← Table of contents
Een strijd om de schatten van Alva

“ONBEREIKBAAR!”

Reading edition

“Kijk,” zegt de schilder, en brengt Chester naar een venster aan de straat.

Deze ziet, verscholen achter de gordijnen in Bodé Volckers’ huis, den man van ijzer en bloed, voor wien de menigte siddert en beeft, zich diep buigen over den zadelknop voor de koets van zijn dochter, terwijl zijn gelaat wordt verhelderd door den glans van vaderliefde in zijn oogen.

“Drommels! Mij dunkt, dat ik mijn rekening met hem heb vereffend,” mompelt de Engelschman. Dan wendt hij zich haastig tot Antony en zegt: “Een woord met u. Bij mijn eerste bezoek hier, hebt gij voor mijn veiligheid den naam van kapitein Guido Amati van Romero’s voetvolk voor mij uitgedacht. Nu bestaat er werkelijk zulk een kapitein Guido Amati, die bij Romero’s voetvolk dient.”

“Zeker bestaat hij,” antwoordt Oliver, tot groote verbazing van Guy. “Ik koos den naam uit de monsterrol van Romero’s regiment. Dit lag toen in Friesland in kwartier, tweehonderd mijlen van hier, de verst afgelegen provincie van Nederland, en ik vond het beter u een naam te geven, die kon worden geverifiëerd. Maar wat zou dat?”

“Wat dat zou?” antwoordt Guy norsch. “Alleen dit, dat ik juist heb vernomen, dat Guido Amati om mijnentwil is bevorderd tot majoor in zijn regiment; dat kapitein Guido Amati van Romero’s voetvolk geen al te besten naam heeft,—misschien zijn er wel dames in het spel,—en dat majoor Guido Amati juist een scherpe vermaning heeft gekregen om zich voortaan beter te gedragen. Voor den duivel!” vervolgt hij op woesten toon, “als deze heer, naar wien ik gedoopt ben, zich voortaan niet wat meer in acht neemt, dan krijgt hij met mij te doen, met mij, die nu gebukt gaat onder zijn zonden!”

Daarna barst hij in lachen uit, waarmee Oliver instemt, en hij zegt kalmer: “Maar ik bezit ook de reputatie, dat ik de dapperste officier van het leger ben. Buitendien ben ik een neef in den derden graad van den hertog van Medina Coeli en als zoodanig waarschijnlijk gerechtigd, om mijn hoed op te houden in tegenwoordigheid van Philips II van Spanje.”

“Voortreffelijk, mijn grande,” antwoordt Antony met een glimlach. “Hier is de nota van hetgeen de gravin De Pariza op uw kosten heeft gekocht—tweehonderd gulden! Dat is uw aandeel in de zaak. Als Zijne Hoogheid de Hertog van Alva hier niet voorbij was gekomen, zou zij, geloof ik, het geheele magazijn van Bodé Volckers hebben leeggekocht.”

“A—ah,” zucht Guy, de nota inkijkend, “ik zou nog heel wat meer willen geven voor een tweede tête-à-tête met mijn—mijn aanstaande vrouw,” en hij moet een traan wegpinken, als hij denkt aan het schoone wezen, wier liefde hij heeft veroverd à coup de main.

“Uw aanstaande vrouw!” roept Oliver verbaasd uit. “Morbleu! gij hebt er geen gras over laten groeien. Bij den hemel, als Alva u ooit in handen krijgt en dit te weten komt, dan wee u, vermetele jonge man! Buitendien zult gij er vlug bij moeten zijn, als gij haar ooit wilt bezitten!”

“Waarom?”

“Alva zal niet lang meer in de Nederlanden blijven. Het land is onderdrukt en gekneveld (tot rust gebracht, noemt hij het), ofschoon het overal gist. Hij int den tienden penning en toch betaalt hij zijn troepen niet. Een gedeelte van het geld zendt hij naar Spanje,—juist genoeg, om Philips tevreden te stellen, maar de rest—de hemel weet, wat hij er mee doet, ofschoon ik gis, dat hij het voor zichzelven naar Italië of Spanje overmaakt, om in rijkdom de gelijke van koningen te worden.”

“Bij Sint George, als ik het in handen kon krijgen!” antwoordt de Engelschman, terwijl de zeeroover weer in hem ontwaakt. “Dat zou een bruidsschat zijn, zijn schoone dochter waardig!”

“Zoover als ik ben ingelicht,” zegt Oliver, “heeft geen mensch een oog geslagen op de plaats, waar hij zijn schatten bewaart, ofschoon ik mijn vermoedens heb. Het groote standbeeld, dat hij opricht, datzelfde, dat de volgende week in de Citadel zal onthuld worden, heeft iets zonderlings in zijn afmetingen. Zijn piedestal is buitengewoon groot. De werklieden, die daartoe gebruikt zijn, komen uit Italië en staan onder het onmiddellijk toezicht van Paciotto, den ingenieur. Dezen zijn, nadat zij het piedestal hadden afgemaakt, rijkelijk beloond, weer ingescheept en naar hun land teruggezonden. Men heeft niet één hunner toegestaan, in Nederland te blijven. Er is een geheim in dat standbeeld verborgen!”

Verdere beschouwingen worden afgebroken door de binnenkomst van den oud-burgemeester en zijn dochter. De oude heer schijnt zeer in zijn nopjes te zijn.

“Gij blijft zeker het avondeten met mij gebruiken, heeren,” zegt hij. “Het verheugt mij u te kunnen mededeelen, dat mijn dochter Mina vanmiddag een gehoorzaam meisje is geweest en veel voor mij heeft verkocht—voor een waarde van vierhonderd gulden aan de gravin De Pariza, waarvan tweehonderd contant zijn betaald, iets wat mij nog nooit gebeurd is, zoolang ik met den adel handel. Maar mijn kleine Mina,” en hij vat haar onder de kin, “is ook een echte koopmansdochter. Zij zal haar lieve moeder nog evenaren.”

“Vader,” zegt de jonge dame, gebruik makend van de gelegenheid, “mag ik niet naar de hertogin van Aerschot gaan?”

“Hm, hm! Nu, gij zijt jong, geniet dan maar, laat echter de paarden niet weer den geheelen nacht wachten; gij weet dat ik ze ’s morgens voor de vrachtwagens noodig heb. Heeren, gij blijft natuurlijk, en ik zal er u het bewijs van geven, dat mijn dochtertje niet alleen een goede verkoopster is, maar ook goed kan koken.”

“Vader!” roept het jonge meisje verwijtend uit, “gij vergeet, dat wij een uitstekenden Franschen kok in huis hebben!”

Doch Guy blijft niet, om kennis te maken met de voortreffelijke keuken in den huize Bodé Volckers. Nu hij de bijeenkomst met zijn brunette heeft gehad, geeft hij Oliver gelegenheid, er een met zijn blondine te hebben en vertrekt naar Het Geschilderde Huis, waar Antony belooft, zich dien avond nog bij hem te voegen.

Het is nu donker, en plaats nemend in de gelagkamer, die verlicht is door olielampen en flikkerende kaarsen, bestelt de Engelschman een rijkelijk souper, daar hij misschien den geheelen nacht op de been zal moeten zijn om zijn schip weer te bereiken. Het succes heeft hem eetlust bezorgd, ofschoon hij nauwelijks weet, wat hij eet, want zijn geheele maaltijd is een opeenvolging van herinneringen, ieder op zichzelve een genot. In zijn droomerijen wordt hij plotseling, en wel op onaangename wijze, gestoord.

Een man, naar zijn kleeding te oordeelen de kapitein van een koopvaardijschip, komt de kamer binnen, gevolgd door een burger, en valt met een onderdrukten vloek op een stoel neer aan de tafel naast die van Chester.

“Voor den duivel!” moppert hij, “een mooie boel, dat men geen verlof kan krijgen, de stadspoorten door te gaan, om zich naar zijn eigen schip te begeven. Wat zal er van mijn lading worden, die gedeeltelijk gelost is? De stuurman en de dronken bemanning zullen zich fraai gedragen!”

“Blijf bedaard, kapitein,” sust zijn metgezel. “Het is een buitengewone maatregel. Gij zult zonder twijfel morgen bij daglicht de poort mogen passeeren.”

“Ja, en ik word intusschen op de kosten gejaagd van in een herberg logies te moeten nemen, en mijn gemakkelijke hut staat leeg. Alweer een gulden, die mij hier in de haven van Antwerpen wordt afgeperst. Als dit zoo voortgaat, zal de handel hier spoedig geheel verloopen.”

“Maar dit zal waarschijnlijk niet licht weer gebeuren,” zegt de koopman. “Van zoo iets heeft men vroeger nooit gehoord.”

En het tweetal bespreekt de waaroms van zulk een buitengewone waakzaamheid aan de poorten.

Dit geval geeft Guy te denken. Hij heeft, toen hij daareven de herberg binnentrad, dienzelfden kapitein, waarschijnlijk de gast van den burger, aan een tafeltje het avondeten zien gebruiken. Een half uur geleden zijn zij vertrokken, de kapitein schijnt de schildwachten niet te hebben kunnen passeeren. Als er zulke orders zijn uitgevaardigd, kan het wachtwoord van hedenavond hem waarschijnlijk niet baten. Wat kan de oorzaak daarvan zijn? Zou het mogelijk wezen, dat men eenig vermoeden heeft van zijn tegenwoordigheid in de stad?

Terwijl hij hierover nadenkt, komt Oliver binnen met een ernstige uitdrukking op zijn gelaat. Hij gaat bij Guy zitten en fluistert: “Ga mee.”

“Waarom?” Eveneens fluisterend.

“Er zijn orders uitgevaardigd, dat niemand vannacht de poorten van Antwerpen mag passeeren.”

“De reden?”

“Ik weet het niet; misschien hebben zij lont geroken, dat gij in de stad zijt. Ga mee naar mijn kamers.”

“Neen, ik blijf hier,” antwoordt de Engelschman op vasten toon.

“Waarom?”

“Om twee redenen. In de eerste plaats, omdat ik u niet verder in verdenking wil brengen. En in de tweede plaats, omdat, als er orders zijn gegeven, dat niemand de poorten mag uitgaan, dit zeer waarschijnlijk ter oore zal komen van een jonge dame, die belang stelt in majoor Guido Amati de Medina, officier van Romero’s voetvolk, uit zijn garnizoen afwezig zonder verlof. Zij weet, dat ik hier in Het Geschilderde Huis ben afgestapt. Hier zal zij mij dus laten zoeken, als zij mij een boodschap wil zenden. Maar blijf hier niet bij mij zitten, Oliver. Als men mij kwam arresteeren, terwijl gij bij mij waart, zoudt gij zelf in verdenking komen,—ga aan een andere tafel zitten!”

“Ik wil u niet verlaten, daar ik u misschien kan helpen,” zegt de edelmoedige schilder. En hij mompelt plotseling: “Bij den hemel, misschien is het nu gekomen!”

En zoo is het, ofschoon niet, zooals Antony vreest, want de kleine vaandrig De Busaco komt parmantig de deur binnen, werpt een onderzoekenden blik door de kamer en stapt op den Engelschman toe.

“Ik zoek u,” zegt hij, terwijl Guy’s hand naar den dolk in zijn wambuis tast. “Ik zoek u, om een van de staats-barges de rivier af naar Sandvliet te brengen.”

“Zoo!”

“Ja, de provoost-geweldige wilde mij geen verlof geven, om vannacht in Antwerpen te blijven en ik ben toen weer naar de Citadel gegaan, om het te vragen. Daar gekomen, kreeg ik bevel, bij Dona de Alva te komen. Zij zeide mij, dat kapitein Amati, die haar barge gisternacht zoo gelukkig de rivier had opgebracht, juist de man was, om het vaartuig hedennacht de rivier ook weer af te brengen. Het is belast met een boodschap van de jonge dame. Zij droeg mij op, u dit briefje te geven, en u door de Citadel te geleiden naar de plaats, waar gij gisteravond zijt geland, alwaar de roeiers en een nieuwe bemanning u wachten,—ik geloof, dat de Watergeuzen de andere gedood hebben.”

Dit zeggende, reikt hij den Engelschman een verzegelden brief over van de hand van haar, die hem zoo dierbaar is.

Alva’s zegel verbrekend, leest Guy haastig:

“Mijn liefste Guido!

“Ik kan u niet anders noemen. Het is misschien wel wat spoedig, maar gij ziet daaruit, hoe ik over u denk.

“Ik heb eerst daareven gehoord, dat de poorten voor iedereen, die de stad wil verlaten, gesloten zijn, daar een gerucht, dat de een of andere zeeroover of vogelvrijverklaarde zich binnen de muren van Antwerpen moet bevinden, het hoofdkwartier heeft bereikt; wetende hoe noodzakelijk het is voor een officier, die uit Middelburg afwezig is zonder verlof, om de stad te verlaten, zend ik mijn boot naar mijn landhuis te Sandvliet, om eenige benoodigdheden te halen, die ik gisteravond bij mijn overhaast vertrek vergat. Wilt gij nu zoo vriendelijk zijn, om de boot even veilig de Schelde af te sturen als gij haar gisteravond de Schelde hebt opgestuurd?

“Vaandrig De Busaco zal u door de Citadel geleiden.

“God biddend” dat Hij over u moge waken en u tot mij terug moge brengen met evenveel liefde in uw hart als ik in het mijne voor u heb, ben ik, zooals ik altijd zal zijn,

uw Hermoine.”

“Gij schijnt u te verblijden over het bevel, om nu nog zoo laat in den avond een watertochtje te gaan maken?” lacht De Busaco.

“Ik ben altijd tot de orders van Dona de Alva,” antwoordt Guy. “Kom!”

“Haast u dan,” antwoordt de kleine vaandrig. “Ik heb verlof gekregen. Hoe vlugger wij nu vertrekken, hoe eerder ik vrij ben.”

Guy betaalt dus haastig zijn gelag en de drie mannen verlaten Het Geschilderde Huis, en de Bagijnenstraat doorgaande, komen zij op de Esplanade, waar Oliver op zachten toon en met een hartelijken handdruk zegt: “Vaarwel.”

“God zegene u!” antwoordt Guy.

En ofschoon zij geen woord meer wisselen, zegt hun vriendschappelijke handdruk genoeg.

Eenige minuten later zijn Chester en De Busaco in de Citadel, waar Guy, terwijl hij over de ophaalbrug en door de groote poort gaat, verneemt, dat het wachtwoord voor hedenavond veranderd is en nu luidt: “San Sebastian,” contrasigne: “Corpus Christi.”

De enceinte overstekend, komen zij weer vlak langs het standbeeld van Alva, en De Busaco maakt bij zijn neus langs de opmerking: “Zij hebben zijn arm vandaag opgetrokken. Alles is nu klaar, om hem de volgende week te onthullen. Caramba! dat beteekent de last van een groote parade. En nog geen soldij! Op een goeden dag gaan wij de achterstallige soldij uit dit holle voetstuk opgraven. Alva is slim, maar zijn troepen zijn ook niet van gisteren!”

Het groote vestingwerk doorgaande, komen zij bij de kleine uitvalpoort aan de gracht, waar Guy den vorigen nacht landde. Hier worden zij niet bemoeilijkt. Dezelfde barge, welke de Engelschman de rivier op heeft gebracht, wacht hem; de roeiers bevinden zich reeds op hun plaats alsmede de nieuwe bemanning, aan welke De Busaco hem voorstelt als den officier, die het bevel over de barge op zich zal nemen; daarna gaat de vaandrig heen met een haastig: “Adio, senor!” want het is reeds over den tijd, waarop zekere jonge dame in de stad hem wacht.

Juist als de barge van wal wil steken, want Guy vindt het geraden, zoo min mogelijk te dralen, komt een meisje, een van de Moorsche kameniers van den vorigen avond, de kleine ophaalbrug op, uitroepend: “Wacht!—een oogenblik—wacht!”

Daarna fluistert zij tot Guy, die overeind staat in de barge, terwijl zij hem een zwaren leeren gordel overreikt: “Bind dezen om uw middel, senor capitan, mijn meesteres beval mij u te zeggen, dat gij er nu goed op moest passen. Gij liet hem gisteravond zoo achteloos in de barge liggen.”

“O,—dat is waar ook,” zegt de Engelschman, wien het liegen niet moeilijk meer valt. “Ik heb er al naar gezocht. Ik wist niet, waar ik hem had gelaten,” en hem om zijn middel bindend, peinst hij er over, wat er toch wel in kan zitten.

“Duivels, het is geen reddingstoestel,” denkt hij. “Het zou mij doen zinken als een baksteen.”

Maar om ’t even, wat het ook moge zijn, hij is er door in de wolken, want het komt van Hermoine de Alva.

Hij heeft echter niet veel tijd, om zich daar verder mee bezig te houden, hij had den roeiers reeds gelast, hun riemen uit te slaan, en de barge is nu van wal gestoken en glijdt voort door de gracht, die de groote bastions der Spanjaarden omringt.

Vijf minuten later zijn zij in de open rivier, en ofschoon zij het tij tegen hebben, zijn zij toch op weg naar Sandvliet en gaat hij de veiligheid tegemoet. Zij passeeren ongemoeid aan de overzijde de stad, hoewel Guy de lichten van verschillende wacht- en patrouille-booten kan zien tusschen de schepen langs den oever.

“Doet uw best, jongens,” roept de Engelschman opgewekt; “ik geef u een vat wijn, als wij te Sandvliet zijn.”

Aldus aangevuurd, buigen de roeiers zich over hun riemen heen, terwijl de bootsmansmaat van de barge heel vriendschappelijk met Chester babbelt, hem vertellend, dat de plaats, waar zij heengaan, een prachtig zomerkasteel van Alva is, dat somtijds door dezen zelf wordt gebruikt, maar het meest door zijn dochter, om er te genieten van de frissche zeewinden, die gedurende de heete zomermaanden over de Schelde waaien.

“Wij zijn er dit jaar heel vroeg heengegaan,” zegt hij, “het weer was zoo mooi. Gelukkig was ik gisteravond in Antwerpen, anders zou ik nu ook dood zijn, evenals die arme Antonio en de anderen,—vermoord door de bloeddorstige Watergeuzen.”

Het gesprek met dezen man doet den tijd omsnellen en daar zij den wind in hun voordeel hebben, zijn zij binnen drie uur bij Fort Lillo.

De vier patrouillebooten zijn hier op haar qui vive en een er van houdt de barge aan. Als de Costa Guarda zich langszij bevindt, ziet de commandant, dat het een staats-barge van Alva is; hij ontvangt van Guy het nieuwe wachtwoord, dat klaarblijkelijk reeds naar Fort Lillo gezonden was, en zegt, terwijl hij Guy een goede reis wenscht: “Wees voorzichtig. Er is bericht gekomen, dat de ‘Eerste der Engelschen’ hier ergens kruist. Twee galjoenen, de Santa Cruz en de Heilige Drieëenheid, gaan morgen uit om te zien, of zij dien zeeroover gevangen kunnen nemen.”

“Dank voor de inlichtingen,” antwoordt Guy, terwijl de boot opnieuw voortsnelt.

Bij den laatsten dijk, dien de vloed beneden Fort Lillo heeft gespaard, ziet Guy drie lantaarns op een lijn geplaatst en weet dus, dat zijn sloep hem daar wacht. Hij zegt eensklaps: “Gij hebt nu het ergste van den tocht achter den rug en zijt nog slechts een mijl van het landhuis verwijderd. Hoe heet het?”

“Bella Vista,” antwoordt de bootsmansmaat.

“Goed, breng de barge dan naar Bella Vista en kwijt u van de boodschap, die u is opgedragen. Hier zijn twee goudstukken voor den wijn, dien ik u en de bemanning beloofd heb. Zet mij hier aan land. Daar wacht mij een sloep. Ik ga eenden schieten op de overstroomde landen; als mijn jongens flink doorroeien, ben ik daar met het aanbreken van den dag. Ik heb haakbussen en een boog in mijn sloep.”

De mannen zijn overgelukkig met het geld en zetten Guy vlug aan den dijk af, waarna zij hun weg vervolgen.

Een paar minuten later begint Guy in de richting van de drie lantaarns te wenken.

Als hij dit een poosje heeft gedaan, hoort men het geplas van riemen en komt een sloep zeer behoedzaam door de duisternis nader, waarschijnlijk een hinderlaag vreezend.

“Ahoy!” roept Guy.

En nu hoort hij Martin Corker roepen: “Vooruit, jongens! Dat is de stem van den commandant,” en met drie of vier krachtige slagen is de boot aan den dijk.

Een oogenblik later vliegt zij, door gespierde Engelsche armen voortgeroeid, terug naar de Dover Lass. Men kan echter van het kleine schip niets bespeuren, daar het geen lichten uit heeft; maar als de sloep licht-signalen geeft, wordt er een lantaarn op het schip geheschen, om de plaats aan te duiden, waar het zich bevindt.

Aan dek doet Chester’s eerste officier hem rapport:

“Ik ben blij, dat gij terug zijt,” zegt Dalton. “Wij zouden waarschijnlijk morgen zijn aangevallen. Er is een patrouilleboot de rivier afgekomen, zeker om te zien of zij ons konden vinden.”

“Wij zullen morgen niet aangevallen worden,” lacht Guy, en door de spreektrompet geeft hij order, het anker in te halen en de zeilen te hijschen.

“Gij wilt dus niet met de Spanjaarden vechten?”

“Neen, ik wil mijn biezen pakken en direct oversteken naar Engeland. Ik heb mijn koningin zulk een gewichtige tijding te brengen, dat ik verraad tegen haar zou plegen, als ik er ook maar een oogenblik mee talmde.”

En de Dover Lass, een vlug schip met een talrijke bemanning, is nu spoedig onder zeil en snelt de Schelde af naar de open zee.

Guy Stanhope Chester heeft zich naar zijn hut begeven, waar hij bezig is, wat hij op zijn vreemd uitstapje naar Antwerpen heeft buitgemaakt, achter slot en grendel te bergen.

Zijn schat bestaat uit een pakje brieven in cijferschrift, die betrekking hebben op den beraamden aanslag tegen Elizabeth van Engeland, en den sleutel, met behulp waarvan men ze kan lezen; een ring met een robijn, die voor hem het tastbaar bewijs is, dat hij de liefde van de dochter van den Onderkoning heeft gewonnen, en twee briefjes van haar hand.

“Drommels, ik heb mij goed gehouden,” denkt Guy. Dan bekijkt hij het miniatuur-portret, dat hij drie jaren bij zich heeft gedragen, en mompelt: “Merkwaardig, dat ik haar eindelijk moest vinden en haar hart winnen. Wie durft nog zeggen, dat de romances zijn gestorven met de troubadours? Drommels, ik kom mij zelf voor als een troubadour. Tra-la-la!”—en met den lichten tred van een troubadour op en neer loopend, roept hij plotseling uit: “Wel, sapperloot, ik heb nog meer,” want de zware gordel om zijn middel herinnert hem aan het laatste, wat Dona de Alva hem zond.

Als hij hem van nabij beschouwt, bespeurt hij, dat het een zeer sterke leeren gordel is en zoodanig gemaakt, dat men hem secuur kan omgespen.

En als hij hem geopend heeft, laat hij een half onderdrukt “bah!” hooren, want de gordel is vol goudstukken, doch een oogenblik later grijpt hij naar een klein pakje, dat er met de muntstukken uit is gerold. Daarop barst hij eensklaps in lachen uit: “Wat zie ik?! Haar portret! Zij wist natuurlijk niet, dat ik er al een van haar had,” want een ander miniatuur-portret van zijn schoone Castiliaansche beminde vertoont zich aan zijn verraste oogen. Een briefje is bij het portret ingesloten.

Het luidt aldus:

“Mijn liefste!

“Ik neem de vrijheid u mijn beeltenis te zenden, opdat zij beter in uw herinnering moge blijven. Het is u niet vergund, het levende beeld met u te voeren. God weet, hoezeer ik wensch, dat het zoo ware. Maar als majoor Guido Amati de Medina eenmaal generaal wordt, zal ik maken, dat het origineel hem toebehoort—o God! wat een geluk!

“Ik heb de vrijheid genomen, hierbij een honderd goudstukken in te sluiten. De officieren van het Middelburgsch garnizoen hebben reeds over het jaar geen soldij ontvangen, en ik zou gaarne zien, dat een edelman, die eens de dochter van Alva zal huwen, leeft overeenkomstig zijn stand. Als gij aarzelt, dit van mij aan te nemen, zal ik denken, dat gij mij niet zoo liefhebt, als ik het u doe. Het is slechts een klein voorschot op den bruidsschat van uw toekomstige echtgenoote,

Hermoine de Alva.”

“Mijn echtgenoote zal zij worden,” roept Guy uit. En in den wilden hartstocht, die jonge harten soms aangrijpt, zet hij de beide fraaie portretten vóór zich en roept triomfantelijk uit: “Ziedaar mijn oude liefde, de onvindbare, die ik toch gevonden heb! Ziedaar mijn nieuwe beminde, de onbereikbare, maar tot wie ik mij, bij den hemel, toch zal opheffen, om haar tot mijn vrouw te maken, al is zij ook de dochter van Alva, mijn doodvijand!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings