal niet gaan—ik voel hier iets" (op haar hart wijzende) "dat mij zegt, dat het met mij niet lang meer zal duren. O! wie had mij ooit dien onverdienden zegen durven voorspellen, dat ik nog voor mijn dood mijn vader zou terugzien en dat hij zich mijner ontfermen zou? Helaas!" vervolgde zij, hem beschouwende: "uw haren waren niet grijs toen ik u verliet.—Wee mij! ik heb dat verdriet u veroorzaakt!—Maar vaderlief! Gij moet ook een vriendelijk woord tot Sander spreken: hij heeft mij te Harlingen teruggevonden en, ondanks al mijn slechtheid, had hij mij nog lief en wilde mij met zich nemen, hoewel ik hem zeide, dat ik zijn liefde door mijn wangedrag verbeurd had: en hij heeft mij in mijn ziekte niet verlaten, maar zoo trouwhartig opgepast, als geen baker beter had kunnen doen."
"Sander Gerritsz!" riep Helding verbaasd uit, toen de jongeling hem met een treurigen blik aanzag.
"Sander Gerritsz!" herhaalde Pulver, niet minder verwonderd.
"Sandertje! wat drommel!..." Hier zweeg hij, daar ik hem toewenkte, dat hij zich niet met de zaak bemoeien zoude.
"Sander Gerritsz!" herhaalde ook de Dokter, als scheen hij zich dien naam insgelijks te herinneren: en te gelijk een andere portefeuille, dan die, waarin hij zijn recepten borg, voor den dag halende, begon hij in de daarin vervatte papieren te snuffelen.
"Ach! mijn goede Monsieur Helding!" zeide Sander: "UEd. weet, ik heb haar altijd lief gehad. Ik zou haar ook gaarne tot vrouw genomen hebben, niettegenstaande al wat er gebeurd is;—maar de Heer Huyck weet, dat ik hier niet kan blijven, dat ... in 't kort, dat het beter voor haar is, dat zij met haar vader naar Amsterdam terugkeert."
"Ja mijn hartje!" zeide Helding: "keer met mij naar huis: wij zullen wel wat voor u vinden: ik heb nog veelvermogende beschermers, die ons niet in den brand zullen laten: daar is de waardige Heer Huyck ... daar zijn de Heeren Blaek...."
"Blaek!... Blaek!..." herhaalde Klaartje, met een uitdrukking van afgrijzen: "liever leed ik het ergste, wat een mensch kan overkomen, dan dat ik aan iemand, die Blaek heette, iets te danken had."
"Hoe!" riep Helding: "wat hebben die Heeren u toch gedaan?"
"O! spreek er mij niet van," hernam Klaartje: "is niet Lodewijk Blaek de bewerker van mijn ongeluk? Heeft hij niet, toen de goede Sander het zeegat uit was, mij met een zoet praatje verleid, en mij overreed om mijn braven, besten vader te verlaten? Heeft hij mij niet, arm en naakt, in schande verlaten en gedwongen, daar ik niet te huis durfde keeren, om ... O God!"
"En waarom durfdet gij niet tot mij terugkeeren?" vroeg Helding: "wist gij dan niet, dat het hart van den ouden man altijd voor u openstond?"
"Lodewijk Blaek!" mompelde Sander: "was hij de schurk die u bedierf?—O! dat ik hem hier had, om hem zijn laagheid betaald te zetten!"
"Ach! ik schaamde mij zoo, terug te keeren," zeide Klaartje: "en daardoor ben ik van kwaad tot erger gevallen ... en zoo is het dat ik sterven moet, zoo jong nog en door mijn eigen schuld!—Maar ik heb vergiffenis ontvangen van die twee, die ik het meest beleedigd heb, van mijn vader en van mijn goeden Sander—en dit vertroost mij.—Ween niet, Sander! het is zoo beter:—toen ik, op uw verzoek, Harlingen verliet, was ik nog loszinnig en dacht alleen om het geluk van weer met u te zijn; maar thans heb ik een beter inzicht verkregen ... ik was niet waardig, uw vrouw te zijn—en ik moest geen schande brengen in het huis mijns vaders:—het is voor mij, voor u beiden beter, dat ik sterve."
"Foei! zoo moet gij niet spreken," zeide Helding: "nietwaar Dokter?"
"Wel neen!" antwoordde deze, zijn papieren weder bergende: "niet sterven—weder gezond worden—niet zooveel praten!—femina animal loquax—te veel vermoeien.—Hm! Zonderling—Sander Gerritsz—dien naam meer gehoord—hm!—brief van den Drost—zeeroof—inbreken—Jaco—niet vinden—thuis liggen—hm!" Deze laatste woorden sprak hij slechts halfluid en mompelend uit, zoodat zij door de meesten, die te veel met Klaartje bezig waren om op hem te letten, niet of slechts half verstaan werden.
"Kom!" zeide ik tegen de zieke: "gij moet u zoo ongerust niet maken, noch u het ergste voorstellen: tracht wat te slapen; want gij hebt rust nodig. Wat dunkt U, kapitein! zoo wij die goede lieden eens alleenlieten. Ons bijzijn is hier toch overbodig."
"Ja, zeide de Dokter: "hier te vol—rust noodig—ik ook weg—veel drukten—likkepot bereiden—archief nazien—zieken bezoeken—twee klisteeren—aderlating—twee boeren overhoop liggen—brief aan den Drost schrijven—Maaike Jansz linkerarm gebroken—heengaan."
Met deze woorden vertrok hij: ik volgde hem met Pulver, en weldra vervoegde zich ook Sander bij ons, die waarschijnlijk gevoelde, dat de bescheidenheid hem gebood vader en dochter een wijl alleen te laten. Op de opene plaats echter, die de twee woningen vaneenscheidde, hield Pulver hem staande.
"Nu zel je mij toch niet ontkennen," zeide hij: "dat je Sander Gerritsz bent en dat ik je op het buiten van Mevrouw Van Bempden heb gepraaid."
"Stil wat!" fluisterde ik, bevreesd, dat de Dokter, die juist de herberg intrad, hem hooren zoude.
"Neen voorwaar niet, mijn goede Schipper!" antwoordde Sander, hem de hand toestekende: "maar laat het tusschen ons blijven. Ik heb dien naam sedert lang, en om billijke redenen, laten varen."
"Daar heb je verkeerd aangedaan," hernam Pulver: "men moet zich de vlag nooit schamen, daar men jaren onder gevaren heeft. Wel man! dat verhoopte ik niet, toen ik je daar onder die zeeroovers aan twee ankers vastliet, dat ik je ooit weer in ons land aan boord zou komen: nu! bergen en dalen ontmoeten mekaar niet; maar menschen wel. En waar heb je al gezworven, zooals de ouwe vloo tegen de jonge zei?"
"Ja Schipper! dat zal ik u naderhand wel reis vertellen," antwoordde Sander; "waar ik geweest ben, komt er minder op aan," vervolgde hij met een zucht: "het zal eerder te bezien staan, waar ik heen moet: hoewel ik verklaar, dat het mij in deze treurige oogenblikken vrij onverschillig is."
"Ja!" zeide ik, hem terzijde trekkende: "gij moet op uwe hoede zijn. Die Dokter is tevens Substituut van den Drost, en, voor zooveel uit 's mans woorden te verstaan is, maak ik op, dat hij reeds berichten omtrent u heeft, en dat dit eiland u geen veilige schuilplaats biedt."
"Ik wijk niet van hier, zoolang Klaartje in dezen toestand blijft," zeide Sander; "en wat dien meester Doedes aanbelangt, ik ben juist niet erg voor hem beschroomd: ik weet nog wel een huismiddeltje, om hem de oogen te doen dichtknijpen."
Dit zeggende opende hij de deur der herberg, waar wij binnentraden en den Dokter reeds vertrokken vonden.—Ik verzocht Reynszen, zorg te dragen voor een goede waakster om de zieke op te passen; waarop hij mij verzekerde, dat zijn vrouw en dochter zich reeds bereid hadden verklaard, die taak op zich te nemen, en dat overigens niets ontbreken zou om haar toestand zooveel mogelijk te verzachten.
Niet ongenegen een weinig lucht te scheppen, sloeg ik aan Pulver een wandeling voor, waarop wij onze zaken zouden kunnen bepraten. Wij begaven ons, na van Sander afscheid genomen te hebben, het strand langs, en ik vroeg hem, wat er al zoo geëischt werd en hoe wij best ons goed terug zouden krijgen en geschillen of processen vermijden.
"Ja!" antwoordde hij: "wat zal ik veel zeggen? Wie in de schuit is, moet meevaren: en het helpt niet of men tegen dat volkje hier met grof geschut aan boord komt en hen bedreigt met de Commissarissen tot de Pilotage of met Gecommitteerde Raden; want daar geven zij al zooveel om als een walvischhaalder om een dooie schelvisch. Ze liggen hier buiten schoots, weet je! en storen er zich niet aan, of zij brieven en bevelen krijgen: hebben is hebben, denken zij: en wil je niet naar hun pijpen dansen, dan leeren zij het je tot je schade: ik heb nog liever met royale zeeroovers te doen dan met zulk slag van volk. Daar ligt nu de Hyson en Souchong in het pakhuis: en ik heb niet later dan van morgen een kattebelletje ontvangen van Schipper Holmfeld, die op de ree van 't Vlie ligt; dat hij die met alle gemak bergen kon en ze meenemen naar Kopenhagen: een gelegenheid, zoo schoon als men wenschen kon; maar nu wil die verbruide Strandvonder de waren niet laten volgen dan tegen een derde van de waarde voor bergloon; terwijl hem volgens alle ordonnantiën en costuymen niet meer dan zes twintigsten kunnen toekomen."
"Zoo hij al eens recht heeft op zooveel," zeide ik: "want er is hier minder quaestie van geredde, dan wel van geborgen goederen; daar gij met de equipage bijna alles gedaan hebt.—Intusschen, indien het daarmede gedaan ware ... het is ons veel waard, ons goed terug te bekomen."
"Dan is er," vervolgde Pulver: "nog een klein bagatelletje bij van anderhalf percent voor den Strandvonder, en nog een rekening van onkosten, voor gebruikte schuiten en wagens en gegeven fooien, daar een mensch de oogen van overloopen."
"Dat is toch wat grof," zeide ik: "want waar vraagt men het eenderde bergloon voor, indien men nog een extra-rekening maakt voor onkosten?—Maar kunnen wij, de quaestie over het bedrag daarlatende, de goederen niet loskrijgen onder borgstelling?"
"Wel ja! zeide Pulver: "reken daarop (zooals de schoolmeester zei, toen hij den jongen een schellingskoek in plaats van een lei in de hand stopte). Zij zullen geen goed laten volgen, voor en aleer er een volkomen afrekening heeft plaats gehad."
"Dat zullen wij dan zien," hernam ik. "Wanneer vertrekt die Deensche schipper?"
"Zoo ras er goede gelegenheid is: en, gelijk ik het weer aanzie, schiet de wind al meer en meer uit en zal hij niet lang meer op zijn ligplaats blijven. Hij heeft mij zelfs bericht, dat, zoo hij eenigszins kon, hij naar Maklijk-Oud zou opzeilen en dan onze thee in 't voorbijgaan innemen."
"Voortreffelijk! zorg dan, dat gij in allen gevalle morgenochtend een vaartuig bespreekt, om de lading in te schepen en over te brengen: ik zal ondertusschen met den Strandvonder spreken, en zien, wat ik van den vent gedaan kan krijgen."
Aldus ons plan gemaakt hebbende, zetteden wij onze wandeling nog een eindweegs voort, over onverschillige zaken pratende, tot wij het dienstig vonden terug te keeren. Nauwelijks waren wij het dorp weder binnengetreden of ik zag den gewichtigen man, die de betrekkingen van Substituut-Drossaard en Geneesheer vereenigde, uit een der huizen voor den dag komen, en, zoodra hij ons gewaarwerd, zijn koers tot ons richten.
"Als UEd. dien man tot vriend kunt maken, zal alles goed gaan," zeide Pulver: "hij is hier zooveel als de admiraalswimpel, waar alles naar kijkt, die meester Doedes: en zij moeten wel ontzag voor hem hebben: want zetten zij hem den voet dwars, en knijpt hij ze niet als Drost, dan pepert hij het hun in als Dokter."
"Gevonden!" zeide Doedes (gelijk ik nu vernomen had dat 's mans naam was), zoodra hij ons zag: en meteen klopte hij op zijn zak: "goed geheugen—Monsieur Weerglas—Sander Gerritsz—struikroover —zeeschuimer—brief van den Drost—knevelen—naar den vasten wal zenden—hm!"
"Wat zegt UEd.?" vroeg Pulver, eenigszins verschrikt: "Is Sandertje een roover?—Och! dan heeft die verbruide Don Manoël het op zijn rekening; want beter kalf van een jongen heb ik nooit aan boord gehad: maar zoo gaat het: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet."
"En zijn uw orders zoo gestreng?" vroeg ik, niet zonder eenig leedwezen te gevoelen over het lot, dat Sander boven 't hoofd hing.
"Orders, hm! hm!—Terschelling een vrijplaats—refugium—Staten niet achten—vervallen privilegium—orders gestreng."
Ik zweeg en begreep dat het beter voor mij was, dit punt niet verder aan te roeren. Vooreerst had ik er overvloedig mijn bekomst van, om mij met eens andersmans zaken te bemoeien: en, ten tweede kwam het mij voor, dat meester Doedes, ondanks zijn beslissenden toon, het nog maar half met zichzelven eens was, of hij het oude recht van vrijplaats, waar Terschelling aanspraak op maakte, al dan niet zou eerbiedigen, en achtte ik het, als Zoon van den Hoofdschout, ongepast, mij in een geschil van zoo teederen aard te mengen, 't welk mij later waarschijnlijk kwalijk zoude genomen worden. Ik vond het dus verkieslijker, den man over mijn eigen zaken te onderhouden, en deelde hem in korte woorden de redenen mijner komst en den onhebbelijken eisch des Strandvonders mede.
"Hm!" zeide hij, het hoofd schuddende: "gaat den Strandvonder aan—mij niet—u voor Schepens beklagen—goed recht uitspreken!"
"Ja," zeide ik, "maar ik zou liever de zaak zonder vonnis in den minne zien te vinden, en daarom wenschte ik uwe tusschenkomst in deze in te roepen."
"Hm!—mij niet in moeien—mijne zaken niet—maar—als de zaak in orde is niet vergeten:—tiende penning mij betalen—ten profijte der gemeente—oud recht van Terschelling—hm!"
"Hoe," riep ik: "nog meer exacties! dat recht is immers afgeschaft bij een besluit van HH. Staten?"
"Hm! edict van 12 December 1663—gekheid—Staten hun macht te buiten gegaan—hm!—volhouden."
"Hoe!" riep ik: "gij, die hier den Drossaard vertegenwoordigt, zoudt u kanten tegen een edict der Staten, waarbij een middeleeuwsche vexatio paal en perk gesteld is?"
"Hm!—Drost—Enkhuizen—nooit hier komen—geld trekken—niets uitvoeren—Doedes al het werk doen—Staten oude wijven—het eiland niet kennen—makkelijk besluiten nemen in Den Haag—Terschelling zware lasten—vele rampen—schrale verdiensten—leven wagen bij schipbreuken—qui onera—etiam fructus."
"Ik wil gaarne toegeven," hernam ik, "dat de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om bijstand te bieden aan de manschap van de Fortuin, of die tot het bergen der lading hebben medegewerkt, aanspraak hebben op belooning: en die zal hun ook geworden, maar ik zal nooit toestemmen in de verplichting om zulke hooge bergloonen te betalen als van ons gevorderd worden, noch recognitiegelden, die afgeschaft zijn; en zoo de Strandvonder geen rede verstaat, dunkt mij, dat gij, Mijnheer! mij recht moet verschaffen, en althans niet, bij reeds bestaande, een nieuwe exactie voegen."
"Hm!—Zaak van den Strandvonder—geen belang er bij—negotium a me alienum—voor de Rechtbank—zeven Schepenen—goed recht—naar huis gaan."—Met dit bescheid verliet hij ons en begaf zich binnen zijn woning waar wij op dit oogenblik voorstonden.
"Goed recht!—Ja, dat kan UEd. denken," zeide Pulver: "wij komen bij den duivel te biecht. Met dat al, ik geloof, dat zoo UEd. den man een kleine fooi voor zijn beleefdheid beloofd hadt...."
"Dat in eeuwigheid niet," zeide ik: "denkt gij, dat ik de Justitie om wil koopen?"
"Nu!" hernam Pulver: "wij zullen zien wat er van wordt, zei de blinde, en hoe UEd. met Reynszen varen zult...; maar, dat Sandertje een roover geworden is, dat spijt mij tot in mijn ziel."
Hier waren wij aan de herberg terug, en ik trad nu met den Strandvonder in onderhandeling; doch ook hier vond ik het onmogelijk om den man af te brengen van zijn eisch, die, volgens hem, op goed recht en oude herkomsten steunde: zoodat ik, daar ik toch verlangde de thee te verzenden, per slot nog blijde was, hem in mijn voorstel te zien treden, om het gevorderde, gelijk ook de 10 pct. recognitie, onder protest te betalen, terwijl Pulver, die inmiddels volgens afspraak een schuit was gaan bestellen, terugkwam met de tijding, dat de hoeker Kjöbenhavn, Schipper Holmfeld, zich reeds in het Maklijk-Oud bevond.
VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN VERHAALD WORDT, HOE DE THEE AAN BOORD VAN DE KJÖBENHAVN WERD GEBRACHT, EN DEN LEZER VELE VERRASSINGEN WORDEN VOORBEREID.
De toestand der zieke, waarvan Helding mij van tijd tot tijd bericht kwam geven, was intusschen niet verbeterd: zij scheen van uur tot uur zwakker geworden en de kenteekenen eener spoedige ontbinding begonnen zich te vertoonen. Haar geest bleef echter helder en opgeklaard, en zij had zich met meer kalmte dan zich verwachten liet, met den Predikant onderhouden, die op haar verlangen haar was komen bezoeken. Sander, die bij den Drost was ontboden geweest, was van daar teruggekeerd en week niet van haar sponde; terwijl de vrouw en dochter van Reynszen bij afwisseling bij haar waren en met alle hartelijkheid die diensten bewezen, welke een vrouw meer dan een man in staat is waar te nemen: ja zelfs aangeboden hadden den nacht bij haar op te zitten.
Hoewel voor Helding een bed in een afzonderlijk vertrek gereedgemaakt was, verkoos hij, gelijk niet te verwonderen was, den nacht in de ziekekamer door te brengen. Wat mij betreft, ik begaf mij met Pulver, nadat wij het avondeten gebruikt hadden, in de ons aangewezen slaapkamer, waar wij ons in twee tegenover elkander geplaatste bedsteden ter ruste schikten. Ik was echter ook thans niet bestemd, die ongestoord te genieten: althans, nauwelijks was ik onder de dekens gekropen, of een luid gepraat, gevloek, gezang en geloop, dat mij zoo duidelijk in de ooren klonk alsof het in mijn slaapvertrek plaats had, schonk mij de onaangename overtuiging, dat mijn bedstede allernaast den zoogenaamden gemeenen haard gelegen en daarvan slechts door een dun beschot was afgescheiden. Voorts bleek het mij, dat de herberg bezocht was door een aantal varensgezellen en visschers, die zich vrij luidruchtig aanstelden en wier gemeene taal verward dooreen klonk. Onder die stemmen was er een, welke het mij voorkwam meer te hebben gehoord; doch ik kon mij niet te binnen brengen, waar en wanneer zulks had plaats gehad. Dit alles hield mij uit den slaap, en ik kon niet nalaten, het lot van Pulver te benijden, die, meer verwijderd van het gedruisch, of beter daaraan gewoon, was ingeslapen zoodra hij de veeren geroken had, en met een luide basstem lag te snorken. Ik troostte mij echter met de gedachte, dat die drukke gasten niet den geheelen nacht in mijn nabijheid blijven maar ook weldra hun kwartier zouden zoeken, en besloot inmiddels geduld te nemen.
En inderdaad, langzamerhand dropen de gezellen één voor één af, en hoorde ik Reynszen elk op zijn beurt een goeden avond wenschen: zij waren allen op één na weg, toen de laatst overgeblevene, dezelfde, wiens stem mij bekend voorkwam, tot den waard begon te spreken:
"Wel! hoe is 't? Is die vent met zijn duffelsch buis hier niet meer, die met die bleeke meid is komen andwalen?"
"Jawel!" antwoordde Reynszen: "maar ik weet niet, of hij jou nu wel te woord zal staan; want zen liefste is dan maar erg ziek. 't Zal krap an zijn, as ze den morgen haalt."
"Dat d.... niet. Zeg hem, dat hij hier komt, dat Andries er is, en hem spreken moet."
"Andries!" herhaalde ik bij mijzelven, terwijl het koude zweet mij over het lijf liep, en ik verwonderde mij niet langer, dat mij de stem bekend was voorgekomen. Ik ging recht overeind zitten en spande mij nu zoozeer in om te luisteren en geen woord te verliezen, als ik vroeger mijn best gedaan had om niet naar het gepraat te hooren.
"Nu, ik wil hem wel roepen," zeide de waard: "maar toch ik twijfel, of hij hier zal komen. Met deze woorden verliet Reynszen het voorvertrek. Andries bleef met de vingers op tafel trommelen en een liedje neuriën, terwijl ik geheel ontroerd over het zonderlinge toeval, dat mij opnieuw in de nabuurschap bracht van een zoo gevaarlijken fielt, bij mijzelven overdacht, of het ook raadzaam zou wezen, hem aan te geven. Spoedig echter hoorde ik de deur, welke naar het achterhuis leidde, weder opengaan.
.Wel!" klonk de stem van Andries den binnenkomende te gemoet: "lag je vertuid, dat je zoolang noodig hadt het anker te winden?"
"Wat wilt gij?" vroeg Sander met een sombere stem.
"Wat ik wil?—Wel nu nog fraaier! Hebben wij geen afspraak gemaakt om mekaar hier te praaien! En waarvoor ben je anders hier angeland?"
"'t Is waar!" antwoordde Sander met een diepen zucht: "maar het is al verklikt, dat ik hier zou komen. Ik ben bij den Drost ontboden geweest...."
"Welnu! En hij heeft u weer laten afzeilen; anders zou je nu niet hier met mij spreken:—wat wou hu?"
"Hij heeft mij te kennen gegeven, dat hij in last ontvangen had, mij in verzekering te nemen: maar tevens dat dit eiland vanouds een vrijplaats was voor zoodanigen, die hier stil verkozen te leven en borg stellen voor hun goed gedrag."
"Bij ()," zeide Andries: "wij zouden borg voor elkaar kunnen wezen."
"Ik heb hem een goeden borg op tafel gelegd," hernam Sander: "en die heeft hij ter griffie gedeponeerd: zoodat wij als beste vrienden gescheiden zijn."
"Bij mijn zolen," zeide Andries: "ik zou hem ook zulk een borg willen geven; maar, dan is het eerst noodig, dat ik die zelf ga koopen:—en daarover moeten wij nu samen scheepsraad beleggen."
"Ik dank u," zeide Sander: "ik heb reeds genoeg op mijn rekening, en begeer mijn zondenregister niet te vergrooten.
"Hoe! wat!" riep Andries uit; "is de man een kind geworden? Zet () die grillen uit den kop: neem een glas brandewijn en verzuip daar alle viezevazen in. Ga zitten vent! Denk je, dat ik hier ben ten anker 'ekomen om bot te vangen?"
Er was een oogenblik stilte: ik hoorde stoelen verschuiven, en bemerkte, dat beiden zich aan de andere zijde van het beschot, dat ons scheidde, hadden geplaatst.
"Jongen!" zeide Andries: "er is zulk een schoone zaak voor ons te doen. Dat pakhuis ... ik ben er heen gelaveerd ... met eenen trap ligt de deur in ... kostelijke thee man, en geen averij: en Joosje ligt met zijn aak in de haven. In een ommezien is het voort, zonder dat iemand lont ruikt of vermoedens op ons heeft."
"Dat zal nooit gebeuren!" zeide Sander: "die Huyck is een braaf slag van een kerel, en ik zal niet dulden, dat iemand de hand slaat aan 't geen hem toekomt."
"Huyck zeg je? Welke Huyck?" vroeg Andries, blijkbaar verwonderd.
"De zoon van den Hoofdofficier," antwoordde Sander: "hij is gisteren gekomen en logeert hier in de herberg."
"Te droes! doet hij?—Wel dan zou ik een dubbelen trek in de zaak hebben; want ik heb met dien verbrusten zandhaas nog een ouwe afrekening te houen—en zoo ik hem op de eene of andere wijze averij bezorgen kan, ik zal het, de d.... haal mij, niet laten."
"Gij zult wel," zeide Sander: "of wij worden kwade vrienden."
"Nu! dan wat anders," hernam Andries: "ik bedank om mij hier te vertuien: en dien meester Doedes vertrouw ik zooveel als een verrotte plank en heb ook geen plan hem anders als het voormarszeil te betalen. Hij zal, als hij onze borgtochten beetheeft, er net zooveel consciëntiewerk van maken om ons uit te leveren, als ik om dit glas brandewijn te drinken. Hoor! ik weet iets dat ons er uit helpt. De pleit is hier toch van het schip en wij moeten zien hoe wij verder komen. Nou is er van avond een hoeker op Maklijk-Oud voor anker gekomen, die wel niet voor overmorgen het zeegat uitgaat. Wat dunkt je, zoo wij die eens een bezoek brachten en de reis op eigen gelegenheid deden?"
"Hoor Andries!" zeide Sander: "Ik ben hier gekomen, 't is waar, om met u en de overige makkers te overleggen, wat ons te doen stond; maar ik ben van gedachten veranderd: wat gij voorhebt is mij om 't even: ik zal u geen stroobreed in den weg leggen; maar reken niet op mij om u te helpen."
"Wel die en dat, hoe heb ik het met je? Ben je bekeerd of heb je een schat opgevischt?—En zou je ons nou verraaien, nou we je hulp het meest noodig hebben?"
"Ik herhaal, dat ik u niet verraden zal, maar stil uw gang laten gaan: dit moet u genoeg zijn. De reden, waarom ik mij niet, ais vanouds, aan uw hoofd stel, is u, dunkt mij, tamelijk onverschillig. Ik wil niet, en daarmee uit."
"Brui naar de pomp," zeide Andries, wrevelig: "heeft die sloerie je omgepraat: 't is er ook een lievertje naar!—En hoe wil je, dat ik zulk een boodschap an de maats overbreng? Zij zullen het immers niet 'elooven. En wat koers zel je dan verder houen? Of ben je een stille verklikker 'eworden."
"Wat ik doen wil, of doen zal, is mijne zaak," zeide Sander: "ik heb gehoord, wat gij te zeggen hadt, en wensch u goeden nacht:—ik kan mij thans niet langer met u ophouden: vaarwel."—Dit zeggende stond hij op.
"Maar wat deksel! Is het Zwarte Piet, dien ik spreken hoor? of is hij 't niet?" vroeg Andries, oprijzende en hem volgende: "bedenk toch: een spiksplinternieuw vaartuig,—en een rijke vracht—je bent nou zeker wat dingsig onder je baaitje om de ziekte van die seldrementsche meid: maar denk er reis over na, en zoo je er nog toe besluit, geef er mij dan morgen met den dag maar sein van. Wij ankeren zoolang bij...." Hier veranderde zijn stem in een zacht gefluister, hetwelk ik niet verstaan kon. Sander scheen echter geen voldoend antwoord te geven; want ik hoorde ten slotte Andries met een zwaren vloek van hem gaan onder den uitroep van: "je verdijt het? wel ga dan en laat je opknoopen!"—Een oogenblik later hoorde ik hem de voordeur uitgaan, die hij met geweld achter zich toetrok, terwijl ook Sander zich van zijnen kant verwijderde.
Ik bleef de zaak overpeinzen. Naar het weinige, dat ik begrepen had, te oordeelen, kwam het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat Andries en zijn makkers het oogmerk hadden, om het Deensche vaartuig te verrassen en prijs te maken: doch het denkbeeld boezemde mij eenige gerustheid in, dat zij die onderneming te gewaagd aanzagen om die zonder de leiding of medehulp van Sander te doen. Ik achtte het ondertusschen mijn plicht, zoowel den Kapitein van het schip als de Overheden op Terschelling te waarschuwen van het gesmeede ontwerp, en het deed mij leed, dat ik het adres van de plaats, waar de booswichten bijeenkwamen, niet had kunnen verstaan. Ook was ik niet geheel zonder bezorgdheid over de koopwaren, die in het pakhuis lagen; doch ik vleide mij, dat daar vooreerst geen aanslag op gedaan zou worden en dat ik in allen gevalle aan Sander een steun zoude hebben om die goederen, al werden zij gestolen, weder terug te bekomen. Lang nog hielden de ontroering over het gebeurde en de overpeinzingen, die daarvan het gevolg waren, mij uit den slaap, totdat eindelijk de vermoeidheid zegevierde en ik het geluk had in te sluimeren. Toen ook was mijn slaap zoo vast, dat de zon reeds hoog aan den hemel stond eer ik ontwaakte. Ik bemerkte dat Pulver reeds was opgestaan, en waarschijnlijk uit bescheidenheid, het vertrek verlaten had zonder mij te wekken. Ik kleedde mij spoedig aan en haastte mij naar het voorhuis, ten einde hem op te zoeken. Ik vond echter noch hem, noch Reynszen; maar op mijn geroep kwam de vrouw van laatstgemelde aangeloopen.
"Zoekt Mijnheer mijn man en den Schipper?" antwoordde zij op mijn vragen: "o heden! die zijn al sedert drie uren aan het pakhuis. Zij wilden Mijnheer niet wakker maken: Mijnheer sliep zoo gerust."
"Een fraaie reden!" zeide ik, eenigszins ontevreden: "denken zij, dat ik hier op Terschelling gekomen ben om te slapen?—En hoe staat het met de zieke?"
"Slapjes!" antwoordde vrouw Reynszen: "het arme schaap zal het niet lang meer maken: och! 't is stichtelijk om te hooren, zoo onderworpen en gelaten als zij is; en de ouwe man is dan danig en danig bedroefd, en de andere ook, zoodat het met geen droge oogen is bij te weunen. Gisteren gaf de meester nogal hoop, dat het schikken zou; maar hedenmorgen had hij er ook al geen zinnigheid in."
"Hoe!—is de Dokter ook al reeds hier geweest?" vroeg ik, hoe langer hoe meer ontevreden op mijzelven, dat ik mij verslapen en op Pulver, dat hij mij niet gewekt had en de noodzakelijkheid gevoelende, van mij terstond naar het pakhuis te begeven: ik legde echter vooraf een kort bezoek af bij de zieke, verzocht aan Helding alles te bestellen, wat hij tot gemak of lafenis mocht noodig oordeelen: en, Sander ter zijde nemende, gaf ik dezen te kennen, dat ik hem een oogenblikje afzonderlijk wenschte te spreken.
"Ik heb gisternacht uw gesprek met Andries gehoord," zeide ik, zoodra wij ons alleen bevonden.
Hij bloosde en zag een wijl voor zich neder: "welnu!" zeide toen, het hoofd met eenige fierheid opheffende, "dan zal UEd. ook gehoord hebben, dat ik genoten weldaden weet te erkennen."
"Dat heb ik," zeide ik "en ik dank u voor de ridderlijke wijze, waarop gij voor mijn thee in de bres zijt gesprongen. Ik beklaag u, arme man, want gij wilt den goeden weg op, en gij weet slechts niet hoe zulks aan te vangen: is het zoo niet?"
"Ach Mijnheer! moet ik het u bekennen?" zeide Sander, terwijl hij weder voor zich zag en het hoofd met weemoed schudde: "UEd. hebt betere gedachten van mij dan ik verdien. Toen ik op dit eiland aanlandde, was het niet met het voornemen om mij te beteren. Het is waar, dat het leven, hetwelk ik in Gooiland leidde, mij tegen de borst stuitte; want ik was niet in de wieg gelegd om een gemeene straatroover te zijn. Neen! het leven en bedrijf in de West-Indien, dat was meer voor mij geschikt: en echter: zelfs daartoe ware ik nooit gekomen, had mij het voorbeeld van Don Manoël niet aangevuurd. Maar hij had aan mijn tot dien tijd toe sluimerende verbeeldingskracht een nieuwen weg aangewezen; hij had mij geleerd, datgene als iets grootsch en verheven te beschouwen, hetgeen ik voorheen zondig en schandelijk gerekend had. Hem te volgen, met hem op den Oceaan te strijden, dood en vernieling aan te brengen, was mij een wellust, een verdienste geworden. Zijn vijanden waren ook de mijnen: en zoo het mij reeds een onvolprezen voorrecht toescheen, als zijn Luitenant zijn manschap aan te voeren, hoe moest mijn hoogmoed dan niet stijgen, toen ik, na zijn vertrek, mij zelf tot opperhoofd verheven zag!—Ik weet, dat het handwerk, dat ik dreef, onwettig en ongeoorloofd was; dat de dood mijn loon was, indien ik gevangen werd:—maar aan een anderen kant: ik was machtig, onafhankelijk, zonder iemand, die mij te bevelen had: ik schatte mij hooger dan een Admiraal; want deze moge de eerste op de vloot zijn, hij mag die vloot toch niet voeren, dan waar Heeren Staten het hem gelasten. Welnu!—het was dat leven, het was die hooge rang, waar ik naar reikhalsde, dien ik weder herwinnen wilde: en ik wilde er Klaartje in doen deelen: want ondanks haar ontrouw, en ondanks al wat er gebeurd is, heb ik haar altijd blijven liefhebben, en de gedachte aan haar was de eenige, die mij soms kwelde, toen ik in de West-Indien was. Het was daarom, dat ik Andries en zijne makkers hier had ontboden: mijn voornemen was—en hij weet het goed die schoelje—om zoo mogelijk een goed zeebouwend vaartuig weg te kapen:—en eenmaal in het ruime sop gekomen, zou ik den weg naar het meer van Maracaibo en mijn oude makkers wel weder hebben teruggevonden."
"En," zeide ik, "om aan uw dwazen, doemwaardigen wensch te voldoen, zoudt gij in koelen bloede de manschap vermoord hebben van het schip, dat gij behoefdet?"
"Dat alles is voorbij," vervolgde Sander, zonder mijn vraag te beantwoorden. "Ik heb Klaartje teruggezien: ik ben getuige van haar lijden, van haar berouw geweest: ik heb gevoeld, dat ik nog te weekhartig was om ... vergeef mij ... een rol vol te houden, die een hart van staal vereischt. Ik heb van mijn voornemen afgezien:—en ik ken mijn makkers genoeg: zij zullen het zonder mij niet durven ondernemen, veelmin ten uitvoer brengen:—zij zullen zich verstrooien:—en de hemel geve, dat ik nooit weer van hen hoore."
"En gij," vroeg ik: "welke zijn uw verdere plannen?"
"Kan ik aan de toekomst denken, zoo lang zij ginds ligt te sterven?" vroeg hij op een eenigszins verwijtenden toon,
"Ja, dat kunt en moet gij," antwoordde ik, na een oogenblik geweifeld te hebben: "gij moet uw leven beteren en dat moogt gij geen oogenblik uitstellen. Gij moet dit land verlaten, waar gij niet langer als een eerlijk man kunt leven, maar de wereld staat voor u open. Ga naar Rusland: daar worden wakkere gezellen als gij, die het zeemanswerk verstaan, met open armen ontvangen: bied daar uw diensten aan en gij zult door de wereld komen: is het al niet in een hooge betrekking, dan althans in zulk eene, welke gij u nimmer behoeft te schamen."
"Gij meent het wel met mij, Mijnheer Huyck!" zeide Sander, met aandoening: "en ik zal uw woorden overdenken; maar verg mij niet, thans reeds eenig besluit te nemen. Ik moet eerst aan Klaartje de oogen sluiten: dan misschien.... God zegene u, Mijnheer Huyck!"
Met deze woorden wendde hij zich af en keerde naar het ziekvertrek terug. Zijn verhaal had een diepen indruk op mij gemaakt.
"Al weder een slachtoffer van kwalijk geplaatste eerzucht," dacht ik bij mijzelven, terwijl ik de herberg verliet: "die Sander had een braaf en nuttig mensch kunnen worden, indien zijn ongelukkig gesternte hem niet het al te verleidelijke voorbeeld van Don Manoël had voor oogen gesteld: en deze zal eens, op den dag des oordeels, behalve zijn eigen schuld, ook de wandaden te verantwoorden hebben, waaraan zich deze ongelukkige heeft schuldig gemaakt."
Aldus peinzende, was ik weldra de bergplaats der gestrande goederen genaderd, en zag van verre den braven schipper, die zweetende en zwoegende zijn matrozen bevelen gaf, terwijl zij onder zijn opzicht de kisten thee op een paar wagens laadden, en Reynszen hen voor de open deur van het pakhuis stond aan te zien. Zoodra Pulver mij in 't oog kreeg, liep hij naar mij toe, roepende:
"'t Is al afgewasschen Patroon! zooals de kajuitsjongen zei, toen hij de hemden van den kapitein overboord had laten vallen: ik heb den deurwaarder van morgen al uit zijn bed getrommeld, en hij heeft een exploit aan Reynszen gedaan, je leven zoo niet ... en het geld betaald ook: en nou gaan wij den boel naar de Kjöbenhavn brengen. Kijk eens, Patroon! 't is een lust om te zien, zoo kurkdroog als de kisten gebleven zijn; er is geen druppel water bij de thee gekomen:—nu in allen gevalle, dat zou aan hem, die ze drinken moet, de moeite van 't zetten bespaard hebben."
"En drink jelui waarachtig dat goed nou te Amsterdam?" vroeg Reynszen, nader tredende: "'t is bylo een rare kost: ik heb 't eens gezien: maar ik zou 't niet lusten."
"Kom! kom!" zeide ik: "mettertijd zult gijlieden er ook wel smaak in krijgen, als 't wat algemeener wordt. Maar wat ik zeggen wilde, Kapitein! gij hebt mij een leelijke poets gebakken, met mij zoo te laten slapen. Ik weet, gij deedt het om bestwil; maar anders: ik ben daar niet op gesteld."
"Och Patroon! je sliep zoo gerust: ik wou je niet wakker maken, zooals de dief zei, toen hij het horloge van den huzarenofficier van het beddetafeltje nam en de officier hem bij de lurven pakte:—en wij konden dat alles immers best afdoen, Reynszen en ik?"
"Met verlof!" zeide ik tegen dezen: "kendet gij de lieden, die gisteravond laat ten uwent waren?"
"Neen!" antwoordde Reynszen: "het is eerst sedert een paar dagen, dat zij bij mij aankomen: de eene, zooals hij zegt, wil veulens koopen: de andere heeft weer een negotietje van snuisterijen: en een derde is een matroos, die verlof heeft: en een vierde is voor plezier mee, maar wat verscheelt het mij? zoolang zij betalen, vraag ik niet, wie zij zijn, of hoe zij heeten:—en bovendien, Terschelling is een vrijplaats vanouds: al hadden zij wat uitgericht, dan mag niemand hen hier molesteeren."
"Ik weet niet," zeide ik, "of de Heeren Staten veel om uw vrijplaats zouden geven; maar zoude het u aangestaan hebben, indien zij, gelijk hun eerste voornemen was, dit pakhuis leeg gestolen hadden?"
"De duiker haal me!" zeide Reynszen, verbaasd: "voerden die lieve jongens zulke dingen in hun schild?"
"Of wat zoudt gij er van denken," vervolgde ik, met genoegen den indruk bespeurende, dien mijne redenen maakten: "indien zij eens in den volgenden nacht het vaartuig beklommen, dat ginds op de reede ligt, de manschap afmaakten en overboord smeten en met het schip gingen strijken?"
"Met onze thee gaan strijken!" riep Pulver, opstuivende.
"Zoudt gij dan wel in uw schik zijn," vervolgde ik, "van dat voorgewende recht van vrijplaats te hebben volgehouden, en daardoor aanleiding te hebben gegeven tot den moord van die ongelukkigen, die zich ginder veilig wanen, en het vast vertrouwen koesteren dat een goede Justitie voor hen waakt."
"O die schelmen!" riep de waard, met vuur: "hebben zij zulke voornemens? Wacht! daar zullen wij toch even met den Drost over dienen te spreken; want voel je, die dient de zaak toch te beslissen.—En hebben zij zoo openhartig en luidruchtig over hun plannen gesproken, dat UEd. het hooren kon? Maar wanneer hebben zij dat toch gedaan? want, zoolang ik in de kamer was, is er geen woord over gevallen."
Ik bedacht mij een oogenblik, alvorens te antwoorden; want ofschoon ik het hoogst noodig oordeelde, dat Andries en zijn makkers gepakt werden, wenschte ik Sander wel te sparen. "Hoor eens!" zeide ik eindelijk: "hoe ik er achter gekomen ben is hetzelfde, en dat zal ik op zijn tijd wel aan de Justitie ontdekken. Draag gij intusschen zorg, dat men een wakend oog over die kerels houde en hun gangen naga: dat moet, dunkt mij, hier op 't eiland niet moeilijk wezen."
"Neen voorwaar!" zei Pulver lachende: "zij moesten in een konijnshol kruipen; anders weet ik niet, waar zij zich hier zouden verstoppen."
"Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg," zeide Reynszen: "en Mijnheer wordt voor zijn inlichting bedankt. Jawel, Terschelling is een vrijplaats; maar 't behoeft daarom geen boevennest te worden. Nu! ik kuier op en zie of ik den Drost kan vinden. Tot straks dan."—Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, mij met Pulver bij de vrachtwagens latende.
"Wat dunk je, Patroon?" vroeg Pulver, toen hij weg was: "zou UEd. ook lust nebben om met de schuit mee te gaan naar de Kjöbenhavn, voor een veranderingetje? Er is hier toch niet veel raars te zien. Kapitein Holmfeld is een hupsche vent, die ons goed onthalen zal, wees daar zeker van: en dan kan UEd. hem de kisten zelf aanbevelen. Dat heeft altijd meer klem, dan dat ik het doe."
Ik omhelsde dit voorstel met genoegen: daar het verblijf op Terschelling toch niet zoo vermakelijk was, of het kon wel eenige variatie gedoogen; ik liet mijn mantel door een der matrozen halen, en weinige minuten waren er verloopen, toen ik, met Pulver en een gedeelte der manschap van de Fortuin, mij in het vaartuig bevond, hetwelk de theekisten naar het Deensche schip moest overvoeren. In een klein half uur tijds waren wij de haven uit en op de reede gekomen, en zag ik Kapitein Holmfeld aan de trap staan, onze komst verbeidende. Niet verre van hem stonden twee in mantels gewikkelde personen, die insgelijks naar ons uitkeken.
"Het schijnt dat er passagiers aan boord zijn," zeide ik tegen Pulver.
"Dat dunkt mij ook," zeide Pulver: "ja, dat is geen wonder: er trekken tegenwoordig heel wat lieden dien koers uit. Nu! wij zullen zien."
Weldra lagen wij naast de kof: "alles wel! alles wel" klonk het nu over en weer. "Hier breng ik je een heele winterprovisie", riep Pulver zijn confrater toe: "zoo geurig, dat je schip er wel een jaar naar rieken zal."
"'t Is mij welkom," gaf Kapitein Holmfeld, een stevige vierkante Deen, hem in goed Hollandsch ten antwoord. "Maar gij komt immers ook aan boord, met dien Heer, dien gij bij u hebt?"
"Wel gewis!" zeide Pulver, terwijl hij de ladder besteeg: "dat is een van mijn patroons, dien ik meebreng: hij zal u, hoop ik, ook geen belet doen."
"In 't minste niet," antwoordde Holmfeld; terwijl twee matrozen van zijn manschap aan die van ons vaartuig een paar handspaken toestaken, die mij bij het opstijgen tot een leuning verstrekken moesten.
"Nu blijft gijlieden toch eten?" vervolgde de Kapitein: "ik ga toch niet voor morgen het zeegat uit. Stuurt uw schuit maar weg, en laat die u t'avond terug komen halen; of anders, ik zal u wel met de sloep aan wal laten brengen; want de wind gaat toch liggen: wij krijgen stilte."
"Wat mij betreft," zeide ik, na Pulver even te hebben aangezien: "ik neem gaarne uw aanbod aan: te liever, daar ik betere gedachten van uw keuken heb, dan van den Terschellingschen pot."
"Nu! dat is mij lief," hernam Holmfeld: "wel! wel! 't is een macht van kisten, die gij mij aanbrengt: als ik ze alle maar plaatsen kan:—en staat gij er voor in, Schipper! dat er geen averij aan is?"
"Gij kunt ze zelf bezien," zeide Pulver: "er is geen drop water bij gekomen."
De kisten, die intusschen aan boord waren overgebracht, werden met de vereischte nauwkeurigheid bezichtigd en voorloopig op het dek bijeengezet en met een zeil bedekt, terwijl men bezig was er tusschendeks een geschikte bergplaats voor gereed te maken.
"Ik behoef u de zorg voor de waren, die ik meebreng, niet aan te bevelen," zeide ik tegen Holmfeld: "maar wat ik u in de eerste plaats op het hart moet drukken, is de zorg voor uw eigen schip; want het kon wel gebeuren, dat gij in den volgenden nacht een bezoek ontvingt, dat u alles behalve welkom ware."—En ik verhaalde hem in korte woorden het plan, waar ik onderricht van bekomen had: er bijvoegende, dat het bestuur van Terschelling, naar mijne gedachten, wel de noodige maatregelen zou nemen om een aanslag te voorkomen.
"Dat wensch ik," zeide Holmfeld: "maar in allen gevalle dank ik Mijnheer voor de waarschuwing: en zoo zij het in den kop kregen, zoo iets te beproeven, zouden zij ook ondervinden, dat Kapitein Holmfeld handen aan 't lijf en fiksche gasten aan boord heeft. Maar zij zullen het niet zooverre laten komen.—Wees zoo goed en zeg er maar niets van dat de passagiers het hooren. Die menschen mochten zich maar noodeloos ongerust maken: ofschoon, wat den ouden Heer betreft, ik niet bang zoude wezen, dat hij mij in den steek liet zitten. 't Is een kerel als een boom, en die mee in zijn leven den plankenvloer heeft beloopen: dat zag ik direct wel toen hij aan boord kwam: geen landrot zou zoo op zijn gemak over het dek gekuierd hebben."
"Dat is waar ook," zeide ik: "gij hadt, dunkt mij, passagiers aan boord, waar zijn die gebleven? Ik hoop niet, dat zij bang voor mij zijn."
"Wel neen!" zeide Pulver, zich in het gesprek mengende: "wij zullen ze niet opeten, zooals de matrozen zeiden, toen zij de vaatjes rum van den bottelier hadden gekaapt."
"Zij zijn naar beneden gegaan," zeide Holmfeld: "'t schijnen hupsche menschen; waar wat schuw van vreemde aangezichten. Wij zullen hun echter laten vragen, of zij niet mede een kopje koffie komen drinken. Toe Melis! loop eens gauw naar beneden, en vraag, of Mijnheer en de Juffer ons met hun gezelschap willen vereeren. Zeg dat er niemand vreemds is als de Kapitein van de Fortuin en Mijnheer Huyck."
Wij begaven ons hierop in de kajuit, waar koffie, brood en boter werd aangebracht: en nauwelijks had Pulver zijn koperen tabaksdoos uitgehaald, en een pijp met een geweldige pruik gestopt, of de deur ging open en ik herkende in de binnentredende passagiers—Amelia en haar vader. Ik stond eenigszins verzet; echter was mijn verwondering over hun onverwachte verschijning minder groot dan bij vorige gelegenheden; ik geloof, dat ik reeds aan dergelijke verrassingen gewoon was geworden. Niet wetende, in hoeverre hun ware naam en betrekking aan den kapitein bekend waren, vergenoegde ik mij, hen beleefdelijk te groeten, terwijl alleen een glimlach, dien ik niet weerhouden kon, aan een derde zoude hebben kunnen doen gelooven, dat ik hen vroeger gekend had: en ik besloot mijn handelwijze naar de hunne te regelen; daar zij toch van den kajuitsjongen bericht hadden ontvangen, wien zij boven zouden vinden, en zich dus konden voorbereiden, hoe zich jegens mij te gedragen. Maar zoo ik al zweeg en mij goed hield, er was iemand in ons gezelschap, op wien de komst van de nieuwaangekomenen een indruk maakte, die zich niet zoo licht bedwingen liet. De goede Pulver namelijk had hen nauwelijks in 't aangezicht gekeken, of hij sprong van de bank, waar hij op gezeten was, zoodat de versch gestopte pijp in stukken vloog en, met een goed deel tabak, asch en vuur daarnevens, op den grond rolde, staarde vader en dochter met open mond beurtelings aan en sloeg toen de handen ineen, dat het klapte:
"Wat drommel!" riep hij eindelijk uit: "heb ik het mis, of heb ik het wis?"
"Hoe zoo?" vroeg Holmfeld: "kennen de vrienden mekaar?"
"Dezen Heer ken ik," zeide Van Lintz, met een onveranderd gelaat: en naar mij toetredende, drukte hij mij de hand.
"Neen maar...." hernam Pulver: "bij mijn zaligheid zou ik er op durven zweren:—en toch is het niet wel mogelijk.—Maar zoo ik niet wist dat het geen droom is, en dat wij hier werkelijk in 't Maklijk-Oud bij Terschelling lagen, op den hoeker de Stad Kjöbenhavn, Kapitein Holmfeld, dan zou ik denken, dat wij ons in de zee van de Antilles bevonden."
"Dat is wat ver van hier," zeide Van Lintz, met het onnoozelste gezicht van de wereld, terwijl hij eenige vonken uittrapte, die de pijp van Pulver op de vloermat gestrooid had.
"Wel! Wel!" vervolgde Pulver: "hadden wij nu Sandertje maar hier:—die kon getuigen, of er ooit zoo'n gelijkenis bestaan heeft.—En de Juffer ook—net datzelfde vriendelijke bakkesje, schoon wat grooter en bleeker dan toen:—neen! nu kan ik er toch niet meer aan twijfelen."
"Er bestaat geen onmogelijkheid, dat wij elkander vroeger gezien hebben," zeide Van Lintz, op een koelen toon: "maar uw gezicht staat mij niet voor."
"Wel mogelijk!" zeide mijn metgezel: "Kapitein Pulver, tot uw dienst—vroeger schipper van de Compagnie op de Prins te Paard, thans van het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. op de Fortuin, die, God beter 't, ginds in 't zand ligt bedolven.—En heeft UEd. alzoo het ... handwerk vaarwelgezeid?—Nu! dat is prijselijk:—er was toch weinig eer mede te verdienen."
Amelia zag beangst en bevende, eerst haar vader, vervolgens mij aan met een smeekenden blik. Eerstgemelde bleef echter op denzelfden koelen toon tegen Pulver voortgaan:
"Ik weet niet," zeide hij: "wat gij bedoelt. Mijn naam is: Bos: en ik ben op de Antilles nooit geweest."
"Uw herinneringsvermogen bedriegt u, vriend Pulver!" zeide ik: "ik ken dien Heer zeer wel: en de gelijkenis, die gij vindt, kan niet streelend noch aangenaam voor hem zijn."
"Nu! ik ontgeef het mij dan," zeide Pulver: "ik vraag verschooning, zoo ik den verkeerde voorhad, gelijk de soldaat zei, die zijn Kornel overhoop schoot: er is meer gelijk als eigen: maar die ontmoeting, op twaalf graden Noorderbreedte, ligt mij altijd door het hoofd te malen. Ik moet u die toch eens vertellen," zeide hij, terwijl hij een versche pijp stopte.
"Straks!" zeide ik, het gesprek willende afleiden: "wij zitten pas en wij hebben den tijd nog.—Gij hebt het goed getroffen, Kapitein Holmfeld! Waart gij een paar dagen vroeger van Amsterdam gezeild, dan hadt gij den storm ook niet misgeloopen."
"Ik had niet verwacht, u hier aan te treffen, Mijnheer Huyck!" zeide Van Lintz, die inmiddels met zijn dochter had plaats genomen: "het is waarschijnlijk de ramp, aan uw schip overkomen, die u herwaarts gevoerd heeft.—Wanneer is UEd. van huis gegaan?" Ik voldeed aan zijn vraag en gaf hem een vrij omstandige beschrijving van mijn reis, minder uithoofde van de belangrijkheid mijner ontmoetingen als om te voorkomen, dat het gesprek tot het vroegere onderwerp terugkeerde. Toen ik gedaan had, vroeg Amelia: "Gij hebt dus Mejuffrouw uw tante nog vóór uw vertrek gesproken?"
"Ja!" antwoordde ik, beseffende, waar deze vraag op doelde: "zij was zeer wel en had bericht van u ontvangen."
"Ik verzoek u, haar minzaamst van mij te groeten," hernam zij "eenmaal ter plaatse mijner bestemming gekomen, zal ik niet verzuimen haar te schrijven en nogmaals voor al haar goedheid te danken."
"Gij verhaaldet zooeven," zeide Van Lintz, "van de moeite, die gij gehad hebt, om uw eigendom, en dan nog wel tegen betaling van schandelijke bergloonen, uit de handen van den Strandvonder terug te bekomen, maar gij moogt nog van geluk spreken, dat uw vaartuig niet gestrand is op een plaats waar heerlijke rechten op de zeedriften en strandvonden worden uitgeoefend; want dan hadt gij wel geheel onverrichterzake kunnen terugkeeren."
"Of op een plaats, waar zeeroovers wonen," zeide Pulver er bij: "want dan ware niet alleen schip en lading, maar ook leven of vrijheid er mede gemoeid geweest."
"Ik heb," vervolgde Van Lintz, zonder zich aan de aanmerking van Pulver te storen, "van nabij voorbeelden gezien, tot welk een uiterste die afknibbelingen en gewelddadigheden gedreven worden, welke men zich tegen hulpelooze schipbreukelingen veroorlooft, en hoe in een land, hetwelk roem draagt op vrijheid en verlichting, de winzucht ook te dezen opzichte alle menschelijkheid uitdooft, ik was in mijn jeugd zeer bekend en zelfs nauw verwant met een Heer, wiens waren naam ik verzwijgen zal, daar een zijner zonen nog heden een aanzienlijk staatsambt bekleedt, en dien ik dus gemakshalve Murél zal noemen. Deze Heer van Murél woonde op zijn voorvaderlijk slot aan de noordkust van ons land gelegen; doch van het gezag, hetwelk zijn voorgeslacht had uitgeoefend, was hem slechts weinig bijgebleven, en het ontbrak hem bovendien aan middelen om zijn stand behoorlijk op te houden. Wel had hij grond genoeg in eigendom, en de afnemende zee vergrootte jaarlijks zijn grondgebied; maar om dit te bebouwen had hij de kosten eener indijking moeten dragen: en daartoe was hij niet in staat; te meer, daar hij geen slag, of geen lust had om van zijn inkomsten iets ter zijde te leggen; maar die verteerde naarmate hij die ontving; ja eer hij die ontvangen had. Wat hem nog het meest opbracht, was het strandrecht: wat op zijn wadden aan kwam spoelen of aan den grond raakte, was goede prijs; en daar kraaide nooit een haan naar; en wee den armen schipbreukelingen, die hulp of herbergzaamheid bij hem kwamen zoeken; want zij mochten zich gelukkig achten, indien zij vrij kwamen met opoffering van al hun geredde plunje, en indien hij hen niet de zee weer instuurde, waar zij pas uit gered waren.—Maar het was niet altijd stormweer: en niet altijd raakten er vaartuigen in het gezicht van het slot te Murél aan den grond; doch mijn bloedverwant zaliger had een vrij zonderlinge en geheel eigene manier om te zorgen dat dit gebeurde, en de kans zoo voordeelig mogelijk voor hem te maken. Hij was niet ongelijk aan sommige spelers, die, wanneer de fortuin hun niet gunstig is, raad weten om haar een weinig in de hand te werken en een zetje vooruit te geven. Zoo had hij b.v. altijd een loodsboot in zee, die bereid was haar diensten den voorbijvarenden schippers aan te bieden; doch wee dengenen, die ze aanvaardde, want hij kon zeker zijn, dat zijn vaartuig op het droge raakte en dat de lading in de bergplaats van den Heer van Murél overging. Langen tijd was dit middel met een goed gevolg bekroond geworden; doch ten laatste kregen de schippers het in den neus en bedankten den Heer van Murél voor zijn loodsen:—en nu moest er op een andere wijze raadgeschaft. Een zestal kloeke en welgewapende kerels werd den loods toegevoegd, en wanneer dan een voorbijzeilend vaartuig aan boord werd geklampt, was het wel genoodzaakt zich aan hun bedrieglijke leiding over te geven, en den gevorderden tol te betalen."
"Onbegrijpelijk!" riep ik uit: "en werd dit geduld?"
"Ik zoude het niet gelooven, veelmin verhalen," ging Van Lintz voort, "indien ik het niet had gezien; maar ik heb zelf, ik durf het thans wel te bekennen, meer dan een dier tochten bijgewoond: ik was toen nog zeer jong, had geen recht besef van het mijn en dijn, en het kwam niet in mij op, dat mijn oom iets onbetamelijke of onwettigs zoude gelasten: te meer daar hij mij dikwijls onderhield over zijn voorvaderen, die, naar hij beweerde, tot de Noordsche zeekoningen hadden behoord, wier leus was, op den Oceaan geen vrienden te kennen."
"Dan heeft UEd. toch zoo een beetje aan de zeerooverij gedaan," zeide Pulver: "en ik was straks niet zoo geheel buiten koers, dat ik u voor dien anderen aanklampte, die een effectieve zeeroover was."
"En liet het Landsbestuur zulke gruwelijke dingen ongestoord heur gang gaan?" vroeg Holmfeld met een verbazing, welke ik deelde.
"Wat zal ik u zeggen," hernam van Lintz: "de Heer van Murél was geen gemakkelijke patroon, en zeker geen kat om zonder handschoenen aan te vatten. Zijn schuldeischers betaalde hij niet en hij lachte er wat mede, of zij hem voor de Rechtbanken citeerden. Eens kwam er een gerechtsbode uit Groningen, met voornemen van beslag op gijn goederen te leggen, zoo roerend als onroerend; maar nauwelijks was hij het slot genaderd, of de Heer van Murél liet de brug ophalen en weigerde hem den toegang: toen de gerechtsbode hierop aandrong, binnengelaten te worden en met luider stem zijn mandaat begon te ontvouwen, liet de Heer van Murél hem aanzeggen, dat hij zich spoedig van zijn grondgebied had te verwijderen, en dat hij hem in het tegenovergesteld geval zonder eenigen vorm van proces zou doen ophangen. De ambtsdienaar liet zich deze waarschuwing niet herhalen en dankte den Hemel, toen hij zich weder buiten de grenzen der Heerlijkheid bevond. En die zelfde Heer van Murél zat in de vergadering van H. E. Mogenden en was een van 's Lands bestuurders. Prijs wie lust heeft, na dit voorbeeld, de vrijheid, welke men in dit Gemeenebest geniet," voegde de Heer Van Lintz er met een schamperen glimlach bij.
"Met verlof" zeide ik: "juist de omstandigheid, dat UEd. dit bijzonder geval aanhaalt en en als iets schier ongeloofelijks vertelt, bewijst, dat het eenig in zijn soort is en daaruit alzoo geene gevolgtrekking ten nadeele onzer staatsinrichting in 't algemeen kan getrokken worden."
Pulver als een goed patriot, rangschikte zich bij mijn gevoelen; terwijl Holmfeld daarentegen beweerde dat zijn passagier gelijk had en dat in de Vereenigde Provinciën eigenlijk niemand van die zoo hooggeroemde vrijheid genot had, buiten eenige bevoorrechte familiën. Hieruit ontstond een vrij langdurige woordenwisseling; waaraan Van Lintz een einde maakte, door mij voor te stellen, zijn verblijf beneden eens te bezichtigen; ik nam dit gereedelijk aan, te meer, daar ik bemerkte, dat Amelia zeer naar de vrije lucht begon te verlangen: en, inderdaad, de damp, welke de beide schippers uitbliezen, had het vertrek zoodanig vervuld: dat men er den rook kon snijden.
VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN DE GESCHIEDENISSEN VAN DE HEEREN BOS, VAN BEVEREN, DEN VLIESRIDDER, DEN BARON VAN LINTZ, DEN GRAAF VAN TALAVERA, DEN ZEEROOVER DON MANOËL ENZ. ENZ. WORDEN VERHANDELD, EN HETGEEN EVENWEL, WAT DE LENGTE BETREFT, MEE ZAL VALLEN.
Ik begreep, dat het bezoeken van zijn verblijf aan boord slechts een glimp was, door den Heer Van Lintz aangewend, om gelegenheid te vinden, mij alleen te spreken. Wij liepen dan ook de nauwe slaapplaatsen slechts even door en langs een andere trap weder op het dek komende, begaven wij ons naar de voorplecht.
"Het verheugt mij" zeide ik, "dat ik u hier beiden in veiligheid en van alle vervolging ontslagen zie."
"Ja Mijnheer!" zeide Van Lintz, terwijl hij met den vinger de blanke streep aanwees, die, van Vlieland naar Terschelling loopende, de grenzen tusschen het ruime sop en de binnenzee scheen af te teekenen: daarginds is het open vaarwater en de weg der vrijheid."
"Droevig genoeg," zeide ik, "wanneer men dien buiten zijn vaderland moet zoeken."
"Mijn vaderland!" herhaalde hij, met een bitteren lach: "wat noemt gij mijn vaderland? Is het dat rampzalige Graafschap, waar ik geboren ben en waar de eenzelvigheid van een onbeduidend plantenleven alleen gevarieerd wordt door buurt- of familietwisten? Zijn het die Zeven Provinciën, die verdeeld in zeden en belang, gestadig met elkander overhoop liggen, en waar eenige laatdunkende kooplieden, die men in andere landen nauwelijks de tafel der lakeien zoude waardig keuren, onbeschaamd het meesterschap voeren en de wereld willen regeeren? Is het dat Spanje, dat mij vogelvrij verklaard heeft?—Ik ben een wereldburger, Mijnheer!"
Ik achtte het onnoodig, dezen onbillijken en onbetamelijken uitval te beantwoorden, welke ik overigens zag, dat door Amelia niet werd goedgekeurd: want zij schudde het hoofd en zag haar vader met weemoed aan.
"Ik versta u, mijn dochter!" zeide hij, zich tot haar wendende: "ik weet, wat gij denkt, schoon gij het schroomt te zeggen; gij beschuldigt mij in uw hart, dat ik menschen en staten onrechtvaardig beoordeel, en dat ikzelf in vele opzichten de rampen, die u en mij troffen, door mijn handelwijze heb verwekt. Het is mogelijk: ik heb nooit willen buigen voor onrechtmatig gezag, noch voor wetten, door willekeur ingesteld.—Maar hierover genoeg; de oogenblikken zijn kostbaar en behoeven niet verbeuzeld te worden: ik ben den Heer Huyck schuldig zijn weetgierigheid te voldoen en hem die omstandigheden uit mijn levensloop mede te deelen en op te helderen, welke hem nog duister mochten voorkomen. Ik had gedacht, dit bij brief te doen: onze wederontmoeting biedt mij een gemakkelijker gelegenheid aan, om mij van die taak te kwijten."
Ik betuigde hem mijn genoegen over zijn toezegging: en zich op een affuit gezet hebbende, begon hij zijn verhaal:
"Ik ben geboren uit een adellijk geslacht van het Graafschap Zutfen, de jongste en thans eenig overgeblevene van een aantal kinderen. Mijn vader, de Baron Van Lintz, bracht zijn dagen op zijn afgelegen landgoed door, daar hij geen eigen middelen bezat om in de groote wereld eenig figuur te maken, en de Roomsche godsdienst, welken hij beleed, hem van het bekleeden eener winstgevende bediening uitsloot. Ik scheen dan ook bestemd om, gelijk mijn broeders, stil en onopgemerkt als een boeren-edelman voort te leven; maar het was anders door het lot beslist. Mijn moeder, die tot de heerschende Kerk behoorde, had in 's-Hage en elders vele en aanzienlijke bloedverwanten: en dezen, een meer dan gewonen aanleg in mij meenende te bespeuren, beduidden haar, aan mijn opvoeding een meerdere zorg ten koste te doen leggen, dan mijn broeders ten deel viel; terwijl zij met elkanderen de daartoe vereischte uitgaven op zich namen. Ofschoon ik door mijn vorderingen aan hun verwachting vrij wel beantwoordde, en een kennis van zaken en personen verkreeg, welke mij in mijn volgende loopbaan wel te stade kwam, had ik echter geen trek, om, gelijk zij verlangden, een geleerde te worden. Ik helde meer tot den zeedienst over, waartoe ik—'t geen zeker vreemd genoeg scheen in iemand, die als ik, in een landprovincie geboren was—een bijzondere neiging gevoelde, welke nog versterkt was geworden door de tochtjes, die ik jaarlijks, staande mijn verblijf bij mijn oom te Murél, op de Noordzee deed en waarvan ik u zooeven het een en ander verhaalde. Deze, mijn oom Van Murél was de eenige, die mijn neiging billijkte. Tegen den zin mijner overige bloedverwanten, die het belachelijk vonden, dat ik een loopbaan in zou treden, waar ik het, uithoofde mijner kerkleer, nooit, ver in kon brengen, werd ik, door zijne bemoeiingen als adelborst aangesteld: en na een paar jaren dienst zag ik mij, 't zij door toedoen mijner beschermers, 't zij omdat ik het werkelijk wel maakte, tot Luitenant bevorderd. Dit was nu zeer goed en wel; maar nu was ik ook tot dien rang gestegen, waar de slagboom neerviel: en kleingeestige staatsinstellingen moesten mij beletten, hier te lande ooit hooger op te klimmen.
Ik leerde ondertusschen, te Amsterdam zijnde, de dochters van den op pensioen gestelden Kapitein Reefzeil kennen. Ik werd verliefd op de jongste, en zag mij weldra gelukkig door haar wedermin. Het verschil van Godsdienst was echter een hinderpaal, waartegen mijn ouders minder zouden hebben opgezien (daar, gelijk ik zeide, mijn moeder insgelijks de hervormde leer beleed), doch die voor den ouden streng rechtzinnigen Reefzeil onoverkomelijk was. Bij de teleurstelling, welke ik hierdoor ondervond, voegden zich de verdrietelijkheden, welke mij dagelijks kwelden, wanneer ik jongere of min bekwame officieren mij over 't hoofd zag stijgen, alleen omdat zij der heerschende Kerk waren toegedaan. Ik had dit vroeger, bij 't aanvaarden mijner loopbaan minder geteld; doch nu ik het ondervond, werd het mij onverdraaglijk. Ik was, daar mijn geboorte mij den toegang tot de hoogste kringen verschafte, in kennis geraakt met den Spaanschen Gezant en deze opende mij de gunstigste vooruitzichten, indien ik konde besluiten, in den dienst van Z. Katholieke Majesteit te treden. Dit voorstel kwam mij te aanlokkelijker voor, nademaal ik begreep, dat ik op deze wijze mijn twee vurigste wenschen, het bezit mijner dierbare Cornelia en een hooger stand in de maatschappij, zoude kunnen bereiken. Ik haalde haar over, met mij te vlieden, zond mijn ontslag in, trouwde heimelijk in de kapel van den Gezant en vertrok, door hem van goede brieven van aanbeveling voorzien, met mijn echtgenoote naar Spanje. Ik werd aldaar goed ontvangen. Men had juist bekwame zee-officieren noodig; en het leed niet lang of ik zag mij aan boord van een oorlogsbrik geplaatst. Alles liep mij in den aanvang mede: ik had het geluk gewichtige diensten aan mijn nieuw vaderland te bewijzen en genoot een snelle bevordering. Door toevallige omstandigheden geraakte ik ook in diplomatieke betrekkingen: en een voordeelig tractaat met Portugal gesloten, deed mij in de gunst des Konings klimmen. Ik werd Admiraal, Grande van Spanje, Vlies-ridder, Graaf van Talavera, in één woord, ik zag weinigen mij gelijk en alleen den Koning boven mij verheven. Mijn eenige smart was, dat mijn gade de mij beschoren eer niet had kunnen deelen: zij was kort na mijn aankomst in Spanje overleden, na mij een dochter geschonken te hebben.
Mijn voorspoed (en hoe kon dit anders?) had den nijd van velen opgewekt, en men zocht mij van de hoogte, waartoe ik was opgestegen, te doen nedertuimelen: dagelijks kwamen den Koning geheime inblazingen ter oore: men klaagde mij aan van geldverspilling, van misbruik van gezag, in 't kort van tallooze wandaden, welke ik, zoo ze mij openlijk waren verweten geweest, met gemak had kunnen wederleggen; doch waar ik mij, zoolang ik die niet kende, niet tegen verdedigen kon. Langen tijd weerstond de Koning de kuiperijen mijner haters; maar eindelijk begon hij te wankelen, en zijn vertrouwen op mij verminderde. Ik ontving een zending naar Mexico. Ik begreep, dat deze verwijdering met een ballingschap gelijkstond; maar er viel niet anders te doen dan te gehoorzamen. Ik oordeelde echter, mij tegen de omstandigheden te moeten dekken en zond daarom verscheidene papieren van waarde, ook eenige bescheiden, welke tot mijn justificatie konden strekken, en bij sommige waarvan aanzienlijke lieden uit Spanje gecompromitteerd waren, met een zekere gelegenheid naar Holland, met last om die bij een Notaris te deponeeren, onder voorwaarde van die aan niemand, dan op mijn schriftelijke vergunning, ter hand te stellen. Ik vertrok dan naar Mexico en nam mijn dochter mede, die na den dood van haar moeder in een klooster was opgebracht geweest. Mijn afwezigheid gaf ruim baan aan mijn beschuldigers, en zij verzuimden de gelegenheid niet. Een half jaar had ik in de nieuwe wereld doorgebracht, toen een vaartuig de tijding kwam brengen dat ik naar Spanje teruggeroepen werd om mijn gedrag te verantwoorden. Ik moest gehoorzamen; maar nauwelijks was ik met mijn dochter aan boord van het transportschip gekomen, of mijn degen werd mij afgeëischt, en ik zag mij als gevangene behandeld. Op de terugreis werd ons vaartuig door zeeroovers aangerand en genomen. Alles werd over de kling gejaagd en ik had mijn behoud en dat mijner dochter alleen te danken aan de omstandigheid, dat een der roovers, die vroeger onder mij gediend had, mij herkende. Terwijl men mij naar de schuilplaats der vrijbuiters voerde, kwam mijn oom Van Murél met zijn verhalen mij voor den geest. Ik vormde het besluit mij op het ondankbare Spanje te wreken en voortaan als een Noordsche Zeekoning te leven. Ik liet mijn voornemen aan mijn beschermer bemerken: deze juichte het toe: en toen hij, aan wal gekomen, mijn naam, de smadelijke behandeling, die ik tot loon mijner diensten ondergaan had, en mijn besluit om mij bij hen te voegen, aan de zeeroovers openbaarde, werd ik met algemeene stemmen tot hun opperhoofd verkoren. Wat in de jaren, die ik in het Meer van Maracaibo doorbracht, door mij verricht is, ga ik liefst voorbij: genoeg zij het, dat ik geduchte wraak op Spanje nam van de beleediging mij aangedaan; en de goede Kapitein, die ginds zijn pijp zit te rooken, kan u verhalen hoe gevreesd de naam van Don Manoël in den Mexicaanschen zeeboezem en in de Zee der Antilles was."
Hier viel ik den verhaler in de rede.—Gij wildet wraak op Spanje nemen," zeide ik: "maar kwam die wraak over beleedigingen u door de Rijksgrooten aangedaan, niet op het hoofd neder van onschuldige kooplieden en schippers, die wellicht te voren uwen naam met eerbied genoemd en uw bestuur gezegend hadden?—moest op deze wijze niet de onschuld het gelag betalen?"
"Ik erken, dat uw aanmerking juist schijnt," zeide Van Lintz: "maar is dit niet bij elken oorlog het geval? Boeten de soldaten, die in den veldslag sneuvelen, de arme landlieden, wier oogst vernield en weggeroofd wordt, de burgers, die hun woningen geplunderd en verwoest zien, niet voor het vergrijp der vorsten, in wier raadsvertrek de krijg besloten is? Ik ook, ik had den oorlog aan Spanje verklaard en aan al wie met Spanjaards heulde; en ik strafte den ondankbaren vorst in zijn onderdanen. Gij zult mij wellicht tegenwerpen, dat ik—naar het gewone gevoelen, een roover was en geen vorst door Gods genade; maar ik erken het onderscheid niet, dat door een partijdige beschouwing gemaakt is! ik was Souverein: ik heerschte met onbepaalde macht over de mijnen, en het eenige verschil tusschen mijn tegenpartij en mij bestond daarin, dat ik slechts over vijfhonderd, hij over vijftig millioen onderdanen gebood—maar des te grootscher scheen het mij, zijn overmacht te tarten."
"Ik zal hierover in geen woordentwist treden, die ons te verre zoude leiden," zeide ik, glimlachende over de drogredenen, waarmede Van Lintz zijn handelingen zocht te vergoelijken: "ik acht het met dat al gelukkig, dat niet iedereen zich geroepen voelt, om een dusdanige nieuwe maatschappij te stichten en op roof en doodslag te gronden. Intusschen schijnt die tijdelijke heerschappij, hoe grootsch ook, u verdroten te hebben. UEd. heeft die, meen ik, vrijwillig verlaten."
"Vrijwillig!" herhaalde Amelia, zich aan haar vader klemmende: "ja gewis, Mijnheer Huyck! Vrijwillig, en uit weerzin tegen de leefwijze, die wij leidden. O! geloof toch niet, dat mijn vader in ernst het gevoelen voorstaat, dat hij zooeven uitte. Neen! de omstandigheden, de dwang der roovers, in wier macht wij ons bevonden, noodzaakten hem, in het eerst, hun opperhoofd, of hun slachtoffer te worden; en een gevoel van wraakzucht kan zich daarmede gemengd hebben;—maar ik heb te vaak gezien, met deelneming bijgewoond, hoe dat lijden van onschuldigen, hoe die buit, op ongelukkigen verworven, hem bittere uren en slapelooze nachten gekost hebben, hoe de omgang met zijn woeste gezellen hem tegenstond, en hoe het besef, dat hun handwerk strafbaar in Gods oogen was, hem ieder oogenblik den boezem benauwde. Vergeef mij, mijn vader, zoo ik te vrijmoedig spreek;—maar uw hart was beter dan uw daden: en vaak hebt gij ook naderhand het uur gezegend, waarin gij het besluit volbracht, om aan die leefwijze voor eeuwig vaarwel te zeggen."
"Ik zal ten minste altijd het uur blijven zegenen, dat mij u tot dochter gaf," zeide Van Lintz, Amelia vriendelijk over de wangen streelende: "en ik wil gaarne bekennen, dat ik zonder u, dat besluit, waar gij van spreekt, niet zoo licht zoude genomen hebben;—want, hetzij mijn beroep schuldig ware of niet, ik was er in vele opzichten aan gehecht: en men moet zeeman geweest zijn, Mijnheer Huyck! om zich het alles overwinnende genot voor te stellen, dat men smaakt, wanneer men, met een goed schip onder de voeten en aan 't hoofd eener stoutmoedige en voor niets vervaarde manschap, de zeeën beheerscht en geen meester erkent:—doch genoeg hierover: welke dan ook mijn beweegreden mogen geweest zijn, ik verliet mijn nieuwe onderzaten en droeg het bevel over de bende aan een jongeling over, die met dienzelfden Kapitein Pulver, die mij straks herkende, in mijn handen geraakt is. Gij hebt den knaap gezien: hij was het, die aan den weg nabij Naarden, op dien avond...."
"o!" riep ik uit: "ik heb hem sedert genoeg weder gezien: en wat meer is, hij bevindt zich op dit oogenblik hier geen half uur vandaan: UEd. zoude hem desnoods met een gewonen kijker kunnen zien.—Doch daarover nader: laat ik uw verhaal niet storen."
"Het overige," hernam Van Lintz, "heeft weinig te beteekenen. Ik trok weder naar Europa en kwam behouden in Frankrijk aan. Daar bood ik mijn dienst aan verschillende hoven; maar reeds had zich het gerucht, althans het vermoeden verspreid, dat de Graaf van Talavera en de Zeeroover Don Manoël één persoon waren: en ik ontving allerwegen afwijzende beschikkingen op mijn voorslagen. Eindelijk slaagde ik er in, betrekkingen aan te knoopen met het Russische hof. Het werd echter noodig geoordeeld, opdat de zaak haar beslag krege, dat ik een persoonlijke samenkomst had met den Gezant van den Czaar te 's-Hage en zijn agent te Amsterdam. Ik kwam derhalve naar de Nederlanden: doch werd reeds aan de grenzen gewaarschuwd, dat men mij in Holland als deserteur beschouwde, omdat ik indertijd zonder verlof was weggereisd, en dat bovendien de Spaansche Gezant mij opeischte. Men raadde mij dus, zoo ik het wagen wilde, onder een bedekten naam over te komen. Ik had in het Graafschap mijn ouden vader teruggezien; maar helaas! het was alleen om hem de oogen te sluiten: mijn moeder, al mijn broeders waren reeds lang gestorven.—Niemand van al mijn naaste betrekkingen was meer in leven, dan Martha, mijn oude voedster, welke ik vernam, dat thans de hoeve nabij Naarden bewoonde. Ik vormde toen het plan mij aldaar schuil te houden, tot ik bericht ontving, of ik mij in Amsterdam mocht wagen, en inmiddels mijn dochter derwaarts te zenden, om de gewichtige papieren te lichten, welke onder den Notaris Bouvelt berustende waren. Het overige is u bekend."
"Omtrent," antwoordde ik: "alleen weet ik niet, hoe gij beiden u thans hier bevindt, noch welke uw uitzichten voor de toekomst zijn."
"Gij weet," hernam Van Lintz, "dat mij de heer Blaek, om redenen voor u van geen belang, zijn dienst had toegezegd. Op den morgen, toen het feest aan de hoeve zoude plaats hebben, zorgde hij een half uur voor de andere gasten aanwezig te zijn: en, in zijn koets verscholen, reed ik naar Huizen, waar mij een boot wachtte, die mij naar den boeier bracht van den Heer Blaek, met welken ik naar dit vaartuig werd gesmokkeld, hetwelk gedeeltelijk door hem bevracht is, en waar hij voor mij en mijn dochter plaatsen had besproken. Amelia, in stilte van ons plan verwittigd, was in Amsterdam reeds scheep gegaan; en het gelukte ons alzoo ten einde toe de vervolging en de list van uw Heers vaders agenten te ontduiken. Thans vlei ik mij, op de plaats onzer bestemming gekomen, gelegenheid te vinden om mij naar Rusland te begeven, alwaar de Hemel mij vergunne, mijn dagen, na zooveel wisselvalligheden, in vrede te slijten en aan mijn arme dochter die rust te bezorgen, welke haar geschokt gestel behoeft.—Neem gij intusschen, Mijnheer Huyck! nogmaals mijn dankbetuiging aan. Ik weet, dat het bewaren van ons geheim u een bron van verdriet is geweest."
"Neen, mijn vader!" zeide Amelia: "gij weet nog niet alles:—ach! gij weet niet, welk leed wij den Heer Huyck onwillekeurig veroorzaakt hebben. Zijn zoetste hoop, zijn vurigste zielswensch hebben gevaar geloopen, van door onze noodlottige kennismaking voor altijd verstoord te worden.—Ja!" vervolgde zij met klimmende aandoening, ziende dat ik zwijgend voor mij staarde, terwijl haar vader ons beurtelings met eenige verwondering beschouwde: "een paar woorden, aan Mejuffrouw Jetje Blaek ontvallen, hebben een lichtstraal bij mij doen geboren worden, en ik heb niet gerust voordat mij alles was opgehelderd.—ik heb vernomen, hoe gij, Mijnheer Huyck! Mejuffrouw Blaek bemindet: hoe zij u met wederliefde loonde, hoe haar oom deze verbintenissen tegen was, en hoe lastertongen, die haar onze betrekking als misdadig voorstelden, haar hadden doen besluiten, u alle verdere aanspraak op haar te ontzeggen."
"Hoe!" riep Van Lintz uit, mij met een blik aanziende, waarin zich de uiterste verbazing teekende: "bestond er een teedere betrekking tusschen u en Mejuffrouw Blaek?... de nicht van den ouden Blaek?"
"Ik kan het niet ontkennen," antwoordde ik: "maar thans, daar uw vertrek mijn gelofte heeft opgeheven, vlei ik mij, mijn gedrag ook bij haar te zullen kunnen rechtvaardigen."
"Voor uwe rechtvaardiging zal ik zorgen," zeide Van Lintz, terwijl hij opstond en onstuimig heen en weder op het dek wandelde: "vervloekt zij de belofte, die mij de oude zondaar heeft afgeperst!—Maar ben ik er dan aan gehouden, nu het blijkt, hoe hij mij misleid heeft?—Hij heeft mij verhaald dat het huwelijk tusschen zijn zoon en zijn nicht een stellig bepaalde zaak was."
"Ik weet," zeide ik, "dat zulks zijn verlangen was; en men gelooft gaarne wat men wenscht; maar tot nog toe is het mij niet gebleken, dat de beide jonge lieden genegen waren, de door hem gekoesterde hoop te vervullen. Wat echter de reden betreft, waarom hij zoo sterk op die verbintenis gesteld is, deze kan ik niet gissen."
"Maar ik des te beter," riep Van Lintz: "hij heeft mij misleid, ik herhaal het; maar hij moet niet denken, dat men mij straffeloos tot speelbal neemt. Ik zal hem schrijven:—hij zal u zijn nicht geven—en een goeden bruidsschat bovendien, of ik zal hem het masker afrukken en aan de kaak stellen, den schijnheiligen bedrieger; ik heb er de middelen toe: en hij weet dit."
"Hoe!" vroeg ik, op mijne beurt verbaasd: "UEd. zou in staat zijn...."
"Ik ben de oorzaak van uw verdriet," zeide Van Lintz: "en het is niet meer dan billijk, dat ik goedmake, wat ik bedorven heb. Wees gerust: het hart van een jong meisje laat zich niet dwingen; doch, zoo het slechts aan de toestemming van Jacobus Blaek mangelt—hij zal die geven, dat zweer ik u. De zwarigheid zal alleen daarin bestaan, om zijn nicht van de verkeerdheid harer vermoedens te overtuigen."
"O!" zeide Amelia, terwijl zij mij met een betooverenden glimlach aanzag, en tevens eenige tranen afwischte, van welke ik mij geen rekenschap wist te geven: "een vrouw slaat zoo gaarne geloof aan de onschuld van hem, dien zij liefheeft. Laat de Heer Huyck geen moed verliezen; hij zal, vlei ik mij, bij zijn terugkomst geen moeite hebben, om zijn Henriëtte te overtuigen, dat hij nooit iemand buiten haar bemind heeft."
"Hoe!" zeide ik, aangenaam gestreeld door de hoop, die zij mij gaf, en tevens verrast door het stellige van haar belofte: "gij gelooft waarlijk...."
"Ik ben er zeker van," zeide zij: "maar," vervolgde zij, zich half omwendende: "nu niet meer over dit onderwerp."
"Neen!" zeide Van Lintz, ziende dat ze hevig ontroerd was: "over iets anders gesproken.—Gij zeidet mij zooeven, dat gij mijn voormaligen Luitenant Sander Gerritsz, of Zwarten Piet, zooals hij zich naderhand noemen liet, op Terschelling hadt gelaten?"
Ik voldeed op dit punt aan de nieuwsgierigheid van Van Lintz. Mijn verhaal wekte zijne deelneming en die zijner dochter: en beiden gaven den wensch te kennen, dat Sander hen op de reis vergezellen mocht en evenals Van Lintz zelf, gelegenheid zoeken om in dienst des grooten Czaars een nieuwe en meer eerlijke loopbaan te beginnen. Aan de toestemming van Sander viel niet te twijfelen; want het was bij mij zeker, dat hij nog de oude gehechtheid voor zijn voormaligen meester koesterde, en ik maakte mij sterk hem te overtuigen, dat, al bleef Klaartje in 't leven, zij toch voor hem verloren was. Er bleef dus alleen over, door Kapitein Holmfeld het innemen van een nieuwen passagier te doen goedkeuren: en wij waren juist voornemens hem deswege te gaan spreken, met verzwijging natuurlijk der omstandigheden, waarmede het raadzaam was niet voor den dag te komen, toen de beide Kapiteins naar ons toekwamen.
"Wel zoo! zijn de vrienden een luchtje gaan scheppen?" vroeg Pulver, en zich toen tot Van Lintz wendende, die op wilde staan: "blijf zitten, Mijnheer! hou uw gemak, zooals de havik tot de duif zei terwijl hij haar plukte: ja, wou jelui zien, waar de Fortuin gebleven is?—naar den kelder, Mijnheer! en de visschen zitten er misschien al in de kajuitskamer een kaartje te spelen."
"Inderdaad!" zeide ik, den blik naar de zandbank wendende, waar ik den dag te voren het wrak nog herkend had en nu niets meer te zien was: "zij is verdwenen! Hoe kan in zulk een korten tijd....?"
"O!" zeide Pulver: "het zand is hier in eeuwigdurende beweging, en een Loods behoeft geen drie weken ziek te zijn om het vaarwater te verleeren. Wij liggen hier nu goed en wel op Maklijk-Oud en hebben water in overvloed; maar Joost weet, hoe het over ettelijke jaren zal wezen, als die verwenschte Robbeplaat nog verder kuiert."
De vrees van Pulver werd bewaarheid; want, op dit oogenblik dat ik schrijf, is sedert lang die reede voor gewone vaartuigen ontoegankelijk geworden en biedt zij alleen bij hoog water den visscher een tijdelijke schuilplaats aan.
"Bedrieg ik mij?" vroeg Schipper Holmfeld, die middelerwijl met zijn kijker naar den kant van het Vlie had uitgezien: "of is het de boeier, die den Heer Bos aan boord gebracht heeft, die ginds komt opzeilen? Gelieft UEd. eens te zien?"
"Inderdaad!" zeide Van Lintz, na op zijne beurt te hebben uitgekeken: "ik heb er niet veel opgelet; maar nu gij 't zegt, hij heeft er veel van."
"UEd. heeft toch niets vergeten?" vroeg Pulver.
"Niets van zoo groot belang, dat men het mij zou komen nabrengen:—ja waarlijk ... hoe meer ik hem beschouw:—zie zelf eens, Mijnheer Huyck...."
"Het is het jacht van Lodewijk Blaek!" riep ik uit, door den kijker ziende, en den groenen voorsteven met verguld beeldwerk herkennende, waar het zilveren schuim tegen opspatte:—en vervolgens, Van Lintz ter zijde trekkende: "was hij mede in 't geheim van uw vertrek?" vroeg ik hem.
"Dat gewis niet," antwoordde Van Lintz; "en al wist hij er van, hij althans zoude de onbeschaamdheid niet hebben, mij opnieuw onder de oogen te komen."
"Het zou toch nogal toevallig zijn," zeide ik, "indien hij juist in den zin gekregen had, ook dezen koers uit te komen. In allen gevalle zullen wij geduld dienen te hebben, en afwachten wat het geeft."
Wij bleven aldus een geruimen tijd uitkijken, zonder dat het vaartuig ons merkbaar naderde, daar het door den tegenwind genoodzaakt was te laveeren, en ons, nu zijn voorplecht, dan zijn, met sierlijk, in den zonneglans fonkelend loofwerk pronkenden spiegel vertoonde. Eindelijk kwam men ons van onze beschouwing afroepen met het bericht, dat de maaltijd was opgedischt, en begaven wij ons in de kajuit. Aan tafel gezeten, had Pulver nauwelijks een mondjevol soep binnen, of hij begon weder over de groote gelijkenis tusschen den Heer Bos en zijn ouden kennis den Zeeroover; en wij moesten met of tegen dank, het verhaal zijner ontmoeting in de Zee van de Antilles hooren, en tevens hoe hij op Terschelling zijn ouden kennis Sander teruggevonden had. Ik nam hieruit aanleiding om den Heer Van Lintz, na hem een geheimen wenk te hebben gegeven, de vraag te doen, of hij niet een bediende noodig had, en hem Sander als zoodanig aan te bevelen.
"Wat drommel, Patroon!" riep Pulver uit: "wou UEd. nou van Sander een huisknecht maken? Is dat een werk voor een jongen, die het zeegat uit geweest is, en als Stuurman heeft rondgezwalkt?"
"Daarom zou hij mij des te liever zijn," antwoordde Van Lintz. "Ik heb iemand noodig, die de zeevaart verstaat; want tusschen ons gezegd: mijn reis staat met de zeevaart in betrekking ... ik ben in mijn leven verder dan op moeders bont boezelaar geweest:—en zoo die Sander Gerritsz...."
"UEd. heeft zijn naam goed onthouden," zeide Pulver, wiens vermoedens weder bovenkwamen en versterkt werden door de zeemansuitdrukking, welke Van Lintz gebezigd had: "en ik wil mijn leven op een vermolmde ra doorbrengen, zoo het heden de eerste reis is, dat UEd. dien heeft hooren noemen. Nu!—dat daargelaten: Harmen Pulver is ook niet mal: en ik weet wat ik denk, zooals de vent in 't dolhuis tegen den oppasser zei."
Van Lintz wilde antwoorden, en ik zag het oogenblik komen, waarin een verklaring onvermijdelijk werd, toen wij opeens een groote drukte aan boord vernamen, en een geluid als van een vaartuig, dat het onze langs zeilde; terwijl het over en weer roepen en praten ons gissen deed, dat er iemand aan boord gekomen was.
"Ik hoor vreemd volk, Kapitein Holmfeld!" zeide ik: "pas maar op: men zou uw boeier prijsmaken eer gij er op verdacht waart."
"'t Zal misschien die Don Manoël wezen, daar de Schipper zooeven van vertelde," zeide Holmfeld, lachende, terwijl hij opstond.
"Neen: daar wil ik mijn kop wel op verbeuren van neen," zeide Pulver: "ofschoon, een kennis van hem, dat ware mogelijk:" en hij zag Van Lintz wantrouwend van ter zijde aan, terwijl Holmfeld de kajuit verliet om te gaan zien, wat het wezen kon.
"Het is, zoo waar ik leve, het jacht van den Heer Blaek, dat van ons afgaat;" zeide Van Lintz, uit het raam ziende: "wat kan dat beduiden?"
Nog had hij niet uitgesproken, toen de deur openging. Kapitein Holmfeld trad binnen, deed een stap zijwaarts en liet iemand door, wiens bijzijn wij er verre af waren te verwachten of te wenschen—Lodewijk Blaek.
ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN ZICH HET OUDE SPREEKWOORD BEVESTIGD VINDT, DAT MEN GEEN HEI MOET ROEPEN, EER MEN OVER DEN DAM IS.
De aankomst van dezen onwelkomen gast bracht geen geringe ontsteltenis teweeg bij de personen, die zich in de kajuit bevonden Amelia werd doodsbleek, haar knieën knikten en zij hield zich aan den rug van haar stoel met beide handen vast om niet te vallen. Haar vader stond verrast en wierp op Lodewijk een blik vol toorn en verontwaardiging: en ik zag met bezorgdheid de toekomst te gemoet, overtuigd, dat de verschijning van dezen laatsten niets goeds voorspelde, en tot ergerlijke tooneelen zoude aanleiding geven; temeer, toen ik den glimlach bespeurde, die op zijn lippen zweefde.
"Ik heb de eer het gezelschap nederig te groeten, zeide hij, een spottenden blik op Van Lintz werpende; maar de uitdrukking van zijn gelaat veranderde en zijn kleur verschoot, toen hij mij herkende.
"Ga zitten, Mijnheer Blaek!" zeide Holmfeld: "waarlijk, wij waren er verre af, van ons op uw bezoek te verwachten: dat is hupsch van u."
"En waarom niet?" zeide hij, zijn onbeschroomdheid terugvindende, en plaatste zich meteen op den hem aangeboden stoel naast Amelia, die den haren verschoof: "ik ben immers een liefhebber van op het water rond te zwalken. Maar laat ik niemand storen. Houdt uw gemak, Mijne Heeren! Ik hou, zooals ik zeide, veel van een speelreisje; en bovendien, ik wenschte Mijnheer (zich tot Van Lintz wendende) te bedanken voor de eer, die hij mijn jacht heeft aangedaan, door het tot zijn overtocht te gebruiken. En de Heer Huyck ook hier! maar dat verwondert mij minder: men ziet den rook, waar het vuur is:—en als men zulke trekpleisters heeft...." hier zag hij, schamper lachende, naar Amelia.
"Mijnheer!" zeide Van Lintz, met nadruk: "ik ben hier slechts passagier aan boord, en de Kapitein kan toelaten wie hij verkiest; maar ik moet u zeggen, nu het mij blijkt, dat gij bewust waart van onze tegenwoordigheid alhier, dat uw ongewenscht bezoek de maat vult van al uw onbescheidenheden te mijwaarts."
"Kom Heer Graaf! of welken naam UEd. thans verkiest te dragen," zeide Lodewijk: "UEd. kan het zoo kwaad niet meenen: er is, zoo ik wel onderricht ben, ook een tijd geweest, dat UEd. ongewenscht aan boord kwaamt bij dezulken, die u voor St.-Felten wenschten. Daar is Kapitein Pulver, die weet er een geschiedenis van te vertellen."
"'t Is bij mijn zolen niets anders als ik dacht," zeide Pulver: "ja! ja! Pulver laat zich geen brik voor een barkas verkoopen, zooals ik zei."
"En gij, Kapitein Holmfeld!" vervolgde Lodewijk tegen den verbaasden Schipper: "gij moogt ook wel toezien, of uw geëerde passagier zou uw schip wel eens naar de Baai van Venezuela kunnen sturen."
"Ellendeling!" riep Van Lintz, bleek van woede en zich met moeite bedwingende: "Wat hebt gij voor? Wat beduidt uw komst, en de taal, die gij voert?"
"Ik begrijp er niets van," zeide Holmfeld: "uw eigen vader, Mijnheer Blaek! heeft mij deze lieden aanbevolen en aan boord doen ontvangen."
"Mijn vader is, met verlof gezegd, een oude suffer," zeide Lodewijk: "maar hij had wel anders gehandeld, indien hij geweten had, dat gindsche Heer, die zulk een hoogen toon voert, een deserteur is en een zeeroover."
Er volgde een oogenblik van algemeene stilte op deze woorden. De oogen van Van Lintz rolden hem vreeselijk in 't hoofd, het schuim stond hem op de lippen, en hij ware Lodewijk ongetwijfeld aangevlogen, had niet Amelia, eene uitbarsting willende voorkomen, zich voor haar vader geplaatst en hem omvat.
"Mijnheer mag wezen wie hij wil," zeide Holmfeld, na zich een wijl bedacht te hebben: "hij is mijn passagier: ik heb geld voor den overtocht ontvangen en ik versta niet, dat hij aan mijn boord beleedigd worde."
"Goed gesproken!" zeide Pulver: "of hij een deserteur is geweest weet ik niet; maar, zoo hij al een zeeroover was, kan ik getuigen, dat hij mij op een bescheiden wijze behandeld heeft en mij ongemolesteerd heeft laten gaan, toen hij mij zonder genade had kunnen opknoopen."
"Met u praat ik niet," zeide Lodewijk, "en wat Kapitein Holmfeld betreft, hij mag zich tweemaal bedenken over hetgeen hij zegt; want het zou wel kunnen gebeuren, dat hij anders geen zaken meer te doen kreeg voor ons kantoor."
"Hoor eens," zeide Holmfeld, op zijn beurt warm wordende: "Mijnheer Bos, of zoo hij heeten mag, is onder bescherming van de Deensche vlag en niemand zal hem hier verder affronteeren. En wat u betreft, Sinjeur! die hier twist komt zoeken, ik raad u, maak maar gauw, dat gij van mijn bodem afkomt, of ik laat u tusschendeks smakken en pak u mede naar Denemarken. Wat hagels! ik ben baas op mijn schip."
Lodewijk beet op zijn lippen: "Ik ga," zeide hij, op een sarrenden toon: "en zal te Amsterdam bericht brengen, dat Kapitein Holmfeld misdadigers laat ontsnappen en dat de zoon van den Hoofdschout een afscheidsglaasje met hen drinkt."
Ik had mij voorzichtigheidshalve niet in den twist gemengd; maar deze persoonlijke beleediging begreep ik niet voorbij te kunnen laten gaan: "Mijnheer Blaek!" zeide ik: "ik heb tot nog toe gezwegen: maar ik moet u zeggen, dat gij hier een ellendige rol speelt."
"Met u heb ik thans niets te schaffen," zeide hij; "maar later zult gij mij voldoening voor die woorden geven."
"Ik had u die reeds lang afgevergd," zeide ik: "indien de eerbied voor uw vader en nicht mij niet weerhouden hadden."
"Mijn nicht!" hernam hij, schamper lachende: "het voegt u wel van mijn nicht te spreken, wanneer ik u met uw maitres in gezelschap vind."
"Dat is te veel!" riep ik uit: "zoodra wij aan wal zijn...."
"Gij hebt gehoord, wat ik gezegd heb," zeide Holmfeld, terwijl hij Lodewijk in den kraag vatte: "nog één woord en ik smijt u in den kelder."
"Een oogenblik!" zeide Van Lintz, die inmiddels zich geweld had aangedaan om bedaard te blijven: "indien hier iemand beleedigd is, zoo ben ik het. Ik had wellicht, uit aanmerking van den dienst, welken mij des jonkmans vader gedaan heeft, zijn onbezonnen uitvallen kunnen verschoonen; maar het is de eer mijner dochter, welke hij aanrandt, en bij den Hemel! hij zal niet naar Amsterdam terugkeeren om daar haar goeden naam door zijn schandelijke lastertaal te bezwalken. Welke wapenen verkiest gij, Mijnheer Blaek?
Aller oogen waren op Lodewijk gevestigd; hij sloeg even de zijne neder onder den ontzagwekkenden blik van Van Lintz; maar zijn gelaat bleef dezelfde spotachtige uitdrukking behouden, welke het van zijn binnentreden af niet verlaten had.
"O ho!" zeide hij: "begint Mijnheer eindelijk te begrijpen, dat er een fatsoenlijker wijze is om tusschen cavaliers een twist te beslechten dan met de vuist, gelijk gemeene kruiers?—Wat zal ik u antwoorden? De wapens zijn mij vrij onverschillig; maar liefst vecht ik op den vasten wal; ik heb nooit het ambacht van zeeroover uitgeoefend: en schoon ik redelijk vast sta op de planken van mijn jacht, ben ik nooit gewend geweest—zooals andere lieden—het rapier of de pistool aan boord te bezigen!"
"Het zij zoo!" zeide Van Lintz: "wij zijn in 't gezicht van Terschelling, en daar zal zich wel een eenzaam plekje bevinden waar wij onze zaak kunnen afdoen. Gij zult er zeker niet tegen hebben, dat de Heer Huyck en Kapitein Pulver ons tot getuigen strekken."
"Ik zie niet, dat wij getuigen noodig hebben," zeide Lodewijk; "maar, wat mij betreft, ik heb er niets tegen.—Hoewel de duinkant eenzaam zij, is het verkieslijk, zoomin geruchts mogelijk te maken: en alzoo stel ik voor, den degen te gebruiken."
Van Lintz boog het hoofd ten teeken van goedkeuring. De Kapiteins en ik zagen elkander met verwonderde blikken aan; want de keus van Lodewijk scheen ons vreemd en gewaagd toe: immers, al had hij ook den naam van een geoefend schermer te zijn, hij kon, op 't oog af, niet gerekend worden zijn forsch gespierden weêrpartijder in kracht of behendigheid te evenaren: en een gevecht met pistolen, had, naar onze meening, meer gelijkheid tusschen partijen gevormd. Er viel echter niets aan te veranderen, daar Lodewijk het zelf zoo gewild had; doch de achtelooze, onverschillige wijze, waarop hij zijn keuze gedaan had, bleef ons, evenals die keuze zelve, onverklaarbaar.
Droevig was echter de uitwerking, welke de afloop van den twist op Amelia deed. Schoon haar oog geen traan ontvloot, teekenden al haar gelaatstrekken hevige ontroering en bezorgdheid. "O God!" riep zij, de handen angstig wringende: "moet er om mijnentwil een tweegevecht plaats hebben?—Heb ik niet reeds genoeg uitgestaan, mijn Vader! en moet de laatste stap, dien gij op uw geboortegrond doet, met bloed geteekend worden?—Kunt gij dat niet beletten, Mijnheer Huyck?"
Ik haalde de schouders op: en in waarheid, welk een afkeer ik van nature ook tegen die onmenschelijke en onchristelijke gewoonte koester, om elkander als wilde dieren naar het leven te staan, ik zag niet, hoe er in dit geval aan een vergelijk of verzoening kon gedacht worden: "al wat ik kan voorstellen," zeide ik, "is om zelf de plaats van uw Heer vader te nemen en den Heer Blaek, voor zijn lastertaal de straf te geven, die hij verdiend heeft."
"Is het op die wijze, dat gij mijn zorg denkt te verminderen? en is deze de eenige troost, dien gij mij geven kunt?" zeide Amelia met een verwijtenden blik.
"Wees vooralsnog niet voor uw lief bekommerd, Mejuffrouw!" zeide Lodewijk: "ik hoop later mij met den Heer Huyck te meten en hem zijn smadelijke woorden te doen opslikken:—eerst moet de zaak met uw vader afgedaan zijn."
"Wees toch bedaard Amelia!" zeide Van Lintz, eenigszins ontevreden over den twijfel, welken zijn dochter over den uitslag van het tweegevecht scheen te voeden: de Heer Blaek verlangt een les: hij heeft die noodig: en ik ben bereid, hem die te geven: zou UEd. de goedheid willen hebben, Kapitein Holmfeld! van de sloep vaardig te doen maken. Ik vlei mij, dat wij niet lang zullen wegblijven."
"Te drommel!" fluisterde Pulver mij in 't oor: "wie had dat kunnen vermoeden? Zou UEd. den Heer Lodewijk niet kunnen raden alsnog zeil te minderen? Hij mag groot en sterk zijn: maar tegen dien driedekker van een Don Manoël is hij niet opgewassen."
"Het heeft zoo moeten zijn," zeide ik: "en het ligt er nu eenmaal toe; maar ik had wel gewenscht, dat die thee op den bodem van de zee lage en dat wij hier nooit aan boord waren gekomen; want de hemel weet, hoe men dit geval ten onzen nadeele zal uitleggen."
Wij waren intusschen de kajuit uitgetreden: Holmfeld was zijn bevelen gaan geven tot het klaarmaken der sloep: Van Lintz was naar beneden om zijn degen en mantel te gaan halen, en Lodewijk, tegen het gangboord leunende, stond een deuntje te fluiten en naar wal te zien. Nu naderde mij Amelia en zeide:
"Gij belooft mij, toe te zien, Mijnheer Huyck! dat alles naar behooren toega. Ik kan het niet helpen, maar ik mistrouw dien Heer Blaek."
"Ik heb nooit de beste gedachten van hem gehad," zeide ik: "maar wij zullen zorgen, dat alles volgens de regels geschiede. Ban uw vrees: het zal beter afloopen, dan gij denkt. Uw vader is zich zijner kracht bewust en de jaren voorbij, waarin men onbesuisd te werk gaat en zonder nadenken handelt. Ik bedrieg mij zeer, of zijn voornemen is alleen, dien onbedachtzamen knaap een aandenken aan zijn meerderheid te geven.—Intusschen, ik wenschte met u, dat dit alles geen plaats had gehad."
De sloep was nu gereedgemaakt en Kapitein Holmfeld verzocht ons, den meesten spoed aan onze verrichtingen bij te zetten, daar hij zijn manschappen niet langer dan noodig ware wilde missen. Lodewijk steeg eerst af: vervolgens de Heer Van Lintz, na zijn dochter hartelijk vaarwelgekust te hebben. Ik drukte haar zwijgend de hand tot afscheid en volgde met Pulver; maar nog waren wij niet allen gezeten, toen Amelia boven aan de trap verscheen en, eer iemand het verhinderen kon, zich naar beneden liet glijden.
"Wat wilt gij? En welke dwaasheid is deze?" vroeg haar vader, op een strengen toon.
"Ik wil met u naar wal gaan," zeide Amelia: "niet dan door dwang zal ik u verlaten: mijn besluit is onverzettelijk: en gij weet, mijn vader, dat ik, wat vastheid van wil betreft, uw waardige dochter ben—vrees niet dat ik uw opzet storen of verhinderen zal. Ik zal bij de sloep blijven: gebeurt er eenig ongeval—'t geen de Heiligen verhoeden—dan ben ik immers bij de hand, en er behoeft niet naar het schip gezonden te worden om mijn hulp te vorderen."
Er viel hier niets tegen in te brengen. Wij staken af en roeiden naar de haven; terwijl wij allen, en zelfs Pulver, wien het moeilijk viel, het zwijgen bewaarden. Het jacht van Lodewijk, dat minder diep ging dan het Deensche vaartuig, lag tusschen dit en het dorp in ten anker: alles was stil aan boord: slechts een enkel persoon stond onbeweeglijk aan de voorplecht. Eerst toen wij naderbij kwamen, bespeurde ik, dat die man een kijker in de hand en op ons gevestigd hield. Opeens verdween hij: en nu zag ik, dat de jol aan bak-boordzijde gehaald werd. Ik veronderstelde eerst, dat de knecht van dat jacht, Lodewijk in ons midden herkennende, zijn bevelen kwam vragen; maar niet weinig verwonderd was ik, toen, één voor één, een viertal personen op het dek van het jacht verschenen en in de jol afdaalden, die nu met alle kracht van riemen naar wal word geroeid. Ik zag Lodewijk aan, en ik bemerkte, dat ook zijne oplettendheid op deze manoeuvre gevestigd was, en dat een echt duivelsche lach zich op zijn lippen vertoonde. In andere omstandigheden zou ik hem gevraagd hebben, wie die personen waren, die hij op zijn vaartuig had; thans echter schroomde ik het stilzwijgen te breken, dat in onze sloep heerschte, en wellicht een onhebbelijk antwoord uit te lokken. Weldra was de jol tusschen de in de haven liggende visschersschuiten en achter het paalhoofd verdwenen. De Heer Van Lintz had haar niet bespeurd of er geen acht op geslagen, en zijn dochter was te zeer in haar droevige gepeinzen verdiept, om te letten op iets, wat rondom ons gebeurde. Wat Pulver betreft, hij was juist bezig met vuur te slaan en zijn pijp aan te steken, toen de jol van het jacht afging, en zij had dus ook zijne opmerkzaamheid niet getrokken.
Wij waren eindelijk aan het paalhoofd gekomen, hetwelk wij beklommen, uitgenomen Amelia, die zich tegen de koele zeelucht in haars vaders mantel wikkelende, in de sloep bleef zitten. Wij drongen door de hier wederom verzamelde menigte heen en bevonden ons weldra op het gulle zand voor het dorp.
"Dunkt u niet best," vroeg ik aan Van Lintz, "dat wij eerst naar de herberg gingen en ons van daar, quasi om een wandeling te maken, naar het duin begaven?—Dat zou minder opziens baren en geen argwaan verwekken."
"Die wandeling zal u wel bespaard worden," mompelde Lodewijk; en, op hetzelfde oogenblik trad iemand, die uit den volkshoop te voorschijn kwam, naar Van Lintz toe en legde hem de hand op den schouder met de woorden: "Gij zijt mijn arrestant."
"Uw arrestant!" riep Van Lintz, verbaasd terugtredende en de hand aan zijn degen slaande.
"Wij bidden u, niet te bieden eenige resistentie," zeide Heynsz:—want hij was het zelf:—"mijn dienaars zijn gewapend en ik heb slechts te vertoonen mijn mandaat, om te verkrijgen de noodige assistentie."