← Table of contents
Een Heldin

HOOFDSTUK III.

Reading edition

Een Brief, waar van Alles in staat.

Ongeveer een maand later slaakten Hedwig's moeder en Clärchen een kreet van verrukking bij het openen van een zeer dikken brief, den eersten langen brief, dien zij van Hedwig ontvingen.

"Lieve beste moeder," schreef zij, "nu zal ik mijn best doen u eens van alles en alles te vertellen! Ik kon tot nu toe niet anders dan haastige brieven schrijven, maar vandaag en morgen is Tieka met hare ouders uit de stad en heb ik dus twee dagen vacantie en ruim tijd voor een langen brief.

Ik zal u ook heusch oprecht op al uwe vragen antwoorden, lief, bezorgd moedertje en dus allereerst maar eerlijk bekennen dat ik soms wel erg naar u en Clärchen verlang. Maar als dat nu eens niet zoo was, hoe zoudt u dat dan vinden? Heel onhartelijk en onnatuurlijk, niet waar? Ja, ja, ik ben soms sentimenteel genoeg om uwe portretten heel dicht ... bij mijn mond te brengen, maar dat gebeurt lang niet iederen dag! Ik vertel Tieka ook dikwijls van u beiden en dan is het net of ik even bij u ben geweest.

Zooals ik u reeds schreef, ga ik geregeld iederen Zondag, dikwijls met Tieka, maar die gaat ook veel met hare ouders mee-naar de Duitsche kerk; dat is altijd een echt verkwikkend, rustig uurtje, maar erg jammer is het dat hier op 't oogenblik geen vaste, Duitsche predikant is en er telkens iemand anders preekt. Het zou zoo aardig zijn, als er wèl een predikant was met een groot gezin, waar ik dan aan huis mocht komen-voorloopig zal daar echter wel niet veel kans op wezen!

Heb ik het anders niet buitengewoon goed getroffen en wat zegt u er toch wel van dat uw vijftienjarige dochter nu gouvernante is in zoo'n paleis van een huis? Soms lijkt het me wèl heerlijk om dat paleis eens voor een half uurtje te verwisselen met ons knus bovenhuisje en even, even mijn armen om uw hals te slaan en Clärchen te zien smullen van een stuk Schotsche scone (een smakelijk gebak) of toffee, want ik zou natuurlijk van alles voor haar mee brengen. Even voor een dagje overkomen gaat echter zoo gemakkelijk niet en daarom zal ik maar stilletjes in mijn paleis blijven! Soms is het mij haast als een droom dat ik hier nu heusch thuis behoor. Het huis is zóó groot, Clärchen zou er best in kunnen verdwalen. Ik weet er nu den weg wel zoowat in te vinden, maar er zijn zóóveel kamers en zooveel mooie, breede gangen met hooge, met bloemranken beschilderde muren en kleine nissen met tafeltjes met planten en rieten stoelen, fraai gedrapeerde rustbanken en kisten van donker, uitgesneden eikehout en o, zooveel trappen en portalen dat ik niet begrijp dat de bedienden zich nooit vergissen, als er van verschillende kanten wordt gescheld.

Die bedienden ... of ik er ooit achter zal komen hoeveel er hier precies zijn? Ik betwijfel het werkelijk, want ik overdrijf niet, als ik zeg dat er stellig bij de twintig zijn. En de meesten zien er zoo verbazend voornaam uit dat men haast niet laten kan een buiging voor hen te maken, als men hen tegen komt. De mannen: huisknechten, butler, koetsier, palfrenier, enz. enz. zijn allen in livrei en loopen allen even statig-al is de aard van den palfrenier werkelijk vroolijk en al heb ik hem herhaaldelijk zien glimlachen om Tieka's grappen.

De meisjes en vrouwen hebben de keurigste japonnetjes aan en gedragen zich over 't algemeen nogal uit de hoogte tegenover mij, net alsof zij na familie van den baron von Zercläre zijn en ik niet! Maar zij meenen het niet kwaad, geloof ik, en ik heb niet veel met haar te maken.

Zelfs de kleine Tieka heeft een aparte maid voor zich; dat is wel een aardig, voorkomend persoontje, maar wie zou ook voor Tieka onaardig kunnen wezen? Dat kind is en blijft een schat. Wat zou ik graag willen dat gij haar eens even zien kondt, mijn lief, lief leerlingetje! Als zij morgenavond thuis komt, zal ze weer met dien aardigen, muzikalen klank in haar stem roepen: "Waar is my dear?" Dat doet zij altijd, als zij me niet dadelijk vindt, ik kruip wel eens opzettelijk weg om haar te plagen-en als zij me dan ziet, danst ze letterlijk naar me toe en al hare korte, donkere krullen dansen mee!

Zijn we met ons tweetjes, dan noemt zij me nooit anders dan my dear, maar als wij beneden dineeren, (ik vergat nog u te zeggen dat mijn eetlust uitstekend blijft en dat ik zoo gezond ben als een hoentje!) vergeet ze nooit mij deftig "Fräulein Eiche" te noemen. Wij eten trouwens heel weinig beneden, want de baron en barones hebben bijna altijd gasten en, als die er zijn, eten wij geregeld op de kinderkamer.

We hebben het heel genoegelijk met ons beiden. Als Tieka naar bed is en ik alleen op de kinderkamer zit, waar het dan zoo heel rustig kan wezen en soms het geluid van pratende en lachende stemmen van beneden tot mij doordringt, ja moeder, dàn verbeeld ik mij wel eens dat ik me wat eenzaam voel, maar dat is natuurlijk niets dan verbeelding!

Wat die aristocratische, schatrijke menschen hier toch een eigenaardig leven hebben! Den baron zie ik soms in dagen niet anders dan aan het ontbijt, waarbij hij de godsdienstoefening leidt; bij de lunch is hij dikwijls uit. Als hij wel thuis is, hoort men toch zijn stem haast niet; alleen als Tieka wat al te levendig is, bestraft hij haar; overigens neemt hij, naar mijn bescheiden meening, veel te weinig notitie van zijn allerliefst dochtertje. Wel letten hij en de barones er erg op dat ze goede manieren krijgt en met smaak gekleed gaat, maar Tieka blijft daar heel eenvoudig onder. Zij geeft niets om mooie jurken en ze zal nog heel wat moeten veranderen, eer zij is wat hare ouders van haar wenschen te maken. De barones bemoeit zich nogal met de lessen en liet zich laatst tegenover mij ontvallen dat zij zeer hoopte dat Tieka niet alleen een heel mooi, maar ook een heel bizonder meisje zou worden. "Zij zal moeten schitteren, ook door haar kennis en hare talenten; u hebt daaraan reeds nù te denken!"

Ik waagde het op te merken dat ik toch vurig hoopte dat Tieka zoo vroolijk en eenvoudig zou blijven als zij thans was, want dat ik haar juist nù zoo bizonder aantrekkelijk vond, maar de barones haalde toen even minachtend de schouders op. "Tieka is nu nog een heel gewoon kind," zei ze, "dat kan alleen anders worden, als er veel zorg aan haar opvoeding wordt besteed."

O, ik hoop dat ik heel, heel lang bij haar zal mogen blijven en ik wou ... dat zij zoo'n moeder had als de mijne!

Met de lessen gaat het heel prettig. Tieka krijgt die, op verzoek der barones, bijna alle in het Duitsch, wat mij wel aanstaat natuurlijk. Het allerbest bevalt ons beiden de zangles. Zij heeft een heel zuiver stemmetje en zingt zoo levendig en met zooveel uitdrukking, dat ik haar dolgraag wat meer zou laten zingen, maar de barones vindt dat niet goed. En Tieka zal wel gauw zangles krijgen van een of ander groot musicus!

Tieka heeft ook een verzameling, Clärchen; dat zul jij zeker heel merkwaardig vinden. Zij is een verzameling begonnen van ... raad eens wat? Van portretjes van kleine kinderen. Ze vindt het zoo vreeselijk jammer dat zij geen broertjes of zusjes heeft en soms zet ze de portretjes op een rij en vraagt mij, wie ik van die kindertjes 't liefst vind en graag als broertje of zusje zou willen hebben. Zij speelt ook dolgraag met hare poppen, maar heel veel tijd heeft ze daarvoor niet; ze moet zóóveel leeren, eigenlijk zelfs als ze speelt.

Waar ze maar kan, vraagt ze tegenwoordig om kinderportretjes; laatst zelfs toen wij aan het wandelen waren bij Holyrood ... maar daar kom ik straks wel op terug, ik moet u nu toch allereerst nog eens weer vertellen hoe prachtig mooi het hier is. Men zegt dat het in Schotland over het algemeen heel veel regent; ik heb tot nu toe bijna aldoor mooi weer gehad en op de wandelingen of ritjes met Tieka erg genoten. Op onze korte ochtendwandeling bekijken wij geregeld even in de fraaie gardens van Princes' street het beroemde standbeeld van Walter Scott, waarover ik u reeds vroeger heb geschreven. Clärchen herinnert zich zeker wel dat ik haar, toen ze verkouden te bed lag, eens een stuk uit Ivanhoe heb voorgelezen? Tieka kent nog geen boeken van Scott natuurlijk, maar zij stelt toch veel belang in hem en iederen dag, als we bij het standbeeld ons bankje opzoeken, vertel ik haar iets uit het leven van den grooten schrijver; ik lees daarover dan den vorigen avond wat na.

O, het standbeeld is zoo mooi! Walter Scott zit daar met zijn lievelingshond Maida-een prachtig dier-naast zich en er ligt een eigenaardige, humoristische uitdrukking om zijn mond, die het gezicht bizonder aantrekkelijk voor mij maakt. Altijd weer vind ik het prettig ernaar te kijken; hij wordt mij langzamerhand als een oude bekende en-ja, lacht mij maar uit!--ik begin het gezicht lief te krijgen; het is of het mij veel te zeggen heeft en mij moed inspreekt.

Over het oude kasteel tegenover Princes' street en het heerlijke uitzicht, dat men vandaar over de stad heeft, heb ik u in mijn vorigen brief al geschreven; ik moet u nu vertellen van onzen tocht naar Holyrood, het oude paleis der Schotsche koningen, waar de barones met Tieka en mij voor een paar dagen heengereden is.

Tieka was uitgelaten dien dag, "onbehoorlijk opgewonden," zei haar moeder.

Ik vond het, eerlijk gezegd, een genot haar telkens zoo frisch te hooren lachen en eenmaal werd zij zoo vroolijk om een koetsier, die voorop een hooge coach zat en allerlei dwaze grappen verkocht aan zijne passagiers, dat ik ook wel mee moest lachen. Ik kreeg toen een bestraffenden blik van de barones en een streng: "Fräulein...." en ik schrikte en deed mijn best zoo ernstig mogelijk te kijken!

Het is een opgewekt volkje die Edinburgsche koetsiers, die de coaches besturen, bestemd voor allerlei tochtjes in den omtrek. Zij zien er ook fleurig uit met hunne roode jassen en hooge, grijze hoeden. Tieka vraagt telkens weer aan haar moeder: "Mag ik ook niet eens een ritje bovenop een coach doen met Fräulein? Dat lijkt me zóó heerlijk!" Maar de barones wil er niet van hooren; zij vindt dat niet deftig genoeg.

Nu, gemakkelijker dan wij in de fraaie equipage der Zercläre's naar Holyrood reden, kan men dit in een coach wel niet doen. Het was een heerlijke rijtoer, waarbij wij ook het huis van John Knox voorbij kwamen, dat er schilderachtig, maar erg donker uitziet.

Nooit zal ik vergeten hoe zacht en teeder de zon scheen op de oude kapel van Holyrood, toen wij aan kwamen rijden. Ik zal dat altijd het mooist vinden van het geheele, oude paleis, dat stuk ruïne, dat overgebleven is van de abdij en er zoo plechtig stil uitziet, indrukwekkend nog in zijn verminkte grootheid, met het grijze steen half door groen mos bedekt.

Door de vensters, waaruit het glas lang verdwenen is, komt het licht vol en rijk naar binnen, grillige schaduwen tooverend op het grijze steen. Zoo rustig, zoo geheimzinnig hoorbaar is de stilte daar dat ook Tieka er door getroffen werd en bedaard, zonder iets te zeggen, haar hand in de mijne legde.

Ik sprak zooeven van de abdij, maar ik had eerst moeten vertellen-wat ik er ook den vorigen dag voor Tieka over had nagelezen-dat het slot Holyrood heet naar het nabijgelegen klooster van dien naam, (Holy rood = Heilig Kruis) dat in de twaalfde eeuw door den Schotschen koning David I werd gesticht en rijk met landerijen begiftigd. Gedurende een paar eeuwen werd het klooster herhaaldelijk door Schotsche vorsten bewoond, maar het eigenlijke paleis of slot werd eerst in 1528 door Jacobus V gebouwd en bleef, nadat het klooster in 1544 totop het schip der kerk door de Engelschen verbrand was, de verblijfplaats van Maria Stuart en van haar zoon Jacobus VI, tot deze in 1603 als Jacobus I den Engelschen troon besteeg en Engeland en Schotland onder één vorst werden vereenigd.

Onder Cromwell werden paleis en klooster grootendeels verwoest en eerst gedurende de regeering van Karel II in 1671, werd het paleis weer opgebouwd, waarbij het Noordwestelijk gedeelte uit den tijd van Jacobus V, dat gespaard was gebleven, zijn oorspronkelijken vorm behield. In dit oude gedeelte kan men nog de vertrekken zien, eens door Maria Stuart bewoond.

Ik voelde mij als een ander mensch, toen wij door die nu zoo doodstille, hooge kamers liepen. Men wees ons ook de deur en de smalle trap, waarlangs de moordenaars van Rizzio zich indertijd toegang hebben weten te verschaffen tot de vertrekken der koningin. Ook door de eetzaal liepen wij, waar zij Rizzio gegrepen hebben, om hem daarna door de slaapkamer en de audientiezaal heen te sleepen en eindelijk bij de hoofdtrap dood te steken....

Zijn bloed liet sporen achter op den vloer der audientiezaal en men zegt dat Maria die vlekken nooit heeft willen laten uitwisschen "omdat zij er haar aan moesten herinneren dat zij het doel van haar wraak geen oogenblik uit het oog mocht verliezen." Vreeselijk, niet waar?

Men wees ons later ook nog een eigenaardig oud huis, dicht bij Holyrood gelegen, dat Queen Mary's Bath wordt genoemd, omdat Maria Stuart-zoo gaat het verhaal, maar u en mij zou het zeker wel een beetje duur uit komen!--hier geregeld iederen dag een bad van wijn kwam nemen ter verhooging van hare schoonheid.

Door dit huis wisten ook de moordenaars van Rizzio te ontsnappen en in het laatst der 18^e eeuw, toen het dak hersteld moest worden, vond men tusschen de planken nog een fraai gedreven dolk, die hoogstwaarschijnlijk aan een der samenzweerders had toebehoord.

Al deze dingen moest ik aan Tieka vertellen, terwijl haar moeder zeer aandachtig toeluisterde (wel wat griezelig!) en mij op de vingers tikte, als ik wat onnauwkeurig was in mijne uitleggingen. Ik vond Tieka nog zoo klein voor al die akeligheid, maar de barones was dit blijkbaar niet met mij eens en Tieka zelf was gelukkig niet zoo heel erg onder den indruk! Zij zag telkens iets, dat haar aandacht afleidde en deed ontelbare vragen en ... toen we weer buiten waren en nog even rond wandelden, liep zij opeens op een drafje van ons weg naar een heel eenvoudige, Schotsche vrouw met een alleraardigst, klein, dik jongetje van een paar jaar aan de hand. Het kereltje had groote, lichtblauwe oogen en zulke bizonder dikke, ronde wangen dat Tieka den lust niet kon weerstaan er even in te knijpen. Met een bizonder ernstig gezichtje keek hij tot haar op, toen zij deze vrijheid nam en de moeder zei lachend, met een sterk Schotsch accent: "Geef de jongejuffrouw gauw een handje, Bob." Maar Bob kon daar maar niet zoo dadelijk toe besluiten. Wèl deed hij zijn mond wijd open om Tieka te laten zien dat hij een pepermuntje op de tong had, maar na deze heldendaad verschool hij zich achter zijn moeder. "Tieka, kom terstond hier," gebood de barones, "wat zijn dat nu weer voor manieren!" En Tieka gehoorzaamde dadelijk, echter niet zonder de vrouw te hebben toegeroepen: "Stuur mij zijn portretje, stuur mij als 't je blieft zijn portretje!"

Illustration from Een Heldin

[Holyrood.]

Eerst toen het te laat was, bedacht zij dat de vrouw haar adres niet wist!

Nu heb ik mijn brief toch nog weer een paar dagen moeten laten liggen; juist toen ik zoo langzamerhand eens wilde gaan eindigen, kwam de familie thuis en Tieka had mij toen zooveel verhalen te doen, dat ik geen lettertje meer kon schrijven.

En nu ... ligt mijn aardig leerlingetje te bed. Zij schijnt koude gevat te hebben op haar reisje en moet er op raad van den dokter, een dag of vier stilletjes in blijven en zich niet vermoeien. Ik zit bij haar en ze slaapt nu gelukkig; dat zal haar goed doen. De dokter denkt dat zij wel gauw weer zal opknappen, maar zij ziet er nu erg bleek en smal uit! Zij is echter opgewekt en eet flink. "Als my dear maar aldoor bij me mag blijven, vind ik het niets erg," zei ze tegen den dokter, die natuurlijk heel verbaasd keek, niet wetende wie "my dear" was! Hij lachte, toen ik het hem uitlegde en zei toen, tot Tieka's groote vreugde, dat ik niet van haar bed mocht wijken. Toen vroeg hij mij-o schrik!--of ik hier logeerde en een ouder vriendinnetje van Tieka was en ik keek opeens heel streng (al beefde ik inwendig!) en zei niet anders dan: "Her governess, sir!" waarop hij bedaard hernam: "Oh indeed! Yes, of course".

Het is toch vervelend dat ik er niet uit zie alsof ik ... tachtig was! De baron kan mij ook zoo lastig onderzoekend aankijken en laatst zei de barones: "U bent nog wel heel jong, Fräulein, u moet trachten wat bezadigder te zijn." Ik boog, zielsblij dat zij mij niet vroeg hoe oud ik toch eigenlijk was-maar och heden, den middag daarop gebeurde er juist iets, waardoor ik een alles behalve "bezadigden" indruk maakte!

Ik doe heusch mijn best met alles, moeder, en hoe zou ik ook niet? Ik heb het zóó goed getroffen en vind mijn werk voor en met Tieka zoo prettig, maar 't is net of ik soms vergeet mijn best te doen om oud te wezen! Het is werkelijk ook niet zoo heel gemakkelijk dat te zijn, als men het eigenlijk niet is. Dat klinkt als een raadsel, vindt je niet Clärchen?

Maar nu is het toch mijn plicht u nog even te vertellen wat er dien bewusten middag gebeurd is. Het was op een Zaterdag. Tieka behoeft dan alleen maar 's ochtends te leeren, de overige uren van den dag mogen wij spelen, wat wij beiden heerlijk vinden! "Ik laat haar zooveel mogelijk met u spelen," zei de barones, toen ik hier kwam, "omdat wij wenschen dat zij ook dat verstandig doen zal. U moet dus ook dàn onderwijzend optreden."

Ik begreep toen niet recht wat de barones hiermee bedoelde, maar dacht en zeide alweer dat ik mijn best zou doen. Een paar malen, als Tieka en ik met hare poppen bezig waren, kwam de barones eens kijken en eens toen Tieka-naar mijne meening heel netjes-poppekleertjes gewasschen en met mijne hulp gestreken had, moest zij alles weer over doen omdat, volgens haar moeder, de kleertjes niet schoon waren.

Eerlijk gezegd, kan Tieka het haar moeder slechts zeer zelden naar den zin maken. Als zij voor de poppenfamilie kookt of bakt en de barones laat proeven, vindt deze ook nooit iets lekker. Tieka zegt dan altijd maar weer vroolijk met haar heldere stem: "Een volgend keertje beter opgepast!" Zij heeft gelukkig een onbezorgde natuur en lacht en zingt van den ochtend tot den avond.

Dien bewusten Zaterdagmiddag waren wij beiden in een bizonder fleurige stemming en ... vergat ik, vrees ik, voortdurend "onderwijzend op te treden".

Tieka houdt dolveel van lezen en is tegenwoordig zeer vervuld van Robinson Crusoe. "Dat vind ik het mooiste boek dat ik ken," zegt ze dan, zooals telkens na ieder boek, dat ze juist uit heeft! Wij wilden dien middag een voorstelling geven van Crusoe en Vrijdag bezig met het bouwen van hun tent en wij hadden het dus, zooals van zelf spreekt, bizonder druk!

Tieka wou graag Robinson Crusoe wezen en had zich daarvoor zeer potsierlijk uitgedost. Zij had haar jurk uitgetrokken, een wit schapenvacht (het haardkleed) omgeslagen, daarover een lederen ceintuur gegespt, haar slippers als sandalen met een rood lint onder de bloote voeten gebonden en hare krullen zoo verward mogelijk over haar voorhoofd laten vallen. Daarbij had ze, heel achter aan het hoofd, hoe weet ik niet, een van hare roode kousjes bevestigd, "omdat zij er dan veel meer wildeman-achtig en voor een onbewoond eiland uitzag."

Wij hadden ons ieder op onze eigene slaapkamer verkleed om later elkaar, als bij verrassing, in de kinderkamer-Crusoe's eiland-te ontmoeten en Tieka juichte van pret, toen zij mij als Vrijdag zag. Ik had mijn gezicht en armen bruin gemaakt en mijn haar los laten hangen langs mijne slapen, het daarna in verschillende strengen verdeeld en toen onderaan de punten zwarte bandjes gestrikt; het zag er anders zoo erg blond uit! Verder droeg ik een zeer fantastisch kostuum in den vorm van een schilderachtig om mij heen geslagen, geruiten reisdeken, om het middel met een gordel van dik touw vast gemaakt, dat verder in trossen van zware knoopen naar beneden hing. Ik weet niet of Vrijdag ooit zoo getoiletteerd is geweest, maar Tieka vond alles prachtig, vooral mijn bruin gezicht en het ongemeene kapsel. Ik had mijn japonlijfje uitgetrokken, maar voelde me onder den plaid toch heel warm natuurlijk, te warm om behagelijk te zijn. En Tieka vond Vrijdag erg lui, toen deze opeens midden in het bouwen van een tent van blokken, kistjes, planken, voetebankjes, enz. op den grond ging zitten en uitriep: "Ik kan niet meer!" Crusoe trok den ontrouwen knecht aan een van zijne lokken en riep bevelend: "Gauw meehelpen! Anders komen wij voor den nacht niet klaar!" toen ... de deur open ging en de barones von Zercläre in ruischende zijde haar voet op het onbewoonde eiland zette!

Even bleef zij zwijgend staan, daarop zei ze op een toon van de diepste afkeuring: "Maar Fräulein!" en Vrijdag, die terstond opgesprongen was, kreeg een kleur onder zijn bruine huid. Tieka riep: "Moeder, moeder, we spelen Robinson Crusoe!" maar deze verklaring stemde de barones volstrekt niet gunstiger. Zij nam Tieka bij de hand en bracht haar naar haar slaapkamer. "Kleed je terstond weer behoorlijk aan en redder daarna dien prulleboel geheel op!" hoorde ik haar toornig zeggen en Tieka zei alleen uit den grond van haar hart: "Hè, wat jammer!" maar deed toen onmiddellijk wat haar bevolen was.

Juist wou ik ook zoo vlug mogelijk naar mijn kamer gaan om me te verkleeden, toen de barones weer voor mij stond. Nooit zal ik vergeten, hoe ongelukkig ik mij toen als Vrijdag voelde en hoe vurig ik verlangde, weer heel gewoon Hedwig Eiche te wezen!

Tieka's moeder vond dat ik mij hoogst onbetamelijk had gedragen. En ik had zeker ook wel een ander spelletje kunnen kiezen, maar wij vonden dit beiden zoo erg prettig!

Ik ontstelde, toen de barones zeide:

"U gedraagt u werkelijk soms geheel alsof u zelf ook nog een kind waart! Dat moet beslist veranderen, anders zou ik Tieka niet onder uwe leiding kunnen laten." Ze zweeg even, toen vervolgde zij met een vreemden blik in hare oogen:

"En dan moet ik u bovendien verzoeken u wat minder te beijveren om Tieka's liefde te winnen. Als zij u gehoorzaamt en ook verder haar plicht tegenover u doet, is dat volkomen voldoende. Liefde behoort zij voor hare ouders te voelen, overigens...."

Zij bracht den zin niet ten einde, maar zweeg weer even om mij toen-alsof dit nog noodig was!--onder het oog te brengen dat "dergelijke circus-achtige voorstellingen" nooit meer mochten plaats hebben. Toen ging zij heen.

Vindt u het erg kinderachtig dat niet alleen het water van mijn waschtafel het bruin van mijn gezicht wegwiesch?!

Maar u moet dit voorval toch vooral niet te tragisch opvatten, hoor! Het is nu alles al weer voorbij en vergeten en Tieka en ik hebben toch nog heel wat pret samen, al wagen wij ons slechts zelden meer aan verkleedpartijtjes en tooneelvoorstellingen!

En wat zegt u nu toch wel van zoo'n brief? Stuur dit pakje ook, als het kan, aan Anna Schaub ter lezing, of geef het haar te genieten, als zij wellicht gauw weer eens bij u komt. Ik heb ook haar nog maar een paar korte episteltjes gestuurd en zij schrijft zelf zoo trouw en zoo hartelijk.

Ik ben zoo blij dat het u beiden goed gaat en dat Clärchen het nu weer zoo prettig vindt op school en ook gouvernante wil worden.

Hoezee! Hoezee! Morgen zend ik u mijn eerstverdiende geld of liever mijn eerstverdiende gouvernantegeld. 't Is een beetje raar uitgedrukt; toch duidelijk genoeg voor u zeker? Neen moeder, ik heb er heusch zelf niets van noodig; ik heb nog wel een paar shillings en pennies in mijn beurs en dat is meer dan genoeg. Mijne kleeren zien er keurig netjes uit; alles wat ik met Anna in Hamburg gekocht heb, is haast nog nieuw. En eten of drinken behoef ik toch waarlijk niet te koopen! Dat krijg ik hier zoo overvloedig; ik word bepaald al wat dikker en mijn wangen zien er haast even rood uit als die van dien kleinen jongen bij Holyrood!

U ontvangt dus een aangeteekenden brief uit Schotland. Gewichtig, he? Ik ga het geld zelf naar het postkantoor brengen. Dat moet u nu niet allemaal aan nuttige dingen besteden, moeder; eet eens een extralekkere kuchen bij de koffie op mijn gezondheid. Ook doen!

En nu houd ik werkelijk eens op. Natuurlijk krijgt u nu voorloopig alleen maar briefjes in telegramstijl. Duizend groeten, ook van Tieka aan Clärchen....

HEDWIG.

Zooeven is de dokter er weer geweest. Hij was heel tevreden en vond dat Tieka goed vooruitging. Als het weer zoo zacht blijft, mag zij morgen eens opzitten en misschien overmorgen een poosje met mij in den tuin wandelen. Er is hier een prachtige tuin, een park eigenlijk, voor en achter het huis, o zoo mooi!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings