← Table of contents
Een strijd om de schatten van Alva

“DE HERTOG VAN ALVA!”

Reading edition

Onbekend met Dona de Alva’s plannen voor zijn welzijn, gaat haar verloofde als een voorzichtig man voort, om het kleine fortuin te verzamelen, waarmee hij zijn huishouden denkt te beginnen en hij blijft den geheelen volgenden dag op zijn schip, om de zakken met goud in ontvangst te nemen, die eenige uren te voren toebehoorden aan zijn toekomstigen schoonvader en nu in zijn bezit zijn.

Zij worden aan boord gebracht, veilig verborgen in de bedden van de matrozen, en als zij niet zoo zwaar waren geweest, zou men nooit hebben kunnen vermoeden, dat het geen gewone bedden waren. Zij worden alle aan boord gebracht door Chester’s eigen matrozen, en hoe zwaarder de zak is, des te meer in zijn nopjes is de zeeman, die hem draagt. Het is dan ook slechts door strenge bevelen en door de bedreiging, den eerste den beste te zullen dooden, die zijn vreugd laat blijken, dat Chester de uitgelatenheid van zijn pikbroeken, waardoor de opmerkzaamheid van de andere schepen op hen gevestigd zou kunnen worden, intoomt.

Corker zelf brengt de eerste lading naar beneden.

“Bodé Volckers is een zeeroover van beroep,” fluistert de zeeman als hij Chester verslag geeft. “Hij zou vechten voor het goud, totdat hij geen droppel bloed meer in de aderen had. Hij heeft moeder Sebastian al tweemaal Jamaica gegeven, en de duivel mag haar met rust laten, als zij niet aan de rum sterft, eer wij den laatsten zak uit het huis hebben. Bodé heeft touwen meegebracht om haar te binden, als het moet; dat zij niet kan janken is voor ons van groot voordeel. Geen prop noodig, men knoopt haar eenvoudig even aan den beddestijl op en zij is onschadelijk gemaakt.”

Den geheelen dag komt het goud geregeld aan boord en tegen den avond, want de mannen werken hard, telt Chester, dat hij onder den vloer van de hut van de Esperanza honderd negen en zeventig zakken met goud heeft, verzegeld met Alva’s wapen; en als hij ze schat op twintig duizend kronen elk, heeft hij drie millioen, vijfhonderd en tachtig duizend kronen in zijn bezit. Dit stemt volmaakt overeen met de opgave van Corker.

En nu laat hij de matrozen onder toezicht van Niklaas, om het zilver en de kist met onbekende preciosa uit de schatkamer te halen, en draagt Martin Corker de bewaking op van het schip met zijn kostbare vracht, terwijl hijzelf een boot neemt en de Schelde afzakt naar Sandvliet, brandend van verlangen om zijn beminde te zien.

In dit opzicht doet Dona Hermoine niet voor hem onder. Zij staat reeds op den uitkijk naar de boot en snelt hem verheugd tot aan de landingsplaats te gemoet, opgewonden uitroepend: “Goed nieuws! Goed nieuws!”

“Welk nieuws?” vraagt Chester angstig—daar bijna elk nieuws nu voor hem gelijkstaat met slecht nieuws.

“Papa komt—hij zal spoedig hier zijn. Dan kunt gij het hem vragen.”

“Wanneer zal de Hertog hier zijn?”

“Binnen drie of vier dagen, volgens zijn brief.”

“A—ah!” laat Guy hooren met een diepe zucht van verlichting, want den volgenden avond moet het op de een of andere manier tot een beslissing zijn gekomen tusschen hem en zijn meisje, dat schoone wezentje, dat aan zijn arm hangt, terwijl hij het pad naar het huis opwandelt; haar kleine voeten maken twee stappen tegen de zijne een.

Het staat bij hem vast, dat de volgende avond moet beslissen, of zij zijn vrouw zal worden en hem gelukkig zal maken voor zijn geheele leven, of dat hij haar dan voor het laatst zal zien. De gedachte hieraan maakt dat hij teederder dan ooit voor haar is, hij weet toch, dat, al zijn de omstandigheden hem ook ongunstig, zij hem toch liefheeft.

Daarna een tête-à-tête in het vooruitstekende venster aan de Schelde en zij zitten gezellig te babbelen, totdat hij haar zegt, dat hij vandaag geen tijd heeft, om lang te blijven.

“Waarom?” pruilt zij.

“Omdat ik schikkingen tref aangaande mijn vermogen, om daarmee behoorlijk voor den dag te kunnen komen bij uw vader.”

“O ja, dat heb ik al vroeger gehoord! De hertog van Alva is jegens mij altijd heel goed en toegevend geweest, en hij zal ook nu mijn verzoek niet weigeren. Ik heb hem over u hooren spreken, mijn Guido, als den dappersten man van het Spaansche leger; dat zegt veel, daar er zoovele dapperen zijn. Die beroemde tocht, dien gij hebt gemaakt, heeft u bij hem evenzeer in de gunst gebracht als bij mij.”

De lof van den doode, in wiens schoenen hij staat, belet Guy een bekentenis te doen, die hij in de beide laatste dagen telkens op de lippen heeft gehad: “God helpe mij, als zij slechts mijn naam liefheeft en niet mij!” denkt hij telkens huiverend bij zichzelven.

Hij zou misschien later op den avond alles aan Hermoine hebben verteld, want hij begrijpt, dat zij er nu recht op heeft, de waarheid te vernemen, maar er komt iets tusschenbeide, dat hun van weinig beteekenis toeschijnt, doch grooter invloed op hun leven heeft, dan zij vermoeden.

Guy heeft lachend geïnformeerd naar de gravin De Pariza.

“Sedert gisteravond heeft zij geen woord tegen mij gezegd. Zij blijft in haar eigen vertrekken,” antwoordt de jonge dame. “Die vrouw zou mij verraden, als zij durfde, en na hetgeen gisteren is voorgevallen, beklaag ik haar Moorsche slavinnen. Gij weet, dat toen Papa mij Zora schonk, hij Alida ten geschenke gaf aan de gravin De Pariza. Ik hield echter meer van Alida, en om haar te bevrijden uit de handen van haar tyran, want dat is mijn duena—gij behoeft mij met uw kussen niet telkens in de rede te vallen, Guido mio—ben ik er in geslaagd, Zora tegen Alida te ruilen en nu is Alida bij mij in dienst en Zora bij de Gravin. Het was een overeenkomst, doch geen schriftelijke. Maar vanmorgen eischte zij Alida terug. Zou het zijn om haar wraak te koelen op het arme meisje?” vervolgt zij levendig. “Als dat zoo is, als zij haar durft slaan, laat zij zich dan in acht nemen voor Hermoine de Alva.”

Terwijl zij spreekt, springt zij, zich losrukkend uit Guy’s armen, op en fluistert: “Wat is dat? Luister! Mijn hemel, het is Alida!”

Want men hoort nu duidelijk een verwijderd gekerm. “Het is Alida! Die laffe vrouw heeft haar geslagen!” roept zij uit.

En snel als de wind, met vlammende oogen en een uitdrukking van wraak op haar gelaat, vliegt Hermoine de Alva de kamer uit, terwijl Guy haar volgt, doch haar nauwelijks kan bijhouden. Aan het eind van een gang duwt het meisje haastig een deur open en aan hun oogen vertoont zich een zonderling schouwspel.

Het is de kamer van de duena; in het midden staat de gravin De Pariza met opgeheven zweep en voor haar op den grond hurkt Alida, de Moorsche slavin. Doch de zweep daalt niet neer. Met den sprong van een jonge tijgerin rukt Hermoine haar uit de hand van de onthutste gravin.

“Hoe durft gij mijn kamer binnentreden?” schreeuwt deze.

“Hoe durft gij iemand slaan, die mij toebehoort?”

“Pardon, Dona de Alva,” zegt de gravin op snijdenden toon. “Het meisje is een geschenk van uw vader aan mij. Geef mij mijn zweep, opdat ik haar een bestraffing kan toedienen.”

“Nooit! Alida behoort mij toe, gij hebt haar aan mij overgedaan; zij is van mij, ik houd van haar en zij staat onder mijn bescherming, zij is mijn Alida. Wreed schepsel! Gij hebt uw zweep terugverlangd? Gij zult ze hebben!” En als een wrekende godin gaat zij op de sidderende duena af, die, hevig ontsteld, begint te gillen.

Maar Guy houdt den blanken opgeheven arm tegen.

“Ik doe het, als zij het waagt haar aan te raken!” zegt Hermoine op woesten toon tot Guy; en daarna vriendelijker tegen Alida: “Ga naar mijn kamer en blijf daar; daar zijt gij veilig,” en weer in den vorigen toon vervallend: “Laat zij het hart hebben u weer aan te raken en ik eerbiedig haar grijze haren zelfs niet!”

“Groote God, mijn pruik!” krijscht La Pariza en zij laten haar staan, heur dunne haren uitrukkend. De Gravin, zonder valsch haar en andere kunstmiddelen om de sporen van verval te verbergen, vertoont een leelijk, ja zelfs een terugstootend beeld, want op haar gelaat is, behalve de verwoesting van den tijd, nu ook nog een uitdrukking van duivelschen haat te lezen.

Terwijl Guy zijn meisje wegvoert fluistert hij: “Hebt gij opgemerkt, hoe zij u aanzag? Zij is nu levenslang uw vijandin.”

“Daar geef ik niets om!” lacht Dona de Alva fier. En zij vervolgt zacht: “Ik ben blij, dat gij mij belet hebt, tot haar laag peil af te dalen. Had ik haar aangeraakt, ik zou mij over mijzelve geschaamd hebben. Als ik de uwe ben door den zegen van de Moederkerk, gebruik dan als echtgenoot al uw lankmoedigheid om mijn vrouwelijke zwakheden te verdragen.”

Guy voelt zich door die woorden beschaamd, want hij is, als hij in twist geraakt met zijn gelijken, dikwijls wreed en bloeddorstig en te midden van zijn matrozen grijpt hij al heel spoedig naar het eindje touw, als de discipline van het schip zulks vereischt.

Hij aarzelt nu weer opnieuw om Hermoine te zeggen, dat hij een ander is, dan de Guido Amati, voor wien zij hem houdt en dien zij bemint. Maar aan den anderen kant zou hij haar voor niets ter wereld willen verliezen en hij wil zelfs het gevaar loopen, haar verwijten te moeten hooren en haar toorn op zich te laden, als zij maar de zijne wordt door den zegen van de kerk, voor de menschen en voor God.

Om dit mogelijk te maken, moet hij nog veel toebereidselen treffen. En afscheid van haar nemend, zegt hij: “Morgenavond precies om negen uur. Onthoud het, ik ben van plan een klein waterfeest voor u te arrangeeren. De maan is er dan nog niet, maar zij zal opgaan eer wij terugkomen. Wilt gij morgenavond een zeiltochtje met mij op het water maken, mijn lieveling?”

“Ja, en zelfs vanavond wel, als gij het mij hadt gevraagd,” lacht het meisje. Daarna zegt zij peinzend: “Was Papa maar hier, dan konden wij hem meenemen.”

“Ik—ik smeek den hemel van niet,” antwoordt haar beminde ontsteld.

“O, vrees niets, ik ben almachtig tegenover den hertog van Alva!”

Met een laatste kushand, snelt Dona Hermoine, vervuld van dit denkbeeld, naar huis terug.

Dit vertrouwen in haar macht over Philips’ onderkoning, brengt onverwachts een verandering in dien droom van jonge liefde.

Den volgenden dag reeds in den namiddag galoppeert de hertog van Alva met rinkelende sporen en overdekt met het stof van de reis, begeleid door dertig ruiters, voor Hermoine’s landhuis, om daar door zijn dochter met vreugde verwelkomd te worden.

Het meisje snelt hem verheugd te gemoet, uitroepend: “Ik dacht niet, dat gij zoo spoedig hier zoudt zijn; uw brief sprak eerst van over vier dagen, hertog van Alva!” En zij maakt een dienaresse voor hem, maar hij springt van zijn strijdros, terwijl zijn slangenoogen schitteren als hij de eenige vreugde van zijn ouderdom ziet, en zijn mooi kind aan zijn hart drukkend, fluistert hij: “Dus, mijn Hermoine, zijt gij teleurgesteld?”

“Teleurgesteld dat gij zijt gekomen? Integendeel—verrukt!”

“Gij moet weten,” merkt de Hertog op, nadat hij met haar het huis is binnengetreden, “dat ik, nadat ik u had geschreven, een koerier van Antwerpen ontving, die mij een tijding bracht van D’Avila, den commandant, waardoor het noodzakelijk werd, dat ik voor een paar dagen terugkeer naar de Citadel.”

Dit is de waarheid; want onder een lang rapport over militaire aangelegenheden, over versterkingen, wapenen en oorlogsammunitie en verschillende bijzonderheden aangaande de garnizoenen van Brabant en Vlaanderen, heeft Sancho d’Avila bij wijze van postscriptum geschreven: “Wat ik nog zeggen wilde, het zal Uwe Hoogheid niet onverschillig zijn te vernemen, dat uw oude veteraan, de eerwaardige Roderigo, vier dagen geleden stierf.”

Juist dit oogenschijnlijk zoo onbeduidend postscriptum heeft den hertog van Alva zoo plotseling herwaarts gebracht van Nijmegen, waar hij bezig was te zorgen dat de belegeraars rondom Haarlem van ammunitie werden voorzien. Binnen een uur na de ontvangst bestelde Alva, met eenige half ingehouden verwenschingen, zijn paard en verliet de stad aan de Waal met zijn lijfgarde, van paarden verwisselend te ’s-Hertogen-bosch, Breda en Bergen-op-Zoom en zoo snel als hij kon langs de Schelde naar Antwerpen trekkend. Daar de weg langs Sandvliet liep en het hem slechts een omweg van vijf minuten kostte om haar te bezoeken, die hem het liefste op aarde is, heeft de Hertog dien omweg genomen, en hij houdt thans zijn dochter in zijn armen.

“Ik kan niet lang blijven,” merkt hij haastig op; “ik moet nog vanavond in Antwerpen zijn.”

“Morgen vroeg is veel beter. Uw kamer is altijd voor u in gereedheid. Zij wordt nooit door iemand anders gebruikt.” Bij deze woorden bloost het meisje eensklaps, want het schiet haar te binnen, dat Guido er, al is het slechts een kwartier, gebruik van heeft gemaakt. “Gij moet met mij soupeeren!”

“Onmogelijk, ik moet verder gaan.”

“Gij moogt niet, papa, gij moogt niet! Gij zijt zoo lang onder mijn contrôle weg geweest, dat gij weerspannig en ongedisciplineerd zijt geworden.”

Dit is de manier om haar zin bij Alva door te drijven, een manier, die hij niemand anders zou veroorloven, man noch vrouw. Terwijl zij tot hem spreekt, neemt zij ondanks zijn tegenwerpingen den helm van zijn hoofd, streelt zijn grijze haren en trekt aan de twee punten van zijn langen zilveren baard, uitroepend: “Nu zijt gij mijn gevangene! Tien kussen als losgeld!”

“Santos y demonios! gij zijt de ergste rebel in de Nederlanden,” lacht de Hertog.

“Ja, de meest uittartende en de eenige die u zal bedwingen.”

Dat bevalt den hertog van Alva, die voor zijn doen uitstekend geluimd is, en hij zegt: “Gij hebt gelijk; ik heb Haarlem nu zoo goed als zeker in mijn macht. De Bossu heeft Marinus Brandt op het meer verslagen, de stad is geheel afgesneden—zij moet de mijne worden. En als ik dan met deze rebellen heb afgerekend en dit land, geheel van oproerlingen gezuiverd, aan mijn heer, koning Philips, heb overgegeven, verlaten wij voor altijd dit mistige land en gaan terug naar het Zuiden met zijn granaatappelen, druiven en olijven, en zullen wij vergeten, dat er ooit oorlog was.”

“Ja,” roept het meisje uit, “en wij nemen hem met ons.”

“Hem? Wien?”

“Mijn toekomstigen echtgenoot.”

“Uw toekomstigen echtgenoot! Van wien spreekt gij, kind?” vraagt Alva, ten hoogste verbaasd. “Nooit zag ik een vrouw, die zoo ontoegankelijk was voor aardsche liefde!” Dan lacht hij: “Dat is een zeldzame ommekeer. Den laatsten keer waart gij een en al ernst. Gij hieldt een gebedenboek in uw hand en spraakt er van, de bruid der Moederkerk te worden.”

“Maar dat is alles voorbij.”

“Daar ben ik blij om, ofschoon ik het u niet zou geweigerd hebben. Mijn Hermoine zou al een heel curieuse non geweest zijn.”

“Ja, zij zal een betere bruid zijn,” lacht het meisje, tot haar onderwerp terugkeerend. “Maar ik vertel er u niets van, tenzij gij met mij dineert, en dan nog pas na het diner. Zie! Uw geleide is afgestegen. Zij hebben een langen rit achter den rug. Zij gaan ook eten en drinken. Wil mijn vader jegens zichzelf niet even barmhartig zijn als jegens zijn soldaten? Bovendien ziet gij er afgemat en ziek uit!”

“Volstrekt niet. Ik ben alleen maar vervuld van de tijding, die mij herwaarts riep, maar hoe dringend mijn komst ook is, ik zal haar uitstellen tot morgen.”

“Blijf dan dineeren. Ik heb mijn bevelen al gegeven, toen ik u zag aankomen.” Dit zeggende, worden de gordijnen weggetrokken en begeeft de Hertog, den arm zijner dochter nemend, zich naar de eetzaal. Hier ziet Hermoine voor den eersten keer sinds den vorigen avond, de gravin De Pariza, en als zij haar blik opvangt, weet zij, dat deze, ondanks haar eed, op de een of andere wijze alles wat er gebeurd is aan den Hertog zal overbrengen.

Doch tot Hermoine’s groote vreugde verlangt Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva en hertog van Huesca, gedreven door nieuwsgierigheid, een tête-à-tête met zijn aanminnig kind en zegt, tot verbazing en bittere teleurstelling van haar duena, kortaf: “Gravin, ik verheug mij, dat ik u, zooals gewoonlijk, gezond zie. Mijn dochter en ik hebben het een en ander te bespreken en wenschen alleen te zijn. Goedenmiddag, Dona De Pariza, ik kus u de hand,” en hij doet haar al buigend uitgeleide naar de deur met deftige Spaansche etiquette. “Nu uw verhaal, Hermoine. Is het een aardigheid, wat gij daareven zeidet van een minnaar, kind?”

“Geen aardigheid.”

“Vertel het mij dan.”

“Na den eten, papa; niet voordat de wijn uw hart een weinig zachter heeft gestemd. Het is verhard in Holland.”

“Niet te uwen opzichte,” zegt de Hertog. “Vertel het mij, mijn schat.”

“Niet voordat gij mij op uw doorluchtige knie laat zitten.”

Dit zeggende is zij reeds op zijn knie en vertelt hem onder liefkoozingen en vleierijen en kussen van haar beminde.

Waarop hij zijn oogen van verbazing wijd opent en zegt: “Uw Guido Amati? Ik meende, dat hij als gesneuveld was vermeld na het gevecht op het ijs.”

“Neen, hij is hersteld van zijn wonden. O, het zou niet zoo gemakkelijk gaan, hem te dooden! Herinner u maar zijn tocht over de verdronken landen. Gij zijt vandaag die plaats voorbijgekomen,” zij wijst de richting aan met haar hand.

“Ja, ik herinner het mij. Dat was een stout stuk, een Cid waardig,” zegt Alva, die boven alles strateeg is.

“Ah! geef mij dan aan den Cid. De Cid zou zeker de dochter van Alva waardig zijn. Als Guido de gelijke is van den Cid, is hij ook mijner waardig!” En met smeeken en vleien perst Hermoine den man, van wien zij denkt, dat hij haar niets kan weigeren, de belofte af, haar hand te zullen schenken aan kolonel Guido Amati de Medina.

“Nu moet gij vooral niet heengaan,” smeekt zij. “Hij komt vanavond hier. Gij moet hem zien. Gij moet hem even gelukkig maken als mij. Vader, ik heb u nog nooit zoo liefgehad als nu.”

“Oho!—Als ik het had geweigerd, dan zoudt gij mij dus waarschijnlijk gehaat hebben.”

“Daartoe zou ik nooit kunnen komen, maar gij weigert mij ook niets. En daar gij nooit ‘neen’ tegen mij zegt, moet gij hier blijven en hem zien. Geef hem uw zegen; vader, beloof mij, als gij mij liefhebt, dat gij Guido Amati, als mijn aanstaanden echtgenoot, uw zegen zult geven.”

“Als ik het dan moet doen, en gij zegt, dat ik het moet,” mompelt de Hertog, terwijl zijn lippen beven en zijn oogleden trillen, “moet ik eerst even naar Lillo rijden, om vandaar een boodschap naar Sancho d’Avila te zenden.”

“Gij komt dus terug? Hij zal hier om negen uur zijn. Gij zult terugkomen—beloof het, zweer het!”

“Ik beloof het bij dezen kus!”

“Neem er dan twee, voor meerdere zekerheid,” juicht Hermoine met van geluk stralende oogen.

Als zijn escorte een oogenblik later gereedstaat, bestijgt de Hertog zijn ros en draaft weg van de villa zijner dochter, die hem kushanden nazendt en hem nastaart met oogen vol tranen van geluk, terwijl zij mompelt: “Mijn vader en mijn aanstaande echtgenoot bij elkaar! Wat zal dat een heerlijke avond worden!”

Alva rijdt naar Lillo en draagt Mondragon, den commandant, op, terstond een brief te verzenden naar Sancho d’Avila, commandant van de Citadel van Antwerpen. En daarna ondervraagt Don Fernando met een begrijpelijke nieuwsgierigheid Mondragon, die een zijner gunstelingen is, omtrent zijn aanstaanden schoonzoon: “Mondragon, kent gij een zekeren Guido Amati, kolonel in Romero’s legioen?”

“Zeker, Uwe Excellentie, hij stond onder mij, eer hij naar Holland ging.”

“Zoo! Vertel mij eens alles wat gij van hem weet.”

“Ik kan u weinig goeds van hem vertellen, behalve, dat hij de dapperste onder de dapperen was en zulk een behendig schermer als er ooit een een Toledosche kling hanteerde; doch iemand die zóó bandeloos was, zulk een lichtmis en zóó aan het spel verslaafd, heb ik nog nooit ontmoet, en ik ben een oud soldaat.”

“Bandeloos, een lichtmis en een speler,” herhaalt Zijne Hoogheid langzaam, terwijl zijn gelaat nog valer wordt dan gewoonlijk. “Zijt gij zeker van hetgeen gij daar zegt, Mondragon?”

“Welzeker, ik heb hem goed gekend. Maar wat maakt het uit? Guido Amati is dood.”

“Onmogelijk; ofschoon het mij ook verteld is.”

“Het staat vermeld op de monsterrollen van Romero’s afdeeling.”

“Is dat werkelijk zoo?”

“Ja, inderdaad.”

“Dus als hij leefde, zou zijn naam zeker voorkomen op de lijst van zijn regiment?”

“Even zeker, als dat er een betaalmeester in het leger is. Guido Amati is er de man niet naar, om zijn soldij te laten staan; maar hij is stellig dood. Ik geloof zelfs, dat er hier in het garnizoen mannen zijn, die hem zagen vallen.”

“Ah! in het gevecht op het ijs?”

“Ja. De jonge De Busaco, een luitenant met verlof, en de sergeant Gomez.”

“Laat hen terstond hier komen,” zegt Alva, verbaasd en geschokt door die onbegrijpelijke mededeelingen.

En De Busaco, het vertrek binnentredend, salueert.

“Luitenant De Busaco, nietwaar?” zegt Don Fernando.

“Ja, Uwe Hoogheid, pas bevorderd.”

“Waart gij bij het gevecht op het ijs?”

“Ja, Uwe Hoogheid.”

“Wie voerde daar het bevel?”

“Kolonel Guido Amati.”

“Werd hij gedood?”

“Ik denk het wel, Uwe Hoogheid; ik zag hem vallen.”

“Dat is zeer vreemd, terwijl mijn dochter zegt, dat hij leeft!” mompelt de Onderkoning, hoe langer hoe meer verbaasd. Mondragon en De Busaco zetten groote oogen op en de laatste weet, dat de catastrophe, waarvoor hij reeds lang heeft gevreesd, nu is gekomen.

“Gij zaagt hem vallen?” vraagt Don Fernando nog eens, alsof hij zijn ooren niet kan gelooven.

“Ja, Uwe Hoogheid.”

“En gij denkt, dat hij dood is?”

“Ja, Uwe Hoogheid, de Hollanders maakten al onze gewonden af.”

“Zooals zij altijd doen,” antwoordt Alva. “Ik vrees, dat ik hun dat kunstje heb geleerd. Zij zijn goed van aannemen. Is Gomez ook al hier?”

“Ja, Uwe Hoogheid,”

En de vrijpostige sergeant komt binnen, salueert den hertog van Alva en geeft hem de volgende inlichtingen:

“Ja, ik zag Guido Amati vallen. Ik trachtte hem nog te redden, maar ik gleed uit op het ijs, ontsnapte echter met Gods hulp.”

“Gij weet dus, dat hij dood is.”

“Ja,—tien heiligen zouden hem niet hebben kunnen redden.”

“Spreek met wat meer eerbied van de kerk! Hoe weet gij dat?”

“Omdat ik zag, dat drie pieken door zijn lichaam werden gestoken.”

“Dat is voldoende,” mompelt Alva, die hoe langer hoe minder van de zaak begrijpt. “Gij kunt gaan, Gomez.”

“En drie pieken door het lichaam zouden zelfs voldoende zijn, om iemand, die zoo taai is als Guido Amati, te dooden,” merkt Mondragon op; doch als de sergeant is heengegaan, vraagt de commandant plotseling: “Wat scheelt er aan, Uwe Hoogheid? Hebt gij slechte berichten van Haarlem ontvangen?”

“O, neen, zeer goede. Zij eten daar nu reeds het gras uit de straten. Wij hebben Oranje op het meer verslagen en zijn er nu meester van. Het is niet over Haarlem.” En plotseling beveelt hij: “Laat mijn escorte terstond voorkomen. Kan Gomez paard rijden?”

“Ja, Uwe Excellentie.”

“Laat hij mij dan vergezellen.”

En gevolgd door dertig man, gewapend met lansen en haakbussen, rijdt de hertog van Alva terug naar het landhuis van zijn dochter. Onderweg roept hij den vrijpostigen Gomez aan zijn zijde en vraagt hem: “Hoe zag die Guido Amati er uit?”

“Groot, welgebouwd, met kort, donker, krullend haar, zwarte, onverschrokken oogen en een huid zoo bruin als van een bleeken Morisco.”

“Hij had natuurlijk de manieren van een edelman,” vervolgt de Onderkoning.

“Voor zoover een krijgsman als ik er over kan oordeelen, ja, Uwe Hoogheid, en den beschaafden tongval. Men zei, dat hij even zuiver Castiliaansch sprak als een priester.”

“Het is goed, ik weet genoeg, sergeant,” zegt de Onderkoning. En zij zijn weldra het landhuis genaderd.

Daar hij echter een geslepen oude staatsman is, laat de hertog van Alva niets merken van de zonderlinge ontdekking, die hij in het fort te Lillo heeft gedaan, doch zegt slechts, de vertrekken van Hermoine binnentredend: “Mijn dochter, wij zijn teruggekomen, zooals wij beloofd hebben, om dien edelman te zien, dien gij bemint, Guido Amati; deze man schijnt een verwonderlijk sterk gestel te hebben.”

“Hoezoo?” vraagt het meisje.

“Hij werd doodelijk gewond in het gevecht op het ijs.”

“Zeker, dat is zoo! Ik heb immers zelf zijn wonden gezien! Zij zijn vreeselijk!” Dit laatste huiverend.

“Gezien de wonden, die de pieken dwars door zijn lichaam hebben gemaakt?”

“Neen, maar hij had een houw over het hoofd, die iedereen van het leven zou hebben beroofd, behalve een Paladijn.”

“Hm! men zegt, dat uw Paladijn een los heer is.”

“Dat is laster! Deze of gene mededinger strooit dat praatje telkens weer uit. Ja, zelfs Bodé Volckers,” vervolgt Hermoine, “die leugenachtige koopman, vertelde mij, dat hij dronken was, en twee minuten later komt Guido, even nuchter als gij zijt, naar mij toe, en met een veel vroolijker gezicht dan gij op het oogenblik zet; uw oud, lief gezicht staat zoo donker als de nacht.” En het meisje kust hem.

“Vertel mij, hoe gij hem het eerst ontmoet hebt.”

Aldus aangemoedigd, gaat Dona Hermoine, die zooals alle verliefden haar beminde gaarne verheerlijkt, zitten en biecht haar vader alles op; nu en dan doet deze haar een paar vragen, die zij heel dwaas, maar die hij heel belangrijk vindt.

“Gij zegt, dat gij hem het eerst hebt ontmoet op den dag van den springvloed in 1572?”

“Ja, papa; dat was, zooals ik u vertelde, de avond, dat hij mij redde uit de handen der Geuzen.”

“A—ah—ah. De krijgsman, dien gij lief hebt, heeft donker haar en donkere oogen, nietwaar?”

“Neen, helderblauwe oogen en zijn haar is voor een Spanjaard heel blond.—Heb ik u dat dan al niet gezegd, dom vadertje?”

“O ja; ik bedoel helderblauwe oogen, ik was het vergeten. Licht kastanjebruin haar, zegt gij, en vrije en losse manieren. Is zijn gang niet die van een zeeman?”

“Die van een ruiter.”

“O ja; zij hebben beiden een zwaaienden gang. De dag, dat gij hem hebt ontmoet, was dezelfde, waarop ik zoo haastig van Brussel terugkwam?”

“Ja, gij kwaamt heel onverwachts. Het was de dag van het drinkgelag van Floris den schilder, waarbij hij een van zijn tegenstanders dooddronk.”

“Ja, dat herinner ik mij,” zegt Zijne Hoogheid langzaam. “De dag, dat De Guerra mij een onthulling wilde doen, maar stierf. Deze edelman, dien gij zegt, dat gij bemint,” de hertog van Alva doet moeite, om den ongedwongen toon vol te houden, “spreekt het patois van Hispaniola?”

“Ja, het is alles behalve keurig Spaansch, maar het klinkt mij toch als muziek in de ooren.”

“Hm! als hij komt, kunt gij hem bij mij brengen.” En als hij het vertrek heeft verlaten, geeft Alva eenige bevelen aan den luitenant, die het bevel voert over zijn escorte.

Vervolgens keert hij naar de eetzaal terug en laat zich, daar het reeds bijna acht uur is, het avondeten voordienen.

En om hem gezelschap te houden, komt zijn dochter binnen, stralend van vergenoegdheid. Zij, die er vroeger als een lelie uitzag, bloost nu als een roos.

Op het gelaat van den hertog van Alva ligt een vreemde uitdrukking, en als hij drinkt, is het, alsof hij een prop in zijn keel heeft, die hem dreigt te doen stikken, ofschoon hij vanavond de matigheid zelve is, zooals zijn dochter beweert, terwijl zij haar papa met liefderijke handen van alles bedient.

“Gij—gij zijt er toch niet bedroefd over, dat gij mij moet missen?” fluistert zij, terwijl haar gelaat betrekt.

“Neen, dat—dat is het niet.” Zijn gelaat heeft een uitdrukking, die Hermoine niet begrijpt.

“Maar à propos,” zegt zij, “aangebeden papa, nog een belofte.”

“Welke?”

“Neem den prijs weg van het hoofd van dien Engelschman. Zooals gij u zult herinneren, redde hij het leven van mijn Guido.”

“Misschien morgen, dan zal het wel niet meer noodig zijn,” mompelt Zijne Hoogheid, ofschoon hij vermijdt, het meisje aan te zien, en de oogen op zijn beker gericht houdt.

“Dank u, lieve, beste papa,” antwoordt zijn dochter. Dan zegt zij plotseling: “Maar nu moet ik gaan.”

“Waarom?”

“Om toilet te maken voor mijn aanstaanden echtgenoot.”

“Hm!”

“Ik zal mij kleeden als een bruid.”

“Gij hebt dien man dus wel zeer lief, mijn Hermoine?” En er klinkt weemoed in zijn stem.

“Met mijn gansche hart,” antwoordt zij; en plotseling roept zij uit: “Misschien heb ik vanavond nog een andere verrassing voor u, als gij het tenminste toestaat, maar gij staat mij alles toe, nietwaar, papaatje!—gij lieve oude papa, die uw dochter vanavond innig gelukkig wilt maken.”

En zij kust hem teeder op het voorhoofd en snelt dan heen, haar vader alleen latende, in gespannen verwachting, of zijn vermoedens al dan niet juist zullen blijken te zijn.

Maar met dat al staan er tranen in zijn oogen, in die oogen, die ze nooit hebben vergoten, en een paar maal neemt zijn gelaat een pijnlijke uitdrukking aan, als hij de stem van zijn dochter hoort, die in het aangrenzend vertrek haar bevelen geeft voor haar toilet en voor de ontvangst van den man, dien zij bemint. Doch in het volgende oogenblik schieten er stralen uit zijn slangenoogen en zijn lange handen ballen zich krampachtig, alsof zij een lang gezochten, moeilijk te vatten vijand grepen, in wiens doodsstrijd hij zich reeds verlustigt, en hij mompelt: “Als hij het is, die mijn goud stal voor die Jezebel Elizabeth; als hij het is, op wiens raad de Geuzen uit Engeland verdreven werden met: ‘Geen proviand, geen water, maar slechts kogels en kruit,’ om rebellie in dit land te stoken, dan zou ik hem zelfs nog liever in mijn macht willen hebben dan Willem den Zwijger.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings