Mr. JACOB VAN LENNEP. (continued 7)
Reading edition
Mijn vader zweeg en nam een snuifje. Ik wist, wat dit beteekende; want de snuifdoos kwam slechts bij bepaalde gelegenheden uit den zak: namelijk wanneer hij hoofdpijn had, in de pleitzaal bij lange pleidooien, in de kerk bij vervelende predikatiën, wanneer hij iets zwaarwichtigs op te stellen had, of wanneer hij misnoegd was. Hij bleef echter dien gansenen avond even vriendelijk jegens mij: ik vermoedde derhalve, dat zijn ontevredenheid alleen op Heynsz zoude nederkomen, die hem van het voorgevallene tot zijnent onkundig had gelaten.
Na een onbeduidend gesprek nam Helding zijn afscheid van het gezelschap, mij meldende, dat de bijeenkomst, waarop hij mij genoodigd had, den volgenden Donderdag te zes uren zoude plaats hebben, terwijl ik van mijn kant beloofde intijds aanwezig te zullen zijn. Toen ik den man uitgeleide deed naar de voordeur, vroeg hij mij, of ik reeds, ingevolge mijn belofte, hem de vriendschap gedaan had van met mijn vader over zijn dochter te spreken. Ik antwoordde, gelijk de waarheid was, dat ik zulks terstond had verricht: doch dat er met de verlangde nasporingen wel eenige tijd zoude verloopen, vermits het verloren schaap zich sedert lang niet meer in Amsterdam bevond en waarschijnlijk van naam was veranderd. Helding toonde zich hoogst erkentelijk en maakte nog verscheidene verschooningen over de moeite, welke hij mijnen vader en mij veroorzaakte, waarna hij vertrok.
Bij het gezelschap terugkeerende, vond ik mijn moeder bezig mijn vader minzaam te beknorren, dat hij mij naar dat poëtenmaal liet gaan.
"Ik hoop," zeide mijn vader, "dat Ferdinand oud en wijs genoeg is, en zich weet te matigen. Gij wilt toch niet, Keetje-lief, dat wij een knaap, die nu ruim twee jaren op zijn eigen wieken gedreven heeft, weder als een schooljongen gaan behandelen? En hoewel ik niet verlang, dat hij Helding tot een huisvriend make, zoo heeft mij de dankbaarheid des mans toch getroffen en wil ik niet, dat hij ons van hoovaardij beschuldige. Had ik echter vooraf geweten," voegde hij er glimlachend bij, "dat zich zulk een innemende koffieschenkster daar bevond, ik had mij nog eens bedacht."
Men kan zich voorstellen, dat ik bij dit alles niet zeer op mijn gemak was en met schrik opzag tegen het losbersten der donderbuien, die zich van alle kanten boven mijn hoofd samenpakten. Maar mijn ongerustheid moest nog vermeerderd worden. Den volgenden dag kwam er een mand van Tante Van Bempden, met groenten en vruchten, welke zij aan mijn moeder stuurde, en een brief er bij van Suzanna aan mij, van den volgenden inhoud:
"Sinjeur Ferdinand!
Gij hebt voorwaar mooie stukjes uitgevoerd! daar zijn nu al mijne profetiën uitgekomen, dat gij nooit zoudt deugen. Ja! Ferdinand werd altijd in de familie als een achtste wonder beschouwd, en ik, die wat beter inzicht in de zaken had, al zoo weinig geloofd als wijlen Mejuffrouw Cassandra. Maar zoo gaat het: als de wijsheid op de straten schreeuwt, blijft ieder thuis; en als de dwaasheid maar even fluit, is er dadelijk een toeloop. Pas maar op, dat er geen toeloop kome om u te zien ophangen. Denk eens! de zoon van den Hoofdschout het stadhuisraam te zien uitsteken: dat zou een aandoenlijk schouwspel wezen. Nu ja! kijk maar zoo vreemd niet op; de bommel is uitgebroken. Daar komt van morgen Baas Roggeveld met zijn lakenveldsche koeien aanzetten en vertelt aan Tante, dat die Monsieur Weerglas, die in zijn huisje woonde, met de noorderzon vertrokken is, niemand weet waarheen: ofschoon iedereen gissen kan, dat hij niet spoedig terug zal komen: overmits zich hedenmorgen de Baljuw in eigen hoogen persoon aan het ledige huisje vervoegd heeft, bewerende, dat gemelde Monsieur Weerglas niemand anders was als ... nu raad eens, zoo gij kunt;—of liever, zoo gij 't niet weet:—niemand anders als Zwarte Piet, en de bedrijver van ettelijke diefstallen, huisbraken en rooverijen op den publieken weg. Nu behoef je niet te vragen, hoe of Tante opkijkt, dat gij met den Sinjeur op zulk een intiemen voet waart, dat hij u visites kwam doen. Zij wilde er eerst aan Papa over schrijven: maar ik heb haar beduid, dat zij den man maar verdriet aan zoude doen, en dat het beter ware, dat ik u eerst kapittelde over het aangaan van dergelijke liaisons. Ik kan u zeggen, dat ik er van ril en beef: en dan, hoor ik, heeft Pulver verteld, dat gij een zakje met geld van dien fielt hebt ontvangen. Is UEd. altemet een compagnon van Cartouche en Jaco?
On apprent a hurler, dit l'autre avec les loups.
En ik mag Van Baalen wel waarschuwen; anders gaat gij nog met de kas strijken, en dan zou hij inderdaad de ongelukkigste man der wereld worden. Ik heb al aan Jetje Blaek geraden, haar koffertje na te kijken, om te zien of gij haar niets ontstolen hebt.—Ten haren opzichte zou ik het u vergeven; want dat ware volgens het recht van wedervergelding (jus talionis, zou Papa zeggen: ja ik weet ook wel een mondvol Latijn): overmits zij, zoo 't mij voorkomt, zich aan de dieverij van uw hart heeft schuldig gemaakt.—Nu! op haar hart zult gij wel alle aanspraak verbeuren, zoo gij er dergelijke kennissen op nahoudt. 't Is toch jammer! laatstleden Zondag scheen zij u zoo genegen, en toen gij aan tafel met den Heer Van Baalen aan 't redetwisten waart over het tarief, keek zij, ofschoon zij er wel niets van begrepen zal hebben, u met zulke aandachtige oogen aan, dat het mij den schijn had, als had zij haar toilettafel tegen een gebroken bloempot willen verwedden, dat gij gelijk hadt.—Nu! rechtvaardig u, zoo gij kunt, want Tante is ernstig boos: en er is een zilveren suikerstrooier zoek, dien zij zich verbeeldt, dat door dien vagebond tijdens zijn bezoek is meegepakt: of hebt gij hem misschien in den lommerd gezet?—Gij zijt er niet te goed toe; dit, weet gij, is het oordeel van
Uwe Zuster SUZANNA."
De mededeeling van dit alles was niet geschikt om mij bijzonder gerust te stellen, en ik had reden genoeg om mijn rassche belofte tot stilzwijgendheid te verwenschen. Ik kon den brief echter niet onbeantwoord laten en zag in, hoe noodig het ware, Tante te bevredigen. Ik schreef derhalve aan Suzanna en dankte haar voor den dienst, dien zij mij bewezen had, door mij zoo tijdig van het gebeurde te onderrichten, en vooral, door Tante te doen afzien van haar voornemen om aan mijn vader te schrijven. Wat de ontmoeting van Zwarten Piet betrof, zoo verhaalde ik haar alleen, dat de man mij werkelijk geld had gelaten, met het verzoek het aan een derde over te brengen; doch dat het een geheim was, waarin personen betrokken waren, die ik niet noemen mocht. "Geloof mij," dus eindigde ik, "dat ik niet min dan gij verwonderd ben geweest over de eer van 's mans bezoek, en dat ik wel gewild had, dat hij aan een ander deze lastige commissie had opgedragen. Ik heb die echter niet geweigerd, omdat het werkelijk een vergoeding was, welke de man deed, en dat hij, naar ik mij vleie, op weg is om zijn schandelijk bedrijf te verlaten. Bidden wij liever voor den ongelukkige, dan dat wij hem veroordeelen, en vergeten wij niet, dat, welke zijn misdrijven ook geweest mogen zijn, de poort der genade voor den berouwhebbenden zondaar nimmer gesloten blijft."
Ik was nog een bezoek schuldig aan Tante Letje en besloot den avond te baat te nemen om aan deze verplichting te voldoen. Ten haren huize gekomen, verzuimde ik niet, aan de dienstmaagd, die mij de deur opende, te vragen, of Tante ook belet had; want ik wist dat zich niet zelden eenige vromen ter onderlinge stichting ten harent verzamelden, en ik was niet bijzonder op het gezelschap van de weduwe Knijpduim of den catechiseermeester Zoutbrand gesteld.
"De Juffrouw is alleen," zeide de meid, "met nog een Juffertje, dat zooeven met een sleetje hier gekomen is."
Op deze verzekering begaf ik mij naar boven in de verwachting van de eene of andere mij onbekende neepmuts over Tante te zien zitten, maar wie schildert mijn verbazing, toen ik, in Tantes achterkamer gekomen, gewaarwerd, dat de Juffer, die tegenover haar bezig was een kopje thee te drinken, al te wel bij mij bekend, in één woord niemand anders was als Amelia Bos! Wat deze betreft, zij was niet minder verrast door mijne verschijning en het kopje ontgleed bijna haar vingers.
"Zoo Neef!" zeide Tante: "ik was u hedenavond niet te wachten. Gij kent de Juffer, naar ik meen."
"Ja Tante!" antwoordde ik: "maar ik was er verre af van te denken, dat de Juffer ook bij u bekend ware."
"Behoeft men dan zijn naaste te kennen, om hem een dienst te bewijzen?" vroeg Tante: "kende de weduwe van Zarpath den man Gods, dien zij bij zich ontving? En staat er niet geschreven: vergeet de herbergzaamheid niet: want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd?"
"'t Is verre van mij," zeide ik, "dat ik aan uw goeden wil jegens uwe naasten zoude twijfelen: maar toch vind ik mij verrast, door Mejuffer hier te zien, en kan ik niet nagaan, op welke wijze uwe kennismaking heeft plaats gehad."
"Dit laat zich, dunkt mij, nogal raden," zeide Tante: "de woorden ten huize uws vaders door den liedjesmaker gesproken, heb ik bewaard, die overleggende in mijn herte, en het was alsof er een stem in mijn binnenste sprak: "zie! ik moet handelen met deze maagd gelijk Hanna handelde met Samuel haren zoon, hem opbrengende tot het huis des Heeren."—Maar ik zoude toch geene vrijmoedigheid gehad hebben, zoo maar tot haar te gaan en te zeggen: "zie: hier ben ik," ware het niet, dat ik, hedenmorgen in den kousenwinkel bij Van Vlerken zijnde, haar aldaar had aangetroffen met den ouden man, ja, dienzelfden Helding, die haar geleidde, en haar aan mij voorstelde: en, hebbende bevonden, dat zij is gelijk eene Maria, en gaarne luistert naar de waarheid, die uit de godzaligheid is, zoo heb ik haar genoodigd om hedenavond bij mij te komen en deel te nemen in de stichtelijkt onderwijzing, die ik naar mijn vermogen poog te geven aan wie dorst heeft naar de wateren des levens."
Ik kon van mijn verbazing niet terugkomen. "Hoe!" dacht ik, "zal ik dan eeuwig, want ik ga, uit of thuis, aan ontmoetingen worden blootgesteld, die aanleiding geven tot nieuwe verwarring? Is mijn geboortestad sedert mijn afwezigheid betooverd geworden of ben ik het zelf? Of is alles een benauwde droom?—En dan, Amelia is immers den Roomschen godsdienst toegedaan? Heeft zij Tante Letje, die zoo sterk op haar geloof staat, opzettelijk misleid? Of heeft hier een misverstand plaats?—En hoe deerlijk zal dat dan uitkomen!"
Wat Amelia betrof, ofschoon zij in het eerste oogenblik niet minder verlegen scheen dan ik, herstelde zij zich spoedig: zij had het voordeel boven mij, dat mijne tegenwoordigheid, als die van een bekende, haar gerustheid inboezemde, terwijl de hare mij zorg verwekte.
"De Juffrouw heeft mij verteld," zeide Tante, na eenig zwijgen, "dat gij haar een gewichtigen dienst hebt bewezen."
"Zoo!" antwoordde ik, Amelia eenigszins verwonderd aanziende en onbewust, hoe verre zich haar mededeelingen hadden uitgestrekt.
"Ja, Mijnheer Huyck!" zeide Amelia, mij uit de verlegenheid helpende: "ik heb aan Mejuffrouw uw Tante kenbaar gemaakt, dat UEd. zoo vriendelijk geweest zijt om mij van dien lastigen Heer te ontslaan."
"Ik heb alleen mijn plicht gedaan," zeide ik: "en ieder fatsoenlijk man zou in mijn plaats evenzoo gehandeld hebben."
"En de Juffrouw heeft u zeker ook verteld," zeide Tante, "hoe het komt, dat zij dus alleen en verlaten is, gelijk Ruth de Moabitische, zonder zelfs een schoonmoeder te hebben, tot wie zij zeggen kan: uw volk is mijn volk en uw God mijn God?"
Ik wist niet, wat te antwoorden: "Wat dunkt u, lieve Tante!" vroeg ik, om er mij uit te redden: "ziet gij mij aan voor een raadsman, deftig genoeg om het vertrouwen eener jonge Juffer te verdienen?"
Amelia scheen terstond mijn oogmerk met dit ontwijkend antwoord te bevroeden, en haastte zich te zeggen: "ja Mejuffer, ik heb aan uw Heer Neef verhaald, gelijk aan u, dat ik er ongelukkig aan toe ben, daar de Heer Bouvelt mij niet kon ontvangen, en ik niet terug kan keeren naar Deventer, uithoofde mijn familie van huis is: zoodat ik mij alleen bevind."
"Had men u ten minste maar bij een ordentelijke burgervrouw Besteed," zeide Tante: "maar, mij dunkt, Amsterdam is groot genoeg, en ik zal zelve aan dien Sinjeur Bouvelt schrijven, en hem voorstellen, u een ander logies te bezorgen."
"Santa Maria! doe dat niet," riep Amelia ontsteld uit: "de Heer Bouvelt ligt ziek te bed en is buiten staat zich met eenige zaken te bemoeien."
"Wat zeidet gij daar voor een vreemd woord?" vroeg Tante, terwijl ik op mijn lippen beet: "dat luidde even of het een vervloeking ware: en daar staat geschreven: gij en zult ganschelijk niet vloeken."
Amelia keek eenigszins bedeesd over deze bestraffing: en, naar het hooge rood te oordeelen, dat haar wangen bedekte, geloof ik, dat zij zich bovendien verwijtingen deed, van aan de goede vrouw, die haar bij zich ontving, een sprookje op de mouw gespeld te hebben: want aan die Deventersche historie begreep ik wel, dat geen woord waar was. Maar nog grooter werd de verwarring van het arme meisje, toen Tante haar, na een korte stilte, de vraag deed, welken Predikant te Deventer zij gewoon was te volgen.
De eene dienst, dacht ik, is den anderen waard: en ik poogde op mijne beurt Amelia het antwoord te besparen. "Gij maakt misschien, zeide ik, "geen onderscheid tusschen hen, en hoort allen even gaarne."
"Inderdaad," zeide Amelia: "ik geloof...."
"Hoe!" viel Tante in: "mij dunkt, er is toch nogal onderscheid tusschen den godvreezenden Klarebron,—die zijn naam te recht draagt; want hij is als eene fonteijne der hoven, een put der levende wateren,—en den ijdelen Zevenslinger, die besmet is met Pelagiaanschen zuurdeesem en die slechts woorden zonder wetenschap voortbrengt, waarmede hij den raad verduistert en de kortzichtigen verblindt."
"Och Mejuffer!" zeide Amelia, verbaasd over dezen uitval, waar zij niets van begreep: "ik heb daar zoo weinig verstand van, en...." "Maar bij wien hebt gij uw belijdenis dan gedaan?" vroeg Tante: "of behoort gij wellicht tot de zoodanigen, die talmende zijn met die af te leggen, niet indachtig, dat de tijd voortgaat, en dat wij niet weten, wanneer de ure des oordeels komen zal."
"Ik weet het niet recht," antwoordde Amelia: "ik was elf jaar oud, toen ik het sacrament ontving, en ben vergeten welken naam de Priester droeg, bij wien ik mijn cathechismus geleerd heb."
"O wee! o wee!" dacht ik: "nu is het geheel en al mis."
Maar welke woorden zouden in staat zijn, de verbazing, de ergernis uit te drukken, welke op het gelaat van Tante Letje te lezen stonden, toen zij, uit hetgene ter kwader ure aan Amelia ontvallen was, de waarheid inzag, en ontdekte, wie zij bij zich in huis ontvangen had. Met open mond staarde zij Amelia aan: zij liet de kous, waar aan zij breide, op den grond vallen, sloeg de handen in elkander en herhaalde halfluid den gesprokenen volzin, als wilde zij zich overtuigen, of zij wèl verstaan had. Wat de arme Amelia betrof, zij begreep niets van het kwaad, dat zij gesticht had: in den Roomsch-Catholieken Godsdienst opgevoed en in vreemde landen gewoond hebbende, wist zij, gelijk mij naderhand bleek, op zijn best, dat hier te lande eene andere wijze van godsvereering, dan de hare, als de heerschende bestond: haar vader had het hoofd te zeer vervuld gehad met andere zaken of wellicht de gelegenheid gemist van haar te onderrichten, hoe zij zich omtrent dat stuk in Holland te gedragen had. Zij had dan ook al wat Tante vroeger gezegd had, op haar eigen kerkleer toegepast en die uitdrukkingen, welke haar duister of ongewoon voorkwamen, daaruit verklaard, dat er wellicht eenig verschil bestond tusschen den vorm van den eeredienst in dit land en in dat harer vroegere inwoning; terwijl de verwarring, veroorzaakt door de vragen, welke Tante haar deed omtrent de plaats, van waar zij voorgaf gekomen te zijn, haar nog minder had doen nadenken over den vorm, dan over het zakelijke van haar antwoorden. Ik zag intusschen, dat het zaak werd, tusschen beiden te treden.
"Tante-lief!" zeide ik: "hier heeft een misverstand plaats. UEd. schijnt niet begrepen te hebben, en ik heb er u niet van kunnen onderrichten, dat de juffer tot de Roomsche kerk behoort."
"De Heere beware ons!" zeide Tante, na een diepe zucht haar stem wederom krijgende, en beurtelings Amelia en mij aanziende: "dat zoo iets gebeuren moest! Hadde ik dat kunnen vermoeden, zoo bad ik mij wel gewacht de Juffer te noodigen, indachtig dat de Schrift zegt: indien iemand dese leere niet en brengt, en ontfangt hem niet in uw huys."
"Tante is Gereformeerd," zeide ik tegen Amelia, die nu begon te beseffen, waar de schoen wrong.
"Gij zult niet langer last van mij hebben, Mejuffer!" zeide zij met waardigheid, terwijl zij oprees en haar boeltje bijeenpakte: "ik dank u voor uw goeden wil, aan mij, verlatene, betoond; en terwijl ik een erkentelijk aandenken aan uw welwillendheid bewaren zal, zal ik het steeds betreuren, dat een verschil in de vormen des geloofs u beletten moest, de opwelling van uw edel hart in te volgen."
Tante trok bij het hooren dezer toespraak een gezicht, alsof zij een leelijk drankje innam: echter stond zij insgelijks op, en, mij aanziende, mompelde zij: "Ja! de Juffer kon het niet helpen: 't is een abuis, 't is een misverstand, zooals Neef wèl zegt."
"Inderdaad" hernam ik: "maar, Tante-lief, hoewel dit nu oorzaak zijn zal, dat gij uw goede voornemens om met de Juffer naar de kerk te gaan, niet zult kunnen ten uitvoer brengen, noch haar op uwe oefeningen noodigen, zoo zie ik niet in, dat gij daarom de inspraak van uw voortreffelijk hart niet jegens haar zoudt kunnen involgen en haar op een andere wijs behulpzaam zijn of haar uw gezelschap schenken."
"Er zijn Paapsche vrouwen genoeg in de stad," bromde Tante: "en bovendien, wat zegt de Apostel: wijckt van desulcke af."
"En wat heeft een nog wijzer mond geantwoord," vroeg ik, "op de vraag, wie onze naaste was?"
Het was inderdaad opmerkenswaardig, den indruk gade te slaan, dien deze vraag op het vroom en medelijdend hart mijner goede Tante teweegbracht. Zij zag mij een wijl verrast en verlegen aan, bekeek toen met aandacht de toppen van haar vingeren, als overpeinsde zij mijn gezegde, schommelde een tijdlang zonder spreken in haar zak, om haar neusdoek te krijgen, veegde een paar tranen weg, die in haar pogen opkwamen, drukte mij de hand en trad eindelijk naar Amelia, die nog altijd, met haar werk in de hand, en de oogen op den grond gevestigd, midden in de kamer stond, als gereed om te vertrekken.
"Neen!" zeide Tante, haar de handen drukkende en op het voorhoofd kussende: "al waart gij Heidensch of Turksch, men zal niet zeggen, dat ik u verlaten heb en voorbijgegaan, gelijk de Priester en de Leviet, die den gewonden reiziger voorbijgingen. Het is toch uwe schuld niet, dat gij met de afgoderijen van het Pausdom besmet zijt. Waar ik kan, zal ik u van dienst wezen en u bijstaan in wat zake gij mij zoudt mogen van doen hebben: en wij zullen over geene punten des geloofs spreken, tenzij gij opgewekt wordt om naar de leer der waarheid te hooren."
"Helaas! Mejuffrouw!" zeide Amelia, terwijl zij langzaam weder haar plaats innam, waar Tante haar heen geleidde: "hoe grieft het mij, dat ik u onwillekeurig dit verdriet, deze ergernis veroorzaakt hebbe. Ik was zoo blijde met uwe bescherming: want het was zoo lang geleden, dat een beschaafde eerwaardige vrouw een woord van vriendschap en deelneming tot mij gesproken had: en ik verheugde mij zoozeer op de gedachte, dat ik onder uwe schuts weder mijne zoolang verzuimde godsdienstplichten, zoude kunnen vervullen. "Waarom hebben wij elkanderen niet terstond verstaan? Waarom heb ik niet dadelijk geweten, dat ik van uwentwege niets hopen of verwachten kon?—want ach! in geen ander opzicht kunt gij mij, arme verlatene, troost of hulp verschaffen."
"Niet?" vroeg Tante: "wel dat zou wel ongelukkig zijn. Het is niet zonder wijze oogmerken, dat God ons tot elkander gevoerd heeft: en, ik zie het nu duidelijk in, ik mag niet weigeren, den plicht te vervullen, die mij wordt opgelegd. Zeg mij dan, lief kind! hebt gij raad noodig?—of wellicht geldgebrek?—Of schroomt gij misschien, u in het bijzijn van mijn neef te verklaren?"
"Ik geloof, dat ik beter doe u te verlaten," zeide ik, zelf verlangende buiten deze netelige zaak te blijven.
"Uwe goedheid is grooter dan ik verdien," hernam Amelia, schreiende, "maar ziedaar juist mijn ongeluk, dat ik niemand, ook u niet Mejuffrouw! mijn vertrouwen schenken mag, hoe gaarne ik dit wilde. Ik heb u wellicht reeds te veel gezegd. O! ik had hier niet moeten komen."
Tante Letje zag Amelia met medelijden, doch tevens met bevreemding aan: en ik kon bespeuren, dat zij verlegen was, hoe verder te handelen. In haar stille en afgezonderde levenswijze had zij weinig gelegenheid gehad om menschenkennis te verzamelen: en schoon zij dagelijks ongelukkigen bezocht en met raad en daad bijstond, waren de rampen die zij lenigde, doorgaans van meer dagelijkschen aard en had zij zelden zoodanige lieden aangetroffen, wier leed, evenals dat van Amelia, een meer buitengewonen, afzonderlijken oorsprong had. Zij zag mij vragend aan; want ondanks mijn aanbod om te vertrekken, bleef ik nog altijd met den hoed in de hand staan, onzeker of ik weldeed, beide vrouwen alleen te laten, en te wagen, dat Amelia haar geheel vertrouwen schonk aan Tante, die het wel niet verraden zou, maar die mij toch ongeschikt voorkwam om met ware deelneming naar zulke zaken te luisteren, als de dochter van een buiten de wet gestelden zwerver ongetwijfeld verhalen zoude, en die haar althans geen goeden raad zou verschaffen. "Mij dunkt", zeide ik eindelijk, met een gemaakten glimlach, "dat gij beiden, mijne dames! beter zoudt doen met een speldje te steken bij het gebeurde en eenvoudig over kousen en borduurpatronen te spreken.—Zie! ik ben overtuigd, dat zoo Mejuffer zich in haar eenzaamheid verveelt, het voornamelijk daar vandaan komt, dat zij niets omhanden heeft; Tante zoude haar stellig geen grooteren dienst kunnen bewijzen dan door haar wat werk te verschaffen; en, dank zij den behoeftigen, die hulp vereischen, dat ontbreekt nooit bij Tante."
"Mijnheer uw neef raadt mijn gedachten," zeide haastig Amelia, die mijn bedoeling begreep. "O! zoo UEd. mij daaraan helpen konde:—ik zou zoo gaarne werken voor hen die het behoeven.
"Gij zult werk hebben," zeide Tante: "gij zult mij bijstaan om kleederen te vervaardigen voor de nooddruftigen:—Neef! wees zoo goed en zeg aan Truitje, dat zij mij de mand krijgt, die in het zijkamertje staat, waar die lijst op ligt. Gij zult mij helpen, mijn kind! en wij zullen arbeiden, gelijk Tabitha, gezegd Dorcas, voor weduwen en weezen."
Ik zag, dat alles nu in 't effen zoude komen, en de boodschap van Tante aan de meid gedaan hebbende, nam ik afscheid en liet de beide dames aan haar vrome bezigheid.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
BEVATTENDE 'T GEEN ER OP DE DICHTERLIJKE SAMENKOMST BIJ HELDING VERHANDELD WERD.
Het was niet dan met een soort van huivering, dat ik den Donderdag-avond zag naderen, waarop ik volgens afspraak den vriendenkring van Helding moest bijwonen; want nadat ik Amelia bij Tante Letje, waar ik verre was van haar te verwachten, had ontmoet, had ik een voorgevoel, dat ik wel niet zou kunnen vermijden om haar ten huize van Heynsz tegen te komen, waar ik ten minste zeker was, dat zij zich bevinden zou. Tienmalen was ik willens om het een of ander voorwendsel uit te denken en nog voor de uitnoodiging te bedanken; maar al kon ik Helding met een schoon-schijnende reden afschepen, ik begreep, dat ik toch ook reden zou moeten geven aan mijn vader: en ik had reeds genoeg mijn bekomst aan 't veinzen, dan dat ik nieuwe uitvluchten zoude gaan uitdenken. Bovendien, en in weerwil van al de onaangenaamheden, welke mijn kennismaking met den Heer Bos en zijn dochter mij berokkend had en waarschijnlijk nog berokkenen zoude, er bleef toch altijd een zekere nieuwsgierigheid bij mij huisvesten, wat er toch eigentlijk van hunne zaak ware en hoe het met hen af zou loopen: en ik vertrouw, dat mijn lezers die nieuwsgierigheid niet slechts in mij verschonen, maar ook met mij deelen zullen; anders deden zij gewis beter dit geschrift maar niet verder door te lezen. Ik was, men vergeve mij deze platte vergelijking, niet ongelijk aan een knaap, die in het Oude Doolhof op de Princegracht rondloopt en die, ofschoon het heen en weer dwalen hem verveelt en hij zeer wel in staat is over de heggen heen er dadelijk buiten te geraken, echter op het ingeslagen pad voort blijft draven, in de verwachting dat hij alzoo eindelijk den waren uittocht zal vinden.
Ik ging dan, ten bepaalden dage en na afloop mijner werkzaamheden aan het kantoor, naar de Raamgracht, waar ik, overeenkomstig de gemaakte schikking, in de achterkamer van Heynsz werd binnengelaten. De mij te gemoet komende tabaksdamp verkondigde mij reeds aan de deur, dat de vrienden, immers gedeeltelijk, al vergaderd waren: en werkelijk vond ik er ettelijken aanwezig, aan wie ik nu met alle plechtigheid werd voorgesteld door Helding, die hen insgelijks bij de rij af aan mij opnoemde. Heynsz was, gelijk dit trouwens wel behoorde, insgelijks genoodigd, en zat in een hoek te gluren en allen beurtelings in oogenschouw te nemen, als ware hij door zijn ambt verplicht geweest ook deze onschadelijke zielen te bespieden. De overigen, ook zij die na mij kwamen, waren mij persoonlijk onbekend: alleen herinnerde ik mij de namen van dezen of genen onder hen wel eens vroeger te hebben ontmoet aan den voet van een dier lof- of klinkdichten, waarmede het toen smaak was alle uitkomende werken, vooral dichtbundels, bij wijze van aanbeveling op te pronken, komplimenten, welke men elkander over en weder toekaatste en waarvan men zich zoomin ontslaan kon als van het beantwoorden van een beleefdheidsbezoek.
"Spreek! opdat ik u kenne," zeide de oude Wijsgeer, en zoo begon ik, toen langzamerhand het onderhoud levendiger werd, van lieverlede te bespeuren, met welke menschen ik te doen had. Het waren allen lieden van één slag; want over hunne betrekkelijke waarde als dichters wil ik, die nog wel eens een manegepaard, maar nimmer den Pegasus bereden heb, liever geen oordeel vellen: het eenige onderscheid, dat er tusschen hen scheen te bestaan, was, dat de eene meer in den verhevenen, de andere in den beschrijvenden, een derde in den boertigen dicht- of rijmtrant uitblonk:—ten minste zij schroomden niet, elkander den ruimsten wierook over elkanders talenten in elks bijzonder vak toe te zwaaien, en dat met zoo weinig terughouding, dat bij mij de gedachte oprees, of zij niet al hun loftuitingen bij zulke gelegenheden verspilden, om in het tijdvak tusschen de bijeenkomsten en buiten de tegenwoordigheid van het geprezene voorwerp er des te kariger mede te kunnen zijn. De eene (de treurpoëet) werd een hoogdravende Muzenzoon, een sieraad van den Pindus genoemd, die de Agrippijnsche Zwaan (hiermede bedoelden die Heeren Vondel) groothartig op zijde streefde, bijna had men gezegd: overtrof. De tweede was: sierlijker dan Maro, en vereenigde de liefelijke weelderigheid van Flaccus met de zinrijkheid en kracht van Juvenalis. De derde (de boertige dichter) bekwam zulke verhevene eernamen niet; maar werd met andere titels begiftigd, niet minder streelend voor zijn eigenliefde. Hij heette een kluchtige ziel, een koddige duivel, een drollige koopman, een malle weerga: en hij kon de onnoozelste dingen niet voortbrengen, ja nauwlijks zijn mond opendoen en zijn neus snuiten, of een algemeen gelach, een grinnikend hoofdknikken, een verdoovend handgeklap, begroette zijn vermeende geestigheid of bespaarde hem de moeite die uit te kramen. Overigens muntte ieder van het gezelschap uit door een, mijns bedunkens wat al te gemaakte nederigheid, die mij deed denken aan de vlucht van een jong meisje, dat achterhaald wenscht te worden, en die derwijze werd aangewend, dat zij zelden haar uitwerking miste, maar altijd nieuwe complimenten afdwong; 't geen ten laatste zoo vervelend en walgelijk werd, dat ik mij begon te schamen over mannen, die, in leeftijd reeds gevorderd, de achtbaarheid van hun stand en jaren zoozeer uit het oog verloren, dat zij een vleitaal uitkraamden en aanhoorden, die zelfs onder jonge lieden van verschillende kunne ongepast zou zijn geweest. Ik moet echter een enkelen van dezen hoop uitzonderen: deze was een jongeling van een schrander, doch eenigszins droefgeestig voorkomen, en blijkbaar van een zwak en teringachtig gestel. Hij was eerst sedert kort als medelid in het gezelschap opgenomen, sprak weinig en zelden; doch wat hij zeide was juist en gepast; en hij onthield zich van aan een der anderen hoogeren lof te geven dan de burgerlijke beleefdheid vorderde: 't zij dat hij nog te kort met hen had omgegaan om zich de onder hen gebruikelijke complimenten-kraam eigen te hebben gemaakt, 't zij dat hij van nature de waarheid te zeer beminde dan dat hij tegen zijn gemoed zoude spreken. Misschien kwam er ook bij, dat hijzelf, als de jongste van 't gezelschap, wel aanmoediging, maar minder lof genoot, en dat hij zijne medeleden met gelijke munt betalen wilde.
Men moet met dat al niet denken, dat Heynsz en ik, ofschoon niet tot de offeraars op den Pindus behoorende, ons aandeel van den honig misten. Wat mij betreft, daar ik van den beginne af betuigd had een oningewijde te zijn, die bovendien, door mijn uitlandigheid, niet op de hoogte was om den tegenwoordigen stand der dichtkunst in ons vaderland te beoordeelen, ik werd dadelijk een Mecenas, een Messala gedoopt: en al die verstandelijke gaven, welke iemand geschikt maken om als kunstrechter op te treden, werden mij ruimschoots toegekend. Heynsz verwierf nog hoogeren lof: en, daar hij de eenige schilder in 't gezelschap was, scheen het aan de overigen een des te geschikter gelegenheid toe om te zijnen opzichte hun gewoon thema van eerbenamingen te kunnen variëeren. Hij was een Duitsche Apelles: zijn kunstgenooten waren niets bij hem: de werkjes, die men van hem onder 't oog had (zes of acht onafgehaalde portretjes, die aan den wand hingen) waren kunstjuweeltjes, welke Rembrandt noch Van Dijk in staat zouden geweest zijn te vervaardigen:—NB. dit laatste stemde ik met een gerust geweten toe.
Heynsz betoonde in 't geheel die valsche nederigheid niet, welke aan de overigen eigen was: hij wist hoe zwaar die verplichtende uitdrukkingen wogen, en was, geloof ik, weinig genoeg door de eigenliefde verblind, om wel te weten, wat er aan de voortbrengselen zijner kunst ontbrak. Hij hoorde dan ook al die lafheden met een effen gelaat aan, terwijl hij den spreker met uitroepingen als: "ei! ei!—wel zoo!—nu ja!—" in de rede viel, totdat hij ten laatste, dat gereutel waarschijnlijk moede, de pijp uit den mond nam, een dikke rookwolk wegblies en zich aldus uitdrukte in zijn zonderling Hollandsch:
"'t Is maar jammer, Mijne Heeren! dat al de ingezetenen onzer stad niet denken over mij zooals gij hebt de goedheid van te doen. Dan zou ik ongetwijfeld wat meer hebben de occasie van te maken goed geld voor mijn werken. Want, wat denkt gij wel, dat mij rapporteert het meeste, met den tijd, die voortgaat?"
De poëten keken elkander aan. "Waarschijnlijk het behangsel-schilderen," zeide Velters eindelijk (zoo was de jongste van het gezelschap geheeten): "want dat is tegenwoordig aan de orde van den dag."
"Niet kwaad gegist," hervatte Heynsz: "maar voor dat moet men zijn een Lairosse of een Moucheron. Neen, Mijne Heeren! 't is almede een speculatie op de vaniteit:—ik verdien het meeste geld met te schilderen wapens op de rijtuigen."
"Dat kan ik getuigen," zeide Helding: "onze vriend Heynsz heeft laatst al de rijtuigen van den Heer Blaek, mijn hooggeachten patroon, en van zijn Heer zoon met wapenborden van zijn maaksel verrijkt: men kan voorwaar niets sierlijkers uitdenken."
"Dat moet zeker nogal wel geven," zeide de beschrijvende dichter: "want," voer hij declameerende voort:
"Nooit zag men rijker glans van zilveren blazoenen, En gouden wapenen en paarsen, gelen, groenen."
Ik kon mij niet onthouden te meesmuilen over deze twee regels, die, behalve dat zij vermoedelijk weinig dichterlijke waarde bezaten, zoo duidelijk bewezen, dat de dichter geen woord van zijn onderwerp verstond.
"Ja," voegde de treurpoëet er op zijne beurt bij: "althans tegenwoordig,
Nu elk, gelijk voorheen verwaande Phaëton, Die trotsche voerman van de kleppers van de zon, Of als Salmoneus, die den Dondergod braveerde, De zweep in handen neemt, schoon hij nooit mennen leerde.
"Heerlijk! fraai gezegd!" riepen allen om strijd.
"Nou! 't zel mijn hard ontgaan," zeide de grappige duivel, in zijn plat Amsterdamschen tongval, "of Jaap de aschkarreman zel mettertijd ook nog een wapen op zijn kar motten hebben."
Deze snedige zet werd met het gewone gejuich ontvangen.
"'t Is juist zooals gij zegt," zeide Heynsz: "de klanten, bij wie ik verdien het meest, zijn niet de adellijke of patricische familiën, maar die champignons van fortuin, die, zoodra zij hebben overgewonnen geld genoeg om te houden rijtuig, zijn van begrip, dat een geschilderd wapen is even onmisbaar daarop als een L op de deur van een Lidmaat of een klopper op die van een Haarlemmer kraamvrouw."
"Maar," vroeg Velters: "hebben zij recht, die wapenen te voeren? Ik dacht dat dit alleen den adel toekwam."
"Wel mon ami!" antwoordde Heynsz: "leven wij niet in een vrije republiek? En wat bekreunen zich daarover de Heeren Staten, of er inwoners zijn, die gelieven aan te stellen zich als gekken? En dan, men weet hier in 't generaal zoo weinig af van blazoen" (hier sloeg hij een zijdelingschen blik op den beschrijvenden dichter), "dat de domme menigte bewondert en slechts enkele verstandigen ophalen de schouders."
"t Moet ons toch tot spot doen strekken bij den vreemdeling," zeide Velters: "ik ging van den winter eens op een Zondag met een Franschman rond, die de handen van verbazing ineensloeg, toen wij den Dam over en de Nieuwe Kerk voorbijgingen, waar hij al de koetsen zag, die daar stonden te wachten. "J'avais toujours cru," zeide hij, "que les Hollandois étaient un peuple de commerçans et de bourgeois; mais, voyant toutes ces armoiries, je m'aperçois qu'il y a des nobles ici comme à Venise."—Maar hoe vermeerderde zijn verwondering, toen hij, naderbij komende, sommige dier wapenen met grafelijke en hertogelijke kronen zag prijken, en eindelijk zelfs een paar helmen gewaarwerd, met negen viziergaten, gelijk alleen een Koning die voeren mag. Toen keek hij mij aan, als wilde hij mij vragen of de menschen hier mal waren geworden: ik haalde de schouders op. Wat zou ik gezegd hebben?"
"Doet er dat wat toe, hoe zoo'n helm er uitziet?" vroeg de beschrijvende dichter aan zijn buurman.
"Niet lang geleden," hervatte Heynsz, "kreeg ik een grasmof bij mij, die met twee zesthalven in zijn zak is gekomen naar dit land en bijeengeschraapt heeft een fortuin zooals weinige lieden bezitten: die bestelde mij een wapen op zijn koets: "maar 't zol schön wèzen moeten", zeide hij: "kijk! zoo in dezen art," en meteen rolde bij uit een perkament, dat hij gevonden had, op de een of andere verkooping, en op 't welk blonk, met al zijn quartieren en ornamenten het wapen des Konings van Spanje. Ik wilde den man niet geheel laten rijden voor mal, en zeide hem, dat ik niet volgen kon precies het model dat hij mij gaf, omdat zulks afbeeldde het wapen van een koninklijk persoon, doch dat hij zoude zijn content. Ik verhakstukte dan de ruiten en lieren zoo wat en maakte een wapen, waar Ménetrier niets van zou hebben begrepen. Onze maat was wonderwel in zijn schik; maar toch had ik vergeten een ding! "die goldene ketten," zeide hij: "die fehlde daaran." Ik begreep in 't eerst niet wat hij meende; maar naderhand werd het mij klaar, dat hij bedoelde de orde van 't Gulden Vlies, die versiert het Spaansche wapen en welke hij zich voorstelde, te zullen maken op het zijne geen onaardige uitwerking. Ik had alle moeite om te beduiden aan hem, dat de Keizerlijke en Spaansche gezanten beiden zouden reclameeren tegen zulk een aanmatiging, en voldeed hem eindelijk, door hem te beloven, dat ik zoude vergoeden dit gemis door het bijschilderen van twee wildemannen als tenants, welgewapend met knotsen."
"Je hadt ze liever zeisen in derlui pooten motten geven," zeide de koddige snaak: "dat ware naar den aard geweest."
Onder dit praten was de tijd gekomen, waarop de eigenlijke werkzaamheden moesten aanvangen. Het bleek mij nu, dat het de gewoonte bij deze Heeren was, om beurtelings een soort van prijsstof op te geven, welke door anderen beantwoord werd. De antwoorden werden door den opgever beoordeeld en daarna door de vergadering onderzocht, geanatomiseerd, gelikt, beschaafd en ten slotte onkenbaar gemaakt.
De prijsstof, waarover thans geschreven was, luidde als volgt:
"Wat doet in Hollands tuin het best de boomen groeien? Het mesten of het snoeien?"
Ofschoon mij, hoewel geen poëet zijnde, de zin dezer vraag zeer duidelijk voorkwam, waren er, tot mijn verwondering, slechts twee onder deze vernuften, die begrepen hadden, dat de opgever door boomen de ingezetenen van ons Gemeenebest had bedoeld en dat de tweede zin in denzelfden figuurlijken zin moest worden opgevat. Doch met dat al ware het nog maar te wenschen geweest, dat deze twee liever de vraag letterlijk hadden verstaan; want hunne redeneering, in slechte rijmen vervat, toonde genoegzaam aan, dat de goede lieden geen de minste denkbeelden hadden van hetgeen tot de huishouding van den Staat behoort.
De opgever had zijn taak insgelijks vervuld, door elke oplossing in een bijzonder versje te recenseeren; terwijl zijn conclusie was, dat hij, uithoofde der treffelijke verdiensten, welke al de antwoorden bezaten, het voorstel deed, den prijs te deelen tusschen de twee medeleden, die zijn vraag het best begrepen hadden. Dit vond algemeene goedkeuring: te meer daar de prijs uit een schellingskoek bestond en dus zeer deelbaar was. Ik was intusschen eenigszins verwonderd, dat Velters, naar het scheen, niet medegedongen had; maar hij gaf kort daarna te kennen, dat hij zich met zulke fijne dichtgeesten niet in een wedstrijd had durven wagen en dus eerst nu, na de bekroning, voor den dag zoude komen met zijn beantwoording. Hij las ons hierop een stukje voor, hetwelk mij althans beter beviel dan al wat ik van de overigen gehoord had. Hij gaf bij den aanhef te kennen, dat hij den zin der vraag wel verstaan, doch het eenigszins ongepast geoordeeld had, met zijn weinige ondervinding, over politieke zaken te schrijven, en dus verkozen had, de vraag in dien geest op te vatten, als ware die op de dichtkunst toepasselijk: in welken zin hij een, naar mijn oordeel, zeer aardige uitwijding had gemaakt, waarin hij de dichters bij boomen vergeleek, die gemest en gevoed moeten worden met kennis en studie, en slechts dan gesnoeid moeten worden, wanneer hun al te groote weelderigheid aan het behoorlijk rijpen hunner dichtvruchten nadeel sticht, of wanneer zij anderen in hun groei of wasdom hinderlijk zijn, enz. Het werk van Velters werd echter, misschien omdat het veel beter was dan de rest, minder toegejuicht en alleen met een soort van aanmoediging beloond, welke in mijn oog iets vernederends had.
Vervolgens ging men aan het beoordeelen en schiften der uitdrukkingen, in de voorgedragen verzen gebezigd: elk gezegde werd op drie of vier wijzen omgezet en bijna elk bijvoeglijk naamwoord door een ander vervangen, totdat langzamerhand alle zweem van oorspronkelijkheid verdwenen was. Ik kon mij niet onthouden bij deze gelegenheid gedurig te denken aan het briefje in den Bourgeois gentilhomme, en ik kwam, evenals deze, tot de slotsom que la première façon de dire est sans contredit toujours la meileure.
Daarna werd er gevraagd, of geen der aanwezigen iets bij zich had, waar hij het gezelschap op vergasten kon. Deze vraag was overbodig, want ieder had de zakken vol en zat slechts op een gunstig sein te wachten om zijn kinderen aan 't licht te brengen, schoon zelfs dan niet als schoorvoetende en onder herhaalde betuigingen, dat het niet de moeite waardig ware er de aandacht van zulke fijne vernuften mede te vermoeien. Het eerst was onze heldendichter aan de beurt, die, na de pijp neergelegd, gehoest en zich gesnoten te hebben, eenige vrij groote vellen uit zijn zak haalde, en aan de vergadering mededeelde, dat hij een lijkzang zoude voordragen, "op het noodlottig verscheiden van zekeren krijgsoverste, die kort te voren (schoon niet op het veld van eer, want het was aan een maaltijd) het offer van den dood geworden was." Na een vrij lange voorafspraak, ving hij aan. In zijn gedicht, dat ongemeen hoogdravend was, versierde hij zijn held, die, zooverre ik weet, nooit kruit geroken had, maar zijn rang alleen door ancienneteit verworven had, met alle militaire verdiensten, en stelde hem met Turenne, Marlborough en Prins Eugenius gelijk.
Na dit fraaie stuk, hetwelk de algemeene goedkeuring verwierf, brak de stroom los, en regende het van alle zijden lijk-, geboorte-, huwelijks- en verjaardichten; terwijl onze boertige poëet mede niet achterbleef, maar ons nu en dan een epigram van zijn maaksel opdischte, waar men al om lachte eer hij nog iets gezegd had, ofschoon er niets aan ontbrak als de punt, welke hij echter vergoedde, door op de plaats, waar die behoorde te vallen, zelf in een schaterend gelach uit te barsten. Een staaltje van deze voortbrengselen zij hier genoeg om de rest te beoordeelen.
Aan een Burgemeester. Al wordt gij achtbaar, ja ook zestienbaar geheeten, Toch wordt u, zijt gij dood, slechts ééne baar gemeten.
Toen elk zijn beurt had gehad, werden Heynsz en ik evenzeer uitgenoodigd om tot het algemeen genoegen bij te dragen. Vergeefs verschoonde ik mij: men stond er op: ik moest mijn gelag betalen zoowel als de anderen: ik zoude ongetwijfeld ook wel eenmaal in mijn leven aan de Zanggodinnen geofferd hebben, enz. Terwijl ik, met de zaak verlegen, niet wist, hoe ik er mij uit redden zoude, schoot mij een vierregelig versje te binnen, dat ik in een Hoog-duitsch boek gelezen had, en waaraan zin noch slot was. Ik weet niet welke goede of booze geest mij inblies, dat dit stukje een goede uitwerking zou doen, en na het, met verbazing over mijn eigen vlugheid, bij mijzelf in 't Nederduitsch vertaald te hebben (waartoe het zich gereedelijk voegde) dreunde ik het op:
Snedig antwoord: "Zeg Piet, hebt gij dat nieuwe werk gelezen Van Bonifaas? Men zegt het wordt geprezen." Dus vroeg eens Hein. Toen sprak de spotter Piet: "Neen beste Hein! gelezen heb ik 't niet."
"Dat is verduiveld aardig!—wat is dat fijn!—daar zit wat in!—nu, die kan menigeen in zijn zak steken!"—en honderd andere loftuitingen meer begroetten dit epigram, waarin ieder overtuigd was, dat een bijtende satyre lag opgesloten; ofschoon geen van allen natuurlijk wist waar, maar elk hield zich, of hij die begreep. Alleen de drollige kwant, 't zij uit jaloezie, 't zij dat hij gemerkt had, dat ik spotte, voegde zijn lof niet bij die der overigen, maar zag mij aan of hij mij had willen verslinden.
Wat Heynsz betrof, deze bleef ernstig volhouden, dat hij geene verzen kon voordragen; doch, zoo men zich daarmede tevreden wilde stellen, wel een avontuur uit zijn merkwaardigen levensloop kon mededeelen. Dit voorstel werd aangenomen en nu deed hij de vraag:
"Hebben de Heeren wel ooit gehoord van mijn zonderlinge ontmoeting met den beroemden Cartouche?"
"Neen! neen!" klonk het als uit éénen mond: en allen zwegen en schoven hunne stoelen bij en zagen met aandachtige belangstelling naar den man, die op het voorrecht bogen mocht, van Cartouche te hebben gezien.
"Wel!" zeide Heynsz: "het is nu een goede dertig jaar geleden, ik reisde van Lyon naar Parijs, in vrij berooid equipage en met schraal voorziene beurs of liever met in 't geheel geen beurs en levende van hetgeen de goede lieden mij schonken om Gods wille, etende (als de papa van Uilenspiegel) als ik wat had en vastende als ik net niet had: en meestentijds slapende onder den blauwen hemel. Eens op een nacht gebeurde het, ik weet niet in welk dorp, dat ik genomen had mijn legerstede op een mesthoop aan den weg, (hetgeen in parenthése gezegd, het warmste bed is, dat men hebben kan), en dat ik sliep heel gerust, toen ik wakker werd van een groot licht, dat mij scheen in de oogen, en recht over mij zag ik een huis staan in brand, een groot huis voor een dorp: ik geloof, dat daarin woonde de Notaris of de Schout:—nu dat's égal. Ik stond op: er was al volk op de been: en spoedig bood iedereen hulp met water dragen, met brandspuiten, etcetera. De bewoner van het huis zat al op straat met een gebranden voet, in zijn nachtjak en zonder dat hij had gehad den tijd te redden een kleinigheid of zelfs meer aandoen dan een oude pantoffel ... nu, 't was zomernacht en het vuur maakte ons heet genoeg: hij zal niet gevat hebben kou, hoewel hij beefde als een juffershondje. Bij hem stond zijn vrouw, of liever lag zijn vrouw; want zij kreeg gedurig toevallen. 't Eene was pas over of 't andere kwam op. De man deed niets als te wringen zijn handen en te roepen mon Dieu! mes enfans!—want zijn kinderen waren nog in het brandende huis; maar zoowel hij als zijn vrouw waren te veel in de war om te zeggen waar zich de arme wichten bevonden, en niemand had de courage om te gaan in het groote huis en te zoeken daar in den blinde. Terwijl wij daar waren bezig, daar komt een Heer, welgekleed met een karmozijnen rok aan, en berijdende een fraai zwart paard, en hoorde den papa, en ook de mama, zoo dikwijls zij weer bijkwam, schreeuwen om haar arme kinderen. "Allons!" riep hij: "twintig louis d'or voor dengenen, die toont de courage en redt die arme kinderen."—Er waren er terstond een stuk vijf zes, die wilden naar binnen; maar de vlam sloeg er uit met zulk een geweld, dat zij terugsprongen van schrik. Toen vroeg de vreemde Heer weder aan den kermenden papa: "zeg eens," zeide hij: "is er geene andere deur en waar zitten die kinderen ergens?"—"Ah ma foi!" zeide de arme vader, die weer bij zijn positieven kwam: "er is de tuindeur; maar die is gesloten van binnen: en nu ik mij bezin, pauvre malheureux que je suis! ik heb ook opgesloten die arme schapen in hun kamer: omdat de eene is somnambule,"... slaapwandelaar, zeggen wij, geloof ik.—N'est-ce que ça?" vraagt de vreemdeling. "Qui m'aime me suive." En klets! springt hij met paard en al over de hegge in den tuin: en ik hem achterna, met wel tien anderen. Maar daar stort een brandende balk en een stuk van het dak tusschen ons naar beneden, dat de meesten het opgaven, althans ik was de eenige, die met den ruiter aan 't achterhuis bij de tuindeur kwam. "Vous êtes un brave," zeide hij: "zult gij mij assisteeren?"—zal ik," zeide ik: "maar hoe zullen wij openkrijgen die huisdeur, die van binnen gesloten is?"—"Bah!" zeide hij: en hij keek mij aan, alsof ik gedaan had de onnoozelste vraag van de wereld, terwijl hij meteen tastte in zijn zak en daaruit waarschijnlijk haalde een breekijzer: althans in een oogenblik waren de hengsels uit de deur en de deur omgehaald. Toen sprong hij van 't paard, trok uit rok en vest en liep naar binnen en ik hem achterna. Dit gedeelte van 't huis was nog ongedeerd door het vuur; maar er was rook genoeg om gevaar te loopen van te stikken: en wij zouden niet geweten hebben waarheen ons te wenden, hadden wij niet gehoord de stem van een kind, dat huilde en om hulp schreeuwde: "C'est ici!" zeide de vreemdeling en één, twee drie had hij opengeveterd eene kamerdeur: wij traden binnen en al tastende in het donker op het geluid af vonden wij eerst een jongetje: en toen werd het vertrek verlicht door de vlam en zagen wij ook een meisje, dat half gestikt op den grond lag. Maar nu moesten wij terug en dat was een moeielijker geval. De tocht, die woei door de opene achterdeur, had weder erger gemaakt den brand en de toegang was ons versperd van dien kant. Nu haastten wij ons open te maken het raam: ik sprong er uit en mijn kameraad gooide mij eerst de kinderen één voor één toe en volgde toen mijn voorbeeld. Ik dacht, wij zouden nu terugkeeren bij de ouders; maar de vreemdeling hield mij staande en vroeg wie ik was. "Een arme drommel," zeide ik, "een vreemde zwerver, die niets bezit."—"Tant mieux," zeide hij: "haast u, eer iemand komt: ik moet vluchten om een affaire d'honneur. Trek mijne kleederen aan en geef mij uw kiel. In mijn zakken vindt gij geld genoeg." En zonder er iets bij te voegen, had hij mij mijn kiel van 't lijf gehaald, vlugger dan zoude doen de beste kamerdienaar, die aan zijn lijf getrokken, was op het paard gesprongen, en voort, den tuin door, en weg. Wat zou ik doen? Ik trok rok en vest aan; en pas had ik dat gedaan of er kwam een geheele zwerm menschen opdagen: zij hadden uit den weg geruimd het gevallen puin en een vrijen doortocht tot ons verkregen. Ik bracht de kinderen bij papa en mama: zij zagen mij allen aan voor den vreemden Cavalier: niemand kende mij, en ik hield mij goed en lamenteerde slechts, dat mijn paard mij ontstolen was, terwijl ik mij bevond in het brandende huis. Terwijl wij daar bezig waren, kwamen er een stuk of zes dienaars van de wacht aan te paard van Lyon en in vollen draf. "Aha!" zeide de voorste, zoodra hij mij in 't oog kreeg: "daar hebben wij onzen maat. Nu zult gij ons niet ontsnappen, monsieur Cartouche!"—Met pakten zij mij aan, maar een hunner, die Cartouche waarschijnlijk kende, zeide, toen hij mij nader aanschouwde, dat zij zich bedrogen en dat Cartouche veel ouder was:—Ik was toen even over de twintig. Zij wilden mij echter meepakken, onder voorwendsel dat ik bij mij had geene papieren; maar ik zeide, die waren in mijn portemanteau met mijn paard voort: en al de dorpelingen namen mijn partij, omdat ik mij zoo goed had geweerd: en 't scheelde niet veel of de dienaars hadden gekregen braaf slaag.—De pastoor van 't dorp kwam mij vragen bij hem te blijven dien nacht: ik nam aan en toen ik mij uitkleedde vond ik in mijn karmozijnen rok een beurs met tweehonderd louis d'or. Ik verstopte mijn broek, die niet à l'unisson was, met de rest van mijn toilet, leende een andere van den pastoor, onder voorgeven dat de mijne was gezengd en vol gaten en verliet het dorp den volgenden dag, nagevolgd door de zegeningen van iedereen."
Ik dacht, dat Heynsz er nog bij zou voegen, hoe diezelfde beurs (gelijk ik hooger verhaald heb) hem naderhand noodlottig werd; doch hij hield hier op, keek op zijn horloge en sloop, zoodra het gesprek weder algemeen werd, schier onopgemerkt uit het vertrek.
Intusschen was de koffie, die eerst rondgediend was geweest, sedert lang door den wijn vervangen; en onder de gasten begon een vroolijkheid te heerschen, welke hoe langer hoe luidruchtiger werd. Alle aanmatiging zoowel als valsche zedigheid was geweken, ieder schertste en spotte zonder zich meer te bedwingen; er werden vroolijke liedjes gezongen; de rokken gingen uit: de bedaardsten werden snapachtig en de druksten werden stil: in 't kort, het druivennat begon zijn invloed uit te oefenen, en ik te denken dat het voor mij ook welhaast zaak zou worden, het voorbeeld van Heynsz te volgen en mij stil te verwijderen, toen Helding, die een oogenblik naar buiten was geweest om wijn te halen, weder binnenkwam met het bericht, dat er een Heer in 't portaal was om Heynsz te spreken. Deze was echter zoek: en de meid, geroepen zijnde, verklaarde niet te weten, waar Sinjeur gestoven of gevlogen was. Haar verlegen toon bij dit bescheid, deed mij echter vermoeden, dat de Heer des huizes niet verre af was, maar wellicht met dezen of genen over politie-zaken redeneerde.
"Wij kunnen dien Heer toch niet op de trap laten staan", zeide Helding: "'t schijnt een deftig man: en Heynsz zal wel terugkomen. Wat dunkt u, dat ik hem binnenroepe?"
"Wel ja!" zei de treurpoëet, met de vuist op de tafel slaande, dat al de roemers er van dansten: "hoe meer zielen, hoe meer vreugd."—Ook de overigen keurden goed wat de traktant voorstelde, die dan ook vertrok en na een kort vertoeven terugkeerde, een vreemdeling inleidende met een karmozijnen rok, een zwaar gepoederde pruik, een bril met groote glazen, een stok met een amberen knop en een deftig voorkomen.
"Kom binnen, mijn waarde Heer!" zeide Helding, hem als 't ware binnendringende met een ongemeene drukte: "'t is immers beter in een warme kamer te wachten dan op een tochtig portaal. Een stoel voor Mijnheer. Wees zoo goed en neem plaats. Maak, bid ik u, geen complimenten. Hier! een pijp voor Mijnheer! en een schoonen roemer."
De onbekende beantwoordde al deze beleefdheden met stille buigingen; doch sprak zoo weinig of hij stom ware. Hij vlijde zich in den leunstoel, die hem werd aangeschoven, sloeg beleefdelijk met een beweging der hand de aangeboden pijp af, zag met een vluchtigen blik het gezelschap rond, en haalde toen een zijden doek uit, die waarschijnlijk met welriekende wateren doortrokken was; want hij bracht dien dadelijk voor 't gezicht en berook hem met zooveel welbehagen, dat het wel te bespeuren was, dat hij geen liefhebber was van den tabakswalm.
Zijn komst en nog meer de weinige voorkomendheid van zijn manieren brachten die stilte te-weeg, welke doorgaans op dergelijke bezoeken volgt en niet ongelijk is aan die, welke op een school, waar alles lustig en vrolijk toegaat, bij de komst des meesters ontstaat. Helding bespeurde deze onwelkome stemming, en, als een plichtmatig traktant, deed hij zijn best om de vreugd weder aan te wakkeren.
"Komaan, mijn Heer!" zeide hij, den roemer des onbekenden boordevol schenkende: "sta mij toe, dat ik uwe gezondheid drinke. Misschien is UEd. beteren wijn gewend dan deze; maar wij burgerlui doen het ermede, en wij kunnen u niet meer aanbieden dan wij hebben."
"Dat zei Lys Morsebel ook," zeide de poëta comicus, "en zij smeet haar buurvrouw een handvol vlooien naar 't hoofd."
"Uwe gezondheid, Messieurs!" zeide de vreemdeling, met een schorre stem, zich buigende en zijn glas naar de hoogte brengende, dat hij vervolgens bij kleine tusschenpoozen ledigde.
"Wel!" zeide de grappige duivel, met die gemeenzaamheid, welke onzen burgerstand veelal eigen is: "mijn Heer is, geloof ik, ook bang, dat er hoorntjes en schelpen in zitten."—En, om te toonen, dat hij dezelfde vrees niet koesterde, ledigde hij zijn glas in ééne teug.
"Komt!" zeide Helding: "hoe zit gijlieden allen zoo stil? mijn Heer Huyck! laat ik u eens inschenken. Waar waren wij ook gebleven? Komt! lustig aan en leve de pret!"
Maar de pret laat zich niet gebieden: en allen bleven even stemmig kijken, alsof de glazen voor des vreemdelings oogen de uitwerking van Medusaas hoofd bezaten.
"'t Is of wij hier bij de Kwakers zitten," zeide de drollige vent: "hoe is het? getuigt de geest niet, Pietje?" (dit was de voornaam van den tragicus) "Je zoudt een liedje zingen."
"Wel ja! komaan! een liedje!" zeide Helding;—maar de Treurpoëet was schor of verklaarde althans het te zijn.
"Kom!" zeide eindelijk de koddige kwant: "'t is of gijlieden bang zijt, dat mijn Heer u op zal eten: mijn Heer is geen bullebak. Jelui kijkt hem aan, of het Cartouche was, daar Heynsz zoo even van vertelde ... en pots seldrementen! dat is nog al grappig! mijn Heer heeft ook een karmozijnen rok aan."
Deze onhebbelijke uitdrukking, in stede van, gelijk anders de kwinkslagen des geestigen duivels, de vreugd te doen herleven, maakte op de aanwezigen een onaangename uitwerking: en velen, wier gedachten niet meer helder waren, keken den vreemdeling zoo angstig aan, als of zij werkelijk meenden, dat Cartouche uit de andere waereld onder die gedaante te voorschijn kwam. Wat den man zelf betrof, ik zag dat zijn voorhoofd zich fronste: maar hij zeide niets. Ik begreep inmiddels, dat het meer dan ooit tijd voor mij werd om af te trekken; doch wenschte een tijdstip af te wachten, dat mijn vertrek niet bemerkt zoude worden: en daartoe moest het onderhoud weder levendig worden: ik bood derhalve aan, zelf een liedje te zingen, daar al de overigen dit weigerden: en dit met gretigheid aangenomen zijnde, dreunde ik een barcerolla op, die ik te Venetië van de Gondeliers had gehoord en waarvan ik verzocht, dat men het refrein in koor herhalen zou. Dit had de gewenschte uitwerking: nu raakten de tongen weer los: de een zong voor, de andere na en eindelijk zong alles door elkander, behalve alleen de karmozijngekleede Heer, die, gelijk de malle weerga het uitdrukte, er bij bleef zitten als Ducdalf in 't Doolhof. Ik maakte van de drukte gebruik en sloop onopgemerkt de deur uit
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN VERHAALD WORDT, WIE DE HEER IN 'T KARMOZIJN WAS, EN HOE DEERLIJK FERDINAND ER ZICH IN WERKTE.
Terwijl ik, in mijn zak schommelende, de meid riep om haar een fooi te geven, hoorde ik mij zachtjes bij mijn naam noemen. Ik keerde mij om en zag Amelia op de trap staan, die naar haar kamer geleidde.
"Hebt gij een oogenblik tijd voor mij?" vroeg zij, met een gesmoorde, eenigszins bevende stem.
"Kan ik u van dienst zijn?" stamelde ik, insgelijks onthutst en kwalijk tevreden van opnieuw in hare zaken bemoeid te worden.
"Volg mij!" zeide zij, op een toon, die meer gebiedend dan smeekend was: en mij bij de mouw vattende, als wilde zij mij den weg wijzen op de donkere trap, ging zij mij voor naar boven. Ik volgde werktuiglijk: en de Hemel vergeve mij de dwaze gedachten, die op dat oogenblik mijn brein vervulden, en den verkeerden dunk, dien ik van hare voornemens opvatte.
Wij kwamen in haar kamer, waar een licht op de tafel brandde. Zij zette de deur aan, zonder echter de kruk om te draaien, nam toen achter de tafel plaats en wenkte mij tegenover haar te gaan zitten, terwijl zij een stoel, die bij haar stond, wegschoof, als wilde zij zorg dragen dat ik niet naast haar zou komen. Deze voorzorgen en nog meer de waardigheid, over haar geheele wezen, in weerwil van haar blijkbare ontsteltenis verspreid, deden mij blozen over mijn ongepaste vermoedens.
"Ik ben recht verheugd," zeide zij op een haastigen toon, "dat ik u nog aantref. Ik had al een poos op de trap vertoefd en vreesde zoo dat er een ander kwame. En ik moet u zoo noodwendig spreken: ik heb hier toch niemand buiten u in de geheele stad, waar ik op vertrouwen kan."
"Ik hoop," zeide ik, met de meeste koelheid, die ik voor kon wenden: "ik hoop, dat ik in staat zal zijn, uw bezwaren weg te ruimen; maar uw toestand is van zulk een ingewikkelden aard...."
"Om u niet op te houden dan.... Ik moet van hier. Ik kan niet langer in dit huis blijven."
"En welke reden noopt u tot dat besluit?"
"Hoor toe: ik begin te vreezen, dat het een afgesproken werk is ... dat mij hier een strik wordt gespannen ... dat men mij met opzet hierheen gebracht heeft. Die Heynsz ... o, 't is afschuwelijk...! Hij is een verklikker: een geheime dienaar der Justitie."
"Dat wist ik," zeide ik, "maar ik wilde u door de mededeeling daarvan geene ongerustheid baren."
"Hoe! gij wist dit? Hebt gij dan zelf misschien?... maar neen! uw aangezicht is te eerlijk ... foei mij, dat ik zulke gedachten van u voeden zou!—Maar hoor verder en oordeel over mijn angsten. Ik was straks op de trap, om...." hier kleurde zij hevig en zweeg plotseling stil.
"Welnu? om...."
"Niets.—Ik hoorde u juist zingen.—In 't kort, ik was op de trap: daar is een reet in 't beschot:—ik keek er door—en ziet: in een vertrekje, waarvan ik het bestaan niet kende, stond de huisheer, die Heynsz, in gesprek met denzelfden Jood, die mij hier bracht."
"Dien Simon?—Gelukkig kent hij u niet, en weet alleen, dat gij met mij hier gekomen zijt. Hij heeft u niet met uw vader gezien."
"Ach! Gij zoekt mij gerust te stellen," zeide zij, het hoofd schuddende: "maar luister verder: in den beginne verstond ik niets van hun discours; maar langzamerhand merkte ik, dat de Jood aan Heynsz berichten gaf omtrent zekere dievenbende, die zich te Naarden heeft opgehouden. Dit ontstelde mij reeds; maar verbeeld u mijn schrik, toen de Jood, op een vraag, hem door Heynsz gedaan, hem vertelde, dat iemand, wien zij alle moeite deden om te ontdekken, en dien ik aan de beschrijving voor mijn vader herkennen moest, in Zuid-Holland had rondgezworven, zich in 's-Hage had opgehouden en morgen, volgens zijne berichten, met de schuit van Utrecht hier te Amsterdam moest komen."
"Hier! in den muil des leeuws?"
"Oordeel, hoe ik te moede was? Ik hoop nog, dat het niet waar moge zijn: want o! mijn vader is verloren, zoo hij herwaarts komt. Alleen uit zijn bezorgdheid omtrent mij zou ik een zoo onvoorzichtigen stap in hem kunnen verklaren. Doch, hoe dit zij, heb ik niet te vreezen, dat men hem naar dit huis wil lokken om hem in de gespreide netten te vangen? Moet ik mij niet uit deze gevaarlijke plaats verwijderen?"
"Met uw verlof?" vroeg ik, na een oogenblik te hebben nagedacht: "hebt gij voor u-zelve iets te vreezen voor de nasporingen der Justitie?"
"Ik!" antwoordde zij, blijkbaar verwonderd: "wat zou ik met haar hebben uit te staan? of strekt men in dit land vijandschap tegen den vader tot zijn kinderen uit."
"Dat juist niet," hernam ik: "maar er worden soms maatregelen van voorzorg genomen.... Ik zou u afraden, deze kamer vooralsnog te verlaten. Weet men nog niets, dan zou dit alleen argwaan wekken en oorzaak zijn, dat men uwe gangen bespiedde:—is men reeds achter de waarheid gekomen, dan is het toch een onnutte voorzorg en geen verwijdering kan u meer baten. Bovendien: gij schijnt zelve onbewust, waar zich uw vader bevindt. Zoudt gij, ingeval gij van hier gaat, hem kunnen verwittigen, waarheen gij u begeeft? De Heer Bouvelt, die de eenige tusschenkomst schijnt te zijn, is ongesteld: zóó zelfs, dat hij voor niemand te spreken is;—ik weet u geen anderen raad te geven, dan de toekomst met gelatenheid af te wachten."
"Met gelatenheid!" herhaalde zij, oprijzende, en de kamer op en neer gaande: "God! Is dat een mogelijkheid in mijn toestand?—o! het ergste lot ware minder onlijdelijk dan deze verschrikkelijke onzekerheid.—En dat is de eenige troost, dien gij mij bieden kunt?"
"Helaas!" zeide ik, zuchtende: "wat wilt gij, dat ik voor u doe? Wanneer zelfs mijn betrekking als zoon van den Hoofdschout mij niet verbood, krachtdadig voor u werkzaam te zijn, zou niet de zorg voor ons beider goeden naam mij van alle dadelijke bemoeiingen in deze moeten doen afzien, ten einde den laster geen stof te geven om iets schuldigs in mijn deelneming te vinden?"
Dit gezegde van mij was hard en zij gevoelde het diep; want, opeens stilstaande, zag zij mij aan met oogen, waarin zich bij eene hevige verontwaardiging eene diepe smart liet lezen.
"Men had het mij voorspeld," zeide zij met bitterheid, "dat ik in dit land slechts koele harten vinden zou. De laster ... ja voorzeker!— Ziedaar de voorwendselen, waarachter men zich verschuilt, wanneer het er op aankomt zijn naasten een dienst te bewijzen; men zou een mensch zien verdrinken, eer men een vooroordeel opofferde.—Is het niet, omdat de Godsdiensten verschillen, dan is het omdat men voor zijn reputatie vreest.—Maar ik zal u niet langer lastig vallen, Mijnheer Huyck. Ik vraag u om verschooning voor de moeite, die ik u veroorzaakt heb."
"Mejuffrouw!" zeide ik, niet zonder verlegenheid: "ik heb u onwillig beleedigd:—en, God weet het, dat was verre van mijn voornemen.—Gij hebt, en hier in dit vertrek, en ten huize mijner tante, naar ik geloof, kunnen bespeuren, dat ik, zoodra het in mijn vermogen stond, bereid was u van dienst te zijn. Waarlijk ik heb een innig medelijden met uw toestand en wenschte slechts, dat iemand mij kon zeggen, wat mijn plicht ware, en hoe ik tot uw voordeel handelen kan?"
"Gij hebt gelijk," zeide zij, zich een traan uit de oogen wisschende: "en ik ben het, die onbillijk en ondankbaar ben. Gij hadt, na al wat gij voor mij gedaan hebt, iets beter dan verwijtingen van mij verdiend. En uw tante ook, zij is zoo goed, zoo minzaam jegens mij geweest.—Ach! zoo mijn vader het mij slechts veroorloofde ... hoe gaarne zou ik haar de vertrouwde van mijn lijden maken.—Zij zou mij bijstaan, daar ben ik zeker van, mij uit dit huis helpen, waar alles mij doet beven: mij verlossen van de onbescheidene aanzoeken van den Heer Blaek, die mij geen oogenblik met rust laat."
"Hoe!" riep ik uit: "heeft hij opnieuw pogingen gedaan om u te spreken?"
"'t Is vruchteloos," zeide zij, "of ik hem zijne brieven en geschenken terugzend: den volgenden dag vind ik die weder op mijne kamer liggen: hij moet hier in huis medeplichtigen hebben. Zie wat hij mij durft zenden."
Dit zeggende, rukte zij met drift een lade open en haalde er een fraai garnituur uit, hetwelk zij voor mij op tafel neerlei: "En dan zijne brieven," vervolgde zij, "waarin hij mij voorslagen doet, die ik mij schamen zou te herhalen! O! ik ben diep ongelukkig."
Hier zegevierde de droefheid over haar kracht van geest: zij bracht den zakdoek voor de oogen en snikte luide. Ik was opgestaan om de juweelen te bezichtigen. Zij stond naast mij en boog onwillekeurig het hoofd voorover, zoodat het op mijn schouder te rusten kwam. Mijn toestand werd netelig: en ik wist niet, hoe ik best daar vandaan zoude geraken, toen wij opeens menschen de trap hoorden opkomen.
Amelia trad sidderend ter zijde. "Mijn God!" riep zij: "zou men hier komen? op dit uur!"
"Hierheen, Mijnheer Van Beveren!" zeide de stem van Heynsz; de deur ging open en de gepoeierde Heer met den karmozijnen rok trad binnen, door Heynsz gevolgd.
"Ik ben het, Amelia!" zeide de Heer Bos (want hij was het zelf): "ik wist niet," voegde hij er op een gestrengen toon bij: "dat gij gezelschap hadt."
Amelia stond als verplet. Zij wrong de handen en zag haar vader aan, met oogen, waarin een onbeschrijfelijke angst was uitgedrukt. Wat Heynsz betrof, hij meesmuilde achter den rug van den Heer Bos en hief spotachtig dreigend den vinger tegen mij op; maar ik was onzeker, of de vroolijke uitdrukking van zijn gelaat teweeggebracht was door zijn blijdschap, dat hij den man, dien hij zocht, in de knip had, of wel alleen uit zekere schalksche vreugde ontstond, dat ik door Amelia's vader zoo te onpas verrast werd.
"Ja mijn kind!" vervolgde de Heer Bos, waarschijnlijk om haar gerust te stellen: "gij hadt mij zoo vroeg niet verwacht; maar ik heb mijn zaken spoediger gedaan gekregen dan ik gehoopt had: en daarenboven is mij, gelijk ik den Heer Heynsz verteld heb, een onaangenaam avontuur overkomen, dat mij wel noodzaakte mijn komst alhier niet langer uit te stellen. Ik merk ook," vervolgde hij met een verheffing van stem en terwijl hij mij scherp aanzag, "dat het tijd werd dat ik kwame."
"Met uw verlof," zeide Heynsz, tusschen beiden tredende: "deze Heer is de Heer Huyck, zoon van onzen achtbaren Hoofdofficier en een eerlijk cavalier, wien Mejuffer zich niet behoeft te schamen van te kennen."
"Met uw verlof," zeide Bos, zich naar Heynsz keerende en op een hoogen toon sprekende, welke mij vreemd genoeg voorkwam jegens iemand, van wien hij zooveel te duchten kon nebben: "ik ben zelf de beste beoordeelaar der kennissen, welke het mijne dochter betaamt te onderhouden: en, terwijl hetgene ik deswege met haar te spreken heb best zonder getuigen wordt afgehandeld, zal ik de vrijheid nemen u te verzoeken...." hier wees hij op de deur met een gebiedenden wenk.
"Niets is billijker," zeide Heynsz, eenigszins overbluft: "ik zal u niet storen:" en meteen verliet hij het vertrek. Ik stond onzeker of ik hem volgen of blijven zoude.
"Blijf Mijnheer!" zeide Bos: "ik heb een woord met u te spreken."
"O God! mijn vader!" zeide Amelia, met een gesmoorde stem, terwijl zij hem omklemde: "wat hebt gij verricht? Weet gij welke onvoorzichtigheid gij begaat? wie de man is, die de kamer daar verlaten heeft?"
"Ik weet alles," antwoordde Bos: "en ik geloof, dat ik niet de onvoorzichtigste ben van ons drieën. Slechts toen was ik het, toen ik op het eerlijke gelaat van Mijnheer vertrouwde." Hier zag hij mij ernstig aan.
"Mijnheer!" zeide ik, geraakt: "ik heb uwe geheimen bewaard, zelfs ten koste van mijne rust. Maar spreek zacht, bid ik u. Men kon ons beluisteren, en...."
"En men zou nog niets verstaan," viel Bos in, "zoolang de vrienden beneden zoo luidruchtig blijven, dat onze woorden door hun gezang gesmoord worden. Ik spreek niet van het bewaren mijner geheimen;—ik vraag, wat uw bezoek op een zoo ongelegen uur, wat de juweelen te beduiden hebben, die ik op de tafel zie?"
"De Heer Huyck is onschuldig, mijn vader!" zeide Amelia, eer ik antwoorden kon: "hij is hier op mijn verzoek gekomen ... hij heeft met deze juweelen niets te maken."
"Hoe!" herhaalde de vader, meer en meer verstoord: "op uw verzoek? En waart gij dan...? o ik onnoozele!" riep hij, zich voor het hoofd slaande.
"De geheele toedracht der zaak is doodeenvoudig," zeide ik, op een toon, zoo kalm als mij maar eenigszins mogelijk was aan te nemen: "indien UEd. aan Mejuffer of mij vergunt, u te verhalen al wat sedert onze komst te Amsterdam heeft plaats gehad, zal het u niet bevreemden dat zij, door den uitersten angst gedreven, mijn raad heeft ingenomen, als van den eenigste, op wien zij wist te kunnen vertrouwen. Door eenige andere uitlegging aan mijne tegenwoordigheid te geven, zou UEd. en haar en mij onbillijk beoordeelen."
"Welaan!" zeide de Heer Bos, terwijl hij plaats nam: "ik luister: het zou mij al te veel kosten, mijn achting en liefde te moeten verliezen voor het eenige voorwerp, dat mij nog aan het leven hechtte."
Hier stak hij de hand aan zijn dochter toe, die ze met vurigheid kuste. Daarop gaven wij hem een beknopt verslag van het voorgevallene. Hij maakte niet een enkele aanmerking, noch gedurende, noch na den afloop van het verhaal, maar vergenoegde zich met nu en dan bedenkelijk het hoofd te schudden en zich het poeder van den rok te schuieren. Hij eindigde met de hand zijner dochter, die nog altijd in de zijne lag, minzaam te drukken; hetgeen mij ten bewijze strekte, dat hij met de gegeven opheldering voldaan was.
"En thans, Mijnheer!" hervatte ik na een korte pauze; "thans moet ik u bekennen, dat de Juffer zich mijns inziens niet zonder recht ongerust maakt, en dat uwe komst alhier niet wel geschikt is, die ongerustheid te doen ophouden."
"Ik ben er zelf evenzeer over verwonderd van mij hier te zien," antwoordde hij, "als de Doge was, toen hij zich aan het hof van Lodewijk XIV bevond: maar ik heb door de ondervinding geleerd, dat onbeschaamde stoutheid soms beter in staat is, de menschen te bedriegen, dan de fijnst gesponnen list. Ik was, Amelia! sedert uw vertrek, hoogst ongerust, geen brief van u te ontvangen, vooral nadat ik reeds een paar reizen onder couvert van den Notaris Bouvelt geschreven had, dat ik mij in 's-Hage bij den Russischen Gezant ophield...."
"Welke brieven," zeide ik, "waarschijnlijk nog ongeopend bij Bouvelt liggen, die gevaarlijk ziek is."
"Ik had intusschen bemerkt," vervolgde de Heer Bos, "dat mijn gangen gevolgd werden door datzelfde Joodje, hetwelk te Soest zoo ongenadig door mij begroet werd. Bekommering over uw lot kwelde mij: ik kon niet langer aan de begeerte weerstaan om iets van u te vernemen. Aan Mijnheer dorst ik niet schrijven: hij had reeds last genoeg van ons gehad: en ik wilde hem geen nieuwe onaangenaamheden veroorzaken. Eindelijk kon ik mijn geduld niet langer bedwingen en ik besloot hierheen te reizen. Maar ik moest eerst mijn lastigen verspieder verschalken. Gisteren was ik te Utrecht: daar zat hij mij weder op te hielen. Ik had mijn plan gevormd en toen ik hem op de straat tegenkwam, vroeg ik hem, of hij een boodschap voor mij wilde doen. Ik zag zijne oogen van blijdschap fonkelen. Toen gaf ik hem geld om de roef af te huren naar Amsterdam voor de schuit van morgenmiddag, niet twijfelende of hij zou de heuglijke tijding van mijn overkomst dadelijk aan zijn betaalmeester overbrengen. Hem dus van 't spoor geleid hebbende, wandelde ik de poort uit, nam te Zeist een rijtuig, dat mij naar Amersfoort bracht, en wachtte daar de komst van den Deventerschen wagen, die mij hier voerde. Onderweg had ik mijn kleeding stuk voor stuk veranderd, mijn haar gepoederd en mij door het opzetten van een bril nog meer onkenbaar gemaakt. Hier gekomen, nam ik mijn intrek in het beste logement, onder den naam van Van Beveren, begaf mij dadelijk naar Bouvelt en vernam daar uw verblijf. Zoodra ik den naam van Heynsz hoorde, was mijn besluit gevormd. Ik kende, om 't even hoe, de geheime betrekkingen, die deze Sinjeur vervult: en wetende, dat niets beter in staat is om ook de schranderste personen te misleiden, dan het streelen hunner ijdelheid, begaf ik mij naar hem toe. Reeds hier beneden had ik aanvankelijk het genoegen van te zien, dat mijn vermomming gelukt was, daar zelfs de Heer Huyck mij niet herkende. Kort na uw vertrek, Mijnheer Huyck! kwam Heynsz binnen. Ik verzocht hem alleen te spreken. Ik meldde hem dadelijk, dat ik de vader was van Amelia, de Overijselsche koopman, waar hem Bouvelt over gesproken had. Voorts verhaalde ik hem, dat ik opgelicht was door zekeren schelm, wien ik zoo juist beschreef, dat zijn portret volkomen overeenkwam met dat van den man, die u bij Naarden heeft aangerand: en zeide, dat hij, Heynsz, mij was aan de hand gedaan als de bekwaamste man om dergelijke fielten te doen opsporen. Ik eindigde mijn verhaal met een fatsoenlijk present en oordeel nu den man gewonnen te hebben. Dat hij mij met dat al te slim is, is mogelijk; doch, naar zijn houding te oordeelen, geloof ik, dat hij niets vermoedt."
"Maar Papa!" zeide Amelia: "al misleidt gij Heynsz, zijt gij niet beducht, dat er hier te Amsterdam nog vele lieden zijn, die u herkennen zullen?"
"En wie zou thans in mij den cadet der marine herkennen, die voor vijf en twintig jaren hier over straat slenterde of den galant speelde bij de jonge schoonen?"
"Bij den eersten opslag niet;—maar, wanneer men weet dat gij u hier in de buurt bevindt?—En dan, vloeit deze stad niet over van vreemdelingen, die u vroeger, in andere landen, hebben kunnen ontmoeten?"
"Ook denk ik mij niet meer dan noodig is op straat te vertoonen. In allen gevalle, ik heb besloten, het te wagen. Hier is toch eene betere gelegenheid dan elders, om mij naar de plaats onzer bestemming in te schepen. Bovendien, ook buiten deze stad was ik niet langer veilig: want ik weet, dat de Spaansche Ambassadeur op mijn uitlevering aandringt, en dat de Staten-Generaal, die anders zoo prat zijn om de vrijheden des lands te bewaren, in dat geval hunnen bondgenoot ter wille zullen zijn.—Wij moeten dus voort: en wel zoodra ik in het bezit ben dier noodlottige papieren."
"En zal ik hier blijven?" vroeg Amelia.
"Ik zie daarin geene zwarigheid. Integendeel, ik heb Heynsz gevraagd of hij mij insgelijks huisvesting verleenen kan: en daar er, zoo hij zegt, bij deze kamer nog een kabinetje is, waar een ledikant gezet kan worden, zal zich dit zeer goed schikken. Voor dezen nacht keer ik naar mijn logement. Wat die juweelen betreft, berg die maar weer: ik zal voor de terugzending zorg dragen."
Ik wilde nu mijn afscheid nemen. De Heer Bos verzocht mij, daar hij toch éénen weg met mij op moest, hem mijn gezelschap te schenken; waarop wij, na Amelia vaarwel gezegd te hebben, het huis verlieten.
Wij gingen eenige oogenblikken zwijgend naast elkanderen. De Heer Bos was de eerste, die het gesprek aanving:
"Ik ben u groote dankbaarheid verschuldigd," zeide hij: "maar ik wensch mijn schuld niet te vermeerderen. Of liever—ik zal u nog erkentelijker zijn, indien UEd. voor het vervolg uwe bezoeken staken wilt."
"Mijnheer!" antwoordde ik, op een koelen toon: "ofschoon ik medelijden met u en met uwe dochter heb, verlang ik niets liever, dan dat ik niets meer van u hoore: de zaak heeft mij reeds kwelling genoeg veroorzaakt."
"Dan verstaan wij elkander volkomen.—Intusschen, wij scheiden in vriendschap. Ik ben u de betuiging schuldig, dat mijn vermoedens mij leed zijn, en dat ik u voor een eerlijk man houde. Het is alleen, omdat ik weet hoe gevaarlijk het is, wanneer jonge lieden elkander vaak, vooral op zulk een geheimzinnige wijze, spreken, dat ik als vader eenige zorg gevoel."
.Mijnheer! Ik schroom niet, u te zeggen, dat mijne affecties elders geplaatst zijn."
"'t Is mogelijk," zeide hij: "maar het hart mijner dochter is nog vrij: en—zonder u een compliment te willen maken—het is niet voor u, het is voor haar, dat ik mij bekommer, en dat ik een dergelijke gemeenzaamheid noodlottig zou achten."
"Mijnheer!" hernam ik: "uw dochter is een beminnenswaardige Juffer, aan wie ik het hoogste geluk toewensch; doch zoo weinig verlang ik, eenige genegenheid voor mij onwaardige bij haar op te wekken, dat ik het als een der aangenaamste tijdingen zal rekenen, wanneer ik verneem, dat zij met u in veiligheid van hier is."
Dit gezegde was niet beleefd, maar het scheen hem echter tevreden te stellen: en hij sprak niet weder, tot wij de deur van de herberg genaderd waren. Toen zeide hij, terwijl hij mij de hand op den schouder legde, op een plechtigen toon: "jongeling! mijn leven ia tot nog toe een afwisseling geweest van hoogheid en tegenspoeden, van macht en vernedering, van weelde en gebrek; maar mocht ik mij ooit weder in de gelegenheid bevinden wèl te doen aan anderen, wees dan verzekerd, dat mijne dankbaarheid jegens u zich met meer dan ijdele woorden toonen zal, en dat ik u door daden het verdriet zal pogen te vergoeden, dat ik u thans onwillig veroorzaakt heb."
Met deze woorden verliet hij mij, en ik vervolgde mijn weg, door deze nieuwe ontmoeting in een vrij onaangename stemming gebracht, mijn gesternte verwenschende, dat mij met dien Bos, Van Beveren, of wat namen hij verder voeren mocht, in kennis gebracht had; en toch begeerig te weten, hoe het met hem en zijn beminnelijke dochter zoude afloopen. Wat mij het meest kwelde, was de valsche stelling, waarin mij deze lastige historie tegenover mijn ouderen geplaatst had. Ik was bijna zeker, dat mijn vader reeds vermoedens koesterde en dat het tot een onderhoud zoude moeten komen, waaruit ik niet wist, hoe mij te redden, daar het aan de eene zijde tegen mijn gemoed en kinderplicht streed, de waarheid voor hem te verbergen, en aan de andere zijde mijn belofte mij het zwijgen opleide. O! hoe folterde mij de gedachte, dat het onderling vertrouwen, hetwelk altijd tusschen mijn ouders en mij had geheerscht, en waar ik zoo grooten prijs op stelde, wellicht voor langdurigen tijd stond verbroken te worden: en dat, al werd mijn gedrag later eenigszins gerechtvaardigd, de eens gegeven indruk niet zoo ras zoude worden uitgewischt. Had iemand mij veertien dagen vroeger gezegd, dat ik, eene week na mijn terugkomst in het ouderlijke huis, met looden schoenen zou derwaarts gaan en zelfs opzien tegen een ontmoeting met mijn vader, hoe buitensporig, ja onmogelijk zoude mij de vervulling eener dergelijke voorspelling zijn voorgekomen. En echter: zoo stonden thans de zaken!—Ik trok met een bevende hand aan de huisschel: ik wenschte, dat mijn ouders, daar het reeds laat was, zich ter ruste mochten begeven hebben, en ik gevoelde een angstige gewaarwording, toen de dienstbode mijn vraag, of mijn ouders nog op waren, toestemmend beantwoordde.
Met een kloppend hart trad ik de eetzaal in, waar de goede lieden mij wachtende waren, beiden in hun nachtgewaad, bij het licht van een paar kaarsen, die reeds dreigden in de pijp te branden. Het gewone avondmaal, brood, kaas en vruchten, stond nog op de tafel: en mijn zorgvolle moeder had een waterkaraf voor zich, met een fleschje spiritus, voor het geval dat ik te veel gebruikt mocht hebben.
"Zoo Ferdinand! ben je eindelijk daar?" vroeg mijn moeder, terwijl ik haar omhelsde: "is dat nu vroeg te huis komen, gelijk gij beloofd hadt? Hoe is het, ben je nuchteren of niet? Laat ik u eens in de pogen zien. Ja: uw oogen staan goed; maar anders zie je er geweldig ontdaan uit. 't Is goed voor eens; anders deugen u die slemppartijen en dat nachtbraken niets."
"Ik hoop," zeide mijn vader, mij bij de hand nemende, en mij insgelijks, doch met een ernstigen blik, aanziende, "dat de slemppartijen en het nachtbraken nog maar de eenige redenen zijn van uw verbleekte kleur en ontstemde pols. Maar mag ik u vragen, is Helding verhuisd? of zijt gij de nachthuizen nog rondgeloopen met uw poëten? Ik weet, dat zulks wel eens de gewoonte is ... een gewoonte, die de zoon van den Hoofdofficier niet moest navolgen."
"Hoe meent UEd. dat?" vroeg ik, niet weinig verlegen: "ik begrijp niet...."
"Reeds eens uur geleden heb ik, op aandrijven uwer moeder, die bezorgd was dat gij de gracht voor den wal zoudt aanzien, Joris met de lantaren naar het huis van Heynsz gezonden: en hij is teruggekomen met de boodschap, dat de Jongeheer reeds vertrokken was."
Ik begreep terstond, dat de knecht daar gekomen was toen ik mij bij Amelia bevond en toen ieder beneden mij vertrokken waande.
"Ik heb," zeide ik stamelend, "een der gasten, met wien ik een zeer belangrijk gesprek voerde, te huis gebracht en ben wat lang met hem blijven staan praten. Maar ik kan u verklaren, dat ik niets gedaan heb, waarover ik mij behoef te schamen."
"Dan behoeft gij ook niet te kleuren," zeide mijn vader: "hoe heette die nieuwe vriend, die zoo belangrijk sprak?"
Deze vraag bracht mij deerlijk in 't nauw; want, in omstandigheden als de mijne waren, zijn de eenvoudigste doorgaans het moeilijkst te beantwoorden. Nu moest de draaierij wel een logen worden: "Velters," zei ik, bevende.
"Velters?—Nu ja, wat schort er aan, dat gij zulk een moeite schijnt te hebben om een zoo eenvoudigen naam uit te spreken? Ik ken Velters bij reputatie. Hij is een braaf jong mensch, die vlijtig oppast, en wel voort zal komen, indien zijn gezondheid zijn goeden wil evenaart. Maar het belangrijkste gesprek had u niet moeten doen vergeten, dat uw moeder ongerust was en gij haar wakende hieldt."
"Nu," zeide die goede moeder: "wij moeten ook denken, Ferdinand is zoo lange jaren buitenshuis geweest en de gewone sleur wat ontwend. Hij zal vergeten hebben, dat wij lieden van de klok zijn. Ik hoop maar, dat dergelijke invitaties niet te dikwijls zullen komen.—Nu! Ik ga naar bed: want ik heb werk dat ik uit mijn oogen zie. Blijft gijlieden nu ook niet langer plakken."
Dit zeggende kuste zij ons goeden nacht en verliet de kamer. Mijn vader rees ook op, en, zich tot mij wendende: "slaap wel!" zeide hij: "maar voor gij u ter ruste begeeft, bid God, dat Hij u vertrouwen inboezeme in een vader, die u liefheeft."
De tranen ontsprongen mijn oogen op het hooren dezer toespraak: "Lieve vader!" riep ik, de hand des braven mans tusschen de mijne drukkende en die aan mijn mond brengende: "God weet het, ik zou niets liever verlangen, dan dat ik spreken mocht; maar...."
"Ik zal geduld hebben en de ure des vertrouwens afwachten," zeide mijn vader, bedaard: "Gij zijt geen kind meer en ik wil u niet tot spreken dwingen, wanneer gij beter acht te zwijgen. Dit slechts wensch ik, dat de Alwijze uw geest verlichte en u leere wat uw plicht medebrengt."—Met deze woorden drukte hij mij nogmaals de hand en vertrok, terwijl ik mij zuchtende naar mijn slaapkamer begaf. Zoo had ik dan voor 't eerst mijn ouderen VOORGELOGEN!—Ach! ik gevoelde te wel de behoefte, om het voorschrift mijns vaders na te volgen: en in angstige verzuchtingen smeekte ik den Almachtige, mijn gangen te bestieren en mij licht te geven op mijn donkeren weg. Dit besluit nam ik echter, om, wat er ook de gevolgen van wezen moesten, mijn vader te overtuigen, dat ik, hoezeer misschien verkeerdelijk mijn woord gegeven hebbende, door hem zelfs niet van mijn belofte ontslagen kon worden.
Het was dan ook met dit oogmerk, dat ik den volgenden dag na den eten, en toen ik wist, dat Heynsz zich verwijderd had, mijn vader kwam opzoeken. Ik had dit oogenblik verkozen, omdat ik wenschte uit te vorschen, of Heynsz den Heer Bos ook verklapt had, in welk geval mijn verplichting tot geheimhouding ophield en ik, door voor de zaak uit te komen, dezen laatste misschien dienst kon doen. Mijn vader bespeurde wel aan mijn houding, dat ik iets op het hart had, en, zijn papieren ter zijde schuivende, vroeg hij met een ongemeene vriendelijkheid:
"Hebt gij iets met mij te spreken? Dan zal ik die stukken wel even laten rusten. Echter heb ik niet lang tijd," vervolgde hij, op zijn uurwerk ziende: "want waarschijnlijk zal er straks een bezoek komen."
"Ik heb u slechts weinige woorden te zeggen, Vader!" zeide ik, "maar ik wenschte wel, dat ons gesprek langdurig zijn kon."
"Wat meent gij? Dat klinkt eenigszins raadselachtig en duister. Fallax sollertia nobis."
"Helaas!" zeide ik. "UEd. heeft te recht opgemerkt, dat er iets is, hetwelk mij als een pak op het hart ligt. Ik ben soms afgetrokken, verstrooid: mijn gangen, zoo UEd. die had doen nasporen, zouden wellicht zonderlinge vermoedens bij u hebben doen ontstaan: ik heb, zeer mijns ondanks, vreemde avonturen gehad sedert ik terug ben:—en hetgeen mij het meest nog hindert, is, dat ik de reden van dat alles aan u niet ontdekken mag."
"Ik kan," zeide mijn vader, de schouders ophalende, "niet oordeelen over uw verplichting tot zwijgen, daar ik de aanleiding niet ken, welke u die heeft doen aangaan. Alleen zoude ik u, in 't afgetrokkene, willen oplettend maken op het gevaarlijke om zich tot iets dergelijks te verbinden. Er zijn slechts weinige zaken, welke een kind aan zijn ouderen niet zoude mogen openbaren. Dan alleen, wanneer het geheimen van derden geldt, kan er een uitzondering bestaan; doch een geheim, dat u niet persoonlijk betreft, kan, dunkt mij, zulk een invloed niet op u gehad hebben, gelijk aan dien, welken uw houding en gedrag mij doen zien dat bij u is teweeggebracht."
"Het is een geheim van derden," zeide ik, niet weinig verheugd, dat mijn vader zelf mij alzoo vrijheid tot zwijgen gaf: "maar een geheim, waar ik door een samenloop van omstandigheden ben ingewikkeld."
"En...." vroeg mijn vader, na zich een wijl bedacht te hebben: "betreft dit geheim ook zekeren Zwarten Piet? Ik vraag u dit als vader, niet als Hoofdschout."
"Slechts zeer zijdelings," antwoordde ik, uit deze vraag de gevolgtrekking makende, dat mijn vader omtrent de wezenlijke oorzaak nog niets wist: "doch, vergun mij ook een vraag, mijn vader! indien deze Zwarte Piet mij het leven gered had en ik zijn verblijf kende, zoude UEd. dan oordeelen, dat ik verplicht ware, het aan den Hoofdschout te openbaren, bijaldien deze er naar vroeg?"
"Gij weet waar Zwarte Piet is?" vroeg mijn vader met drift.
"Neen", antwoordde ik, glimlachende: "en ik heb ook aan hem geene verplichting; maar ik stel dit slechts als een voorbeeld."
"Gij weet te goed," zeide mijn vader, "dat, ofschoon de dankbaarheid slechts een officium inperfectum is, en het inlichten der Justitie een officium perfectum, als zijnde dit laatste bij Keuren en Ordonnantiën voorgeschreven, de tweede plicht in dezen voor den eersten zoude moeten wijken, aangezien de dankbaarheid door een hoogere dan de aardsche wetgeving is voorgeschreven. Dan, dit daargelaten: zoo gij een geheim bezit, hetwelk gij mij niet vertrouwen moogt, waarom er mij dan over gesproken? want nu kan ik niet nalaten, te gaan gissen en raden."
"Slechts daarom, mijn vader! omdat mij het denkbeeld onverdraaglijk is, dat gij mij van gebrek aan vertrouwen beschuldigen zoudt: omdat ik u smeeken wilde, uw oordeel over mij slechts zoolang op te schorten, tot ik in staat zal wezen, u de noodige opheldering van mijn gedrag te geven en te openbaren wat u thans onverklaarbaar moet voorkomen?"
"Gij hebt welgedaan, mijn zoon! En ik zou een slecht rechter zijn, indien ik u condemneerde, zonder u den tijd te laten om aan te voeren, wat tot uwe defensie dienende kan zijn. Dit slechts moet gij mij verzekeren, dat gij niets hebt beloofd, wat tot nadeel van dezen lande zoude kunnen strekken. Gij weet, dat wanneer het de veiligheid van den Staat geldt, het crimen reticentiae hem, die het begaat, tot medeplichtige maakt aan het gesmede landverraad."
"De veiligheid van dezen lande loopt zoo weinig gevaar," zeide ik glimlachende, "dat UEd. zelf mijn stilzwijgen zult billijken."
"Dan ben ik tevreden," zeide mijn vader.
Op dit oogenblik werd hard aan de voordeur gebeld en hield er een rijtuig stil.
"Is het reeds zoo laat?" vroeg mijn vader, op zijn horloge ziende: "ja waarlijk! nu moet gij voort, want ik verwacht een deftig bezoek: of blijf hier: ik zal in de zijkamer gaan: hij, wien ik verbeid, is een man van gewicht en dient als zoodanig ontvangen te worden."
Dit zeggende, haastte hij zich naar de zijkamer; maar de persoon, dien hij verwachtte, verscheen niet: en, gelijk mij later bleek, was het alleen de Onderschout, die met een koets aan de Beerebijt de aankomst der Utrechtsche schuit had staan wachten, ten einde den Heer Bos bij het uitstappen te knippen. Daar deze niet was komen opdagen, en de schipper verklaarde, dat de gehuurde roef ledig gebleven was, kwam de Onderschout alsnu eenvoudig verslag geven van het mislukken der hem opgedragen commissie, en de zaak liep voor 't oogenblik af met een schrobbeering, die Simon ontving, omdat hij zich had laten verschalken.
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN EENIGE OUDE KENNISSEN WEDER OP HET TOONEEL VERSCHIJNEN EN EEN PAAR NIEUWE WORDEN INGEVOERD.
Den volgenden morgen (Zaterdag) begaf ik mij, volgens de met Tante gemaakte afspraak, weder naar Heizicht, waar ik met een kloppend hart mijn Dulcinea terugvond en door Tante ter verantwoording werd geroepen over mijn ontmoeting met Zwarten Piet. Dewijl ik op haar vragen voorbereid was, kostte het mij minder moeite, die te beantwoorden: en zonder haar de geheele waarheid te vertellen, wist ik haar omtrent de reden van het bezoek des roovers zoodanige opheldering te geven, dat ik haar tevreden stelde en haar ongerustheid wijken deed. Wij aten dien dag zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk van Tante was, met ons naar een boerderij te rijden, welke zij eenigen tijd geleden in de omstreken van Oud-Naarden gekocht had, om daar met wandelen en koffiedrinken den avond door te brengen. Wij reden tegen twee uren af: trokken over de heide naar Laren en van daar over Blarikum den Tafelberg langs, waar wij een zijweg insloegen, die ons in korten tijd aan het doel van onzen tocht voerde. Hier hielden wij voor een schuur stil, welke tot stalling diende, stapten af, en wandelden naar het woonhuis; en niet weinig keek ik op, toen de vrouw, welke ons aan de deur verwelkomde, niemand anders bleek te zijn dan de oude Martha, en haar woning dezelfde, waarin mij de Heer Bos ontvangen had. Zoo ik de gelegenheid niet dadelijk herkend had, het was omdat wij deze reis langs een anderen weg waren gekomen. Nu werd mij duidelijk, waarom de oude vrouw mij op dien noodlottigen avond zoo had aangekeken: en ik verwonderde mij, haar toen reeds niet herkend te hebben, daar zij vroeger tuinvrouw bij mijn Oom Van Bempden geweest was.
De oude vrouw ontving Tante met de gebruikelijke formules van:
"Wel Mevrouw? hoe vaart Mevrouw? Mevrouw is hier in lange niet 'eweest. Ik kan niet zeggen, dat Mevrouw 'er uitzien er op 'ebeterd is!"—een compliment, waar schier alle lieden van die klasse gewoon zijn hunne meesters op te vergasten, als ware het de uitgezochtste vleierij. Mij herkennende, geraakte zij min of meer in verlegenheid en zocht mijn blik te vermijden. "Ik heb het koffiegoed boven klaar gezet," ging zij voort.
"Ja! dat is wel," zeide Tante: "maar het is zulk mooi weer. Wat zeggen de meisjes er van? Zonden wij de koffie niet liever buiten de deur gebruiken?"
Dit voorstel werd toegejuicht en de bevelen dienvolgens gegeven.
"Is uw zoon niet hier?" vroeg Tante, ziende, dat Martha zelve met een tafel en stoelen kwam aandragen.
De oude vrouw zuchtte en haalde de schouders op: "och Mevrouw!" zeide zij, "men zoon is men kruis: sedert acht dagen heb ik hem niet 'ezien: waar hij zit, God weet het."
Ik kan niet ontkennen, dat deze gemankte of schijnbare ongerustheid der moeder mij genoegen deed, want ik beschouwde de tegenwoordigheid van Andries aan de hoeve niet slechts als hoogst gevaarlijk voor de nabuurschap, maar ook als zeer schadelijk voor de belangen mijner Tante; en ik nam voor, om, het mocht kosten wat het wilde, haar in te lichten omtrent de hoedanigheid van dien persoon. Intusschen, onder den schijn van de vrouw te willen helpen in het aandragen der benoodigdheden, volgde ik haar naar binnen. Zoodra wij in de keuken waren, tikte ik haar op den schouder: "Is het stellig waar," vroeg ik, "dat uw zoon verdwenen is?"
"Zoo waar ik leef Meneer!" zeide zij, al bevende: "om Gods wil! maak ons niet ongelukkig."
"Ik geloof ook," vervolgde ik, "dat het raadzaam voor hem zijn zal, zich niet weer hier te vertoonen: want het is genoegzaam bekend bij de Justitie, dat hij met Zwarten Piet en zijn makkers heult, en, zoo men hem krijgt, zal hij den dans van de ladder niet ontspringen."
"O, Meneer Huyck!" zeide zij: "je weet niet, wat ik van den jongen te lijen heb. Och! hij heit nooit willen deugen; maar ik kan het warentig niet helpen: ik heb hem vermaningen genoeg 'egeven."—Vervolgens den toon latende zakken: "UEd. heit toch niet 'esproken met Tante, van dat UEd. hier laatst 'eslapen heit, en van de menschen, die UEd. hier heit 'ezien?"
"Volstrekt niet," antwoordde ik: "maar zeg mij, hoe kent gij die lieden?"
"Hoe ik hen ken?" vroeg zij: "heb ik den jonker niet an men aigen borst 'evoed?—en toen Kapitein Reefzeil op 's-Gravenland weunde, was het toen niet bij mijn an huis, dat hij altijd met Keetje Reefzeil, dat zoete hartje, spreken kwam? Maar kom an, ik mot het theewater buiten brengen," en meteen zich omwendende ging zij naar voren. Ik wilde haar volgen, toen toevallig mijn blik in den tuin viel en ik twee oogen ontmoette, die op mij gevestigd waren.
Ik heb vroeger gezegd, dat de achterdeur, door welke ik de eerste reis in deze woning gekomen was, in de keuken opende en op den tuin uitkwam. Naast deze achterdeur was een openstaand raam: en voor dat raam, op het tuinpad, stond een man, in havelooze lompen gekleed, mij aan te gluren. Zoodra hij merkte, dat ik hem van mijnen kant gezien had, begon hij op een smeekenden toon:
"Meneertje! zoo waar God leeft, gheen dijt rijk! Hik 'eb nog gheen 'andgift gead van dhaag: geen dijt rijk, zoowaar zei je ghezond blijven."
"Gij hier Simon!" riep ik, den man herkennende: "wat komt gij hier zoeken? En waar is de negotie?"
"Neghoossie? Och! was ik mhaar zoo gelikkig, dat hik een klein beetje neghoossie thoen kon:—mhaar een vrouw met zeuven kinderen! Je mot dhenken, dat kan wat an:—gheen dijt rijk...."
"Foei!" zeide ik: "is het geld al op, dat de Jongeheer Blaek u gegeven heeft om de gangen van eerlijke meisjes te bespieden?"
"Heerlijke meissies! Na doch!" zeide Simon, het hoofd schuddende.
"Ja zeker eerlijk! En zoo ik mijn vader dergelijke stukjes van u verhaal, zal hij u afleeren, u met zulke knoeierij op te houden."
"Khom! word dan thoch maar niet boos. Khan ik 't 'elpen? Een bhoodschap is een bhoodschap! As Meneer Blaek theugens me zeit: "Shimon: ga en khijk waar die Jiffrouw blijft: je zelt een ghilden van mier 'ebben—nou khijk! wat mot Shimon dan doen? der steekt gheen kwaad hin, dat Meneer Blaek weet, waar die Jiffrouw whoont, en der stheekt veul goeds hin, dat Shimon voor een dhag of wat den kost heit mit zen hijshouwen.—Maar je vraagt men of het vertheerd is sinds dien thijd?—Och! hik eb sedert gheen dijt verdiend: gheen penning! khan men dhaar van leven hacht dhagen mit 'en hijshouwen? zoowaar zei je ghezond blijven."