HOOFDSTUK IX.
Reading edition
Vier Iersche Kinderen en een Hond.
Zij werd den volgenden ochtend wakker met een gewaarwording alsof zij nog nooit zóó lekker geslapen had! Even nog bleef zij met half gesloten oogen liggen, droomerig beseffend hoe prettig het was, niet, als op Hill House, veel te vroeg door het wreede gelui van een bel te worden gewekt en juist dacht zij erover op te gaan staan, toen de deur zacht geopend werd. Een net dienstmeisje trad binnen, opende vlug de gordijnen, deelde haar mede dat het half acht was en verdween weer.
"Hoe heerlijk, de zon schijnt!" riep Hedwig en zij sprong het bed uit en liep naar het raam toe om naar het uitzicht te kijken.
"Wat prachtig!"
Het was een kreet van louter verrukking. Had zij ooit eerder zoo iets gezien?
Het was warm, een echte zomerdag, en zij duwde het raam open, dronk de zoele lucht in en keek opgetogen om zich heen.
Tegen den muur bij haar venster bloeiden de zwellende knoppen van een donkerroode klimroos. Beneden, in het park van het kasteel, verspreidden de rose en witte bloemtrossen van een rij acacias, tusschen wuivend groen, hunne fijne geuren in het rond, wedijverend met de witte meidorens, die van bovenaf gezien, een gedeelte van den tuin als in bruidstooi hulden. Diep in het dal zag zij het schilderachtige Glengariff liggen omgeven door woeste, bijna zwarte rotsen en steile bergen, die hunne scherpgekante toppen in plechtigen ernst omhoog hieven, terwijl aan hun voet en op de hellingen dichte bosschen en malschgroene grasvelden groeiden, in vroolijke tegenstelling met de somberheid daar boven. In lieflijke kalmte, onder de bekoring der krachtige zonnestralen, lag de baai; over het glinsterend groene water hing een wonderschoon licht, dat ook over de talrijke eilandjes zijn glans wierp. En door al de zoete geuren heen van rozen, meidorens en acacia in haar nabijheid en van den overvloed van bloeiende struiken verderaf, meende Hedwig ook iets te proeven van de reine zeelucht, die haar zoo lief was.
"Hè, wat een genot!" Zij kon er haast niet toe komen zich aan te gaan kleeden, maar zij begreep dat ze voortmaken moest en keerde zich met een zucht van het raam af. Zij moest haar koffer ook nog geheel uitpakken en zij trok dus eerst maar even de aardige muiltjes aan en de wit-serge peignoir, die Mrs. Rowley haar geschonken had, haar plagend omdat zij er trotsch op was dat het wit haar zoo goed stond. "Neen meisje, niet ijdel wezen," zei ze, toen zij neiging voelde om even in den spiegel te kijken van de groote hangkast, waarin zij den vorigen avond hare japonnen had geborgen. Zij knielde bij den koffer neer, doch bijna op hetzelfde oogenblik sprong zij weer op. Wat was dat toch voor gefluister bij haar deur? Zij bleef heel stil staan om goed te kunnen luisteren, toen glimlachte ze, zij had duidelijk kinderstemmen gehoord. Nu drong ook het korte, half ingehouden geblaf van een hond tot haar door. Daar klonk het luid: "Kijk nu, ik heb je wel gezegd dat je hem steviger vast moest houden!" De deur vloog met een ruk open en een prachtige St. Bernhards-hond stoof naar binnen, sprong tegen haar op, besnuffelde haar aan alle kanten en legde toen vertrouwelijk zijne beide ruige voorpooten op hare schouders.
Zonder de minste verlegenheid te toonen, in tegendeel schaterend van het lachen en in de handen klappend van pret, bleven de vier kinderen in de deuropening staan. De twee oudste meisjes van dertien en veertien jaar, bogen de hoofden nieuwsgierig voorover om beter in de kamer te kunnen zien, terwijl het achtjarige, blonde zusje en het aardige broekmannetje van vijf, uit alle macht Bruce, den hond, toeriepen dat hij "Mam'selle" een kus moest geven!
Hedwig lachte mee en legde haar hoofd even tegen den kop van Bruce aan, die vond dat de vriendschap nu gesloten was en naar de kinderen terugliep. "Oh mam'selle! The new man'selle!" riepen de meisjes met eigenaardig welluidende stemmen, die Hedwig prettig in de ooren klonken. Toen vroegen zij met schalksche gezichtjes of zij binnen mochten komen.
Hedwig knikte maar. Wat kon zij anders doen? "Vijf minuten," zei ze en terstond stond het geheele troepje, Bruce incluis, in haar kamer.
"Ziezoo, nu zal ik u eens vertellen wie wij eigenlijk allemaal zijn," zei het tweede meisje, dat een echt bij-de-handje was en er ook zoo uitzag met haar kort, bruin haar, grijsgroene oogen en het brutale wipneusje in het smalle, scherpomlijnde gezicht. "Dit is May," en zij schoof haar ouder zusje naar voren. "Een snoes, vindt u niet?" En May, een mooi meisje met dik, blauwzwart haar en heel donkerblauwe oogen, bloosde even en keek lachend tot Hedwig op. "Dan kom ik," ging het praatstertje voort, "niets mooi, zooals u ziet, maar wezenlijk nogal aardig! Ik heet eigenlijk Kathleen, maar ik word altijd Bunny genoemd, niet omdat ik op een konijntje lijk...."
"Jawel, jawel, daarom juist wel," riep May er tusschen door, doch Bunny legde haar de hand op den mond en vervolgde: "Dàt heelemaal niet, maar omdat Bunny korter en makkelijker is dan Kathleen. Dit is Nesta," en zij duwde het achtjarige meisje naar voren, een teergebouwd kind met donkerbruine oogen en lang, blond haar. "Nesta is een klein beetje een driftkopje, maar anders niet kwaad...."
En Nesta rukte zich los, stampte op den grond en riep half schreiend:
"Ik ben heelemaal geen driftkopje, heelemaal niet! En jij moogt geen leugens vertellen...."
Maar Hedwig had haar bij de hand genomen en keek haar ernstig en doordringend in de oogen. Toen ging het blonde hoofdje langzaam naar beneden en de trillende lippen zwegen.
"En dit is de eenige heer," zei Bunny, met gemaakte deftigheid op haar broertje wijzend. "Zijn naam is Gerald, voorloopig noemt iedereen hem echter Boy. Toch heeft hij zich al vast een mannenstem aangeschaft en daarom wordt hij ook wel eens de thunderboy genoemd, maar dat gebeurt toch niet dikwijls."
"Neen, dat geloof ik dadelijk," zei Hedwig lachend en zij keek naar het stevige figuurtje van den kleinen jongen, die de donkerblauwe oogen van May had en krullend, goudbruin haar, dat hij telkens ongeduldig wegstreek om Hedwig beter te kunnen zien. Hij en de St. Bernhardshond, die trouw naast hem bleef staan, onophoudelijk met zijne verstandige oogen van den een naar den ander kijkend en met zijn staart kwispelend, vormden een alleraardigst schilderijtje.
Hedwig liet de hand van Nesta los, die nog steeds zacht snikte en bij Boy neerknielend, vroeg ze, zóó zacht dat Nesta het niet hooren kon:
"Schreit Boy wel eens?"
Zij schrikte bijna van de grappige, grove stem, waarmee hij antwoordde:
"Boy is geen meisje." Trots Bunny's mededeeling kwam die diepe toon uit dat kleine lichaampje, haar toch nog onverwacht.
"Maar nu, een, twee, drie, de kamer uit," gebood zij eindelijk en de kinderen lachten en gingen heen, met hun aardigen, Ierschen tongval maar al "Oui mam'selle" en "Chère mam'selle," roepend; blijkbaar was hunne laatste gouvernante een Française geweest.
Hedwig haastte zich nu met kleeden en juist was zij klaar, toen de gong voor het ontbijt luidde. Zij vond Bruce, die met zijn slim hondenverstand terstond begrepen had dat zij den langen weg naar de ontbijtkamer niet dadelijk alleen zou kunnen vinden, nog voor de deur liggen en hij ging haar thans voor naar beneden, aldoor even den kop omdraaiend om te zien of zij hem wel volgde. Eindelijk stond hij stil voor de deur der kamer, waar zij wezen moest, zag eerst haar aan en toen naar de deur en liet een kort, gebiedend geblaf hooren.

[Bruce.]
Hedwig opende de deur, Bruce volgde langzaam en bleef met den staart tusschen de pooten weifelend staan, toen de stem van Mrs. Balvourneen klagend zeide:
"Och, nu komt die hond toch weer binnen! Ik wil hem hier niet hebben 's ochtends aan het ontbijt, dat heb ik al zoo dikwijls gezegd. Ik kan niet tegen die drukte...."
"Ach Bruce, lieve, beste Bruce! Mag hij niet even een stukje geroosterd brood hebben, moeder?" vroeg Boy smeekend en toen zijn moeder lijdelijk toestemde, na eerst even lijdelijk Hedwig goeden morgen te hebben gewenscht, riep Boy, terwijl hij een smakelijk stukje geroosterd brood in de hoogte hield en zijn stem zoo mogelijk nog grover maakte dan gewoonlijk:
"Zeg dan please, Bruce."
Bruce opende den bek zeer wijd, smakte dien toen snel weer dicht en liet met een tikkend geluid zijn tanden op elkaar klappen, wat bij hem "als 't je blieft" beteekende.
"Daar!" zei Boy, hem de begeerde lekkernij gevend.
"Nu moet hij ook dadelijk weg!" hernam Mrs. Balvourneen en de geduldige Bruce verdween, zooals zijn plicht was.
Eerst nu kwam Mr. Balvourneen binnen, gevolgd door de schare dienstboden en knechten, die iederen ochtend bij de korte godsdienstoefening tegenwoordig waren.
Mr. Balvourneen deed een gebed en las enkele verzen van den negentienden psalm voor. Er was iets kouds en plichtmatigs in de wijze, waarop hij zijn werk deed, toch vonden de woorden, die hij las, warmen weerklank in Hedwig's hart. En, terwijl zij door de wijd openstaande verandadeuren een blik kon werpen op de blauwe lucht en op de steeds wisselende tinten van purper en teerrood en zachtgrijs op de bergen en rotsen en zich koesterde in de zon, die grillige figuren tooverde op het goudlederen behangsel der kamer, luisterde zij met stille vreugde naar wat haar juist hier zoo toepasselijk scheen:
"De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk."
Na het lezen, toen het dienstpersoneel verdwenen was, verzocht Mrs. Balvourneen weer dringend om stilte en de kinderen fluisterden en giegelden onder elkaar, maar van een geregeld gesprek was geen sprake. Mr. en Mrs. Balvourneen bemoeiden zich nauwelijks met Hedwig, schoven haar alleen de verschillende schotels toe en hoopten een paar malen-nogal uit de hoogte-dat zij "zou doen alsof ze thuis was." Hedwig vond het dan ook niet jammer toen het tijd was om met de meisjes naar de leerkamer te gaan en Bridget, de nurse, kwam om Boy mee naar de kinderkamer te nemen. Boy stribbelde tegen, steeds met krachtige stem bewerend dat hij "niet wilde", tot zijn vader hem vierkant opnam en de kamer uitzette, een tooneel, waaraan allen gewend schenen te wezen, want niemand toonde er ook maar de geringste verbazing over. Boy zelf zong spoedig in de gang zijn hoogste lied en liep met klinkende stappen de trap op naar de kinderkamer, die zich naast de leerkamer bevond.
Weer kon Hedwig niet laten vergelijkingen te maken met Hill House, toen zij de leerkamer voor zich zag. Als Miss May en Taffy en Mary Wren nú toch eens naast haar hadden kunnen staan! Wat zouden zij de handen in elkaar hebben geslagen over den rijkdom van boeken op de planken langs de muren, over de groote eikenhouten tafel, de flinke stoelen met hooge ruggen, de nette inktkokers, pennehouders, vloeiboeken en alle mogelijke andere leerbenoodigdheden meer en-zeker het meest haast nog wel over de heerlijke weelde van licht en zon, die door de breede ramen naar binnen stroomde en over de met bloemen gevulde nissen, die zoo'n vroolijk aanzien aan de kamer gaven!
"Hier zit ik altijd," zei Bunny, haar plaats aan de tafel innemend. "En vandaag moeten wij Duitsch leeren, heeft moeder gezegd. Wij kennen er nog niets van, maar wij zijn heel vlug."
"Zoo!" Hedwig glimlachte. "Dat geloof ik nog maar zoo dadelijk niet."
"'t Is toch zoo," verklaarde Bunny beslist, maar nu liet Boy's diepe stem zich uit de andere kamer hooren:
"Maddy moet ook even bij mij komen kijken!"
"Maddy? O, dat beteekent Mam'selle, dat heeft Boy weer heelemaal zelf bedacht," zei de kleine Nesta met bewondering in haar stem. "Zoo is hij altijd. Hij bedenkt altijd naampjes voor iedereen."
"Dus hier zal ik Maddy heeten," dacht Hedwig lachend. Zij vond het aardig aan haar moeder en Clärchen te kunnen schrijven dat men hier ook al weer een aparten naam voor haar had gevonden!
"Kom nu Maddy, gauw!" riep Boy weer.
"Voor dezen éénen ochtend dan," zei Hedwig naar hem toegaande. "Maar morgen en overmorgen en al de andere dagen nooit weer. De zusjes en ik moeten aan het werk en Boy moet gaan spelen."
"Ja, dat heb ik ook al gezegd," zei Bridget.
"Maar Boy wil van ochtend bij Maddy blijven," verklaarde Boy, de wenkbrauwen fronsend. "Dat moet!"
"Neen, dat kan niet," zei Hedwig beslist. "Boy blijft van ochtend hier in deze kamer."
"En van middag?"
"Van middag gaan wij allen samen wandelen."
"Boy wil nù wandelen."
"Neen, dat gebeurt van middag."
"Och neen, dat moet nu, nù," drong Boy aan en hij ging vlak voor haar staan en deed zijn best heel streng te kijken.
"Neen, volstrekt niet," zei Hedwig, Bridget een wenk gevend, terwijl ze naar de leerkamer terug ging. Zij draaide den sleutel om, om zeker te zijn niet gestoord te worden.
May en Bunny zaten reeds met Duitsche leesboekjes voor zich; de achtjarige Nesta was in een hoekje bij een der ramen gaan zitten, omdat zij toch afzonderlijk werken moest, zooals zij zeide. Voorloopig stelde zij zich tevreden met een fraai geïllustreerd sprookjesboek!
Hedwig beduidde haar dat zij een oogenblikje bij de oudere zusjes moest komen zitten; zij had tot alle drie iets te zeggen, voordat het werk begon. En juist sprak zij erover hoe ze van plan was alles in te richten en dat zij een lijst wou maken en alles opschrijven, toen er uit de kinderkamer een vervaarlijk gegil klonk, dat haar opeens ontsteld zwijgen deed.
"O, het is niets, doet u maar net of u het niet hoort," zei May, goedig haar hand op die van Hedwig leggend. "Dat zijn kunsten van Boy."
"Ja, echte kunsten," zei Nesta, met haar hoofd knikkend tot de blonde haarlokken ervan schudden. "Hij kent er een heeleboel en dit is een nieuwe oorlogskreet."
"I-a-hoep!" klonk het weer van Boy en Nesta vloog naar de tusschendeur, bonsde er tegen en riep luid terug:
"I.. a.. hoep!"
Hedwig stond bedaard op en bracht haar naar haar plaats terug. "Niet weer doen, Nesta, de lessen beginnen nu."
"Maar het is anders wèl genoegelijk zoo'n klein beetje pret tusschenin; vindt u ook niet?" zei Bunny en zij keek Hedwig aan en kneep hare oogen zoo grappig dicht dat Hedwig moeite had ernstig te blijven. Boy liet nog eenmaal zijn krijgskreet hooren, maar toen er geen antwoord kwam en hij te vergeefs aan den deurknop gerammeld had, hield hij zich stil.
Nesta kreeg wat schrijfwerk op en de Duitsche les begon met de beide oudsten. Bunny was onuitputtelijk in het bedenken van allerlei aardigheden en wist er zich met verwonderlijke vlugheid door te slaan, als zij een woord verkeerd uitsprak of iets niet begreep. May had die handigheid niet, maar zij deed erg haar best en keek verheugd, toen Hedwig aan het eind der les verklaarde, dat het al veel beter ging dan zij gedacht had. Nu kregen de beide oudste meisjes schriftelijk werk op en moest Nesta een heel eenvoudig Fransch stukje lezen en uitleggen. Het ging niet naar haar zin en meer dan eens sloeg zij ongeduldig met haar vuist op de tafel, maar Hedwig zette door en rustte niet, voordat de geheele bladzijde gelezen was.
Het vroege middagmaal werd, evenals later de thee en het avondeten, door haar en Bridget en de kinderen in de kinderkamer gebruikt en zij begreep dat zij alleen iederen dag aan het ontbijt met Mr. en Mrs. Balvourneen zou aanzitten.
Het speet haar niet. De kinderen trokken haar aan en zij vond het prettig zich geheel aan hen te wijden en, evenals indertijd bij de familie von Zercläre, de rustige avonduren voor zichzelf te hebben of eens een praatje te maken met de vriendelijke Bridget, die doorgaans in de kinderkamer te vinden was.
Bridget ging dien eersten dag ook met haar en de kinderen-Bruce moest met zijn meester uit-wandelen en wees Hedwig den weg naar de lievelingsplek der kinderen in het bosch, waar vlugge beekjes het water over gladde steenen lieten kabbelen en telkens tusschen de donkere, hooge lanen lichte plekken waren, waar de hei reeds roodachtig begon te schijnen en de brem nog in vollen bloei stond.
Het was een vrij lange wandeling en zij moesten eerst een zonnig bergpad over, vanwaar zij herhaaldelijk Glengariff en de baai, thans vol ranke zeilscheepjes en bootjes, zagen liggen. De kinderen waren onvermoeid, groetten ieder, die zij tegen kwamen, met groote hartelijkheid en werden even hartelijk teruggegroet, het allermeest door de jonge boerinnetjes, die in haar aardige, losse kleedij met korte mouwen en rokken, op bloote voeten den berg bestegen, haar mand met eieren onder den arm houdend of minder breekbare waar achter op den rug dragend. Aantrekkelijk zagen de deerntjes eruit met hare heldere oogen, het donkere, onbedekte, krullende of golvende haar en de warmbruine gelaatskleur, door veel beweging in de buitenlucht veroorzaakt. Een van haar, blijkbaar een goede kennis van de kinderen en reeds van verre begroet als "sweet Kate" en "darling Kate", wierp hen in 't voorbijgaan een ruiker margrieten toe en een bosje groen, door Hedwig voor gewone klaver aangezien. Bunny had het 't eerst opgeraapt en kwam er mee naar Hedwig toe loopen, steeds met die eigenaardig welluidende Iersche stem, die Hedwig telkens op nieuw trof, juichend en zingend dat het een aard had.
"Dat treft prachtig dat wij u den eersten dag al shamrock[10] kunnen laten zien!" riep zij uit. "Echte Iersche shamrock! Eenig mooi is die, he?" En zij streelde liefkoozend de fijne blaadjes.
"Shamrock kan nergens anders groeien dan in Ierland," verzekerde nu May, die ook naast Hedwig was komen loopen. "Zooveel menschen hebben al beproefd haar ergens anders te kweeken, maar de shamrock wil maar niet. Is dat niet aardig? Zal ik u eens vertellen wat Ieren doen, als zij naar een ander land reizen, naar Amerika bij voorbeeld? Dan nemen zij een pot met Iersche aarde mee en planten daar hun shamrock in en dan gaat het goed, maar als zij in andere aarde gezet wordt, nooit! O, op St. Patrick's Day, dan zult u eens wat zien...."
"Dat is pas 17 Maart!" viel Bunny in. "Dat duurt nog zóó lang! Ja, dan is het net of er in Ierland niet anders groeit dan shamrock, want dan heeft iedereen het letterlijk aan en dan dragen velen er mooie, groene linten bij. En dan is er 's avonds een echt Iersch concert, daar worden alleen maar Iersche liederen gezongen en dan worden er Iersche dansen gedanst, de jig en de reel en ten slotte zingt iedereen: "Let Erin remember the days of old...." En nu heb ik nog vergeten te vertellen dat alle Ieren, die niet in hun eigen land zijn, dan in brieven shamrock gestuurd krijgen om die ook op St. Patrick's Day te kunnen dragen...."
"Lieve, lieve Maddy, ik kom ook bij jou," zongen nu Nesta en Boy en zij liepen van Bridget weg en holden den berg af om met een bons tegen Hedwig en de meisjes aan te vallen.
"Neen, neen, dat gaat zoo niet. Ik ben gesteld op keurige Iersche manieren," zei Hedwig vermanend.
"Keurige Iersche manieren!" herhaalde de thunderboy met grove stem en hij liep met Nesta vooruit op een drafje het bosch in, naar de opene plek, waar zij gewoonlijk speelden.
Het was er lekker koel door de zware boomen rondom en de nabijheid van het water en de kinderen juichten, toen Bridget voorstelde om van de dikke takken, die er lagen en van mos, een huisje te gaan bouwen.
IJverig togen nu alle handen aan het werk. Nesta en Boy hadden het zóó druk dat zij meer dan eens in hun haast tegen elkaar aanstootten en den zoo vlijtig verzamelden mosstapel op den grond lieten vallen. May en Bunny hielpen Bridget en Hedwig de muren vast maken en trapten en drukten het losse mos in elkaar tot het, volgens May, "zoo stevig werd als echte planken." Hedwig genoot de zuivere lucht en het aardige werkje. Zij keek bewonderend naar Bridget's vlugge handen, die de takken tot bogen vormden om het dak te maken. Tusschen de naast elkaar gelegde takken moest weer mos worden bevestigd. "Het dak geeft het meeste werk," zei Bridget, "daar komen wij vandaag niet mee klaar."
"Er zijn nog heel groote gaten in het dak," zei Nesta, die midden in het "huis" naar boven stond te kijken. "Daar komt nog heelemaal de zwarte lucht door."
De zwarte lucht? Hedwig en Bridget keken snel op. Zij waren te zeer verdiept geweest in haar werk om op het weer te letten; nu kwamen zij met schrik tot de ontdekking dat de zon verdwenen was achter steeds donker wordende wolken.
"Hè, net op mijn neus!" riep Boy. "En nu op mijn wang! En daar is er weer een op mijn kin!" Want er begonnen dikke regendruppels te vallen en, wat erger was, er deed zich een dof gerommel hooren tusschen de bergen. Een flauwe bliksemstraal verlichtte het binnenste van het huisje, dichterbij klonk de donder, heel fel scheen plotseling het licht, luider en zwaarder werden de donderslagen en met onstuimige kracht viel de regen in dichte stralen neer.
"Gauw naar huis. Loopen, draven, den kortsten weg nemen!" riep de hevig ontstelde Bridget, Boy bij den arm grijpend. "Voortmaken kinderen, vlug!" riep Hedwig. "Nesta, geef mij een hand, May en Bunny houdt elkaar vast.... Niet bang wezen...."
"Bang? Wie is er bang? Ik niet!" riep Bunny met vuur uit. "En ik blijf hier. Het is veel te prachtig om nu weg te loopen. En wij hebben immers een huis! Kijk, wat blijft het stevig staan! Oef...." En zij sloeg den rok van haar jurk over het hoofd en veegde zich den regen uit het gezicht.
"Ja, ik blijf ook hier; ik wil niet weg, ik doe het niet," riep nu Nesta met haar hooge sopraanstem en Boy rukte zich van Bridget los en riep mee: "Ik ook! Ik ook! Ik wil niet naar huis!"
"Dan gaan wij ook niet, he?" vroeg May, met schitterende oogen tot Hedwig opziende. "Mogen wij blijven?"
"Neen, natuurlijk niet. Wij gaan onmiddellijk naar huis, allemaal," zei Hedwig zeer beslist. "Komaan kinderen, geen gekheid!"
"Gaat allemaal maar weg; ik blijf hier," herhaalde Bunny, die geheel onhandelbaar geworden scheen door het onweer.
"Och, wat moeten wij doen? Wat moeten wij doen?" riep Bridget wanhopig uit, zich met echt Iersche opgewondenheid de handen wringend. "O, hoort toch eens, wat een noodweer! Ach en daar is de banshee, de banshee, ach, ach!"
Een ratelende donderslag was door een verblindend licht gevolgd, toen dit wegstierf, deed zich een langgerekt, klagend geluid hooren, dat door de bergen weerkaatst werd.
"Biddy," zei May, haar hand op Bridget's arm leggend en bedaard sprekend, hoewel zij doodsbleek zag, "het is alleen het onweer. Je moet niet bang wezen voor de banshee; die is er niet, zegt vader."
Doch Bridget was te zeer buiten zichzelf om naar haar te kunnen luisteren. "We moeten vluchten, vluchten voor de banshee," fluisterde ze, Hedwig angstig aanziende.
"Ja, wij gaan naar huis," hernam Hedwig, die heel bedaard bleef. "Komt kinderen, dadelijk, terstond!"
"Ik wil niet, ik doe het niet!" riep Nesta driftig, Bunny zei nog eens: "Ik blijf hier," en nu nam Hedwig den zeer tegenstribbelenden, gillenden Boy op hare schouders, greep Nesta's hand stevig vast en liet Bridget met May vooruit gaan om den kortsten weg te wijzen.
Nesta schreeuwde het uit. "Ik wil niet! Ik wil mijn zin hebben!" riep zij. "Ik wil niet in den regen loopen...."
Hedwig had moeite haar voort te trekken, maar toen Bunny eieren voor haar geld koos en, zooals Hedwig ook verwacht had, al spoedig achter de anderen aan kwam snellen, ging het beter. Zij nam Nesta van Hedwig over, liet haar nu en dan bij wijze van pretje op een draf loopen en lachte Bridget uit, toen deze nog eens verschrikt riep: "Ach, daar is de banshee weer, de banshee gaat met ons mee naar huis. Als zij van nacht maar niet onder een van onze ramen komt...."[11]
Boy gaf vanaf zijn hooge zitplaats allerlei opmerkingen ten beste. "Maddy's hoed wordt zóó nat!" "Maddy's ooren beginnen te glimmen van den regen!" "Bunny's jurk druipt!" "Wat stapt Nesta lekker in de plassen!" "Vort paardje, vort!" En hij sloeg zijn armen steviger om Hedwig's hals en drukte zijne beenen tegen hare schouders. Hedwig keek om en knikte hem eens toe, waardoor tot groot plezier van Boy, een lange straal water van haar hoed af liep.
Eindelijk, juist toen de regen minder werd, waren zij thuis. Nooit nog had Bridget den weg naar boven zóó lang gevonden, maar toen zij eenmaal het kasteel Balvourneen in het gezicht had, schaamde zij zich haar angst en een weinig verlegen kwam zij Hedwig op zijde, keek haar trouwhartig aan met hare grijze oogen en zei:
"Ik ben een slechte hulp geweest vandaag. Een volgenden keer zal ik niet weer zoo laf zijn!"
Hedwig kon onmogelijk anders antwoorden dan met een glimlach, zoo hijgde ze van den tocht den berg op met den zwaren Boy op haar rug.
Daar kwam Bruce aanhollen. Met woeste sprongen en een luid geblaf begroette hij zijn natte kameraden en als om hun te zeggen dat zij toch voort moesten maken, draafde hij toen voor hen uit, om bij den ingang op hen te blijven wachten.
In de vestibule, neergezegen op een der lage stoelen, vonden zij Mrs. Balvourneen. Zij hield hare handen voor 't gezicht, maar liet die met een gebaar van neerslachtige berusting in den schoot vallen, toen zij al de kinderen gezond voor zich zag.
"Is dat uitblijven!" riep ze. "Mijne zenuwen zijn geheel in de war. Ach, mademoiselle Eiche, hoe kondt u zóó ver met die arme, teere kinderen gaan en hen aan dien storm blootstellen? En mijn lief, eenigst zoontje, ach, wat ziet hij er nat en akelig uit! Ga dadelijk naar boven, Bridget, en laat de kinderen allen een warm bad nemen en iets warms drinken en dan naar bed gaan.... Ik kan niet meer spreken, ik ben doodop van al den angst, dien ik doorgestaan heb! Gaat nu allen heen."
Bridget gehoorzaamde terstond, dankbaar dat zij er zoo gemakkelijk af kwam. De "teere" kinderen volgden met Hedwig en Bruce sprong tegen ieder om de beurt op en deelde likken uit op een wijze, die duidelijk toonde hoezeer hij in zijn schik was dat allen weer goed en wel thuis waren.
Toen zij boven gekomen waren, liep May naar Hedwig toe en liet haar triomfantelijk iets kijken. Het was het bosje shamrock, dat zij door allen storm en regen heen, trouw had bewaard. "Voor u," zei ze, Hedwig vroolijk aanziende, "als het uitgespreid wordt, droogt het gauw en dan kunt u ervan in een brief naar huis sturen; dat is zoo aardig, want shamrock hebben zij in Duitschland niet, die groeit heusch alleen maar in Ierland!"
"Dank je wèl," zei Hedwig, het aardige, tot haar opgehevene gezichtje kussend.
"Wij behoeven niet echt naar bed, hoor Maddy," zei Bunny met overtuiging, "het is nog zóó vroeg!" En Nesta en Boy riepen ook terstond: "Ja, nog véél te vroeg!"
Doch Hedwig was onverbiddelijk en liet de orders van Mrs. Balvourneen zóó stipt uitvoeren dat zelfs Bridget er verbaasd over was. Met die nieuwe mam'selle viel blijkbaar niet te gekscheren!
Het gevolg was gelukkig dat geen van allen het minste nadeel van den tocht ondervond. Het mooie huisje van takken en mos kwam enkele dagen later geheel klaar en bleek zooveel aantrekkingskracht te hebben dat de kinderen er slechts zelden toe over te halen waren, hunne dagelijksche wandeling ergens anders heen te richten. Bunny stelde het zich zelfs als een heerlijkheid voor, eens een week in dat huisje te mogen wonen, "middenin het bosch met niets om mij heen dan vogels en bloemen en boomen en water", maar May zeide: "Ik denk dat je toch wel naar Balvourneen terug zoudt verlangen, als je eenmaal in dat kleine huisje zat; en wat zou je dan altijd willen eten?"
"Eten! O, daar kon ik wel een weekje buiten!" beweerde Bunny dan en Hedwig hoorde het haar zeggen en dacht aan het schrale voedsel op Hill House!
Zij voelde zich spoedig thuis op Balvourneen en met de kinderen, doch van de ouders bemerkte zij al heel weinig. Er gingen weken voorbij dat zij hen alleen de korte poos aan het ontbijt sprak en de regeling der lessen en der vrije uren werd nagenoeg geheel aan haar overgelaten. Slechts een enkele maal kwam Mrs. Balvourneen eens de leerkamer in, om dan haastig een paar opmerkingen te maken of lievigheidjes tegen de kinderen te zeggen en hun te vragen of alles wezenlijk ging, zooals zij het prettig vonden. Bunny riep dan geregeld: "Natuurlijk moeder, Maddy is een snoes!" en May herhaalde met vuur: "Ja, een echte snoes!" alleen het driftkopje Nesta, die volstrekt niet vond dat alles naar haar wensch ging, hield zich nukkig stil, wat haar moeder echter, in het begin althans, niet opmerkte.
Een groot genot was voor de kinderen en ook voor Bridget, het verteluurtje Zaterdagsavonds, als allen, ook Boy, wat later op mochten blijven en Hedwig verhalen deed over Duitschland en over Clärchen. Ook van Tieka von Zercläre vertelde zij nu en dan en Nesta kroop altijd dichterbij, als er van Tieka's poppenkamer en de verzameling kinderportretjes sprake was.
Soms mochten de kinderen zelf ook vertellen, wat zij dolgraag deden, Bunny vooral, wier fantasie onuitputtelijk was. Boy's verhalen waren altijd heel kort; gewoonlijk handelden zij over iets lekkers. "Ik droomde van nacht dat ik heel alleen in de eetkamer zat en dat John een groote taart binnen bracht en dat ik die heel alleen op mocht eten. En dat deed ik toen ook en ik werd heelemaal niet ziek en ik had er juist erg graag nog eentje gehad!"
Nesta, die haar moeders lieveling was, vertelde graag-en het trof Hedwig pijnlijk-van een gezonde moeder, die heel veel met hare kinderen speelde en zong en wandelde en toch nooit vermoeid was en May deed met haar zachte, heldere stem verhalen van wit-rose wonderlelies, die in koude landen 's winters tusschen de sneeuw bloeiden en van een witten meidoornstruik, heel diep in het bosch, die veel langer bloeide dan andere meidoorns en nooit omgehakt mocht worden, omdat de fee, die erin woonde dan boos zou worden en ver weg trekken naar andere landen. Bridget vertelde iederen keer weer van een bizonder vadzig Iertje, dat zelfs te lui was om te eten, want hij vond het veel te veel moeite zijn hand naar den mond te brengen. Zijne vrouw, die ook wel een beter huwelijk had kunnen doen, moest hem altijd voeren, terwijl hij languit in het gras lag!
Als het vertellen gedaan was, ging Hedwig aan de piano zitten en speelde danswijsjes. Dan huppelden de kinderen er lustig op los en tot slot werd dikwijls, op algemeen verzoek en met groote geestdrift, het geliefde Iersche lied van Moore gezongen: "Let Erin remember the days of old...."
Dan kwamen soms Mr. en Mrs. Balvourneen zachtjes binnen om te luisteren naar de zeer welluidende kinderstemmen en ook Hedwig vond dit een aantrekkelijk oogenblik.
Het was op een regenachtigen Zaterdagavond,-over de witte huizen en de baai van Glengariff lag een waas van somberheid-dat Bunny met verschrikte oogen de kinderkamer kwam binnensnellen. Zij was de beukenheg voorbijgegaan bij het kleine meertje in het park en de bladeren ritselden zóó geheimzinnig, er was daar zeker een bijeenkomst van leprechauns[12] van avond en o....
Maar Hedwig nam een schrift op en liet de bladen ervan om Bunny's ooren waaien. "Dit geluid was het zeker, he?" riep ze. "En heeft het je zoo bang gemaakt dat je geen trek meer hebt in thee? Arme Bunny! Wie heeft er wel trek? De thee is klaar."
Bunny keek een beetje boos. "Waarom mag ik niet verder vertellen?" vroeg ze.
"Omdat wij nu eerst thee gaan drinken," zei Hedwig, die Nesta bleek en Boy's oogen wat angstig had zien worden. "Straks moog je vertellen, na de thee, op het gewone uurtje."
"Ja, ja, op het gewone uurtje," riep May, stoelen aan de tafel schuivend. "Laten wij maar gauw gaan zitten, dan zijn we des te eerder klaar. Ik ben toch zóó nieuwsgierig...."
"Ik ook! Ik ook!" riepen nu Nesta en Boy als uit één mond, maar nu hield Bunny zich stil. Het was duidelijk dat zij over iets zat na te denken en nog was de maaltijd niet geheel afgeloopen, toen zij opsprong en de kamer uitsnelde. "Maar Bunny, Bunny!" riepen Hedwig en Bridget haar na. "Ja, ja, ik kom dadelijk weer om te vertellen," riep zij terug. "Wacht maar even."
"Dat doet zij nu weer alleen om ons nieuwsgierig te maken," zei Nesta vertrouwelijk en als dat zoo was, bereikte Bunny zeker haar doel, want het duurde zoo lang eer zij terug kwam, dat Hedwig ongerust werd en opstond om haar te gaan zoeken.
Maar juist wilde zij de kamer verlaten, toen er hard op de deur werd geklopt, Bruce hevig begon te blaffen, allen opsprongen en....
Wat voor wonderlijk wezen kwam daar binnen? Nesta greep Hedwig's hand en Boy kreeg een hoogroode kleur en liep dichter naar Bridget toe, maar hij stak zijn handen in zijn zakken en ging wijdbeens staan, alsof hij zeggen wilde: "Denkt maar niet dat ik bang ben!"
Al strompelend, zwaar leunend op een stokje, kwam nu een oud vrouwtje binnen, dat door haar zonderling uiterlijk en vreemd starenden blik, "op 't eerste gezicht," zooals May later zeide,-"een echt griezeligen indruk maakte." Het vrouwtje droeg boven een zwarten rok een vaalgroenen mantel, zooals de Iersche boerinnen die dragen; de kap, die met verschoten rood gevoerd was, had zij over het hoofd geslagen, terwijl haar voorhoofd bijna geheel bedekt was door een stijf vastgeknoopten doek, juist alsof zij aan erge hoofdpijn leed. Onder de oogen lagen onnatuurlijk donkere, breede kringen en ... boven de bovenlip was een geelwit snorretje te zien, dat sterk aan verkleurd poppenhaar deed denken. Het heksje stak den mond ver vooruit, en liep zeer gebogen. En met een akelig doffe stem sprak ze:
"Ik heb een lange reis gemaakt. Bij de meren van Killarney ben ik geweest; aan den voet van den hoogen berg Carran Tual woon ik. De leprechauns hebben mij betooverd! Een schoone, jonge maagd ben ik geweest...." hier giegelde May hardop-"nu ben ik een oude, oude heks...."
"Kom toch wat dichter bij, heksje," zei Hedwig, haar vriendelijk bij de hand nemend en het heksje liet zich in den kring leiden, maar begon, toen men al meer en meer om haar heen drong om haar goed te bekijken, zulke afschuwelijke geluiden te maken dat May oneerbiedig uitriep:
"O Bunny, houd toch op!"
Allen lachten, doch nu keek het heksje zeer toornig, hare groene oogen flikkerden en met haar stok op den grond stampend, riep zij uit:
"Past op! Past op! Neemt u allen in acht of ik zend u naar de leprechauns!"
"De leprechauns? Wat zijn dat toch voor dingen?" vroeg Hedwig en de heks hief dreigend haar stok op en zei verontwaardigd:
"Dingen! Durft gij het wagen de geduchte leprechauns dingen te noemen? Hoor, gij lichtzinnige Germaansche en gij, kinderen van het groene Erin, hoort, hoe ik in mijne Geschiedenis der Leprechauns, deze machtige berggeesten beschreven heb ... maar geeft mij dan eerst een stoel, want mijne stramme leden worden moe."
"O, hoor Bunny eens! Haar stramme leden!" riep Nesta, maar Boy zette vlug een stoel bij het bestje neer en vroeg:
"En toen ... en toen?"
"Boy moet eigenlijk naar bed," zei Bridget.
"Laat deze zoon van Erin eerst nog een oogenblik naar mij luisteren," zei het oudje. En op plechtigen toon vervolgde ze:
"De leprechauns zien er uit als allerverschrikkelijkst leelijke, verschrompelde oude dwergen met heel groote neuzen en kleine, valsche, gniepige oogen, die altijd schuin staan. Niettegenstaande hunne nietige gestalten zijn de leprechauns al uit de verte te herkennen aan de roode buisjes, waarbij zij altijd kuitenbroeken en lage schoenen met gespen dragen en aan de puntmutsen, waarmee zij hun borstelig haar bedekken. De leprechauns wonen in de bergen en in groote, holle boomen en als de maan heel helder schijnt, vertoonen zij zich in hunne Zondagskleeren-groene jagerbuizen en roode mutsen-en dansen, dansen, dansen uren lang, tot het ochtendlicht begint te schijnen. Hunne groote kracht ligt in die kleine, valsche, gniepige oogen"-hier kneep het oudje de hare bijna geheel dicht en zette zoo'n dwaas gezicht dat allen in lachen uitbarstten-"waarmee zij iemand betooveren kunnen, zooals ik helaas betooverd ben! Maar wie de kracht bezit een leprechaun strak aan te kijken, twee minuten lang, zonder met zijn oogen te knippen of ook maar een vin te verroeren, die komt niet onder de betoovering en kan zakken vol goud van hem los krijgen, zooveel als hij er maar wenscht te bezitten! Twee heele minuten doodstil te blijven staan, is echter een verbazende toer en-als men maar even met de oogen knipt, of ook maar het puntje van zijn pink beweegt, is het mis en verdwijnt de leprechaun, zonder een enkel korreltje goud achter te laten...."
"En nu moeten Nesta en Boy ook verdwijnen," zei Bridget. "Het is al zóó laat; ik durf niet eens te zeggen hoe laat!"
"Och, ik ben nog niets slaperig," zei Boy, zijne oogen heel groot makend.
"Wacht, ik ga mee je naar bed brengen," riep Bunny met haar gewone stem en nu riepen Boy en Nesta te gelijk uit: "Ja, ja, ja! Ga maar gauw mee, heksje!" En het heksje liep mee, vroolijk met haar stok zwaaiend en zingend dat de leprechauns het van avond maar zonder haar moesten stellen, er mocht dan van komen wat er wilde!