← Table of contents
Een strijd om de schatten van Alva

“IS HET EEN DROOM?”

Reading edition

Na eenigen tijd keert Bodé Volckers terug van het onderhoud met zijn dochter, en in zijn Vlaamsche oogen ligt een treurige uitdrukking. Als hij Guy ziet, die op hem heeft gewacht barst hij uit: “Die schilder Oliver! Welk recht had zulk een man, om iets anders lief te hebben dan zijn vaderland? Welk recht had hij, wiens leven aan een zijden draad hing, om mijn kind lief te hebben?”

“Het recht, dat alle menschen hebben om het schoone te beminnen,” zucht Guy, die door de verrassende mededeelingen van Bodé Volckers met betrekking tot Dona de Alva’s kloosterplannen, niet enkel romantisch gestemd is, maar ook weemoedig.

“Doch niet het recht om het schoone op te offeren. Oliver’s verraad tegenover Alva bracht Mina in gevaar, en nu heeft zijn dood haar het hart gebroken. Zij kan zelfs niet meer naar huis gaan uit vrees voor Alva’s pijnbank. Alva!” roept de koopman met verheffing van stem uit, “die mij en de mijnen in ellende heeft gestort, die mij heeft geruïneerd!”

“U geruïneerd? Hoe?” vraagt Guy teleurgesteld. Hij heeft op den koopman gewacht, daar hij geldelijke hulp noodig heeft, en diens woorden klinken hem dus niet heel aangenaam in de ooren.

“Hoe?” herhaalt Bodé Volckers. “Allereerst door mijn huiselijk leven te verwoesten, in de tweede plaats door mijn handelszaak naar den kelder te brengen met zijn tienden penning, en in de derde plaats door mij, als een gedwongen leening aan het Spaansche gouvernement, vijfhonderd duizend kronen af te nemen.”

“Wenscht gij ze terug te hebben?”

“Hemel en aarde,—ja! Maar het geld is zoo goed als verloren. Wat praat gij voor onzin?” zegt de koopman op spottenden toon.

“Het is geen onzin!”

“Geen onzin te beweren, dat Alva zijn schulden zal terugbetalen?”

“Neen, want ik zal ze voor hem terugbetalen.”

“Gij—een krijgsman—vijfhonderd duizend kronen betalen! Gij zijt uw verstand kwijtgeraakt door al uw avonturen,” roept Bodé Volckers uit, die denkt, dat Guy hem voor den gek wil houden.

“Volstrekt niet. Schiet mij tien duizend kronen voor, waag u leven, evenals ik het mijne waag, en ik zal u vijfhonderd duizend kronen teruggeven en u in de gelegenheid stellen, u te wreken.”

De Engelschman zegt dit alles fluisterend, doch op vasten toon, hij heeft de zaak goed overdacht en is tot het resultaat gekomen, dat, nu Oliver is heengegaan, Bodé Volckers met zijn Antwerpsche pakhuizen, Antwerpsche schepen en kennis van Antwerpsche toestanden, juist de man is om hem in deze zaak te helpen, als hij er tenminste den moed toe heeft.

“Mijn leven wagen? Ik zou het honderdmaal wagen als ik mij daardoor wreken kon op den man, die mij van alles heeft beroofd!”

“Goed, kom dan mee naar mijn kamer, wij moeten die zaak in het geheim bespreken,” zegt Guy, die er nu zeker van is, dat, al zou Bodé Volckers zijn leven ook niet wagen uit vaderlandsliefde, hij het een dozijn keeren zou doen, om zijn vijfhonderd duizend kronen terug te krijgen. De beweegredenen, waaruit de man handelt, gaan hem echter niet aan, alleen zijn daden.

Als zij op Chester’s kamer zijn gekomen, zegt de koopman: “Wat wenscht gij van mij?”

“Allereerst heb ik honderd kronen noodig om Jan Haring te betalen, die mij heeft geholpen om uw dochter buiten de wallen van Haarlem te brengen.”

“Ik wil—ik wil Haring heel gaarne zelfs duizend kronen geven. En u mijn liefde, mijn genegenheid, en alles wat gij slechts wenscht, omdat gij mijn Mina voor vernedering en dood hebt bewaard,” antwoordt de koopman op dankbaren toon.

“Uw leven soms ook?”

“Ja, dat wil ik ook geven, om mij op Alva te wreken.”

“Als dat zoo is,” zegt Guy, “luister dan naar mij.” En nadat hij Bodé Volckers geheimhouding heeft laten zweren, vertelt hij hem alles van het geheim van Alva’s standbeeld, alles van Alva’s schat, want hij begrijpt, dat hij dezen man, wiens leven hij in de waagschaal stelt ten behoeve van zijn eigen zelfzuchtige bedoelingen, zijn volkomen vertrouwen moet schenken.

“Goed. Wat verlangt gij dat ik zal doen?” herneemt de Vlaming, wiens oogen beginnen te schitteren, als hij hoort van Alva’s verborgen schatten, terwijl zijn ziel van vreugde wordt vervuld, als hij denkt aan den buit. “Zou ik niet een weinig meer kunnen terugkrijgen—interest tenminste?”

“Top, ook interest—zeshonderd duizend, als uw leven u iets waard is—wij zullen er zevenhonderd en vijftig duizend van maken.”

“Goed—nu tot de zaak! Wat hebt gij noodig?”

“Allereerst, want de tijd dringt, heb ik zoo spoedig mogelijk papieren van uitklaring noodig van de stad Amsterdam voor de Esperanza, die nog in de haven van Vlissingen ligt. Kunt gij ze mij verschaffen?”

“Van Amsterdam? Onmogelijk! Doch ik kan u uitklaring en carga van Stockholm verschaffen.”

“Dat zal ons twee weken ophouden—noem een haven, die dichter bij is.”

“Van Duinkerken? Daarmee zijn slechts drie of vier dagen gemoeid.”

“Van Duinkerken! Best,” antwoordt Chester. “Met de Esperanza zeil ik dan, op u geconsigneerd als kapitein Andrea Blanco, nog eens rechtstreeks de haven van Antwerpen binnen en blijf daar liggen, totdat ik mij van Alva’s schat en Alva’s dochter heb meester gemaakt. Is het in die stad bekend, dat gij hier zijt?”

“Neen. Daarvoor heb ik gezorgd,” zegt Bodé Volckers. “Men denkt, dat ik in Frankrijk ben, om Lyonsche zijde te koopen. Ik zal zelf met u naar Duinkerken varen. Dat werpt een schijn van waarheid over alles—Lyonsche zijde uit een Fransche haven.”

“En als het later ontdekt wordt, dan kost het u het leven.”

“Om ’t even,” zegt de Vlaming. “Antwerpen’s handel gaat te gronde en ik ga de stad uit met alles, wat ik bij elkander kan brengen. Die zevenhonderd en vijftig duizend kronen zullen er mij weer bovenop helpen.”

Zoo worden alle schikkingen gemaakt en ieder onderdeel geregeld; er wordt besloten, dat Mina rustig in Delft zal blijven, dat op het oogenblik de meest geschikte plaats voor het meisje is.

“Zij is onverschillig voor alles,” klaagt Bodé Volckers en voegt er, op de tanden knarsend, aan toe: “Doch ik zal mij op den man wreken, die haar tot de geeseling en het spinhuis wilde veroordeelen en mij, enkel omdat ik haar vader ben, heeft beroofd van vijfhonderd duizend kronen.”

Denzelfden avond overhandigt Guy Jan Haring van Hoorn een beurs met goud, zeggende: “Dit is een belooning voor het gevaar, waaraan gij u om mijnentwille hebt blootgesteld.”

“Wel, sapperloot!” roept de Hollandsche visscher uit. “Dit is meer geld, dan ik ooit bij elkaar heb gezien. Ik neem echter niets aan voor een goede daad.”

“Gij hebt vrouw en kinderen, neem het voor hen en voor de uitgaven, die gij hebt te doen om naar het Noorden terug te keeren; ik wenschte buitendien dat gij een particuliere boodschap van mij daarheen overbracht.”

Zoo wordt het dus geschikt, dat Haring terstond naar Noord-Holland vertrekt met orders voor Dalton om de Dover Lass onmiddellijk naar Vlissingen te brengen en zoo hij Guy en de Esperanza daar niet mocht vinden, naar Zuid-Beveland te zeilen en het anker uit te werpen in het Kromvliet. Dit is voor het oogenblik niet zeer gevaarlijk, daar de Spaansche galjoenen zich bijna alle te Amsterdam bevinden, om hulp te verleenen aan de belegeraars rondom Haarlem.

Den volgenden morgen vertrekt Haring naar het Noorden en begeven Guy en Bodé Volckers zich per schip naar Vlissingen, waar de Esperanza ligt.

Guy heeft ongeveer tien zijner manschappen aan boord van dit schip gelaten en dit aantal is voldoende, om naar Duinkerken te zeilen, waar hij carga inneemt van Bodé Volckers’ agenten in die plaats en papieren van uitklaring op Antwerpen krijgt.

Als zij deze haven verlaten, zeilen zij opnieuw naar Vlissingen en vinden tot hun groote vreugde de Dover Lass op hen wachtend, daar Haring zeer snel heeft gereisd, Dalton zijn orders stipt heeft uitgevoerd en de Dover Lass buitendien terstond onder zeil kon gaan, omdat de haven van Enkhuizen reeds geheel vrij was van ijs.

“Bij alle zeemeerminnen!” roept zijn eerste officier uit, als hij zijn commandant ziet, “wij dachten, dat gij dood waart—verdronken bij dien vervloekten Diemer dijk. Dat is kostelijk nieuws.”

“En ik heb toch nog beter nieuws voor u,” lacht Guy.

“En dat is?”

“Geld om de bemanning te betalen!” Waarop de Britsche pikbroeken luide juichkreten doen hooren.

Daarna haalt Guy het geld van Bodé Volckers voor den dag en rekent met zijn zeelieden af.

Den volgenden morgen kiest hij de manschappen uit, die den vorigen keer ook reeds mee zijn geweest naar Antwerpen en laat zich door de Dover Lass vergezellen tot aan het Kromvliet, waar zij het anker uitwerpt bij de Bevelandsche kust, terwijl hij verder gaat naar Antwerpen, de wachtbooten bij Lillo passeert en naar de dokken zeilt, nog ongeduldiger verlangend naar een ontmoeting met Alva’s dochter dan naar het buitmaken van Alva’s schat.

Hij begrijpt, dat het zaak is, met het laatste zooveel mogelijk haast te maken. Gedurende zijn gevechten en schermutselingen is zijn gelaat aan vele Spaansche krijgslieden bekend geworden, en ofschoon de meeste nog in Holland zijn, zijn er toch eenige, die gewond werden, voor hun herstel hier. Gelukkig zijn dezen gebonden aan hun kamer en hun bed, daar enkel de zwaar gewonden uit het leger worden weggezonden,—Spanje toch heeft iederen man noodig bij het beleg van Haarlem—maar met tien duizend kronen op zijn hoofd bevindt de “Eerste der Engelschen” zich in elk geval in groot levensgevaar.

Om geen tijd verloren te laten gaan, begeeft Chester zich, zoo goed mogelijk vermomd als kapitein Andrea Blanco, naar het huis van den koopman, om schikkingen te treffen, teneinde zijn carga te lossen. Weldra zijn zij in een ernstig gesprek gewikkeld, waarin Guy Bodé Volckers, die de zaak nu met hart en ziel is toegedaan, opdraagt, zooveel mogelijk informatiën in te winnen omtrent het huis van de Spaansche vrouw, senora Sebastian, als hij opeens alleraangenaamst wordt verrast.

Hij hoort de stem van de gravin De Pariza in den winkel achter het kantoor, waar hij met den koopman zit. Deze stem kwam hem tot nu toe altijd hard, onaangenaam en afstootend voor, maar nu klinkt zij hem zoo zoet als een engelenstem in de ooren, als zij zegt: “Ik kom om een weinig wit Fransch mousseline voor Dona de Alva te koopen. Gij behoeft er niet veel ellen van uit te meten, daar Dona Hermoine weldra naar Spanje vertrekt, om in een klooster te gaan.”

“Zal ik het goed voor Uwe Genade in de Citadel laten bezorgen?” vraagt de volijverige bediende.

“Neen, ik zal het zelf meenemen. Het weer is zoo prachtig, dat Dona Hermoine en ik nu reeds voor den zomer onzen intrek hebben genomen in het landhuis te Sandvliet. Doch snel wat, jonge man, de staatsbarge wacht.”

Deze woorden verjagen alle gedachten aan Alva’s schat uit Guy’s hoofd.

“Geef mij eenige nadere inlichtingen,” fluistert de koopman, “omtrent het huis van de Spaansche vrouw.”

“Ik heb u gezegd, waar het ligt. Morgen zal ik verder met u spreken. Wat is de snelste manier, om te Sandvliet te komen?”

“De snelste is te paard, maar zij is niet de veiligste.”

“Ik kies de snelste.”

“Door de schildwachten van Lillo? Gij zult aangehouden worden! Gij moet een pas hebben!” Vervolgens fluistert de koopman, waarschuwend: “Gaat gij als kapitein Andrea Blanco of als kolonel Guido Amati, of als die andere?” Bodé Volckers wordt zoo wit als de dood, als hij die laatste opmerking maakt.

“Als—Goede God! Ik moet immers gaan als kolonel Guido Amati!”

“Meent gij, dat gij fort Lillo kunt passeeren met een pas ten name van kolonel Guido Amati, die reeds drie of vier maanden geleden als dood is opgegeven?” zegt Bodé Volckers. “Een jaar geleden zoudt gij Lillo hebben kunnen passeeren als kapitein Guido Amati, maar als kolonel Guido Amati, een man van rang, een man, die aan het hoofd van een regiment stond, een man bovendien, die in een dagorder vermeld werd onder de dooden—neen, neen, gij werpt uw leven weg en zult het meisje niet winnen. Gij werpt den schat weg en offert mijn leven op.”

“Gij hebt gelijk,” zegt Chester neerslachtig, “maar ik moet haar zien.”

“Ga dan met een boot, dat is de eenige veilige manier,” antwoordt Niklaas.

“Nu goed; ik zal de sloep van de Esperanza nemen; daarmee komt men snel vooruit en ik zal alle mogelijke zorg voor mijzelf dragen—om harentwille het meest,” antwoordt Guy. “Het zou niet goed voor haar zijn, opnieuw om Guido Amati te treuren. Doe gij intusschen hier, wat gij kunt. Ik ben morgen vroeg terug.”

Met deze woorden verlaat kapitein Andrea Blanco het kantoor van den koopman, begeeft zich aan boord van de Esperanza en vermomt zich, zoo goed als hij kan, als kolonel Guido Amati; want tengevolge van zijn wonden, ziet hij bleek, terwijl vermoeienissen en angst rimpels van zorg in zijn voorhoofd hebben gegroefd.

Ondanks dit alles ligt er een glans van innig geluk en vreugdevolle verwachting op het gelaat van den stoutmoedigen jongen man, als hij in zijn boot, voortgeroeid door zes flinke mannen, de Schelde afglijdt.

En zijn gelukkige stemming wordt nog verhoogd, als hij, met vluggen stap en zwierig uitgedost in satijn en zijde,—zooals het een cavalier betaamt, die de dame van zijn hart gaat bezoeken,—uit zijn boot aan den dijk stapt, ongeveer een halven mijl ten Westen van Sandvliet, waar een nette landingsplaats is met sierlijke treden tot aan het water ten gebruike van dames, en vanwaar een lommerrijke laan van populieren leidt naar het fraaie kasteel, door Alva voor zijn dochter gebouwd, om er de zomermaanden door te brengen.

Het huis ligt aan het eind van de laan op den dijk, en men heeft daar een heerlijk uitzicht op de Schelde. Een der vleugels reikt zelfs tot aan het water, een boot zou tot vlak onder de ramen kunnen varen.

Het is een ruim gebouw, bestaande uit het hoofdgebouw en twee vleugels; de eene vleugel aan het water, met zijn balkons en zonneblinden, is zeker het gedeelte, waar de dochter van den Onderkoning zelve woont, de andere vleugel is, voor zoover Guy, als hij naderbij komt, er over kan oordeelen, bestemd voor het gebruik van de bedienden en bevat de keuken, de provisiekamers enzoovoort. Het hoofdgebouw wordt waarschijnlijk gebruikt voor de ontvangst van bezoekers en het geven van partijen.

Het geheel is een schoone en ruime villa, gebouwd met Moorsche bevalligheid en Oostersche pracht. Dit kan men gemakkelijk reeds op een afstand zien, want overal zijn van buiten zonneblinden aangebracht en sommige ramen zijn van geschilderd glas.

Voor het huis langs den dijk is een aardige tuin; de boomen,—het is reeds Mei,—zijn vol jonge blaadjes in hun eerste groen en frissche schoonheid. In de grasperken zijn eenige bloemen geplant, waarschijnlijk gekweekt in broeikassen.

Aan het eind van den tuin is een klein tuinhuisje, begroeid met wijngaardranken en met de open zijde naar den waterkant. Dit trekt dadelijk Guy’s aandacht, als hij een onderzoekenden blik in het rond werpt, alvorens zijn komst aan te kondigen door, volgens het gebruik van die dagen, in de handen te klappen.

Als hij nauwkeuriger uitkijkt, ontdekt hij een witte japon. Zijn hart begint sneller te kloppen, zijn liefde zegt hem, dat zij het is, die hij eens in zijn armen hield.

Bij de haag staat een populier. Guy grijpt hem vast en springt over de heg in den tuin, nadert het tuinhuisje—en wat hij daarbinnen ziet, berooft hem bijkans van zijn bezinning.

Hermoine de Alva—haar gelaat gedeeltelijk van hem afgewend en haar oog op de Schelde gericht, achterover liggend op een lage rustbank met zijden kussens bedekt, haar eene hand het fraaie hoofdje ondersteunend, een harer voetjes te voorschijn komend onder de plooien van haar gewaad, haar bevallige figuur gekleed in een zacht wit gewaad, afgezet aan den hals, de mouwen en den zoom met een smal, zwart randje—vertoont een beeld, waarop zijn oogen, die dien aanblik zoolang hebben ontbeerd, uren lang onbeweeglijk zouden kunnen staren in een soort van droomende verrukking.

Doch Chester is niet de man om te droomen, als hij in de gelegenheid is, zijn beminde te omhelzen. Hij staat slechts een oogenblik stil, om er over na te denken, hoe hij den schok kan voorkomen, dien het zien van een dood gewaande haar zou kunnen geven.

“Zij zal mij voor een geest houden en bang voor mij zijn,” overlegt hij; want geesten en hekserij en het bovennatuurlijke waren in dien tijd aan de orde van den dag.

Terwijl hij daar nog aarzelend staat, neemt het meisje een gebedenboek op, dat naast haar ligt, en dwingt zichzelve om te lezen, doch zuchtend legt zij het weer uit de hand. Als zij zich beweegt, schittert er iets aan haar blanke hand. Het is de ring, dien hij haar gaf, en Guy kan zich niet langer bedwingen.

“Van vreugde sterft men niet, anders was ik zelf al lang dood,” denkt hij; vervolgens zegt hij op lossen toon, bijna aan haar oor: “Dona Hermoine, waarom heet gij mij niet welkom?”

“Heilige Maagd! die stem—,” stamelt het meisje. “Die stem—!” Opspringend en hem scherp aanziende, hijgt zij: “Madre mia! Guido! Mijn Guido, die dood is!” en fluistert vervolgens met bleeke lippen: “Uw geest kan niet gekomen zijn, om mij verwijten te doen—dat kunt gij niet, daar ik mij aan den hemelschen Bruidegom heb gewijd na uw dood!” En haar mooie oogen staren hem vol schrik en ontzetting aan.

“Niet dood, maar enkel gewond; daarom heb ik verlof tot herstel van gezondheid. Aan dooden geven zij zulk een verlof niet.” En meenende het bovennatuurlijke het best met het alledaagsche te kunnen verdrijven, vervolgt Guy:

“Zoudt gij mij niet uitnoodigen voor het middagmaal?”

“Een middagmaal voor een geest!” Dit komt als een wilde kreet over Hermoine’s lippen, en haar gebedenboek met het vergulde kruis op zijn fluweelen omslag omhoog houdend, begint zij: “Exorcizare te—”

Doch hij roept uit: “Ik ben geen geest! Bezweer mij niet, ik ben geen geest!”

“Geen geest? Onmogelijk! Ik heb rouw over u gedragen—sinds—die Jobstijding—van het gevecht op het ijs—toen die wreede Engelsche moordenaar en zijn manschappen u doodden.”

“Mij niet! Ofschoon zij mij hier en daar leelijk toetakelden—een houw over het hoofd en een kogel in het lichaam. Ik wil u bewijzen, dat ik niet dood ben. Zijn dit de lippen van een geest? Herinnert gij ze u?”

Guy slaat zijn armen om het meisje heen, dat half bezwijmd is, en tracht door kussen een eind aan haar twijfel te maken.

En hij bereikt zijn doel zóó goed, dat het meisje uitroept: “Levend! Ja, ja, gij zijt levend! uw hart klopt tegen het mijne. Mijn Guido leeft!” en zij barst in tranen uit, alsof zij smart in plaats van vreugde ondervond.

Wat Guy betreft, hij stelt zich ruimschoots schadeloos voor zijn langdurige gedwongen afwezigheid, zoodat Dona de Alva bloost doch tegelijkertijd straalt van geluk en opnieuw bloost en fluistert: “Gij—gij behoeft mij niet zoo herhaaldelijk te bewijzen, dat gij leeft. Ik weet nu wel, dat uw lippen niet die van een geest zijn.” En zij voegt er op verwijtenden toon aan toe: “En gij liet mij zoolang treuren.”

“Ik was een gevangene—” begint Chester.

“Een gevangene!—Zij maken geen gevangenen!”

“De ‘Eerste der Engelschen’ wel! En dan mijn wonden!” zoo verdedigt Guy zich op meewarigen toon.

“O ja, uw zware wonden. Ik—ik zal u verplegen.”

“Ja, onder uw handen zal ik zeker spoedig herstellen,” zegt hij met een stralend gelaat en vervolgt opgewonden:

“Ik zal niet gezond worden eer—”

“Eer wat?”

“Eer ik met u getrouwd ben.”

“Met mij getrouwd zijt!” En juffrouw Brunette bloost tot in haar sneeuwwitten hals, zij slaat de oogen neer, ofschoon zij van geluk schitteren.

“Ja, dezen keer, dat ik hier ben, trouw ik met u!” Hij fluistert het, en toch klinkt het wild en hartstochtelijk.

En nu brengt Hermoine hem in verbazing, want zij antwoordt, hem dapper in de oogen kijkend, op vasten toon: “Ja, dezen keer zal het gebeuren!” en zij stamelt: “Ik zou niet opnieuw zooveel kunnen lijden. Als gij vertrekt, ga ik met u, kolonel Guido Amati de Medina zal een vrouw hebben. Doch gij moogt er niet over denken, naar het leger terug te keeren, eer gij volkomen hersteld zijt, en dat zal lang duren, vrees ik,” en het meisje beschouwt het kleine litteeken op het voorhoofd van haar beminde, alsof het een doodelijke wonde was.

En hij beschuldigt zich nu van groote onhartelijkheid, hij noemt zich een ellendeling, dat hij haar zoolang heeft laten treuren; wat beteekende plicht, wat beteekende zijn eed, vergeleken bij de wreede smart, die haar gelaat heeft omfloerst?

Een oogenblik later doet zijn liefste Guy schrikken. Zij roept plotseling uit: “Wel, wat is de kleine De Busaco toch een goed profeet! Hij—hij heeft zeker het tweede gezicht!”

“De Busaco! Hebt gij hem dan gesproken?” roept de gewaande Guido Amati onthutst uit.

“Ja, hij is op fort Lillo in garnizoen, daarheen gezonden om te herstellen. De arme kleine luitenant kreeg het koudvuur in zijn wonden, die hij had opgedaan in het gevecht op het ijs. Toen ik hoorde, dat hij het was, die u het laatst had gezien, mijn Guido,”—zij neemt, dit zeggende Guy’s hand in de hare, alsof zij vreesde, dat zij hem opnieuw zou verliezen,—“zond ik om hem en informeerde handig—als geschiedde het slechts uit belangstelling in een goede kennis—o, ik beheerschte mij goed!—hoe gij waart gevallen. En hij vertelde het mij; doch eer hij mij verliet, zeide hij: ‘Ik wed, dat gij kolonel Guido Amati toch niet voor het laatst hebt gezien.’ ‘Waarom niet?’ bracht ik met moeite uit, met nieuwe hoop in mijn hart. ‘Zaagt gij hem dan niet vallen?’ ‘Ja,’ zeide De Busaco achteloos, en ik vond zijn manier van doen heel vreemd, ‘doch mijn vriend, kolonel Guido Amati, heeft, als een kat, negen levens en hij heeft er nog maar één van opgeofferd.’ Vermoedde hij misschien, dat zij uw leven zouden sparen?”

“Misschien,” antwoordde Guy. “Deze Engelsche moordenaar, zooals gij hem noemt, spaarde mij niet alleen, doch redde mijn leven, zorgde voor mij, nam mij mee naar Enkhuizen en toen ik daar doodziek lag met hevige wondkoortsen, zorgde hij er voor, dat ik zoo goed werd opgepast, alsof hijzelf het was.”

“Dus hij is geen Engelsche moordenaar?”

“Neen, hij is een Engelsche ridder, en ik hoop, dat de tijd nog eens zal komen, dat gij zult zeggen, dat hij een edelman is, uw achting waard.”

“Dat is hij nu reeds! Hij redde uw leven voor de messen van die wreede Hollandsche vrijbuiters,” zegt het meisje plotseling; daarna mompelt zij op verschrikten toon; “En ik zette Papa er toe aan, den prijs op het hoofd van uw redder te verhoogen. De hemel vergeve mij!—tien duizend kronen staan nu op het hoofd van den man, die uw leven redde!”

“Diable!” antwoordt Guy, niet zeer ingenomen met hetgeen hij hoort. “De Engelschman is heel goed in staat voor zichzelven te zorgen, wij zullen dus maar van hem afstappen en terugkeeren tot kolonel Guido Amati.”

“Apropos van hem,” lacht Hermoine, “de geest vroeg, meen ik, om een middagmaal.—Verlangt het spook geestelijke oesters, kabouterachtige tarbot en ragout uit den heksenketel?” en het meisje, nu een beeld van stralende vreugde, klapt in de handen.

“Neen,” antwoordt Guy, “maar de geest zal een reuzenmaaltijd houden met verlof van het meisje uit het betooverd kasteel, en zij mag den wijn zoo krachtig maken als zij wil.”

“Kom dan, want ik ben van plan het gemeste kalf voor u te slachten!” En Hermoine wil de hand van haar ridder vatten, om hem naar het priëel te geleiden.

Doch Chester aarzelt eensklaps en fluistert: “De gravin De Pariza—wat zal uw duena zeggen?”

“Zij zal niets zeggen,” merkt Dona de Alva luchtig op. “De gravin De Pariza zal vanavond niet thuis zijn.”

“Niet? Ik meende, dat zij de staatsbarge bij zich had.”

“Ja. Zij houdt de barge bij zich in Antwerpen. Zij overnacht bij de gravin van Mansfeld. Sedert dien nacht—gij herinnert hem u immers, den nacht, dien ik zegen?—toen gij mij uit de handen der Geuzen bevrijd hebt, vreest de gravin De Pariza de Watergeuzen meer dan de vijanden uit de andere wereld, en ofschoon het heet, dat zij hier woont, is zij zooveel mogelijk iederen nacht afwezig. Zij komt niet terug voor morgenochtend.”

“Dat is een buitenkansje,” lacht Guy, in zijn hart Dirk Duyvel en zijn zeeschuimers zegenend, “dat zal ons voor veel onaangenaamheid bewaren; ik zal u altijd ’s avonds komen bezoeken. De gravin De Pariza kan haar tong niet in bedwang houden.”

“Neen, dat kan zij ook niet,” roept het meisje uit, “ik zal het haar echter leeren!” en op dit oogenblik is zij geheel Alva’s dochter. “Maar ga nu mee in huis. Gij zijt hongerig, en met uw wonden moet gij versterkend voedsel hebben. Kom mee aan het avondeten.”

En Guy laat zich gedwee naar dezen maaltijd leiden, met den eetlust van een zeeman en volstrekt niet met dien van een geest. Dona Hermoine neemt zijn arm, alsof zij vreesde hem te zullen verliezen. Als zij in de ruime vestibule van dit schoone buitenverblijf zijn gekomen, klapt zijn schoone dame in de handen, en de twee Moorsche meisjes, die Guy reeds vroeger heeft gezien, snellen toe.

“Alida, maak een kamer in orde voor dezen heer, die met mij het avondeten gebruikt,” beveelt Hermoine. Waarop een der meisjes, met een dienaresse, haar meesteres iets in het oor fluistert.

Hierop barst Dona de Alva in lachen uit, en zegt: “Zeker. Hij is mijn vriend, kolonel Guido Amati, dien gij met denzelfden eerbied moet behandelen als mij. Senor, als gij terugkomt, vindt gij den reuzenmaaltijd, dien gij besteld hebt, gereed.”

Waarop Guy, het Moorsche meisje,—hetzelfde, dat hem indertijd het pakje in de Citadel heeft gebracht en dat de vertrouwde dienstmaagd van zijn beminde schijnt te zijn,—volgend, zich weldra bevindt in een zoo luxueus ingerichte kamer, als hij ooit heeft gezien, ofschoon zij duidelijk de sporen draagt, voor een heer te zijn bestemd. Aan de muren hangen wapenen, in de aangrenzende kleedkamer staan mannenlaarzen en op de toilettafel ligt een misboek, fraai ingebonden, met het kasteel met de drie torens, een raaf op iederen toren—het wapen van Alva—er op;—hierin ligt een boekelegger, kunstig bewerkt en geteekend: “Uw Hermoine”.

“Welk mannelijk wezen,” denkt Guy bij zich zelven, half jaloersch, “is gewoon zich hier zoo huiselijk in te richten?” En zich tot het meisje wendend, dat hem hierheen heeft geleid en dat hem met nieuwsgierige, verwonderde oogen aankijkt, vraagt hij: “Zijn dit de vertrekken van een heer?”

“Ja! Het is de kamer van Zijne Hoogheid den hertog van Alva, als hij ons met zijn tegenwoordigheid vereert,” antwoordt het meisje met een diepe buiging en verlaat Guy, die nu het heiligdom van zijn vijand opneemt.

“Drommels!” denkt hij, “nu ben ik met recht in het hol van den leeuw.” En naar de pracht van de draperieën en den hemel van het bed kijkend, mompelt hij: “Een week geleden sliep ik in de herberg van Hasselaer te Haarlem!” en als al de verschrikkingen van den honger en den dood in de belegerde stad hem opnieuw voor den geest komen, schijnt zijn tegenwoordige weelderige omgeving hem bijna een droom toe.

Maar om geen tijd te verliezen,—want hij verlangt naar zijn beminde en ook naar zijn maaltijd,—borstelt de jonge man alle sporen van de reis van zich af en bedient zich daarna van zachter handdoeken, dan hij ooit in zijn gespierde handen heeft gehad.

En als hij vervolgens de breede eikenhouten trap afgaat naar de vestibule, wordt hij door het andere Moorsche meisje geleid in een vertrek, dat nooit uit zijn geheugen zal gaan—misschien niet om den indruk, dien het eerst op hem maakte, maar om hetgeen er later in gebeurde.

Het is een statig gewelfd vertrek in den rechtervleugel van het huis; een groot, vooruitstekend venster komt vlak aan het water van de Schelde uit, waardoor men het geklots van de golven kan hooren, want het venster is geopend en de zeilen zijn neergelaten om de ondergaande zon buiten te houden. Aan de eene zijde is de muur verdeeld in drie groote nissen. Daarvoor hangen zware gordijnen van dik Vlaamsch tapijtgoed, versierd met gouden kwasten, die dit vertrek scheiden van een ander, dat er achter ligt. Hier tegenover aan den tuinkant zijn vensters, die uitkomen op een balkon, beschut door schitterend gekleurde zeilen en voorzien van gemakkelijke zitplaatsen.

Op een met kussens bedekte sofa bij het vooruitstekende venster zit, terwijl de stralen van de ondergaande zon haar donker haar beschijnen, Hermoine. Bij zijn binnenkomst staat zij echter op, om hem te gemoet te gaan en zegt: “Ik heb geen toilet gemaakt; ik kon het niet over mij verkrijgen, u te laten wachten, gij zijt zoo hongerig!” waarop zij, in de handen klappend, uitroept: “Terstond opdienen!”

Onmiddellijk openen zich de zware gordijnen, weggetrokken door gouden koorden voor twee van de deuropeningen en de eetkamer wordt zichtbaar, waarin een tafel staat, bedekt met een sneeuwwit tafellaken, waarop goud en zilver schittert, Venetiaansch glaswerk fonkelt en een overvloed van bloemen een liefelijken geur verspreidt.

“Kolonel Amati,” fluistert Hermoine, en haar blanke hand in de zijne leggend, gaan zij samen naar binnen, om den maaltijd te gebruiken, die zoo weelderig is aangericht, als Guy nog nooit, zelfs niet aan het hof van Elizabeth, heeft gezien; want er zijn allervreemdste voorwerpen om mee te eten, vorken genaamd, waarvan hij het gebruik niet kent, en als Engelschman geeft hij de voorkeur aan zijn vingers en een servet.

Doch zijn gastvrouw is er op gesteld om hem het gebruik van deze Italiaansche uitvinding te wijzen, en toont hem, hoe hij dit instrument aan zijn mond kan brengen, zonder in zijn tong te prikken, waarbij Guy lacht en op treurigen toon uitroept: “Ik smeek u, Dona Hermoine, laat mij niet meer bloed verliezen!”

Hierop verbleekt zij een weinig, en hem aankijkend, fluistert zij: “Uw wonden, o ja—uw zware wonden. Eet en word sterk om mijnentwille.” En zij noodzaakt hem vol bezorgdheid, een reuzenmaaltijd te houden, waarvan hij volstrekt niet afkeerig is, daar de keuken uitstekend is en de wijn van de fijnste Spaansche merken en afgekoeld met ijs—een nieuwe mode, waaraan de Engelschman volle recht laat wedervaren.

Al dien tijd eet het meisje niets, en schijnt genoeg te hebben aan hetgeen haar oogen zien.

“Gij—gij eet niets, mijn Hermoine,” fluistert haar ridder, die nu van zijn kant ook bezorgd wordt.

“O, ik ben er aan gewend, te vasten,” zegt zij, “gij weet, dat ik mij voorbereidde voor het kloosterleven. Zou het niet verschrikkelijk zijn geweest?” en het bekoorlijke pruilende mondje geeft iets pikants aan de non in den dop.

“Gij zoudt in een klooster zijn gegaan om mijnentwille?”

“Dat was mijn plan. Er is een groot klooster in Valladolid—waarvan ik abdis zou worden—ik zou het rijk begiftigd hebben—”

“Gij abdis?”

“Ja. Zie ik er niet gestreng uit?” schertst de gelukkige Hermoine. “Misschien had ik mij toch nog bedacht. Ik begon reeds genoeg te krijgen van het gebedenboek. Maar nu denk ik niet meer over middernachtelijk waken—o, Guido mio—zeg mij, dat het geen droom is.”

“Ik wil meer doen—ik wil het bewijzen!” fluistert Guy en staat van de tafel op.

Hij ziet er uit, alsof hij eens goed gebruik van zijn recht wil maken. En daar Hermoine er niets tegen schijnt te hebben, hem dit recht toe te staan, geeft zij haar twee Moorsche meisjes, die hen aan tafel hebben bediend, een teeken, en als Chester en Hermoine de eetkamer verlaten, om naar het andere vertrek te gaan, vallen de gordijnen achter hen dicht en zijn zij alleen.

“Kom in het venster; daar krijgen wij weldra maanlicht,” zegt de jonge dame. En zij gaan naast elkaar zitten en kijken naar de kalme golven van de Schelde, terwijl een zoel zomerbriesje hun tegemoet waait door het geopend venster. “Zal ik wat muziek voor u maken?” vraagt het meisje.

“Uw stem is voor mij de schoonste muziek.”

“O,” roept Hermoine uit, “ik speel op de mandoline; ik bezit daar eenige vaardigheid in. Buitendien kan ik de cachuca en de bolero dansen. Morgenavond zal ik voor meer afwisseling voor u zorgen. Mijn Moorsche meisjes bespelen de harp en de guitaar en ik zal De Busaco inviteeren.”

“Inviteer, als ’t u belieft, niemand.”

“Zelfs den kleinen De Busaco niet, die niet wilde gelooven, dat gij dood waart?”

“Neen.”

“Weet gij, dat hij misschien ons geheim vermoedt?”

“Waarom?”

“Toen hij bij mij kwam, bracht hij mij twee brieven, die hem in handen waren gekomen, daar hij de zorg voor uw goed op zich had genomen. Hij overhandigde ze mij, zeggende: ‘Ik denk, dat zij wel eenige waarde voor u zullen hebben.’ ‘Gij hebt ze niet goed bewaard, mijn Guido.’” Er is een verwijt in haar oogen te lezen.

“Ik droeg uw brief altijd bij mij,” antwoordt Guy met veel tegenwoordigheid van geest.

“Mijn brieven,” verbetert hem het meisje; “ik zond er u drie.”

“O, ja, maar ik—ik noem uw brief, dien, welken ik het laatst ontving, en dien ik bij mij droeg om hem te kleuren met mijn bloed, denzelfden, die mij aanspoorde, om bevordering te verwerven door het verslaan van den Engelschen kapitein,” en Chester haalt het epistel voor den dag, gevonden op het lijk van Guido Amati na het gevecht op het ijs.

“Ja, de brief, die mij mijzelve deed verwenschen,” roept Hermoine uit, “de brief die, zooals ik meende, u den dood had gebracht in plaats van liefde; de brief, die u opdroeg, den dapperen Engelschman,—ik wil hem nu niet meer wreed noemen,—te dooden.” En er komen tranen in haar oogen, en snikkend zegt zij: “Vertel mij al uw avonturen van het oogenblik af, dat gij van mij verwijderd waart.”

Aldus gedwongen, geeft Guy een nauwkeurig verslag van het gevecht op het ijs, natuurlijk van een Spaansch standpunt uit, en zegt haar eindelijk, dat hij er zich vast van verzekerd houdt, dat de eerstvolgende slag, waaraan hij deelneemt, hem tot generaal zal doen bevorderen.

Een oogenblik later vraagt hij, naar de Schelde kijkend: “Zijt gij niet bevreesd voor de Watergeuzen?”

“Neen,” antwoordt Hermoine, “zij zijn allen naar Holland gegaan. Bovendien heb ik acht gewapende lakeien in huis en in de stallen nog vier als geleide bij de galei, dan ligt er garnizoen in Lillo, en een halve compagnie te Sandvliet, ginds vlak om den hoek.” Haar blanke arm maakt een bevallige beweging in de aangeduide richting. “Ik ben hier voor iedereen veilig, behalve voor u, mijn Guido.”

En Guy denkt, terwijl hij naar de Schelde kijkt, die verlicht is door de maan: “Veilig, behalve voor mij.” Want hij ziet in het Kromvliet, vlak bij de Zuid-Bevelandsche kust, de masten van de Dover Lass en in zijn hoofd rijpt een plan, volgens hetwelk hij Hermoine de Alva aan haar woord wil houden en haar de zijne wil maken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings