← Table of contents
De Wereld vóór de schepping van den mensch

De Schepping van den Mensch.

Reading edition

Men zoude kunnen meenen, dat het juister geweest ware, tot titel van dit werk te kiezen: De wereld vóór het optreden van den mensch dan de wereld vóór de schepping van den mensch. Doch bij de tegenwoordige opvatting der wetenschap zijn beide uitdrukkingen volkomen aan elkander gelijk. De studie der natuur heeft ons in den loop van dit werk geleerd, dat de beteekenis vroeger aan het woord schepping gehecht, niet de juiste is, en dat men nergens eene eigenlijk gezegde schepping waarneemt. Nog nooit heeft men iets uit niets zien voortkomen. Niet alleen dat geen enkel levend wezen, hoe laag ontwikkeld ook, geen stroohalm of mos uit niets ontstaat, maar zelfs niet de nietigste stof, de minste molecule, of de minste hoeveelheid warmte, licht en electriciteit, geene enkele kracht en geen enkel atoom ontstaat uit niets. Voor hem, die vrij en zonder vooringenomenheid het schitterend schouwspel van het levende heelal bestudeert, is dat heelal in al zijne onderdeelen eene geleidelijke ontwikkeling van zaken en wezens. Wij moeten dus onder het woord schepping verstaan natuurlijke ontwikkeling. In dien zin opgevat kunnen wij onzen titel behouden. De mensch is niet plotseling verschenen, maar geleidelijk geschapen door de krachten der natuur.

Wij willen daarmede volstrekt niet zeggen, dat de studie der natuur ons er toe leiden moet het bestaan eener grondoorzaak te ontkennen, die blijvend inwerkt in de ontwikkeling van het heelal, eene onzichtbare kracht, die de ontwikkeling van wezens en zaken bestuurt met eene bedoeling, die ons tot nu toe onbekend is. Het is van belang, dat wij de grenzen der wetenschap nauwkeurig kennen. Dwaasheid zou het zijn te beweren, dat men niets weet; men weet veel, en ieder rechtgeaard mensch moet doordrongen zijn van dankbaarheid jegens de onderzoekers van alle eeuwen, die hun geheele leven gewijd hebben aan den arbeid, en wier onderzoekingen der menschheid de schatten van den geest en de materieele rijkdommen geschonken hebben. Doch indien men veel weet, men weet niet alles, en de proefondervindelijke wetenschappen hebben hare grenzen, zij kan de belangrijke vraag omtrent het bestaan der Godheid en de onsterfelijkheid der ziel niet oplossen, en zeker niet in ontkennenden zin. Het is de plicht van iederen denker, die de waarheid liefheeft, vrijmoedig te zeggen wat hij weet. De philosophische stelsels, die uit naam der wetenschap het bestaan der menschelijke ziel ontkennen, zien slechts ééne zijde van de schepping en dat wel niet de schoonste zijde. Het is zeer zeker moeilijk, zich los te maken van iedere keten en vrij te denken, doch dit is dan ook ’s menschen grootste verdienste en de beste oefening van onzen geest.

De schepping van den mensch begint niet met den titel van dit hoofdstuk; zij klimt door haren oorsprong tot de eerste bladzijden van dit boek op. Onmerkbaar, geleidelijk, hebben zich de wezens ontwikkeld tot die hoogte, waarop thans de menschheid staat. Het is even onmogelijk te zeggen, wanneer de mensch begonnen is, als wanneer de roos begonnen is. Aanschouw die prachtige roos uit onze tuinen, met hare menigvuldige bloembladeren, adem haren heerlijken geur in, bewonder hare zoo zachte kleurschakeeringen en zoek naar haren oorsprong. Gij zult opklimmen tot de wilde roos en tot den hagedoorn, maar het is de roos niet meer. Zoek naar den oorsprong van de zoo schoone en saprijke perzik; zoek naar den oorsprong van de lelie of de orchidee; en tot den oorsprong opklimmend, verliest gij ongemerkt het voorwerp van uw onderzoek uit het oog. Van de tegenwoordige aarde, bedekt met de voortbrengselen der strijdende menschheid, bezaaid met velden, weiden, steden, dorpen, wegen, spoorwegen, klimt gij ongemerkt op tot de aarde der iguanodons, dinosauren, labyrinthodonten, tot het primaire tijdperk, tot de nevelvlek. Alles is overgang, verandering, ontwikkeling.

Het verschil tusschen middernacht en middag is groot, en toch is het onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik de dag begint. Zoo is het ook met den mensch.

Indien wij de menschheid in haren tegenwoordigen toestand beschouwen, dan zijn wij geneigd te gelooven, dat zij altijd geweest is, zooals wij haar thans zien. Toch zien wij zelf hare ontwikkeling vóór ons en kunnen wij ons rekenschap geven van de snelheid, waarmede alles verandert. Wij kunnen ons reeds moeilijk den tijd voorstellen, toen er geen spoortreinen of telegrafen waren, en toch is dit nog zoo kort geleden. Onze voorvaders zouden hunne oogen niet gelooven, als zij eenen trein zagen, die in 60 uren van Parijs naar Konstantinopel vloog en hoorden, dat dit wonder alleen gewrocht wordt door den damp van eenige liters kokend water. Wij zien steden, gezellige huizen, door glas afgesloten, komediegebouwen, academies en kerken; wij zien kleeren en meubelen; wij hooren muziek, wij lezen dagbladen en boeken, en zijn geneigd te meenen, dat dit alles altijd bestaan heeft. Doch inderdaad heeft zich dat alles geleidelijk ontwikkeld.

De mensch heeft zich zelf vroeger gemaakt tot datgene wat hij thans is, en maakt zich zelf thans tot datgene wat hij morgen zal zijn. Lichaam, geest, zeden, denkbeelden, taal, alles verandert, en dat wel snel genoeg.

De taal, die wij thans spreken, is eene geheel andere dan die van voor duizend jaren. Onze voorouders uit dien tijd zouden ons niet meer verstaan. Geleidelijk heeft de mensch zijne taal, zijne denkbeelden, zijne geestesgaven verworven; geleidelijk is de menschheid geworden wat zij thans is. Wij moeten echter zeggen: de beschaafde menschheid; op onze planeet, vooral in centraal-Afrika, in het zuiden van Amerika en op de eilanden van de Stille Zuidzee vindt men nog groepen van wezens, die wel menschen genoemd worden, maar die daarmede niets anders dan den vorm gemeen hebben. En wat voor vorm! De wilde volksstammen, die ongeschikt zijn tot het bevatten der eenvoudigste denkbeelden, die minder ontwikkeld zijn dan verscheidene van onze huisdieren, die onvatbaar zijn voor elke opvoeding, die geene geschiedkundige herinneringen hebben, die niet verder kunnen tellen dan de vijf vingers der hand, die voor hun eigen kroost geen dieper gevoel hebben dan sommige soorten van apen, vogels of kangoeroe’s, die laag ontwikkelde wezens kunnen nog niet worden ingeschreven in de rijen der menschheid, wier verstandelijke ontwikkeling wij zoo even prezen.

De verwantschap van den mensch met de wezens, die hem zijn voorafgegaan, wordt door een aantal onwederlegbare feiten bewezen. Die feiten kunnen in verschillende klassen worden gerangschikt en zijn voornamelijk de volgende: 1º. De vergelijkende ontleedkunde toont de overeenkomst in bouw aan van het lichaam van den mensch en de hoogste diersoorten, van het geraamte tot de organen en de geringste bijzonderheden van het lichaam; 2º. de physiologie leert, dat het meest kenmerkende orgaan van den mensch, de hersenen, zich geleidelijk bij de dieren ontwikkeld heeft om langzaam en zonder plotselingen overgang te eindigen in de hersenen van den mensch; 3º. de waarneming van het verstand der dieren bewijst, dat zij in minderen graad alle verstandelijke vermogens van den mensch bezitten, gewoonlijk in rudimentairen toestand, doch somtijds ook op merkwaardige wijze ontwikkeld; 4º de physische en geestelijke verwantschap van den mensch met de hoogere dieren heeft duidelijke sporen nagelaten in de afgestorven (geatrophieerde) organen van den mensch, die het erfdeel zijn der oorspronkelijke voorouders, en in de gevallen van terugslag (atavisme) of terugkeer tot den oorsprong; 5º. de embryologie (leer der ongeboren vrucht) toont aan, dat zelfs nu nog ieder menschelijk wezen in den moederschoot, alle vroegere dierlijke phasen doorloopt, en dat ieder van ons, vóórdat hij mensch werd, ei, kruipend dier en zoogdier geweest is; 6º. de geologie en de paleontologie leveren van het voorgaande de proef op de som, daar de wezens, wier versteening wij terugvinden, eene geleidelijke ontwikkeling vertoonen, van de plant- en weekdieren tot aan den mensch.

Van al deze feiten, die te zamen de bouwstof leveren voor de oplossing van het groote vraagstuk, heeft de zesde reeks het onderwerp van dit werk uitgemaakt, en onze lezers hebben het belang en de waarde dier feiten zelf kunnen beoordeelen. De vijf andere hebben wij in grove trekken geschetst, in het gedeelte, dat handelde over den oorsprong en de ontwikkeling van het leven; wij moeten echter thans nog eens de voornaamste van die bewijsgronden voor oogen nemen en trachten te ontdekken, uit welke diersoort de menschheid is ontstaan, en wanneer die belangrijke wijziging heeft plaats gegrepen.

Wij zeiden dan in de eerste plaats, dat de vergelijkende ontleedkunde aantoont, dat er eene groote overeenkomst is in den bouw van den mensch en de hoogere dieren. Dit weet tegenwoordig iedereen. Er is niemand meer, of hij heeft honderden malen opgemerkt, zonder dat hij daarom een groot waarnemer behoeft te zijn, hoe groote overeenstemming er is tusschen de ligging der voornaamste organen bij ossen, kalveren, schapen, paarden enz. en die van den mensch. Gaan wij in ons onderzoek iets verder, en bestudeeren wij de hersenen, het hart, de longen, de ledematen, het hoofd, de tanden, oogen, ooren, handen enz. dan ziet men zeer spoedig, dat ons lichaam in alle bijzonderheden gebouwd is naar hetzelfde type als dat der hoogere zoogdieren. Indien men nog verder gaat, en onderzoekt, welke der hoogere zoogdieren in anatomischen bouw en physiologische eigenschappen de grootste gelijkenis vertoonen met ons lichaam, dan bemerkt men reeds spoedig, dat het de apen zijn.

Fig. 314. Geraamte van den orang-oetan, den chimpansee, den gorilla en den mensch.
Fig. 314. Geraamte van den orang-oetan, den chimpansee, den gorilla en den mensch.

Fig. 314. Geraamte van den orang-oetan, den chimpansee, den gorilla en den mensch.

Dit is een feit, dat door geene vooroordeelen is weg te redeneeren. Wil dat nu zeggen, dat die gelijkenis voldoende is, om daaruit af te leiden, dat wij van de apen afstammen? In geenen deele. Bovendien zou men dan nog moeten onderzoeken, van welken aap de mensch zou zijn afgestamd. Wij moeten niet te snel vooruit willen, doch evenmin mogen wij de oogen sluiten. Ons lichaam is evenzoo gebouwd als dat der hoogere dieren. Indien de mensch de vrucht ware van eene afzonderlijke schepping, dan zou die overeenkomst met andere levende soorten geen reden van bestaan hebben. Zij zou zelfs bijzonder vreemd, onverklaarbaar en vernederend zijn. Doch indien wij de hoogste tak zijn van den boom des levens, dan kan alles langs natuurlijken weg verklaard worden.

Fig. 315. Leeuwenkop.
Fig. 315. Leeuwenkop.

Fig. 315. Leeuwenkop.

Indien wij het geraamte der apen, die in hunnen bouw het meest met den mensch overeenkomen, met het geraamte van den mensch vergelijken, dan valt het niet te ontkennen, dat er eene treffende overeenstemming bestaat. De geheele bouw, de ribben, de beenen, de armen, de wervelkolom, de kop maken den indruk van eene groote gelijkenis. Toch openbaren zich verschilpunten in de bijzonderheden. De schedel der apen is dierlijk, de armen zijn zeer lang, en vooral geeft de rechte stand den mensch iets edels, waarop de andere dieren geen aanspraak kunnen maken. Doch gevoelt men niet de trapsgewijze opklimming van het dierlijke geraamte tot dat van den mensch? Indien men het geraamte van een viervoetig dier, hond, paard of leeuw (fig. 303) vergelijkt met dat van den oerang-oetan, dan gevoelt men, dat er een grootere afstand is tusschen het paard of den leeuw en den aap, dan tusschen den aap en den mensch. Toch kan de leeuw beschouwd worden als een der hoogste dieren; zijn blik, zijne fierheid, zijn voorkomen hebben reeds iets menschelijks (fig. 315).

Fig. 316. Groene meerkatten op eenen strooptocht.
Fig. 316. Groene meerkatten op eenen strooptocht.

Fig. 316. Groene meerkatten op eenen strooptocht.

Indien wij na de beschouwing van het geraamte iets verder gaan en den geheelen lichaamsbouw bestudeeren; en vooral als wij de verstandsontwikkeling, de levenswijze en de zeden der apen bestudeeren, dan komt de gelijkenis met de menschheid, en vooral met de lagere rassen, meer en meer aan het licht. Wel is waar gelijken zij op ons van onze meest ongunstige zijde beschouwd; maar zij zijn sluw en verstandig. Laat ons hooren, wat één der uitstekendste waarnemers, Brehm, die niet veel van de apen schijnt te houden, daaromtrent zegt. Hij die met aandacht de volgende beschrijving, van de natuur afgezien, leest, zal den indruk verkrijgen, dat er alleen een verschil in graad, en niet in wezen bestaat tusschen den aap en den onbeschaafden mensch.

„Men kan niet ontkennen,” zoo schrijft genoemde natuuronderzoeker, „dat zij ondeugend, kwaadaardig, valsch, driftig, haatdragend, in ieder opzicht wellustig, twistziek, vechtlustig, heerschzuchtig, prikkelbaar en gemelijk zijn, in één woord, dat zij de verachtelijkste hartstochten bezitten; zij stellen er een boosaardig genot in, om alle soorten van gemeene streken uittehalen; maar toch moeten wij erkennen, dat zij dikwijls voorzichtig en vroolijk, zacht en goedaardig zijn en vriendschap en vertrouwen betoonen; zij zijn van eene gezellige natuur, moedig, aan hunne medeapen gehecht, en verdedigen ze moedig, zelfs tegen vijanden, die hen in kracht overtreffen. Zij openbaren eene zekere grootheid in hunne liefde voor hun kroost, in hun medelijden voor de zwakkeren, niet alleen van hun eigen ras of familie, maar ook voor de kleinen van andere soorten of klassen.

„Het gezellige leven van die dieren is voor den waarnemer vol bekoorlijkheid. Weinige soorten van apen leven eenzaam; de meeste vereenigen zich tot troepen. Ieder dier troepen kiest eene vaste, min of meer uitgestrekte woonplaats, altijd in de streken, die in ieder opzicht het gunstigst gelegen zijn, doch vooral wat de voeding betreft. Is er gebrek aan voedsel, dan trekt de troep verder. De bosschen, gelegen in de nabijheid van de plaatsen, door den mensch bewoond, waarin maïs verbouwd wordt, of suikerriet, bananen, vruchtboomen, meloenen gevonden worden, zijn voor hen een waar paradijs. Ook versmaden zij de dorpen niet, waar het bijgeloof verbiedt, die brutale dieven te straffen. Als de troep tot overeenstemming gekomen is over de plaats, waar zij zich zal vestigen, dan begint het apenleven, met zijne genoegens en twisten, zijne veldslagen, zijne behoeften en ellenden. Het krachtigste mannetje wordt de aanvoerder en gids, doch niet bij stemming wordt hij die eer deelachtig, maar door te vechten tegen andere mannetjes, zijne mededingers. Bij de apen beslissen evenzeer als bij de menschen, de langste tanden en de krachtigste armen over de overwinning. Wie zich niet goedschiks onderwerpt, wordt door geweld er toe gedwongen. De macht is bij den sterkste; de wijste is hij, die de langste tanden heeft. De gids eischt blinde gehoorzaamheid en kan daarop ook in alle omstandigheden rekenen; immers de sterkste apen zijn gewoonlijk de oudste, en de jongeren hebben eerbied voor hunne meerdere ervaring. Als een ijverzuchtig sultan, matigt hij zich het uitsluitend recht aan over alle wijfjes en verwijdert hij die, welke zich te buiten gaan; men kan dus zeggen, dat hij de vader van den troep is.

„Als de troep te talrijk wordt, scheidt zich een deel af onder aanvoering van een ander mannetje, dat sterk genoeg is geworden, om met den aanvoerder te strijden, en een nieuwe strijd begint om de leiding der nieuwe vereeniging. Overal, waar meerderen naar één doel streven, is er strijd. Bij de apen heeft men dagelijks gevechten en twisten; een oogenblik waarnemens is voldoende, om te zien, dat er dikwijls zonder bekende oorzaak tweedracht heerscht.

„De gids oefent zijn gezag met veel waardigheid uit. Door de achting, die hij heeft weten in te boezemen, en die zijne eigenliefde verheft, heeft hij een zeker zelfvertrouwen, dat bij zijne onderdanen gemist wordt; deze maken hem altijd het hof. Men kan zien, dat de wijfjes zich beijveren, van hem de grootste gunsten te verwerven, die een aap schenken kan; zij doen haar best, om zijne haren te bevrijden van de lastige parasieten, die daarin huizen, en met koddige majesteit laat hij die bewerking toe. Daarentegen waakt hij trouw voor het heil der gemeenschap. Hij is de voorzichtigste van allen; zijne oogen dwalen steeds overal rond; hij wantrouwt een ieder en alles, en ontdekt daardoor bijna steeds tijdig genoeg het gevaar, dat zijne kolonie bedreigt.

„De taal der apen schijnt zeer rijk te zijn, ten minste iedere soort drukt hare verschillende indrukken door verschillende klanken uit; de waarnemer leert spoedig de beteekenis der geluiden begrijpen, die een gids voortbrengt, bij het leiden zijner kudde, of den kreet van angst, die tot de vlucht aanmaant. Die kreet, moeilijk te beschrijven en nog moeilijker na te bootsen, bestaat uit eene reeks korte, afgebroken, bevende en onharmonische tonen, wier beteekenis nog duidelijker wordt, als men de samentrekkingen van het gelaat beschouwt. Zoodra het geluid gehoord wordt, neemt de geheele troep de vlucht. De moeders roepen hare jongen naar zich toe, die zich aan haar vasthechten; met haren zoeten last beladen begeven zij zich naar den meest nabijzijnden boom of naar de naburige rots. De oude aap gaat voorop en wijst den weg, die door de geheele troep met vertrouwen gevolgd wordt, en wanneer het stilstaan en de kalmte van den gids aantoonen, dat het gevaar geweken is, dan vereenigt zich de troep weder, maakt zij weder rechtsomkeert, en voltooit zij den roof, waarbij zij is betrapt geworden.

Fig. 317. De neusaap.
Fig. 317. De neusaap.

Fig. 317. De neusaap.

„Niet alle apen echter vluchten voor den vijand; de sterksten verdedigen zich tegen de gevaarlijkste roofdieren en zelfs tegen den mensch, die voor hen nog gevaarlijker is; zij leveren dan veldslagen, waarvan de uitslag dikwijls onzeker is. De groote apen, b.v. de bavianen, hebben in hunne tanden zóó krachtige wapenen, dat zij gerust den strijd kunnen wagen tegen den alleen verschijnenden vijand, terwijl de kleine apen zich te zamen verdedigen en elkander met lofwaardige trouw helpen. De wijfjes vechten alleen, als zij gedwongen zijn haar leven of haar kroost te verdedigen; in dat geval zijn zij even dapper als de mannetjes. De meeste apen strijden met hunne handen en tanden, zij verscheuren en bijten; enkele schrijvers beweren, dat zij zich somtijds van gebroken takken, als van stokken, bedienen. Zeker is het, dat zij van boven uit hunne schuilplaats steenen, vruchten en stukken hout op hunne vijanden werpen. Geen inlander meet zich met eenen baviaan en zeker niet zonder vuurwapenen. De orang-oetans en de gorilla’s zijn zóó sterk en gevaarlijk, dat als een jager met één van deze vecht, hij zijn geweer nooit voor den aanval, doch alleen ter verdediging gebruiken kan. De vreeselijke woede der apen, die hunne krachten vertiendubbelt, is zeer gevaarlijk, en hunne groote behendigheid belet dikwijls den jager ze te dooden.

„In den natuurstaat vormt iedere soort eene troep op zich zelf, toch helpen elkander wel eens soorten, die veel met elkander overeenkomen, en vereenigen zij zich met elkander. In gevangenschap leven alle soorten vriendschappelijk bijeen, en men neemt dan dezelfde wetten omtrent het opperbewind waar als bij eene vrije kolonie. De sterkste oefent altijd de macht over al de anderen uit. De groote soorten houden zich met de kleinere bezig en de mannetjes wedijveren met de wijfjes, om ze te verzorgen. De wijfjes der groote soorten werven wel eens jonge kinderen of kleine zoogdieren aan, die zij op de armen kunnen dragen. Zoo kwaadaardig als een aap is jegens alle dieren, zoo lief en zacht is hij jegens kinderen of andere jonge wezens; de moederliefde der apen is dan ook spreekwoordelijk. Natuurlijk openbaart zich die liefde het sterkst jegens hunne eigen kinderen. De jonggeborene is niet mooi; doch dat leelijke kleine wezen maakt de vreugde van de moeder uit, die het liefkoost en koestert, zóó zelfs dat het belachelijk schijnt. Korten tijd na de geboorte, gaat de jonge aap met zijne twee vóórhanden aan den hals der moeder hangen, terwijl zijne achterhanden het lichaam der moeder omvatten; zóó neemt hij de houding in, die voor de voedster het minst lastig en voor hem het gemakkelijkst is om te zuigen. Is hij grooter geworden, dan springt hij bij het minste alarm op de schouders of den rug zijner ouders.

Fig. 318. De gibbon.
Fig. 318. De gibbon.

Fig. 318. De gibbon.

„De jeugdige aap is in het eerst ongevoelig voor al de liefkoozingen zijner moeder, die toch even lief voor hem blijft en zich steeds met hem bezighoudt. Nu eens likt zij, dan weder luist zij hem; zij drukt hem tegen haar hart of neemt hem tusschen hare twee handen, om hem beter te kunnen beschouwen, en plaatst hem dan weder tegen hare borst, of wiegt hem in hare armen, als wilde zij hem in slaap wiegen. Na korten tijd wordt de jonge aap iets onafhankelijker. De moeder laat hem dan vrij in zijne bewegingen, en laat hem stoeien met de andere apen van zijne soort, maar geen oogenblik verliest zij hem uit het oog; zij volgt al zijne schreden, houdt het toezicht over zijne handelingen en staat hem alleen datgene toe, wat hem niet kan schaden. Bij het minste gevaar vliegt zij naar hem toe, eenen bijzonderen kreet doende hooren, die beteekent, dat hij in hare armen moet vluchten. Als hij ongehoorzaam is, wat zeer zelden voortkomt, daar de jonge apen in het algemeen zeer onderdanig zijn, straft zij hem, door hem te knijpen of te schudden, of somtijds wel door hem een paar oorvegen toe te dienen.

„In de gevangenschap deelt de moeder al wat zij eet trouw met haar kind; zij neemt deel in alles, wat hem overkomt en geeft hem treffende bewijzen van liefde. De dood van haar kind sleept den hare met zich mede; zij sterft van verdriet. Als de moeder sterft, neemt een andere aap van de troep, een mannetje of wijfje, den wees tot zich en bewijst hem bijna evenveel liefde als aan zijn eigen kroost.

„Enkele reizigers hebben eene schets gegeven van de vreeselijke gevechten tusschen negers en gorilla’s; zij die uitgaan om ivoor te zoeken, zijn uiterst bevreesd voor den gorilla en vooral voor de wijze waarop hij de lieden aanvalt. De inboorlingen beweren, dat als de jagers rustig door het bosch trekken, een gorilla, op een der onderste takken gezeten, een van hen bij den nek pakt, hem naar zich toe trekt en hem medesleurt naar den top van den boom, waar hij hem verworgt, zonder dat hij eenig geluid kan geven, en hem daarna op den grond laat vallen. Dikwijls komen de negers vreeselijk verminkt uit den strijd, dien zij tegen die vreeselijke dieren hebben moeten voeren. Indien de gorilla door zijne familie omringd is, dan valt hij aan zonder getergd te zijn, en de strijd tusschen mensch en dier eindigt gewoonlijk met den dood van één van beide; meestal delft de mensch het onderspit. Het is veel moeilijker éénen jongen gorilla dan tien chimpansees te bemachtigen. De wijfjes vluchten met hare jongen op de boomen, zoodra de jagers naderen, terwijl de mannetjes zich dadelijk tot den strijd toerusten. Hunne groote groene oogen schitteren, hunne haren staan op, zij knarsen met de tanden, uiten eenen scherpen kreet, gelijkend op kahi! kahi! en storten woedend op den vijand. Als men den gorilla niet treft, kan men zijn geweer zelfs niet als knots gebruiken, de razende aap breekt het gemakkelijk met de handen stuk. Ook met zijne tanden verscheurt hij den jager. Het behoeft dus geene verwondering te baren, dat de neger, die eenen gorilla gedood heeft, als een held onder zijne stamgenooten beschouwd wordt, en dat de inboorlingen weigeren den Europeeschen reizigers eenen levenden gorilla te leveren tegen zijn gewicht aan goud.

„De inboorlingen meenen, dat die groote apen wezenlijke menschen zijn, en dat zij zich maar zoo woest en zoo dom houden, omdat zij de slavernij vreezen en niet willen werken. Voor den Afrikaan is slaaf te zijn het ergste wat er is. Ook beweren zij, dat de ziel hunner koningen na hunnen dood in de gorilla’s verhuist en dat deze hen dus alleen uit gewoonte haten en plagen.”

Ook Du Chaillu heeft hoogst belangrijke mededeelingen gedaan over den gorilla. Wat hij er van verhaalt, komt in hoofdtrekken met het voorgaande overeen. Wij zullen uit zijne schets datgene mededeelen, wat voor ons doel het belangrijkst is. Het is de ontmoeting met eenen gorilla, van wiens dood hij getuige was, en is uitnemend geschikt, om ons een denkbeeld te geven van den indruk, dien dat vreeselijke dier moet maken.

„Terwijl wij in doodelijke stilte door het bosch kropen, weerklonk het bosch plotseling van het ijselijke geschreeuw van den gorilla. De struiken weken uiteen en wij stonden tegenover eenen grooten mannelijken gorilla. Op zijne vier handen was hij door het struikgewas gekropen, maar toen hij ons zag, ging hij recht overeind staan en keek hij ons ferm in het gezicht. Hij bleef op vijftien pas afstand van ons staan. Ik zal de verschijning nooit vergeten. Hij was ongeveer zes voet lang; hij had eene breede borst en zijne armen hadden eene ongeloofelijke spierontwikkeling. Zijne groote, grijze, diepliggende oogen schitterden met eenen woesten glans, en zijn gelaat had eene duivelachtige uitdrukking. Zoo verscheen de koning der Afrikaansche wouden vóór ons.

„Hij verschrikte niet voor ons gezicht. Hij bleef op dezelfde plaats staan en sloeg zich op de borst met zijne lange vuisten, die haar deden weerklinken als eene groote trom. Zóó dagen zij hunne vijanden uit. Tegelijkertijd stiet hij snel achter elkander een woedend gebrul uit.

„Het gebrul van eenen gorilla is het vreemdste en verschrikkelijkste geluid, dat men in die bosschen kan hooren. Het begint met eene soort van kort afgebroken geblaf, als dat van eenen woedenden hond, en verandert daarna in een dof gebrom, dat zóó volkomen gelijkt op het rollen vanden donder in de verte, dat ik dikwijls meende, dat het donderde, als ik het dier hoorde zonder het te zien. Dat geluid klinkt zóó diep, dat men zou meenen, dat het uit de holten van borst en buik, en niet uit den mond en de keel afkomstig was. Terwijl wij onbewegelijk bleven staan, schitterden zijne oogen met eene schitterende vlam. De korte haren boven op zijnen kop rezen te berge en begonnen zich snel te bewegen, terwijl hij zijne krachtige hoektanden liet zien en zijn donderend gebrul deed hooren. Hij deed mij toen denken aan die fantastische scheppingen, half mensch, half dier, waarmede de verbeelding onzer oude schilders de onderwereld heeft bevolkt. Hij deed enkele stappen voorwaarts en bleef toen weder staan, om weder zijn vreeselijk gebrul te doen hooren; weer trad hij naar voren en bleef hij op tien pas van ons afstaan: wij vuurden af en doodden hem.

„Het gereutel, dat hij deed hooren, geleek zoowel op dat van een mensch als op dat van een dier. Hij viel met het gezicht op den grond. Het lichaam bewoog zich eenige minuten stuiptrekkend, terwijl de ledematen heen en weer schudden, daarna werd alles onbewegelijk; de dood had zijne taak volbracht. Ik had toen al den tijd om het lijk te bezichtigen en kon mij toen overtuigen, dat de spieren van borst en armen eene ontzaglijke kracht verrieden.

„Het is eene vaste wet bij alle jagers, die hun vak verstaan, dat men zijn schot moet sparen tot op het laatste oogenblik. Hetzij dat het woedende dier het afschieten van het geweer voor eene bedreiging aanziet, hetzij om eene onbekende andere reden, zoodra de jager schiet en mist, werpt zich de gorilla op hem, en niemand kan dien vreeselijken aanval weerstaan. Een enkele stomp met zijne met nagels gewapende achterhand, scheurt reeds den buik open, verbrijzelt de borst of verplettert het hoofd. Men heeft negers gezien, die door schrik tot wanhoop gebracht, den gorilla wilden slaan met hun ontladen geweer; maar zij hadden zelfs den tijd niet, om eenen niets vermogenden slag toe te brengen, de arm van hunnen vijand viel met zijn volle gewicht op hen neer, en verbrijzelde tegelijkertijd het geweer en het lichaam van den ongelukkige. Ik geloof niet, dat er één dier is, wiens aanval voor den mensch zoo noodlottig is, daar hij zich recht overeind tegenover zijnen vijand plaatst, met zijne armen als aanvalswapenen evenals een bokser, met dit onderscheid, dat zijne armen veel langer en veel sterker zijn dan die van den sterksten bokser der wereld. Het wijfje valt den jager nooit aan; toch hebben negers mij verhaald, dat eene moeder, die haar jong bij zich heeft, somtijds vecht om het te verdedigen. Het is een aardig schouwspel, om de moeder te zien, vergezeld van haar jong, dat naast haar speelt. Ik heb dikwijls in de wouden er op geloerd, daar ik verlangend was, exemplaren voor mijne verzameling te hebben maar op het laatste oogenblik had ik den moed niet te schieten. Mijne negers waren in soortgelijke gevallen niet zoo zwak: zij doodden hunne prooi zonder tijdverlies.

„Als de moeder de vervolging van den jager tracht te ontvluchten, omvat het jong haren hals met zijne voorhanden, terwijl het de korte achterhanden om haar lichaam slaat.”

Du Chaillu heeft niet alleen studies gemaakt op den in vrijheid levenden gorilla, maar ook op jonge gorilla’s, die hij trachtte op te voeden.

„Eenige jagers, die in de bosschen gejaagd hadden, zoo schrijft hij, brachten eenen levenden gorilla bij mij. Ik kan de gewaarwordingen niet beschrijven, die ik gevoelde, bij het gezicht van dat kleine dier, dat zich verdedigde, terwijl men het met geweld in het dorp voortsleurde. Dat enkele oogenblik beloonde mij voor al de vermoeienissen, die ik in Afrika had doorgestaan

„Het was een klein dier van twee of drie jaren, 2½ voet lang, en even woest en ongehoorzaam als een volwassen gorilla.

Fig. 319.—De gulzigheid.
Fig. 319.—De gulzigheid.

Fig. 319.—De gulzigheid.

Fig. 320.—De eerste spiegel.
Fig. 320.—De eerste spiegel.

Fig. 320.—De eerste spiegel.

„Mijne jagers hadden het op de volgende wijze gevangen. Zij waren met hun vijven op weg naar een dorp aan de kust en trokken stil het bosch door, toen zij een geschreeuw hoorden, dat zij dadelijk herkenden als dat van eenen jongen gorilla, die om zijne moeder riep. Overigens was alles in het bosch rustig; het was bijna middag; zij besloten zich te begeven naar de zijde, van waar het geschreeuw kwam, dat zich ten tweeden male deed hooren. Het geweer in de hand slopen zij zoo zacht mogelijk het struikgewas binnen, waar de kleine gorilla moest wezen; uit enkele aanwijzingen bleek het, dat de moeder niet ver af was; het was zelfs niet onmogelijk, dat het mannetje, de gevaarlijkste van alle, zich eveneens in de nabijheid bevond. Toch aarzelden de flinke mannen niet, om alles te wagen, en zoo het mogelijk was eenen levenden gorilla te vangen, wetende welk een genoegen zij mij daarmede deden.

„Zij zagen de struiken bewegen; zij drongen iets meer naar voren, stil als de dood, en hunnen adem inhoudend. Weldra zagen zij een jongen gorilla zitten, die enkele zaadkorrels opat, die nauwelijks uit den grond waren opgeschoten; op enkele schreden daarvan af zat ook de moeder te eten. Zij besloten los te branden; het was hoog tijd, want op het oogenblik, dat zij hunne geweren ophieven, zag de moeder hen; zij hadden nog juist den tijd, om vuur te geven. Gelukkig wondden zij haar doodelijk.

„Zij viel neder. De kleine gorilla vloog, toen zij het schot hoorde, naar hare moeder, en verborg zich aan hare borst. De jagers vlogen met eenen triomfkreet naar het lijk toe; maar door die kreten opgeschrikt, vlood het jonge dier naar eenen boom en klauterde het vlug in den top, waar het bleef zitten.

„Onze jagers waren zeer verlegen, hoe het te bereiken; zij hadden geen lust, zich bloot te stellen aan zijne beten, en aan den anderen kant wilden zij niet op het dier schieten. Eindelijk besloten zij den boom te vellen en een schort over den kop van het dier te werpen; toch werd één der mannen zwaar aan de hand gewond, en een ander werd aan de dij getroffen.

„Men bouwde eene kleine hut van sterk bamboes, met stevige spijlen, die ver genoeg uit elkander stonden, om den gorilla te kunnen waarnemen, en om hem in de gelegenheid te stellen zelf ook naar buiten te zien. Hij werd met geweld daarin geworpen en voor het eerst kon ik rustig het schouwspel waarnemen. Het was een jong, mannelijk dier, dat zeker nog geen drie jaren oud was, en was bijzonder sterk voor zijnen leeftijd. Zijn gezicht en zijne handen waren zwart, zijne oogen lagen niet zoo diep als bij volwassen gorilla’s. De haren van zijn hoofd begonnen bij zijne wenkbrauwen en stonden op de kruin van zijn hoofd rechtop; daar waren zij roodachtig bruin van kleur, aan beide zijden van het gelaat liepen zij weder af tot aan de benedenkaak, waar zij als het ware bakkebaarden vormden.

„Toen ik den kleinen aap stevig in zijne kooi opgesloten zag, naderde ik de kooi, om hem eenige woorden van bemoediging toe te spreken. Hij week naar het verste uiteinde terug, maar zoodra ik vooruitkwam, begon hij te brullen en wierp hij zich tegen mij aan, zoodat hij, niettegenstaande ik zoo ver mogelijk achteruit ging, mijn’ broek greep en die met een van zijne pooten verscheurde; daarna keerde hij snel naar zijnen hoek terug. Die aanval maakte mij voorzichtiger; toch wanhoopte ik er niet aan, dat ik hem eindelijk temmen zoude. Maar hij stierf spoedig.”

De negers beschouwen zich als de neven der orang-oetans. Zij zien in den chimpansee een bijzonder menschenras, dat om zijn slecht gedrag buiten de menschelijke maatschappij geworpen is, en dat om zijne volharding in het kwaad langzamerhand tot zóó laag is afgedaald, als het nu gekomen is. Toch eten zij de apen op, die zij gedood hebben. Kapitein Grandpret verhaalt de geschiedenis van eene vrouwelijke chimpansee, die de merkwaardigste bewijzen gaf van een ontwikkeld verstand:

„Het dier bevond zich op een schip, waarmede het naar Amerika moest vervoerd worden. Men had het geleerd, den oven te stoken, en het kweet zich van die taak tot tevredenheid van allen; het zorgde er goed voor, dat de gloeiende kolen niet op den grond vielen, en wist zeer goed te zien, of de oven den vereischten warmtegraad verkregen had. Dan begaf het zich naar den bakker, en waarschuwde hem door duidelijk te begrijpen teekenen; deze vertrouwde dan ook ten volle op de hulp van het dier en lette nooit op het vuur. Het kon alle plichten van eenen matroos vervullen met evenveel behendigheid als verstand, kon den ankerketting ophijschen en de zeilen inhalen en werkte zóó goed dat de matrozen het dier als hunnen makker beschouwden. Ongelukkig stierf het prachtige dier vóór de landing, door de wreedheid van den loods. Deze had het mishandeld, zonder te letten op de smeekingen van het dier, dat de handen vouwde als een smeekeling, om het hart van den vervolger tot zachtheid te stemmen. Doch de loods volhardde in zijne wreedheid. Het arme dier verdroeg geduldig alle mishandelingen, maar van dat oogenblik af weigerde het alle voedsel, en stierf het vijf dagen later van honger en smart. De geheele bemanning weende, alsof een matroos gestorven ware.

„Brosse had twee chimpansees naar Europa medegebracht, een mannetje en een wijfje, die aan tafel aanzaten als menschen, van alles aten en zich van mes, lepel en vork bedienden. Zij dronken al onze dranken; zij hielden vooral van wijn en brandewijn. Als zij iets noodig hadden, riepen zij de kajuitsjongens, als hun iets geweigerd werd, werden zij boos, grepen zij hen bij den arm, beten hen en wierpen hen op den grond. Toen het mannetje eens ziek was, werd hij door den scheepsdokter adergelaten; later stak hij, zoo dikwijls hij zich ongesteld gevoelde, den arm uit naar den dokter.

„De chimpansee, die door Buffon werd grootgebracht, liep bijna altijd rechtop, zelfs als hij zware voorwerpen droeg. Hij had een ernstig en droevig voorkomen, al zijne bewegingen waren verstandig en bedaard. Hij had geen enkel van de walgelijke gebreken der bavianen, maar was niet zoo aardig als gewoonlijk de groene meerkatten zijn. Een woord of een teeken van zijnen meester was voldoende, om hem te doen gehoorzamen. Hij bood den arm aan hen, die Buffon kwamen bezoeken en wandelde met hen; hij plaatste zich aan tafel, kende het gebruik van een servet, veegde zich iederen keer, dat hij gedronken had, den mond af, schonk zich zelf wijn in en klonk met zijne buren. Hij haalde een kopje en schoteltje voor zich, deed er suiker in, schonk thee daarin en liet het koud worden vóórdat hij er van dronk. Nooit deed hij iemand kwaad; integendeel: hij naderde de bezoekers zeer beleefd, en werd gaarne geliefkoosd. Al de vrienden van Buffon hielden veel van zijnen bediende en brachten hem beschuitjes en vruchten. Ongelukkig stierf hij binnen het jaar aan de tering.

Fig. 321. De gorilla uit het museüm van Parijs, ééne maand vóór zijnen dood.
Fig. 321. De gorilla uit het museüm van Parijs, ééne maand vóór zijnen dood.

Fig. 321. De gorilla uit het museüm van Parijs, ééne maand vóór zijnen dood.

„Doctor Traill had eenen chimpansee naar Engeland overgebracht, die niet rechtop liep en altijd op de handen steunde. Hij was beschroomd tegenover vreemden, doch niet tegenover die personen, die hij dikwijls zag. Als hij het koud had, bedekte hij zich met een kleed. Eens hield men hem eenen spiegel voor, die dadelijk zijne aandacht trok; op zijne gewone groote bewegelijkheid volgde de volmaaktste kalmte. Met nieuwsgierigheid beschouwde hij het wonderlijke werktuig en bleef hij stom van verbazing. Hij keek nu eens naar zijnen vriend, dan weer naar den spiegel, draaide dien rond, beschouwde zijn beeld en trachtte zich, door den spiegel aan te raken, te verzekeren, of hij werkelijk een wezen van vleesch en been voor oogen had als hij zelf, dan wel of hij slechts iets denkbeeldigs zag; in één woord, hij deed volkomen hetzelfde, wat de wilde volkeren doen, als men hun voor het eerst eenen spiegel voorhoudt. Het is jammer, dat de tering de chimpansees en de gorilla’s zoo snel doodt, als men ze uit hun geboorteland verwijdert. Korten tijd na hunne komst in Europa beginnen zij te hoesten en worden zij treurig. Naarmate de ziekte vorderingen maakt, neemt hunne kalmte en hunne zachtheid toe; spoedig is het treurig ze aan te zien. Zij buigen het hoofd naar voren, evenals menschen, wier longen zijn aangetast, hoesten van tijd tot tijd en plaatsen hunne handen op de zieke borst; hunne donkerbruine oogen nemen eene zóó hevige uitdrukking van smart aan, dat men ze niet kan aanzien zonder bewogen te worden. Gewoonlijk bezwijken zij aan die vreeselijke ziekte binnen het jaar, zelden in het tweede jaar; ons koud klimaat kan aan die gelukkige kinderen van het zuiden hun schoon vaderland niet teruggeven.”

Dikwijls heeft men getracht jonge gorilla’s in den Parijschen Jardin des Plantes in het leven te houden; de waarnemingen bevestigen alles, wat wij zooeven mededeelden, en ongelukkig ook de onmogelijkheid om ze in ons klimaat in het leven te houden. Fig. 321 stelt den laatsten gorilla voor, dien men daar gehad heeft. Heeft men in de uitdrukking van dat gelaat niet de uitdrukking van den balling, die zijn vaderland betreurt?

De hand van den gorilla gelijkt evenals de kop op die van den mensch.

Nog een enkel woord over eene andere soort, den orang-oetan. Deze is zacht en zeer vreedzaam. Hij is niet beschroomd en vlucht niet voor den mensch, dien hij integendeel met veel kalmte aanziet. Onder de talrijke waarnemingen, die wij omtrent de zeden van dien aap (in gevangenschap) bezitten, melden wij die, welke F. Cuvier gedaan heeft op een jong wijfje, dat eene maand lang in 1808 op het kasteel van Malmaison leefde.

Fig. 322. Hand van eenen gorilla.
Fig. 322. Hand van eenen gorilla.

Fig. 322. Hand van eenen gorilla.

„Dat dier gebruikte zijne handen zooals wij gewoonlijk de onze gebruiken. Meestal bracht hij zijn voedsel met zijne vingers naar den mond; doch dikwijls pakte hij het ook met zijne lange lippen, en dronk slurpend, zooals alle dieren doen, die hunne lippen kunnen verlengen. Hij rook aan al het voedsel, dat men hem aanbood en dat hij niet kende; en hij raadpleegde zijn reukorgaan met bijzondere zorg. Hij at met evenveel voorliefde vruchten, groenten, eieren, vleesch en melk, en hield bijzonder veel van brood, koffie en sinaasappelen; eens zelfs dronk hij eenen geheelen inktkoker leeg zonder dat het hem iets hinderde. Hij had niet de minste orde in den tijd zijner maaltijden en kon, evenals de kinderen, op ieder uur eten.

„Wij zagen zooeven, dat hij zijn voedsel nam met zijne handen of met zijne lippen; hij was niet zeer handig in het gebruik van vork en mes; in dat opzicht stond hij gelijk met de wilden, die men met die werktuigen wilde laten eten, maar hij maakte door zijne slimheid goed, wat hij aan handigheid miste; als het voedsel, dat op zijn bord lag, niet gemakkelijk op zijnen lepel kon geplaatst worden, gaf hij dien aan zijnen buurman, om dien te vullen. Hij dronk zeer handig uit een glas, dat hij tusschen zijne beide handen hield. Toen hij eens bij het neerzetten van zijn glas bemerkte, dat het om zou slaan, hield hij zijne hand aan den kant, waarnaar het glas overhelde, om het te steunen. Bijna alle dieren beschutten zich tegen de koude, en het is waarschijnlijk, dat de orang-oetans in hetzelfde geval verkeeren, vooral in den regentijd. Ik weet niet, hoe die dieren zich in den natuurstaat tegen het ruwe weer beschermen. Doch ons dier was er aan gewoon geraakt, zich in zijne dekkleedjes te hullen, en had daaraan voortdurend behoefte. Op schip nam hij al wat hij machtig kon worden, om zich daarmede te dekken. Wanneer dan ook een matroos een stuk kleeren zocht, was hij bijna altijd zeker, het terug te vinden in het bed van den orang-oetan. Op die gewoonte van het dier, om zich goed te dekken, bouwden wij een plan, om zijn verstand op de proef te stellen.

„Dagelijks werd zijn dekkleed uitgespreid op een grasperk vóór de eetzaal, en na den maaltijd, dien hij gewoonlijk aan tafel nam, ging hij recht op dat kleedingstuk aan en sloeg het om zijne schouders, waarna hij in de armen van eenen jongen bediende naar bed gedragen werd. Eens hadden wij zijn dekkleed weggenomen, en het op den rand van een venster gehangen, om het te drogen. De orang-oetan ging eerst naar de gewone plaats, om het te halen, maar toen hij, aan de deur gekomen, zag dat het niet op de gewone plaats lag, zocht hij het met de oogen en ontdekte hij het aan het venster; hij ging toen eenvoudig daarheen en kwam er toen op de gewone wijze mede terug.”

Uit al deze verhalen, die wij nog met een zóó groot aantal zouden kunnen vermeerderen, dat wij er boekdeelen mede zonden kunnen vullen, blijkt duidelijk, hoe groot de overeenkomst is tusschen de hoogst ontwikkelde apenrassen en de laagstontwikkelde menschenrassen. De overeenstemming in physische eigenschappen blijkt zonneklaar uit de overeenkomst van het geraamte, en uit de resultaten der vergelijkende ontleedkunde. De punten van overeenkomst op intellectueel gebied zijn in ons oog niet minder belangrijk. De menschelijke geest heeft zich evenals het lichaam geleidelijk ontwikkeld.

Die ontwikkeling van den mensch heeft gelijken tred gehouden met de ontwikkeling der hersenen. Dit is een hoogst belangrijk feit. De hagedissen, de dinosauren, de viervoetige dieren en de zoogdieren der secundaire periode hebben allen een bijzonder klein hersenvolume. Dat orgaan van het verstand groeit in de tertiaire periode aan, om langzamerhand te naderen tot de hersenen der hooger ontwikkelde apen. Die wet is algemeen, hoewel er enkele uitzonderingen zijn bij sommige soorten van vogels, bij de muizen enz., maar de toename is merkwaardig, als men op de geheele dierenwereld let. Wij willen niet zeggen, dat het verstand altijd evenredig is met het volume en het gewicht der hersenen; wij zullen zoo aanstonds zien, dat dit nog meer afhangt van het aantal en de diepte der hersenwindingen; doch daar de hersenen het orgaan der gedachte zijn, zoo begrijpt men, dat de ontwikkeling van het verstand samengegaan is met de aangroeiing der hersenen.

Het gewicht der hersenen bedraagt gemiddeld bij den Europeeschen man 1485 gram, bij de vrouw 1262 gram. Daar het volume en het gewicht der hersenen samenhangt met de grootte van het geheele lichaam, zoo moet men nooit uitsluitend op het gewicht der hersenen letten, maar tevens het oog vestigen op het lichaam, waartoe zij behoord hebben. Het verschil in gewicht tusschen de hersenen van den man en de vrouw ligt voornamelijk in het verschil in gewicht van beider lichamen. De Europeesche man weegt gemiddeld 70 kilogram, de Europeesche vrouw 65 kilogram; de gemiddelde lengte van den man is 1,65 meter, die van de vrouw 1,53 meter; de verhouding tusschen beider lengten is als 100 : 93 en de verhouding van het gewicht hunner hersenen als 100 : 85. Dus is ook naar verhouding het gewicht der hersenen bij de vrouw iets minder dan bij den man.

De hersenen nemen toe met den arbeid en de inspanning, waarvan zij de zetel zijn. Het gewicht kan voor eenen volwassen Europeaan afwisselen tusschen 1000 en 2000 gram. Men heeft zelfs gewichten gevonden boven en beneden die grenzen, doch dan alleen bij ziektegevallen.

Bij den Europeaan is het gewicht dus ongeveer 1/40 van het lichaam.

Het gewicht vermindert naarmate men met minder ontwikkelde volksstammen te doen heeft, zooals de volgende tabel aanwijst:

Grammen. Verhouding tot het lichaamsgewicht.

Gemiddeld gewicht bij den Europeaan 1405 1/40

Gemiddeld gewicht bij den Mesties 1334 1/52

Gemiddeld gewicht bij den neger 1300 1/55

Gemiddeld gewicht bij den Australiër 1000 1/70

Bij den gorilla zijn die getallen 475 1/143

De verhouding van het gewicht der hersenen en het gewicht van het lichaam is bij de:

Honden 1/242

Olifanten 1/300

Paarden 1/633

Ossen 1/700

Fig. 323. De hersenwindingen en het verstand. Doorsnede door de groef van Sylvius.
Fig. 323. De hersenwindingen en het verstand. Doorsnede door de groef van Sylvius.

Fig. 323. De hersenwindingen en het verstand. Doorsnede door de groef van Sylvius.

Doch, zooals wij zooeven reeds opmerkten, zijn die verhoudingen niet voldoende, om de mate van verstand te schatten: daartoe moeten wij ook het oog houden op den aard der windingen. Letten wij b.v. op de hersenen van den Europeaan, dan zien wij, dat zij zich reeds op het eerste gezicht onderscheiden door het groote aantal windingen. Zonder in anatomische bijzonderheden te treden, is het voldoende op te merken, dat de hersenen, die arbeiden, sterker sprekende windingen hebben dan de hersenen, die weinig te verrichten hebben. Grove en weinig samengestelde windingen zijn het bewijs van weinig verstand, bij welk menschenras dan ook; kleine en veelvuldig geplooide windingen zijn een bewijs van groote geestesgaven. De kleinere zoogdieren hebben betrekkelijk meer hersenen; de muis b.v. heeft betrekkelijk meer hersenen dan de mensch; maar hare hersenen zijn dan ook volkomen glad en hebben geene windingen.

Indien men de hersenen van die dieren, die anatomisch en physiologisch het meest met den mensch overeenkomen, vergelijkt met die van den mensch, dan blijkt het, dat het aantal windingen toeneemt, van de laagste apensoorten tot aan den mensch. De ouistiti, de laagst ontwikkelde aap, heeft volkomen gladde hersenen; de makako heeft enkele windingen; het aantal windingen neemt van soort tot soort toe, en plotseling, bijna zonder eenigen overgang, vindt men bij de anthropoïde apen, de chimpansee’s en de orang-oetans zonder uitzondering de voornaamste windingen terug, die bij de hersenen van den mensch voorkomen. Het verschil tusschen de hersenen van den ouistiti en den chimpansee is verbazend groot; het verschil tusschen de hersenen van den chimpansee en die van den mensch is daarentegen zeer gering. Dit zijn feiten. Hij die dit niet wil inzien, is willens en wetens blind.

De vergelijking der verschillende menschenrassen en apen geeft dezelfde resultaten, indien wij den schedelinhoud en den gezichtshoek onderzoeken:

Schedelinhoud.

cub. centimeters.

Europeanen 1568

Chineezen 1518

Nieuw-Caledoniërs 1460

Afrikaansche negers 1430

Australiërs 1347

Nubiërs 1329

Gorilla’s 531

Orang-oetans 439

Chimpansees 421

Leeuwen 321

Newfoundlanders 105

Men heeft opgemerkt, dat de schedels uit de 12de eeuw, op de oude kerkhoven van Parijs gevonden, iets kleiner zijn dan die der tegenwoordige Parijzenaars. De verhouding is van 1504 : 1558 centimeters.

De gezichtshoek is grooter, naarmate het voorhoofd breeder, en het ras verstandiger is. Men vindt voor:

Gemiddeld.

De blanke rassen 82° tot 77°

De gele rassen 76° tot 69°

De zwarte rassen 69° tot 60°

Bij de Bosjesmannen is de gezichtshoek 60°.

De lagere menschenrassen vormen uit een physisch en verstandelijk oogpunt den overgang tusschen de anthropoïde apen en de Europeesche rassen. Er zijn voorbeelden genoeg van zóó weinig ontwikkelde menschenrassen, dat men ze bijna tot de apen zoude rangschikken. Die rassen, die veel dichter bij den natuurstaat geplaatst zijn dan wij, verdienen daardoor de belangstelling van den anthropoloog en den taalkenner, die bij hen dikwijls de oplossing vinden van vraagstukken, die anders onoplosbaar zijn.

Bijzonder laag staan de inboorlingen van Australië. Zij zijn op moreel gebied volkomen stomp en daarbij diep onwetend. Een bijzonder ontwikkeld instinct, om hun voedsel te bemachtigen, dat moeilijk te verkrijgen is, schijnt in de plaats getreden te zijn van de meeste moreele eigenschappen van den mensch. Als de Engelsche politie niet streng er tegen waakte, zouden zij dagelijks in de steden der kolonie de wetten der openbare zedelijkheid trotseeren, gelijk de apen in een beestenspel. Zij kunnen niet verder dan tot vier tellen, sommige volksstammen zelfs maar tot drie. Het vermogen om te redeneeren is bij hen hoogst onvolkomen ontwikkeld. De argumenten, door de kolonisten gebezigd, om hen te overreden of te overtuigen, zijn dikwijls van dezelfde soort als die welke men bij kinderen of halve idioten bezigt.

Fig. 324. Patagoniërs.
Fig. 324. Patagoniërs.

Fig. 324. Patagoniërs.

Quoy en Gaymard deelen in de volgende termen hun onderhoud met die ellendige volksstammen mede: „Onze tegenwoordigheid wekte hunne vreugde op; zij trachtten ons hunne indrukken mede te deelen met eene woordenrijkheid, waarop wij niet konden antwoorden, daar wij hunne taal niet verstonden. Zoodra zij ons zagen, kwamen zij naar ons toe, onder veel gebaren en eenen ontzaglijken woordenvloed; zij uitten luide kreten, en als wij hen op denzelfden toon beantwoordden, was hunne vreugde verbazend groot. Dadelijk vroegen zij om spijs, door zich op den buik te slaan.” Het tafereel, door die reizigers geschetst, is hoogst bedroevend. Het eenige wat men van hen zeggen kan, is dat zij niet volslagen idioot zijn.

Niet alleen de Australische inboorlingen verkeeren in dat geval; Bory de Saint-Vincent heeft ons een bijna even droevig beeld geschetst van de bewoners van zuid-Afrika. De Pesjereezen in Patagonië zijn even laag ontwikkeld als deze.

Aan het andere uiteinde der wereld, op de ijsvlakte bij de noordpool, vinden wij hetzelfde terug.

John Ross bevond zich, toen hij in het ijs verdwaald was geraakt, in tegenwoordigheid van een volk, dat nooit eenen Europeaan gezien had. De Engelsche zeevaarder, innig godsdienstig van aard, was in de gunstigste omstandigheden, om de eenige wezens, die hij kon liefhebben, met zachtheid te beoordeelen, en toch ...... als oplettend en eerlijk waarnemer, moest hij er eindelijk aan wanhopen, om in hun gemoed de bezielende vonk te ontdekken, die hij daarin wenschte te vinden. „De Eskimo,” zegt hij, „is een roofdier, zonder eenig ander genot, dan het eten; hij mist elk zedelijkheidsbeginsel, en verslindt al wat hij bemachtigen kan evenals de gier en de tijger;.... hij eet slechts om te slapen, en slaapt alleen, om weder zoo spoedig mogelijk te kunnen eten.” Wij zullen nog lager afdalen, en menschen bespreken, die zóó laag stonden, dat zij, die ze gezien hebben, verklaarden, dat, indien zij ze ontmoet hadden in een bosch, zij niet zouden kunnen zeggen, of zij apen of menschen vóór zich hadden. En merkwaardig is het, dat men die niet vindt in arme of aan het uiteinde der wereld gelegen landen, maar op het Aziatische vasteland, ten zuiden van den Himalayaketen, in het midden van Hindostan, en wel in de streken, die de bakermat geweest zijn van enkele soorten van groote apen, op een tijdstip toen de eilanden van den Indischen archipel met het vasteland van Azië verbonden waren.

Piddington, die in het midden van Hindostan gevestigd was, verhaalt, dat hij jaarlijks met eene troep inlandsche arbeiders, die op de plantage kwamen werken, eenen man en eene vrouw van een bijzonder vreemd voorkomen zag medekomen, die door de inlanders aap-menschen genoemd werden. Zij hadden eene taal op zich zelf. Voor zoover men uit teekenen kon begrijpen, leefden zij in de bosschen en in de bergstreken en hadden zij slechts enkele dorpen. Het is waarschijnlijk, dat beiden om eenen moord of iets dergelijks gevlucht waren. Zeker is het, dat zij door de inlanders in het bosch gevonden waren, toen zij uitgeput en uitgehongerd waren. In eenen zekeren nacht waren zij plotseling verdwenen, juist toen Piddington ze naar Calcutta wilde zenden. Hij beschrijft den man aldus: Hij was klein, had eenen platten neus, half-cirkelvormige rimpels liepen om de mondhoeken en over de wangen; zijne armen waren bovenmatig lang, en zijne dofzwarte huid was met roode haren bedekt. Als hij in eenen donkeren hoek gedoken of op eenen boom zat, zou men hem voor eenen grooten orang-oetan hebben aangezien.

Piddington had veel gereisd, had zoowel de Bosjesmannen, als de Hottentotten, de Papoea’s, de Alfoeren, de inboorlingen van nieuw-Holland, nieuw-Zeeland en de Sand-wichseilanden gezien, zoodat hij een waarnemer was, bijzonder rijk aan ondervinding.

Whitebourne schreef reeds in 1612, dat de Eskimo’s geen begrip hadden van de Godheid en eene volkomen regeeringlooze troep vormden. Wij kunnen daarbij voegen de getuigenis van John Ross, die langen tijd in hun midden woonde: „Begrepen zij iets, zoo vraagt hij, van alles wat ik hen trachtte te leeren, door de eenvoudigste zaken op de eenvoudigste wijze uit te leggen? Ik kan het niet zeggen. Zou het mij beter gelukt zijn, indien ik hunne taal had verstaan? Ik heb reden om het te betwijfelen. Ik zou niet durven ontkennen, dat zij een spoor eener moreele wet in hun hart dragen; talrijke trekken in hun gedrag wijzen dit uit; maar ik heb het nooit verder kunnen brengen dan tot enkele aanwijzingen. Ik heb nooit het minste spoor van het bestaan van eenen godsdienst bij hen kunnen ontdekken. Ik heb mijne pogingen in die richting eindelijk moeten opgeven.” Die getuigenis is des te belangrijker, omdat wij in ieder woord het verdriet hooren spreken van iemand, die, hoe gaarne hij het ook gewild had, in het hart van andere menschen de echo niet gehoord heeft van de gevoelens, die hem het dierbaarst waren.

Een groot aantal van de lagere volkeren loopen totaal naakt. De beroemde Afrikareiziger Doctor Schweinfurth verhaalt, dat bij de Dinka’s zelfs de minste bedekking als het sterke geslacht onwaardig beschouwd wordt. De Nubiërs, die eenen dunnen gordel dragen, worden voor vrouwen uitgescholden door de Dinka’s, bij wie de vrouwen een schort van huiden dragen. Bij andere volksstammen in Afrika loopen mannen en vrouwen naakt. Hun huid is chocolade-kleurig. Sommigen slijpen hunne snijtanden scherp, om beter hunne vijanden te kunnen bijten, terwijl anderen ze uittrekken naar de mode van hun land. De Bongo’s dragen eenen gordel, hunne vrouwen willen echter geen enkel stukje leer of katoen dragen, maar dragen alleen een dun takje met bladeren of eenig gras te zamen gebonden. Beiden dragen aan armen en beenen, en dikwijls aan den hals, zware ijzeren of koperen ringen, en de vrouwen doorboren dadelijk na haar huwelijk hare benedenlip, waarin zij hoe langer hoe dikkere pinnen steken, dikwijls van 2 tot 3 centimeters middellijn. Het begrip onsterfelijkheid is hun volkomen onbekend. Elke godsdienst is hun vreemd. Behalve het woord „loma”, dat zoowel geluk als ongeluk beteekent, hebben zij in hunne taal geen enkel woord, dat overeenkomt met het woord Godheid. Zij noemen den God der Turken, waarvan zij wel eens hebben hooren spreken, loma-gobo, doch zij hechten aan dat woord meer de beteekenis van „toeval.”

Fig. 325.—Menscheneters uit centraal-Afrika, naar het reisverhaal van Schweinfurth.
Fig. 325.—Menscheneters uit centraal-Afrika, naar het reisverhaal van Schweinfurth.

Fig. 325.—Menscheneters uit centraal-Afrika, naar het reisverhaal van Schweinfurth.

De meest gewone uitdrukkingen, door ons gebezigd voor afgetrokken begrippen, missen zij; zij hebben geene uitdrukking voor geest, ziel, onsterfelijkheid, oneindigheid, tijd, hoop, gedachte, gevoel, kleur, reuk, enz. Ditzelfde verschijnsel vindt men bij al die lagere rassen. Hunne taal is als het ware niets dan klanknabootsing. Zij zelf hebben namen van dieren en planten. Bij enkele volksstammen bestaat de onderdanigste groet hierin, dat men elkander in het gezicht spuwt.

De Niam-Niams dragen gewoonlijk eenen gordel, die zóó om het lichaam gebonden wordt, dat hij in eenen staart eindigt. Zij zijn nog steeds menscheneters; aan den ingang hunner hutten vindt men staken en boomen, die dienen, om hunne jacht- en oorlogstrofeën te vertoonen. Daaronder vond Schweinfurth koppen van antilopen, wilde zwijnen, kleine apen, bavianen, chimpansee’s, en ook schedels van menschen. In de nabijheid der hutten vond hij onder de keukens overblijfselen van menschenbeenderen, die de sporen droegen van de bijl of het mes; en aan de naburige boomen hingen rottende handen en voeten, die eenen walgelijken reuk verspreidden.

Het gedeelte van centraal-Afrika, dat door die wilden bewoond wordt, schijnt ook het vaderland der chimpansee’s te zijn. Schweinfurth vond ten minste in de hutten een verbazend aantal schedels van chimpansee’s, en de Niam-Niams jagen in de wouden voortdurend op die dieren. De inboorlingen beweren, evenals die van west-Afrika, dat die apen met menschelijke gedaante de vrouwen en jonge negerinnen wegrooven, en dat het zeer moeilijk is, ze terug te krijgen. Die holbewoners verdedigen zich met woede: in hunnen hoek gedoken, ontrukken zij de wapenen aan hunne aanvallers, en maken zij er gebruik van tegen den vijand.

De Momboettoe’s, naburen der Niam-Niams, zijn nog veel meer menscheneters dan deze. Bij hen is het volstrekt niet uit noodzakelijkheid, want zij hebben een groot aantal dieren ter hunner beschikking, maar alleen voor de lekkernij. Zij zijn omgeven door zwarte volksstammen, die in ontwikkeling nog lager staan dan zij, en zij maken daarop evenzeer jacht als op apen, evenals wij op wild jacht maken. De lichamen van hen, die sneuvelen, worden dadelijk in stukken gehakt, het vleesch wordt in lange repen gesneden, op de plaats zelf geroosterd en als eene lekkernij medegenomen. De gevangenen worden bewaard, als schapen opgesloten en één voor één, naarmate van de behoefte, gewurgd. De kinderen worden als lekkernij voor de hoofden bewaard. Dagelijks kreeg koning Mounza tijdens het verblijf van Schweinfurth een kind op schotel. In de keuken gebruikt men menschenvet, zooals wij boter gebruiken.

Fig. 326. Bosjesmannen op de jacht.
Fig. 326. Bosjesmannen op de jacht.

Fig. 326. Bosjesmannen op de jacht.

Wij zouden over dit onderwerp nog veel meer in bijzonderheden kunnen uitweiden. Doch het voorgaande is voldoende, om duidelijk te maken, dat die laagste volkstammen, die zinnelijke, grove, onwetende wezens, ongeschikt voor iedere afgetrokken redeneering, dichter staan bij de chimpansee’s, de orang-oetans en de gorilla’s, dan bij de menschenrassen, waartoe Newton, Leibnitz, Kepler, Archimedes, Huygens, Phidias, Dante, Shakespeare, Leonard da Vinci, Pascal, Mozart en zoovele andere reuzengeesten behoord hebben. Wij moeten hierbij tevens opmerken, dat het hoe langer hoe moeilijker wordt, volkomen natuurlijke oorspronkelijke rassen te vinden, daar de zendelingen en de reizigers de denkbeelden, die het gevolg zijn onzer hoogere beschaving, bijna overal hebben overgeplant. Wel zoude men in menig opzicht de voortreffelijkheid van onze verstandelijke en zedelijke ontwikkeling in twijfel kunnen trekken. Aan de edelste godsdiensten kan men de grootste laagheden verwijten: aan de christenen, de vervolgingen der inquisitie en de godsdienstoorlogen; aan de muzelmannen de bloedbaden, die zij bij hunne veroveringen hebben aangericht; aan de verstandigste regeeringen van Europa, den gewapenden vrede, het geld, dat aan de staande legers opgeofferd wordt, de diplomatie, die het recht van den sterkste met een masker van recht bedekken moet. Ja zeker, een bewoner van Sirius, of van eene werkelijk verstandelijk ontwikkelde wereld zou geen onderscheid zien tusschen de Europeanen, de Amerikanen, de Aziaten eenerzijds, en de Australische en Afrikaansche volksstammen, waarover wij zooeven gesproken hebben, aan de andere zijde, en misschien zouden zij over alle tegenwoordige aardbewoners medelijdend de schouders ophalen. Maar alles is betrekkelijk. Het is niet te loochenen, dat wij minder onvolmaakt zijn dan die wilde stammen, en dat ons verstand veel hooger ontwikkeld is. Het doel dezer studie is geweest, het verband aan te wijzen tusschen de menschheid en de dierenwereld, waarvan zij zich met moeite en uiterst langzaam heeft losgemaakt.

Men heeft wel eens beweerd, dat daar de menschheid bezit heeft genomen van de aarde en de overhand heeft verkregen boven het dierenrijk door de oefening zijner hoogere vermogens, het te vreezen staat, dat de dag zal aanbreken, waarop een nieuw ras te voorschijn komt, dat zooveel boven het onze staat, als wij boven de overige zoogdieren, en dat ons zal ten onder brengen, zooals wij de lagere rassen hebben vermeesterd. Toch is dit denkbeeld, dat in verschillende werken in verschillende talen is uitgewerkt, eene dwaling. Wel zal de menschheid der toekomst eene andere zijn dan de onze; maar zij zal geleidelijk gevormd zijn en de ontwikkeling zijn van de onze. Wij zelf zijn het, die verstandiger en beter zullen worden, die de lichamelijke en geestelijke onderdrukking van den mensch zullen opheffen, en die het rijk van licht en vrijheid zullen stichten.

Wij kunnen het niet genoeg herhalen, de mensch neemt door zijne rede de eerste plaats in de rij der wezens in; terecht heerscht hij dus over alles wat op de aarde leeft. Maar wij moeten ook erkennen, dat de mensch in wezen niet verschilt van zijne naaste buren, de anthropoïde apen. Anatomisch zijn het dezelfde organen, op dezelfde wijze gebouwd en gelegen, en alleen door verschillen van minderen rang van elkander afwijkend; de voeten, de handen, de wervelkolom, de borstkas, het bekken, de zintuigen, alles is op dezelfde wijze gebouwd; de hersenen zijn in bouw en in windingen eveneens dezelfde; de storingen komen zelfs overeen. De eenige physische verschillen zijn gelegen in den inhoud der hersenen, die bij den mensch driemaal grooter is, en hare windingen, waardoor bij den mensch de rede, de schoonste parel aan zijne kroon, zooveel meer ontwikkeld is. Ook uit een moreel oogpunt hebben wij den langzamen overgang van de dieren tot aan den mensch leeren kennen. De vraag is thans, welke van de vier soorten van anthropoïde apen het dichtst bij den mensch staat.

De gibbon komt niet in aanmerking. Wel staat hij hoog door zijne hersenwindingen en zijn ruggemerg, maar door de nauwheid van zijn bekken en de schikking zijner spieren is hij het verst van den mensch verwijderd.

Ook de orang-oetan heeft eenige anatomische karaktertrekken, waardoor hij tamelijk ver van den mensch verwijderd is, zooals de gebrekkige handen en voeten en de afmetingen van het geraamte; doch zijne hersenwindingen, zijn gezichtshoek, zijne ribben, tanden en zijn verstand wijzen op eene hooge ontwikkeling.

De chimpansee heeft in zijn voordeel het aantal hersenwindingen, de afmetingen van het geraamte en de vorm van den schedel.

De gorilla eindelijk heeft een groot hersenvolume en komt ook door zijne spieren, zijne handen en voeten, zijn bekken en andere bijzonderheden met den mensch overeen; hij heeft echter 13 paar ribben, eene gebrekkige wervelkolom en lange hoektanden.

De Amerikaansche apen verschillen van die van Afrika, Azië en Europa hierin, dat zij eenen platten neus hebben, zoodat de neusgaten zijdelings geplaatst zijn; zij heeten daarom ook Platyrrhinae (platneuzen). De apen der oude wereld daarentegen (orang-oetans, gorilla’s, chimpansee’s), hebben een smal tusschenschot in den neus en de neusgaten naar beneden gericht, en heeten daarom Catarrhinae. De laatste hebben bovendien hetzelfde aantal tanden als de mensen; aan iedere kaak heeft men vier snijtanden, 2 hoektanden en tien kiezen, in het geheel dus 32 tanden, terwijl de Amerikaansche apen er 36 hebben, en wel vier kiezen meer. Hieruit volgt, dat er oudtijds in de afstamming der apen eene scheiding heeft plaats gehad, en dat de mensch afstamt van de apen der oude wereld. Maar geen der tegenwoordige apen kan als onze stamvader beschouwd worden. Reeds lang zijn de aapachtige voorouders van den mensch verdwenen. Misschien is de dryopithecus, waarvan Gaudry beweert, dat hij in staat was, vuursteenen te slijpen, nauw aan dien voorvader verwant, wiens heerschappij dagteekent van voor meer dan honderdduizend jaren.

De mensch is dus het laatste voortbrengsel van het leven op aarde, de top van den stamboom van het dierenrijk, de jongste en volmaaktste der zoogdieren, in één woord, een verbeterde en gewijzigde aap.

Dit denkbeeld hindert en ergert hen, die er genoegen in scheppen, de bakermat der menschheid met eenen stralenkrans te omgeven; indien wij dan ook onzen roem stellen in onzen stamboom en niet in onze eigen daden, dan is dat denkbeeld inderdaad vernederend. Maar wat is die slag, dien onze eigenliefde hierdoor ondergaat, in vergelijking met dien, welke ons reeds door de sterrenkunde is toegebracht? Toen men meende, dat de aarde het middelpunt der schepping was, en dat het heelal ten behoeve der aarde geschapen was, en de aarde ten behoeve van den mensch, had onze hoogmoed de ruimste voldoening. Die leer verviel op den dag, waarop bewezen werd, dat onze planeet slechts een nederige wachter is van de zon, die zelf slechts één der vele lichtpunten van het heelal is: op dien dag reeds en niet eerst nu werd de mensch tot nederigheid gedwongen. Niet voor hem kwam de zon iederen morgen op, niet voor hem ontstak het hemelgewelf iederen avond zijne ontelbare lichten; niet uitsluitend voor hem, evenmin als voor de bewoners eener andere wereld van de oneindige ruimte, was de wereld geschapen.

Evenals de boer, die zich in den droom als den oppermachtigen heerscher der aarde zag, ontwaakte de mensch in eene eenvoudige hut. Niet zonder leedwezen zag hij zich zoo vernederd; langen tijd hinderde hem de herinnering aan zijnen vervlogen droom, maar hij moest zich onderwerpen en zich gewennen aan de werkelijkheid, en ook thans troost hij zich met het denkbeeld, dat hij, al is hij niet meer de koning der schepping, toch nog altijd de koning der aarde is.

Op die onbetwiste heerschappij mag hij met recht trotsch zijn. Doch wordt deze bedreigd of verminderd door de kennis van de geleidelijke verandering der soorten? Zal zij minder beteekenis hebben, indien hij die aan zich zelf verschuldigd is, dan wanneer hij die van zijne eerste voorouders verkregen heeft? Wel verre van den oorsprong van ons ras te vernederen, veredelt ons de nieuwere leer, daar zij den mensch leert, dat hij zelf zijne hooge waarde verkregen heeft door eigen inspanning en door oefening zijner vermogens.

Doch zijn dergelijke beschouwingen niet misplaatst in een wetenschappelijk of populair werk? Wij wenschen hierover onze meening in het kort mede te deelen.

Iedere wetenschap, en dus ook de sterrenkunde, de geologie, de paleontologie, heeft groote waarde op zich zelf. Maar het doel van het weten is om den geest te verlichten. Een sterrenkundige, een geoloog, een natuuronderzoeker, die al de geheimen zijner geliefkoosde wetenschap heeft leeren ontsluieren, kan daarom toch wel, niettegenstaande zijne groote geleerdheid, een onontwikkeld verstand hebben, en niet hebben leeren denken. De grootste gave echter van den menschelijken geest is het vermogen om te denken, te oordeelen, te generaliseeren, in één woord zijne wetenschap dienstbaar te maken aan zijn oordeel. De wetenschap, die den geest niet verlicht, die den mensch niet tot gids verstrekt, die hem niet losmaakt van de dwalingen van de onkunde en het vooroordeel, sticht minder nut en is minder eerbiedwaardig dan die, welke geheel voldoet aan hare roeping, om ook te vormen voor het leven. Vandaar dan ook, dat wij in dit hoofdstuk ons niet ontzien hebben, onze meening te zeggen omtrent de gevolgtrekking, die men ten opzichte der afstamming van den mensch trekken kan uit de studie der paleontologie. Wij vonden daartoe te meer vrijheid, daar ieder lezer zich de in de vijf eerste boeken medegedeelde feiten kan eigen maken, zonder dat hij zich verplicht behoeft te gevoelen ons te volgen in de besluiten, die wij meenden, dat daaruit logisch konden getrokken worden. De godsdienst op zich zelf is onafhankelijk van eenig godsdienstig dogma, of van eenige meening op godsdienstig gebied; die meeningen worden voornamelijk door het gemoed, en niet door het verstand beheerscht. Wij kunnen dus ieder onderdeel der menschelijke wetenschap bestudeeren, zonder dat dit invloed heeft op onze godsdienstige overtuiging. Het hoogste doel der wetenschap blijft steeds ons te verheffen tot een hooger ideaal, ons los te maken van het lage materialisme, door ons het wezen der krachten te doen begrijpen, die het heelal besturen en naar een ons onbekend doel voeren. De ware geleerde is de vijand van onverdraagzaamheid en dweepzucht, de verdediger van de vrijheid van geweten, de apostel van licht en vooruitgang. Doch daartoe moet hij den moed hebben, rond voor zijn gevoelen uit te komen en het belang der waarheid boven elk eigenbelang te stellen. Zijne taak is het te handelen naar het woord van Juvenalis: Vitam impendere vero, d.i. zijn leven aan de waarheid te wijden.

Doch keeren wij tot den oorspronkelijken mensch terug.

Op de hoogte, waarop wij thans staan, kunnen wij de vraag stellen, van welken tijd het optreden van den mensch op de aarde dagteekent.

Die vraag is ingewikkelder, dan men op het eerste gezicht zoude meenen. Indien wij door het woord „mensch” verstaan het wezen, dat thans de heerscher is der aarde, in het bezit van rede en verstand, dan kunnen wij antwoorden, dat de menschheid nog slechts enkele duizenden jaren bestaat, van het begin der geschiedenis af, die zelf nog geene tienduizend jaren oud is, zelfs niet die van Egypte, het oudste land, waarvan wij geloofwaardige historische oorkonden bezitten. Zoolang de menschheid de geschreven taal niet had, heeft zij historisch niet bestaan. De lagere volksstammen, die nog heden ten dage zonder schrijftaal, en zelfs bijna zonder spreektaal zijn, maken geen deel uit van de denkende en handelende menschheid. De schrijftaal is de grootste vooruitgang, dien de oorspronkelijke menschheid heeft ondergaan, en deze heeft den mensch eerst zijne verstandelijke ontwikkeling gegeven. De eerste schrijftaal was uiterst weinig ontwikkeld en de spreektaal vóór dien tijd nog veel minder.

Wij hebben tegenwoordig bewijzen, dat de oorspronkelijke mensch tienduizenden van jaren ouder is dan de oudste oorkonden der menschheid; men heeft immers reeds een groot aantal typen van den fossielen mensch gevonden.

Doch nog niet sedert lang. Eerst in 1823 vertoonde Amy Boué aan Cuvier menschenbeenderen, door hem in de omstreken van Lahr, in Baden, in het Rijnlöss gevonden. Cuvier, die zooals wij vroeger zagen, eene vooropgestelde meening had over den aard der schepping en de onveranderlijkheid der soorten, wilde die niet als fossiel erkennen. Doch dit nam niet weg, dat men in 1828 en in 1829 in Frankrijk, in 1833 in België, in 1839 weder in Frankrijk, in 1844 in Brazilië enz. fossiele overblijfselen van menschen ontdekte. Doch de officieele wetenschap maakte reeds apriori uit, dat de overblijfselen van den mensch of de door den mensch vervaardigde voorwerpen, in die quaternaire formaties gevonden, daarheen gebracht waren door het water of door inzakking.

In 1847 werd het vraagstuk een heel eind verder gebracht door de uitstekende onderzoekingen van Boucher de Perthes, die in grintgroeven bij Abbeville eene groote menigte door menschen bewerkte vuursteenen vond.

Doch eerst in 1861 werd het vraagstuk met volkomen zekerheid opgelost door de wegruiming van het puin van de grot van Aurignac, door Lartet. Daar was verdere twijfel onmogelijk. Die grot was op het oogenblik der ontdekking gesloten door eenen van eenen grooten afstand aangebrachten steen. Lartet vond in die grot de beenderen van acht diersoorten, tot de quaternaire periode behoorende. Eenige van die dieren waren daar opgegeten; hunne gedeeltelijk verkoolde beenderen droegen nog de sporen van het vuur, waarvan men nog de kolen en de asch terugvond; de beenderen van eenen jongen rhinoceros tichorinus vertoonden inkervingen, gemaakt met vuursteenen werktuigen, en waren afgekloven door hyena’s, waarvan men de sporen terugvond. De ligging van de grot maakte het onmogelijk, dat er door het diluvium iets daarheen gevoerd was. Hieruit volgt dus, dat de oorspronkelijke mensch geleefd moet hebben tegelijk met de quaternaire dierenwereld, en dat hij zelfs rhinocerossen als voedsel gebruikte, en door de hyena uit dat tijdperk gevolgd werd, die zich aan de overblijfselen van den maaltijd te goed deed. Het gelijktijdig bestaan van den mensch en die fossiele dieren was daardoor bewezen.

Het volgende jaar werden die feiten door eene belangrijke ontdekking bevestigd. Den 28sten Maart 1862 had Boucher de Perthes het geluk, dat hij zelf, in het grijze diluvium van de Somme-vallei eene menschelijke kaak opgroef, die wel niet volkomen was, maar toch ontegenzeggelijk toebehoorde aan den quaternairen mensen.

Doch nog belangrijker feiten kwamen aan het licht. In 1868 werd in de Académie des Sciences eene kaak van eenen rhinoceros uit de miocene periode vertoond, waarop, zooals men zeide, eene door den mensch gedane inkerving zichtbaar was. Zoo ook heeft men in de miocene formatie van Maine-et-Loire eene rib van een halotherium gevonden evenzeer met insnijdingen door menschenhanden verricht. Hetzelfde is het geval met beenderen te Pikermi gevonden. Men zou kunnen beweren, dat die inkervingen verricht zijn door roofdieren of zelfs eenvoudig door wrijving zijn ontstaan; de abbé Bourgeois echter, een bekwaam onderzoeker, in 1878 gestorven, heeft in de miocene formatie van Loir-et-Cher vuursteenen gevonden, die zouden moeten geslepen zijn door een wezen, dat in verstand hooger ontwikkeld was dan de tegenwoordige dieren.

Volgens die laatste getuigenissen, die nog met een aantal andere zouden kunnen worden vermeerderd, zoude men dus zelfs mogen besluiten tot het bestaan van den tertiairen, miocenen mensch. Toch meenen wij, dat de bewijzen voor die stelling nog niet voldoende zijn. Quatrefages en Hamy meenen, dat de gevonden vuursteenen door menschen geslepen zijn. Gaudry en anderen zijn van oordeel, dat het niet onmogelijk is, dat dit door apen zoude geschied zijn. Is dat waar, dan moet de dryopitheke of een andere anthropomorphe aap de voorganger van den mensch geweest zijn. Doch wij moeten hier bijvoegen, dat er zelfs deskundigen zijn, die beweren, dat de vuursteenen in het geheel niet geslepen zijn. Anderen zelfs hebben niet zonder grond het vermoeden geuit, dat de formatie, waarin die vuursteenen gevonden zijn, tot de eocene formatie behoort. Is dit het geval, dan is het zeker, dat zij niet geslepen zijn, immers in die periode vond men zelfs nog geene ware herkauwende dieren, geene éénhoevige dieren, snuitdieren of apen.

De vuursteenen te Otta, bij Lissabon, en die te Aurillac gevonden, maken evenmin het vraagstuk uit: zij zijn ongetwijfeld uit de miocene periode afkomstig, doch het is lang niet zeker of zij geslepen zijn.

Bovendien is het bijna onmogelijk, dat de mensch reeds in die periode zou bestaan hebben. Op welk standpunt men zich ook plaatse, de mensch kan alleen optreden aan de spits der organische wereld, nadat het planten- en dierenrijk tot volle ontwikkeling is gekomen. In de miocene periode was die ontwikkeling nog lang niet volledig genoeg, om de verschijning van den mensch in dien tijd niet als een anachronisme te beschouwen; dit is op zichzelf voldoende, om de meening te verwerpen, als zoude de mensch in de miocene periode verschenen zijn.

Dat de mensch reeds bestaan heeft in het begin der quaternaire periode, en zelfs op het einde der tertiaire periode, is echter niet twijfelachtig. De verandering van den aap, waaraan wij ons bestaan te danken hebben, dagteekent hoogstwaarschijnlijk van de pliocene periode. Het zou ons te ver voeren, indien wij alle ontdekkingen vermeldden, zoowel van fossiele overblijfselen van menschen als van geslepen vuursteenen of van voorwerpen, door den oorspronkelijken mensch vervaardigd. In het museüm te Brussel zijn niet minder dan 80000 door menschenhanden geslepen vuursteenen en 40000 beenderen van dieren voorhanden, die gelijktijdig met den oorspronkelijken mensch geleefd hebben. Men heeft reeds de opvolging dier verdwenen menschenrassen kunnen bepalen; enkele waren tijdgenooten van den holenbeer, andere van den mammouth, nog andere van het rendier, weer andere van den aueros. De merkwaardige fossiele mensch, in 1872 te Mentone gevonden, schijnt uit den tijd van het rendier te dagteekenen. Nog in het jaar 1884 zijn op diezelfde plaats belangrijke opgravingen gedaan.

Fig. 327. De fossiele mensch, in 1872 in een hol te Mentone gevonden, thans aanwezig in het museüm te Parijs.
Fig. 327. De fossiele mensch, in 1872 in een hol te Mentone gevonden, thans aanwezig in het museüm te Parijs.

Fig. 327. De fossiele mensch, in 1872 in een hol te Mentone gevonden, thans aanwezig in het museüm te Parijs.

Toch is dit alles nog niet voldoende, om ons een zuiver beeld te vormen van den oorspronkelijken mensch. Trouwens Quatrefages merkt zeer terecht op, dat het oorspronkelijke type van den mensch verdwenen is. Dit moet reeds het geval zijn door verhuizing en wijzigingen der omgeving. De mensch heeft den geheelen afstand tusschen de tertiaire en de quaternaire periode doorloopen; misschien bestaat zelfs de plaats niet meer, waar hij is opgetreden; zeker is het, dat de levensvoorwaarden daar geheel anders moeten zijn dan bij zijn eerste optreden. Toen alles rondom hem veranderde, kon hij alleen niet dezelfde gebleven zijn.

Wij kennen den oorspronkelijken mensch niet; als wij hem ontmoetten, zouden wij hem zelfs niet herkennen. Het eenige wat wij kunnen zeggen, is dat hij waarschijnlijk de kleur had van de gele rassen, en dat zijn haar waarschijnlijk rossig was. Zijne taal was waarschijnlijk éénlettergrepig en klanknabootsend.

Vóórdat zij den ploeg, de spade, den molen, den oven, de kuip, het vat, de kom, den lepel, de vork, het mes hadden uitgevonden, leefden die wezens, die langzamerhand menschen geworden zijn, maar die toen slechts redelooze dieren waren, in bosschen en holen, en moesten zij zelf hun voedsel zoeken, evenals hunne tijdgenooten, de apen, wolven, tijgers, wilde paarden, olifanten, beren, hyena’s, jakhalzen, bevers enz. Komt hun reeds de naam van mensch toe? Naar ons oordeel niet. Dat zij zich met de voeten, de handen en het hoofd verdedigen als zij aangevallen zijn, bewijst niets, immers dat doen ook de apen. Dat zij eene vrucht nemen en die naar het hoofd van hunnen tegenstander werpen, bewijst evenmin iets, dat doet de aap eveneens. Ook de aap grijpt eenen tak, dien hij doorbreekt en waarmede hij bij den aanval om zich heen slaat. Bijna alle dieren zorgen voor hun kroost.

De eerste handeling, waaruit hunne hoogere ontwikkeling bleek, moet met hunne levenswijze hebben samengehangen. Een scherpe, puntige steen, kon beter dienst doen, om een dierenhuid te snijden, dan de nagels. De meest ontwikkelde wezens van hunnen tijd moeten opgemerkt hebben, dat scherpe en puntige steenen beter geschikt waren, om iets te kloven, dan ronde steenen, en zij zullen daarmede hun voordeel gedaan hebben. Daarna zullen wezens, even wild, maar iets verstandiger dan de vorige, hebben opgemerkt, dat een steen kon verbrijzeld worden, door hem tegen eenen anderen steen te stooten, en dat de stukken scherp of puntig waren. Zoo is de periode der gehouwen steenen begonnen, waarvan men heden overal de sporen vindt. De ontdekking van het vuur door de wrijving van droog hout, was op zich zelf reeds een belangrijke vooruitgang.

Evenals het lichaam van den mensch langzamerhand volmaakter is geworden, zoo is het ook met den geest het geval geweest. Is het menschelijke lichaam de vrucht van de opklimming der natuur langs alle trappen van het dierenrijk, de menschelijke geest is de bloem, uit die ontwikkeling voortgekomen. De hoogere dieren hebben eene verstandelijke ontwikkeling, die waardig is met die van den mensch vergeleken te worden, zij hebben geheugen, eenen wil, verbeelding, overleg en andere verstandelijke vermogens. Het is slechts eene vraag van meer of minder. De geheele natuur is naar eenzelfde plan gebouwd en is de uitdrukking eener zelfde idee.

Er zijn boeken volgeschreven over het verstand der dieren, en wij mogen daarover hier niet verder uitweiden. Het kwam er alleen op aan, onze lezers te doen begrijpen, dat ook de dieren met verstand begaafd zijn, en dat de menschelijke ziel evenmin als het lichaam iets anders is als die der overige dieren; ook zij heeft zich geleidelijk in den loop der eeuwen ontwikkeld.

Nog andere niet minder merkwaardige bewijzen zouden bij de vorige gevoegd kunnen worden, om de reeds volle maat der bewijzen tot den rand toe te vullen. Doch het is onmogelijk te onderstellen, dat de onpartijdige lezer niet reeds lang door het voorgaande overtuigd is geworden. Wij kunnen echter niet nalaten, al was het slechts om de merkwaardigheid, even te wijzen op de somtijds zoo bijzondere gelijkenis tusschen sommige menschenkoppen en enkele typen van dieren. Is het niet als het ware de echo van vroegere tijden, als eene soort van terugslag naar vroegere vormen? De gelijkenis van den mensch met de apen, vooral onder de lagere menschenrassen, valt te zeer in het oog, dan dat wij daarbij zouden stilstaan. Doch ook bij ons blanke ras, dat zoo beschaafd is, vindt men niet zelden in het gelaat en zelfs in het karakter van enkele personen ontegenzeggelijk gelijkenis met sommige dieren, zooals den leeuw, de kat, den vogel, den bunzing, de slang en zelfs den visch. Voor de merkwaardigheid geven wij op blzz. 652 en 653 enkele teekeningen weer, die de bekende schilder Charles Lebrun ten tijde van Lodewijk XIV vervaardigd heeft, waarin hij duidelijk de gelijkenis van enkele menschenkoppen met dieren doet uitkomen. En letten wij op de karaktertrekken van den mensch, reinheid van gemoed—slimheid—onverstand—drift—slaafschheid—kwaadaardigheid—zelfopoffering—gierigheid—wellust enz. enz., zooals zij door het gelaat worden uitgedrukt, men behoeft ze niet in de werken van Lavater te bestudeeren, om ze dagelijks om zich heen te zien.

De mensch heeft slechts langzamerhand en ongemerkt zijne oorspronkelijke ruwheid afgelegd. De grootste schrede op den weg van verstandelijken en zedelijken vooruitgang kon eerst worden gedaan, nadat de strijd om het bestaan en de zorg voor hunne dagelijksche behoeften niet meer hunnen geheelen tijd in beslag nam.

Ten gevolge van gelukkige omstandigheden, van een zachter klimaat, te midden der nieuwe vruchten van eene vruchtbaarder aarde in eene periode van voorspoed en rust, is de stof eindelijk voor den geest geweken. De mensch, die voor het eerst den kop van eenen mammouth of een hert geteekend heeft op eenen gepolijsten horen, de mensch, die het eerst eenen ruiker van wilde bloemen voor zijne beminde heeft bijeengebracht, die voor het eerst een lied gezongen heeft of het eerst de snaren tokkelde, de eerste kunstenaar, de eerste denker voelde op dat oogenblik noch honger, noch koude. De denkende menschheid kon alleen ontwaken onder de zachte temperatuur van eene vruchtbare streek, die evenzeer afgelegen was van het poolijs als van de verscheurende dieren der tropen. Alleen de zóó bevoorrechte mensch kon het tijdperk van den vooruitgang openen. De overige menschen, die niet zoozeer begunstigd waren wat hunne woonplaats betrof, en die onophoudelijk moesten strijden om te leven en zich te verdedigen, konden slechts weinig vooruitgaan. Doch eerst onder het tooverachtige licht eener getemperde zon, te midden der bosschen, waarin de vogels hun lied kweelden, en bij de welriekende bloemen, waarop de insecten fladderden, kon het gevoel zijne plaats veroveren en de ruwe stof overmeesteren.

Misschien wel is het niet aan den man, maar aan de vrouw toe te schrijven, dat de mensch zich heeft afgescheiden van de apen, dat zijne schoonheid is toegenomen, dat zijn smaak zich heeft ontwikkeld, dat hij den drang naar verbetering gevoelde. De man, door zijne kracht de meerdere, en, die voor het welzijn der zijnen moet zorgen, de beschermer en verdediger, moet daaraan al zijne krachten wijden. Van den morgen tot den avond, dag en nacht, moet hij waken en zorgen voor plantaardig of dierlijk voedsel; hij is het, die den tocht leidt, als het geldt vruchten te plukken, of die de prooi bespringt; als het noodig is, dieren te bemachtigen. Bij de apen, evenals bij alle hoogere dieren, behoeft de vrouw zich hiermede niet bezig te houden. Haar eenige taak is, den man en de kinderen te verzorgen. Zij heeft dus al den tijd, om na te denken. Zij blijft te huis, en hoe weinig ontwikkeld hare hersenen ook zijn, zij zijn werkzaam. Waaraan denkt zij?

Haar gevoel is ontwikkelder dan dat van den man. Zij is moeder. Reeds van hunne geboorte af doen de jongen haar lijden. Zij voedt ze met hare melk. Zij bemint ze. Dat is hare roeping. In die richting hebben zich steeds hare hersenen ontwikkeld. Zij is voor het gevoel geschapen, het gevoel doet haar leven. Dat is hare voornaamste eigenschap.

Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.
Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.

Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.

UIL.

Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.
Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.

Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.

BOK.

Bemint de moeder hare kinderen, zij verlangt ook liefde van hen, zij beschermt ze teeder, en bij het minste gevaar vluchten zij in hare armen. Van haar ontvangen zij de eerste lessen, en aan haar geven zij hunne eerste kussen. Indien de vrouw haren man bemint, zij verlangt ook wederliefde, want het komt haar onmogelijk voor te beminnen, zonder bemind te worden. Wij vroegen zooeven, waaraan zij denkt. Het antwoord is: te behagen en te bekoren.

Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.
Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.

Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.

PAPEGAAI.

Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.
Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.

Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.

KAT.

De man daarentegen kan aan een aantal andere zaken denken; hij kan eerzuchtig zijn, rijkdommen najagen, zich in den oorlog of op de jacht begeven, zich aan spel of wijn overgeven, zich bezighouden met ernstige studies enz. Zijne hersenen zijn eveneens in eene bepaalde richting ontwikkeld. Evenals in den tijd zijner aapachtige voorouders is het zijn eerste plicht, te zorgen voor de behoeften van zijn gezin, en hij gevoelt, zoo dikwijls hij daarin te kort schiet, dat hij de wetten der natuur overtreedt. Ook hij heeft behoefte aan liefde. Maar zijn geheele leven is niet uitsluitend daaraan gewijd.

Geschapen om te beminnen en om bemind te worden, moet de vrouw behagen, schoon zijn en bekoren. Dit is van oudsher hare roeping geweest en haar voortdurend streven. Zoodra hare hersenen voldoende ontwikkeld waren, om dat denkbeeld te bevatten, hebben zich hare hersencellen in die richting ontwikkeld. Van nu af aan begint hare heerschappij; want inderdaad heerscht zij over den man, en sedert minstens honderdduizend jaren arbeidt zij in die richting. De man heeft zijne krachten verdeeld; hij heeft de wetenschappen, de staatkunde en de krijgskunde, de wetten, de scholen, de kunsten, de industrie uitgevonden; de vrouw heeft slechts éénen, alles overheerschenden hartstocht; bemind te worden en door de liefde te heerschen. Dit is haar gelukt. De man is aan hare voeten. De vrouw heeft den gang der natuur veranderd; immers bij de dieren is de man het schoonst, het meest getooid, en diegene, die door zijne uiterlijke gaven het meest schittert. Vergelijk den haan met de hen, den pauw of den fazant, de mannelijke vogels, insecten, viervoetige dieren, zoogdieren, met hunne wijfjes, vergelijk den leeuw met de leeuwin, den tijger met de tijgerin, overal is de man schooner dan de vrouw. Dit was evenzoo het geval tijdens den oorsprong der menschheid (bij de wilden zijn de mannen met de meeste zorg getatouëerd, zij hebben de meeste sieraden in de ooren, den neus, de armen, de enkels.)

De oogen der vrouw zijn zachter en bekoorlijker geworden, hare armen hebben bevalliger ronding gekregen, hare huid is zachter, haar gelaat edeler, haar hoofdhaar zachter en langer, hare handen en voeten kleiner geworden, haar lichaam heeft sierlijker vormen aangenomen. De man, bekoord door die nieuwe schoonheden, heeft steeds de schoonste en verleidelijkste vrouwen gekozen, van deze zijn een grooter aantal moeder geworden dan van de minder door de natuur begunstigde vrouwen, zoodat langzamerhand het vrouwelijk schoon is toegenomen. Bij den mensch is het de man, die kiest, en daarin is de voornaamste oorzaak gelegen van den vooruitgang in de schoonheid der vrouw, en als gevolg daarvan in de schoonheid van het menschdom. Bij de dieren zijn het de mannen, die zich beijveren, om de vrouwen te bekoren, daar zijn het de krachtigste en de schoonste mannelijke wezens, die de soort instandhouden. Bij de apen en bij de wilde volksstammen is hetzelfde het geval. Bij den hooger ontwikkelden mensch is het de vrouw, die steeds voor hare schoonheid gezorgd heeft.

Die taak der vrouw brengt als gevolg eenen alles overheerschenden hartstocht mede, den minnenijd. De begeerte, de behoefte, om te heerschen en te schitteren is een factor, die gunstig werkt op den vooruitgang en de veredeling der soort. De vrouw wil schoon zijn, wil eenen schoonen echtgenoot bezitten, wil schoone kinderen hebben. Zij moge zich daarvan al of niet rekenschap geven, dit is hare geheime begeerte. Indien zij fortuin wenscht, of verlangt dat haar echtgenoot eenen hoogen rang in de maatschappij inneemt, dan is het voornamelijk om te schitteren. De man is op zijne beurt gedwongen haar in hare sierlijkheid te volgen, de scherpe hoeken af te ronden, voor zijn uiterlijk zorg te dragen, zijnen geest te beschaven, en te zorgen, dat hij zonder het hooge standpunt te verlaten, dat hij door zijne kracht en het gebruik zijner rede inneemt, het uiterlijk schoon niet te veel uit het oog verliest. Vandaar verzachting der zeden, de verbetering van de taal, het ontstaan der schoone kunsten. Zonder den invloed der vrouw zouden muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst en bouwkunde, en bovenal de dichtkunst, in één woord alle menschelijke werken, die op gevoel en smaak berusten, niet tot ontwikkeling gekomen zijn. Een voortdurende wedijver heeft den man voorwaarts gedreven, en zijne geestesgaven zijn daardoor op heerlijke wijze en vooral harmonisch ontwikkeld.

Bij die uitwendige gaven, die de vrouw langzamerhand verworven heeft, hebben zich tevens uit het gevoel van liefde een aantal inwendige gaven ontwikkeld. De vrouw is teeder geworden, vol toewijding voor alles wat lijdt, en hare behoefte om lief te hebben stelt haar in staat zich geheel te wijden aan het welzijn der menschheid. Zij dorst naar het hoogere, en indien zij niet in de liefde of in het moederschap voldoening vindt voor hare aspiraties, dan weet zij zich die voldoening op andere wijze te verschaffen.

Wij moeten dus erkennen, dat de vrouw eene groote rol gespeeld heeft bij de moreele en lichamelijke ontwikkeling van den mensch. Indien wij geene apen meer zijn, dan hebben wij dat grootendeels aan de vrouw te danken.

De scheiding der geslachten heeft dus eenen gelukkigen invloed uitgeoefend op den vooruitgang. Indien de voortplanting der wezens had blijven plaats vinden door knopvorming of deeling, zooals dat millioenen jaren het geval geweest is bij de lagere wezens, dan zouden er geene geslachten op de aarde zijn en zouden de wezens geheel verschillend zijn, van wat zij thans zijn. Zij zouden zeker niet zoo vooruitgegaan zijn als thans het geval is. Er zou geen liefde geweest zijn, en de liefde heeft immers alles verfraaid, verheven, veredeld.

Terwijl de kunstzin der vrouw werkzaam was ten voordeele der schoonheid, der sierlijkheid, van den goeden smaak, de opvoeding der kinderen, en den moreelen vooruitgang in het gezin, maakte de man zijne gaven dienstbaar aan de maatschappij; hij verbeterde de werktuigen, die noodig waren voor het levensonderhoud; hij vond de steenen werktuigen uit, die eerst grof gehouwen waren, zooals hamers, bijlen, messen, lans- of pijlspitsen, schrappers, om de gevilde huiden te bewerken, naalden van beenderen of horen, daarna werden die werktuigen verbeterd in het tijdperk van den gepolijsten steen, men had het middel gevonden, om vuur te maken door droog hout te wrijven in een gat in een’ steen geboord; later maakte men bronzen en ijzeren werktuigen. De eerste werktuigen waren echter, zooals men bij een aantal van die gevonden voorwerpen zien kan, bijzonder ruw. Doch geleidelijk ontwikkelde zich in de menschelijke hersenen het vermogen om uitvindingen te doen. Toen men enkele nuttige planten had zien ontkiemen, vond men den ploeg, het zaaien en het maaien uit; doch langen tijd moest men zich tevreden stellen met wat men vond, vóórdat men voor de toekomst kon zorgen. Een boomstronk was langen tijd de eerste tafel, en eeuwen lang dronk men het water uit de hand, vóórdat men houten of aarden drinknappen en lepels had uitgevonden. Langen tijd bestonden de woningen eenvoudig uit doode bladeren, boomtakken en holen. De vischvangst begon met het vangen van schelpen, vooral van oesters, waarvan men de schelpen terugvindt in de oorspronkelijke verblijven van den mensch. De eerste schepen waren holle boomstammen. Enkele dieren, de olifant, het rendier, het paard, het rund, waren getemd en voor huiselijk gebruik dienstig gemaakt. Bij al die werkzaamheden, die tot doel hadden het materieele leven minder moeilijk te maken, ziet men nog slechts weinig afgetrokken begrippen. Het denkvermogen ontwikkelt zich uiterst langzaam. Men telt misschien reeds op de vingers tot vijf of tot tien, maar verder brengt men het nog niet. De mensch is nog wild en barbaarsch, men doodt elkander om iedere kleinigheid (de wapenen zijn onder de oorspronkelijke gereedschappen reeds zeer verschillend). Men spreekt nog alleen met tuschenwerpsels en éénlettergrepige woorden. Men vindt de sporen daarvan nog terug in de talen, door de oudste rassen gesproken. Daarop zijn de talen met uitgangen, en daarna die met buigingsvormen ontstaan. De taal is wel de grootste schrede van de anthropomorphe apen tot den mensch; maar men vergete niet, dat de taal niet zoozeer in de stem gelegen is, als wel in het vermogen zijne denkbeelden uit te drukken. De meeste dieren hebben dat vermogen; de honden kunnen zich aan ons verstaanbaar maken; de taal der mieren door middel van hare voelers, schijnt tamelijk rijk te zijn. Later heeft zich de taal ontwikkeld en verrijkt naast de ontwikkeling der denkbeelden, en is zij ook zelf aan die ontwikkeling dienstbaar geworden. De geschreven taal is veel jonger. Zij is evenals de geschiedenis hoogstens zes- of zevenduizend jaren oud.

Zoo was de praehistorische mensch. Verdient hij reeds den naam van mensch? Ongetwijfeld, en aan hem zijn wij verplicht, wat wij geworden zijn. Doch hoever staat hij nog af van het wezen, dat voor ons het type der menschheid is, den denkenden mensch! Hoever staat hij nog af van de Egyptenaren der eerste dynastiën, van Mozes en de profeten, van de Grieken uit den tijd van Homerus, Herodes, Thales en Archimedes! De historische mensch is niet ouder dan vijftig eeuwen—Hoang-Ti in China, Abraham in Mesopotamië, de Hindoe’s van de Zend-Avesta—misschien 60 of 65 eeuwen, het tijdperk der Egyptenaren van de vijfde dynastie. Wat waren wij Europeanen, toen die oude beschaving reeds in de Nijlvallei bloeide, toen een godsdienstig en denkend menschenras reeds eene geschreven taal en geschiedenis bezaten! Onze voorouders leefden nog in de steenperiode, en leefden in de bosschen, aan de oevers der groote stroomen, te zamen met den holenbeer, den rhinoceros, den olifant, het nijlpaard, zonder zich nog bezig te houden met de groote raadsels van het leven of de nietige vraagstukken der diplomatie.

Men kan den tijd van het verschijnen van den mensch niet nauwkeurig bepalen, daar dat verschijnen niet plotseling heeft plaats gegrepen en de mensch eerst trapsgewijze ontstaan is. Evenmin kan men nauwkeurig de plaats bepalen, waar hij voor het eerst is opgetreden. Toch heeft men reden te onderstellen, dat de oorspronkelijke mensch, die reeds een spoor van eene taal bezat, die reeds in groepen vereenigd leefde, en die reeds steenen gereedschappen kon vervaardigen, en op horen teekenen kon, meer dan honderdduizend jaren oud is, en in Azië, in de nabijheid der Perzische golf leefde, van waar hij zich over de aarde verspreid heeft.

De geestelijke karaktertrek, die den mensch kenmerkt, is zijn vermogen om afgetrokken begrippen te vormen. Neem dat vermogen weg, en de mensch valt weder in den dierlijken toestand terug. Doch dat vermogen is nog betrekkelijk jong, en wij kunnen de verschillende phrasen van de ontwikkeling van dat vermogen volgen. De wiskunde wordt b.v. terecht beschouwd als de schoonste openbaring van den menschelijken geest, vooral in hare toepassing op de diepzinnigste vraagstukken der sterrenkunde; het is niet moeilijk hare ontwikkeling na te gaan. Men is begonnen met het gewone tellen tot tien, op de vingers der hand: dit is de oorsprong van het tientallig stelsel. Voor lengtematen heeft men den voet, den elleboog, de schrede genomen, voor dieptemetingen den vadem; al die afmetingen zijn aan het menschelijke lichaam ontleend. In het wigvormig schrift der Chaldeën worden de getallen eenvoudig voorgesteld door gaten. Bij de Grieken zijn de cijfers niets anders dan de letters van het alphabet met een accent er boven: α′ = 1, β′ = 2, enz. tot 20; grootere getallen worden voorgesteld door verbindingen van letters. De meetkunde is begonnen met landmeetkunde en bouwkunde. De eigenlijke wiskunde dagteekent waarschijnlijk eerst van Thales en Pythogoras, in de zesde eeuw vóór Christus, als uitbreiding der rekenkunde en meetkunde van de Egyptenaren. De meetkunde, als wetenschap, als verzameling van onwederlegbare stellingen, dagteekent eerst van Euclides en Archimedes; de kennis der kegelsneden dagteekent eerst van Apollonius, de algebra is begonnen met Diophantes, de sterrenkunde met Hipparchus en Ptolemaeus, de kennis van den bouw van het zonnestelsel met Copernicus, de kennis van de beweging der hemellichamen met Kepler, en van de wetten dier beweging met Newton; de natuurkundige sterrenkunde is door Galileï gegrondvest door de uitvinding van den verrekijker, de toepassing van de algebra op de meetkunde door Descartes, de logarithmen door Neper, de differentiaal-rekening door Leibnitz, de integraal-rekening door Euler en Bernouilli; de toepassing dier wetenschappen op de sterrenkunde is de vrucht van de studie van Lambert, d’Alembert, Lagrange, Laplace, Gauss en anderen. Dat alles dagteekent eerst van gisteren. Zoo ziet men, hoe men stap voor stap de ontwikkeling van den menschelijken geest volgen kan. Wat wij zooeven gezegd hebben van de wis- en sterrenkunde, geldt evenzeer voor de natuurkunde, de scheikunde, in één woord, voor alle kunsten en wetenschappen, voor alle werken des geestes. Wel is niet altijd de vooruitgang even duidelijk, wel is, zooals b.v. bij de beeldhouwkunst en de schilderkunst, somtijds in tweeduizend jaren geene ontwikkeling te bespeuren; doch men vergete niet, dat tweeduizend jaren slechts een dag zijn in de geschiedenis der aarde. Voor hem, die tot den oorsprong weet op te klimmen, en die zich niet door vooroordeelen laat leiden, is het duidelijk, hoe alles, wat thans den mensen zijne groote waarde geeft, geleidelijk in den loop der eeuwen door voortdurende inspanning verworven is. Zelfs in de nieuwste wetenschappen, in de nieuwste ontdekkingen, in de scherpzinnigste toepassingen, schept de grootste reuzengeest niets nieuws: hij maakt gebruik van de gegevens, hem door de wetenschap verschaft, om haar een stap verder te brengen. Dat is steeds de gang der ontwikkeling geweest.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings