← Table of contents
Ferdinand Huyck

Mr. JACOB VAN LENNEP. (continued 11)

Reading edition

Ik las het briefje, dat van den volgenden inhoud was:

"Wel-Edel-Gestrenge Heer: zooeven geeft kleine Simon mij de stellige verzekering, dat de Heer Van Beveren niemand anders is als de Graaf van Talavera, dien wij zochten. Te denken, dat die persoon zoolang bij mij aan huis gewoond heeft, zonder dat ik vermoeden op hem had! Hij moet echter in 't net loopen; want er zijn overal wakers uitgezet.—Ik verblijve met diepen eerbied

Uw Ed.-Gestr. Nederige Dienaar HEYNSZ."

"Ik vermoedde dit," zeide ik, hem het geschrift teruggevende: "maar ook deze mededeeling verleent mij nog geene vrijheid, om u de aanleiding onzer kennismaking te verhalen. Eerst als hij of gevangen, of in veiligheid is, zal ik mogen spreken."

"Zoo!" zeide mijn vader op een koelen toon: en toen zich omwendende, nam hij Amelia opeen hoffelijke wijze bij de hand.

"Zuster!" zeide hij tegen Tante Letje: "ik stel u de Freule Van Lintz voor, de dochter van Keetje Reefzeil, die gij u herinneren zult."

"Mijnheer!" riep Amelia uit, verbleekende en mijn vader vol angst aanziende.

"Verschoon mij," vervolgde mijn vader: ik had wellicht moeten zeggen: Donna Amelia de Talavera.—Het smart mij, dat ik gedwongen ben, uw vader, aan wiens groote verdiensten ik in vele opzichten hulde doe, te moeten vervolgen. Maar de plicht, dien ik jegens hem te vervullen heb, zal mij niet beletten, jegens u die menschlievendheid in acht te nemen, waarop uw ongeluk aanspraak heeft. Waarin kan ik u van dienst zijn? Gij hebt hier nog bloedverwanten van moeders zijde? Begeert gij dat ik u bij hen breng en u aan hunne bescherming vertrouwe?

"Helaas!" zeide Amelia: "wie hunner zou zich willen ontfermen over de rampzalige dochter des zwervers?—Neen! het is niet bij hen, die wellicht mijn vader haten of verachten, dat ik een toevlucht zoeken zal. Wijs mij een afgelegene, een veilige woonplaats aan, het zal slechts voor weinig tijds zijn ... aan geld ontbreekt het mij niet:—en ik zal u danken, Mijnheer!—maar niet bij bloedverwanten, die mij een genade zouden meenen te doen."

"Hoor!" zeide Tante Letje, terwijl zij Amelia bij de hand nam: "gij zult niet bij vreemden gaan, en ook niet bij Heynsz terugkeeren. Ik heb nog plaats in huis: blijf bij mij inwonen: "gy sult bevinden, dat mijne tente in vrede is:" gij kunt hier zoo stil leven als gij wilt en op uw eigen kamer blijven, waar gij zon noch maan behoeft te zien, als gij niet verkiest. Ik zal het aan de meiden zeggen, dat zij niemand bij u laten, zonder hem aan te dienen."

"Bij u, mijn goede Juffrouw," zeide Amelia, zich schreiende over Tante heenbuigende en haar omhelzende: "Ach! waaraan heb ik zooveel goedheid verdiend?"

"Wel!" zeide Tante: "staat er niet geschreven: "ik was vreemdeling en gij hebt mij geherbergd?" Gij neemt dus aan, nietwaar?"

"Bij wie zou ik liever komen, dan bij u, Mejuffrouw!" hernam Amelia: "zijt gij de eenige niet, die u mijner hebt aangetrokken?"

"Dat is te zeggen," zeide Tante: "daar komt Neef de meeste eer van toe: heugt het u nog, Neef?"

"Maar neen!" zeide Amelia, zich opeens bezinnende: "neen! dat kan toch niet. In een onbedachte opwelling van erkentenis vergat ik, dat uwe familie reeds onaangenaamheden genoeg om mijnentwille heeft gehad. Neen!—dat kan waarlijk niet."

"En waarom dat niet?"—vroeg Tante: "van de familie zult gij geen last hebben, noch de familie van u: ik heb u immers gezegd dat gij stil op uw kamer kunt blijven."

"Ik eerbiedig de nauwgezetheid van de Freule," zeide mijn vader: "en toch geloof ik, dat zij niet beter kan doen, dan uw voorstel aan te nemen.—De wereld zal daaruit kunnen opmaken, dat de nadeelige geruchten, die omtrent haar geloopen hebben en waaraan ikzelf geloof hechtte, logenachtig zijn.—Voor 't overige zult gij Freule! hier geheel vrij leven en niemand zal u kwellen met vragen of bezoeken."

"Neen!" zeide Amelia: "ook om uwentwille, Mijnheer Huyck! moet ik niet bij uwe zuster blijven.—Zouden de menschen, die altijd liefst genegen zijn het ergste te denken, u niet beschuldigen van te heulen met iemand, dien gij vervolgen moet, door aan zijne dochter huisvesting bij uwe naastbestaande te verleenen?"

"Uwe bedenking is vol juistheid," antwoordde mijn vader: "en zij doet mijn achting voor u rijzen; want na de wijze, waarop ik u behandeld heb, is het meer dan grootmoedig in u, bezorgdheid voor mijnen goeden naam te toonen. Maar in dit geval zal ik de lieden, laten spreken en mij niet storen aan wat zij verhalen. Uw goede naam is van niet minder gewicht dan de mijne; en ik zie geen beter middel om dien te herstellen en alle zotte praatjes te doen zwijgen, dan door het aannemen van het voorstel mijner zuster."

Ofschoon met moeite, gaf Amelia eindelijk toe, en Tante gaf terstond last, dat haar goed zoude gehaald worden; terwijl mijn vader een briefje aan Heynsz schreef, met machtiging om het te laten volgen. Daarna namen wij ons afscheid en lieten de beide dames alleen.

"Zij bezit denzelfden onafhankelijken geest, die haar vader altijd! gekenmerkt heeft," zeide mijn vader, nadat wij een wijl zwijgend! over de straat hadden geloopen: "ik beklaag haar; want, de Graaf moge zich nog een wijl aan onze nasporingen onttrekken: hij moet toch eindelijk in de val loopen: en wat zal dan haar lot zijn?"

"Gij zijt niet meer ontevreden op mij, Vader!" zeide ik, hem bij de hand vattende.

"Ik begin te begrijpen, dat gij in een moeielijk praedicament hebt gezeten; maar nog vat ik niet recht, waarom gij in uw zwijgen volharden blijft, nu alles toch ontdekt is."

"Verschoon mij," zeide ik: "maar, zoo ik u zeide, hoe en waar ik met den Graaf heb kennis gemaakt, zoude UEd. dan ook niet weten, hoe en waar hem te vinden?"

"Daar is wat aan," antwoordde mijn vader, lachende: "welnu! ik zie uw nadere ophelderingen te gemoet. Het doet mij in allen gevalle genoegen, dat gij niet op dit meisje verliefd zijt."

EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN HET GEDRAG VAN MEJUFFROUW BLAEK TEN OPZICHTE VAN FERDINAND WORDT VERKLAARD EN DE VADER VAN AMELIA WEDER OP DE PROPPEN KOMT.

Na het middagmaal riep ik Suzanna ter zijde: "wel!" vroeg ik: "zijt gij iets te weten gekomen?"

"Ja voorzeker!" antwoordde zij: "ik heb schoone dingen van u gehoord, Sinjeur! waarlijk, mijn vriendschap voor u heeft mij een zotte rol laten spelen."

"Namelijk!"

"'t Lijkt zeker wel goed om twee koorden aan zijn boog te hebben; maar in sommige gevallen is 't noch voorzichtig, noch verstandig; en zooals Cats zegt:

"Twee op eenen tyt te vryen Siet men selden wel gedyen."

"Wat wilt gij zeggen? Kom toch ter hoofdzaak!"

"En vertel mij eens, Ferdinand! die mamsel, die gij van uw reizen hebt medegebracht, is zij een Hoogduitsche of een Italiaansche? Zij zingt zeker heel fraai? En wat kost haar toilet u wel in de maand?"

"Oho!" zeide ik: "ik zie al, waar de knoop ligt. De laster is aan 't werk geweest en heeft waar en valsch zoo fijn dooreengeklutst, dat zelfs de Engelen aan het twijfelen zouden raken."

"Nu, antwoord dan!" zeide Suzanna: "ik, die een onnoozele Amsterdamsche burgerdochter ben, heb geen verstand van die nieuwerwetsche Fransche beschaafdheid. Zeg mij toch, hoe zoudt gij, indien de oude Heer Blaek uw aanzoek had aangenomen, het hebben aangelegd, om zonder fortuin twee huishoudens te verzorgen?"

"En hebt gij ook al aan die dwaasheden geloofd?" vroeg ik.

"Welke gronden zou ik kunnen aanvoeren, om het tegen te spreken.—Wat deedt gij in dat huis?

Prince, quelques raisons que vous me puissiez dire, Votre devoir làbas n'a point du vous conduire.

Maar het ergst van alles is, dat gij de onbeschaamdheid hebt gehad, dat schepsel met een vroom onschuldig mensch als Tante Letje in kennis te brengen: zoo die eens hoort, welk een lief persoontje zij aangehaald heeft, dan geef ik geen duit voor uw aandeel in de erfenis."

"Dat zal zulk een vaart niet loopen," zeide ik glimlachende: "Tante weet alles wat haar betreft en is best met haar tevreden."

"Dan heeft zij plan om haar te bekeeren," zeide Suzanna: "anders vat ik het niet.—Foei! dat gij zoo slecht zijt geworden! Het spijt mij, dat ik mij om uwentwille heb boos gemaakt op Henriëtte, die toch wel degelijk gelijk had, dat zij u schuins aanzag."

"Maar wat heeft zij u dan gezegd?"

"Ik weet haast niet, waarom ik mij de moeite geve van het u over te vertellen; want zij heeft mij niets gezegd dan hetgeen gij zeker zoogoed weet als iemand. Ja! ik heb moeite genoeg gehad, om haar de woorden uit de keel te halen: en toen zij eens sprak, had ik haar wel willen doen zwijgen. Wel! zij heeft mij verteld, hoe gij bezoeken aflegt bij een jonge juffer, die bij Heynsz woont, en die gij van uw reis hebt medegebracht.—(Zij zou het zelve nooit geloofd hebben, indien zij u niet te Muiden gearmd met die Juffer had zien loopen:) en hoe gij haar daaromtrent met mooie praatjes gepaaid had:—en hoe Lodewijk van de trappen gesmeten was en gij zijn knecht belet hadt hem bij te staan—en nog heel veel, te lang om te vertellen: zoodat ik met een mond vol tanden ben blijven zitten en de koets heb verlaten, zonder een woord ter uwer verdediging te hebben kunnen uitbrengen."

"Het is gelijk ik dacht," zeide ik: "nu! de tijd zal mij wel rechtvaardigen, al ben ik daar thans niet toe in staat."

"Ja! maar intusschen gaat Lodewijk met haar strijken en dan helpt u uwe rechtvaardiging wat!"

"Dat is ook waar!" zeide ik, nadenkend: "en het is gek genoeg!—Want wat baat het, of ik haar slechts een gedeeltelijke opheldering geef, en of ik haar al vertelle, dat die Juffer, waarover zij zich bekommert, haar eigen nicht is, en zoo weinig een ergerlijk gedrag leidt, dat mijn godvreezende Tante zelve haar, met voorkennis mijns vaders, huisvesting verleent?"

"Wat vertel je daar?" vroeg Suzanna, ten toppunt van verbazing.

"De loutere waarheid."

"Nu! dat gaat mijn begrip te boven: heb je nu niet alleen Tante, maar ook Papa zelf een rad voor de oogen weten te draaien?"

"Waarlijk niet," antwoordde ik: en ik gaf haar een kort verslag van de zaak, zooals die zich had toegedragen, alleen voor haar, gelijk voor mijn vader, de aanleiding mijner kennismaking met den Heer Van Lintz verbergende, daar ik die niet kon openbaren zonder te spreken van zijn verblijf in de boerderij, die ik van gedachte was, dat hem wellicht nogmaals tot toevlucht verstrekken kon.

"'t Is een raar avontuur," hervatte zij: "'t lijkt wel een roman. Maar met dat al weet ik niet, of Henriëtte er wel volkomen door tevreden gesteld zoude worden. Al is die Juffer haar nicht en de dochter van een Graaf, daarom kon zij wel uw liefste zijn: 't is misschien een reden te meer om haar jaloezie op te wekken. Ferdinand—man! ik kan u maar slechten troost geven.—Ik wilde gaarne het zesdubbele parelsnoer, dat ik van Grootje geërfd heb, tegen een streng breikatoen verruilen, dat gij u niet in die malle historie gemengd hadt, die ons niets dan verdriet veroorzaakt heeft. Papa heeft er al een week zoo zwart van gekeken als de Reus in 't Doolhof: Mama is er ziek van: mijn geheel humeur is er door bedorven: want wie heeft het hart om te schertsen met zielsbedroefde lieden: gijzelf hebt een gezicht van een el lang en Henriëtte zal misschien uit desperatie met haar neef trouwen en haar leven lang ongelukkig zijn.—Ik wenschte dat die Heer Van Lintz of van Talavera, zooals hij heeten mag, op den heeten rooster zat."

"Dat juist niet," zeide ik: "ik ware dubbel tevreden, zoo hij maar Staatsminister in Spanje gebleven ware, zoodat ik nooit van den man gehoord had als uit de couranten. Gij hebt gelijk intusschen; maar het is niet genoeg te weten, hoe mal het er voor mij uitziet, wij dienen ook op een middel te peinzen, om de kwade gedachten weg te nemen, die men van mij heeft. Met Vader en Moeder zal dit wel schikken: gij hebt kunnen zien dat zij mij over tafel weder vriendelijk behandelden, als vanouds;—maar hoe of ik Henriëtte van mijn onschuld overtuig, weet ik waarachtig niet. Ik ben bij haar belasterd: en de laster is als de houtskool; verbrandt hij niet, hij maakt toch zwart.—Alleen spreken kan ik haar niet en zoo ik haar schrijf, ben ik niet zeker, dat mijn brief in hare handen komt:—en al kon ik haar spreken of schrijven, hoe zal ik mijn gedrag kunnen rechtvaardigen, zoolang ik haar de drijfveeren mijner handelingen niet geheel kan blootleggen?—'t Is voorwaar om ... tureluursch te worden: Ik weet niet waarom ik, die alles behalve singulier of excentriek verlang te schijnen, en nooit eenigen smaak in romans heb gehad, tot mijn beproeving in zulk een maalstroom van avonturen moet geslingerd worden, die zoo romanesk zijn en zoo verward door elkander woelen, dat ik er mij op 't laatst niet meer weet uit te helpen, en somtijds denk, dat alles maar een benauwde droom is, waaruit ik t' avond of morgen ontwaken zal."

"Ja! dat is alles heel onaangenaam," zeide Suzanna: "maar het baat niets of gij daar over redeneert en gij verspilt alzoo den kostelijken tijd althans tegen mij, die toch niet kan beoordeelen of het al dan niet uw schuld is, dat gij er zoo in zit.—Wat nu Henriëtte betreft, ik zou haar wel kunnen schrijven;—maar gij dient mij voor te zeggen, wat.—Of nog beter, schrijf gij haar:—dan zal ik het adres op den brief zetten; anders loopt gij nog gevaar, dat hij u ongeopend terug wordt gezonden."

"Ja! zeide ik: "gij hebt gelijk: schrijven moet ik: en waarom zoude ik er tegen opzien? Ik heb mij niets te verwijten en behoef slechts tijd te vragen om mij te verantwoorden. Men weigert dit aan een misdadiger voor de rechtbank niet: en waarom zou mij dit verzoek worden afgeslagen?—Ik weet wat ik te schrijven heb."

"Zoudt gij niet eerst een kladje maken," vroeg Suzanna: "eer gij Mama's beste papier gebruikt?" (zij zag, dat ik een voor mij staande portefeuille opnam) "en wil ik ook heen gaan?"

"Neen Santje! blijf maar;—wanneer men een minnebrief te schrijven heeft, dan zal men dralen en peinzen en kladjes maken en vreezen nog, dat stijl en uitdrukking ongenoegzaam zullen zijn om de liefde te schetsen, die men gevoelt, en het hart der beminde te vermurwen; maar wanneer het er op aankomt, zijn naam als eerlijk man te handhaven, dan behoeft men slechts ronde, onbewimpelde waarheid: dan heeft men geen fraaie keus van woorden, geen sieraden noodig. Geef mij dat papier; ik zal u laten lezen, wat ik geschreven heb."

Ik plaatste mij aan de tafel en schreef den navolgenden brief, waar ik geen woord van veranderde:

"Mejuffrouw! uwe meening was gegrond, en uw oom heeft mijn aanzoek om uwe hand afgeslagen. Het voegt mij niet de redenen zijner handelwijs te onderzoeken; maar zoo deze mij getroffen heeft, nog sterker trof mij hedenmorgen uwe koele houding te mijwaarts, welke ik, vergeef mij mijn openhartigheid, verre was van te verwachten, omdat ik weet, die niet te verdienen. Toen ik op Heizicht afscheid van u nam, streelde ik mij met de gedachte, dat UEd. mijn oprechte liefde niet hadt versmaad; deze gedachte maakte mijn hoogste geluk uit en deed mij ook het antwoord van den Heer Blaek met meer gelatenheid dragen; daar ik mij troostte met het denkbeeld, dat de tijd en mijn standvastige trouw eenmaal over zijne weigering zouden zegevieren, wanneer UEd. bij dezelfde gevoelens bleeft, welke UEd. omtrent mij koesterdet. Thans echter vind ik u geheel te mijnen opzichte veranderd: en wel, gelijk ik van mijn zuster verneem, ten gevolge van omtrent mij loopende geruchten, welke UEd. voor waarheid aanneemt. Uw oom zou het mij ten kwade duiden, indien ik tegen zijn wil u over mijn liefde onderhield; doch hij kan nimmer wraken, dat ik de pen opneme ter verdediging van mijn goeden naam. Ik mag vooralsnog, daar het mij niet vrijstaat, geheimen van derden te openbaren, u de aanleiding niet ontvouwen mijner kennismaking met zekere Juffer, met welke UEd. mij eens te Muiden gezien hebt: ik kan u alleen herhalen, dat mijn betrekking met haar geheel onschuldig is, en dat ik voor haar geen ander gevoel heb, dan achting voor haar zielshoedanigheden en medelijden met haar ongeluk. Die Juffer is thans, met voorkennis mijns vaders, bij mijn Tante Huyck gehuisvest, die stellig geene lieden bij zich zoude ontvangen, wier gedrag berispelijk was.—Wat verder den laster betreft, dien men omtrent mij heeft geuit, ik weet, aan wien ik dien moet toeschrijven, en tevens, dat alleen de eer van uw naastbestaande te zijn, den lasteraar beveiligt voor de welverdiende straf, welke ik hem anders had toegedacht.

"Nog eene vraag, Mejuffrouw! Zoo UEd. nog argwaan tegen mij mocht voeden, schort, bid ik u, slechts veertien dagen lang uw oordeel op: als die verstreken zijn, houd ik mij overtuigd, dat het mij licht zal vallen, mij van alle blaam te zuiveren, en u te overtuigen, dat ik niet onwaardig ben mij te noemen enz."

"En denk je, dat dit stuk veel zal uitwerken?" vroeg Suzanna, toen ik haar den brief had laten lezen: "mij dunkt in hare plaats zoude ik niet bijzonder gesticht wezen met die achting en dat medelijden, die gij voor uwe protégé gevoelt. Dat is wel geen liefde; maar het grenst er toch machtig na aan."

"Aan u zou ik misschien anders schrijven," zeide ik, lachende: "maar Henriëtte zal, naar ik vertrouw, het op zijn waren prijs weten te stellen, dat ik de reputatie van een onschuldig meisje zoowel als de mijne verdedig.—Heeft zij mij lief, dan zal zij mij gelooven en nadere ophelderingen afwachten: doet zij dit niet, dan is het ook een teeken, dat zij mij niet bemint:—en dan zal ik haar miskenning met meerdere gelatenheid dragen."

Suzanna nam nu de verzending van den brief op zich, en ik begaf mij naar het kantoor.

In de dagen, welke er tusschen dit gesprek en den jaardag mijner moeder verliepen, viel niet veel voor, dat des lezers belangstelling waardig is. Van drie omstandigheden echter moet ik melding maken: de eerste was, dat de Kapitein Pulver uitzeilde en mij door zijn vertrek wat meer ruimen tijd liet: de tweede, dat Heynsz, wiens betrekking tot de Justitie nu door het babbelen van Helding spoedig algemeen bekend was geworden, en die alzoo niet langer in 't geheim van dienst kon zijn, een openbare bediening verkreeg. Een der Onderschouten was kort te voren gepensionneerd geworden en Heynsz werd benoemd om dien post voorloopig te vervullen, met toezegging, dat hem een dadelijke aanstelling geworden zoude, zoodra het hem gelukt zoude zijn den zich nog altijd schuilhoudenden Graaf van Talavera aan de Justitie over te leveren. Eindelijk, ten derde, Suzanna ontving een briefje van haar vriendin, waarin deze, in zeer korte bewoordingen, te kennen gaf, dat zij mijn brief ontvangen had, en wel gelooven wilde, dat men mijn gedrag in een ongunstiger licht stelde dan het verdiende; doch dat, wetende hoezeer haar oom, wien zij alles verschuldigd was, tegen onze nadere kennismaking was, plichtmatig begreep te moeten handelen door mij te doen verzoeken, alle verdere moeite ten haren opzichte te staken en mij mijn woord teruggaf. Deze harde taal sloeg mij geheel ter neder; maar ik begreep, dat er voor 't oogenblik niets tegen te doen was: en dat ik moest afwachten of wellicht de tijd in de gezindheid van den Heer Blaek, om mij zijn nicht te ontzeggen, of in hare gezindheid om zijn wil op te volgen, eenige verandering teweeg mocht brengen.

Een dag vroeger dan dien, waarop het verjaarfeest te Heizicht zou gevierd worden, vertrok ik derwaarts, ten einde mijn Tante Van Bempden, op haar verzoek, in het maken van eenige voorloopige schikkingen behulpzaam te zijn.—Ik vond Tante in blakenden welstand, en, als naar gewoonte, het zeer volhandig hebbende. Nauwelijks gunde zij zich den tijd mij welkom te heeten, maar liep het huis op en neder en in en uit, en riep, nu de keukenmeid, om nog eenige veranderingen in de ordonnantie van het maal te maken: dan weder de linnenmeid, om met haar de benoodigde tafellakens en servetten te krijgen en af te tellen: dan de kamenier, om haar de bloemen te helpen schikken, die hijgende tuinknechts rusteloos in potten en manden aanbrachten: dan weder de werkmeid, om de stoeptrappen nog eens over te doen, die de tuinknechts met hun beslikte schoenen hadden vuilgemaakt. En dan liep zij weder naar den moestuin om den tuinman te zoeken, en hem nog eenige bevelen te geven of te vernieuwen: er moest nog hulst wezen voor guirlandes, en nog spergetakken voor de vazen, en nog ijs uit den ijskelder: en er moesten paden geschoffeld, waar het gezelschap door wandelen zou: en het plein moest opgeharkt worden: en de haag van de groote allee gesnoeid, en het water van den achthoekigen vijver schoongemaakt:—en dan ging zij naar den stal en onderzocht of de leidsels wel wit en de paarden wel gerost en het koper en zilver der tuigen wel glanzend waren: en of er niets aan de rijtuigen haperde, en of de zadelmaker de kussens der zittingen nieuw opgevuld en de nieuwe zweepen had gezonden: en of het galon om de hoeden der koetsiers en der palfreniers was vernieuwd:—en dan werd zij weder binnengeroepen om een twist te beslechten tusschen haar tegenwoordigen knecht en haar vroegeren, die getrouwd, maar voor dit feest overgekomen was om zijn hulp te verleenen: en waarvan de eene beweerde, dat het oude olie- en azijnstel met de drakenkoppen, en de andere, dat het nieuwe met de laurierbladen moest gebruikt worden: en dan was het weer wat anders, dat haar tegenwoordigheid vereischte.

"Wel Neef!" zeide zij, toen zij eindelijk een weinig door de drukte heen was, of liever, toen het koffie-uur der boeren en de schofttijd der werklieden, een parenthesis in de beslommeringen van den dag daarstelden: "het verheugt mij dat gij komt. Mijn hoofd loopt om: en ik weet niet hoe ik met alles nog klaarkomen zal. Wat hebben wij een weer gehad in den verloopen nacht. Ik heb geen oog toegedaan en dacht, dat het heele huis omwoei. Het is dan vrij buiig en onstuimig van 't jaar: gelukkig, dat het nu wat bedaard is, anders zou de partij geheel mislukken! want uw ouders komen zoo zelden buiten, dat, als zij mij eens de eer aandoen van op Heizicht te verschijnen, het ook niet is om den geheelen dag in huis te zitten."

"Ja lieve Tante!" zeide ik: "het heeft boos gewaaid: het ziet er erg genoeg uit voor Pulver, die pas is uitgezeild: en hij kon wel een geduchte averij krijgen."

"Spreek daar niet van," hernam Tante: "gij zoudt mij al het genoegen, dat mij dit feest belooft, gansch en gaar bederven:—niet, dat ik over de schade zoozeer treuren zoude; maar te denken, dat wij hier warm en wel zitten en ons vermaken, terwijl die arme zeelieden, die hun leven wagen om ons schatten te bezorgen, met stormen en golven kampen! Sedert dien akeligen tocht met Blaek heb ik een dubbel medelijden met die arme zielen.—Maar met dat al moeten wij onzen tijd niet verwaarloozen. Gij kunt, als gij eerst koffie met mij gedronken hebt, mij een groot genoegen doen; zoo het namelijk niet te veel van u gevergd is."

"Ik kom hier om u behulpzaam te zijn," zeide ik: "en het spreekt dus vanzelf dat UEd. vrijelijk over mij kunt beschikken."

"Best!" zeide zij: "Welnu: mijn plan was, het gezelschap hier te ontvangen en dan terstond met ons allen naar de hoeve bij de oude Martha te rijden, aldaar een collation te gebruiken en voorts hier terug te komen om te eten."

"Ziedaar een zeer goed plan," zeide ik: "en dat gehos heen en weder over de heide zal het best geschikt zijn om aan het gezelschap een goede digestie van het ontbijt en een vernieuwden appetijt voor het middagmaal te geven."

"Juist! nu wenschte ik wel, dat gij eens naar de hoeve reedt en een oog liet gaan over de daar gemaakte toebereidselen: want de timmerman, die het bezorgen zoude, is een wijsneus, die alles zeker naar zijn kop en niet naar mijne verkiezing zal willen doen."

"Naar de hoeve!" herhaalde ik, met een gevoel van onaangename teleurstelling.

"Ja Neef!" hervatte zij, zonder zulks te bemerken: "gij kunt het bruine sjeespaard nemen: dat is à deux mains; ik zou u wel laten brengen; maar ik kan niemand missen. Gij zijt toch niet bang voor struikroovers? Het is tegenwoordig hier volkomen veilig, heeft de Schout mij verzekerd: en bovendien," voegde zij er schertsende bij: "de Kapitein van de bende is immers een intieme van u?—Het verwondert mij nog, dat die vent niets uit de zijkamer heeft medegenomen, toen hij u dat bezoek kwam geven, dat gij mij nooit geheel hebt opgehelderd."

"En wat moet ik aan de hoeve verrichten?" vroeg ik, om Tante maar spoedig van het onderwerp, dat zij aanroerde, af te brengen.

"O! heel wat. Ik heb het alles opgeschreven, vooreerst opdat ik, en ten tweede opdat gij het niet vergeten zoudt. Ziehier de lijst. Ik hoop dat er niets aan ontbreken zal.—Maar zeg mij toch even, wat is dat voor een geschiedenis met dat Juffertje, dat Tante Letje bij zich aan huis heeft genomen? Is dat werkelijk een Freule van Lintz?"

"O Tante-lief!" antwoordde ik: "dat is een geschiedenis, veel te lang om u thans te verhalen: vraag mij daar eens over, als wij geheel op ons gemak zijn."

"Ook al goed! dan zal ik geduld hebben.—Maar Ferdinand-lief! wat hebt gij u gehaast met die vrijerij met Jetje Blaek. Ik had u immers ook gezegd, dat daar nooit iets van zou komen.—Hadt gij mijn raad maar gevolgd en haar intijds uit uw zinnen gezet, dan hadt gij u die onaangename teleurstelling bespaard. Het spijt mij wel van achteren, dat ik u te zamen in kennis gebracht heb.

"Ik herinner mij niets van uwe waarschuwingen, Tante-lief!"

"Niet! weet gij ons gesprek niet meer op het strand, eer wij Lodewijk Blaek ontmoetten? Toen zeide ik immers reeds: zet dat uit uwe gedachten. Maar goeden raad vergeet men gauw."

Nu herinnerde ik mij dit gesprek zeer wel; ofschoon ik die enkele woorden, bij die gelegenheid aan Tante ontvallen, niet zwaar geteld had; dewijl zij geene redenen ter wereld had aangevoerd, om aan haar advies eenige klem bij te zetten. Ik vond echter beter, ook dit punt te laten rusten, en na een haastig ontbijt gebruikt te hebben, spoedde ik mij naar stal, zadelde den bruin en draafde de heide over en den weg op naar de mij te welbekende boerderij.

Ik vond ook daar geene geringe drukte. Overeenkomstig de bevelen van Tante was men er bezig met latten te slaan, die van boom tot boom liepen en waarover zeildoek gespannen moest worden om een tent te vormen, in welke het gezelschap den volgenden dag zou onthaald worden en tegen de ongestadige luimen van het najaarsweer beveiligd zijn. Na aan den opzichter over dit werk den wil van Tante, gelijk ik dien op de medegebrachte lijst vond uitgedrukt, nogmaals herhaald, en mij overtuigd te hebben, dat de man haar bedoelingen volkomen begrepen had en geheel niet van plan was om, gelijk zij vreesde, alleen zijn eigen hoofd te volgen, zag ik het tweede artikel na, dat ik te volbrengen had. Het luidde, dat ik aan de oude Martha moest vragen, of de stal genoeg opgeruimd was om al de paarden in te bergen, die er den volgenden dag zouden komen. Ik riep de oude vrouw dus, die al dadelijk met een bedremmeld gelaat naar mij toe kwam geloopen, en mij blijkbaar onthutst vroeg wat er van mijn dienst was.

"O!" zeide zij, zoo ras zij verstaan had, wat ik van haar verlangde: "daar kan Mevrouw gerust op wezen: de stal is kant en klaar: en ik heb schelen Thijs en Peer Govertz al besproken om een handje te kommen helpen, want nou men zeun weg is en weg blijft, zit ik, och arm! allienig voor het werk.—Heit Meneer nog wat te belasten?"

"Wacht!" zeide ik, mijn lijst bij de hand nemende: "nummer drie: zien of de tafels en de banken gekomen zijn.—Ja! die staan ginder reeds:—nummer vier: vragen aan Martha, wie haar helpen zal, koeken te bakken?—Ja wie zal dat doen?"

"O! heere men tijd! maakt Mevrouw zich daar ook al verlegen om? Wel! dat zou ik allienig wel of kennen, al kwam jelui met je vijftigen. Maar daar is rooie Els van Crailo en 'er zuster, die hebben men al beloofd, als dat ze kommen zellen. O! an hulp zel het niet ontbreken, er zel volks 'enoeg wezen. Als er zoo wat rijkdom bij mekaar is, hoeft men nooit om menschen verlegen te zijn.—En kostelijke koeken zel ik bakken, dat beloof ik je."

"Dat behoeft gij mij niet te verzekeren," zeide ik, lachende: "ik heb die immers al eens bij u geproefd en weet hoe ze smaken."

"'t Is waar ook," zeide zij met een bezorgd gelaat: "Meneer heit men toch niet verklapt, hoop ik?"

"Wees niet bang,"—zeide ik: "mits het maar niet weder gebeure. —Nummer vijf: nazien hoeveel stoelen er op de boerderij zijn, en of die nog bruikbaar zijn.—Dat zullen wij eens gauw gaan kijken," zeide ik, naar de woning snellende, terwijl ik in mijzelf lachte om de tot in alle kleinigheden afdalende voorzorgen van Tante. Nauwelijks was ik echter in de keuken, of Martha kwam mij, met zooveel snelheid als haar oude beenen het haar vergunden, achterop geloopen:

"Wat wil Meneer?" vroeg zij: en zij sloeg onwillekeurig een angstigen blik naar het trapje, dat naar het opkamertje leidde.

"Juist!" zeide ik, haar blik volgende: "daar boven moet ik wezen. Ik meen, dat daar stoelen staan."

"Om Gods wille: Meneer! maak mij niet ongelukkig!" zeide zij, met een gesmoorde stem en de handen wringende: "hij is weer hier."

"Wat!" mompelde ik: "is hij dan dwaas?"—En, schier onwillekeurig, maar toch met behoedzaamheid, besteeg ik het trapje en zag door het sleutelgat naar binnen, waar ik niet slechts Van Lintz, maar nevens hem den ouden Heer Blaek herkende.

"Ik weet er waarachtig geen ander middel op om u hier ongemerkt vandaan te krijgen," zeide de laatstgenoemde.

"Wij zullen er dan toe moeten besluiten," zeide Van Lintz: "in de hoop, dat men mij voor dien tijd niet gevangenneemt."

"En gij belooft mij," hernam de Heer Blaek, "dat, ook al mocht dit gebeuren, gij ...die ... de zaak ... niet zult uitbrengen."

"En waarom zou ik dat? Gij zegt immers, dat uw zoon en uw nicht elkaar beminnen."

Ik had mijn hoofd reeds terug willen trekken; want ik schaamde mij den luistervink te spelen; maar deze laatste vraag prikkelde mijn nieuwsgierigheid te zeer, dan dat ik den trek kou weerstaan om het antwoord af te wachten.

"Zij beminnen elkaar ... zij zullen een paar worden," zeide de Heer Blaek: "gij zijt aan niets verbonden, zoo ik u bedrieg. Ik verzeker het u. Vernietig toch dat ... dat noodlottige stuk.—Het kon in vreemde handen komen ... geef het mij liever ... ik zal...."

"Neen! dat niet, Jacobus Blaek!" zeide Van Lintz, met een spotachtigen lach: "als ik in veiligheid ben—en niet eer—zult gij het bekomen—en het zelf kunnen verbranden. Ik weet, waaraan ik de hulp, die gij mij bewijzen zult, dank moet weten—en ken mijn voordeel te goed om er afstand van te doen, nu het mij dienen kan."

"Ach!" hernam Blaek: "gij zult er geen misbruik van maken: gij zult mij niet met schande ten grave doen dalen. Ik help u immers zooveel in mijn vermogen is ... ik heb zelfs meer gedaan dan ik u beloofd had: ik heb naar Den Haag geschreven ... al mijn invloed zal ik aanwenden om de vervolgingen te doen staken ... om onzer oude vriendschaps wille, maak mij niet ongelukkig."

"Gij hebt mijn woord," zeide Van Lintz: "en dat moet u genoeg wezen: morgen zal ik u verwachten. Tracht nu ongemerkt van hier te komen en de plaats te bereiken, waar uw rijtuig u wacht. Ik zal Martha bellen om te hooren of de uittocht veilig is."

Na het uiten dezer woorden verhief hij zijne stem om Martha te roepen: ik aarzelde een oogenblik; doch bedenkende, dat Van Lintz toch van haar zoude vernemen, dat ik er geweest was, besloot ik, zelf binnen te gaan, wenkte der oude vrouw, die bevende achter mij stond, toe, dat zij wel terug kon blijven, en opende de deur.

"De Heer Huyck!" riepen beiden, de een op een toon van verwondering, de andere met een uitdrukking van schrik.

"Vergeeft mij, Mijne Heeren!" zeide ik, glimlachende: "zoo ik uw bijeenkomst stoor. Maar ik ben hier door Mevrouw Van Bempden gezonden om eenige toebereidselen te maken voor het feest van morgen, en ik had ook in dit vertrekje iets te doen:—weinig dacht ik, dat het bewoond was."

"Ik beken," zeide Van Lintz, "dat ik mijn tijd slecht gekozen heb."

"Zoo de Heer Blaek," vervolgde ik, dezen aanziende, die vast beefde, "zich wenscht te verwijderen, zonder dat het opzien bare, zal ik hem gaarne een eindweegs vergezellen."

"UEd. is al te goed. Mijnheer Huyck," zeide Blaek, stotterende: "ik neem uw vriendelijk aanbod dankbaar aan."

"Ik hoop u nog te zien als gij terugkomt," zeide Van Lintz, mij met zijn doordringende oogen aanstarende.

Ik boog en verliet het vertrek. De Heer Blaek volgde mij, en beiden traden wij de achterdeur uit, den tuin door, waar zich niemand bevond, en het boschpad op. Ik bemerkte, dat mijn tochtgenoot moeite had om voort te wandelen, zoozeer was hij van zijn stuk, en bood hem dienvolgens mijn arm aan, in mijzelven lachende om het zonderlinge spel des noodlots, dat mij tot den geleider maakte van iemand, die aan mijn vurigste wenschen den bodem had willen inslaan.

Gaarne had ik hem nadere uitlegging gevraagd van de woorden, die mij het toeval had doen hooren; maar de zaak was van een te teederen aard, dan dat ik die snaar dorst aanroeren, zonder daartoe een voegzame aanleiding te hebben. Ik bemerkte, dat hij van zijn kant iets op het hart had, maar niet wist, hoe het gesprek aan te vangen. Ettelijke reizen opende hij den mond als om mij een vraag te doen: maar de woorden bleven hem in de keel steken. Eindelijk scheen hij moed te vatten: en na een zwaren zucht, bracht hij met een flauwe stem en nedergeslagen oogen het navolgende uit:

"Ik kan niet van mijn verwondering terugkomen, dat ik den Heer Huyck, den zoon van den Heer Hoofdofficier ... in betrekking zie met iemand, die ... die...." hier scheen hij naar zijn woorden te zoeken.

"Onze verwondering is wederkeerig, Mijnheer!" zeide ik met een glimlach.

"O!" zeide hij, mij zijdelings aanziende, alsof hij op mijn gelaat wilde uitvorschen of ik geloof hechtte aan zijne woorden: "met mij is het een geheel ander geval. Ik heb ... hem vroeger gekend ... en zaken met hem uitstaande gehad."

"Mijne kennis aan hem is niet van een oude dagteekening," zeide ik: "hij kan echter gerust zijn wat mij betreft: ik zal hem niet verraden ... en ook niet ongevraagd van uw bezoek spreken, indien UEd. dit eenige gerustheid kan verschaffen."

"Neen! dat is ook beter," zeide hij, blijkbaar opgeruimd door mijne betuiging: "ik heb deze démarche om bestwil moeten doen.—Ik blijf UEd. intusschen zeer verplicht:—het doet mij recht leed, dat ik mij in de noodzakelijkheid gezien heb ... het vereerend aanzoek van Mijnheer ... af te slaan ... maar ... het geluk mijner nicht ... UEd. gevoelt...."

"UEd. zal niet vergen," onderbrak ik hem, "dat ik juist de man zal zijn, die gevoelen moet, dat uw nicht met een ander gelukkiger zal zijn dan met mij."

"Geenszins," hervatte hij: "ik bedoelde maar ... ziet UEd ... ik kan mij vooralsnog moeielijk over dit onderwerp uitlaten.—Over een paar jaren, als zij mondig zijn zal, en dan nog vrij is, zal ik zeer gaarne uw voorspraak bij haar zijn; maar vooralsnog...."

"Ik wil u niet verbergen," zeide ik, "dat ik zooeven in het opkamertje hoorende spreken, een oogenblik aan de deur heb geluisterd en UEd. bij die gelegenheid heb hooren zinspelen op een huwelijk tusschen uw zoon en uw nicht."

"Gij hebt ons beluisterd!" zeide hij, sidderende en bleek van toorn zoowel als van angst: "dat was zeer verkeerd van u, Mijnheer! ofschoon," voegde hij er bij, waarschijnlijk bedenkende dat ik meer kon gehoord hebben dan hem lief was, en dat hij mij dus te vriend moest houden: "ik kan het u niet kwalijk nemen; want UEd. hadt recht een weinig verwonderd te zijn van ons daar te vinden. Nu ja! 't Is waar! Ik wilde u zulks zooeven niet zeggen, om u niet te bedroeven. Dat huwelijk is altijd mijn vurigste wensch geweest: en het zal, vleie ik mij, weldra voortgaan."

"Onmogelijk!" riep ik uit, geheel ternedergeslagen door deze mededeeling.

"'t Is stellig waar: de jonge lieden beminnen elkander: en ik verlang niets zoozeer als hun beider geluk. Geloof mij, mijn waarde Heer Huyck! stel die neiging uit uw hoofd. Er zijn genoeg schoone meisjes in onze Nederlanden, en die beter door de fortuin bedeeld zijn dan mijn nicht.—Maar ik bid u, doe geen verdere moeite: ik zal nu zelf mijn weg wel vinden."

Wij waren op dit oogenblik het hakhout uit en aan een binnenweg gekomen, waar ik op eenigen afstand het rijtuig van den Heer Blaek zag staan: en, zelf oordeelende dat hij mijn geleide niet verder noodig had, keerde ik, na wederzijdsche groete, langs den weg terug dien ik gekomen was.

"Gij ziet," zeide Van Lintz, toen ik bij hem in het opkamertje was teruggekeerd, "dat ik, bij gebrek aan een betere, mijn oude schuilplaats weder heb moeten opzoeken."

"Ik zie het," antwoordde ik, het hoofd schuddende: "maar ik vrees, dat zij niet lang meer veilig zijn zal. Gij behoeft het hoofd aan de andere zijde slechts buiten te steken, om u te overtuigen dat het hier geen eenzame plaats meer is: en morgen komen hier nog meer gasten."

"Ik zal hunne komst niet afwachten," zeide Van Lintz.

"En hoopt gij waarlijk ongemerkt te ontkomen?" vroeg ik: "Heynsz heeft ongetwijfeld uw gangen laten nagaan: en zoo hij u niet eerder heeft doen vasthouden, is het, omdat hem nog onbekend was, dat de Heer Van Beveren en de Graaf Van Talavera één persoon waren; maar thans weet hij dit: en ik twijfel er niet aan, of hij zal zijn onbedachtzaamheid hersteld hebben en geene middelen verwaarloozen om u niet weder te laten ontsnappen."

"Ik weet het," hernam hij somber: "ik speel een schaakpartij met tien kansen tegen ééne, dat ik mat gezet worde; en toch, zoolang mijn Koning nog één vak open vindt, zal ik het spel niet gewonnen geven. Zoo echter mijn vervolgers niet voor morgen hier zijn, loopen zij groote kans van het nest ledig te vinden:—en dan tart ik hunne nasporingen."

"Gij verlaat dus dit land?"

"Voor altijd, zoo ik hoop. Ik heb er waarlijk geen genoegzame verplichtingen aan om het te betreuren."

"En uw dochter?"

"Zij zal ... mij volgen, hoop ik," antwoordde hij zuchtende.

"Weet gij, waar zij zich tegenwoordig ophoudt?"

"Ik weet dit; en, wanneer gij het eenmaal oorbaar vinden zult, dank dan uw waardige tante uit mijnen naam voor hetgeen zij aan een ongelukkige, verlatene wees heeft gedaan.—Wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik ben u ook grooten dank verschuldigd, want ik weet het, mijn verblijf, en dat mijner dochter vooral is u de bron geweest van vele onaangenaamheden. Ik wenschte ook eenmaal iets voor u te kunnen doen."

Ik zweeg eenige oogenblikken. Ik had hem willen vragen, welk groot belang hij toch stelde in het huwelijk van Henriëtte met haar neef, welke laatste hem toch geene redenen had gegeven om zijne partij te nemen; maar een gevoel van bescheidenheid weerhield mij. Ik begreep dat er onder dit alles een geheimenis school, waar Henriëtte in gemoeid was, maar tevens dat ik daarmede niets te maken had. Terwijl ik aldus stond te peinzen, hielp Van Lintz zelf mij op den weg:

"Gij hebt ongetwijfeld zooeven het een en ander van ons gesprek gehoord?"

"Dat heb ik," antwoordde ik: "ik beken het tot mijn schande; maar ik was zoo verbaasd van u te zien; dat...."

"Gij behoeft u niet te verschoonen: vromer lieden dan gij zijt zouden de verzoeking niet weerstaan hebben. En wat hebt gij vernomen?"

"Niet veel," antwoordde ik: "het was mij omtrent, of gij Chaldeeuwsch spraakt, zoo geheimzinnig waren uw woorden."

"Niet veel, maar toch wat, nietwaar?"

Ik was op het punt van hem mijn verwondering te kennen te geven over hetgene Blaek hem verteld had nopens de wederzijdsche liefde van Lodewijk en Henriëtte: maar eene bedenking wederhield mij. Zooveel had ik uit het gesprek opgemaakt, dat daarvan het stilzwijgen scheen te zullen afhangen van Van Lintz omtrent iets, hetwelk Blaek bedreven had en dat het licht niet zien mocht: en met dat stilzwijgen moest weder de hulp gekocht worden, die Blaek hem bewees. Ik achtte dus mij zelven ongeroepen, mijne meening omtrent die voorgewende inclinatie der jongelieden te uiten en daardoor de bedoelingen van Blaek bij Van Lintz verdacht te maken, en misschien aanleiding te geven tot een twist, die voor beiden noodlottig zijn konde. Dit stilzwijgen van mijne zijde, hoewel het uit een edelmoedige oorzaak voortsproot (want ik behoefde noch Blaek noch zijn zoon te ontzien), was echter in het vervolg de middellijke oorzaak van het verlies van twee menschenlevens.

"Ik herhaal u," zeide ik, "dat ik niets van ulieder gesprek heb begrepen. Alleen heeft het mij verwonderd, den anders vrij hooghartigen Heer Blaek zoo beangst te zien."

"Nietwaar?" vroeg Van Lintz: "Ja voorwaar! het moet al een vreemd schouwspel zijn geweest voor een derde, den rijken Heer van Guldenhof, den trotschen Amsterdamschen koopman, wiens woord meer gewicht heeft dan de manifesten van een half dozijn Duitsche Mogendheden, te zien blozen en sidderen voor den blik van een armen zwerver, die reeds in zes of zeven Staten ter dood veroordeeld is, wien de speurhonden der Justitie nazitten, of hij een huisbreker ware, en die nauwelijks een plek kan vinden, waar hij het hoofd ter ruste kan leggen. Maar hij weet het, de rijke man, dat ik slechts één woord heb te spreken om hem ellendiger te maken dan de arme zwerver ooit worden kan.—Genoeg hiervan: het is niet mijne hand, die zonder noodzaak het gordijn zal opentrekken wanneer alles tot nog toe samengeloopen heeft om het dichtgeschoven te houden. Daarom, mijn jonge vriend! vergeet wat gij gezien—en ook wat gij mocht gehoord hebben."

"Ik wilde, dat ik alles kon vergeten, wat mij in de laatste weken gebeurd is," zeide ik zuchtende: "maar het wordt laat: ik moet vertrekken, mijne tegenwoordigheid alhier zoude tot vermoedens kunnen aanleiding geven:... vertoon u toch niet buiten—en hou zelfs, zoo ik u raad schuldig ben, u ver van het raam: er kon zoo licht een oog van uit dien tuin naar binnen dringen.—Wat zeide ik u?"

Beiden hadden wij gelijktijdig in den tuin gekeken: en beiden hadden wij de gluipende oogjes van Simon den marskramer op ons gevestigd gezien van achter de heining, waar hij tegen leunde. Wij traden terug en zagen elkanderen aan. Toen ik nogmaals aan 't raam kwam, was hij verdwenen.

"Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen," zeide ik: "morgen, wellicht dezen avond nog is het huis omringd."

"Ik heb hem herkend," zeide Van Lintz: "het is dezelfde Jood, die mij vroeger te Utrecht achtervolgd heeft en wien ik toen verschalkt heb. Welnu! waarom zoude het wij thans niet weer gelukken?—Dan ik ben wars van nieuwe listen in 't werk te stellen. Ware het niet om mijn dochter, ik had mij reeds overgeleverd aan hen, die mij zoeken."

"Ik kan u," zeide ik, "bij ons afscheid dan niets beters toewenschen, dan dat ik u morgen hier niet meer vinden moge."

"Het zal zijn, gelijk het noodlot over mij beschikt heeft," antwoordde hij, de schouders ophalende, en mij hartelijk de hand schuddende, knikte hij mij een vriendelijk vaarwel toe, zonder er een woord meer bij te voegen. Waarschijnlijk begreep of voorzag hij, dat wij ook thans niet voor het laatst zouden afscheid nemen. Ik beantwoordde zijn handdruk, en, de woning daarop verlatende, zette ik mij weder te paard en draafde met dubbelen spoed naar Heizicht terug.

TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN OVERTUIGEND BEWEZEN WORDT, DAT DE BEHENDIGSTE VOGELAAR OOK WEL EENS VOGELS LAAT ONTSNAPPEN.

De gasten, die Tante Van Bempden verwachtte, waren den volgenden morgen op hun tijd aanwezig: het waren, behalve mijn ouders met al hun kroost, Tante Letje en een half dozijn neven en nichten uit de stad, waarvan het onnoodig zou zijn hier de afbeeldingen te geven, daar zij op alle mogelijke neven en nichten geleken. De Heer Blaek (wiens nicht mede genoodigd was, maar zich wegens onpasselijkheid had laten verschoonen), Lodewijk Blaek, Van Baalen en eenige andere bijzondere vrienden van Tante, zoo uit de stad als uit de nabuurschap, zouden onmiddellijk aan de hoeve komen, zonder alvorens Heizicht aan te doen. Na de gewone plichtplegingen en gelukwenschingen, welke de lezer zich best zal kunnen voorstellen, kwamen de noodige rijtuigen voor. Aan elk werd volgens de vooraf gemaakte regeling onzer gastvrouw, zijn plaats aangewezen, en zoo begaven wij ons te gader naar de hoeve, waar wij, onder begunstiging van een uitmuntend weer, ongeveer tegen twaalf uren met vrij hongerige magen aankwamen. De Heer Blaek was bereids verschenen en wandelde in een blijkbaar vrij onrustige gemoedsbeweging onder de eikeboomen op en neder. Mijn vader bejegende hem zeer beleefdelijk; waarschijnlijk wilde hij de koelheid goedmaken mijner moeder, die hem nog de slechte ontvangst van mijn aanzoek niet wel vergeven kon. Terwijl men aan de plichtplegingen bezig was, kon ik niet nalaten den blik nu en dan op de woning te slaan, alsof ik op de muren lezen kon, of het den vervolgden zwerver reeds gelukt ware te ontsnappen. Het was echter niet wel doenlijk daaruit iets op te maken en het gelukte mij evenmin, uit de gelaatstrekken van de oude Martha, die ik met twee meehelpsters door de keuken op en neder zag trekken, iets anders te lezen, als dat zij het zeer druk had met het bakken der beloofde koeken en het aanbrengen van hetgeen verder noodig was voor het ontbijt.

"Ik heb u het leedwezen mijner nicht te betuigen, dat zij door een lichte ongesteldheid verhinderd wordt, hier te verschijnen," zeide de Heer Blaek tegen Tante Van Bempden, terwijl mijn ouders zich met eenige nieuw aangekomene gasten onderhielden.

"Ik hoop dat die geene gevolgen zal hebben," antwoordde Tante, die zeer wel begreep, hoe het met die voorgewende ongesteldheid gelegen was: "maar mijn waarde Heer Blaek! ik hoor daar van; mijn koetsier, dat UEd. uw rijtuig teruggezonden hebt. Het had immers hier zeer goed kunnen blijven. Ik heb met opzet mijn neef gisteren nog hierheen gezonden, om te zorgen dat er plaats gemaakt werd voor al de paarden, die er te wachten waren."

"Ik wilde niet onbescheiden zijn," zeide Blaek, op halfluiden toon, als vreesde hij, dat deze op zichzelf weinig beteekenende woorden zouden verstaan worden: "ik heb het rijtuig naar ... Huizen gezonden: het is daar ook zeer goed...." en tevens wierp hij mij een smeekenden blik toe, die mij bevroeden deed, dat er meer achter deze schijnbaar nietige omstandigheden zat en dat hij mijne hulp wenschte om hem uit de verlegenheid to redden.

"Wel Tante!" zeide ik: "hoe staat het er mede? Ik geloof, wanneer ik de aangezichten van uw jongere gasten aanzie, dat zij zeer verlangende zijn, om zich te overtuigen of de smaak uwer Gooische koeken beantwoordt aan den aangenamen reuk, die uit gindsche keuken tot ons overwaait."

"Ja! ik wensch niets liever dan te beginnen," zeide Tante: "maar al de gasten zijn nog niet aangekomen. Ik mis den jongen Blaek nog en den vriend Van Baalen."

"O! wat mijn zoon betreft," zeide Blaek: "ik bid, dat UEd. om hem geen complimenten maakt. 't Is zijn eigen schuld, indien hij niet op zijn tijd past; en al komt hij wat later, er zal nog wel altijd iets voor hem overschieten."

"Nu ja!—maar Van Baalen!" zeide Tante: "UEd. weet, dat indien wij begonnen eer hij er was, hij zich den ongelukkigsten man van de wereld zoude vinden."

"O!" zeide Suzanna, naderende: "dat zal hij in allen gevalle, 't zij gij op hem wacht of niet."

"Het zou mij slecht staan het hem kwalijk te nemen, zoo hij wat later kwam," zeide ik: "want er kunnen zoo licht kantoorzaken opgekomen zijn, die hem beletten, zoo vroeg te vertrekken als hij had voorgenomen, en ik heb hem vandaag alleen aan 't werk laten zitten."

"In dat geval," zeide Tante, "ware het misschien best, hem maar te wachten, als de koetjes in de wei, etende en drinkende:—te meer, daar ik den Heer Lodewijk ook zie aankomen."

Lodewijk reed inderdaad op dit oogenblik de werf op en trad ons weldra met zijn gewone onbeschroomdheid nader. Hij bloosde niet, toen hij mijn vader groette, maakte slechts een flauwe verontschuldiging bij Tante, dat hij zoo laat kwam, sprak terloops een paar woorden met Suzanna, en zeide mij vrij koeltjes goeden dag. Ik beken, dat mijn wedergroet ook allesbehalve beleefd was; doch ik kon niet veinzen tegen iemand, die mij zooveel verdriet berokkend had en wiens tegenwoordigheid mij al de genoegens van het feest vergalde.

Daar de tijd van vertrek bepaald was en men niet om éénen genoodigde al de overige kon laten wachten, liet Tante nu de koeken en het verdere gedeelte van het ontbijt op tafel brengen. Wij namen onze zitplaatsen onder het zeil en begonnen met graagte de smakelijke voortbrengselen van Gooiland te betwisten aan de vliegen, die, door de strooplucht verlokt, als echte tafelschuimers haar aandeel in ons maal kwamen opeischen. En het waren niet alleen de vliegen; maar weldra kwamen ook de meer gevaarlijke wespen, als de Harpijen vanouds, schrik en angst onder de aanwezigen verspreiden: vooral hadden zij het op een mijner nichten voorzien, die, van natuur van alle insecten afkeerig, elk oogenblik, wanneer slechts eene dier onwelkome gasten haar bord of wijnglas genaakte, gillende opsprong en zich vergeefs met haar servet van de vervolging dier lastige wezens zocht te ontslaan. Suzanna zocht haar te troosten, en beweerde, dat Tante die lieve diertjes alleen besteld had om aan te toonen, dat de buitenvermakelijkheden ook haar schaduwzijde hadden, en om aan de zoodanigen, die door de omstandigheden genoodzaakt waren in de stad te leven, tevredenheid met hun lot in te boezemen. Op deze kleine onaangenaamheden na, ging het maal vroolijk zijn gang en was het gesprek vrij levendig geworden, toen een der bedienden mijn vader naderde en hem zachtjes iets in het oor fluisterde, bij het vernemen waarvan deze eenigszins donker keek, gelijk men doorgaans doet, wanneer men uit een aangenaam gezelschap wordt opgeroepen tot de lastige beslommeringen, die ambtsbetrekkingen met zich brengen.

"Is er eenige zwarigheid?" vroeg Tante Van Bempden, terwijl mijn moeder angstig mijn vader aanzag, die oprees om zich te verwijderen.

"Ik ben dadelijk terug," antwoordde hij: "ik bid u, laat niemand zich over mij bekommeren."—En hij ging naar den kant van de schuur.

Ik oogde hem bekommerd na; want een geheim voorgevoel, of liever de opsomming van het vroeger voorgevallene, zeide mij, dat het opontbod mijns vaders in verband stond met het opsporen van Van Lintz. En ik werd niet weinig in mijn vermoedens versterkt toen dezelfde bediende mij een oogenblik later kwam zeggen, dat mijn vader mij liet roepen.

"Wel zoo! vertrekt gij ook al?" vroeg Tante Van Bempden.

"Le combat finira faute de combattans,"

voegde Suzanna er bij: "de Heeren willen ons zeker een verrassing bezorgen."

"'t Zou mij niet verwonderen," zeide ik, "indien er werkelijk een verrassing plaats had." En ik wierp in 't heengaan een blik op den Heer Blaek, die, met een gelaat zoo bleek als een doek, onbeweeglijk op zijn plaats zat en de eene teug water voor, de andere na opdronk.

Ik vond mijn vader in de schuur, en bij hem een ander Heer, die mij naderhand bleek Onderschout van Naarden te zijn: tegen over hen stond Heynsz, die aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi scheen.

"Mijnheer!" zeide mijn vader, zoodra hij mij zag, op een gestrengen toon: "kunt gij mij ook zeggen, waar zich de persoon bevindt, met wien gij gisteren in de boerenwoning een geheim onderhoud hebt gehad?"

"Neen, vader!" antwoordde ik: "ik heb den man, dien UEd. waarschijnlijk bedoelt, bij toeval hier ontmoet, daar ik een boodschap voor Tante verrichtte, en weet niet waar hij gebleven is."

"Ik zeg Uw Ed.-Gestr., dat hij nog moet zijn hier," zeide Heynsz: "al mijn maats, die hier in den omtrek de wacht hebben gehouden, declareeren, dat zij hem niet hebben zien uitgaan: en de dienaars van Gooiland declareeren het ook ... had ik maar kunnen vermoeden, wie die Heer Van Beveren was!... maar wie kon ook veronderstellen, zoo iets?—Te denken, dat de man, dien wij zochten, heeft gewoond veertien dagen lang te mijnen huize! 't Is om te worden ijlhoofdig!—Maar hij moet gevonden worden!"—En de goede man liep stampvoetende heen en weder, beurtelings gekweld door de gedachte, dat men hem zoo had beetgenomen, en bemoedigd door de hoop van den zwerver in zijn macht te krijgen.

"Juist! indien hij niet van hier is, moet hij zich hier nog bevinden," zeide de Naarder Onderschout, deze alleszins logische redeneering met een veelbeteekenend hoofdknikken verzeld doende gaan: "wat dunkt u er van, Heer Hoofdschout?"

"Ik ben het volkomen met u eens," antwoordde mijn vader: "en wij zullen, geloof ik, best doen, het huis en de aanhoorigheden nog eens te onderzoeken, terwijl de dienaars al de uitgangen blijven bewaken."

"Hunc procul obscura latitantem parte videbis. Wat u betreft," zeide hij, mij aanziende: "gij zult ons vergezellen. Wij kunnen beginnen met deze schuur."

De schuur werd van alle kanten doorsnuffeld: er was aldaar weinig gelegenheid om iemand te verbergen. De ronde hield ons dus niet lang bezig.—Van daar gingen wij de woning binnen. Martha, die voor het vuur tusschen haar medehelpsters zat neergehurkt, liet van ontsteltenis den inhoud van haar koekenpan over de plaat druipen, toen zij den Onderschout met een barsche stem hoorde roepen: "waar heb je dien vent verstopt, die hier dezer dagen gehuisd heeft?"

"Ik Meneer!" antwoordde zij, bevende: "ach God! ik ben een arme weduwvrouw en leef hier eenzaam en alleenig, sinds men zeun mij verlaten heit: zou ik hier iemand in huis 'ehad hebben?"

"Wij zullen deze trap op moeten," zeide, zonder zich aan haar taal te bekreunen, mijn vader, die mij al dien tijd in 't oog gehouden had en bespeurd, dat ik bij 't binnenkomen een blik naar dien hoek had geslagen.—Wij liepen allen naar boven; maar het opkamertje was ledig.

"Doorzoekt de bedsteden!" zeide mijn vader.

Heynsz ontsloot de deuren; maar daar achter was niemand te einden. Het beddegoed was opgerold en de kussens in 't midden er boven op gelegd, gelijk gewoonlijk geschiedt, wanneer men van de slaapplaats geen gebruik maakt. Met dit oppervlakkig onderzoek echter niet voldaan, haalde Heynsz den ganschen toestel over den vloer.

"'t Is een mooie boel, dien je maakt," zeide Martha, die ons gevolgd was: "als je 't maar allemaal weer in orde brengt. Ik heb vandaag warentig al drukten genoeg."

"Deze lakens hebben gediend," zeide Heynsz, met een zegevierenden blik, terwijl hij aan de beide hoofdbeambten de kreukels deed opmerken.

"Nou jae," zeide Martha: "wat zou dat? Die lakens zijn ook 'ebruikt 'eweest; niet lang 'eleden, met kermis, heit men zuster in 't iene bed 'eslapen en men zusters zeun in het aere. Maar vertel het toch niet an Mevrouw; ze mocht het temet kwalijk nemen."

Ondertusschen had Heynsz, al snuffelende onder de dekens, een geëmailleerden gesp opgeraapt, gelijk die bij een stropdas gebruikt worden.

"En deze gesp," vroeg hij: "behoort die ook al aan uw zuster?"

"Neen, an men zuster niet, maar an der zeun," antwoordde Martha, die niet licht van haar stuk te brengen was: "die heittie op de Uitersche kermis 'ekocht. Wat zel ie blij wezen as ie hem weerom heit."—En zij stak de hand uit om dien terug te nemen.

"Hei! hei wat! dat gaat zoo niet," zeide Heynsz, terwijl hij den gesp nader beschouwde: "dat is geen versiersel voor een boerenknaap. Wat zegt Uw Ed.-Gestr. er van?"

"Het is als gij zegt," zeide mijn vader: "de boerenknapen zijn meer op plomper fatsoen gesteld.—Intusschen, hier is de man niet, dien wij zoeken. Zijn hier geen andere vertrekken in huis?"

Wij begaven ons verder. Alle kamers, zolders, kelders en hokken, zelfs de hooibergen en houtstapels werden doorzocht; maar alles vruchteloos: en wij bevonden ons weder op het plein, met de overtuiging, dat het voorwerp der nasporing ontsnapt was.

"Ik dacht, dat uw dienaars beter wacht zouden gehouden hebben," zeide mijn vader tegen zijn ambtgenoot.

"Sapperloot!" zeide deze: "Mijnheer Huyck! zij hebben het werk gedeeld met uw eigen volk: en wie zijn plicht heeft verzuimd is moeilijk uit te maken. En was die Jood, die hem gisteren hier zag, het mij maar terstond komen zeggen, in de plaats van naar Amsterdam te gaan om het den Heer Heynsz te vertellen, dan had ik hem gisteravond reeds laten pakken. Maar dat helpt nu niet.—Jij, vrouwtje! hoor eens. Biecht nu eens oprecht, anders zul je kennis met de boeien maken. Waar is de vent gebleven?"

"Och, mijn goeie Heer! Wat zal ik zeggen? Ik ben een arme weduwvrouw en weet niets van 't geval af."

"Je kunt toch niet ontkennen, dat die Heer Van Lintz, of zooals hij heeten mag, bij u gehuisvest heeft."

"Wat zou het mij baten," hernam zij: "al wou ik het ontkennen? Uw Ed.-Gestr. gelooft mij toch niet. Maar al zei ik nou: ze binnen naar Amsterdam: dan zou Uw Ed.-Gestr. ommers toch denken dat ik je foppen wou."

"Zij heeft gelijk, collega!" zeide mijn vader: "maar gij, Ferdinand! zult ge mij nu nog niet verklaren, welk belang gij stelt in den Graaf Van Talavera, waarom gij u gestadig met hem in gezelschap bevindt, en of gij niet wellicht ook thans zijn vlucht begunstigd hebt?"

Ik oordeelde, dat de tijd tot spreken gekomen was, en dat een rondborstig verhaal van de toedracht der zaak den Graaf niet meer schaden, maar wellicht van dienst kon zijn. "Onze ontmoetingen," zeide ik, "zijn altijd toevallig geweest; maar Vader kon toch niet verlangen, dat ik den man verraden zou, die mij het leven gered heeft?"

"Het leven! En wanneer?"

"Ziedaar, wat ik u thans kan openbaren."—En ik was op het punt van een verslag van het gebeurde te geven, toen Tante, gevolgd van de overige gasten, naar ons toekwam, ongerust over ons lang wegblijven en over het zien der gerechtsdienaars, die zich van tijd tot tijd op verschillende punten vertoonden.

"Wat is er toch aan de hand?" vroeg Suzanna: "Tante klaagt al:

d'armes et d'ennemis je suis environnée."

"Wat wil men?" vroeg Tante: "wie van het gezelschap moet er gepakt worden."

"Van het gezelschap niemand," antwoordde de Naarder Onderschout: "maar het zal UEd. niet weinig bevreemden van te vernemen, dat die vrouw daar goedvindt uw hoeve tot een logies voor verdachte lieden te bezigen.

"Het is zoo, Zuster!" zeide mijn vader: "de Baron Van Lintz, dien gij u nog wel herinneren zult, heeft hier gisteren, en zoo ik mij niet bedrieg, ook vroeger nog, zijn intrek gehad."

"Nu ja!" zeide Martha, de zwijgende ondervraging van Tantes blik beantwoordende: "hij is hier 'eweest, en zijn dochter ook: en nou binnen zij Goddank weg en vrij ook, naar ik hoop. En al moest Mevrouw men er op men ouwen dag voor op straat zetten, ik kon niet aêrs doen als ik 'edaan heb. Wie zou nou zoo barbaarsch wezen, om as iemand, dien men met zijn eigen melk het 'evoed, bij je komt en zeit: moeder Martha! ze zitten men overal op het lijf, en ik kan nergens een veilige schuilplaats vinden, om dan te zeggen: scheer je van mijn deur weg."

"Daar is wat van aan," zeide Tante: "en ik kan toch ook niet vinden, dat mijn erf er door onteerd is, dat er een Grande van Spanje op gelogeerd heeft.—En wat is er van hem geworden?—Die arme Van Lintz! hij is zoo dikwijls mijn Cavalier geweest."

"Dat is juist de vraag, wat er van hem geworden is," zeide de Naarder Onderschout: "hij heeft, ondanks al onze voorzorgen, weten te ontsnappen."

"Dat verblijdt mij," zeide Tante Letje: "want het zal tot een vertroosting strekken voor zijn arme dochter, die hedenmorgen, toen ik haar verliet, bittere tranen schreide, uit ongerustheid over het lot haars vaders."

"Hoe? Is het dan werkelijk zijn dochter, die ten uwen huize is? Gij zult mij dat alles nader vertellen, Zuster!" zeide Tante Van Bempden.

"Zij behoeft niet voor de misslagen haars vaders te boeten," zeide mijn vader: "en ik vlei mij, dat zij bij mijn zuster een meer betamend verblijf heeft gevonden, dan bij Heynsz, en er althans aan geen lastige bezoeken zal blootgesteld worden." Dit zeggende zag mijn vader Lodewijk aan, die verbaasd een stap achteruit deed.

"Hoe!" riep hij: "was die Juffer...?" Hij eindigde den volzin niet, met reden begrijpende, dat de wijze, waarop hij haar kennis gemaakt had, hem niet tot eer verstrekte.

"Ed.-Gestrenge!" zeide Heynsz, mijn vader ter zijde trekkende: "ik heb nog eens geïnterrogeerd al die lieden: zij hebben niemand zien gaan van hier, als alleen den koetsier van den Heer Blaek met het rijtuig."

"Dat rijtuig zou te Huizen stallen," zeide mijn vader zachtjes: "Haast u derwaarts en hoor of het er werkelijk geweest is. De Heer Blaek en de Graaf zijn oude bekenden."

Dit gezegd hebbende, begaf mijn vader zich met zijn ambtgenoot ter zijde, ten einde de meest geschikte maatregelen te beramen: waarop deze laatste zich verwijderde, en ook Heynsz met de dienaars in verschillende richtingen aftrokken. Dit voorval had intusschen de genoegens der partij gestremd: tot zelfs de kinderen toe dorsten zich niet aan hunne gewone, vroolijke luidruchtigheid overgeven, bij het zien der opschudding, die plaats vond, en der ontsteltenis, welke op veler gelaat te lezen was. Tante Van Bempden bemerkte dit, en oordeelende dat alleen de verandering van tooneel de gemoederen weder tot rust zoude brengen, gaf zij last om in te spannen. Terwijl dit plaats had en de dames zich weder met de gewone toebereidselen ter afreize bezig hielden, deed ik aan mijn vader het verhaal van mijn kennismaking met den Graaf.

"Indien gij verkeerd gehandeld hebt," zeide hij, na mij met bedaardheid te hebben aangehoord, "zult gij genoeg gestraft zijn door de kwellingen, die gij deze laatste weken hebt ondergaan. Ik zal u geene verwijten doen: uw toestand was moeilijk: en sterkere hoofden dan het uwe zouden er van aan 't malen zijn geraakt. Ik zal intusschen blijde zijn indien de Freule gelegenheid vindt om Tante te verlaten. Ik weet niet of het wel goed voor u en voor haar is, dat zij daar langer blijft."

"Ik verzeker u," zeide ik, "dat ik voor haar alleen deelneming en niets meer gevoel."

"'t Is mogelijk! Maar zij—zij is ongelukkig: en dan hecht men zich lichtelijk aan hen die ons diensten bewijzen:—en wanneer dan hij, die den dienst bewezen heeft, een knappe jongen is, en zij, die dien dienst ontvangt, een meisje met een niet ongevoelig hart, dan deugt zulks voor geen van beiden, en is de laatste vooral te beklagen.—Dan, nu geen woord meer over dat onderwerp."

Ik kon niet nalaten van bij mijzelven te glimlachen over de samenstemming van hetgeen Amelia's vader mij vroeger had te kennen gegeven en hetgeen thans de bekommering van den mijnen wekte. Ik had echter geene zoo groote inbeelding van mijzelven, om te gelooven, dat ik nu juist de persoon zoude zijn, op wien Amelia verlieven zoude.

Een oogenblik daarna kwam het rijtuig van den Heer Blaek terug: een schijnbaar onbeduidende wenk, door dezen aan den koetsier gegeven, en welken de laatste met een hoofdknik beantwoordde, bevestigde mij in mijn vermoedens omtrent de wijze, waarop de Graaf ontsnapt was.

Wij reden nu allen weer naar Heizicht, alwaar wij met een wandeling door de plaats den tijd poogden te korten en nieuwen eetlust op te doen tot het middagmaal. Nauwelijks had de bel het teeken hiertoe gegeven, of wij zagen het rijtuig van den Heer Van Baalen oprijden en hijzelf met een bezorgd gelaat daaruit stappen.

"Wel, mijn waarde Van Baalen! riep Tante hem toe: "hebt gij zoovele drukte aan het kantoor gehad? Wij rekenden al niet meer op u."

"Wat helpt het klagen!" zeide hij, de schouders ophalende: "het is mijn lot, en ik tref het altijd ongelukkig, dat, zoo vaak ik uit verzocht word, er iets in den weg moet komen. Vriend Huyck! ik moet u even spreken, met verlof van het gezelschap."

"Is er zwarigheid?" vroeg ik, met hem ter zijde gaande.

"Niet gering!" antwoordde hij: "de Fortuin is door den storm op de Terschellingsche banken geslagen. De equipage is gered, en men is bezig de lading te lossen; maar het schip zal, vrees ik, verloren zijn."

"Dat is voorwaar een Jobstijding!" zeide ik ontroerd: "en is UEd. zeker dat niemand er het leven bij ingeschoten heeft?"

"Niemand," zeide Van Baalen: "en dat is waarlijk een wonder te noemen. Nu ik hoop maar, dat Pulver wijs genoeg zal zijn om een spoedige gelegenheid te vinden, om de goederen verder te zenden: vooral de thee; want daar is nog een kapitaal op te winnen; en wordt dat nu verzuimd, dan is binnen een maand de markt overhoopt. Het is drommels uit den koers; anders ware het nog altijd wel zaak, er iemand heen te zenden, om te zien hoe de zaken staan en wat er nog van te halen is, eer de strandvonders en kustwaarders met alles gaan strijken."

"Dan is het misschien best, dat ik er zelf maar heen zeile," zeide ik.

"Ik dorst het u niet voorstellen," zeide Van Baalen: "maar dat zou voorzeker een brave daad van u zijn.—Wanneer zoudt gij in staat zijn te vertrekken?"

"Wel! dadelijk, als het noodig is."

"Neen! Heden zoudt gij toch geene gelegenheid meer vinden: en wij dienen vooraf nog dezen en genen te spreken; want ik kon dezen morgen, met de Zaterdag, slechts de helft aantreffen van hen, die ik noodig had. Zoo gij morgen met den Harlinger beurtman vertrekt, en verder een visschersvaartuig naar Terschelling neemt, zal het toch altijd het beste middel van overtocht zijn; want de gewone route met de postschuit kan ik u niet erg aanraden."

Dit punt alzoo geregeld hebbende, begaven wij ons weder bij het gezelschap, waar wij natuurlijk geen geheim maakten van het voorval, en de betuigingen van deelneming der aanwezigen erlangden. Een en ander was echter weinig geschikt om de genoegens, die men zich van het feest had voorgesteld, te verhoogen.

"Wel lieve moeder!" zeide ik, de beste vrouw bij de hand nemende: "uw jaardag wordt onder geen blijde voorteekenen gevierd."

"O!" zeide zij, mij een kus op het voorhoofd drukkende: "beklaag mij niet: ik gevoel mij gelukkig; want ik heb op dezen dag de zekerheid bekomen, dat wij u onschuldig verdacht hebben gehouden; en zou ik dan nog over iets anders kunnen bedroefd zijn?"

De gebeurtenissen van den dag waren echter nog niet ten einde geloopen: op het nagerecht ontving mijn vader met de 's-Gravenlandsche schuit een pakket uit Amsterdam. Behalve eenige berichten voor hem, bevatte het een brief voor Tante Letje, dien hij haar ter hand stelde. Zij opende dien: hij was van Amelia, die haar, onder warme dankbetuigingen voor het haar verleende verblijf, kennis gaf, dat zij vertrokken was, om haar vader terug te vinden en met dezen de Vereenigde Provinciën voor altijd te verlaten, terwijl zij verschooning verzocht, van zich dus zonder afscheid te verwijderen, hetgeen men toch vooral aan geen gebrek aan hartelijkheid moest toeschrijven: maar alleen aan de gebiedende noodwendigheid, welke haar gedwongen had, op een zoo verhaaste wijze van de zich opdoende gelegenheid gebruik te maken.

"Zij maakte zich op en ginck heenen," zeide Tante Letje: "maar ik zegge: de Heere beeft haar laten gaen; want zij volgt haar vader wien zij verplicht is te eeren en te gehoorzamen, ofschoon hij een man Belials zij, vol van twistzoeking en ongerechtigheid!"

"Ik sloeg haar 't heilig kruis, naardien zij optrock, na."

zeide Suzanna.

"Ja! ik ben ook maar blijde, dat zij weg is," zeide mijn moeder: "want zij moge dan zoo mooi en verstandig zijn als men wil, ik hou niet van die vreemde floddermadammen, die zoo geheel anders zijn, als wij gewend zijn."

Ik kon mij niet weerhouden, te glimlachen over dezen uitval van mijn anders zoo goede moeder; maar ook zij was niet vrij van het verschoonbare vooroordeel, hetwelk gemeenlijk door al de zoodanigen, die aan een ordelijke, afgepaste, alledaagsche sleur gewoon zijn, wordt opgevat tegen hen, die daarvan met voordacht of onschuldig afwijken. Ik gevoelde geen trek om als Amelia's verdediger op te treden, daar ik zelf innerlijk over haar vertrek verheugd was en niet verlangde verder over haar te praten; en ten andere verhinderde ook de tegenwoordigheid van Lodewijk, voor wien het onderwerp mede niet aangenaam kon zijn, zoowel mij als de overige Heeren, iets meer betreffende haar in 't midden te brengen. Al het gebeurde had echter eenige stilte bij de aanwezigen teweeggebracht, en maakte dat het feest, wat althans de vroolijkheid betreft, niet volkomen aan Tantes verwachting beantwoordde: vooral de Heeren Blaek, vader en zoon, waren afgetrokken van gedachten, en het kwam mij voor, dat het beiden een verlossing scheen, toen hun rijtuig werd aangemeld, waar zij dan ook niet vertoefden gebruik van te maken, maar zich dadelijk verwijderden: terwijl ik kort daarna met den Heer Van Baalen den terugtocht naar Amsterdam ondernam.

DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

VERMELDENDE, WIE FERDINAND IN DEN BEURTMAN AANTROF, HOE HIJ OP TERSCHELLING AANKWAM EN WELKE ZONDERLINGE ONTMOETING HIJ ALDAAR HAD.

De volgende morgen werd door mij besteed om van mijn compagnon en een paar andere, bij de zaak belanghebbende lieden, de laatste instructiën te ontvangen, mijn goed te pakken en daarbij uit mijns vaders boekerij eenige werken te voegen, handelende over het strandrecht; welker lezing mij eenigszins in staat zoude kunnen stellen om met meer kennis van zaken de mij opgedragen taak te volvoeren en tevens eenig tijdverdrijf aan boord zou bezorgen. Na afscheid genomen te hebben van mijn ouders, die, ofschoon het noodzakelijke mijner reis inziende, echter (en vooral mijn moeder) niet konden nalaten eenige bekommering deswege te gevoelen, te meer na de slechte ondervinding, die ik kort te voren van een zeetochtje had opgedaan, en de rampen, welke de Texelsche lijst vermeldde, trok ik tegen zes uren naar den beurtman. Het was nog vroeg toen ik aankwam, en er bevonden zich nog maar weinige passagiers aan boord; doch wier getal van lieverlede aangroeide. Eindelijk ging de bel, welke de leuteraars en achterblijvers waarschuwen moest, dat het vertrek ophanden was; doch niet weinig stond ik verwonderd, toen ik, den steiger langs kijkende naar de passagiers, die nu hijgende en blazende aan kwamen geloopen, onder hen vriend Lucas Helding herkende, het lijf in eene dichte overjas gewikkeld en met een mantelzak onder den arm.

"Welzoo!" riep ik, toen hij aan boord stapte: "gij hier, vriend Helding? Gij waart wel de laatste man, dien ik tot reisgenoot verwachtte."

"Is het mogelijk!" riep hij van zijn kant uit: "Mijnheer Huyck! wel dat is een aangename verrassing! ik kon niet hopen zulk een vereerend gezelschap aan boord te vinden. En gaat UEd. ook naar Harlingen, als ik vragen mag?"

"Dat zal wel waar, zijn," antwoordde ik lachende: "want ik geloof niet dat de schipper ons ergens anders zal aan wal zetten: althans dat zou een slecht teeken zijn;—maar in zooverre is uw vraag zoo onjuist niet, ingeval gij het doel mijner reis beoogt, want die moet zich nog verder uitstrekken dan Harlingen. Maar wat jaagt u naar Frieslands kust?"

"Och Mijnheer! een treurige reden; maar die ik zoo niet vertellen kan," en hier zag hij om zich heen, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij zich in tegenwoordigheid van zoovelen niet vrij kon uitlaten. Later echter, toen wij onder zeil waren en de meeste passagiers zich naar beneden hadden begeven, deelde hij mij in 't vertrouwen de reden zijner reis mede. Hij had namelijk van Heynsz, wiens, op last mijns vaders, in 't werk gestelde nasporingen eindelijk van uitwerking geweest waren, het bericht bekomen, dat zijn dochter Klaartje, na lang her- en derwaarts te hebben rondgezworven, eindelijk was te land gekomen te Harlingen en aldaar als meid diende in een kroeg, welke juist niet in den besten reuk stond en gewoonlijk door varensgezellen bezocht werd. Bij het ontvangen dier mededeeling had Helding, zonder lang beraad, het besluit genomen dadelijk op reis te gaan om het verdoolde schaap op te zoeken en zoo mogelijk weer terug te brengen. Het was aandoenlijk op te merken, hoe hij, aan de eene zijde, huiverde tegen de ontmoeting en zich schaamde over haar, die zijn onberispelijken naam onteerd had, en, aan de andere zijde, verlangde haar terug te zien en, kon het zijn weder tot zich te nemen. "Och!" zeide hij: "ik weet het wel, Mijnheer Huyck; zij heeft gezondigd: maar zij is toch mijn dochter, mijn eenig kind, en was eenmaal het sprekende beeld van haar nu zalige moeder—en Goddank! dat deze niet geleefd heeft, om haar schande te zien—ofschoon, indien de brave vrouw was blijven leven, zij wellicht ons kind weerhouden had van den slechten weg op te gaan; want daartegen kan een vader toch zoo niet waken als een moeder doet;—och! het is misschien grootendeels ook mijne schuld, omdat ik het kind niet genoeg heb gadegeslagen of te mal met haar geweest ben:—ik had haar zoo lief: en als ik haar maar eens weer bij mij heb en zij berouw toont, dan zal zich alles wel weer schikken en wij zullen nog blijde dagen samen beleven."

Deze en dergelijke redenen had Helding overvloedig de gelegenheid mij te herhalen, gedurende onzen overtocht, die ruim vier en twintig uren duurde, daar wij den wind vlak tegen hadden en dus genoodzaakt waren gedurig te laveeren: en, ofschoon zijn stof tot onderhoud dus noch gevarieerd noch opbeurend was, hoorde ik hem echter liever over dit onderwerp spreken, hetwelk ten minste van zijn goed hart getuigde, dan dat ik gedwongen ware geweest, hem over poëzie te hooren redekavelen of, wat erger was, naar het opzeggen zijner dichterlijke voortbrengselen te moeten luisteren.

Het was ongeveer 's namiddags zeven uren toen wij Harlingen bereikten. Reeds gedurende den overtocht had ik aan Helding den raad gegeven, om zich dadelijk bij de Overheid te vervoegen en van deze assistentie te verzoeken tot het doen zijner nasporing: daar ik met reden beducht was, dat de lieden, bij wie zijn dochter inwoonde, zwarigheid zouden maken in haar vertrek te bewilligen, en misschien voorgeven, dat zij nog schulden had, of andere dergelijke voorwendselen oprapen, of ook haar verborgen houden: en daar ik dien avond toch niets beters te doen had, bood ik aan hem te vergezellen; een voorstel, 't welk hij dankbaar aannam, overtuigd, dat mijn naam en tegenwoordigheid meer klem aan zijn verzoek zouden bijzetten. Na alvorens met een visschersman, dien ik had doen ontbieden, een akkoord getroffen te hebben om mij den volgenden morgen met het krieken van den dag naar Terschelling over te brengen, verliet ik met Helding de herberg, waarin wij onzen intrek genomen hadden, en vergezelde hem bij den Schout, die zich dadelijk tot medewerking geneigd betoonde en ons een dienaar medegaf, met last om ons behulpzaam te zijn in onze nasporing en zoo men zwarigheid maakte, partijen voor hem te brengen. Minder gunstig echter viel ons bezoek in het wijnhuis uit, waar wij tot bescheid bekwamen, dat de persoon, die wij zochten, wel sedert drie weken daar aan huis had verkeerd, doch sedert een paar dagen met een varensgezel, die een oude bekende scheen, was afgetrokken. Deze tijding sloeg, gelijk men denken kan, den armen Helding geheel ter neder; want behalve de teleurstelling in zijn verwachting, was het voor hem bij den bekrompen staat zijner geldmiddelen, geheel geen aangenaam vooruitzicht, om, ter verdere nasporing zijner dochter, nieuwe uitgaven te moeten maken, die wellicht even vruchteloos zouden besteed zijn als die, waartoe hij reeds was verplicht geweest. Ik gaf echter den moed niet zoo ras verloren, maar ging voort met de lieden in het wijnhuis te ondervragen, en gaf hun zelfs te kennen, dat ik nog eenigszins de echtheid hunner berichten bleef wantrouwen.

"Zoo jou me niet 'elooven wilt," zeide eindelijk de waard, terwijl hij op een der lieden wees, die in zijn voorhuis onder hun gelag bijeenzaten: "daar zit Janke Sikkes, die heeft hen zelf met zijn schuit weg 'ebracht."

Ik zag om en herkende den visschersman, dien ik voor den overtocht had besproken. Deze, hoorende wat het geval was, rees op en bevestigde de verklaring van den waard, er bijvoegende, dat hij de jongelui naar Terschelling had overgebracht.

"Indien dit zoo is, vriend Helding!" zeide ik: "dan behoeft gij den moed nog niet te laten zakken: en daar het gelukkig toeval wil, dat ik juist denzelfden weg op moet, dien onze vluchtelingen hebben genomen, zoo kunt gij de reis kosteloos met mij maken; en tenzij de vluchtelingen het zeegat uit zijn, kan het niet missen, of wij moeten het verloren schaap terugvinden."

"Och!" zeide Helding, op een zwaarmoedigen toon: "ik vrees, het zal wel weer vruchteloos zijn;... maar desniettemin zal ik met dankbaarheid van UEds. vriendelijk aanbod gebruik maken;... want ik heb juist op zoo een verre reis niet gerekend, en het zou mij licht aan geld ontbreken om verder te gaan. Hoever licht dat land wel, daar zij is heengegaan?"

"O!" antwoordde ik, met moeite een glimlach onderdrukkende over de geographische kennis, welke de man ten toon spreidde: "wij hebben wel geen voordeeligen wind; maar toch, morgen met den namiddag zullen wij er wel zijn."

Wij verlieten de kroeg en gingen na het nuttigen van een goed avondmaal vroegtijdig ter ruste, ten einde den volgenden morgen op het afgesproken uur bij de hand te zijn. Wij waren dan ook op den bestemden tijd aan boord en hadden weldra aan de haven van Harlingen vaarwelgezegd. Janke Sikkes was met het vaarwater bekend sedert zijn geboorte af; en, aangevuurd door de hoop op een goede belooning, deed hij zijn uiterste best om ons op de spoedigst mogelijke wijze naar ons bestemmingsoord te voeren. Onderweg poogden wij nog eenige berichten bij hem in te winnen omtrent den persoon, die Klaartje op reis vergezeld had; hij wist ons weinig dienaangaande te vertellen; alleen zeide hij, dat de jonkman een knap slag van een kerel was, die de zeemanskunst goed scheen te verstaan en zelf eens mede een hand aan 't werk geslagen had; maar dat hij zich over zijn naam of betrekking niet had willen uitlaten, en dat het meisken ook weinig gesproken had, maar den geheelen overtocht zeer bedroefd en mankeliek was geweest.

Het was ongeveer middag, toen wij het eiland in het gezicht kregen. Het was een dier schoone, warme dagen, welke men meermalen in de eerste helft van September geniet; en hoewel de wind nog uit den Noorderhoek woei, was hij echter eenige streken meer naar het Oosten geloopen, en deden alle voorteekenen zich op, dat wij meer bestendig weer zouden krijgen, dan wij tot dusver hadden gehad. Niet onbevallig deed zich weldra het dorp West-Terschelling, met zijn hoogen Brandaris, aan ons voor: en zijn roode, door de zon beschenen daken, tusschen het groen der lindeboomen, staken vroolijk af tegen de witte duinen, die ten Noorden aan het eiland ten bolwerk verstrekken; terwijl een menigte loods- en visschersschuiten, die in de haven lagen, of af- en aangingen, het tooneel verlevendigden. Ten Noordwesten liet zich, op eenigen afstand, tusschen de ver vooruitstekende zandbanken, een half op zijde liggend wrak zien, dat reeds van masten en tuigage ontdaan was, en hetwelk ik aan den nieuwgeschilderden, naar ons toegekeerden spiegel, voor de (ditmaal zoo onfortuinige) Fortuin herkende.

Aan de haven gekomen zijnde, zagen wij, hoe reeds een groot gedeelte der jeugdige bevolking, welke ons van verre had zien aankomen, ons van het strand en van het havenhoofd stond te verbeiden met de nieuwsgierigheid, welke de komst van vreemdelingen vooral op zeedorpen pleegt te verwekken, en nu met de handen in den zak onze ontscheping aangaapte. Ik zag echter onder den hoop ook enkele meer bejaarde inwoners, en het was tot een dezer laatsten, dat ik mij wendde om te vernemen, of zij ook wisten waar Kapitein Pulver te vinden was.

"Wijs deuzen Heeren den weg eens naar Geurt Reynszen," zeide de man tegen den naastbijstaanden knaap: en deze, na ons nog even te hebben aangekeken, sloeg zonder overhaasting den gullen zandweg in, die naar het dorp bracht. Wij volgden onzen wegwijzer, geleid door de gansche jonge bevolking, die zich om ons heen drong, als had zij in last bekomen ons op te brengen. Enkelen draafden vooruit om bericht van onze komst te brengen, en dit had ten gevolge, dat wij weldra Kapitein Pulver in persoon ons te gemoet zagen komen.

"Wel patroon!" riep de man uit, toen hij mij gewaarwerd: "ben je daar warempel zelf komen aanwaaien: dat is een leelijke interval met ons schip!—Het spijt mij danig van de ouwe Fortuin: en ze heeft 'er naam slecht gedragen: 't Is jammer van de kostelijke verf, die er nog aan gespendeerd is; maar, niemand kan 't helpen, zooals de man zei, toen hij zijn vrouw van de trappen gegooid had. 't Is dan ook een boos weertje geweest: een wind, dat geen vier heerenknechts een mand met bruidsuikers tegen een sluis zouden opgetrokken hebben; en raakt men in dat gindsche vaarwater maar eenmaal grond, dan is het: zie er van af, en wij mogen nog onzen Lieven Heer wel danken, dat er niemand bij omgekomen is, als twee geiten, die verzopen zijn. Ondertusschen, patroon! 't Is mij lief, je wel te zien."

"En hoe staat het met het schip en de lading?" vroeg ik. "Is er veel schade."

"O! wat de lading betreft," antwoordde Pulver: "die is grootendeels geborgen; maar het schip,—kijk er van af, zeg ik:—dat woelt al gedurig meer in het zand: en ofschoon UEd. het vandaag nog hebt kunnen zien, zal het morgen wel heelendal naar den kelder zijn."

"Zoo! dan is de lading toch in zekerheid:—dat doet mij genoegen."

"Wel mag het u genoegen doen; maar wat helpt het? zooals de man zei toen hij klontjes te huis bracht en de koffie al gedronken was. Ik heb, sedert de boel hier in 't pakhuis (en 't is er een pakhuis naar!) is opgeslagen, er al zooveel over te zeggen, als een koksmaatje over de kluifjes, die de kat benaderd heeft. Ik had anders zulk een schoone gelegenheid om de thee, waar een kapitaal op te winnen is, verder te zenden; maar 't is maar goed, dat UEd. hier is om een oog in 't zeil te houden; want zij zullen wel wat meer respect voor UEd. hebben dan voor mijn persoontje.—En wie is Mijnheer? als ik vragen mag? want onbekend maakt onbemind." Hier wees hij op Helding.

Ik gaf hem zulks in korte woorden te verstaan, terwijl wij vervolgens gezamenlijk de woning binnentraden van den hierbovengenoemden Geurt Reynszen, die bij de hoedanigheid van Onderstrandvonder ook, gelijk mij naderhand bleek, die van voorzittend Schepen bekleedde en dus een der gewichtigste personages van het eiland was. Het bovenlijf van een dikken zeegod, met roode bolle wangen en een blauwen baard, hetwelk vroeger den voorsteven van een schip had versierd, en volgens de daaronder geplaatste aanwijzing den God Neptuin verbeeldde, prijkte boven de voordeur, en scheen in zijn voorover gebogen houding de voorbijgangers uit te noodigen om binnen te treden en den brandewijn van vriend Reynszen te proeven, terwijl de woorden goed logies op den deurpost nog verder het bedrijf van dezen nuttigen eilander aankondigden.

Het was dus met dezen Reynszen voornamelijk, dat ik over het doel mijner komst zoude moeten spreken: terwijl ik mij tevens vleide, dat hij beter dan iemand in staat zoude zijn eenig bericht aangaande de dochter van Helding te verschaffen.

Reynszen, een man van ongeveer zestig jaar, maar nog wakker en sterk, en wiens grauwe kat-oogen sluwheid en overleg verraadden, ontving ons met een voorkomende vriendelijkheid, die echter eenigszins verflauwde, toen Pulver hem mijn naam en betrekking als reeder van het gestrande schip deed kennen: en het viel mij niet moeilijk, uit de wijze, waarop hij mij opnam, te gissen, dat hij trachtte zijn oordeel op te maken, in hoeverre ik vatbaar was om mij te laten blinddoeken of bepraten. Zijn gelaat klaarde echter weder op, toen ik voor Helding en mijzelven logies bij hem bestelde: waarschijnlijk begreep hij, dat twee Heeren uit Amsterdam in allen gevalle goede vertering bij hem zouden maken, en dat hij als kastelein wel datgene aan mij zou terugverdienen, wat hij als Strandvonder door mijn komst zou moeten missen. Hij bood ons pijpen aan en begon een praatje over weer en wind, terwijl zijn dochter stoelen bijschoof en op onzen last eenige boterhammen ging smeren; want de zeelucht en de reis hadden ons honger gegeven. Pulver begon hierop het verhaal van zijn geleden schipbreuk, hetwelk men mij verschoonen zal, zoo ik het niet in zijn geheel geve, daar in dit geschrift reeds tweemalen een diergelijke ramp vrij omstandig beschreven is. Het bleek mij echter reeds toen, en later werd het ook door de getuigenis van de equipage van de Fortuin bevestigd, dat Schipper en stuurman hun plicht tot het uiterste hadden volbracht en dat de geleden wederwaardigheid alleen aan het geweld van den storm te wijten was, die het vaartuig op de Robbeplaat had gesmeten, waarvan het niet mogelijk was af te komen.

Het ontging mij niet, dat Helding, gedurende het vrij lange en door allerlei aanmerkingen en uitweidingen afgebroken verhaal van den Schipper, al op heete kolen zat, en gedurig rondkeek, als wilde hij vragen, wanneer de beurt toch eens aan hem komen en over de zaak zoude gesproken worden, welke hem op Terschelling riep. Juist wilde ik daarover beginnen, toen een nieuw personage de herberg binnentrad. Deze was een dor schraal kereltje, wiens onbeduidende lichaamsbouw sterk afstak tegen de kloeke gestalte van Reynszen en van de Terschellingsche visschers, die ik aan de haven gezien had. Ook was hij niet in 't duffel en baai gekleed, gelijk de overige dorpelingen: en zijn rok en hoed, hoewel ouderwetsch fatsoen, kenmerkten meer de dracht van den vasten wal of een nabootsing daarvan. Zijn door de kinderziekte sterkgeschonden gelaat had weinig behaaglijks; terwijl de omgekrulde onderlip en vooruitgezette borst geen geringe mate van zelftevredenheid en verachting van anderen schenen aan te kondigen.

"Zoo Drost! ben je daar?" vroeg Reynszen, den nieuwaangekomene de broederhand toestekende. Deze scheen blijkbaar het niet te durven wagen, zijn mager handje aan den krachtigen aangreep des kasteleins bloot te stellen, en stak hem slechts een vinger toe.

Ik stond een oogenblik in twijfel, of de naam van Drost, aan den onbekende gegeven, 's mans eigen naam of een verkorting van den titel van Drossaard moest beteekenen. Ik wist, dat deze laatste ambtsbetrekking door een der Burgemeesteren van Enkhuizen werd bekleed: en ik kon te minder gelooven, dat ik dezen voor mij zag, daar de toon en houding van Reynszen jegens den nieuwgekomene die gemeenzaamheid aanduidden, welke tusschen goede bekenden plaats heeft.

"Zel je een pijp rooken?" vervolgde Reynszen tegen den onbekende, die ons van ter zijde bekeek:—"dat zijn Amsterdamsche Heeren, die komen hier vanwege de Fortuin!" en toen, zich naar ons keerende: "dat is de Drost," zeide hij.

A tous seigneurs tous honneurs. Ik rees op, en groette den Dignitaris, die, na mij kortaf goeden dag te hebben gewenscht, zich tot Reynszen wendde, in de navolgende afgebroken bewoordingen:

"Niet rooken ... weinig tijd ... zieken bezoeken ... Raad bijeengeweest ... hoe is de patiënt?"

"Niet te bestig," antwoordde Reynszen: "ik wou dat zij weg waren gebleven."

"Hebt gij hier een zieke in huis?" vroeg ik.

"Ja," antwoordde Reynszen: "een vrouwken van den vasten wal: de Dokter heit er ook al geen zinnigheid in." Hier wees hij op den Drost: en nu werd het mij opeens duidelijk, dat deze niet de Drossaard zelf, maar zijn Substituut moest wezen, die, tevens met dit ambt, de hoedanigheid van geneesheer bekleedde. Ik dacht echter over dit punt slechts vluchtig na; want het gezegde had mijn aandacht getrokken.

"Van den vasten wal?" herhaalde ik: "en wanneer aangekomen?"

"Eerst sedert drie dagen van Harlingen, 'eloof ik."

Helding was doodsbleek en keek beurtelings mij en den kastelein aan.

"En haar naam?"

"De vent, die met haar is—haar man wil ik hopen—noemt haar Klaartje; en dat is al wat ik er van weet."

"O mijn dochter! mijn Klaartje!" riep Helding, terwijl hem dikke tranen langs de wangen rolden. "Waar is zij? Breng mij bij haar!"

"Bedaar, mijn goede Helding!" zeide ik: "gij hoort, dat zij ongesteld is: uw onverwachte verschijning zou nadeelige uitwerkselen kunnen teweegbrengen. Wat zegt er de Dokter van?"

"Hm!" zeide deze: "ontstoken hersenen ...galachtig bloed ... raaskallen ... aandoeningen te vermijden ... abstinentia et quies."

"UEd. denkt dus," hernam ik, "dat haar vader, wien zij in lang niet gezien heeft, niet zonder eenige voorbereiding bij haar behoort te worden toegelaten?"

"Hm! hm!—nog niet—eerst zien—oordeel opschorten—straks beslissen," antwoordde de geneesheer.

Het kostte mij eenige moeite om Helding te overtuigen, dat hij zijn ongeduldig verlangen naar zijn dochter bedwingen moest; doch na eenigen tegenstand gaf hij toe en beloofde zich bedaard te zullen houden, terwijl ik op zijn verzoek aannam, den Dokter bij zijn bezoek te vergezellen en hem nauwkeurig kondschap te brengen aangaande den toestand zijner dochter. Reeds vreesde ik, daar de woning mij toescheen niet zeer groot te zijn, dat de lijderes zich misschien in een nabijgelegen kamer bevond en van daar iets van ons gesprek gehoord of de stem haars vaders herkend zoude hebben: maar deze vrees bleek mij ongegrond te zijn; want het ziekvertrek, waarheen ik mij thans met den Dokter begaf, bevond zich in een afzonderlijk huisje, mede aan Reynszen toebehoorende, en waarmede men door een achterdeur en binnenplaats of tuintje gemeenschap had.

Wij vonden bij het inkomen de zieke in een vrij zindelijke bedstede gelegen, voor welke iemand gezeten was, met den rug naar ons toegekeerd, die haar hand in de zijne hield, terwijl hij, voorovergebukt, met het hoofd op de andere hand leunde. Hij had zijn buis uitgetrokken en dit, waarschijnlijk om de lijderes te verwarmen, op het voeteneinde neergelegd. Bij onze nadering zag hij op, en ik herkende—hoewel niet geheel onverwachts—Sander Gerritsz—of, anders gezegd Zwarten Piet.

"Plaats maken!" zeide de Dokter: "Wat gerust?—Nog ijlende?"

"Zij is bedaarder, maar doodzwak," zeide Sander, met een zucht; "zij ligt geheel wezenloos en heeft mij nog geen woord toegesproken," en toen, mij herkennende: "Mijnheer Huyck!" riep hij verbaasd uit.

"Ongelukkige! gij hier?" zeide ik, het hoofd schuddende; "maar kom even ter zijde, en laat den Dokter bij de patiënt."

De Dokter nam de plaats in, welke Sander ledig liet, en voelde den pols van Klaartje, die nog geen bewijs had gegeven dat zij onze komst bespeurd had en met het gelaat naar het schot gekeerd lag. Ik nam onderwijl Sander in een hoek van het vertrek en fluisterde hem in 't oor:

"Haar vader is gekomen."

"God! ook dit nog!" zeide hij, en bedekte zich het gelaat met beide handen.

"Zou zij in staat zijn, hem te zien?"

"Ach! wat zou het baten? zij kent niemand—zelfs mij niet."

"Koorts af!" zeide de Dokter, opstaande: "bedaarder ... meliora symptomata ... gerstewater drinken ... citroensap ... likkepot zenden ... morgen weerkomen...."

"Zou 't mogelijk zijn!" riep Sander uit, verheugd toetredende: "bevindt zij zich inderdaad beter?"

"Nog zwak," zeide de Dokter: "versterking ingeven.—Recept schrijven!"—Dit gezegd hebbende, haalde hij een papier uit den zak en ging zijn voorschrift opschrijven.

"Klaartje!" hernam Sander, zich over het bed heenbuigende: "herkent gij mij niet?"

Klaartje lichtte bij deze toespraak even het hoofd op en keek om, zoodat ik haar vlak in het aangezicht zag. Zij had nog schoone en regelmatige trekken; maar de fletsheid der wangen en de lichtroode strepen en vlekken onder de oogen en langs den neus getuigden dat een ongebonden leefwijze, nog meer dan de ziekte, haar vroegere bekoorlijkheden vóór den tijd had doen vervallen.

"Waar ben ik?" vroeg zij met een flauwe stem, zich met de vlakke hand over het voorhoofd wrijvende: "hoe kom ik hier? Ik ben hard ziek geweest, geloof ik:—maar nu is het beter: ik wilde wel wat drinken."

"Hier hebt gij drinken," zeide Sander, haar een kommetje aan den mond brengende: "bevindt gij u waarlijk beter, mijn liefste?"

"Zoo! zijt gij daar nog, Sander?" hernam zij: "dat is goed:—maar hoe kom ik toch hier?—Ik ben wat in de war geweest en heb veel geleden ... maar 't is zonderling: ik voel nergens pijn meer."

Niettegenstaande de verklaring van den geneesheer, kon ik niet deelen in de betere hoop, die hij Sander had ingeboezemd. Dat ophouden van alle pijn, gevoegd bij den strakken blik der half gebroken oogen, scheen mij een onrustbarend kenteeken te zijn, en ik begon te duchten, dat Helding zijn dochter slechts zou terugvinden om haar terstond weder te verliezen.

"Wie is die Heer?" vroeg zij, op mij wijzende.

Ik beschouwde deze vraag als geschikt om er aanleiding uit te ontleenen, ten einde haar op het bezoek haars vaders voor te bereiden, en voorkwam dus het antwoord, dat Sander geven wilde.

"Ik kom uit Amsterdam," zeide ik, "en heb een boodschap voor u, van iemand, die u van harte liefheeft."

"Iemand in Amsterdam ... die mij liefheeft!" herhaalde zij met een uitdrukking van twijfel en smart: "wie is er, die mij liefheeft in Amsterdam?—O God! er is wel een geweest, die het mij gezegd heeft ... maar hij was een verleider ... hij was de oorzaak van mijn verderf en ellende."

"Hij, van wien ik spreek," vervolgde ik, "is iemand, die nooit als uw welzijn beoogd heeft. Bedenk eens wel: is er niemand in Amsterdam, wien natuur en plicht beide u voorschrijven lief te hebben en het verdriet te vergoeden, dat gij hem veroorzaakt hebt?"

"Wat!" zeide zij, met verheffing van stem: "van mijn vader komt gij! van mijn vader!... hoort gij Sander?... die Heer komt van mijn ongelukkigen vader!—en denkt hij nog aan zijn slechte, nietswaardige dochter, die hem zooveel verdriets heeft gekost?—En weet hij, dat ik nog leef?—O! het ware immers veel beter, dat ik dood ware,—dan behoefde hij geen leed meer te gevoelen over een schepsel, dat niets dan schande over zijn eerlijken naam heeft gebracht."

"Meisje!" zeide ik: "onze Vader in de Hemelen is lankmoedig jegens hen, die berouw toonen: en moet uw aardsche vader dat voorbeeld niet volgen? Gij zijt nooit uit zijn gedachten geweest en hij verlangt niets vuriger, dan u aan zijn hart te drukken en alles te vergeven." Zij weende:—Sander weende: ik was mede diep ontroerd, de Dokter borg zijn recept in een groot lederen zakboek en zeide, terwijl hij opstond: "geen gevaar ... ouden Heer roepen ... gerust hier komen."

"Wie? welke oude Heer?" vroeg Klaartje met levendigheid.

"Zoo uw vader zich hier bevond," zeide ik: "zoudt gij dan kracht genoeg bezitten om hem terug te zien?"

"Mijn vader!—Hier? O God! laat ik hem nog eenmaal vergeving bidden en dan sterven.—Maar neen: dat is niet mogelijk."

"Zie of het mogelijk is," zeide ik, terwijl op hetzelfde oogenblik de Arts terugkwam, gevolgd door Pulver, die Helding geleidde, daar deze werk had om zich staande te houden, zoo beefde hij.

"Waar is zij? Waar is mijn kind?" riep de oude man, terwijl hij met uitgestrekte armen en wankelende knieën het vertrek binnentrad. Zij was half opgerezen in haar bed, en het was slechts met moeite, dat Sander haar kon terughouden er uit te springen, om zich aan de voeten haars vaders te werpen. Helding viel haar om den hals en snikte luid.

"Vergeving, mijn vader!" was alles wat zij uit kon brengen, terwijl Sander, van aandoening overstelpt, zijn gelaat in de handen verborg.

"Verduiveld!" zeide Pulver, zich een traan uit het oog wisschende, "ik zit liever een heelen nacht bij slecht weer in de bramzaling, dan dat ik zoo iets bijwoon."

"Hou u maar bedaard, kindlief!" zeide Helding, terwijl zijn eigen stem beefde: "God zij geloofd, dat ik u weerom heb: wij zullen over het verledene niet meer spreken en alleen over de toekomst denken: maak maar spoedig weer beter te worden, dan gaat gij met mij weer naar Amsterdam en wij zullen een stil en genoeglijk huishouwentje hebben, als vanouds."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings