← Table of contents
Een strijd om de schatten van Alva

ALVA’S DOCHTER.

Reading edition

“Ja, het was juist op tijd,” fluistert de Engelschman, eveneens een zucht van verlichting slakend. Daarna werpt hij een haastigen blik op de groote Hollandsche klok in de gelagkamer, die langzaam tikt.

Als hij dit opmerkt, begint de schilder te lachen. “Het zien van den vader doet u naar de dochter verlangen, hè? Maar ge zult nog een half uurtje geduld moeten hebben, mijn ongeduldige minnaar. Buitendien heb ik vandaag nog niets gegeten. De provoost-geweldige moet maar wachten, tot ik verzadigd ben. Neem deel—aan mijn diner.”

Nadat zij hun verlangen aan een vluggen knecht hebben kenbaar gemaakt, nemen zij plaats, om een haastigen en toch gezelligen maaltijd te houden, met een vredig en voldaan gevoel, want deze jonge mannen zijn zóó gewend aan gevaar, dat iedere korte pauze in hun aanhoudende worsteling met den dood hun een kalme, rustige en genoeglijke tijd toeschijnt.

Terwijl hij eet en drinkt, werpt Guy nu en dan een afgetrokken blik naar buiten; er gaan een menigte menschen over de Schoenmarkt. Deze menigte heeft een schilderachtig aanzien door de bonte mengeling van kleederdrachten, want bijna alle natiën der wereld zijn hier vertegenwoordigd. Antwerpen is op dit oogenblik het middelpunt van Noord-Europa en de grootste handelsstad van de wereld.

Op de rivier liggen schepen, die ladingen innemen, bestemd voor de Indien, Oost en West, zelfs voor de ver verwijderde stranden van Peru en de Kaap de Goede Hoop; andere, die terugkeeren uit de Oostzee en de Middellandsche zee, worden gelost, en dientengevolge verhoogen zeelieden en bezoekers uit alle bekende deelen van den aardbol de levendigheid van het tooneel.

Vreemd genoeg, ziet men op dat tijdstip geen Engelschen in Antwerpen; want sinds Elizabeth de achthonderd duizend kronen van Alva roofde, heeft de Hertog allen handel met Groot-Brittannië verboden en beslag gelegd op alle Engelsche bezittingen in de stad, en alle Engelschen, die te Antwerpen woonden, of er zaken deden, vandaar verdreven; en vroeger hielden er zich een groot aantal op en was de Engelsche wolhandel een voorname bron van inkomsten voor de stad. Juist nu heeft Antwerpen zijn toppunt bereikt, waarvan het spoedig, tengevolge van de afpersingen, de belastingen en de tyrannie van den Spanjaard, zal dalen tot een handelsstad van den vierden rang.

De burgers echter, ofschoon lijdende onder den druk, vermoeden daarvan nog niets, en de kooplieden gaan lachend over de straat, zich beschouwende als vorsten op een handelstroon, die nooit kan wankelen.

De totale afwezigheid van Engelsch bloed en Engelsche gelaatstrekken zouden Guy in het oog doen loopen, als er niet verscheidene Deensche officieren van De Billy in de stad waren, bij sommigen van welke men eveneens het blonde haar en de blauwe oogen van het Saksische type opmerkt.

“Nu moet ik Alva’s bevel aan den provoost-geweldige overbrengen. Gelukkig is zijn bureau niet ver van hier. Wacht op mij, ik ben in een kwartier terug. Gij behoeft niet zoo ongeduldig naar de klok te kijken,” zegt Oliver lachend.

Maar Guy kijkt niet naar de klok. Zijn oogen zijn gevestigd op een man in de kleederdracht van een Zeeuwschen handelaar, die zorgvuldig zijn schildpadden bril afveegt en daarna het plakkaat leest, dat een belooning uitlooft voor het hoofd van den “Eerste der Engelschen”. Als de Zeeuw zich omkeert, is de Engelschman er zeker van, dat hij hem meer heeft gezien.

Een oogenblik later meent Guy, dat de man hem ook herkent; ofschoon hij het hoofd afwendt, houdt hij hem toch in het oog en merkt op, dat deze van zijn kant hetzelfde doet.

“Laat mij meegaan naar den provoost-geweldige,” fluistert hij Oliver toe.

“Gij—wilt daar heengaan?” brengt Antony verwonderd uit, zijn oogen wijd openend.

“Ja,” antwoordt Guy. “Er is hier een man, die mij herkent en ook bekend is geworden met de waarde van mijn hoofd. Als hij mij volgt, zal ik hem een poets bakken.”

Als zij zich op weg begeven, Oliver met een heel ernstig gelaat, ontmoeten zij den kleinen De Busaco, die met groote passen naar hen toe komt en buitengewoon hartelijk wordt verwelkomd door Chester, daar deze niet ten onrechte meent, dat intimiteit met Spaansche officieren de achterdocht van den man, die hem bespiedt, misschien zal verdrijven.

“Gij zijt in goed gezelschap, zie ik, Amati,” zegt de kleine vaandrig. “Wees zoo goed, mij voor te stellen aan den ondersecretaris van den Hertog.”

En als dit gedaan is, vraagt de jonge Spanjaard: “Waar gaat gij heen?”

“Naar den provoost-geweldige.”

“Dan ga ik mee,” herneemt De Busaco. “Ik moet daar toevallig ook wezen. Ik zou gaarne verlof hebben, om vanavond in de stad te blijven. Een Vlaamsche schoone, gij begrijpt me!” en hij strijkt zijn knevel krijgshaftig in de hoogte.

Als zij samen hun weg vervolgen, begint De Busaco, die zich blijkbaar om die reden bij hem heeft gevoegd, Oliver uit te hooren, welke vooruitzichten er bestaan op een spoedige betaling van de achterstallige soldij voor het garnizoen van Antwerpen; of hij iets van de plannen van den Hertog weet; of de tiende penning geregeld inkomt, enzoovoort; zijn verliezen bij het drinkgelag hebben klaarblijkelijk zijn belangstelling in die zaak nog aanmerkelijk verhoogd.

Guy let hier echter weinig op. Hij is geheel oog en oor om te ontdekken, of de Zeeuw hen volgt. Op de Schoenmarkt is het zóó druk, dat dit moeilijk valt uit te maken, maar als zij de Kammestraat zijn ingeslagen, de herberg De Roode Leeuw voorbij zijn en de nauwe steegjes, die naar de voornaamste waterpoort van de stad leiden, waar het bureau van den provoost-geweldige zich bevindt, wordt de menigte minder talrijk, en als Guy zich even omkeert, ziet hij den man dicht achter zich.

Deze volgt het drietal tot aan de poort, doch blijft als versteend van verbazing staan, als hij Guy en Oliver, vergezeld door den Spaanschen officier, het bureau van Alva’s provoost-geweldige ziet binnentreden, op de deur van welk gebouw de belooning van drie duizend Carolus-guldens is aangeplakt.

“De Busaco,” merkt de Engelschman op, terwijl hij aan de deur blijft stilstaan, “ziet gij ginds dien Zeeuw?”

”Ja.”

“Wilt gij een klein sommetje verdienen, als schadeloosstelling voor uw achterstallige soldij?”

“Santos! Wat graag!”

“Roep dan een paar soldaten en neem hem gevangen. Hij woont in de weerspannige gewesten, te Vlissingen. Ik geloof dat de Raad van Beroerten op hem loert.”

“Een belooning!” roept de kleine Spanjaard uit, en de wachtkamer binnenstormend, met verwaarloozing van alle militaire vormen, schreeuwt hij: “Gauw, gauw, een paar man tot mijn assistentie,—er is wat te verdienen!”

Twee Spaansche soldaten komen ijlings naar hem toe, hij snelt met hen de straat op en achtervolgt weldra, zoo snel als hij kan, den Zeeuwschen koopman, schreeuwend: “Heretico fugitivo!” en andere woorden van dolle woede, welke den persoon in quaestie beenen doen maken, met het gunstig gevolg dat deze, die goed den weg weet in de stad, zich kan verbergen in een van de blinde sloppen van dit kwartier en den kleinen Spanjaard ontsnapt, wiens hooge, wijde laarzen juist niet bevorderlijk zijn aan zijn vlugheid van beweging.

“Ik kon hem niet inhalen,” klaagt De Busaco, als hij vijf minuten later buiten adem terugkomt, aan Guy, “maar ik zal hem in het oog houden.”

“Doe dat; de belooning zal u uw achterstallige soldij doen vergeten,” merkt Guy op, als Oliver terugkeert, nadat hij met den kapitein van de wacht alles heeft afgesproken voor de arrestatie van De Guerra.

“Ik denk,” lacht Chester, als hij en Oliver hun weg vervolgen (want zij hebben den vaandrig bij den provoost-geweldige gelaten), “dat die snuiter uit Zeeland wel geen haast zal maken, zich aan een der wachthuizen in de stad aan te melden, om inlichtingen omtrent mij te verschaffen. En nu, na gevaar—” de uitdrukking van zijn gelaat geeft zijn bedoeling te kennen aan den schilder, die zijn woorden aanvult met: “Liefde!”

De twee vrienden gaan nu weer door de Kammestraat over de Schoenmarkt naar de Place de Meir, waar het deftige huis van Bodé Volckers ligt, en als zij er binnentreden, bevinden zij zich weldra in tegenwoordigheid van een koopmansfamilie uit dien tijd.

Guy is echter een weinig teleurgesteld, als hij, de verwulfde koetspoort doorgaande, geen equipage op het binnenplein ziet staan.

“Wees niet ongeduldig, het is beter, dat wij de eersten zijn, dan kan ik alles voor de inkoopen regelen, eer Dona de Alva met de Gravin komt,” zegt de schilder.

Oliver gaat Guy voor met de familiariteit van den vriend des huizes en klopt aan een zijdeur aan den overkant van het binnenplein, die bijna onmiddellijk wordt geopend door het dienstmeisje van den vorigen avond; de kamenier Wiarda is zeker ergens anders bezig.

Zij worden regelrecht geleid in een vertrek, dat blijkbaar de huiskamer is. De leden van het gezin,—bestaande uit den koopman zelf, zijn zoon Jacob, een jongen van zestien jaar, die pas de school voor het kantoor heeft verlaten, en zijn dochter Wilhelmina, wier zijdeachtige blonde krullen en vroolijke blauwe oogen zulk een diepen indruk hebben gemaakt op Olivers hart,—voeren blijkbaar een klein dispuut, want hun stemmen klinken luid en schel.

De oude heer, een energieke maar corpulente Vlaming, met het type van een rijk koopman, is zeer opgewonden. Zijn wangen zijn rood van drift. Ook in de blauwe oogen van de jonge dame flikkert toorn, ofschoon zij min of meer omfloerst zijn door ingehouden tranen, en een der hoeken van den fijn besneden mond trilt zenuwachtig. De jongen schijnt, zooals de meeste jongens van zijn leeftijd zouden doen, zich te vermaken met de woordenwisseling tusschen zijn vader en zijn zuster, want zijn blond Germaansch gezicht heeft moeite om een lach te weerhouden. Als hij durfde, zou hij het uitschateren van pret.

“Zoo, Oliver,” roept de koopman uit, hem te gemoet komende met uitgestoken handen, “terug van Brussel! Dat was maar een kort uitstapje!” en hij verwelkomt den schilder, los en gemeenzaam, als een vriend des huizes.

Juffer Wilhelmina daarentegen groet Antony op deftige Spaansche wijze, en steekt haar beminde de blanke vingers toe, hem verlof gevend, ze te kussen.

De jongen giegelt alleen: “Hoe gaat het u?”

“Ik ben zoo vrij geweest, een vriend mee te brengen, kapitein Guido Amati van het garnizoen te Middelburg,” zegt de schilder.

“Een vriend van u, Oliver! Welkom,—welkom in mijn huis,” zegt Niklaas met Vlaamsche gastvrijheid, Guy hartelijk de hand schuddend.

“Kapitein Amati is een kennis van Dona Hermoine, en als secretaris van den Hertog—”

Het is onnoodig, meer te zeggen; als hij den naam van de dochter van den Onderkoning uitspreekt, is juffrouw Wilhelmina ook aanstonds een en al voorkomendheid en houdt hem haar slanke vingers toe voor een Spaanschen groet. Guy weet nu ook wat hem te doen staat, hij vergist zich ditmaal niet en drukt een kus op de blanke hand, waarvoor hij misschien wel wat veel tijd neemt, naar Oliver’s meening.

De koopman, op en top de eenvoudige Vlaming, roept nu uit: “Stoelen, Wilhelmina; stoelen voor de heeren!”

“Vader,” antwoordt het meisje op hoogen toon, “gij vergeet, dat wij lakeien in huis hebben,” en na een tafelschel in beweging te hebben gebracht, beveelt zij den binnentredenden bediende, den cavaliers stoelen te geven.

“Oho! nog meer vreemde kuren!” spot de oude heer op scherpen toon, blijkbaar het gesprek weer opnemend, waar het was afgebroken. “Vergeet den Vlaamschen eenvoud niet, mijn dochter. Ofschoon uw vader een millionnair wordt genoemd, kon hij wel eens niet lang meer een millionnair blijven, tengevolge van dien verwenschten tienden penning,” voegt Niklaas er aan toe, op de tanden knarsend.

“Gij komt van Brussel, senor Antony,” valt de jonge dame hem in de rede, de Spaansche wijze van aanspreken navolgend. “Daar hebt gij zeker, als onder-secretaris van den Hertog, de hertogin van Aerschot ontmoet. Zij komt vandaag in Antwerpen en geeft morgenavond een partij. Gij komt er natuurlijk ook, kapitein Amati, en gij eveneens, senor Oliver?”

“Ik moet ongelukkig Antwerpen vanavond alweer verlaten,” antwoordt Guy.

“En onder-secretarissen en herauten worden niet uitgenoodigd,” merkt de schilder op, die zich klaarblijkelijk met hun uitsluiting volstrekt niet kan vereenigen.

“Maar gij zijt toch zeker uitgenoodigd, freule Bodé Volckers?” vraagt Guy. “Uw dansen wordt, naar ik hoor, zeer bewonderd.”

“Natuurlijk,” antwoordt de jonge dame achteloos.

“Natuurlijk niet!” roept de Vlaamsche vader uit met het air van een Romeinschen.

“Papa!”

“Wel vermaledijd! Denkt gij, dat ik u nogmaals zal toestaan, jonge dame, mijn koetspaarden tot laat in den nacht buiten te laten wachten, zooals gisteravond, zoodat zij ’s morgens voor den vrachtwagen in slaap vallen! De gravin van Mansfeld gisteren en de hertogin van Aerschot morgen, en gij niet vóór het middagmaal uit uw bed! Mijn bedienden spelen den baas in huis; gij houdt sinds weken uw huishoudboek niet meer bij. Spreek mij niet tegen, dametje, ik heb uw huishoudboek ingekeken, niets opgeschreven,—niets opgeschreven,—geen greintje handelsgeest! Maar laat ik u zeggen,” voegt de oude heer er aan toe, “dat als zoo iets weer gebeurt, gij voortaan om acht uur beneden zult zijn, om de vrouwelijke klanten in den winkel te bedienen,” en hij wijst naar het gedeelte van het huis, waar het magazijn zich bevindt. “Onthoud dat!”

En zijn woede verder opkroppend, zegt papa Bodé Volckers Guy en Oliver vaarwel met de hatelijke opmerking, dat hij de zaken wel moet nagaan, als niemand anders in huis het doet, en neemt den giegelenden jongen met zich.

“Papa is heel zonderling. Een dergelijk gesprek begint altijd met den tienden penning,” merkt de jonge dame ernstig op. Dan vervolgt zij, half zuchtend, half lachend: “Wij hebben dat bijna iedere week, ofschoon niet altijd in het publiek. Hij zal zoo aanstonds wel terugkomen,” en zij begint verschrikt en zenuwachtig te lachen, als de oude heer haar profetie vervult, door zijn hoofd door de deur te steken en te roepen:

“En den Franschen kakkerlak, die u leert uw voeten in de lucht te gooien, heb ik vanmorgen met ceintuur, halskraag en al de deur uitgesmeten!”

Dit bericht blijkt echter te veel voor de zelfbeheersching der schoone Wilhelmina. Met een kreet van schrik springt zij op. “O papa! Arme, lieve, kleine monsieur de Valmy!” en de tranen springen haar in de oogen.

“Ja, en de muziekmeester, die vent, die op het spinet speelt, zal hem volgen. Niets meer van al die malle bokkensprongen, niets meer van al die halve trillers en dat hooge Italiaansche gegil,” bromt de oud-burgemeester. “Denk aan den tienden penning! Op een goeden dag zal ik zelf nog muziekmeester moeten worden,” en onder het uiten van die buitensporige profetie verdwijnt Bodé Volckers naar zijn kantoor.

Maar dit is iedereen te kras. Allen beginnen te schateren, juffrouw Wilhelmina het hardst, steeds uitroepend: “Muziekmeester! Daar is hij juist voor in de wieg gelegd! Halve trillers en gegil!”

En terwijl zij plaats neemt voor het spinet, begint zij glimlachend een Provençaalsch liedeke te zingen, met zooveel natuurlijke gratie, dat beiden, Oliver en Guy, eenstemmig verklaren, dat het schande zou zijn, als de muziekmeester werd afgedankt, tiende penning of geen tiende penning.

Dit schijnt hen allen op hun gemak te zetten, en juffrouw Bodé Volckers vergast nu de heeren op een verslag van het groote feest bij de gravin van Mansfeld ter eere van Dona Hermoine de Alva, den vorigen avond, en noemt de namen van de seigneurs de Noircarmes, d’Avila, Mondragon, Gabriel de Cerbolloni en andere officieren en edelen, die tegenwoordig waren, evenals de jongere gravin van Mansfeld, de aristocratische barones d’Ayala en de schoone Dona Anica de la Medrado, die juist uit Madrid was aangekomen en de laatste modes had meegebracht. “Ik was de eenige uit de stad,” voegde zij er argeloos aan toe, “maar mijn dansen werd zeer bewonderd.”

Een oogenblik later wordt dit bewezen.

Men hoort het trappelen van hoeven op het plein en men ziet vier prachtige Spaansche muilezels aankomen met een staatsiekoets achter zich, de voorrijders en lakeien in de schitterende livrei van Alva.

Een seconde later komt Dona Hermoine de kamer binnen, gekleed in kostbaar bont, haar trotsch hoofd beschaduwd door een zwierigen Spaanschen hoed met lange witte veeren, haar donkerkleurig gelaat stralend, terwijl haar oogen nog levendiger worden, zoodra zij Guy opmerkt. Achter haar aan schrijdt de gravin De Pariza, duena van top tot teen.

Ofschoon Guy en Oliver zoo vlug mogelijk opstaan om rang, titel en schoonheid te begroeten, is juffrouw Bodé Volckers hun toch reeds voor en verwelkomt de dames, die haar en haar huis zooveel eer aandoen.

“Hoe minzaam van u, Dona de Alva, hoe vriendelijk van u, gravin De Pariza,” zegt zij, “om mij zooveel eer in mijn eigen huis te bewijzen,” en buigende tot op den grond, kust zij Hermoine’s hand, hetgeen die jonge dame, dochter van den onderkoning van Spanje, genadig veroorlooft,—daarna gaat deze echter onmiddellijk op de buigende heeren af, om hun hetzelfde voorrecht toe te staan.

De gravin De Pariza steekt haar deftige, magere, strenge hand niet uit als de dochter van den oud-burgemeester tot op den grond voor haar buigt, doch zegt tamelijk uit de hoogte: “Wij zijn hier gekomen, juffrouw Bodé Volckers, om u nog eens te zien dansen. Het verschafte mij gisteravond veel vermaak.”

“Om mij te zien dansen—hier?” zegt de jonge dame pruilend, omdat de Gravin haar aanspreekt met juffrouw, den titel van de middelklassen, en haar met weinig meer onderscheiding behandelt dan een dienstmeisje. “Ik—ik ben niet in kostuum. Buitendien, deze heeren—”. Juffrouw Bodé Volckers is geheel van haar stuk gebracht, daar het verzoek het karakter draagt van een bevel, dat haar voor kapitein Guido Amati meer het voorkomen geeft van een danseres, dan van een jonge dame uit de groote wereld.

“O, gij kunt uw kostuum immers aandoen. Ga naar boven en haast u een weinig. Die rose zijden kousen staan u goed,” antwoordt senora De Pariza. “En wat deze heeren betreft,”—zij vestigt haar Argusoogen op Chester en Oliver, die in gesprek zijn met Dona Hermoine, ofschoon Antony, als onder-secretaris van haar vader, een weinig achter den Engelschman staat, die een krijgsman van rang en aanzien is met zijn titel van kapitein van de musketiers,—“dat zijn natuurlijk familieleden, daar gij ze alléén ontvangt, juffrouw Bodé Volckers. Maar dat komt niet te pas voor een meisje van uw leeftijd. Slechts met broers mag men zich zoo iets veroorloven, met neven is het reeds gevaarlijk. Wip dus vlug de trappen op en trek dat Hongaarsch kostuum aan, dat u gisteravond zoo goed stond. Ik zal een mijner Moorsche meisjes vragen, om op het spinet te spelen.”

En de duena wil zich reeds naar de deur begeven, om een der meisjes te laten komen, als Dona Hermoine, die de verlegenheid opmerkt, waarin het bevel het jonge meisje, dat haar hartje zoo hoog draagt, heeft gebracht,—met die neerbuigende minzaamheid, waarmee hooggeplaatste personen beneden hen in rang staanden op hun gemak weten te zetten, plotseling uitroept:

“Dansen, gravin? Dan ben ik tot uw dienst!” en met een bevalligen zwaai haar pelsmantel afwerpend en den zoom van haar zijden japon opnemend, staat zij in een losse, bevallige houding voor hen, terwijl zij lachend zegt: “Castagnettes, en ik ben een Andalusische Zigeunerin!”

Maar de duena keert onthutst terug en roept verbolgen uit: “Voor deze heeren, Dona de Alva?”

“Waarom niet, als ik goed genoeg kan dansen, om hen te behagen? Kapitein Guido heeft mij gisteravond zulk een grooten dienst bewezen, dat ik wel iets tot zijn belooning en voor zijn genoegen mag doen, en senor Oliver is iemand, die tot mijns vaders huishouding behoort en als zoodanig een goede bekende.”

Bij deze woorden deinst Oliver een stap achteruit. Den vader, den tyran, kon hij verraden, maar de gedachte, dat dit wezen, zoo goed en beminnelijk, hem eens voor een verrader en een laaghartige zal houden, doet nu reeds de wroeging aan zijn hart knagen.

“Dansen! De dochter van den Onderkoning hier dansen en haar voeten hoog oplichten?” roept de duena verontwaardigd uit.

“Waarom niet?” lacht het meisje overmoedig. “Heb ik dan niet geposeerd voor Oliver’s Madonna—en dat nog wel met bloote voeten? Eenmaal zal ik senor Antony beroemd maken of, liever, hij zal mij onsterfelijk maken door zijn talent en zijn altaarstuk.”

“Gij hebt voor uw voeten geposeerd?” zegt Guy op halfluiden toon, met verrukking het fraai gevormde voetje beschouwend, dat het meisje laat zien, terwijl zij nog steeds in de houding van een Zigeunerin voor hen staat.

“Ja, ik hoop, dat hij ze naar uw smaak klein genoeg geschilderd heeft,” lacht de jonge dame. “Maar ga gij aan het spinet zitten, senorita Mina, en speel voor mij, opdat ik de gravin De Pariza met een dansje genoegen kan doen,” voegt Dona Hermoine er aan toe, haar duena, die haar verlangen naar een proeve van de kunst van Terpsichore geheel schijnt verloren te hebben, schalks aankijkend.

Deze zegt dan ook scherp: “Als juffrouw Bodé Volckers niet genegen is, mij het genoegen van gisteravond nog eens te doen smaken, zal ik naar haar vaders winkel gaan en zien, of daar vandaag ook koopjes zijn te doen in Lyonsche zijde en fluweel en Venetiaansche kant.”

“Dat zou ik denken!” merkt Oliver op. “Buitengewone koopjes! De schade, door het water veroorzaakt, moet alle prijzen verlaagd hebben.”

“Koopjes? Kom, laat ik dan eens gaan zien,” en De Pariza begeeft zich naar de deur om haar beide Moorsche meisjes te roepen, maar Guy, die haar reeds, van het oogenblik af, dat zij binnenkwam, naar de maan heeft gewenscht, haast zich beleefd de deur voor haar te openen, die toegang geeft tot het binnenplein, aan welks overzijde het magazijn van den koopman zich bevindt.

Dona Hermoine is blijkbaar niet gekomen, om ook inkoopen te doen; zij vergezelt haar duena tenminste niet, maar blijft nog staan, een toonbeeld van gratie, in de houding, die zij voor den dans heeft aangenomen.

“Gij maakt u niet druk met nieuwe kostuums, Dona de Alva,” merkt Guy droomerig op, geheel onder den indruk van de bevallige pose van het meisje, die nog wordt verhoogd door het engsluitende half Zuid-Spaansch, half Moorsch kostuum van dunne stof, dat elke lijn van haar bevallige schoonheid duidelijk doet uitkomen en, opgenomen door een fijn handje, even een enkel laat zien, zoo volmaakt in proportie en vorm, dat dichters er over zouden droomen,—maar de vermetele jonge zeeman is er eenvoudig verliefd op.

“Neen, waarom ook? Ik heb ze bij dozijnen, die ik niet eens alle draag, en Papa zou er mij duizend geven als ik dwaas genoeg was, er hem om te vragen,” antwoordt Dona Hermoine, haar Zigeunerhouding opgevende en haar Moorschen rok latende vallen. “Hij geeft mij alles, wat ik begeer.” Dan merkt zij naïef op: “Gij zijt mijn naam te weten gekomen—gij weet nu, dat ik de dochter van den Viceroy ben, kapitein Guido Amati. Gij—gij ziet, dat ook ik uw naam ben te weten gekomen. Of beter gezegd: majoor Guido Amati.”

“Majoor?”

“Ja; bevorderd sedert vanmorgen!”

“Maar uw vader—?”

“O, ik heb hem er niets van gezegd. Gij zijt afwezig zonder verlof. Ik heb ook niets gezegd aan Sancho d’Avila, die kolonel in uw regiment is, tijdens Romero’s verblijf in Spanje. Maar er was een plaats open en het was gemakkelijk, haar te doen geven aan kapitein Guido Amati, die, zooals mij werd verteld, de dapperste officier van het leger is, of althans een van de dappersten.”

“Majoor bij Romero’s voetvolk!” stamelt Guy, die haar, terwijl zij sprak, geheel verbijsterd heeft aangestaard.

“Ja, ik heb de monsterrol van het regiment zelf ingezien, om mij te overtuigen, dat kapitein veranderd was in majoor.”

“De monsterrol!” brengt Guy met moeite uit, zijn ooren niet vertrouwend.

“Ja, er zijn duplicaten in de Citadel.”

“De monsterrol in de Citadel,” stamelt hij, geheel verbluft. Maar hij is gelukkig zoo wijs te bedenken, dat verbazing hem zal verraden, en dat dankbaarheid het eenige is, waarmee hij deze verrassende mededeeling kan ontvangen, een dankbaarheid, die hem niet moeilijk valt. Zijn voordeel doende met de houding der jonge dame, want zij heeft haar hand naar hem uitgestrekt met een gelukkig, bevallig gebaar, drukt hij er één kus van erkentelijkheid op en twee kussen van liefde, waarop mademoiselle Brunette’s leliën in rozen veranderen.

Dit wordt begunstigd door de omstandigheid, dat het paar zich alleen bevindt, daar Oliver de schoone Mina heeft meegetroond naar de aangrenzende kamer en haar in het oor fluistert: “Kijk eens in Dona Hermoine’s oogen. Leest gij daarin geen verzoek, dwaas meisje? Zij redde u uit de verlegenheid, waarin haar duena’s verzoek om te dansen u bracht; doe nu ook iets voor haar. En doe ook uw vader genoegen. Ga naar het magazijn en wees koopvrouw. Laat de gravin De Pariza de nieuwe stoffen zien. Maak er koopjes van. Stel den prijs de helft lager.”

“De helft lager! Goede hemel, wat zal mijn vader daarvan zeggen?”

“Ik zal het ontbrekende betalen, of liever kapitein Amati.”

“O, nu vat ik het,” lacht het meisje. “Maar wat zal haar vader, de geduchte Hertog, zeggen?”

“Hij zal het nooit te weten komen, als gij de gravin De Pariza maar koopjes genoeg aanbiedt, om haar een geruimen tijd bezig te houden. Doe het—voor mij.”

“O, gij-!”

Want de schilder heeft aan dit “voor mij” kracht bijgezet, door haar een zoen te ontstelen.

Aldus geprest en een blik opvangend uit Hermoine’s schitterende oogen, waaruit werkelijk een verzoek spreekt, snelt Mina weg, om op Oliver’s aandringen de kostbaarste stoffen in haar vaders magazijn tot koopjes te verlagen, en de prijzen zóó te verminderen, dat Bodé Volckers krankzinnig zou worden van ergernis, als hij er bij tegenwoordig was geweest; maar mijnheer Bodé Volckers is gelukkig naar de kade gegaan, om het oog te houden op het lossen van een schip.

Oliver begeeft zich naar het uiterste einde van het aangrenzende vertrek, en ofschoon hij feitelijk aanwezig is, ziet hij toch inderdaad niets en de dochter van den Onderkoning en Guy Stanhope Chester zijn alleen.

“Gij ziet,” zegt de jonge dame schalks, “dat ik onderzoek naar u heb gedaan. O, heb maar geen zorg. Niemand weet, dat gij hier zijt,—afwezig zonder verlof. Zij zouden u misschien geen majoor hebben gemaakt, als hun dat bekend was geweest. Maar ik heb hooren verluiden, dat gij nog meer zijt dan majoor Guido Amati; gij zijt majoor Guido Amati de Medina, zoon van Hernandez de Medina, eens gouverneur van Hispaniola, en gij hebt gezworen uw doorluchten familienaam niet te zullen dragen, voordat gij generaal zijt, en dat zal nu niet lang meer duren.”

Daarna roept zij, in de handen klappend, levendig uit: “Nu, als gij een Medina zijt, moet gij een neef zijn van den hertog van Medina Coeli.”

“Slechts—een neef—in den derden graad,” stamelt Guy, die denkt, dat zijn ooren hem bedriegen, ofschoon hij weet, dat zijn oogen hun werk uitstekend doen.

“Nu, hoe dat ook zij, gij hebt het bloed van de grandes van Spanje in uw aderen, en als zoodanig staat uw familie gelijk met de mijne,” merkt het meisje op, een veelbeteekenenden nadruk leggend op de laatste woorden. “Als zoodanig moogt gij natuurlijk aan mijn zijde zitten,” en terwijl de jonge dame op een Turksche sofa plaats neemt, een toonbeeld van beweeglijke gratie, noodigt zij Guy uit, gebruik te maken van het voorrecht, dat hij geniet als haar gelijke in rang.

En als zij den Engelschman daarbij aankijkt, kleurt zij tot achter de ooren, en als antwoord begint Guy’s hart sneller te kloppen, als hij bespeurt, wat er in het meisje omgaat.

“Ik ben blij, dat gij zooveel van mij weet,” zegt hij lachend. “Blij dat, hetgeen gij te weten zijt gekomen, u niet mishaagt.”

“O, dat weet ik nog niet,” merkt de jonge dame op, en zegt met schalkschheid in haar toon, maar met trillende lippen: “Men fluistert ook, dat kapitein Guido Amati een zeer wild jongmensch was. Ik hoop, dat majoor Guido Amati zich beter zal gedragen. Men zegt echter tegelijk, dat gij de dapperste officier van het leger zijt.” En het meisje kijkt hem verheugd, stralend en trotsch aan.

Waarschijnlijk heeft haar verbeelding een geschiedenis verdicht, waarvan Guido Amati de held is; het toovert een licht in haar oogen, dat haar schoonheid verhoogt, want bezat zij niet zooveel vrouwelijke gratie, levendigheid en gevoel, dan zou haar schitterend vernuft misschien aan Hermoine de Alva’s schoon gelaat een te groote koelheid verleenen.

Maar nu het romantisme in haar natuur, dat tot nu toe sluimerde, in haar ontwaakt, wordt haar teeder gelaat als bezield,—als om een heilige te doen ontbranden, maar een zeeman...

En hetgeen zij zegt, maakt de gelegenheid des te schooner. Zij houdt den ring met den robijn in de hoogte en fluistert: “Gij hebt mij dien teruggegeven?”

“Alleen om u nog eens te zien,” en Guy gaat naast haar zitten.

“Als gij mij dan nog eens wilt zien, neem hem dan terug—schielijk.”

“Nooit!”

“Nooit?”

“Nooit! tenzij gij dezen ring, een van mijn sieraden uit Hispaniola, aan uw vinger wilt dragen.” En de Engelschman maakt van zijn halsketen een ring los, waarin slechts een enkele diamant is gevat.

“O, Santos! wat doet gij?” stamelt het meisje.

Hij heeft nu haar fraai handje gegrepen en haar oogen kijken een oogenblik in de zijne en worden dan neergeslagen, zoodat de oogleden ze geheel bedekken. Het volgend oogenblik schittert de diamanten ring aan haar slanken vinger en Hermoine de Alva, de dochter van den onderkoning van Spanje, is slechts een vrouw—een liefhebbende vrouw—voor dezen man, die niet gedongen heeft naar haar hart, maar er zich stormenderhand van heeft meester gemaakt.

“Neem den robijn—nu gij mij den diamant hebt gegeven,” fluistert zij. “Gij weet wat dat beteekent?”

“Goede Goden, of ik dat weet! Nu zijt gij mijn verloofde. Mijn,—mijn voor altijd!” En zijn overmoedige lippen geven haar kus op kus, niet als den vorigen avond, den vluchtigen, half geroofden kus onder de mistletow, maar den kus van een verlangend hart.

“Pas op! Ik—ik ben de dochter van den Viceroy,” fluistert het meisje. Zij laat haar hoofdje hangen, kijkt hem een oogenblik later weer aan en zegt met veel nadruk: “Mijn Guido, gij zijt vermetel!”

“Ja,” fluistert hij. “Al waart gij ook de koningin van Spanje, ik zou u toch liefhebben.”

“Dan zou uw liefde hopeloos zijn!”

“Daar gij echter, Gode zij dank, Hermoine de Alva zijt,” antwoordt Guy, “zal mijn liefde triumfeeren en zal ik u, dochter van den Viceroy, tot mijn vrouw maken. Hoort gij het?”—want bij het hooren van dezen nieuwen titel maakt zij een gebaar van ontsteltenis. “Vrouw! En elken keer dat gij tot mij zegt: ‘Ik ben de dochter van den Viceroy,’ of: ‘Neem u in acht voor den landvoogd der Nederlanden!’ moeten uw lippen boete betalen, twee kussen voor ieder woord.”

“Madre Mia! Wat zijt gij onstuimig,” roept het meisje uit, zich verzettend tegen de verlangde boete. Want Guy Stanhope Chester is half krankzinnig van liefde en ofschoon hij deze jonkvrouw, zijn gevangene, met eerbied behandelt, maakt hij haar toch op zulk een vrije en losse zeemansmanier het hof, dat hij de dochter van den Onderkoning geheel tot zijn slavin maakt. “Heilige Maagd! gij—gij zijt zoo—zoo geheel anders.”

“Dan wie?” roept Guy jaloersch.

“Dan—dan mijn andere aanbidders, die mij naderen, buigend tot op den grond, flauwe complimenten afstekend en bedelend om de eer van mijn hand.”

“En dat hebben zij durven doen!” stuift onze held op, die nu deze aanminnige brunette, met de zielvolle, goddelijk schoone oogen, de wangen, waarop rozen en leliën bloeien, den blanken hals en de verrukkelijke vormen, half meisje, half vrouw,—kortom, Hermoine de Alva,—als zijn eigendom beschouwt.

“Durven doen?” pruilt de jonge dame. Dan zegt zij lachend: “Waarom niet? Ben ik dan zoo leelijk?”

“Neen, neen; al te schoon.”

“En waarom zouden dan de Spaansche grandes en generaals en hidalgo’s van vier en twintig kwartieren niet met nederige woorden en op eerbiedige wijze smeeken om een eer, die gij maar stoutweg neemt, mijn vermetele Guido, alsof de hemel u had gelijkgesteld in rang met mij, de dochter van den Viceroy!”

“Dat heeft hij ook, door de liefde, uw liefde,” en Guy neemt haar opnieuw in zijn armen, fluisterend: “Gij spraakt de woorden: ‘dochter van den Viceroy’. Denk aan de boete.”

“Neem ze, tyran,” fluistert het meisje, en met dezen naam, dien vrouwen bij voorkeur geven aan hen, die over haar liefde weten te gebieden, legt zij haar ziel op haar lippen en geeft ze hem.

En dit spelletje zou in het oneindige voortgeduurd hebben, daar het paartje zich daarbij bijzonder schijnt te vermaken, als niet Oliver met luide voetstappen zijn komst uit de andere kamer had aangekondigd.

Hij komt op hen af, en voor de jonge dame buigend, zegt hij: “Dona de Alva, ik heb de eer als heraut van uw vader u van zijn komst te verwittigen!”

“Papa! Hier?” en met deze woorden springt het meisje op.

“Ja, de cavalcade is reeds op de Schoenmarkt, de Hertog zoekt u waarschijnlijk. Ik zal de gravin De Pariza roepen.”

Als Oliver de deur achter zich toetrekt, begrijpt Guy, dat de tijd van afscheidnemen gekomen is, want Hermoine grijpt haar pelsmantel en fluistert: “Het is beter, dat Papa u niet ziet, daar gij u zonder verlof uit uw garnizoen verwijderd hebt. Ik zal hem op straat te gemoet gaan.”

En als Guy haar in haar mantel hult, iedere aanraking een liefkoozing, zegt zij vol beteekenis: “Ik ga een paar maanden in Brussel doorbrengen, maar als majoor Guido Amati de Medina verlof vraagt, om zijn garnizoen te Middelburg te mogen verlaten, zal hij het ongetwijfeld krijgen. Verwaarloos echter uw militaire plichten niet ter wille van mij. Denk er vooral aan, mijn Guido, dat elke schrede voorwaarts, die gij in het leger doet, u nader brengt bij de kerkdeur, waar uw bruid u wacht, die gij hebt doen vergeten, dat zij de dochter is van den Viceroy!”

“De boete!” roept Guy, en neemt zijn kus zeer plechtig, want het rumoer van de naderende menigte kondigt reeds de komst van haar vader aan.

Waarop de jonge dame met een allerliefst pruilmondje zegt: “Hoe akelig! Men zou denken, dat gij een aanbidder waart, die geen succes heeft! Maar uw boodschap door Oliver sprak van gevaar,” en er klinkt angst in haar stem.

“Ja, ik moet het wachtwoord van hedenavond hebben, om de schildwachten te kunnen passeeren. Ik moet vanavond nog vertrekken.”

“Om in Middelburg te zijn als uw bevordering aankomt, natuurlijk. Ik heb daaraan gedacht en het wachtwoord meegebracht.” Dit zeggende, overhandigt zij hem een klein papiertje.

Hij leest:

Het wachtwoord is: “Santa Cruz.”

Het contrasigne: “Don Frederico.”

Terwijl hij leest, kijkt zij hem glimlachend aan: “Ik heb half en half lust, het u niet te geven. Wat bracht u, wilde jonge officier, zonder verlof naar Antwerpen?”

“Gij!”

“O!”

“En voor u zou ik nog duizend keer terugkomen. Ik wilde naar de verdronken landen gaan, om eenden te schieten, toen ik door een hoogere bestiering u van de Watergeuzen mocht redden, mijn eigendom—mijn buit.” En wetende dat hij de heele wereld tegen zich heeft bij zijn pogen om zijn geliefde tot zijn bruid te maken, wordt Guy door een razende smart aangegrepen, nu het oogenblik van scheiden is gekomen, dat hem erger toeschijnt dan de dood. Treurigheid is aanstekelijk, evenals liefde, en het meisje begint te zuchten en te snikken onder zijn afscheidskussen, die zoo plechtig zijn—ofschoon zij niet kan gissen waarom.

Maar Oliver rammelt aan de deurklink en roept: “De gravin De Pariza zit al in het rijtuig. Vlug!”

En nu geleidt Guy, die begrijpt, dat zijn tijd gekomen is, ofschoon zijn beminde nog langer zou willen toeven en tegen hem aanleunt met zuchtjes van liefde, haar haastig naar het rijtuig en helpt er haar in.

Zich half omkeerend, heft zij haar blanke hand een weinig op. Hij ziet den verlovingsring aan haar vinger schitteren.

De postiljons knallen met de zweepen, de staatsiekoets verdwijnt uit het gezicht, en alles wat hem rest van de vrouw, die hij slechts een oogenblik geleden in zijn armen hield, is de herinnering aan haar kussen, haar ring met den robijn aan zijn vinger en een klein briefje,—de talisman, die hem veilig door haar vaders schildwachten aan de poorten zal brengen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings