← Table of contents
Een Heldin

HOOFDSTUK II.

Reading edition

"My Dear!"

De brief naar huis werd dadelijk geschreven: Hedwig's pen vloog over het papier. "O moeder, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij, vooral omdat u ook zoo blij zult zijn," schreef zij. "Prachtig, drie malen blij in één zin, vindt u niet? En dat nog wel voor een gouvernante! Maar u plaagt mij altijd omdat ik zoo graag een woord, dat me bevalt, vaak gebruik, weet u wel? Dat moet u nu echter maar over het hoofd zien; het komt allemaal omdat ik het zoo heerlijk, heerlijk vind dat ik zoo gauw iets goeds gevonden heb. Ik zal u alles haarfijn vertellen...."

Wat ging dat vlug en wat waren er gauw een paar velletjes vol, dacht Anna. Hedwig moest toch wel bizonder knap zijn en de barones von Zerkläre mocht het wel op prijs stellen dat zij zoo'n flink, lief gouvernantetje bij haar kind kreeg!

Hedwig's moeder schreef per keerende post een brief terug vol liefde en hartelijke groeten van haarzelf en van Clärchen. Hedwig zou toch immers dadelijk weer thuis komen, als deze werkkring haar niet beviel? Er zou dan zeker wel wat anders voor haar te vinden wezen en zij was nog zoo heel jong....

Maar Hedwig twijfelde er geen oogenblik aan of alles zou heel goed en prettig gaan. Zij had lust in het werk en verlangde te beginnen en het was met een opgewekt gezicht en een moedig hart dat ze Maandags afscheid van Anna Schaub nam en haar plaatsje op de boot naar Londen veroverde. Anna had haar een grooten koffer afgestaan, "een echt ouderwetsche Duitsche reiskist, een huis haast," zooals Hedwig lachend beweerde. Zij hadden allerlei inkoopen gedaan en Hedwig voelde zich heel rijk met een paar nieuwe blouses en een sterken, serge rok. De koffer was ten slotte nog geheel vol geworden, wat Anna triomfantelijk had doen uitroepen: "Zie je wel dat hij niet te groot is? Het maakt ook dadelijk veel beter indruk, als je met een flink stuk bagage komt," en Hedwig was haar dankbaar geweest voor hare goede zorgen en had meer dan eens gezegd:

"Ik stuur je later terug wat je voor me betaald hebt, hoor; reken daar vast op."

Nu was het afscheid achter den rug en lag ze languit op de bank in de dameskajuit van de boot, die haar naar Londen zou brengen. Het was donker, druilerig weer en zij had geen neiging gevoeld lang op het dek te blijven, waar de fijne motregen haar huiveren deed. Anna had haar taschje gevuld met "allerlei, waarin je zeker wel trek krijgen zult," en soms betastte zij het eens even; het was haar net of Anna daardoor weer wat dichter in haar nabijheid was. Zij had nog in 't geheel geen "trek", maar ze moest herhaaldelijk aan Anna en hare trouwe liefde denken. Het was toch wel eenzaam nu, vond ze. Zij sloot de oogen en bewoog zich niet; ze wou zorgen dat ze spoedig in slaap kwam, maar telkens weer zag zij Anna Schaub voor zich en haar moeder en Clärchen....

Langzamerhand viel zij in een lichte sluimering. Ze was echter weinig verkwikt, toen ze 's ochtends vroeg klaar wakker werd en kreunend keerde zij zich af, toen de hofmeesteres iets tot haar zeide. Ook later op den dag voelde zij volstrekt geen verlangen om op te staan; haar hoofd klopte en ze was heel vermoeid. "Nu ben ik dus zeker zeeziek", dacht ze. Zij was nog nooit op zee geweest en had wel eens gezegd dat zij graag zou weten hoe dat was: zeeziek zijn. Nu wist zij het dan!

Tegen den avond werd zij beter en kon zij zelfs met smaak wat gebruiken en vrij vroeg viel ze weer in slaap, om eindelijk tot haar groote vreugde gewekt te worden met het bericht dat men Londen naderde.

Wat een drukte en gewoel om haar heen, toen ze boven kwam en hoe vreemd was het bij het aan land komen onder al die gezichten geen enkel te vinden, dat haar bekend was en een welkom toeknikte!

De regen was opgehouden en eerst heel flauwtjes, toen wat helderder, begon de zon te schijnen. Het stemde Hedwig opgewekter. "Ik hoop dat moeder en Clärchen en Anna Schaub die zon ook zien en aan mij denken," dacht zij even; toen kreeg zij het te druk met haar koffer en het zoeken naar een vigilante om zich aan gepeins over te kunnen geven.

Ze kwam in een energieke stemming, terwijl ze door de drukke, Londensche straten reed en met groote oogen keek naar al dat nieuwe, geheimzinnig onbekende, dat haar met magnetische kracht aantrok. Zij vond ze mooi die grijze gebouwen, waarop, door een dunnen nevel heen, als een waas van zonlicht lag, de plotselinge kijkjes op de rivier met het bijna stille, even rimpelende water, waarover de booten en schepen schenen heen te glijden, de bruggen met hare ranke bogen en de bevallige hansoms, die haar cab voorbij snelden; en door het open raampje keek en luisterde ze nieuwsgierig naar de pratende en roepende menigte. Het was haar haast alsof zij in een tooverwereld was, ook om dat wonderbaar teere, zachtgele licht, dat zij nergens ooit zóó had zien schijnen en met een soort van schok kwam ze tot zichzelf, toen zij King's Cross station binnen reed en de vigilante stil stond.

Wat een volte! Zij werd er een oogenblik door verbijsterd. Hoe moest zij onder al die menschen de barones en Tieka vinden? Zij sprong uit de vigilante en keek even verschrikt naar haar japon, die door de lange reis erg gekreukeld was. Zij streek er haastig met haar hand overheen; ze had geen tijd er veel aandacht aan te geven, want de koetsier moest betaald worden, onderwijl nam een porter haar koffer op zijn kruiwagen en keek haar vragend aan en intusschen zochten hare oogen, zochten ... om niets te vinden dan een pratende, bevelende, dravende menschenmassa, waaronder niemand zich harer ook maar in 't minst aantrok.

Daar stootte de koetsier haar aan den arm. Wat zeide hij toch allemaal? Hij sprak zoo rad en zulk raar Engelsch; zij kon hem haast niet verstaan. Zij had hem geld gegeven en hij had het op de vlakke hand gelegd en wees er voortdurend naar. Vond hij het niet genoeg? Hedwig meende dat hij reeds meer had gekregen dan hem toekwam; nu legde zij er toch nog maar een shilling bij. De cabby knikte: "All right" en reed weg.

"Where to Miss?" vroeg de kruier. "Come along."

"Edinburg," zei Hedwig wat geagiteerd. "Edinburg," maar ze sprak den naam zoo Duitsch uit dat de man haar niet begreep en de schouders ophaalde. "Got your ticket?" vroeg hij. Neen, Hedwig had nog geen kaartje. "Scotland," zei ze, "Edinburg!" Nu wist hij wat zij meende. Dan moest ze voortmaken, ze had nog maar drie minuten tijd. En Hedwig liet zich den weg wijzen, nam in de haast een kaartje derde klasse in plaats van eerste, hoewel ze bij het reisgezelschap van de familie von Zercläre behoorde en liep op een drafje met haar geleider naar den trein. Daar ontdekte ze zoowaar in de verte het aardige figuurtje van Tieka! Haar ruime, lichte reisjurk stak frisch af bij de donkere kleeding van eenige heeren, die naast haar stonden. Kijk, nu had zij Hedwig ook gezien! Ze wuifde met beide handen en wilde naar haar toesnellen, maar Hedwig zag nog juist hoe een hand uit den coupé haar terughield. Toen werd ze zelf door een ondernemenden conducteur een derde klasse wagen ingetild.

Ze kwam naast een dikken heereboer te recht. "Dat is nog maar net bijtijds," zei hij. "Yes indeed," antwoordde zij hijgend.

"Koffer in den goederenwagen. Alles in orde, Miss," klonk nu de stem van den kruier, die zijn gezicht door het raampje stak.

"O!" riep Hedwig. Dat was waar ook; ze moest dien man nog betalen! Schielijk haalde ze haar portemonnaie te voorschijn en zocht naar kleingeld. De lokomotief floot af.

"Hier," en zij liet heel den schat van groote, koperen pennies, die ze bij zich had, in zijn hand glijden, waardoor haar beurs aanmerkelijk lichter werd. "Thank you," zei de man en verdween; meteen stootte Hedwig's arm tegen den knop van den dikken stok, dien de heereboer tusschen zijn beenen hield, haar portemonnaie gaapte wijder en de geldstukken vielen er uit en verstrooiden zich over den grond.

"Ach, du liebe Zeit!" liet Hedwig zich ontvallen en de heereboer keek haar aan met een medelijdenden blik. "Hoe jammer voor dat jonge meisje om geen Engelsche te zijn," dacht hij met de eigenaardige verwaandheid van een Engelschman, maar trots zijne dikte, hielp hij haar toch heel gedienstig het geld weer bij elkaar zoeken.

Hedwig telde na of zij alles had. Tot haar schrik mistte zij nog het eenige goudstukje, dat zij in haar beurs had gehad. Ze boog zich voorover en keek scherp rond of zij op den grond tusschen de voeten en neerhangende kleeren der andere reizigers ook iets zag blinken; tot haar groote teleurstelling vond zij echter niets. Zij schudde haar portemonnaie uit op haar schoot, misschien was het tien-shillingsstukje in een hoekje achter gebleven, hoopte ze, toen het andere geld op den grond viel,-maar zij zag zich bedrogen in die hoop.

Ze ging heel rechtop zitten met het vaste voornemen nu maar niet meer aan dat ongelukkige goudstukje te denken, toen zij opeens iemand in haar nabijheid in mooi, duidelijk Engelsch hoorde zeggen:

"Mag ik u dit misschien aanbieden?"

Opkijkend zag zij het vriendelijke gezicht van een heer, die tegenover haar zat, maar zoo ver in zijn hoekje gedoken was geweest dat zij hem nauwelijks had opgemerkt.

"Dit" was ... het verloren geldstukje en zij nam het gretig van hem aan.

"Thank you," zei ze, dubbel blij omdat zij zoo goed begrijpen kon wat hij zeide.

"Ik had het al opgeraapt voordat u het mistte," zei hij vroolijk. "Het was niet beleefd van mij het u niet terstond ter hand te stellen, maar om de waarheid te zeggen, had ik plezier in uw verlegenheid. U bent een Duitsche, niet waar? Mag ik vragen of u wellicht ook naar York gaat? Mijn oudste dochtertje is daar op kostschool en ik ga haar bezoeken. Ik dacht ... het was maar een inval natuurlijk, dat u misschien een aanstaande medeleerlinge van haar zoudt kunnen zijn. Er zijn daar meer Duitsche meisjes."

Hedwig voelde snel naar haar kapsel. Ja, het haar was nog wel opgestoken. Hoe akelig dat zij er nu toch weer zoo lastig jong uitzag! "Neen" zei ze bedeesd, "ik ga niet naar York, ik ben op weg naar Edinburg."

"Och, dat spijt me."

"Ik ben niet rijk," zei Hedwig met een vaag besef dat zij hem niet in den waan mocht laten als zouden zijn dochter en zij in gelijke omstandigheden verkeeren. "Ik ga in betrekking als gouvernante." Het kwam er zoo eenvoudig en bedaard mogelijk uit, haast alsof zij reeds jaren als gouvernante was werkzaam geweest, toch keek de heer tegenover haar heel vreemd op en de dikke heereboer liet zich ontvallen: "Well, I never...!"

Hedwig voelde zich min of meer in haar eer getast. "Ik vind het heel prettig," zei ze met nadruk.

"Daar ben ik blij om," zei de heer tegenover haar, "maar ... leven uwe ouders nog?"

"Mijn moeder leeft nog," zei Hedwig zacht.

De vreemde heer vroeg niet verder en Hedwig zweeg thans ook liever. Waarom keek hij zoo ernstig en waarom vond hij het blijkbaar heel vreemd dat zij als gouvernante de wereld inging? Het kwam er toch niet zooveel opaan of zij pas vijftien was, ze zou spoedig genoeg achttien wezen; drie jaren waren gauw om!

Ze vond het niet onaangenaam dat beiden, de heereboer en de heer, wiens dochtertje te York school ging, bij die plaats den trein verlieten en zij tot aan Edinburg toe geheel met rust gelaten werd. Het was een vrij lange reis van Londen af-een uur of acht sporen---en zij begon hongerig te worden en verorberde met graagte wat zij nog in haar taschje had, al waren de broodjes met tong erg oud geworden en al was het stuk Kuchen nu wat lederachtig van smaak.

Zij schudde de kruimels van haar japon af en stond op om aandachtig het raampje uit te kijken, toen de trein Waverley-station binnen reed. Zij was dus nu te Edinburg! Nu moest zij terstond zorgen dat ze de familie von Zercläre in het oog kreeg en zich bij haar voegen; de barones zou zeker ook wel al naar haar uitzien.

Maar was het te Londen aan het station King's Cross vol geweest, te Edinburg aan het reusachtige Waverley-station was het nog veel en veel voller, ook omdat alle reizigers hier den trein verlieten. Daarbij was de trein zoo buitengewoon lang dat het Hedwig toescheen alsof er geen begin of eind aan was. Zij kon zich ook onmogelijk herinneren bij welken coupé ongeveer zij Tieka had zien staan. Zij meende dat zij een goed eind naar rechts moest gaan, maar toen ze zich met niet geringe moeite een weg had gebaand tusschen karren, kruiwagens, kisten, manden, fietsen en dringende, ongeduldige reizigers door, verbeeldde zij zich weer dat ze te ver was geloopen en op een geheel andere plek zijn moest. Het was lastig zoeken op deze wijze. Ze begreep ook niet waarom de barones niet iemand naar haar toestuurde; zij wist toch dat ze met dezen trein mee was gekomen en ze wist ook dat zij, Hedwig, hier geheel vreemd was!

Intusschen zag ze wel in dat ze zóó toch niets verder kwam. Komaan, ze moest dan eerst maar eens zien dat ze haar koffer kreeg; ze kon dan in ieder geval wel weer een rijtuig nemen en zich naar het huis van den baron von Zercläre toe laten brengen. Zij had toch immers het adres nog in haar portemonnaie? Ze keek eens even, maar ... neen, nu zag zij het niet meer! Ze had het zeker verloren meteen toen ze het geld liet vallen, wat moest zij nu beginnen? Ze bedacht zich niet lang en trachtte zoo vlug als het ging, terug te keeren naar den coupé, waarin ze gezeten had. Zij was boos op zichzelf dat ze niet op het nummer had gelet. Wacht eens ... hier was het geweest ... neen, toch niet! Waarom waren er ook zóó vele wagens derde klasse? Zij kreeg het erg benauwd en warm; heel spoedig echter keerde haar moed terug. Den baron von Zercläre zou men in Edinburg toch wel goed kennen en natuurlijk zou men haar weten te zeggen, waar hij woonde.

Eerst dan haar koffer maar! Wat bleef het nog woelig en vol op het perron en wat was iedereen gejaagd, tot zelfs de beambten toe!

Het viel haar op dat alles hier veel minder geregeld en vlug in zijn werk ging dan in Londen. En waar was haar koffer toch? Men had de goederenwagens thans geheel ontladen, stapels bagage waren op het perron neergezet. Hedwig kon er eerst haar koffer maar niet tusschen ontdekken; ze was echter vast besloten het station niet te verlaten, voordat ze haar eigendom veilig weer in haar bezit had. Haar volharding was niet te vergeefs en met den uitroep:

"Ach, da bist du ja, mein liebes Haus!"-een uitroep, die een paar krantenjongens verschrikt deed omkijken-zette zij eindelijk haar elleboog op haar koffer neer om er pal bij te blijven staan, tot een der dravende kruiers het wat minder druk zou krijgen en haar aan een rijtuig zou kunnen helpen.

Het werd donkerder en zij begon er zeer naar te verlangen eindelijk geheel het doel van haar reis te bereiken; maar, toen zij er met moeite in geslaagd was een der voorbijsnellende kruiers bij den arm te grijpen en te dwingen naar haar te luisteren, kwam ze nog niet veel verder. Want hij schudde het hoofd, toen zij den naam von Zercläre noemde. "Nooit van gehoord!" verzekerde hij, om toen een paar andere porters te hulp te roepen, die met hoog beladen wagens met bagage voorbij kwamen. Hun antwoord was al even onbevredigend en ook twee spoorbeambten om inlichting gevraagd, konden die niet geven.

Het begon Hedwig bang te moede te worden. Wat moest ze doen? Te vergeefs spande zij zich in om zich het bewuste adres te binnen brengen, maar hoe meer ze haar best deed haar geheugen te hulp te komen, des te erger liet het haar in den steek! Het werd er niet beter op, toen zij zich plotseling wèl herinnerde, dat de barones haar verteld had dat zij nog maar eenmaal en slechts enkele maanden in Edinburg hadden gewoond.... Het was dus nauwelijks meer dan natuurlijk dat de naam von Zercläre nog niet algemeen bekend was.

Steeds met den arm op haar koffer geleund, stond zij er ernstig over na te denken wat ze toch beginnen zou, want het werd hoe langer hoe later en heel veel langer zou ze hier niet kunnen blijven staan! Ze moest dat lastige adres weer te weten zien te komen. Was het niet een square? Ja, dat meende ze zeker te weten, maar hoe heette dat square nu toch ook weer?

Daar ontdekte zij in de verte een palfrenier in keurige livrei; hij kwam snel op haar toe en zij kreeg een kleur van verrassing, toen hij beleefd voor haar boog met de vraag of zij de Duitsche dame was, die bij den baron von Zercläre verwacht werd.

"Yes, Yes, Yes!" riep zij opgewonden, erg blij dat er eindelijk hulp kwam opdagen.

In een ommezien had de palfrenier iemand gevonden, bereid de zorg voor den koffer op zich te nemen. "The carriage is waiting," zei hij, zich weer tot Hedwig wendend en zij volgde hem het station uit naar een fraai, met twee vlugge, jonge paarden bespannen rijtuig, dat, met den statigen koetsier op den bok, gereed stond haar verder te brengen. Ze zag dat er niemand in zat, wat haar even verwonderde, maar zij begreep dat de familie von Zercläre reeds thuis moest zijn.

Beleefd stak de palfrenier zijn hand uit om haar bij het instappen te helpen; zij vond echter dat zij het wel zonder zijn hulp kon stellen en wilde vlug de trede opwippen, toen de hak van haar schoen haken bleef in het boorband van haar japon, dat losgeraakt was.

"Nein!" riep ze verschrikt en ze zou gevallen zijn, als de voorkomende palfrenier het niet verhinderd had.

Het band scheurde een heel eind verder af. Zij vond het erg verdrietig; nu zag zij er nòg minder netjes uit en ze schaamde zich voor den palfrenier en voor den koetsier, die even omgekeken had.

Illustration from Een Heldin

[Het standbeeld van Walter Scott in Princesstreet, Edinburg.]

Haastig onderzocht zij of ze geen speld bij zich had; ze kon er echter nergens een vinden. Zou de palfrenier ... maar wat was speld ook weer in 't Engelsch? Het was haar opeens alsof ze geen enkel Engelsch woord meer wist!

Daar had zij het! "Pin ... pin!" riep ze. "Have you a pin for me?"

"Certainly," zei de palfrenier, wiens mondhoeken verraderlijk begonnen te trillen en hij nam vier kostbare spelden van den binnenkant van zijn jas en reikte haar die over.

Ze dankte hem met een vriendelijk knikje. Hij sloot het portier en met een zucht van welbehagen leunde zij achterover tegen de zachte kussens van het rijtuig om zich echter al heel spoedig weer voorover te buigen en gretig het raampje uit te kijken, terwijl zij Edinburg doorreed.

Het was mooi, frisch weer en het eigenaardig bekoorlijke licht, dat den avond vooraf gaat, scheen over de schilderachtige stad. Op enkele plaatsen waren de lantarens reeds aangestoken en achter sommige winkelramen wierp reeds het kunstlicht een zacht schijnsel op kwistig uitgestalde, veelkleurige Schotsche zijde en op aardiggevormd bruin- en -geel aardewerk en kristal. Hedwig keek nieuwsgierig naar een paar stoergebouwde, Schotsche soldaten, die vlak langs haar rijtuig gingen en er met hunne frissche gelaatskleur, lichte jassen, korte, geruite kilts (rokjes) en groote, witte pluimen aan de lederen ceintuurs, flink en krachtig uitzagen. Verrast keek zij op, toen ze tegenover de weelderige winkels in Princes-street, in het stille avondlicht, hoog op een rotsblok, de ruïnes zag liggen van het oude, grijze kasteel en daaronder de takken der boomen van het fraaie park zag wuiven, waarin ze nog juist met een oogopslag het beroemde Scott-monument kon onderscheiden. Noemden de menschen in Edinburg dit een straat? Prachtig mooi vond zij alles van toon en kleur en het onwezenlijke halfdonker maakte den rit niet minder aantrekkelijk.

Met innig genot ademde zij de geurige lucht in, die door het open raampje naar binnen kwam en haar hand gleed streelend langs de zachte zijde der rijtuigkussens, maar toen het rijtuig stilhield voor een groot heerenhuis, waaruit veel licht naar buiten scheen, begon haar hart sneller te kloppen en drukte zij de handen even stijf tegen elkaar.

Zou Tieka al in de gang staan om haar op te wachten en ... de barones misschien ook en zouden zij zich erg ongerust gemaakt hebben over haar lang weg blijven? Zij sprong vlug het rijtuig uit en liep haastig het huis in, maar in de hooge, fraai gemeubileerde gang was niemand dan een zeer deftige knecht, die even voor haar boog met de woorden:

"What name, please?"

Haar naam? Hedwig vond het vreemd dat hij dien vroeg, iedereen wist toch natuurlijk dat Tieka's Duitsche gouvernante elk oogenblik verwacht kon worden! De knecht scheen hiervan echter volstrekt niet op de hoogte te wezen en ze noemde hem haar naam en liet zich den weg wijzen naar een vertrekje aan 't eind der gang. Ze moest een heele poos wachten, voordat een tweede knecht verscheen om haar naar een schitterend verlichte drawing-room te brengen, waar de barones en de baron von Zercläre, een mager, nietig, blond mannetje met een vrij onbeduidend uiterlijk, aanwezig waren.

De barones gedroeg zich, naar Hedwig voorkwam, nog statiger dan toen zij haar voor het eerst zag. Zij raakte Hedwig's hand even aan met hare vingertoppen, stelde haar als ter loops voor aan den heer von Zercläre, liet haar blik glijden over Hedwig's kleeding en zei:

"We hebben nog naar u uitgekeken aan het station, maar de volte belette ons u te vinden; daarom zond ik u later het rijtuig maar. Ook van ochtend in Londen hebben wij elkaar gemist. U hebt een goede reis gehad, hoop ik?"

"Het gaat wel, dank u," antwoordde Hedwig kortaf, onder den indruk van de koele ontvangst. Toen snel, omdat ze zag dat de barones weer naar het gekreukelde japonnetje keek:

"Ik ben zeeziek geweest en van ochtend ging alles wat haastig; daarom zie ik er...."

"O ja, juist, juist," viel de barones in met een gebiedend gebaar van haar hand, alsof zij zeggen wilde: "Spaar mij verdere bizonderheden". "Als u nu maar naar boven gaan wilt, dan zal men u uwe kamer wijzen en u daar uw supper en wat thee brengen."

Zij schelde en een keurig gekleede jonge vrouw-"heelemaal een dame", vond Hedwig-verscheen; zij was de kamenier der barones.

Juist wilde Hedwig haar de kamer uit volgen, toen de baron, die zich onledig hield met door het vertrek heen en weer te loopen, toevallig zijn voet zette op een lus van het vastgespelde boorband van haar japon, dat daardoor nog een heel eind verder afscheurde.

"O pardon, pardon," riep hij uit, onthutst naar zijne vrouw kijkend, maar deze, die de spelden ontdekt had, zei alleen koud: "U zult verstandig doen, Fräulein, met u spoedig te verkleeden," en keerde Hedwig toen den rug toe. Hedwig was blij, toen zij de kamer weer uit was. Onder diep stilzwijgen ging de deftige kamenier haar nu voor naar een hoogere verdieping. Hedwig zag wel hoe zij haar op het portaal met een trotsch toegeknepen mondje, van het hoofd tot de voeten op nam, maar ze liet er zich niet door uit het veld slaan. Zij zag er ook werkelijk niet netjes uit, moest zij bekennen ... maar o, ze was ook zoo moe en ... het juffertje naast haar had zeker wel gemakkelijker reis gehad dan zij!

Ze had zich de ontvangst hartelijker en prettiger voorgesteld, maar als zij maar eenmaal gewend was, zou alles zeker goed gaan. Het was nu ook nog zoo vreemd....

Daar werd aan het eind van het portaal een deur met een ruk geopend en een bevallige, kleine gedaante, geheel in het wit, vloog Hedwig te gemoet. "Ach du liebe, kleine Tieka!" riep Hedwig en er sprongen haar tranen van blijdschap in de oogen. Want Tieka sloeg de armen om haar hals en drukte zich tegen haar aan. "Oh, I am glad, glad!" riep ze en zij beduidde de preutsche kamenier dat zij nu wel heen kon gaan; zij zelf zou "Fräulein" verder den weg wel wijzen. "Ik mocht niet naar beneden," fluisterde zij Hedwig toe, "maar ik had toch het rijtuig wel gehoord!"

Ze duwde Hedwig de kinderkamer in, die er met de aardige, kleurige platen aan den muur, vroolijk uitzag, schoof bedrijvig een gemakkelijken stoel voor haar aan en dwong haar te gaan zitten en achterover te leunen. "Zie zoo, rust nu maar eens flink uit," zei ze als een klein moedertje en ze trachtte Hedwig den hoed af te zetten en haar mantel los te maken, maar Hedwig sprong lachend op. "Wijs mij mijn kamer eerst maar eens, Tieka," zei ze en Tieka gehoorzaamde dadelijk. Zij opende een tusschendeur, die toegang gaf tot een kleiner vertrek, waar sierlijke miniatuur-meubeltjes stonden: rieten tafeltjes, stoeltjes, twee linnenkastjes, een kookkacheltje, in een hoek een rij ledikantjes, toilettafeltjes met licht neteldoek en blauwe strikjes getooid, in een anderen hoek een pers en mangeltafeltje, strijkplank met toebehooren en allerlei andere benoodigdheden voor het poppengezin, dat hier wonen moest.

"Dit is de kleine kinderkamer," zei Tieka, die haar Engelsen en Duitsch erg door elkaar haspelde, "hier kunnen wij zoo heerlijk spelen! Mijn poppen zijn nog ingepakt; ik verlang ernaar dat zij uit die donkere koffers komen, morgen moeten zij hier een feestje hebben. En dit," weer opende zij een tusschendeur, "is uw kamer, vlak naast mijn slaapkamertje, dat vind ik zoo heerlijk!"

Onwillekeurig knikte Hedwig blij, toen zij hier haar grooten koffer reeds zag staan, het was bijna alsof ze een oude kennis ontdekte! Ze vond het een heel mooie kamer; alles zag er zoo echt comfortable uit: het flinke ledikant, de spiegelkast, waarin zij haar japonnenschat zou mogen bergen, de waschtafel met marmeren blad en het meest nog het aardige hoekje bij het raam, waar een paar gemakkelijke, lage stoelen waren heen geschoven en tegen den muur een kleine schrijftafel stond. Een schrijftafeltje, dat zij, Hedwig Eiche, gebruiken mocht! Als haar moeder en Clärchen dat eens even konden zien!

Zij lichtte snel het gordijn op om het uitzicht te bewonderen en Tieka drukte haar neusje ook tegen de ruiten. Maar er was niet veel meer te onderscheiden dan wuivende boomen, de verlichte ramen van een paar huizen aan den overkant en het schijnsel der lantarens, dat op het stille, deftige plein viel.

"Zoo echt geheimzinnig, he?" zei Tieka. "Ik wou dat wij saampjes nu eens even uit mochten gaan, dan was het net als in een sprookje." Toen, terwijl zij Hedwig met hare donkerblauwe oogen ernstig aanzag: "Ik houd nú al veel van u!"

"Dat weet je nog niet, daar weet je nog niets van," riep Hedwig plagend.

"Jawel, jawel, ik weet het juist wel, ik weet het zeker," zei Tieka met nadruk. En toen Hedwig haar hoed afzette en het blonde haar-dat nog maar niet aan het opgestoken kapsel kon wennen-losraakte en over haar schouders golfde, klapte het kleine meisje opgetogen in de handen en riep uit:

"O, wat aardig! Wat staat dat grappig! Maar...." en opeens werd haar gezichtje weer ernstig en aarzelend, verlegen vroeg ze:

"Dat mag men niet vragen, is 't wel, hoe oud of iemand is?"

"Wel neen," zei Hedwig terstond, zich op de lippen bijtend om niet te lachen, "dat behoort heelemaal zoo niet, dat is heel onbeleefd."

Zij keerde zich om naar de kast om Tieka's vragende oogen te ontwijken en hing haar mantel op, maar Tieka stond dadelijk weer naast haar.

"Ik heb het nog niet gevraagd," zei ze verontschuldigend.

"Neen, pas dan maar op dat je het ook niet doet."

Tieka zweeg even; hare oogen bleven onafgewend op Hedwig gevestigd. Toen zei ze levendig:

"Ik wou u zoo graag geen Fräulein noemen, ten minste ... niet als wij alleen zijn. Ik wou zoo graag....

"Nu, wat wou je graag?" vroeg Hedwig bij haar neerknielend.

"Ik wou zoo graag," herhaalde Tieka met haar hand onder Hedwig's kin, "een apart naampje voor u hebben en niet altijd Fräulein zeggen. Ik wou ... o, ik weet al wat, my dear zal ik u noemen, nooit iets anders dan my dear, als wij samen zijn. Mag dat?"

"Natuurlijk, maar dan moet je ook je best doen, niet telkens Duitsch en Engelsch door elkaar te spreken, maar iedere taal afzonderlijk."

"Yes my dear, my dear, my dear," riep Tieka, half zingend en ze danste de kamer door, al maar roepende dat ze toch zóó blij was dat "my dear" er nu eindelijk was!

Toen Hedwig den sleutel van haar koffer te voorschijn haalde, vroeg ze gretig: "Moet ik nu weg of mag ik bij het uitpakken blijven?"

"Wel zeker, je blijft hier, je kunt me juist uitstekend helpen," zei Hedwig.

"Zij hebben beneden visite, zie-je," babbelde Tieka voort, "een heeleboel van avond. Ik zal nog wel even geroepen worden misschien, maar ik blijf niet lang weg, ik kom dadelijk terug."

Tot haar teleurstelling stuurde haar moeder echter om haar, toen het uitpakken nog maar even aan den gang was en men hield haar zoo lang beneden dat Hedwig geheel klaar was, zich had verkleed en op het punt was om iets te gebruiken van het eten, dat men voor haar in de kinderkamer had gereed gezet, toen Tieka eerst weer verscheen.

"O, ik moest tegen zóóveel menschen wat zeggen!" riep ze, hijgend van het vlugge loopen. "Ik kon maar niet klaar komen. Mag ik de thee voor u inschenken en brood snijden? Ik kan het best. Hier is visch. Mag ik u bedienen? Kijk, dit zijn scones, een echt Schotsch gebak; dat smaakt zoo lekker, daarvan wil ik nog wel een klein stukje. Zal ik een ei voor u koken? Ik weet heel goed hoe ik dat doen moet."

Hedwig vond alles goed. Zij had er schik in op te merken, hoe handig het kleine meisje met den zwaren, grooten trekpot omging en er later zorgvuldig de cosy weer over trok, hoe zij haar voorzag van wat zij noodig had zonder iets te vergeten en hoe zij later vroolijk toekeek, terwijl Hedwig at en dronk.

Eindelijk zei ze met een zucht:

"Nu moet ik naar bed, erg vervelend, maar mama vraagt altijd 's ochtends of ik den vorigen avond op tijd gegaan ben. Misschien ... misschien komt straks ... iemand nog wel even bij mijn bed, als ik erin lig?"

"Iemand?" zei Hedwig, zoo ernstig mogelijk. "Wie is iemand?"

"Dat zeg ik niet! Dat zeg ik niet!" zei Tieka, lachend opspringend; de glimlach in Hedwig's oogen had haar blijkbaar gerust gesteld. Vlug liep ze naar haar slaapkamertje en Hedwig hoorde niets meer, totdat een vroolijke stem riep:

"Ready! Fertig!"

"O! O! O! Weer Engelsch en Duitsch te gelijk; pas op!" zei Hedwig, maar ze had weer groote moeite haar gouvernante-waardigheid te bewaren, toen Tieka rechtop ging zitten in bed en nieuwsgierig vroeg:

"Ben ik wel tien jaar jonger dan u?"

"Wou je dat heel graag weten?"

Tieka knikte alsof haar hoofd eraf moest.

"Ik mag het je toch niet zeggen, nu nog niet, ten minste."

"Wanneer dan wel?"

"Dat weet ik nog niet, maar, als je mij plezier wilt doen, moet je er niet meer naar vragen en er ook niet met anderen over spreken."

"O."

"Wil je me dat plezier doen?"

"Ik wil wel, maar ik vind het niet prettig."

Hedwig gaf haar een kus. "Nacht lieve Tieka," zei ze, "komt je moeder ook nog bij je?"

"Mama?" Tieka keek heel verbaasd. "Neen, die komt nooit meer, die heeft het veel te druk."

Het speet Hedwig dat zij de vraag gedaan had.

"Nacht kindje."

"Goeden nacht, my dear."

En toen Hedwig heen gegaan was en reeds een poosje op haar kamer had zitten nadenken, klonk het nog eens:

"My dear...."

Hedwig ging dadelijk naar haar toe. "Slaap je nog niet, Tieka? Wat is er?"

Zij keek Hedwig ondeugend aan. "Ik wou alleen nog maar één keer zeggen: "Nacht, my dear!""

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings