← Table of contents
Een strijd om de schatten van Alva

“HAHA! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!”

Reading edition

Terwijl zijn beminde haar best heeft gedaan om Papa’s toestemming te verkrijgen, heeft Chester gewerkt als een bever, die voor zijn wintervoorraad moet zorgen. De matrozen hebben onder leiding van Bodé Volckers al het zilver, waarvan een gedeelte in staven en de rest in Spaansche dollars, in den kelder gedragen, en terstond bij het openen van de stadspoorten, brengen zij de eerste vracht in het ruim van het schip, want het zilver neemt veel meer plaats in dan het goud, al is de waarde er van ook niet zoo groot.

Daar zij, zooals begrijpelijk is, zich hiermee zooveel mogelijk haasten, gelukt het hun, reeds op den middag alles in het ruim van de Esperanza onder dek te brengen.

Martin Corker, die in het huis van moeder Sebastian is gebleven, om toezicht te houden sinds Chester de wacht op de Esperanza heeft betrokken, zegt, met de laatste vracht aan boord komend, tot zijn commandant: “Bodé Volckers wenscht, dat gij, zoo gauw als ge kunt, in het huis van ‘de Stomme Duivelin’ bij hem komt.”

“Waarom?”

“Hij heeft de kist met juweelen nog laten staan. Hij was bang, dat eenige van de matrozen haar zouden wegmoffelen, zij is zoo gemakkelijk te hanteeren en houdt waarschijnlijk een groote waarde in.”

Met een onderdrukte verwensching aan het adres van den koopman, want Chester verlangt hoe eerder hoe liever uit te zeilen, loopt hij zoo vlug als hij kan naar het huis van moeder Sebastian en vindt daar Niklaas met vier matrozen, de laatste die er zijn achtergebleven.

“Heb ik u niet gezegd, dat ik overdag liever niet in de schatkamer ging?”

“Ja, maar ik wilde niet gaarne de juweelen verliezen,” antwoordt de koopman.

“Het geval ligt er toe,” zucht Chester, “ik zal er dus nog eens in moeten gaan.” Hij doet dit en vindt alles zooals vroeger. Als hij terugkomt van zijn tocht onder de gracht door naar het gewelf onder het groote bastion, lacht hij: “Alles is in orde, dit is het laatste van Alva’s nesteieren.”

“Hebt gij al de ijzeren deuren weer gesloten?”

“Ja.”

Daarna brengen zij de groote steenen weer op hun plaats, waardoor de ingang naar het gewelf wordt gesloten en leggen er de steenen van den keldervloer weer boven op, en nadat de matrozen eenige geldstukken, die uit een zak gevallen zijn, opgeraapt en bij zich gestoken hebben, ziet de kelder van senora Sebastian er precies weer zoo uit, als zij hem hebben gevonden. En als Bodé Volckers nog een flesch met rum naast de snorkende stomme vrouw heeft neergezet, schudden zij met een zucht van verlichting het stof van hun voeten.

“Hebt gij de papieren van uitklaring?” fluistert Guy.

“Ja, ik zal ze van mijn kantoor gaan halen.”

“Goed, dan zullen wij de zeilen maar hijschen,” zegt de Engelschman, en de kist met de juweelen, die hij met een mantel heeft bedekt, zelf dragende, begeeft Guy zich aan boord van de Esperanza.

Daarna maken zijn matrozen alles gereed om de Schelde af te varen, terwijl Guy ongeduldig wacht op zijn papieren van uitklaring, want iedere minuut komt hem nu voor als een uur van folterende onrust. Eensklaps verschijnt Bodé Volckers, bleek, zenuwachtig, zich reppend, zooveel als zijne dikke beenen onder zijn zwaar lichaam dit toelaten. Hij komt de loopplank op, en zegt, Guy de papieren toestekend: “Kapitein Andrea Blanco, uw papieren.”

“Gaat gij weer aan wal?”

“Neen, ik ben doodelijk geschrikt! God helpe mij! Ik durf hier niet te blijven. Breng mij naar de hut, er is iets verschrikkelijks gebeurd.”

“Wat?” brengt Guy met moeite uit, doch hij geeft tegelijkertijd zijn bevelen, om onder zeil te gaan. De matrozen vliegen allen naar hun post en Martin Corker grijpt het roer. Als zij de Schelde afzeilen, gaat Guy in zijn hut en fluistert tot den koopman, die half bezwijmd is:

“Wat is er gebeurd, wat heeft u zoo doen ontstellen?”

“Groote God! de hand heeft zich bewogen!”

“Welke hand?”

“De hand van Alva’s standbeeld!”

“Genadige hemel!—Wanneer?”

“Toen gij het gewelf binnengingt, vanmiddag om twaalf uur, heeft zich de hand van Alva’s standbeeld bewogen. Ze zullen nu al wel in het huis van moeder Sebastian zijn! Het standbeeld bewaakte Alva’s schat. God zij ons genadig, als zij een bode naar Lillo zenden, om de schepen aan te houden eer wij het fort voorbij zijn. Het garnizoen spreekt er van, alsof het iets bovennatuurlijks ware! Zij zeggen, dat het de val van Haarlem beduidt, maar ik weet nu, dat het zeggen wil, dat iemand in Alva’s schatkamer is binnengedrongen. Daarom was het helsche standbeeld daar neergezet,” roept Bodé Volckers uit.

Maar zijn laatste woorden zijn gericht tot een leege hut, want Chester is op het dek, om op de Esperanza alle zeilen te doen bijzetten. Het schip vliegt de Schelde af met zulk een vaart, dat het bijna onmogelijk zou zijn hen in te halen en Chester doet een schietgebed, dat de douanen hem niet te lang mogen ophouden.

Deze Spaansche beambten, die hij praait, ontvangt hij aan boord, en hun chef maakt hij gelukkig, door hem een rol dubloenen in de hand te stoppen, met het verzoek, om wat voort te maken, daar hij zich heeft te haasten om den wind en het tij. Dank zij de dubloenen, vergunt men hem spoedig te passeeren. Met een zucht van verlichting stevent Guy, steeds met alle zeilen bij, de Schelde af, en om vijf uur zijn zij de Dover Lass in het Kromvliet opzij gekomen en laden zij onmiddellijk den schat over in het gewapende schip.

Hiermee zijn zij om zeven uur reeds klaar; want Chester heeft nu honderd vijf en twintig matrozen aan het werk, die hun handen reppen, zooals zeelui altijd doen, als er uitzicht is op buit.

Vervolgens vraagt Guy aan Dalton: “Zijt gij er in geslaagd, een geestelijke van de Katholieke kerk in Zeeland voor mij op te sporen, zooals ik u had opgedragen?”

“Ja en het was alsof de drommel er de hand in had,” zegt de ruwe officier. “Ik kwam dadelijk terecht bij den eenige, dien de Hollanders gespaard hadden. Er was er eigenlijk nog wel een, maar Michael Krok had hem de ooren afgesneden en ik wist niet of hij een wettig huwelijk zou kunnen inzegenen,” want Guy is genoodzaakt geweest zijn eersten officier in het vertrouwen te nemen.

“Vraag hem, of hij hier wil komen,” zegt Chester.

En als de priester bij hem wordt gebracht, merkt de commandant op: “Men heeft u toch goed behandeld, eerwaarde vader?”

“Uitstekend. Men heeft mij zoo overvloedig van alles voorzien, dat het mij speet, dat het vastendag was. Ik lijd tegenwoordig geregeld honger. De Hollanders hebben mijn kudde verstrooid en mij van alles beroofd.”

“Weet gij, waarom ik u liet komen?”

“Ja, men zeide mij, dat ik een sacrament van de Kerk moest verrichten; ik ben daartoe bereid, want daarvoor ben ik op het eiland gebleven,”—hij wijst in de richting van Zuid-Beveland,—“alle vervolgingen, alle bedreigingen, alle beleedigingen ten spijt. Vraag iederen Watergeus of vader Anastasius ooit voor hen vluchtte, en er is slechts één onder hen, die de Katholieke priesters behandelde als Godsmannen. De ‘Eerste der Engelschen’ is, ofschoon hij Alva beoorloogt, een getrouwe zoon van Rome. Als zoodanig voldoe ik gaarne aan zijn verzoek.”

“Kent gij mij?” vraagt Guy.

“Ja, dat is de reden, waarom ik zoo spoedig kwam.”

“Dus wilt gij met mij gaan, om een sacrament van de Kerk te verrichten?”

“Dat zou ik voor iedereen doen, die er om vroeg.”

Guy is er van overtuigd, dat dit zoo is; want vader Anastasius is over geheel Zeeland bekend als een priester, die zijn Heer meer liefheeft dan zijn leven en die zijn plicht even nauwgezet vervult tegenover den nederigste als tegenover den hoogst geplaatste, zooals de Kerk dit voorschrijft.

“Geef vader Anastasius een plaats in mijn sloep,” zegt Chester kortaf tot Dalton. “Beman en bewapen ze!”

“Dat is reeds geschied.”

“De twee andere ook?”

“Ja.”

“Hoeveel man?”

“Zestig.”

“Dus blijven er nog zestig voor de Dover Lass over. Dat is voldoende, zelfs voldoende om het schip te verdedigen in geval van nood. Gij moet het commando over het schip van mij overnemen, Corker zal over de sloepen commandeeren. Zijn zij goed bewapend?”

“Ja, pistolen, haakbussen, pieken en strijdbijlen alles zoo goed in orde, alsof wij op roof uitgingen, in plaats van op een troubadours-avontuur,” antwoordt de luitenant.

Om acht uur is de schemering neergedaald over land en zee, en berekenende, dat een uur voldoende is om hem naar het landhuis te brengen, waar zijn beminde hem wacht, begeeft Chester zich op weg, in zijn sloep den Roomsch-Katholieken priester met zich nemend, en gevolgd door de twee andere sloepen; de roeiers spannen hun spieren in zooveel zij kunnen, want zij verlangen zoo spoedig mogelijk weg te komen, wetende, dat zij met hun schip nu een hoogen prijs waard zijn.

Veertig minuten later, dicht bij Sandvliet, ontmoeten zij een boot vol Italiaansche muzikanten met violen, mandolines, fluiten en harpen, en versierd als voor een feest.

Zij zijn vroeg in den morgen voor dien avond aangenomen door Achille, die nog altijd kajuitsjongen is. Allen zijn heel lustig en zingen een vroolijken Toskaanschen minnezang.

“Dit is mijn klein waterfeest,” fluistert Guy tot Corker, die naast hem zit en wien hij zijn laatste bevelen geeft. “De dame zal denken, dat het een pleziertochtje op de rivier is.”

“Oho! Ontvoering!” lacht de bootsman.

“Ja—om haar, die ik bemin en vereer—tot mijn vrouw te maken,” antwoordt Guy. Daarna fluistert hij: “Zij is Alva’s dochter.”

Waarop Corker een langgerekt gefluit doet hooren en mompelt: “Groote God!” en met een doodelijk ontsteld gelaat luistert, als Guy hem nog eenige orders geeft: “Neem de grootste sloep, bewaak den dijk tusschen het huis en Sandvliet, om de troepen tegen te houden, die bij een mogelijk alarm zouden kunnen aanrukken. De beide andere sloepen zullen de andere zijden van het huis bewaken.”

Want Chester vreest, dat op het laatste oogenblik een der lakeien of de gravin De Pariza bericht van wat er in Sandvliet gebeurt naar Lillo zal zenden of dat een onverwacht voorval zijn plannen zal dwarsboomen, en hij weet, dat als hij Hermoine ditmaal verliest, zij voor altijd voor hem verloren zal zijn.

Een oogenblik later fluistert hij verrukt: “Kijk, het huis ziet er feestelijk uit, het is geheel verlicht; zij is voor mij gereed, mijn bruid!” Nadat hij Corker nog de meest mogelijke waakzaamheid heeft aanbevolen, neemt deze het bevel op zich.

Twee minuten later bereikt Guy de landingsplaats.

“Onder dat venster daar, muzikanten; en speelt een zachte Venetiaansche serenade,” fluistert hij tot den leider der Italianen, naar het groote vooruitspringende venster wijzend, dat helder verlicht is.

“Si, gracioso, Senor,” antwoordt de leider van deze ongelukkige drommels; want Guy heeft hen voor zijn feest gehuurd met vorstelijk milde hand, zichzelf financieel als een Midas gevoelend. “Een aangenamen avond, senor, een recht aangenamen avond!” En de gelukkige Italiaan kust de hand van zijn milden begunstiger en gaat met zijn troep datgene tegemoet, wat het noodlot over hem heeft beschikt.

Hierop antwoordt Guy niets, maar springt aan land en fluistert tot zijn bootsman: “Houd de boot gereed, om onverwijld te kunnen vertrekken,” en tot den priester: “Ik verzoek u, met mij mede te gaan, eerwaarde vader.”

Zij gaan nu de trappen op naar den dijk en wandelen het pad op, dat door den kleinen tuin naar het huis leidt.

“Het is een zomernacht,” zegt Guy. “Vader Anastasius, zoudt gij er niet tegen hebben, hier onder de boomen op de bank te gaan zitten, totdat ik u laat roepen? Het is het sacrament van het huwelijk, dat ik mij door uw handen wensch te laten toedienen, en ik zou eerst nog met de dame willen spreken, eer ik u bij haar breng.”

“Zooals gij verlangt,” antwoordt de man Gods. “Ik kan evengoed voor u en uw huwelijk bidden hier onder den vrijen hemel als in een paleis.”

Daarna klopt Guy aan de huisdeur; hij is zonder wapens, behalve het rapier, dat de ridders steeds dragen, en het scherpe stiletto, dat hem nooit verlaat, want hij wenscht zijn beminde niet te verschrikken door een onnoodige tentoonspreiding van oorlogstuig.

De deur wordt terstond geopend door Alida, die fluistert: “Zij wacht u reeds, heer, en is overgelukkig! Neem de gelukwenschen aan van haar, die u beiden liefheeft en uw slavin is.”

Het Moorsche meisje wil zijn hand kussen, maar hij laat haar daarvoor den tijd niet en is het vertrek met het groote vooruitspringende venster reeds binnengetreden, om het verlicht te vinden door welriekende lampen, en versierd met bloemen, linten en groen, als voor een luisterrijk feest.

En van het venster, waar zij naar hem heeft staan uitkijken, zweeft een wezen van verrukkelijke aanminnigheid hem tegemoet en hij fluistert: “Mijn bruid, gij zijt veel te schoon voor deze aarde!”

Hij heeft gelijk, want het meisje is gekleed als een bruid, in glinsterende witte zijde, een kostbaar voortbrengsel van de weefgetouwen van Lyon. Zij heeft oranjebloesems in het haar, haar fraaie schouders en haar hals zijn wit als ivoor en de blanke arm, dien zij om zijn hals slaat, is zoo blank als albast: “Mijn Guido, eindelijk! Nu zult gij zien, welk een verrassing ik voor u heb. Kom met mij mee, nu zullen wij gelukkig zijn. Als ik er hem om smeek, zal hij misschien toestaan, dat wij dezen avond nog vereenigd worden.”

Haar vingers wijzen naar de kapel, en zij lacht: “Ik heb een verrassing voor hem ook. Ik heb vanavond tot de Madonna gebeden en nu ziet zij zoo vriendelijk op mij neer.”

Guy begrijpt niet recht, wat zij bedoelt, maar hij voelt zich overgelukkig, vooral als hij de kapel ziet, nadat de gordijnen zijn weggetrokken; de waskaarsen branden bij dozijnen op het altaar, het is versierd met bloemen en alles schijnt gereed voor een godsdienstige ceremonie.

“Kijk er niet te lang naar, maar kom mee. Hij zal verbaasd zijn, als ik hem de reden zeg.”

“Hij! Wie?”

“Dat zult gij aanstonds zien; ik zal hem bij u brengen.” Zij staan nu voor de draperieën, die den toegang naar de eetzaal afsluiten, en het meisje roept uit: “Trek de gordijnen weg!”

Als deze zich openen, fluistert zij: “Guido, op uw knieën voor mijn vader, die mij heeft beloofd, dat gij mijn echtgenoot zult worden—op uw knieën en dank hem, zooals ik doe!” en zij werpt zich neer voor de magere figuur in het zwart, die altijd het Gulden Vlies draagt, den Onderkoning van den koning van Spanje, den hertog van Alva.

Hoe groot is echter haar verbazing, als Guy, in plaats van zijn knieën te buigen, met een sprong en een kreet van ontzetting van haar zijde wegsnelt en de hand aan zijn rapier slaat.

Op hetzelfde oogenblik springen acht Spaansche busschutters door de geopende vensters in het vertrek en grijpen hem, terwijl zijn zwaard nog pas half is uitgetrokken, en binden zijn handen, doch niet zonder een wanhopige worsteling. Eer hij overmand is, ligt er een Spanjaard dood aan zijn voeten.

Het meisje is hevig ontsteld en roept uit: “Guido, zijt gij krankzinnig geworden, dat gij een Spaansch krijgsman doodt?” en zij voegt er op hoogen toon aan toe: “Mannen, bevrijdt dien officier terstond!”

Maar de mannen kijken slechts haar vader aan.

“Bevrijdt dien officier! Gij weet niet, wat gij doet. Maakt hem los! Het is kolonel Guido Amati, de aanstaande schoonzoon van uw Viceroy!” En als ter verontschuldiging zegt zij tot Guy: “Het is een allerjammerlijkst misverstand, mijn Guido. Worstel niet met hen, zij zouden u kunnen dooden.” Want Chester tracht zwijgend zich een weg te banen naar het venster, om er zich uit te werpen in de Schelde.

Daarna wendt Hermoine zich tot haar vader en roept uit: “Beveel uw soldaten, den man, dien ik bemin, weer vrij te laten. Is dat de manier, waarop gij de belofte houdt, die gij aan uw dochter hebt gedaan?”

Daarop vraagt de Hertog: “Wie is die man? Laat iemand mij dat zeggen. Herkent gij hem? Wie is hij?”

Naar voren tredend, salueert de brutale sergeant van Romero en fluistert in het oor van den Onderkoning: “Het is de ‘Eerste der Engelschen’!”

Bij deze woorden barst de hertog van Alva in een akelig gelach uit. “Haha! De vos is eindelijk gevangen! Mijn dochter, gij hebt de tien duizend kronen verdiend. Hij is de man, naar wien ik zoolang gehunkerd heb. Kom hier en kus uw vader!”

En tusschen dit alles door dringt de zachte muziek naar binnen van de harpen, mandolines en violen der muzikanten in de barge, die buiten op het water een serenade spelen.

De muziek hoorend en het voornemen van den Engelschman bemerkend, beveelt Alva op scherpen toon: “Zijn boot—zorg voor zijn boot! Laat niemand ontsnappen!”

Onmiddellijk wordt er gevuurd op de boot en klinken er hartverscheurende kreten uit de kelen der doodelijk gewonde Italianen, die sterven met de tonen der muziek op de lippen en onder het venster verdrinken.

Op hetzelfde oogenblik rukt Chester zich los en snelt naar Hermoine toe, en haar Guido, de man, dien zij bemint, vraagt haar huiverend: “Waarom hebt gij dat gedaan?”

“Waarom ik dat heb gedaan? Omdat ik u liefheb!” antwoordt zij. “Waarom hebt gij dien man gedood?” Want zij begrijpt het nog niet.

Maar haar vader zegt: “Kom bij mij, Hermoine, ik zal u alles uitleggen.”

Zij antwoordt: “Neen, neen!” En als Alva naar haar toe komt, roept zij afwerend: “Blijf waar gij zijt! Waag het niet, mij aan te raken, eer gij mij hebt gezegd, waarom gij uw belofte zijt vergeten!”

Daarop antwoordt Alva, met een stem, die haar zoo scherp voorkomt, als de bazuin van het laatste oordeel van onzen Heer hun zal voorkomen, wien geen hoop wacht in de eeuwigheid: “Dit is niet de man, dien gij meendet lief te hebben. Dit is niet Guido Amati. Hij werd gedood in het gevecht op het ijs, gedood door dezen Engelschen roover, dezen vervloekten zeeschuimer, dezen laaggeboren clown, die een Spaansch edelman naäapte, om uw vertrouwen en liefde te winnen.”

“Laaggeboren clown!” barst de Engelschman verontwaardigd los. “Dat is een leugen, waar gij dat schimpwoord met den naam van Chester verbindt. Hertog van Alva, gij spreekt tot een ridder; geridderd door de Koningin zelve. Ik heb in mijn aderen het bloed van de Stanhopes, die onder Willem den Veroveraar vochten; mijn neef is een Stanley en draagt een gravenkroon. Adeldom bezit ik genoeg voor u en de uwen. Denkt gij, dat ik haar, die ik bemin, zou misleid hebben door haar te bewegen tot een verbintenis met onedel bloed? Hier op mijn borst draag ik de gouden sporen van mijn ridderschap!”

Het meisje, dat ineengekrompen is onder de woorden, die den man, dien zij liefheeft, als een onedele brandmerken, rukt de sporen van zijn borst, die toonen, dat hij van rang is, houdt ze Alva voor en roept op bijna gelukkigen toon uit: “Hij is van adel! Vader, hoort gij mij? Hij is van adel. Nu kunt gij niet meer weigeren, hij is van adel, al is hij”—zij breekt eensklaps af en zegt stamelend tot Guy, want zij begint het nu te begrijpen: “Zijt gij de—de ‘Eerste der Engelschen’?”

“Ja!”

Het antwoord wordt gegeven op een hoogen en trotschen toon, en nu wordt haar eensklaps alles helder en zij stamelt: “O, nu begrijp ik alles—! Deze—deze Oliver, zijn vriend—den dag, dat hij mij bevrijdde—den dag, dat zij zeiden, dat de Engelsche zeeroover in Antwerpen was.” Daarna fluistert zij, bijna juichend: “Dien dag, mijn lieveling, heb ik u tweemaal gered; thans wil ik u wederom redden!”

Doch deze woorden eindigen in een verschrikkelijken kreet, als Alva, op een toon, even onwrikbaar als de rots der eeuwen, ijskoud zegt: “Gomez, haal den beul!”

“Den beul! Vader, gij begrijpt het niet. Dit is de man, dien ik bemin.”

“Gij bemint hem?” spot de Hertog. “Gij bemint den vijand van uw land? Dezen man, een vriend van Oliver, den verrader in mijn omgeving, wiens aanval op Bergen Oranje tijd gaf, om geheel Holland in opstand te brengen, den man, die mij ter wille van zijn koningin beroofde van mijn Italiaanschen schat? Gij moet hem haten, mijn dochter, zooals ik doe,” en hij wendt zich af om zijn verdere bevelen te geven.

Bij deze woorden vertoont er zich een spotachtige lach om Guy’s mond, maar Hermoine legt haar hand op zijn lippen en fluistert smeekend: “Vertoorn hem niet, beheersen u, om mijnentwille, mijn Guido—mijn Engelschman. Ik kan Papa om mijn kleinen vinger winden,” en zij tracht hem bemoedigend toe te lachen: “Kijk wat ik ga doen.”

En in het volgend oogenblik slaat zij haar armen om zijn hals en vleit: “Wat spreekt gij toch voor onzin? Gij doet altijd, wat uw Hermoine u zegt te doen. Lieve papa, zal ik u aan uw stouten baard trekken?”

Hij antwoordt echter: “Kind, gij begrijpt mij niet. Ik zal allerlei mooie zaken en nieuwe kleederen voor u uit Frankrijk laten komen. Gij zult hem spoedig vergeten!” en met verheffing van stem:—“De beul!”

Zij laat zich echter niet zoo gemakkelijk afschepen en tracht te lachen: “De beul?—voor den man, dien gij mij tot echtgenoot beloofd hebt? Welk een onzin! Gij bedoelt den priester. Mijn lieve, beste domme papaatje, laat dadelijk den priester halen!”

Doch Alva antwoordt ijskoud: “Om hem te laten biechten, als hij geen ketter was!” Daarop vervolgt hij op strengen toon: “Gomez, waarop wacht gij nog? Gij hebt mijn bevelen—De beul!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings