← Table of contents
Een strijd om de schatten van Alva

HET GEVAAR WORDT DREIGEND.

Reading edition

“Bravo!” roept de Vlaming uit, “bravo! Maar eerst moet zij u ook liefhebben.”

“O, ik ben er zeker van, dat zij mij al liefheeft,” roept Chester uit, den robijn in den ring aan zijn vinger beschouwende, welks rood licht voor hem niet een teeken van gevaar schijnt te zijn, maar de rosse gloed van de fakkel van Hymen.

“Nu, ik ben blij, dat gij zoo vol vertrouwen zijt.... Ik wenschte, dat ik ook zoo was,” zucht de schilder en vervolgt dan, zich vermannend: “Doch nu ter zake! Gij kunt uw tijd niet verbeuzelen met hofmakerij. Koningin Elizabeth moet verwittigd worden van het complot tegen haar leven en gewaarschuwd voor Ridolfi, den Italiaanschen bankier in Londen.”

“O, wij zullen wel goed op hem passen,” zegt Guy op dreigenden toon. “Ik moet van avond nog weer aan boord van mijn schip zijn, om onder zeil te gaan naar Engeland, en daarvoor moet ik het wachtwoord van hedenavond hebben, opdat ik na zonsondergang de stad kan verlaten.”

“Waarom vertrekt gij niet terstond?”

“Omdat,” antwoordt de Engelschman, “gij mij de overzetting van die brieven nog niet hebt gegeven. Daarmee zal nog wel eenige tijd gemoeid zijn.”

“Volstrekt niet.”

“Waarom niet?”

“Omdat ik niet van plan ben, ze voor u over te zetten; ik zal u eenvoudig den sleutel van het cijferschrift geven, dan kan dit in Engeland gebeuren, en alle andere dergelijke brieven, die u in handen mochten vallen, kunnen dan mede ontcijferd worden door Koningin Elizabeth en haar ministers. Het zal u menig gevaarlijk bezoek aan de Nederlanden besparen.” Dit zeggende, gaat de schilder zitten en schrijft in enkele minuten de verklaring van het cijferschrift op.

Daarna vervolgt hij: “Berg dat goed weg bij de brieven,” en geeft den sleutel aan Guy; glimlachend zegt hij op halfluiden toon: “Mij dunkt, dat gij u nu wel zult haasten om te vertrekken, met dien prijs op uw hoofd.”

“Ik ga niet vóór van avond,” antwoordt Chester, bijna gemelijk. “Het tij is van avond nog gunstiger voor mijn schip—het zal mij dus niet veel ophouden. Buitendien—” hier valt zijn oog op het spottend gezicht van den schilder, en hij valt zichzelf in de rede: “Maar, voor den drommel, man! gij denkt toch niet, dat ik Antwerpen zal verlaten, zonder haar nog eens gezien te hebben?” Hij wuift met de hand de goddelijke schoone op het doek toe, die, verlicht door de morgenzon, hem niet alleen met hemelsche, doch ook—zoo denkt tenminste deze vermetele jonge man—met aardsche liefde aanziet.

“Zoo! zijt gij van plan papa om de hand van de jonge dame te vragen?” spot de schilder.

“Nog niet, ofschoon ik een introductiebrief voor hem heb,” merkt Guy op, door den spot van den schilder geprikkeld, om den brief te laten zien, dien Dona Hermoine hem den vorigen avond heeft gegeven, en die geadresseerd is aan Alva, onderkoning van Spanje.

“En gij hebt hem nog niet geopend?” vraagt Oliver, den brief van alle kanten bekijkend.

“Zeker niet; hij is verzegeld.”

“Maar, mijn jongen,” herneemt de schilder, “gij zet te veel op het spel, om zoo angstvallig te zijn. Gij moet weten, hoe gij met de dame staat, eer gij haar weer ontmoet.” En hij doet Guy schrikken, als hij er bijvoegt:

“Gij hebt machtige medeminnaars: generaal Noircarmes staat zeer hoog in de gunst bij haar vader, wiens volle vertrouwen hij geniet.”

“Een medeminnaar?” stamelt Guy.

“Een medeminnaar?! Een groot aantal medeminnaars! Denkt gij zoo gering van uw schoone beminde, dat zij vóór u geen anderen man zou bekoord hebben? Iedereen buigt voor de schoonheid en den geest van gravin Hermoine de Alva—generaals en edellieden.” Daarna vervolgt hij op bevelenden toon: “Gij moet dezen brief openen. Het spel, dat gij speelt, noodzaakt u, gebruik te maken van elke kaart. Het is waarschijnlijk geen vertrouwelijke mededeeling, hij moet uitsluitend op u betrekking hebben, daar zij u opdroeg, hem zelf te overhandigen.”

Terwijl hij spreekt, en eer Guy het hem kan beletten, heeft Oliver vlug een kaars ontstoken en met de linkerhand den brief er boven gehouden, als iemand, die gewoon is aan zulke bezigheden, waarop hij hem, met ongeschonden zegel, geopend aan den Engelschman overreikt.

“Gij moet hem lezen,” zegt hij. “Uw leven zoudt gij kunnen inboeten door u te laten leiden door een overdreven eergevoel. Lees hem! Den een of anderen dag kunnen de omstandigheden u dwingen, hem aan Al va te geven. In uw positie behoort gij te weten, wat hij behelst. Lees hem, of ik heb verder geen gemeenschap meer met u.”

“Waarom niet?” vraagt Guy, die, ofschoon hij brandt van begeerte om het handschrift van zijn geliefde te zien, nog standvastig blijft.

“Omdat,” zegt de schilder plechtig, “wij een spel spelen, waarbij ons beider leven de inzet is; en ik trek van elke kans partij. Gij moet hetzelfde doen, want mijn zaak is de uwe. Als ik omgang met u heb, als men mij in uw gezelschap ziet, en gij wordt gevangengenomen, val ik misschien met u. Buitendien zijn wij beiden aan ons vaderland verplicht, gebruik te maken van elk wapen, dat God in onze handen geeft. Lees!”

Terwijl hij dit zegt, heeft hij het geparfumeerd biljet, dat alleen door het zegel gesloten was, losgevouwen en hij houdt het voor de oogen van den Engelschman, die naar den zevenden hemel wordt opgevoerd, als hij het korte, doch kernachtige briefje leest, geschreven in het schoonste vrouwelijke handschrift:

“Lieve papa!

“Wees zoo goed en bevorder brenger dezes, kapitein Guido van Romero’s voetvolk, die mij redde uit de handen der Watergeuzen (en die te nederig is, om mij een anderen naam op te geven), zoo spoedig mogelijk tot kolonel en stel hem dan in de gelegenheid, om weldra generaal te worden; doe het ter wille van uw liefhebbende

Hermoine.”

Verrukking en trots vervullen den Engelschman te zeer, om den brief niet aan zijn vriend en mentor te toonen.

“Bij Saint Denis!” roept Oliver uit, het briefje inziende, “ik geloof, dat zij u bemint. Als gij haar hart hebt getroffen, zijt gij de eerste, en zij heeft half Spanje aan haar voeten gehad, naar men mij heeft verteld.” En den jongen man aanziende, voegt hij er mijmerend bij: “Dat hebt gij zeker te danken aan uw blond Germaansch uiterlijk. Als gij een donkere Adonis waart geweest, zou ik geen stuiver voor uw welslagen hebben gegeven. Donkeroogige fatjes in haar omgeving zijn even talrijk als windmolens.”

“En ik zou, met zoo iets in mijn bezit, niet een poging wagen, om haar nog eens te zien, eer ik vertrek?” zegt Guy stoutmoedig, het briefje met de zorg van een minnaar in zijn wambuis stekend.

“Gij zult u althans door mij niet laten weerhouden,” glimlacht de schilder. Daarna vervolgt hij ernstig en plechtig: “Maar laat ik u een goeden raad mogen geven. Deel haar in geen geval uw geheim mede, hoezeer zij u ook bemint, al zweert zij ook, dat zij u meer bemint dan alles ter wereld.”

“Zoudt gij denken, dat zij mij zou verraden?”

“Neen, duizendmaal neen!”

“Meent gij dan, dat het haar liefde voor mij zou doen verkoelen?”

“Niet, als zij u tevoren reeds beminde. Wien Hermoine de Alva eens trouw heeft beloofd, kan zeker van haar zijn.”

“Waarom zou ik dan moeten vreezen, het haar te zeggen?”

“Om deze reden. Zij weet hoeveel haar vader van haar houdt. Zij heeft geen vrees voor den tijger in menschengedaante; zijn klauwen zijn voor haar altijd van fluweel. Uit dit briefje kunt gij zien, dat Dona Hermoine meent, dat haar wenschen wet zijn voor den onderdrukker der Nederlanden. En zoo is het ook, in kleinigheden!—een diamanten halsketen, een dozijn nieuwe kleedjes, zelfs de verwijdering uit haar omgeving van een aanbidder; want als zij ‘neen’ zegt, heeft ieder edelman ook afgedaan bij haar vader. Maar in staatszaken heeft zij haar krachten tegenover hem nooit beproefd. Zij weet niet, dat Alva in staatszaken, in het ten uitvoer leggen van zijn eigen wetten, edicten en afkondigingen, als ijs en ijzer is. Waarvoor ik vrees is, dat gij op zekeren dag zult worden overgehaald, om met haar naar den Onderkoning te gaan en hem uw geschiedenis te vertellen, en dan zal zij haar papa zeggen, dat zij u bemint, in de vaste overtuiging, dat hij u zal sparen en vergeven en groot maken ter wille van haar; maar misleid uzelven in Gods naam nooit omtrent Alva’s barmhartigheid. Als gij dat doet, zijt gij verloren. Haar tranen, haar gebeden zullen u niet redden. Onthoud dat, mijn Guido, die in liefde ontgloeid zijt voor des tijgers welp!”

“Waarom noemt gij haar zoo?” roept Guy toornig uit.

“Ik heb er eigenlijk ook geen recht toe,” antwoordt de schilder weemoedig. “Zij is een en al goedheid en vriendelijkheid voor mij geweest; zij heeft mij veroorloofd, haar schoon gelaat op het doek te brengen, en mij daardoor uitzicht op roem en onsterfelijkheid gegeven.”

“Ah! zij heeft hier voor u geposeerd?”

“Ja, in het bijzijn van haar duena.”

“Dan moet gij mij hedennamiddag hier een onderhoud met haar verschaffen.”

“Dat zou u niets helpen. Zij zou niet komen zonder geleide. Denk niet, dat Hermoine de Alva ook maar de geringste zonde tegen de etiquette zou begaan, ook al aanbidt zij u—iets, waarvan gij zeker schijnt te zijn.”

“Maar gij moet mij in de gelegenheid stellen, haar te spreken. Ik wil twee vliegen in één klap slaan. Zij weet het wachtwoord. Zij zal het mij geven. Zij zal bij mij komen, dat weet ik zeker,” zegt Guy vol vertrouwen. “Gij kunt toegang tot haar verkrijgen als ondersecretaris van Alva. Doe het nog heden. Geef haar dezen ring,” en hij neemt den schoonen robijn van zijn vinger en legt hem in de hand van den schilder.

“Mon Dieu! Gij hebt reeds ringen gewisseld! Ging dat vergezeld van een kus?” lacht Oliver; en als een gloeiende blos Guy’s gelaat overdekt, mompelt hij: “Parbleu! Ik begin het te gelooven. Spreek mij niet meer van Italiaanschen hartstocht! Hij is koud als ijs in vergelijking met den Engelschen.” Als hij geen antwoord ontvangt, vervolgt hij: “Ik kan u vandaag wel een onderhoud verschaffen, doch niet hier. De duena zou u in den weg staan bij een tête-à-tête. Het eenige middel om u in staat te stellen, uw beminde onder vier oogen te spreken, gelukkig jongmensch—of beter, ongelukkig jongmensch—is een samenkomst ten huize van den man, dien ik eens vader hoop te noemen.”

“Den burgemeester Niklaas Bodé Volckers?” roept Guy uit.

“Ja. Onder voorwendsel, dat zij kostbare zijden stoffen wil zien, die licht beschadigd zijn door den vloed, kan Dona Hermoine haar duena in de stad brengen. Bij den koopman kunt gij Dona de Alva afzonderlijk spreken.”

“Maar de duena—de fatale duena?” bromt Guy.

“De duena zal blind en onschadelijk gemaakt worden in de aangrenzende kamer, door haar stoffen te laten bekijken. Als wij het gedaan weten te krijgen, dat Bodé Volckers zijn prijzen zeer laag zet, zal de gravin De Pariza stellig een uur lang koopjes doen. Buitendien zullen zij vandaag toch wel in stad komen, uit nieuwsgierigheid, om nadere bijzonderheden te vernemen omtrent het groote drinkgelag,”—hier wordt de schilder rood van verontwaardiging,—“tusschen den man, die zijn talent en zijn kunst onteert door onmatigheid, en ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’. Gij hebt het aangeplakt gezien op de muren van de herbergen en wijnhuizen, het biljet, dat den naam draagt van den grootsten kunstenaar, dien de Nederlanden hebben voortgebracht, den Raphael van het Noorden, den man, wiens leerling ik was, den man, wiens altaarstuk in de groote kerk van Onze Lieve Vrouwe hem voor altijd beroemd zou hebben gemaakt, als de Beeldstormers het vier jaar geleden niet verbrand hadden, toen zij al de beelden in de kerk omverhaalden en ontelbare meesterstukken vernielden, in blinde woede tegen de Inquisitie. Ik en een andere leerling van Floris redden dien nacht een ander schilderij van hem, een klein doek, ‘de Val der Engelen’; het is niet zijn beste werk; het is eigenlijk beneden zijn talent, maar het is het eenige, dat bewaard zal blijven voor het nageslacht, want nu is hij een leeglooper en een dronkaard geworden,” en Oliver zucht.

“Dat is dus afgesproken,” roept Guy uit, het verontwaardigd relaas van den artist afbrekend, want zijn maag heeft hem er inmiddels aan herinnerd, dat hij nog niet ontbeten heeft. “Nu wij met onze zaken klaar zijn, zult gij mij wel iets te eten willen geven, zoodra Achille terug is met zijn proviand,—misschien wel een weinig duivenpastei, hè?” en hij geeft gekscherend den schilder een ribbestootje, want door Antony’s berichten over Hermoine de Alva is de vermetele jonge man in een vroolijke stemming gebracht.

De opmerking wordt schertsend gemaakt, maar de lach besterft op Guy’s lippen, als hij bespeurt, welk een onverwachte uitwerking zij op den schilder heeft. Bij het woord “duivenpastei” wordt Oliver doodsbleek. Hij keert zich om en zegt op wantrouwenden toon: “Wat weet gij van duivenpastei?”

“Niets anders dan wat ik gisteravond hoorde van den kleinen Marvédie, het zoontje van Touraine, den barbier.”

“Wat zei hij van duivenpastei?” vraagt de schilder, wiens vreemde wijze van doen Guy’s aandacht trekt. “Spreek op, spoedig—ons leven kan er van afhangen!”

“Alleen dit,” zegt de Engelschman, “dat hij zooveel duivenpastei van u kreeg. Hij vroeg mij of ik van duivenpastei hield en later zei hij nog,—ik geloof het tenminste, neen, ik ben er zeker van,—dat hij misschien niet meer zooveel duivenpastei zou krijgen, daar er een man was gekomen, die zooveel duiven had weggenomen.”

“Een man—zooveel duiven weggenomen—van hier!” stamelt Antony. Daarna roept hij plotseling uit: “Dat verklaart mij waarom er geen brieven van Lodewijk van Nassau waren in de til boven,—geen duiven, die ze brachten. Ik vond het al zoo vreemd; het maakte mij reeds beangst. Mijn God! Ik moet het weten.”

Op dat oogenblik wordt er aan de deur geklopt, hij schuift het gordijn weg en opent de deur voor zijn leerling Achille, een Franschen jongen met schitterende oogen, die op ontevreden toon zegt: “Ik kan niets krijgen zonder geld. Onze groote schilder, Frans Floris, is zooveel geld schuldig, dat men geen ander artist meer iets op crediet wil geven.”

“Goed, zet je mand maar neer. Ik zal zien, of ik nog geld heb,” zegt Oliver nadenkend. Dan schijnt hij plotseling een idee te krijgen, want hij roept uit: “Achille, waar is de kleine Marvédie? Breng hem boven en wij zullen eenige duiven laten halen en duivenpastei voor hem maken,” met zichtbare inspanning groote luchthartigheid voorwendend.

“Heerlijk! Marvédie is dol op duivenpastei en ik niet minder,” antwoordt de jongen en vliegt de trappen af.

“Ik moet hem ondervragen,” mompelt de schilder. “Als dit waar is, dan is het zwaard van Damocles op het punt te vallen.”

Een oogenblik later hoort men juichende kinderstemmen op de trap. Achille en zijn broertjes springen de kamer binnen, uitroepend: “Duivenpastei! duivenpastei! Hoezee voor monsieur Oliver’s duivenpastei!”

“Ja zeker, duivenpastei!” roept de schilder, “duivenpastei! Maar wat is er met mijn duiven gebeurd? Hebt gij ze weggenomen, Achille?”

“Neen!”

“Hebt gij er om de til zien vliegen? Ik bedoel niet onder in het hok, maar in de til—vliegende om de til?” De stem van den schilder klinkt heesch—zijn oogen schieten vuur.

“O ja, verscheidene, de twee laatste dagen,” antwoordt de jongen. En als hij de vreemde wijze van doen van zijn meester opmerkt, roept hij angstig uit: “Maar ik heb ze niet weggenomen, ik zweer het u, monsieur Oliver, ik heb er geen uit de til genomen. Geloof mij op mijn woord van eerlijken jongen!”

“Neen, hij heeft ze niet weggenomen,” roept nu de kleine Marvédie; “een groote man met akelige zwarte oogen nam ze mee.”

“Wanneer?”

“Gisteren.”

“Hebt gij hem gezien? Kent gij hem?”

“O, ik herinner mij hem heel goed, omdat hij lachte en recht in zijn schik scheen te zijn, en hij gaf mij twee stuivers om een zak voor hem te halen om ze in te stoppen.”

“Kunt gij mij iets van hem vertellen? Weet gij zijn naam, kleine Marvédie—kleine duivenpastei-Marvédie?” brengt Antony met moeite uit, zijn best doende om grappig te wezen, maar met een gezicht als van een doode.

“Neen, maar hij was leelijk en heeft akelige oogen, oogen als de schelvisch op de markt.”

“Hoeveel duiven nam die man weg? Hebt gij ze geteld, kleine Marvédie—kleine duivenpastei-Marvédie?” en de schilder grijnst afschuwelijk.

“Ja, hij nam er zes, van dezelfde soort, die gij den nek omdraait, als gij duivenpastei voor mij maakt,” zegt de kleine jongen.

“En waar was uw broer?” De stem van den schilder klinkt dof.

“O, ik was uitgegaan om een paar van uw schilderijen te verkoopen,” zegt Achille. “Dat geloof ik tenminste. Zoolang gij weg zijt geweest, heb ik daar telkens moeite voor gedaan, maar ik heb geen enkel verkocht. De tiende penning van den Hertog ruïneert iedereen. Niemand heeft geld te missen, tenminste niet voor schilderijen.”

“Het is goed,” zucht Antony, “hier is een gulden. Ja, haal daarvoor duiven!” Hij lacht droevig. “Wij willen toch duivenpastei hebben.”

De beide jongens loopen weg. Het gezicht van den schilder is zoo wit als krijt en hij stamelt: “Het is er eindelijk toe gekomen. Iemand heeft mijn geheim ontdekt.”

“Welk geheim?” fluistert Guy, de waarheid reeds half vermoedend.

“Dat van de brieven, die ik door middel van postduiven krijg van Lodewijk van Nassau, met wien ik in correspondentie sta voor het welzijn van de Nederlanden. Zij zijn natuurlijk in geheimschrift, zij moeten eerst ontcijferd worden, maar dat is maar een quaestie van tijd—Ik ben een verloren man, ja, nog erger—ik ben een gemartelde! O mijn God! Denk aan de pijnbank, den brandstapel, die mij wachten!” en de Vlaming staat daar met verwilderde oogen, aschgrauw gelaat en blauwe lippen.

“Als wij den man eens konden ontdekken, die uw geheim heeft,” zegt de Engelschman, steeds gereed tot handelen en wel wetende, dat gevaar voor Oliver gelijkstaat met gevaar voor hemzelf.

“Ja, maar hoe? Als Alva komt, zal de man er hem zeker kennis van geven; het loont de moeite, een verrader aan te wijzen onder de schrijvers van den Hertog. Ik—ik was den geheelen morgen reeds niet op mijn gemak. Toen ik—ik hier aankwam, dacht ik de duiven te zullen vinden, met brieven van Lodewijk. Nu weet ik—de reden. Zes! Zes brieven—waarvan elk op zichzelf voldoende is om mij tot den brandstapel te doen veroordeelen!” kreunt de schilder, zijn handen zoodanig wringend, dat zijn nagels er blauw van worden.

“Zes! Zes duiven!” herhaalt Guy. Dan vraagt hij plotseling: “Kent gij een man met donkere, vischachtige oogen, zooals de jongen beschreef, en een zwarten knevel met een enkele grijze vlok er in?”

“Mijn God!” roept de schilder uit, “zeker! Hij, dien gij daar beschrijft, is Vasco de Guerra—mijn vijand! Hij—heeft—heeft de brieven!—Wat bracht u op die gedachte?”

“Alleen dit, dat Vasco de Guerra gisteravond ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, die hier reeds waren aangekomen voor het drinkgelag met Floris, onthaalde op een duivenpastei, gemaakt van zes duiven, die hij, zooals hij verzekerde, had geschoten; maar hij sprak van een zevende, en verklaarde, dat hij voor het hoofd van de zevende zulk een belooning zou ontvangen, dat hij in staat zou zijn, zijn kameraden een groot feest te geven.”

En nu vertelt Guy aan den ontstelden Oliver, wat hij den vorigen nacht zag en hoorde bij het drinkgelag van “de Zes Drinkebroers van Brussel” in Het Geschilderde Huis.

“Ja, dat is bewijs genoeg, en meer dan genoeg, dat hij mijn geheim bezit,—hij, die van alle menschen er het eerst gebruik van zal maken, want deze Vasco de Guerra is mijn vijand. Hij is een ellendige schurk, die zich zóó berucht heeft gemaakt, dat hij uit het Spaansche leger is weggejaagd,—bedenk eens wat dat zegt, in een leger, waar het den soldaten vrijstaat, te rooven, te plunderen, te moorden, te pijnigen en te verwoesten, zonder een woord van berisping te ontvangen van hun officieren. Hoe moet wel een man zijn, die uit zulk een leger wordt weggejaagd? Hij is een dronken fortuinzoeker; hij dingt naar de hand van Mina Bodé Volckers, die mij liefheeft; hij heeft haar kamenier, Wiarda Schwartz, omgekocht.”

“Ah, zoo!” merkt Guy op. “Daarom behandelde zij mij zoo beleefd, toen ik naar u vroeg.”

“Wiarda? Ja, een valsch, ijdel ding. Maar wij moeten overleggen, wij moeten handelen—en dat wel spoedig,” antwoordt de schilder, die zijn kalmte herkregen heeft, nu hij weet, wie zijn verrader is. “Vasco vermoedt zeker, welke waarde deze brieven hebben, want hij loert reeds eenige weken op mij. Hij zal trachten ze zelf te ontcijferen, want hij zal er niemand in kennen, om de belooning niet te verliezen. Hij kan vandaag onmogelijk reeds handelen. Hij heeft ze ongetwijfeld bij zich.”

“In dat geval moeten wij hem terstond uit den weg ruimen,” zegt Guy. “Er blijft ons niets anders over. Wij moeten hem dooden in ons eigen belang. In elk geval moeten wij ons van de brieven zien meester te maken. Stuur om hem, haal hem hier en ik knap dit zaakje met mijn dolk op. Dan kunnen wij hem naar beneden sleepen en in den stroom werpen. Hij drijft dan weg naar den oceaan, en er zal geen haan naar kraaien.”

“Neen,” zegt de schilder, “dat zou ons in verdenking brengen. Misschien kan ik iets beters verzinnen,” en hij spant zijn vindingrijk brein in, zooals nog nooit tevoren. Na eenige seconden roept hij verheugd uit: “Het is zeker, dat Floris bij het drinkgelag wint. Floris zal elk van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’ onder de tafel drinken, bewusteloos, levenloos. In de verwarring kunnen wij den benevelden Vasco naar een andere kamer dragen, oogenschijnlijk om hem bij te brengen, en hem de brieven afnemen, die hij mij heeft ontstolen.”

“Maar als Vasco eens wint?”

“Onmogelijk! Ik heb Floris op één avond meer wijn zien drinken dan eenig ander menschelijk beest op aarde kan verzwelgen.”

“Maar wij moeten toch voorbereid zijn op het geval, dat hij het niet doet,” zegt de Engelschman; vervolgens voegt hij er langzaam bij: “Misschien kan ik u helpen, ik heb hier....” hij haalt uit zijn wambuis een klein glazen fleschje van Venetiaansch fabrikaat, dat beschermd wordt door een omhulsel van fijn gouddraad, en welks stop zorgvuldig verzegeld is; de inhoud is kleurloos en doorschijnend.

“Wat is het? Vergift?” vraagt de schilder. “Het vergift van de Borgia’s?”

“Neen, het vergift van de Antillen. Dit is het sap van den manzanillaboom, toebereid door de Indianen van de Caraïben, volgens een geheim proces. Gij kent de vreemde eigenschappen van den boom; wie maar een enkelen nacht onder zijn takken slaapt, bekoopt het met den dood. Het vergift is zeer vluchtig, daarom houd ik het verzegeld. Ik draag het bij mij, voor het geval dat ik mocht worden gevangengenomen en op de pijnbank gebracht, het zal mij zoo vast doen slapen, dat mijn lippen geen geheimen van mijn koningin zullen kunnen verraden. Als het mocht gebeuren, dat de schilder Vasco de Guerra niet onder de tafel drinkt, dan zullen een paar druppels van dit vocht in zijn beker hem voor altijd doen inslapen.”

“Dus als Frans Floris niet slaagt,—het vergift van de Antillen,” prevelt de schilder. “Het geldt zijn leven of het onze.” Na een oogenblik nadenken vervolgt hij: “Neen, ik moet Vasco de Guerra, mijn vijand, in ieder geval dooden. Als hij enkel bewusteloos werd gemaakt, zelfs al kreeg ik de brieven van Lodewijk van Nassau terug, zou hij mij toch blijven verdenken. Op een goeden dag zou hij een ander bewijs tegen mij in handen krijgen. Als ik hem nu niet dood, zou ik terstond moeten vluchten, en Willem de Zwijger zou geen spion meer in Alva’s nabijheid hebben. Voor het welzijn van mijn land blijf ik hier. Vasco de Guerra moet sterven. Het gevaar wordt te dreigend.”

“Dat is flink gesproken,” antwoordt Guy kortaf. “Doe een weinig van dit in den wijn van den Spaanschen spion.”

Hij drukt den schilder het fleschje met het vergift in de hand, doch kijkt hem eensklaps vreemd aan en zegt angstig: “Maar, bij alle heiligen, hoe zult gij het aanleggen, om hiervan iets in zijn beker te doen, en niet in de bekers van de anderen?”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings