De Juraperiode. (continued 2)
Reading edition
Fig. 238 stelt een stuk van een blok voor, dat uitsluitend bestaat uit rynchonellae.
Zeldzamer zijn in die formaties de versteende oesters, toch vindt men ze nog in betrekkelijk groot aantal, evenals de zeeëgels. Al die formaties behooren tot de oudste oölithische, de bathonische formatie. Op die heuvelhellingen, waar de Maas en de Marne ontspringen, vindt men ook mosselschelpen, ammonieten en poliepen. Men vindt er ook versteend hout: in de Juraperiocle waren er dus ook bosschen.

Fig. 239. Loligo vulgaris (van onzen tijd).

Fig. 240. Beleraniet uit de Juraperiode.
Wij spraken zooeven van de belemnieten en de scherpe steenen, die zij achtergelaten hebben. Het waren koppootige weekdieren, verwant aan de groote inktvisschen van onzen tijd. Iedereen kent de inktvisschen niet alleen omdat hij ze aan den oever der zee of in de aquaria gezien heeft, maar ook om den inktzak, eene klier in den vorm van een peervormig zakje, waarin eene bruinzwarte vloeistof wordt afgescheiden, en om het zeeschuim of sepiabeen. Die bruinzwarte vloeistof werd ook door de belemnieten afgescheiden, en is zelfs in den zak van het dier teruggevonden als een fossiel poeder; men heeft zelfs teekeningen kunnen vervaardigen met die sepia, die reeds millioenen jaren oud is. Volgens de onderzoekingen van Blainville en d’Orbigny bereikten de belemnieten somtijds eene lengte van twee meters. Men kent 5 hoofdsoorten. Het waren goede zwemmers, die gewoonlijk achteruit zwommen, in den horizontalen stand van fig. 241. In de Juraformaties bereiken de belemnieten hunne grootste lengte. Zij zijn reeds lang uitgestorven.

Fig. 241. Zwemmende belemniet.
De koppootige weekdieren met vangarmen, vooral de ammonieten, ontwikkelen zich langzamerhand, totdat zij in de krijtperiode hun maximum bereiken. Tot de merkwaardigste behooren de ammonites Jason (fig. 245). Tot de koplooze en buikpootige weekdieren van die periode behooren voornamelijk: de trigonia clavellata en de pleurotomaria conoïdea (fig. 243). De zeeëgels komen in grooten getale voor (fig. 242). De zeeleliën bereiken voor de tweede maal, doch nu voor het laatst, een maximum; van nu af aan gaan zij achteruit. In sommige streken en op sommige diepten vormden zij geheele onderzeesche velden. De voornaamste soorten zijn de pentacrinus (fig. 244), de apiocrinus, de millericrinus en de isocrinus. Zij bezaten gewoonlijk eenen langen rechten steel en eenen kelk, gevormd uit dikke stukken; de armen waren vrij en dikwijls sterk vertakt. Al die weekdieren hebben sporen achtergelaten in de formaties, die wij thans behandelen, en door ze weder voor den geest te roepen, kunnen wij ons rekenschap geven van de oorspronkelijke bevolking dier zeeën.

Fig. 242. Zeeëgels der Juraperiode.

Fig. 243. Koplooze en buikpootige weekdieren der Juraperiode.

Fig. 244. Zeeleliën der Juraperiode.
Nog meer echter wordt onze aandacht getrokken door de koraalriffen, die de laatste eeuwen der Juraperiode hebben gekenmerkt, en die aan die geheele laag den naam van korallische laag gegeven hebben. Die laag is bijzonder sterk ontwikkeld aan de Maas, waar zij tot 150 meters dik is, bij de Jura, in Zwitserland, Provence, Dauphiné, Bourgogne en in Normandië bij Trouville. In al die streken vindt men in grooten getale den oölithkalksteen, die gewoonlijk met de koraalriffen gevonden wordt; ook vindt men er dicht opeengedrongen, fijnkorreligen kalksteen, een zeker bewijs, dat de bezinking heeft plaats gegrepen onder groote diepte, buiten de beweging der golven. De korallische formatie bestaat uit uitgebreide banken van massieven, vasten kalksteen, bestaande uit koralen, waarvan enkele gebroken zijn, andere de ligging behouden hebben, die zij tijdens hunne ontwikkeling bezaten. Hoewel zij niet zoo groot waren als de koraalriffen der tropische zeeën, hadden toch de riffen der korallische formatie eene veel grootere uitgestrektheid, omdat men ze op alle breedten ontmoet. Men vindt in fig. 246 de voornaamste soorten van koralen, in die formaties gevonden.

Fig. 245. Koppootige weekdieren der Juraperiode.

Fig. 246. Fossiele koralen der Juraperiode. (Frankrijk)

Fig. 247. Fransch landschap in de Juraperiode.
Wij moeten nog even spreken over de koraalbanken, die in zoo grooten getale in de Jurazee gevonden worden in de kantons Bazel, Solothurn en Bern. Die koraalbanken hebben in Europa eene soortgelijke rol gespeeld als de tegenwoordige koraalriffen van den Indischen Oceaan en de stille Zuidzee. De juiste verspreiding en de vorm der koraalbanken in de Jurazeeën van Europa is een nog onopgelost vraagstuk.
Men kan de vraag stellen, of zij door de wateren bedekt waren, dan wel of zij boven het water uitstaken en eilanden vormden, zooals men er een groot aantal in de Zuidzee vindt; beide gevallen kwamen voor. In Zwitserland, in het kanton Bazel, is de koraallaag bedekt met eene wel is waar weinig belangrijke steenkoollaag, maar die er toch op wijst, dat daar een vastland aanwezig was; in het westelijk gedeelte der Jura waren de koraaleilanden bedekt met planten, zooals men zien kan uit de aanwezigheid van schoone bladeren van cycadeën. In de omstreken van Lyon was een koraaleiland met een bosch van cycadeën, want men vindt hier en daar in die streek groote en schoone bladeren van dien boom.
Wij hebben in fig. 247 een zeelandschap geteekend, dat een juist denkbeeld geeft van de koraaleilanden der Juraperiode en van het voorkomen der oude atollen van Frankrijk. Men vindt er schildpadden, die uit de zee kwamen en zich naar den zandigen oever begaven, om er hare eieren neer te leggen, pterodactyli, die naar de kust vlogen, en in de nabijheid van de kust langhalzige plesiosauri, die hun voedsel zochten. In de diepten der zee kunnen wij een bosch van koralen onderscheiden, en de dieren, die daarbij gevonden werden.

Aan den oever der zee tijdens de Juraperiode.
Wij moeten, om onze beschrijving van de merkwaardigste van alle perioden vóór de geboorte van den mensch, volledig te doen zijn, hier nog bijvoegen, dat de plantenwereld gedurende de verschillende tijdperken der Juraperiode van het laagste lias tot aan de bovenste oölithlaag, niet zulke scherp begrensde en karakteristieke vormen vertoont als het dierenrijk. De oorspronkelijke soorten sterven langzaam uit, om plaats te maken voor een rijkeren en meer gesplitsten plantengroei. Het is een overgangstijdperk. De bedekt bloeienden hebben nog de overhand: varens, paardestaarten enz.; maar de naaktzadige zaadplanten (cycadeën, naaldboomen) beginnen reeds eene rol te spelen. Er zijn nog geene jaar getijden of klimaten: dezelfde plantenfamilies worden gevonden van den evenaar tot aan Siberië en Spitzbergen. Zelfs in Frankrijk, aan de oevers der zee, die de streken bedekte, waar later Parijs gesticht werd, zou men toen landschappen hebben kunnen zien, gelijkende op die van nevensgaande teekening: op den voorgrond pandaneën met luchtwortels, cycadeën met lagen stam, en op den achtergrond de plesiosauren met hunne lange halzen, in het water zwemmende.
De krijtperiode, die op de Juraperiode volgt, voltooit de geschiedenis der secundaire periode.
