← Table of contents
Een Heldin

HOOFDSTUK V.

Reading edition

Chester.

Twee volle jaren bleef Hedwig bij de familie von Zercläre, zonder dat er van eenige verandering sprake was. Zij was nu bijna achttien jaar. "Over een paar jaar, als ik twintig word, dàn zal de barones mijn salaris toch wel verhoogen," dacht ze soms. Zij wist dat de ouders van Tieka tevreden waren over hare vorderingen, maar zij wist ook zeer goed dat Tieka's moeder haar bizonder weinig genegen was en er waren dagen dat zij werkelijk leed onder de scherpe, hatelijke woorden der barones, waaraan het maar al te zeer merkbaar was dat zij door jaloezie waren ingegeven.

Toch werkte zij vroolijk en moedig voort en bleef zij steeds hopen dat de houding der barones nog wel eens veranderen zou. Zij was het vorige jaar met Kerstmis thuis geweest en had van haar moeder ook den raad gekregen, maar trouw haar best te blijven doen en zij hadden toen beiden gelachen om Clärchen's verontwaardigden uitroep:

"Nu, ik zou me dan zoo engelachtig niet houden!"

Hedwig moest weer aan die woorden denken, toen zij zich op een stillen, helderen herfstdag gereed maakte voor haar ochtendwandeling met Tieka. De barones was den vorigen dag de leerkamer ingekomen op een oogenblik dat Tieka het juist weer heel druk had met haar "my dear" en zij had toen zeer beslist gezegd dat het nu "voor goed uit moest zijn met die dwaasheid." Tieka had erg verschrikt gekeken, toen ze haar moeders oogen zoo toornig zag flikkeren en zij was dadelijk begonnen zich stipt aan het verbod te houden, zooals haar gewoonte was. Hedwig had den volgenden ochtend het hartelijke "my dear" gemist; zij zuchtte er nu eens even over en glimlachte flauwtjes om haar "sentimentaliteit."

Wat bleef Tieka toch lang weg! De barones had haar zooeven bij zich laten roepen. Het kind had toch niets gedaan, waarvoor zij een berisping verdiende?

Neen, er was niets bizonders voorgevallen, bedacht Hedwig gerustgesteld en hare oogen keken bewonderend den tuin in naar de hooge beuken, waarvan het rijke herfstgoud zoo teekenachtig afstak bij de gladde, slanke stammen. Wat was de lucht boven die beuken klaar en zuiver-blauw! Het zou heerlijk zijn buiten straks en bij het standbeeld van Scott....

Zij keerde zich snel om, toen zij de stem der barones achter zich hoorde. Aan de uitdrukking van haar gezicht zag ze terstond dat haar een onaangenaam onderhoud wachtte en haar hart begon sneller te kloppen.

"Ik heb u iets te zeggen, Fräulein," klonk het stroef.

Hedwig boog zwijgend het hoofd.

"Tieka is met haar vader uitgegaan. Zij blijft een groot gedeelte van den dag weg en u kunt dus dien tijd voor u zelf gebruiken. Als u even wilt gaan zitten...."

Tot haar verwondering merkte Hedwig thans een zweem van verlegenheid op bij de barones; het maakte haar ongerust en zij beefde even, toen ze zitten ging.

Maar het oogenblik van zwakte bij Tieka's moeder was zeer spoedig weer voorbij.

Op de haar eigene, hooghartige wijze zei ze:

"Ik wensch er u thans van in kennis te stellen dat de heer von Zercläre en ik het besluit hebben genomen, Tieka na de kerstvacantie naar een uitmuntende kostschool te zenden. Wij zijn er volkomen van overtuigd dat zij daar zeer beschaafden omgang zal kunnen genieten en langzamerhand gevormd zal kunnen worden voor de hooge plaats, die zij in onze kringen zal moeten innemen. Zij zal natuurlijk ook aan het hof gepresenteerd worden en u zult zeker inzien...."

"O, ik kan niet...!" Hedwig was opgesprongen, zij was zichzelve niet en zij strekte de handen uit met een afwerend gebaar; zij kon niet meer luisteren! Even zag de barones haar onderzoekend aan. "U zult ruim tijd hebben iets anders te zoeken," zei ze zacht. Toen ging zij de kamer uit, waar Hedwig haar dankbaar voor was.

Het onverwachte, hevige van den slag gaf haar voor 't oogenblik een gevoel alsof zij erdoor verpletterd was. Weg, van Tieka weg, het kon niet waar zijn immers! Haar hoofd was zoo zwaar; zou ze wel goed gehoord hebben wat de barones had gezegd?

Ach, zij wist immers dat zij het maar al te goed verstaan had. Zij moest weg! Ze herhaalde het bij zichzelf, telkens weer, met hare oogen strak gevestigd op de hooge beuken van den tuin, zoo rijk in hun pracht van goud, zoo stil en lieflijk op dezen wondermooien herfstdag....

De rust daar buiten deed haar nu haast pijn en zij keerde zich af van het raam en liep snel naar haar kamer. Daar sloeg zij met een hartstochtelijk gebaar de handen ineen. Weg, van Tieka weg en waar dan heen?

O, het kon niet, het mocht niet gebeuren!

Wat zou Tieka zeggen? Zou Tieka het hebben willen? Zou zij er zich niet tegen verzetten? Ze moest nu opeens geheel aan Tieka denken en hoe de vroolijke uitdrukking van haar gezichtje verdwijnen zou, als zij het hoorde. En terwijl zij zich, zeer karakteristiek voor haar, geheel verdiepte in Tieka's droefheid, werd haar eigen smart op den achtergrond gedrongen en toen zij eindelijk schreien kon, was het meer nog om Tieka's leed dan om haar eigen.

Toen Tieka 's middags terugkwam, zag zij terstond dat deze reeds alles wist. Haar vader had haar zijn besluit meegedeeld aan het eind van de wandeling en zij was blijven staan en had hem ongeloovig aangezien, stom van verbazing. Maar zij had niets gezegd, dadelijk troost zoekend in een zeker vaag bewustzijn dat hij zich vergissen moest, dat haar moeder alleen precies op de hoogte kon wezen van alles wat hare lessen en hare gouvernante betrof en zoodra zij thuis kwamen, was zij naar de barones toegesneld. Het was immers niet waar dat Fräulein Eiche wegging?

"Ja natuurlijk is het waar," had de barones gezegd.

Toen was Tieka dadelijk naar boven geloopen en heel bleek, met iets verschrikts in hare oogen, kwam zij bij Hedwig. En voor 't eerst een gebod van haar moeder geheel vergetend, sloeg zij de armen om Hedwig's hals, al maar roepend: "Oh my dear, my dear!"

Toen snikte zij even heel zacht met die eigenaardige, bij een kind zoo treffende zelfbeheersching, die Hedwig reeds dikwijls bij haar had opgemerkt en zij legde liefkoozend haar wang tegen die van Hedwig aan en bleef een oogenblik zoo zitten; toen opeens sprong zij op en liep weer naar beneden naar de barones.

"Moeder," riep ze, "o, ik smeek u, laat Fräulein Eiche toch niet weggaan; ik vind het zoo vreeselijk!"

"Maar Tieka!"

Het kind had haar hand smeekend op den arm harer moeder gelegd; onder den kouden, strengen blik, die haar trof, liet zij die hand weer weg glijden.

"Ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk!" herhaalde zij fluisterend.

"Je moet me voortaan van die kinderachtige vertooningen verschoonen, Tieka. Begrepen? Het is groote dwaasheid je zoo aan te stellen, eenvoudig omdat je gouvernante weggaat; je zult er spoedig genoeg aan gewend zijn."

Tieka's gezicht werd eerst doodsbleek, toen vuurrood, daarna weer heel bleek. Zij waagde nog een laatste poging.

"Dus het gebeurt echt?"

"Zeer zeker gebeurt het," klonk het driftig. "En ga nu terstond heen. Je vergeet tegen wie je spreekt."

Tieka ging, diep verslagen. Boven bij Hedwig hield zij zich niet meer in, maar schreide uit, schreide alsof haar het hart zou breken. En hoe Hedwig ook haar best deed, zij wilde zich niet laten troosten....

Voor Hedwig zelf kwam thans de gewichtige vraag hoe zij een nieuwe betrekking zoeken en vinden moest. Aarzelend vroeg zij, na enkele weken, de barones om raad en deze liet haar kranten brengen, streepte hier en daar een advertentie aan en schreef een kort getuigschrift, ten volle overtuigd dat zij daarmede reeds zeer veel voor hare jeugdige gouvernante gedaan had.

Bij de jonge gouvernante zelf was de oude moed spoedig herleefd. "Niet tobben, ik wil niet tobben," zei ze herhaaldelijk, als de gedachte aan het afscheid van Tieka haar te machtig dreigde te worden en dapper schreef zij brief op brief, gaf en vroeg inlichtingen en veroverde eindelijk een betrekking als onderwijzeres op een kostschool te Chester, een inrichting voor weezen en halfweezen, die geen thuis meer hadden of er nooit een hadden gekend.

Zij zou voornamelijk les moeten geven in Duitsch, rekenen en handwerken, schreef men haar, daarvoor in ruil onderwijs krijgen in Fransch en teekenen en bovendien een salaris ontvangen van 12 pond (f144) per jaar.

Veel was het niet, vrij wat minder nog dan ze thans verdiende, maar de betrekkingen waren niet opgeschept, aan naar huis teruggaan wilde zij geen oogenblik denken en toen zij, na eenige aarzeling, de vrijheid nam de barones weer om raad te vragen, sprak deze zoo beslist de meening uit dat zij "dit vooral aannemen moest, nu zij het krijgen kon," dat zij niet langer wachtte met het nemen van een besluit en nog dienzelfden dag aan de directrice der kostschool schreef zij dat zij na de Kerstvacantie komen zou.

Van een reisje naar Duitschland met de kerstdagen kon, om de groote onkosten, thans niets komen. Zij liet zich dus in de vacantie nog maar eens ter dege door Tieka verwennen, slaagde erin de laatste dagen van het jaar ook voor haar leerlingetje prettig en opgewekt te doen zijn en-hield zich kloek, toen even na Nieuwjaar, de dag van het afscheid werkelijk gekomen was.

Het was een snerpend koude ochtend, het vroor hard en de zon trachtte te vergeefs door den witgrijzen nevel heen te dringen, die als een reusachtige wolk over heel Edinburg hing. "Zum Abschied nehmen just das rechte Wetter," mompelde Hedwig, terwijl zij zich kleedde.

Zij moest tegen elf uur vertrekken en kon ongeveer half drie te Chester wezen. Eigenlijk was zij maar blij, toen haar groote koffer-Anna Schaub's geschenk-reeds naar 't station gebracht was en het voor haar ook tijd werd om te gaan. De baron en de barones gaven haar de hand bij het afscheid en zeiden een paar welwillende woorden; Tieka, die te vergeefs verzocht had mee naar het station te mogen gaan, stond bij hen en kon niets zeggen. Zij keek Hedwig strak aan met hare groote oogen en knikte zwijgend, toen deze zeide: "Dag lieve Tieka, zul je mij niet vergeten?"

Dat was alles. Toen was het voor goed uit. De deur viel achter haar dicht en zij stond op straat.

Ze had voor het rijtuig bedankt en gezegd graag naar het station toe te willen loopen, want zij had behoefte aan de frissche wandeling en zij liep snel door, telkens even op hare lippen bijtend bij de gedachte dat het nu voorbij was, voor goed voorbij het gelukkige leven met Tieka. Maar ze hief het hoofd op en liep nog vlugger voort. "Nooit flauw zijn, God helpt!" fluisterde ze.

Bij het geliefde standbeeld van Scott bleef zij een oogenblik staan. Zij deed haar best het gezicht duidelijk te onderscheiden door den nevel heen en even wuifde ze met haar hand....

Ze werd kalmer gestemd, toen zij eenmaal op reis was en zij glimlachte blij, toen de zon eindelijk door den mistsluier begon heen te dringen.

Toen de trein te Chester stilhield en het haar duidelijk werd dat er niemand was om haar af te halen, besloot zij haar koffer maar aan 't station achter te laten en naar de school toe te loopen. Zij zou den weg wel vinden, meende ze, en zij was na het lange zitten in den trein letterlijk verstijfd van koude en verlangde naar wat beweging.

Even ging zij de restauratie-zaal in om een kop warme koffie te drinken en te vragen hoe zij loopen moest om Hill House-zoo heette de school-te bereiken. "U kunt, in ieder geval, om theetijd wel bij ons wezen," had Miss Wells, de directrice, geschreven; het was nu nog maar even half drie en zij had dus nog een paar uren den tijd.

Een vriendelijk buffetmeisje hielp haar te recht en gaf haar zelfs een kaartje van Chester ten geschenke. Toen zij vertelde dat zij op Hill House moest wezen, kwam er een zeer eigenaardige uitdrukking op het gezicht van het meisje, maar Hedwig merkte het niet op; zij was verdiept in haar kaartje.

"Wilt u bepaald loopen?" zei het meisje nog. "U zoudt ook een heel eind per tram kunnen gaan; het is een lange wandeling," doch Hedwig antwoordde vroolijk dat zij daar niet tegen opzag en geen haast had.

Opgewekt, thans weer vol moed voor het nieuwe leven dat haar wachtte, liep zij het station uit. Zij had lust in haar wandeling en was benieuwd hoe zij de stad vinden zou en verruimd haalde zij adem, toen juist op het oogenblik dat zij het station verliet, de mist geheel vaneen scheurde en de zon in volle glorie doorbrak.

O, wat was het nù mooi! Over alles heen lag de rijp als een kantachtig wit weefsel, waarin ontelbare sterretjes glinsterden. Het blauw in de lucht werd hoe langer hoe meer zichtbaar en krachtiger van tint. Het bleef sterk vriezen en het was doordringend koud, maar Hedwig gaf er niet om en stapte flink aan, eerst de niet heel fraaie City-road langs, toen, steeds de aanwijzingen van haar kaartje volgend, een breede straat in, tot ze bij een poort stond, waarnaast zich een steenen trap bevond met het opschrift: "To the city walls".

De steenen treden zagen er heel glibberig uit, toch kon zij de verleiding geen weerstand bieden even naar boven te gaan. Men had haar verteld van de beroemde, oude muren rondom de stad Chester, waarover men wel een wandeling van een klein uur kon maken en zij moest toch eens kijken....

Zij liep eerst een eindje door, toen ze boven was;-toen bleef ze verrast staan, want wat zij voor zich zag, was als een sprookje.

In hare nabijheid, haast vlak bij scheen het haar toe, stond daar in grootsche majesteit, de hooge, indrukwekkende kathedraal van Chester met het stille plein met de mooie boomen erom heen, alles bedekt door een sluier van ragfijne rijp. Geen enkel geluid drong tot haar door en het was of al die teere witheid de stilte nog verhoogde en haar lieflijker maakte.

Illustration from Een Heldin

[Rows te Chester.]

Zij voelde zich wonderlijk ontroerd. Geheel alleen stond zij daar in een vreemd land, ver van huis, in een stad, waarin nog niemand haar kende,-zooeven had zij zich een oogenblik plotseling haast angstig eenzaam gevoeld,-nu gleed die gewaarwording van haar weg en haalde zij diep adem met een gevoel van innige vreugde. Onwillekeurig vouwde zij de handen; haar hart dankte God voor wat Hij haar te genieten gaf.

Voorzichtig ging ze de trap weer af; het was over half vier, ze moest nu maken dat zij verder kwam. Zij raadpleegde haar kaartje.

Het vriendelijke buffetmeisje had haar gezegd dat de school, zooals de naam Hill House trouwens ook aanduidde, op een heuvel lag even buiten de stad en zij zag op haar kaart dat zij nu eerst weer rechtuit moest gaan. Maar toen zij even doorgeloopen had, keek zij verbaasd om zich heen. Wat was dat? Liep ze nu opeens door een stad van een paar eeuwen geleden? Alles zag er zoo geheel anders uit dan zooeven. Schilderachtige oude, geelbruin en donker getinte geveltjes werden tooverachtig verlicht door enkele verdwaalde zonnestralen, die de schemering, die in deze straat heerschte, nog sterker deed uitkomen. Want aan beide kanten bevond zich hier aan de huizen een soort van lange, overdekte balkons of galerijen, die er zeer oud en verweerd uitzagen en, in elkaar loopend, de geheele lengte der straat besloegen en het licht onderschepten. Sommige der oude huizen waren met schuinloopende strepen of figuren beteekend, andere met zeer fraai houtsnijwerk versierd en van spreuken voorzien.

Hedwig vond het aardig een trapje naar een der galerijen op te gaan, er door heen te loopen en zoo een blik te slaan op de straat, die zoo geheimzinnig in het halfduister lag. Zij liep slechts langzaam verder; ook in de veelsoortige winkeltjes, die zij langs kwam, was veel dat haar aandacht boeide en toen zij de galerij verlaten had en, links afslaande, een kijkje kreeg op een groepje zwart-en-wit getinte huizen, sierlijk met de vooruitspringende vensters rustend op ranke, spiraalvormige pilaartjes, was zij één en al opgetogenheid.

"Wat een stad! Wat een mooie stad!" zei ze. "Het zal mij hier stellig goed bevallen. Wat wou ik graag dat Tieka dit eens zien kon! Zij zou zeker zeggen dat het echt sprookjesachtig was."

Nu was ze, in al haar verrukking, toch verkeerd geloopen, geloofde ze en zij bleef even staan en haalde haar kaart weer te voorschijn; zij kon er echter thans niet wijs uit worden. Juist stond ze voor een bakkerswinkel en toen zij opkeek, las ze met zekere gretigheid de aankondiging:"Hot Pies Every Saturday Finest Hand-made Bread only Baked."

Ze was flauw geworden en had trek gekregen; heel veel had zij vandaag ook nog niet gebruikt. Hier zou zij maar eens even naar den weg vragen en meteen iets eten, een kleinigheid maar, anders mocht ze haar eetlust eens bederven voor de tea, waarmee men haar op Hill House wachtte. Ze moest nu toch ook maken dat zij er kwam. Als zij eens één warm pasteitje kocht.... Ze had er zóó'n trek in! Snel vroeg zij er naar.

"Vandaag niet juffrouw; die hebben wij alleen maar Zaterdags."

Och ja, dat was waar ook, dat stond duidelijk voor het raam. Ze nam het nu maar voor lief met een vrij oudbakken krentenbroodje; straks op Hill House zou zij haar schade wel inhalen.

Het bleek dat zij toevallig toch de goede richting had genomen.

"Mag ik vragen bij wien u wezen moet?" vroeg de winkelbediende, die nogal nieuwsgierig van aard scheen te zijn.

"O jawel," zei Hedwig, "ik ga naar Hill House."

De man zette groote oogen op.

"En...." vroeg hij, veelbeteekenend met het hoofd knikkend, "gaat u daar heen als onderwijzeres?"

Hedwig keek hem wat scherper aan en glimlachte even om zijn onbescheidenheid.

"Ja zeker," zei ze kortaf en maakte zich gereed om heen te gaan.

"Dan zult u daar niet veel warme pasteitjes proeven, vrees ik," hoorde zij hem nog zeggen, terwijl ze den winkel uitging. Zij luisterde echter niet meer, zij vond hem vrij brutaal en liep haastig verder.

Weldra kwam zij nu even buiten de stad bij een brug over de mooie rivier de Dee en spoedig daarop aan den tamelijk eenzamen weg, dien zij zocht.

Eindelijk zag zij Hill House op een hoogte liggen. Vroolijk zag het er niet uit, dat moest zij bekennen, want een groot, kaal, grijs gebouw was het met een menigte smalle ramen en een hooge voordeur, waarvan de verf nagenoeg verdwenen was. In den gevel stond met groote, zwarte letters, die thans nog zwarter schenen door de rijp eromheen: Hill House. Alles, ook de tuin achter het huis, een groote lap gronds met niets erin dan enkele lage hulststruiken en een verschrompeld kastanjeboompje, gaf den indruk van armoede en verwaarloozing.

Hedwig bleef een oogenblik staan voordat zij den heuvel beklom. "Dat is dus Hill House," zei ze met nadruk. "Veel lijkt het, althans van buiten, niet op het paleis van den baron von Zercläre, maar wie weet hoe fraai het van binnen is!"

Binnen een paar minuten stond zij voor het huis. Snel keek ze naar boven of er ook iemand was, die naar haar uitzag. Er vertoonde zich echter niets voor de ramen en zij liet dus den zwaren klopper op de deur vallen.

Wat klonk dat hol! Het was of de geheele bevroren heuvel ervan uit een soort verdooving ontwaken moest-zij vond het haast griezelig! Het duurde geruimen tijd, voordat de zware deur langzaam open ging en het begon reeds te schemeren, toen zij eindelijk binnen gelaten werd en, huiverig geworden van het staan, nòg kouder werd in de lange, donkere, kille gang, die zij nu door moest loopen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings