← Table of contents
De Wereld vóór de schepping van den mensch

De Juraperiode.

Reading edition

Het Rijk der Reuzenhagedissen.

Wij zijn thans genaderd tot de merkwaardigste van alle perioden, die het optreden van den mensch op aarde zijn voorafgegaan. Eene onmetelijke zee strekt zich nog over het grootste gedeelte van Europa en Azië uit, en over groote uitgestrektheden van Afrika en de beide deelen van Amerika, die thans honderden en duizenden meters boven de oppervlakte van den Oceaan gelegen zijn. In die zeeën leven reusachtige en vreemdsoortige dieren, waarvan thans geen enkele afstammeling meer over is. Hoewel de planeet veel meer tot den tegenwoordigen toestand genaderd is dan in de primaire periode, schijnt zij in menig opzicht meer van den tegenwoordigen toestand te verschillen, omdat het leven op de planeet eene vertakking ondergaat, die volstrekt niet doet vermoeden, wat zij in de tertiaire en quaternaire periode worden zal. Een bewoner van Mars of van de maan, die onze aarde zoude bezocht hebben ten tijde van de kruipende dieren van het Juratijdperk, zou niet tot het vermoeden komen, dat eens de dag zal aanbreken, waarop de bodem der zee, na gerezen te zijn, de verblijfplaats zoude worden der groote steden, zooals New-York, Londen, Parijs of Weenen. In de zeeën zwemt de logge ichthyosaurus met zijne ontzaglijke oogen en vreeselijke kaken; de plesiosaurus met zijnen langen hals, die met zijne lange pooten zwom, in de diepte der zee onderdook en dadelijk weer op de oppervlakte verscheen; de teleosaurus, monsterkrokodil van tien meters lengte, wiens gespleten muil, die eene wijdte had van twee meters, dieren kon verzwelgen zoo groot als ossen; de hyleosaurus, met zijn gepantserd schild, die de oevers onveilig maakte; terwijl op de eilanden, die uit het water verrezen waren, aan den voet der heuvels, aan den oever der zeeën, in stroomen en meren, in de met varens, cycadeën, araucaria’s en verschillende naaldboomen versierde bosschen, de ontelbare soorten van dinosauriërs leefden, die in de secundaire periode de zoogdieren der tertiaire periode voorafgingen: atlantosauren, reusachtige grasetende viervoetige dieren van 30 meters lengte; brontosauren, sauropoden van 15 tot 20 meters; dicloniën, tweevoetige kruipende dieren van 12 tot 15 meters lengte; stegosauren, tweevoetige dieren van 10 meters; iguanodons, tweevoetige dieren met de klauwen van eenen vogel, en de vleeschetende theropoden: de megalosauren, ceratosauren, labrosauren, amphisauriden, compsognathen enz., kruipende dieren van elke grootte en gedaante, waarvan enkele half krokodil en half vogel waren, en die van het land en de zee, de oevers en de bosschen eene fantastische wereld moesten maken, waarvan wij ons thans geen denkbeeld meer kunnen vormen. En daarboven dan nog de ontzaglijke pterodactylen met vliezige vleugels, die door de lucht sprongen en zich op de oevers neerwierpen te midden der woeste kreten dier geheele bevolking, en de ontelbare tandvogels, die met ontzaglijke snelheid de ruimte doorkliefden om zich op hunne prooi te werpen ... en wij hebben een zwak beeld van het schouwspel, dat onze planeet moet hebben aangeboden in die lang vervlogen eeuwen.

Fig. 212. Tooneel uit de Juraperiode. Ichthyosaurus, plesiosaurus, pterodactylus.
Fig. 212. Tooneel uit de Juraperiode. Ichthyosaurus, plesiosaurus, pterodactylus.

Fig. 212. Tooneel uit de Juraperiode. Ichthyosaurus, plesiosaurus, pterodactylus.

Terecht wordt die periode het tijdperk der kruipende dieren genoemd. En toch, hoever zijn die wezens niet in vorm en gewoonten verwijderd van de kruipende dieren van onzen tijd! Die dieren kropen niet. Het waren geen slangen of adders; het waren veeleer reusachtige hagedissen, waarvan sommige op vier pooten, andere bij voorkeur op hunne achterpooten liepen en den vertikalen stand aannamen, en dat wel hagedissen van 10, 15, 20, 30 meters lengte! Die kruipende dieren met hunne ontzaglijke ledematen waren de voorouders van de krokodillen en de hagedissen der tertiaire periode. De pooten zijn langzamerhand verdwenen.—Ook de vogels hadden de kruipende dieren tot voorouders.

Die zoo rijke Juraperiode heeft zich over een zeer groot tijdvak uitgestrekt. Onmiddellijk na de laatste triaslagen heeft zich eerst zandsteen afgezet, daarna mergel met koolzure kalk vermengd. Men vindt daarin vele fossielen, vooral schelpen, ammonieten enz. Die eerste lagen heeten lias of zwarte Jura. Daarboven hebben zich lagen van eenen anderen aard afgezet, voornamelijk fijnkorrelig kalksteen, dat doet denken aan eene verzameling visscheneieren. Daarom heet die kalksteen ook wel: oölithisch (ᾠόν, ei en λίθος, steen). De formatie der Juraperiode kan dus in twee hoofdafdeelingen verdeeld worden, de lias en de oölithische formatie. Ieder dier hoofdverdeelingen kan weder onderverdeeld worden, want er zijn een groot aantal lagen, die uit een mineralogisch oogpunt en uit het oogpunt van fossielen onderling zeer verschillen. De voornaamste zijn:

Voornaamste verdeelingen der Juraperiode.

I. Liasformatie.

Zandsteen der Infraliasformatie Rhetische laag. (Rhetische Alpen) Zwarte Jura.

Onderste liasformatie Sinemurische laag. (Semur)

Middelste liasformatie Charmouthische laag. (Charmouth)

Bovenste liasformatie Toarcische laag. (Thouarsi)

II. Oölithische formatie.

Onderste oölitihische formatie Bathonische (Bath) en Bajocische laag (Bayeux) Bruine Jura.

Middelste oölitihische formatie 1. Oxfordlaag

2. Corallische (koralen), sequanische (Seine), kimmeridische laag Witte Jura.

Bovenste oölitihische formatie Portland en Purbecklaag

Er zijn nog wel andere verdeelingen; maar wij moeten alles vermijden, wat de zaak ingewikkelder maakt. Alleen merken wij op, dat de lagen hoe langer zoo helderder worden, geleidelijk van donker naar wit overgaan, naarmate wij de krijtformatie naderen, die zooals wij zagen, op de Juraformatie ligt. Vandaar ook de namen: zwarte, bruine en witte Jura.

De verschillende lagen verschillen naar gelang der plaatsen zeer in dikte. Zoo is b.v. in het departement der Haute-Marne, dat in de krijtperiode uit het water is verrezen, de infralias-zandsteenlaag zeer dun, de onderste liaslaag 5 meters dik, de lias 91 meters, en de bovenste lias 53 meters; de onderste oölitische formatie is op de bergvlakte van Langres en in Bourgogne 30 meters dik, de oxfordlaag slechts 5 of 6 meters, de mergel-oölithische laag 70 meters; de koraallaag, (die dikwijls onder de sequanische laag vermengd is) is daar uiterst dun, de portlandlaag somtijds 80 tot 150 meters. Daarentegen vindt men de infraliaslaag in Lotharingen 12 meters, te Kédange 24 meters, in Luxemburg 60, in Scanië 700 meters dik; de onderste lias is in Yorkshire 160 meters dik; de lias of zwarte Jura van Wurtemberg is 100 meters dik, de onderste oölithische laag is in de omstreken van Bath 60 meters dik, het klei van Kimmeridge in Lincolnshire is in twee lagen 350 meters dik.

In het begin der Juraperiode was een groot gedeelte van Europa onder het water bedolven. Sedert de lang vervlogen tijden der Silurische zee, toen de granietmassa’s van Bretagne, de Vendée en Auvergne te voorschijn traden en eilanden bijna zonder plantengroei vormden, is de zee verscheidene malen teruggegaan en weder teruggekeerd. In de triasperiode strekte zich eene uitgestrekte, in golven uitgesneden binnenzee uit over Frankrijk, Engeland, Spanje en Italië; die zee strekte zich over Lotharingen, zelfs tot in Duitschland uit. In het begin der liasperiode was de zee oostwaarts teruggetrokken, waarbij geheel Frankrijk en een gedeelte van Duitschland droog lag; maar spoedig bedekt zij weder geheel Frankrijk, en laat zij alleen de eilanden der oude formatie droog, zonder dat deze met elkander in verbinding staan, zooals Bretagne, de centrale bergvlakte, de Vogezen en de oorspronkelijke Alpen. Die veranderingen zijn het gevolg van de dalingen en rijzingen der aardschors, die overeenkomen met die, welke nog thans plaats grijpen, en die wij vroeger bestudeerd hebben: langzame, geleidelijke bewegingen, die herhaaldelijk onmerkbaar de gedaante der aarde gewijzigd hebben. Honderdduizenden jaren zijn in de archieven van de jeugd der aarde verborgen.

In die dagen strekte zich de zee uit over Parijs, Tours, Poitiers, Bordeaux, Genève, Bern, Bazel, Nancy, Troyes enz. Zij bedekte het geheele gebied, dat zich uitstrekte van Londen tot Parijs, Brussel, Bordeaux en Marseille.

In het tweede gedeelte der Juraperiode, de oölithische periode, maakt de daling van den bodem plaats voor eene langzame en geleidelijke rijzing. In het midden dier periode ziet men de onder de zee bedolven streken, die de eilanden der oorspronkelijke formatie van elkander scheidden, boven het water uitsteken en de centrale bergvlakte van Frankrijk verbinden met de Vendée en Bretagne en met de Vogezen en België. Op het einde der Juraperiode zijn al die streken, die eertijds onder de wateren bedolven waren, tot zekere hoogte opgeheven.

In Engeland vormen de Juraformaties eene breede strook, die zich over het zuidelijke gedeelte van Groot-Brittannië uitstrekt, van het noordoosten naar het zuidwesten; die strook is het verlengde van die, welke rondom het bekken van Parijs gelegen is. De Jurazee heeft zich dus over dat geheele gedeelte van Engeland evenals over Frankrijk uitgestrekt.

Maar op het einde der Juraperiode was dat gedeelte van Engeland weder uit het water verrezen, zooals de Jura, de bergvlakte van Langres en de geheele gordel, waarvan wij zooeven gesproken hebben. Zelfs waren ook de streken, die thans onder de wateren van het Kanaal bedolven zijn, boven water, en wel voornamelijk de streek tusschen Portland en Boulogne. Frankrijk was toen met Engeland verbonden, en daar waar thans de golven van het Kanaal rollen, strekte zich een vastland uit, met meren bedekt, die aan hunne oevers eenen rijken plantengroei bezaten, waarbij cycadeën, varens, naaldboomen de overhand hadden, en die bewoond waren door groote, grasetende, kruipende dieren, vooral iguanodons, en door buideldieren. Op dat verdwenen land vormde zich de Purbeckformatie, waarvan het eiland Purbeck, op de Engelsche kust, tegenover Cherbourg het type is, zoowel uit een geologisch oogpunt als uit het oogpunt der fossielen.

Terwijl dus het begin der Juraperiode zich kenmerkte door eene daling van den bodem van een gedeelte van Frankrijk en Engeland, had op het einde dier periode het omgekeerde plaats, waardoor een deel van Noordelijk Europa uit de wateren verrees.

Vóór die rijzing, tijdens het bestaan der Jurazee, vond men in Frankrijk en Engeland een groot aantal koralen. De koraalriffen zijn nauw verbonden aan de oölithische formaties. Het kalkrijke zand, dat door den vloed op de kust der koraalriffen wordt geworpen, wordt vast door het water, dat er in doordringt; nu eens kleven de korrels licht aan elkander en kan men er de kalk tusschen herkennen; dan weder is het zand harde kalk geworden, waarbij men echter nog steeds de kleine zandkorrels herkennen kan. Somtijds ook is het zand vermengd met keisteentjes, die afkomstig zijn van het eiland, dat het rif omlijst. Diezelfde formatie vindt men thans nog terug op Ascension en op verscheidene punten der Stille Zuidzee.

De overblijfselen dier koraalriffen vindt men in de Jura over eene dikte van 40 tot 60 meters (in de omstreken van Gray en Besançon), in Yonne, Provence, in de Beneden-Alpen, in de omstreken van Grenoble,—waar zij worden vertegenwoordigd door groote massa’s witte kalksteen, met poliepen vermengd, en hunnen gewonen nasleep van zee-egels en diceraten—in Noorwegen en in Engeland, waar drie koraallagen duidelijk op de oxfordlaag gezien worden, op de kust van Weymouth.

Uit het feit, dat de koralen in de Juraperiode in Frankrijk en Engeland voorkwamen, volgt dat het aequatoriale klimaat zich tot voorbij 55° N.B. uitstrekte, hetgeen niet mogelijk is, als aan de noordpool ijs gevonden wordt. Ook de fossiele plantengroei leidt tot diezelfde gevolgtrekking, daar tropische planten, cycadeën en varens toen tot in Siberië op 71° N.B. voorkwamen. In die periode waren dus de jaargetijden en het klimaat niet scherp onderscheiden.

Hoe moeielijk het ook wezen moge, om nauwkeurig de tijdstippen van het wijken en voorwaartsschrijden der zee vast te stellen, zoo mogen wij toch besluiten, dat Europa in het begin der Juraperiode een archipel was bestaande uit grootere of kleinere eilanden. Ten tijde van de lias was de centrale bergvlakte van Frankrijk van de Vendée ten westen, van de Vogezen en een gedeelte der Alpen in het oosten door de zee gescheiden. Op het einde der Oxfordperiode breidden die eilanden zich uit en hechtten zij zich aan elkander, aan de ééne zijde door de landengte van Poitiers, aan de andere zijde door die van Côte-d’Or. In de koraalperiode hebben de drie bekkens, waarin Frankrijk verdeeld is, dat van Parijs in het noorden, dat van Aquitanië in het zuidwesten, dat der Rhône in het zuidoosten geen directe gemeenschap met elkander, daar de zeestraten van Poitiers en Côte-d’Or afgesloten zijn. Die rijzing, die zoo duidelijk te voorschijn treedt in het westen en noorden van Frankrijk, wordt nog sterker op het einde der Juraperiode. Frankrijk wordt met Engeland verbonden, en op de plaats, waar thans het kanaal is, vindt men een uitgestrekt vastland, waarop de dier- en plantensoorten het karakter vertoonen van te leven in streken, die niet hoog boven de oppervlakte der zee gelegen waren en die telkens door de zee overstroomd werden. Toch vindt men er een aantal zoetwaterplanten en -dieren; de zoetwater- en zeeschelpen wisselen af over eene dikte van 125 meters: de periode is dus van zeer langen duur geweest. Ook in de Jura waren er zoet watermeren.

Wij zagen zooeven, dat de korallische laag in het zuiden van Frankrijk, Provence, Beneden-Alpen, Dauphiné vertegenwoordigd wordt door groote massa’s witte kalk, vol poliepen. De kalk is daar onmiddellijk door krijt bedekt. Hieruit volgt, dat die bodem na de koraalperiode, in de eeuwen, waarop zich de Kimmeridge- en Portlandformaties gevormd hebben, buiten het water uitstak en tot aan de periode der krijtformatie boven water gebleven is.

Op de Juraperiode volgt de krijtperiode. Van het begin dier periode af verandert weder alles in de verdeeling van land en zee. De rijzing van den bodem van Frankrijk, Engeland en het noorden van Europa, die de hoofdtrek der oölithische periode is geweest, houdt op en maakt plaats voor eene beweging in tegengestelden zin. Een groot gedeelte van Noordelijk Europa daalt weder onder water en er zet zich niets af dan alleen daar waar de mikroskopische wezens van den Oceaan hunne krachten beproeven.

Fig. 213. De bodem van het kanaal komt op het einde der Juraperiode boven water. (Buideldieren, cyanodons, vleugelvingerigen, te midden der varens.)
Fig. 213. De bodem van het kanaal komt op het einde der Juraperiode boven water. (Buideldieren, cyanodons, vleugelvingerigen, te midden der varens.)

Fig. 213. De bodem van het kanaal komt op het einde der Juraperiode boven water. (Buideldieren, cyanodons, vleugelvingerigen, te midden der varens.)

Wij beleven eenen tijd van kalmte, waarin de oneindig kleine wezens op den bodem der zee werkten en het krijt vormden, dat tot eene dikte van honderden meters bijna uitsluitend bestaat uit hunne overblijfselen. In Frankrijk bedekte eene uitgestrekte zee den voet der Jura; die zee was aan de ééne zijde verbonden met de Parijsche zee, aan de andere zijde met eene zuidelijke zee, die zich tot aan de tegenwoordige Middellandsche zee uitstrekte. Het zuiden van Frankrijk, dat sedert de koraalperiode boven het water uitstak, is weder gedaald en maakt weder deel uit van eene uitgestrekte watermassa, die zich over het geheele zuiden van Europa uitstrekt. In dien tijd belette de centrale bergvlakte, die geheel boven water uitstak, en die aan de ééne zijde met de Vogezen, aan de andere zijde met de Vendée verbonden was, de gemeenschap tusschen die Middellandsche en de Parijsche zee, die zich tot aan het zuiden van Engeland uitstrekte. Het begin der krijtperiode kenmerkt zich dus door eene groote verandering in de kaart der aarde en door den terugkeer der zee naar streken, die zij reeds lang had verlaten. Die inval der zee schijnt zijn maximum te hebben bereikt in de periode van het witte krijt.

Wel doet ons het onderzoek van den bodem de plaatsen kennen, waar het land de plaats van de zee heeft ingenomen, nadat de bodem der zee gerezen was; maar het is niet zoo eenvoudig, de plaatsen te leeren kennen, die in zee veranderd zijn, daar men nog niet ver genoeg gevorderd is in het onderzoek van den bodem der zee. Wij kunnen dus den toestand van Europa voor eene bepaalde geologische periode niet nauwkeurig bepalen. Al is het immers mogelijk, in kaarten den toestand van Europa te teekenen in de silurische en de Juraperiode, tijdens de krijtformatie of in het midden der tertiaire periode, zoo zoude men tusschen die kaarten nog verscheidene andere moeten teekenen, geheel met de overige verschillend, en die met uitzondering der oorspronkelijke formaties, die boven de zee zijn blijven uitsteken sedert het begin der silurische periode, op een groot aantal plaatsen den gedurigen terugkeer en het verdwijnen der zee zouden moeten aanwijzen.

Indien men toch b.v. de opheffingen der voornaamste bergen beschouwt, zooals de Alpen, de Pyreneën enz., dan ziet men, dat daar verschillende rijzingen en dalingen hebben plaats gegrepen. De oorspronkelijke gesteenten der Alpen, graniet, gneiss en schiefer, dragen geene azoïsche of primaire formaties boven zich: zij waren dus tijdens de laurentische, cambrische, silurische, devonische en steenkoolperiode reeds uit de zee opgerezen. In de Permische periode moeten zij gedaald zijn, want zij dragen eene anthraciet-houdende laag op de kristallijnen lagen. Tijdens de afzetting der Permische formatie vormden de Alpen eene kuststreek, die daalde om bezinksels van dolomiet, gips en andere triasgesteenten op te nemen. Die daling was echter niet algemeen, maar alleen aan enkele plaatsen eigen, en in het begin der Juraperiode neemt men een aantal schommelingen waar, die eindigen in een volkomen inzinken onder de oppervlakte der zee. Vervolgens zetten zich op de verzwolgen Alpen de oölithische formaties af, die volkomen zeevormingen waren, en daarna de formaties der krijtperiode, waarvan alleen de laatste eene neiging vertoonen om in den vorm van eilanden te verrijzen. Om die eilanden, die langen tijd weinig ontwikkeld waren, plaatsen zich de eocene zeeformaties, uit het begin der tertiaire periode. Maar die ketenen blijven stijgen en vormen weldra te midden der eocene zee een vastland, dat door zijne bewegelijkheid aan groote afbrokkelingen is blootgesteld en waarvan de overblijfselen zich ophoopen in de lagen der molasse, die nu eens het karakter draagt eener landformatie, dan weder van eene zeeformatie, en daardoor de veranderlijkheid der kusten duidelijk aantoont.

Nauwelijks is de molasse vast geworden, of de vervorming bereikt haar toppunt en de miocene lagen worden sterk geschud zonder dat de pliocene periode, in het begin waarvan die beweging geschiedt, andere sporen achterlaat dan bezinkingen, door de bergstroomen afgezet en kleine bekkens van bruinkool op korten afstand daarvan gelegen. Men ziet dus, dat de opheffing der Alpen een werk van langen adem is geweest, en dat de verschillende ketenen, waardoor die bergstreek in verschillende deelen verdeeld is, niet uit denzelfden tijd dagteekenen. De binnenste ketenen behooren tot de eocene of misschien wel tot de krijtperiode; die welke daarop volgen, tot de miocene, en die aan den rand tot de pliocene periode. Men wane echter niet, dat er nooit diepe golven ontstaan zijn, waardoor de zee voortdrong tot de inwendige reeds gevormde ketenen. Men vindt daarvoor het bewijs in het voorkomen van muntschelpen of nummulieten in het inwendige der westelijke Alpen. De geschiedenis der Oost-Alpen is niet volkomen dezelfde als die der Zwitsersche Alpen: zij zijn eerst voor goed uit de zee verrezen ten tijde der bovenste krijtformatie, en zij vormden reeds in de oölithische periode eene keten van eilanden, waarop de zee in de cenomanische periode langzamerhand inbreuk maakte. De opheffing der eocene ketenen heeft daar waarschijnlijk eer plaats gegrepen dan in de centrale Alpen. De grenslijn der beide ketenen lag toen evenals thans in de Rijnvallei. Van de silurische tot aan de steenkoolperiode, is de streek, gelegen ten oosten van den Rijn, gedeeltelijk onder water gebleven, terwijl het westen een vastland vormde, bestaande uit oorspronkelijke gesteenten, en dat waarschijnlijk in verbinding stond met de Vogezen, de centrale bergvlakte en het Schwarzwald. Daarna dalen de Oostalpen, en eene rijke triasfauna treedt daar op, terwijl het grootste gedeelte der Westalpen boven water blijft. Op het einde dier periode overstroomt de Rhetische zee Zwitserland, dat hoe langer hoe meer daalt. De voornaamste rijzingen der Westalpen zijn het resultaat van eene rij van geleidelijke bewegingen of schokken, die in de periode der molasse op elkander gevolgd zijn. Die bewegingen, die op de ruggen der eerste Alpenketenen de onderste en middelste lagen dier formatie hebben opgeheven, wierpen langzamerhand de wateren, waarin zich de bovenste lagen vormden, buiten den gordel der bergen, en gaven het aanzijn aan zoetwaterbekkens, waarin zich de bruinkool afzette.

Evenals de Alpen, zijn ook de Pyreneën de vrucht van telkens hernieuwde beroeringen; doch de keten is veel eenvoudiger van bouw dan die der Alpen; zij vertoont slechts ééne enkele massa van oude formaties, die de as der keten vormt, en waarvan de beide hellingen zeer verschillend zijn samengesteld. De helling aan de Fransche zijde is veel steiler, dan die aan de zijde van Spanje; de verplaatsingen zijn er talrijk en ingewikkeld. Aan de Spaansche zijde wijken de bezonken lagen over het algemeen weinig van den horizontalen stand af. De eerste opheffing schijnt te hebben plaats gegrepen vóór de afzetting der steenkoollagen, daarna komt eene doorloopende rij van lagen van de steenkoolafzettignen tot aan de onderste krijtlagen. Hierop schijnt eene nieuwe beweging gevolgd te zijn, waardoor eene verbreking plaats had tusschen het verband der vorige rij en die der volgende lagen, van het krijt tot de eoceenformatie. Op het einde der eocene periode heeft eene beweging plaats, die veel sterker was dan alle vorige, en die aan de Pyreneën haren voornaamsten vorm geeft. Wij zagen, dat de beslissende opheffing der Alpen is voorafgegaan door de vorming van verbazende ophoopingen van molasse, die het bewijs zijn van eenen bodem, die door zijne bewegelijkheid gemakkelijk afgebeten werd; zoo is ook de opheffing der Pyreneën voorafgegaan door de bezinking van kleine steentjes. De nummulietlagen zijn tot op verbazende hoogten gebracht in den keten der Pyreneën, waar zij eene hoogte van 3352 meters bereiken. De voornaamste omwentelingen in de Pyreneën hebben plaats gegrepen tijdens de vorming der eocene formaties.

De beslissende opheffing der Pyreneën heeft dus plaats gegrepen in de eerste eeuwen der tertiaire periode, tegen het einde der eoceenperiode; hetzelfde is het geval geweest bij de Apennijnen. De beslissende opheffing der Alpen daarentegen heeft plaats gegrepen in de laatste eeuwen der tertiaire periode, tegen het einde der miocene periode.

Deze feiten zijn tegenwoordig voldoende vastgesteld. Het kan oppervlakkig moeilijk schijnen aan te nemen, dat men den betrekkelijken ouderdom der bergen kan lezen in de archieven der oorspronkelijke wereld, toch zijn de geologen, en met name Leopold von Buch, Élie de Beaumont en Constant Prevost daarin door hunne uitstekende nasporingen geslaagd. Men zou bij het zien van eenen berg geneigd zijn te meenen, dat zij uit den grond is verrezen door eenen verticalen naar boven gerichten druk, op de wijze der vulkanen. Toch begrijpt men bij eenig nadenken, als men nagaat, dat de aarde bij hare afkoeling moet zijn samengetrokken, dat dit niet kan geschied zijn zonder dat plooien, of inwendige leegten of gewelven moeten zijn ontstaan, of ontwrichtingen der schors moeten hebben plaats gegrepen, die aan de bergen het aanzijn geschonken hebben. Indien men den bouw der bergen onderzoekt, dan ziet men, dat meesttijds in het midden van den berg het oorspronkelijke gesteente te voorschijn treedt uit de scheuren der bezonken lagen, en zoo de toppen vormt. Daar iedere laag, die bezonken is, zich in het water moet hebben afgezet in meer of minder horizontale lagen, zoo kunnen die lagen nooit eenen schuinen stand verkregen hebben dan door eene opheffing, die na hare bezinking heeft plaats gegrepen. De bergketen heeft dus haren vertikalen vorm verkregen nadat de verschillende lagen afgezet zijn, die zij heeft opgetild, doch vóórdat de horizontale lagen zijn gevormd, die men op de zijden van den berg vindt. In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien, dat dit nog in onzen tijd op dezelfde wijze geschiedt. De voornaamste oorzaak van de vorming der bergen is de langzame samentrekking der aarde. Die vorming der bergen is ook de oorzaak van die aardbevingen, die niet door vulkanen ontstaan. Bijna overal is ten gevolge van den weeken toestand van de kern de bodem der planeet in langzame schommeling.

Iedere eeuw wordt de oppervlakte van den bodem op enkele gedeelte opgeheven en op andere neergedrukt; hetzelfde is met de bedding der zee het geval. Door die voortdurende veranderingen en door meteorologische oorzaken, zooals regen, wind, eb en vloed enz. heeft de aardschors telkens nieuwe vormen aangenomen van het oogenblik af, dat hare oppervlakte bewoond is geworden door bewerktuigde wezens en de bedding van den Oceaan is opgeheven tot de hoogte der hoogste bergen. Wel duizelen wij, wanneer wij alle oneffenheden nagaan, die sedert het begin van dat tijdstip in de aardschors zijn ontstaan; doch als men daarbij rekening houdt met den verbazenden tijd, waarin die oneffenheden zijn ontstaan, dan behoeven wij geene plotselinge omwentelingen daarbij aan te nemen. Trouwens het resultaat dier veranderingen is eigenlijk nog onbeduidend, daar de hoogste bergketenen bijna geene wijziging brengen in den regelmatigen vorm van den aardbol. De Gorisankar b.v., die eene hoogte heeft van 8840 meters boven de oppervlakte der zee, moet op eene aardglobe van 1,44 meters middellijn worden voorgesteld door eene zandkorrel van 1 m.m. dikte.

Men kan dus de oneffenheden op de oppervlakte der aarde als uiterst klein beschouwen, en uit een geologisch oogpunt als van tijdelijken aard, zooals b.v. de vorm en de hoogte van den kegel van den Vesuvius tusschen twee uitbarstingen. Hoe gering echter die oneffenheid is in vergelijking der geheele massa, zoo hangt toch de toestand van den dampkring en het klimaat af van de plaats en de richting dier kleine oneffenheden.

Men kan den ouderdom van eene omwenteling nagaan uit den ouderdom der formaties, die daardoor gewijzigd worden. Indien twee lagen onmiddellijk op elkander rusten, zóódanig dat zij beide niet denzelfden hoek met den horizon maken, dan is het duidelijk, dat men daar te doen heeft met twee afzonderlijke opheffingen, waarvan de ééne heeft plaats gehad vóór en de andere na de afzetting der jongste laag. Eene breuk is natuurlijk steeds jonger dan de formatie, die gebroken is, en daarin hebben wij dus reeds eene benaderde bepaling voor den tijd, waarop de omwenteling moet hebben plaats gegrepen. Indien zich eene belangrijke keten van hoogten vormt, dan verandert deze den toestand van het vasteland geheel en al; sommige zeeën worden ver weggeworpen en de kaart der streek wordt dus daardoor geheel gewijzigd.

Men begrijpt uit het voorgaande, hoe moeilijk de taak is, om ons een denkbeeld te maken van den vorm der aarde op verschillende tijdstippen. Wij zullen echter hier niet verder uitweiden over de formaties der tertiaire periode, hoeveel wij ook nog zouden kunnen mededeelen over de rijzingen en dalingen der Pyreneën, Alpen en andere bergketenen, of over de veranderingen in den vorm der zeeën en landen. Wij zullen daarop in het gedeelte, dat over de tertiaire formaties handelt, nog terugkomen. Het was echter voor ons van belang, om ons een juist denkbeeld te vormen van de geografische veranderingen, die in den loop der tijden door die rijzingen en dalingen hebben plaats gegrepen.

Wat onze aandacht het meest trekt in de beschouwing van die vervlogen perioden, is het leven, waardoor zij werden gekenmerkt; geene enkele periode zoude toch kunnen wedijveren met die welke wij thans beschouwen, wat betreft de vreemdsoortigheid der wezens uit dat tijdperk. Nieuwsgierig, doch tevens met huivering, aanschouwen wij de reusachtige kruipende dieren der Juraperiode, en voornamelijk de ichthyosauren (vischhagedissen) en de plesiosauren (zeedraken), die het kenmerk zijn van die dierenwereld.

De kruipende dieren vertegenwoordigen het verledene, eeuwen lang hebben zij als heerschers over de aardoppervlakte geregeerd; men ziet eene lange rij dieren verschijnen, die behooren tot geheel verdwenen vormen, in vergelijking waarmede de thans bestaande kruipende dieren nietige dwergen zijn. Enkele kruipende dieren der secundaire periode kunnen wij begroeten als de reusachtigste van alle bekende landdieren; zij waren grooter dan olifanten en walvisschen; men heeft dijbeenderen gevonden van meer dan twee meters, hetgeen wijst op dieren van eene zóó verbazende kracht, dat het onze verbeelding te boven gaat. Geheele groepen, waarvan niets in de tegenwoordige natuur ons een denkbeeld kan geven, hebben de oceanen, het vaste land of de moerassen bewoond; zij zijn onherroepelijk verdwenen zonder nakomelingen achter te laten; enkele dier groepen staan zóó geheel op zich zelf, dat zij meer verschillen van onze tegenwoordige dieren, dan de slang van den krokodil verschilt; reeds thans kent men honderden soorten van die dieren, die zoo langen tijd op de oppervlakte der aarde de rol van onze zoogdieren hebben vervuld; men vindt er vleeschetende, grasetende, insectenetende en vruchtenetende dieren onder; zij zijn overal te vinden, op het vaste land, in het water en in de lucht. Indien het primaire tijdperk te recht den naam kon dragen van het tijdperk der visschen, dan kan men van de secundaire periode zeggen, dat zij de ontwikkeling der kruipende dieren tot hun maximum heeft bijgewoond.

De vreemde dieren, die als het ware den overgang vormen tusschen de kruipende dieren en de kikvorschen, sterven voor goed uit in de onderste lagen der Juraformatie; de ware kruipende dieren bereiken echter hunne hoogste ontwikkeling; zij worden vertegenwoordigd door alle groote groepen, die wij thans nog hebben, met uitzondering van de slangen, die eerst optreden als de eerste kruipende dieren hunne pooten verloren hebben. Bovendien vindt men dieren van een in onze fauna volkomen onbekend type, die in de krijtperiode weder verdwenen zijn.

Van de kruipende dieren der secundaire periode zijn de ichthyosauren (van ἰχθύς visch en σαῦρος hagedis) reeds het langst bekend; want Scheuchzer spreekt reeds in 1708 van wervels in het lias van Altdorf gevonden. De natuur van deze vreemdsoortige wezens is echter eerst in de eerste helft dezer eeuw bepaald.

De ichthyosauren hadden de wervels van eenen visch, den kop van eene hagedis, den muil van eenen bruinvisch, de tanden van eenen krokodil, het borstbeen van eenen ornithorynchus en de vinnen van eenen walvisch. Men kent een groot aantal verschillende soorten, waarvan enkele van tien tot twaalf meters groot zijn. Men vindt ze in grooten getale in de Juraformatie, vooral in de onderste lagen. Hun kop was lang en puntig, met ontzaglijke oogen voorzien, hunne talrijke tanden waren groot, kegelvormig en puntig; men heeft kaken gevonden met 180 tanden. Zij moeten eenige overeenkomst gehad hebben met onze tegenwoordige walvisschen.

Zelfs onafhankelijk van de grootte van het monster, moeten de oogen, die de grootte hadden van een menschenhoofd, het reeds een schrikwekkend aanzien gegeven hebben. Binnen de oogholte ziet men eenen cirkel, bestaande uit 13 tot 17 beenige platen, die waarschijnlijk tot steun dienden aan het wit van het oog; het licht werd door de opening van den cirkel doorgelaten. Die platen, die men ook vindt in de oogen van verscheidene vogels, bij de schildpadden en de hagedissen, dienen om het doorschijnende hoornvlies naar voren of naar achteren te duwen, ten einde zijne kromming te vermeerderen of te verminderen, en om daardoor het waarnemen van voorwerpen op groote en op kleine afstanden gemakkelijk te maken, d. i. om het dier naar verkiezing bijziend of verziend te maken. Van de oogen af neemt de schedel reusachtige afmetingen aan, het voorhoofd stijgt om van achteren weder af te platten: de beenderen steken in het midden en de beide zijden tot aan het achterhoofd uit, en laten holten open, die de spieren hielden, waarmede het dier de lange onderkaak moest bewegen.

De groote kop had eenen machtigen steun noodig; die rol werd door den hals vervuld, die kort en dik was en waarvan de wervels zich tot binnen in den kop uitstrekten, terwijl de benedenkaak zich vrij vóór en onder deze bewoog. De wervelkolom wordt van den kop tot het midden van den rug dikker. De wervels zijn bijna cirkelvormig, plat en voorzien van uitsnijdingen voor de kraakbeenige banden, waarmede zij onder elkander verbonden zijn.

Bij de tegenwoordige dieren is het aantal der wervels zóózeer bepaald, dat het tot onderscheidingsmiddel der verschillende families dient; bij de voorwereldlijke hagedissen daarentegen is dat aantal niet bepaald, hetgeen wijst op eene onvolkomen ontwikkeling: er had zich nog geen vast type gevormd; de wervelkolom bestaat nu eens uit 110, dan weder uit 120, ja zelfs uit 145 wervels, waarvan 45 dienen voor de inplanting der ribben.

De staart bevat van 80 tot 85 wervels, waarvan de eerste aan weerszijden verlengd zijn, welke verlengstukken echter al kleiner en kleiner worden. Het achtereinde van den staart is rond.

Fig. 214. Versteende kop van eenen ichthyosaurus.
Fig. 214. Versteende kop van eenen ichthyosaurus.

Fig. 214. Versteende kop van eenen ichthyosaurus.

De met zwemvliezen voorziene pooten herinneren aan de vinnen van den walvisch, met dit verschil, dat zij meer vingers bevatten; maar deze bestaan, evenals de hand van den mensen (behalve de duim) uit eene rij leden, die door spieren en kraakbeenige bandspieren aan elkander verbonden zijn. Die pooten schijnen meer gevormd te zijn tot zwemmen dan tot loopen, doch zij kunnen voor beide gediend hebben.

De vier ledematen van den ichthyosaurus waren gepantserd als een ijzeren handschoen, terwijl het overige deel van het lichaam geene wapenrusting ter verdediging bezat.

Het groote aantal en de dubbelholle oppervlakte der wervels doen ons besluiten, dat het monster eene grootte vlugheid bezat, waardoor het, hoewel schijnbaar log, gemakkelijk zijne prooi kon bereiken. Indien de lengte der vier ledematen gering schijnt, dan wijst de bouw der staartwervels en eene vergelijking met die der visschen met lang lichaam er op, dat de staart van den ichthyosaurus voorzien was van breede en krachtige vinnen, die vertikaal stonden, zooals bij al onze visschen, en niet horizontaal zooals bij den walvisch; men begrijpt, dat hij bij eenen zoo gerekten lichaamsbouw met behulp van eenen zoodanigen roeiriem het water met snelheid kon doorklieven. In het Museum te Parijs vindt men eenen ichthyosaurus, waarin zich een kleine volkomen gevormde ichthyosaurus bevindt. Moeder en kind zijn volkomen goed bewaard gebleven. Dit is een onwederlegbaar bewijs voor de stelling, dat die kruipende dieren levende jongen voortbrachten.

Fig. 215. Versteend skelet van eenen ichthyosaurus.
Fig. 215. Versteend skelet van eenen ichthyosaurus.

Fig. 215. Versteend skelet van eenen ichthyosaurus.

Die ichthyosaurus is door den natuuronderzoeker Chaining Pearce gevonden, in de liasformatie van Somersetshire; het fossiele skelet lag op den buik. Door de ééne of andere overstrooming overvallen, was het dier met zand bedekt en toen versteend met al wat het bevatte, met uitzondering van de zachte gedeelten. Toen men de hard geworden klei voorzichtig weggenomen had, had men de geheele buikzijde van het monster bloot gelegd; deze was, evenals het geheele geraamte, volkomen bewaard gebleven.

Doch hoe groot was de verbazing van den natuuronderzoeker, toen hij in de holte van het bekken van den ichthyosaurus, een ander dier van dezelfde soort, doch in het klein, ontdekte, wiens skelet met den kop naar den staart van het moederdier gelegen was!

De ontdekking van eene versteende ongeboren vrucht in het versteende lichaam der moeder was zóó merkwaardig dat men er geen geloof aan wilde hechten, vóórdat men het feit nauwkeurig had onderzocht; er viel echter aan de juistheid niet te twijfelen. Zooals wij zagen, is het groote skelet van beneden naar boven losgemaakt, waardoor reeds het denkbeeld is uitgesloten, als zoude het kleine skelet door aanspoeling daarin gebracht zijn; evenmin is het aan te nemen, dat het groote skelet op het kleine gevallen is, dat reeds in de modder begraven zoude geweest zijn, en dit laatste den stand van eene ongeboren vrucht zoude hebben doen aannemen op het oogenblik der geboorte. De meening, als zoude het kleine dier door het groote verslonden zijn en zoo gekomen zijn voor de opening van het darmkanaal, wordt reeds hierdoor wederlegd, dat het jeugdige dier zóó teer is, dat zijn geraamte in de maag van het groote monster zou moeten verbrijzeld zijn, zelfs nog aannemende, dat de tanden het ongedeerd gelaten hadden. Wij mogen hier opmerken, dat het levendbaren den vischhagedissen eigen is; de haaien baren eveneens levende jongen, evenals verschillende soorten van slangen, de salamanders en enkele andere kruipende dieren.

Fig. 216. Tand van eenen ichthyosaurus.
Fig. 216. Tand van eenen ichthyosaurus.

Fig. 216. Tand van eenen ichthyosaurus.

Fig. 217. Tand van eenen plesiosaurus.
Fig. 217. Tand van eenen plesiosaurus.

Fig. 217. Tand van eenen plesiosaurus.

Opmerkelijk is het, dat men geene ichthyosauren gevonden heeft in de secundaire formaties van de Vereenigde Staten van Amerika. In 1879 vond echter professor Marsh een exemplaar van drie meters lengte, afkomstig uit de Juraformatie van het Rotsgebergte, maar zonder tanden. De wervels, de ribben en de overige deelen van het skelet konden nauwelijks onderscheiden worden van de overeen-komstige deelen van eenen ichthyosaurus, en ook de schedel kwam in velerlei opzicht met dien van den laatsten overeen. En toch waren er geene tanden aanwezig; zelfs werden de tandholten gemist. De geleerde paleontoloog stelt voor, de nieuwe hagedis „Sauranodon” of tandlooze hagedis te noemen.

Hoewel men reeds, zooals wij zagen, sedert 1708 fossiele overblijfselen van ichthyosauren had onderzocht, heeft men ze eerst sedert 1814 bestudeerd; in dat jaar gaf Sir Everard Home zijne eerste onderzoekingen in het licht over de beenderen, die in het lias van Dorset gevonden waren. In 1816 en 1818 werden nieuwe stukken op dezelfde plaats gevonden en in 1819 een geheel skelet. In 1824 gaf Cuvier eene volledige verhandeling over dat merkwaardige wezen in het licht. Na dien tijd heeft men er verscheidene gevonden in verschillende lagen der lias- en Juraformatie, maar nooit meer na het midden der krijtperiode. Men onderscheidt vier soorten: den ichthyosaurus communis, den grootsten van alle (12 meters), met gegroefde en kegelvormige tanden; den ichthyosaurus platyodon, bij welken de tanden ingedrukt zijn; den ichthyosaurus tenuirostris, met eenen langen, dunnen muil; en den ichthyosaurus intermedius, die op de eerste soort gelijkt, maar scherpere en dieper gegroefde tanden heeft.

Fig. 218. Kleine ichthyosaurus, in fossielen staat in de moederschoot bewaard gebleven.
Fig. 218. Kleine ichthyosaurus, in fossielen staat in de moederschoot bewaard gebleven.

Fig. 218. Kleine ichthyosaurus, in fossielen staat in de moederschoot bewaard gebleven.

Nog vreemder en dikwijls nog reusachtiger dan de ichthyosauren, waren de plesiosauren, hunne tijdgenooten in de periode, waarvan wij thans de geschiedenis schrijven. Hun vorm is bijzonder vreemd; men stelle zich eenen walvisch voor, wiens romp eindigt in eenen hals, die op het lichaam van eene slang gelijkt, en waarop een kop rust, die merkwaardig klein is in vergelijking met de grootte van het dier; ziedaar den plesiosaurus, die in enkele opzichten gelijkt op eenen krokodil, in andere opzichten op eene hagedis, eene schildpad en eenen walvisch, met bijzondere karaktertrekken, hem alleen eigen. Enkele dikke en korte soorten gelijken weder op ichthyosauren. De plesiosauren moeten een ontzaglijk groot lichaam gehad hebben: hunne tanden zijn meer dan een meter lang, en enkele dijbeenderen zijn grooter dan een mensch van middelmatige lengte! Niet minder geducht waren de cetiosauren; hun dijbeen was meer dan 1½ meter lang, en de dieren moeten dus eene lengte gehad hebben van 18 meters. Onze tegenwoordige kruipende dieren zijn dwergen in vergelijking met de dieren dier oude tijden!

Die koningen der Jurazeeën bewoonden de groote zeeën, hunne ledematen, vier in getal, en afgeplat als roeiriemen, waren als het ware voor het zwemmen geschapen; hun dikke ineengedrongen staart diende hun tot roer. Daar zij in de lucht ademden, zwommen zij niet in de diepte, maar aan de oppervlakte van het water, evenals de zwaan en de watervogels. Terwijl zij hunnen langen en buigzamen hals naar achteren bogen, schoten zij van tijd tot tijd met hunnen sterken en met scherpe tanden gewapenden bek vooruit, om de visschen te grijpen. Waarschijnlijk brachten zij levende jongen ter wereld, evenals de ichthyosauren; zij leefden van de levende prooi, die zij met hunne talrijke en scherpe tanden konden grijpen.

De eerste plesiosauren zijn ook in het lias van Engeland gevonden. In 1821 gaven Conybeare en De la Bêche de eerste beschrijving van die dieren. Een volkomen skelet werd in 1824 ontdekt. Zij leefden, evenals de ichthyosauren, in de lias- en Juraperiode, tot aan het midden der krijtperiode: zij komen voor in de oude zeeën van Europa, en in die van Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië. Men kent reeds 73 verschillende soorten, waarvan 24 in de krijtformatie. De bovenste helft der Juraformaties in Frankrijk heeft 14 soorten geleverd, die voor het meerendeel in de omstreken van Havre en Boulogne gevonden zijn.

In 1839 ontdekte de Engelsche natuuronderzoeker Richard Owen een even groot kruipend dier als den plesiosaurus, waaraan hij den naam van pliosaurus gaf, en die van den vorigen daarin verschilt, dat zijn hals minder gerekt en veel korter is, evenals bij den ichthyosaurus. Toch behoort de pliosaurus tot het type der plesiosauren.

Fig. 219. Skelet van den plesiosaurus.
Fig. 219. Skelet van den plesiosaurus.

Fig. 219. Skelet van den plesiosaurus.

In dienzelfden tijd leerde de Duitsche geleerde Hermann Meyer kruipende dieren kennen, die afkomstig zijn uit de benedenste lagen der secundaire formatie en die in het trias gevonden zijn. Die dieren, bekend onder de namen van nothosauren, pistosauren, simosauren, hebben vele punten van overeenkomst met de plesiosauren. Men ziet hieruit, zooals dit ook blijkt bij de verschillende hondenrassen van onzen tijd, die onderling zóózeer in vorm en grootte verschillen, hoe moeilijk het is, de grens te trekken tusschen soortverschillen en rasverschillen.

Onze lezers zullen zich nog beter dan door de geteekende fossielen rekenschap kunnen geven van het voorkomen der ichthyosauren en plesiosauren, indien zij fig. 212 blz. 370 beschouwen, en vooral bij het bestudeeren van de titelplaat van dit werk: op die plaat zijn de plesiosaurus en de ichthyosaurus geplaatst, vergezeld van niet minder vreemde wezens, die wij thans zullen beschrijven.

De laatste ontdekkingen toch der paleontologie bewijzen, dat de dieren, waarvan wij gesproken hebben, nog niet de vreemdsoortigste wezens zijn van die periode. Wij mogen beweren, dat de vreemdste wezens, die ooit op onze planeet bestaan hebben, de dinosauren der Juraperiode geweest zijn.

Zooals hun naam aanwijst (δεινός, verschrikkelijk), waren het vreeselijke wezens, die de zoogdieren voorafgingen, op het land en in de zee leefden, en eene uitbreiding verkregen, die vergeleken kan worden met die der thans levende zoogdieren. Enkele waren vleeschetende, andere grasetende dieren; zij voedden zich met de planten, die in de diepe wouden groeiden en elkander verscheurden. Van het trias af tot aan het einde der krijtperiode, beheerschten zij de wereld, en waren zij na elkander tijdgenooten van de ichthyosauren, de plesiosauren, de teleosauren, de mosasauren enz. De ontdekkingen van den laatsten tijd stellen ons thans in staat, den weg te vinden in die fossiele overblijfselen, de voornaamste soorten weder op te bouwen, en in die vreemde bevolking der secundaire periode groepen vast te stellen.

Het ligt voor de hand, ze eerst in twee klassen te verdeelen: de grasetende en de vleeschetende dieren. In ieder dier klassen zullen wij de voornaamste soorten opgeven:

Dinosauren.

Grasetende Dieren. I.—Sauropoden (Hagedispootigen). Voornaamste soorten: Atlantosaurus, Brontosaurus.—Diplodocus.—Morosaurus.—Cetiosaurus. II.—Stegosauri (Schildhagedissen). Voornaamste soorten: Stegosaurus communis, Diracodon, Omosaurus.—Scelidosaurus, Hylaeosaurus. III.—Ornithopoden (Vogelpootigen). Voornaamste soorten: Iguanodon, Camptonotus.—Hypsilophodon.—Hadrosaurus.

Vleeschetende Dieren. IV.—Theropoden (Met pooten van vleeschetende dieren). Voornaamste soorten: Megalosaurus, Allosaurus.—Ceratosaurus.—Labrosaurus.—Zanelodon.—Amphisaurus.—Coelurus.—Compsognathes.

Wij zullen van ieder dier afdeelingen een kort denkbeeld geven:

In de eerste serie vinden wij vooreerst de atlantosauren en de brontosauren, reuzen der secundaire fauna. De eerste waren 30, de tweede 16 meters lang. Het waren reusachtige grasetende, viervoetige dieren, de grootste viervoetige dieren, die er ooit bestaan hebben. Fig. 222 geeft eene vergelijking tusschen den atlantosaurus en den olifant. De brontosaurus was een zooltreder en had aan de vier pooten vijf teenen; zijn kop was zeer klein, en wel kleiner dan bij eenig bekend gewerveld dier; zijn hals was lang en buigzaam, zijn romp kort. Waarschijnlijk was het een tweeslachtig dier. De Amerikaansche paleontoloog Marsh heeft zijn skelet weder opgebouwd (fig. 223). Naar alle waarschijnlijkheid was het een traag en dom dier, dat 30000 kilogram woog. Het liep zooals de tegenwoordige beren loopen, en de indruk zijner stappen was bijna een vierkante meter groot.

De diplodocus was 14 meters lang en geleek in ledematen en gang veel op den brontosaurus; de kop was klein, hij leefde in het water, en de tandvorming was onvolkomen, achter in de kaak ontbraken de tanden; het was een grasetend dier. De schedel was klein, zooals bij alle dinosauren.

De cetiosaurus had dijbeenderen van 1,70 meters lengte; de kop en de wervelkolom bedroegen te zamen 12 meters, zoodat het dier 16 tot 17 meters lang was! Hij kon op het vaste land leven, en kon zich in de moerassen of aan de monding der groote rivieren terugtrekken; gewoonlijk leefde hij te midden der varens, der cycadeën en de naaldboomen, en bewoog hij zich in de bosschen, die door insecten en kleine zoogdieren bevolkt waren. Hij behoorde tot de grasetende dieren.

Onder de hagedispootigen vindt men de grootste der landdieren. Ook Sauvage schat de lengte van sommige op vijf-en-dertig meters.

De stegosauren waren tweevoetige kruipende dieren, die eene lengte konden bereiken van 10 meters; de voorste ledematen zijn veel korter en minder stevig dan de achterste ledematen; vijf vingers aan ieder dier ledematen, kleine kop en kleine schedel; een waterdier, dat zich met planten voedde. Het lichaam was door eene wapenrusting beschermd, die uit platen en dorens bestond, waarvan enkele 63 centimeters groot waren.

Onder de vogelpootigen zijn ongetwijfeld de iguanodons de merkwaardigste. Wij komen daarop zoo aanstonds terug. Maar eerst moeten wij ons algemeen overzicht der dinosauren voltooien.

Fig. 220. Versteende macrocephale plesiosaurus.
Fig. 220. Versteende macrocephale plesiosaurus.

Fig. 220. Versteende macrocephale plesiosaurus.

De hypsilophodon had de grootte van eenen grooten hond. Het was een viervoetig dier, een teentreder en met vier vingers aan vóór- en achterpooten. Zijne tanden, die over de geheele kaken verspreid waren, toonen aan, dat het een grasetend dier was. Het miste alle aanvals- of verdedigingswapenen.

De diclonius was omstreeks 15 meters lang; een tweevoetig dier; (de voorste ledematen waren veel korter dan de achterste, zooals bij vele soorten uit dat tijdperk), een teentreder; vier vingers aan de handen en drie aan de pooten. De kop was 1,18 meters lang. Het dier is van boven naar beneden sterk afgeplat en heeft van boven gezien veel overeenkomst in vorm met den ornithorhynchus. De kaken eindigen in eenen gehoornden bek, en bevatten 2072 tanden. Het skelet is ongeveer 11,50 meters lang.

Met den ceratosaurus vangen wij onze bespreking der vleeschetende dinosauren aan. Dat dier was omstreeks zes meters lang. Het was tweevoetig, evenals de stegosauren en de ornithopoden. Zijn kop is omstreeks 60 centimeters lang, de kaken bevatten over hunne geheele uitgestrektheid sterke en snijdende tanden. Evenals de rhinoceros had hij eenen grooten horen op den neus. De megalosaurus was een tweevoetig dier derzelfde afdeeling. Evenals de teratosaurus bewoonde hij de inhammen en moerassen en voedde hij zich met visschen.

De allosaurus, eveneens een teentreder en tweevoetig, had drie teenen en vier vingers. De achterste ledematen, waarop het gewicht van het geheele lichaam rust, eindigen, evenals bij de sauropoden, de stegosauri en de ornithopoden, in kleine hoeven. De voorste ledematen, die dienden, om de prooi vast te houden, zijn van scherpe klauwen voorzien.

De compsognathes was slechts één meter lang. Hij had aan de voorste en achterste ledematen slechts drie vingers; zeer merkwaardig door zijne beteekenis tegenover de vogels. De dinosauren toch zijn verwant met de hagedissen en de krokodillen, en tevens met de vogels. De compsognathes is de dinosaurus, die de meeste overeenkomst heeft met de vogels. Evenals de morosaurus (verwant met den brontosaurus) was hij levend barend.

De compsognathes is in de lithographische steen van Solenhofen, in Beieren, gevonden, en dus iets vóór de Juraperiode; in die fijnkorrelige formatie, gevormd in ondiep en rustig water, zijn de dieren prachtig bewaard gebleven; men vindt daarin visschen, insecten en zelfs volkomen weeke dieren, zooals zeesterren en medusen. „Het Solenhofensche dier is,” zoo zegt Sauvage, „zeer klein, en is belangrijk door de onevenredigheid tusschen de voorste en de achterste ledematen; die laatste toch zijn lang, de andere zeer kort, de voorste wervels zijn van voren bol, van achteren hol; de lange hals eindigt in eenen kop, die veel op dien der vogels gelijkt; de tanden zijn talrijk, de voor- en achterpooten hebben slechts drie vingers, het grootste hielbeen is met het scheenbeen verbonden, zooals men dat bij de vogels ziet. De compsognathes is dus wel een kruipend dier, maar grenst toch aan de vogels; het is één van die dieren, welke in de oudste tijden den overgang vormden tusschen de verschillende groepen, en dus op hunnen gemeenschappelijken oorsprong wijzen.”

Wij zullen thans onze aandacht bepalen tot de iguanodons, die aan de geologen eerst goed bekend zijn sedert de kostbare en belangrijke ontdekking, onlangs in België gedaan. Men heeft daar een aantal van die dinosauren gevonden en opgegraven, die uitstekend bewaard gebleven waren. Wij zullen de uitstekende beschrijving weergeven, die de heer Dollo, de aan het Museum te Brussel verbonden natuuronderzoeker, daarvan gegeven heeft.

Fig. 221. Tand van eene iguanodon.
Fig. 221. Tand van eene iguanodon.

Fig. 221. Tand van eene iguanodon.

De eerste ontdekking van overblijfselen van iguanodons, dagteekent van het jaar 1822. Gideon Mantell, de Engelsche natuuronderzoeker, vond toen in de Wealdformatie van Tilgate Forest (Sussexshire) de eerste tanden van het dier, waaraan men eenige jaren later den naam van Iguanodon gegeven heeft. Die tanden waren zóó merkwaardig, dat zij reeds door hunne zonderlinge gedaante de aandacht van den oppervlakkigsten waarnemer zouden getrokken hebben. Zij konden onmogelijk verward worden met tanden van krokodillen, megalosauren en plesiosauren, de eenige van tanden voorziene kruipende dieren, die men tot nu toe in die formatie gevonden had. Drie jaren later meende dezelfde natuuronderzoeker, dat zij het best vergeleken konden worden met die van eenen leguaan (Iguana, kamhagedis), en die overeenkomst trof hem zoozeer, dat hij het dier den naam gaf van Leguaantandige of Iguanodon. Zoo was dus het geslacht Iguanodon ontdekt uit de beschouwing van eenen tand.

Eerst negen jaren later legde men de hand op eene verzameling beenderen, die tegelijk met tanden van eenen iguanodon gevonden waren. In 1834 werden enkele fossiele stukken te voorschijn gebracht, maar eerst in het jaar 1868 gaf Huxley eene tamelijk volledige beschrijving van het dier.

Tot aan de ontdekking te Bernissart, had men nog geene geheele iguanodons opgegraven. Wel had men nauwkeurige gegevens omtrent de plaats van die hagedis op de ladder der wezens, maar men wist nog niets met zekerheid omtrent zijne grootte, de verhouding der verschillende deelen van het lichaam, zijnen schedel, zijne wervelkolom en zijne voorpooten.

Den 7den Mei 1878 deelde van Beneden, hoogleeraar te Leuven, aan de Belgische academie mede, dat men eene groote menigte beenderen van reusachtige kruipende dieren gevonden had op 322 meters diepte, te Bernissart, een dorpje tusschen Bergen en Doornik, in de nabijheid der Fransche grenzen. De beroemde paleontoloog wees op den slechten toestand, waarin zij bewaard waren gebleven, en durfde dus alleen het vermoeden uitspreken, dat zij tot het geslacht Iguanodon behoorden. Onder die overblijfselen bevonden zich tevens andere, vooral van schildpadden, krokodillen, visschen en een aantal planten. Het te voorschijn brengen van beenderen ging met talrijke moeilijkheden gepaard: de uitvoering was kostbaar en vereischte veel zorg, terwijl het resultaat onzeker bleef.

Eerst zag men, dat de voorloopige gang, die men gegraven had, door eenen iganuodon heenging, van den kop tot het bekken, zoodat alleen de achterste ledematen en de lange staart van het dier ongeschonden waren gebleven. Doch de uitgravingen, die men ondernomen had om de fossielen te voorschijn te brengen, brachten andere sporen aan het licht die gevolgd werden, en weldra werd men overtuigd, dat het dier, dat door de gang doorboord was, niet op zich zelf stond, en dat geheele geraamten konden worden uitgegraven.

Fig. 222. Waarschijnlijke vorm en grootte van eenen atlantosaurus: het grootste dier der schepping (35 meters).
Fig. 222. Waarschijnlijke vorm en grootte van eenen atlantosaurus: het grootste dier der schepping (35 meters).

Fig. 222. Waarschijnlijke vorm en grootte van eenen atlantosaurus: het grootste dier der schepping (35 meters).

In vorm, houding en gang gelijken zij op eene reusachtige kangoeroe. Hun kop is betrekkelijk klein en gelijkt op die der éénhoevige dieren.

Tegelijk met die iguanodons heeft men, zooals wij zagen talrijke overblijfselen van land- en waterschildpadden ontdekt, die dikwijls vier meters lang waren, en honderden zoetwatervisschen.

Het is dus zeker, dat door de kloof te Bernissart water gestroomd heeft, maar daar het bezinksel afwisselt met zwarte klei, zoo mag men besluiten, dat het water periodiek hooger en lager stond. Bij laag water vormde de kloof een moeras: de plantengroei en de fossiele dieren wijzen dit aan. Op den bodem vond men een modderachtig slijk, waarin de overblijfselen van de varens, die de vochtigheid zochten en aan den zoom der moeras groeiden, bedolven waren. De reusachtige iguanodons, die het moeras wilden doortrekken, moeten daarin geheel ingezakt zijn; juist daardoor is hun geheele geraamte duizenden eeuwen bewaard gebleven en bezitten wij ze thans zoo volledig. Men heeft ze gevonden, op de zijde liggend, en min of meer vervormd door de drukking van de stoffen, waaronder zij begraven zijn gebleven.

Die waarneming staat niet geheel op zichzelf. Men heeft uit het pliocene slijk van Dursart (Gard) olifanten opgedolven, die op dezelfde wijze bedolven waren. Niettegenstaande het verbazende tijdsverloop tusschen beide formaties bestaat er eene duidelijk zichtbare betrekking tusschen beider graftomben: kleur en vastheid komen overeen. Doch in Dursart vindt men eikenbladeren, terwijl het in België de varens zijn, die behooren bij eene door het water overstroomde streek.

Men kent tegenwoordig drie soorten van iguanodons: den Iguanodon Prestwichi, den Iguanodon Mantelli en den Iguanodon Bernissartensis.

I. De Iguanodon Bernissartensis is 9,50 meters lang, van den bek tot aan het uiteinde van den staart, en zoo hij op zijne achterpooten stond, hetgeen het geval was als hij liep, was hij 4,36 meters hoog.

De kop is naar verhouding klein en in de breedte samengedrukt. De neusgaten zijn wijd en van voren als het ware afgeschut. De oogholten zijn middelmatig van grootte en in vertikale richting gerekt. Het uiteinde der beide kaken is tandeloos; het dier had waarschijnlijk eenen gehoornden bek. De 92 tanden van den bek wijzen op de leefwijze van plantenetende dieren. Evenals bij de tegenwoordige kruipende dieren, werden de versleten tanden dadelijk door nieuwe vervangen. De hals is tamelijk lang en bevat behalve den proatlas tien wervels, van ribvormige zijstukken voorzien. Hij was uiterst bewegelijk.

De romp bestaat uit 24 wervels, die door pezen stevig verbonden waren. De staart is iets langer dan het overige deel van het lichaam; deze bereikt eene lengte van vijf meters en bevat 51 wervels. Hij is evenals die van den krokodil zijdelings samengedrukt.

De voorste ledematen zijn korter dan de achterste. Zij zijn dik en krachtig, en eindigen in eene hand met vijf vingers. De eerste vinger of duim heeft in plaats van het voorste lid eene groote spoor, die een vreeselijk wapen moet geweest zijn. De tweede, derde en vierde vinger hebben ieder drie leden, waarvan het laatste eenen kleinen horen draagt. De vijfde vinger stond waarschijnlijk evenals bij ons de duim tegenover de overige vingers, zoodat het dier de takken der boomen naar zich toe kon trekken, wier vruchten tot zijne voeding dienden.

Fig. 223. Dieren der Juraperiode: de brontosaurus (1/125 der ware grootte).
Fig. 223. Dieren der Juraperiode: de brontosaurus (1/125 der ware grootte).

Fig. 223. Dieren der Juraperiode: de brontosaurus (1/125 der ware grootte).

De achterste ledematen zijn de grootste en gelijken op de pooten der vogels.

II. De Iguanodon Mantelli onderscheidt zich van den Iguanodon Bernissartensis in de volgende opzichten:

1º. Hij is slechts 5 tot 6 meters, in plaats van 10 meters lang.

2º. Hij heeft slechts 5 wervels aan het heiligbeen, in plaats van zes.

3º. De neusgaten zijn wijder.

III. De Iguanodon Prestwichi onderscheidt zich door vier wervels in het heiligbeen en door het samengestelde der tanden.

Wij kunnen ons de iguanodons voorstellen als tweeslachtige dieren, die zich met planten voedden. Zij beten die af met hunnen gehoornden bek, en vermaalden ze in den achterbek door middel van de 92 tanden, die telkens vernieuwd werden. Het waren waarschijnlijk waterdieren. De omstandigheden, waaronder de dinosauren gevonden zijn, bewijzen, dat die dieren moeten geleefd hebben te midden der moerassen en aan de oevers eener rivier. Nu wij mogen aannemen, dat de iguanodons een groot gedeelte van hun leven in het water doorbrachten, kunnen wij ons, met behulp der waarnemingen op den krokodil en den amblyrhinchus (groote zeehagedis op de Galapagos-eilanden voorkomend) twee wijzen van voortbewegen bij onzen dinosaurus voorstellen.

Als hij langzaam zwom, bediende hij zich van zijne vier ledematen en zijnen staart, wilde hij daarentegen snel vooruitgaan, om zijne vijanden te ontvluchten, dan trok hij zijne voorste ledematen langs het lichaam in, en gebruikte hij alleen den staart. Het is duidelijk, dat hoe korter de voorpooten zijn, zij des te gemakkelijker bij die beweging kunnen geborgen worden, en dus minder weerstand bieden aan de verplaatsing van het dier in het water. Alle in het water levende zoogdieren strekken tot bewijs hiervan. Op het land liepen die dieren alleen met behulp hunner achterste ledematen. Met andere woorden: zij waren tweevoetig, zooals de mensch en een groot aantal vogels, en sprongen niet, zooals de kangoeroes. Zij steunden bovendien niet op den staart, maar lieten dien eenvoudig slepen.

De iguanodons, die plantetende dieren waren, moesten ten prooi verstrekken aan de groote vleeschetende dieren van hunnen tijd. Daar zij nu in de moerassen verblijf hielden, konden zij onder de varens, die hen omgaven, hunne vijanden moeilijk zien aankomen, tenzij zij rechtop stonden. In die houding konden zij bovendien hunnen aanvaller in hunne korte en sterke armen vatten en hem de groote met eenen snijdenden hoorn voorziene sporen hunner handen in het lichaam steken.

Fig. 224. Geraamte van den voornaamsten Iguanodon te Bernissart.
Fig. 224. Geraamte van den voornaamsten Iguanodon te Bernissart.

Fig. 224. Geraamte van den voornaamsten Iguanodon te Bernissart.

Uit dit alles volgt, dat de mosasauri kruipende dieren waren, die uitwendig het voorkomen hadden van dolfijnen, b.v. groote bruinvisschen. Toch kon men ze gemakkelijk daarvan onderkennen: hun lichaam immers is niet naakt, zooals dat der dolfijnen, maar bedekt met kleine beenige platen; zij bezitten twee paar vinnen, terwijl de dolfijnen slechts één paar bezitten; hun staart was zijdelings ingedrukt en niet van boven naar beneden. Bovendien eindigen de neusgaten niet boven den kop, en zijn zij niet tot spuitgaten vervormd.

In 1884 heeft Marsh een nieuw kruipend dier opgebouwd, dat in de Juraformatie gevonden was en dat hij den naam van macelognates gegeven heeft. Het is eene soort van kikvorsch, met tanden achter in de kaken en eenen gehoornden bek. Bij al die verschillende dieren moeten nog de champsosauri gevoegd worden, waarvan men den juisten vorm nog niet volkomen kent. Ook hebben wij tijdens de triasperiode de zonderlinge dicynodonten van Zuid-Afrika leeren kennen (fig. 206 blz. 356). In de krijtperiode zullen wij nog andere terugvinden. De natuuronderzoeker Cotta noemde ze „de hooge adel van het rijk van Neptunus, tot de tanden gewapend en bedekt met een ondoordringbaar pantser, de vrijbuiters der oorspronkelijke zeeën.” Toch zijn die kruipende dieren nog niet de zonderlingste wezens uit dien vreemden tijd, want wij hebben nog niet gesproken van de vliegende reptielen, de pterodactyli, en van de tandvogels, de odontorithen.

Al die wezens schijnen de gaping aan te vullen, die in onzen tijd de meest volkomen kruipende dieren, de krokodillen en de schildpadden, van de lagere zoogdieren, de buideldieren, en de minst tot vliegen geschikte vogels, zooals den struisvogel, den emu en den casuaris scheidt. Zij staan zóóver van de kruipende dieren af, dat men voor hen eene afzonderlijke onderafdeeling zoude moeten maken van denzelfden rang als die der tegenwoordige kruipende dieren; de punten van verschil immers met onze kruipende dieren zijn veel grooter dan die tusschen de schildpadden en de slangen. Wij kennen van de dinosauren alleen het geraamte; indien wij hunnen bouw nauwkeurig kenden, en tevens hunnen bloedsomloop en hunne ontwikkeling, dan zouden wij waarschijnlijk geen oogenblik aarzelen, daarvan eene tusschenklasse te vormen tusschen de zoogdieren en vogels, en de kruipende dieren in engeren zin. Men begint te vermoeden, dat onder die dieren zeer verschillende typen voorkomen, die evenveel van elkander verschillen als bij de zoogdieren de dikhuidigen, de herkauwenden of de vleeschetende dieren.

De grootte en vorm van den schedel verschilt veel bij de verschillende typen. De schedel, die evenals die der krokodillen bij de dinosauren der triasperiode zeer gerekt is, is bij de dieren van den lateren tijd veel ingekort. Bij enkele dieren, zooals bij den hypsilophodon, zijn de beenderen der oogholten met de voorhoofdsbeenderen in verband, evenals bij de zoogdieren en vele vogels. De hersenen komen overeen met die der kruipende dieren en zijn dikwijls bijzonder klein. De tusschenkaaksbeenderen zijn gescheiden; de beide helften van de onderkaak zijn alleen door kraakbeen vereenigd. De samenstelling van den schedel gelijkt dus bij die hagedissen in enkele opzichten op die der krokodillen.

De vorsten der aarde in de Juraperiode. Iguanodon en megalosaurus in een bosch van varens, cycadeën en naaldboomen.
De vorsten der aarde in de Juraperiode. Iguanodon en megalosaurus in een bosch van varens, cycadeën en naaldboomen.

De vorsten der aarde in de Juraperiode. Iguanodon en megalosaurus in een bosch van varens, cycadeën en naaldboomen.

Daar de leefwijze der verschillende dinosauren onderling zeer verschilde, zoo moet er ook eene groote verscheidenheid bestaan hebben in den vorm der tanden. De vleeschetende dieren, zooals de megalosaurus, hadden sterke en scherpe tanden, die aan de randen gekerfd waren. De grasetende dieren, zooals de iguanodon, de vectisaurus, de laosaurus, de hypsilophodon hadden kaken, die van tanden voorzien waren, welke uitstekend geschikt waren om te snijden en te vermalen; die tanden sleten evenals die der tegenwoordige grasetende zoogdieren en werden dadelijk vernieuwd, als zij versleten waren; de onderkaak kon zich evenals bij de tegenwoordige herkauwende dieren horizontaal bewegen, ten einde de tanden in staat te stellen, het voedsel te vermalen; die beweging bestaat niet bij de tegenwoordige kruipende dieren; de grootte der gaten en kanalen, waardoor de zenuwen heengingen, toont aan, dat die dieren weeke lippen hadden. De hadrosauren, grasetende dieren, hadden verscheidene rijen van tanden, die door het afslijten eene malende oppervlakte hadden in den vorm van een dambord. Bij de grasetende dieren, die tot de groep der vogelpootigen gerangschikt zijn, droeg de tusschenkaak geene tanden; hetzelfde is het geval met het uiteinde van de benedenkaak, die waarschijnlijk eindigde in eenen gehoornden bek, waarmede het dier de knoppen en bladeren afsneed, die het voor zijne voeding noodig had.

In die secundaire tijden, waarin die vreemdsoortige en reusachtige dinosauren leefden, vinden wij de kruipende dieren in hunne grootste ontwikkeling. De zoogdieren zijn nog klein en worden alleen vertegenwoordigd door de laagste soorten; de dinosauren schijnen op de oppervlakte der aarde de rol gespeeld te hebben, thans weggelegd voor de groote vleeschetende en plantenetende zoogdieren; maar terwijl de zoogdieren zich steeds verder ontwikkeld hebben, zoodat zij reeds tegen het einde der tertiaire periode den bloei bereikt hebben, dien wij thans nog bewonderen, zijn de kruipende dieren steeds achteruitgegaan: de hoogere dieren hebben de overwinning behaald op de minder ontwikkelde wezens. Op het einde der secundaire periode verdwenen de dinosauren voor goed, zonder afstammelingen na te laten; zij hebben zich niet kunnen voegen in de nieuwe levensvoorwaarden, die hun werden opgelegd, en zijn dus uitgestorven, terwijl de zoogdieren daarentegen dagelijks meer naderden tot de hoogste ontwikkelde typen.

Tijdens het laatste gedeelte der Juraperiode was West-Europa doorsneden door moerassen, lagunen en dikwijls overstroomde inhammen; die bevoorrechte plaatsen hadden eenen rijkeren en meer afwisselenden plantengroei dan de bergstreken; daar groeiden groote varens met lederachtig loof, terwijl de helling en hoogten bedekt waren met planten, die naderden tot de araucaria’s en de cycadeën, en die het voedsel vormden der plantenetende dinosauren dier periode. Hetzelfde was het geval in het begin der krijtperiode, toen de wealdformaties ontstonden.

Fig. 226. De Rhamphorynchus.
Fig. 226. De Rhamphorynchus.

Fig. 226. De Rhamphorynchus.

Wij zagen zooeven, dat de dinosauren verdwenen zijn in het midden der krijtperiode; de reden van die verdwijning lag in de ontzaglijke veranderingen, die in dien tijd in de temperatuur plaats vonden. Tot nu toe wees de verspreiding der planten en dieren over de oppervlakte der aarde, en tevens de aard der dieren en planten, op eene hooge, gelijkmatige temperatuur, die niet zoo veel hooger was aan den aequator dan op onze breedte, en die tot op 76° noorderbreedte tropisch was. In één woord: over de geheele aarde heerschte het klimaat der tegenwoordige verzengde luchtstreken. Gedurende al die eeuwen schijnt de temperatuur niet de minste schommeling te hebben ondergaan; hoogstens heeft men uit het voorkomen der bezinkingen de periodes van betrekkelijke vochtigheid en droogte trachten af te leiden. In het midden der krijtperiode wordt de toestand anders, en kan men het begin eener verkoeling naar het noorden waarnemen. Wij leiden dit af uit de afwezigheid van riffen en de zeldzaamheid van koralen, op de plaats waar thans Europa ligt, uit het zeldzaam voorkomen van rudistae boven 45° Noorderbreedte, en uit de verschijning op die plaatsen van plantenfamiliën, die slechts bij uitzondering in de tropen gevonden worden.

Die rijke Juraperiode geeft ons een helder denkbeeld van de vruchtbaarheid der natuur, want de aarde was toen zeer verschillend van die van onzen tijd. Het kan zijn nut hebben, de wereld te beschouwen uit het oogpunt der organische natuur, en hetgeen ons de aarde leert, in verband te brengen met onze opvattingen van het heelal.

Letten wij b.v. op het landschap van araucaria’s en cycadeën, waarin zich de reusachtige stegosaurus beweegt met zijn lichaam, dat bedekt was met beenige en doornachtige platen, en met zijne merkwaardig korte voorste ledematen,—den compsonotus, een’ anderen niet minder merkwaardigen dinosaurus,—en de vreemde vliegende reptielen, de pterodactyli (fig. 227). Vormt dit landschap niet eene wereld, die geheel van de onze verschilt? Zou men zich die kunnen voorstellen, als men de versteeningen niet ontdekt had? Die bewoners der secundaire periode zijn allen op het laatst der krijtperiode verdwenen. Toen heerschte over de geheele aarde het klimaat der tegenwoordige tropen; tot op de hoogste breedten heeft men dezelfde planten en dieren teruggevonden. Het is de periode der kruipende dieren, en welke kruipende dieren! De brontosaurus, wij merkten het reeds op, bereikte eene lengte van 16 meters en moest meer dan 30000 kilogram wegen! De atlantosaurus was nog grooter. De Europeesche cetiosaurus deed niet onder voor zijne Amerikaansche mededingers: men kan daarover gemakkelijk oordeelen, indien men weet, dat het dijbeen 1,70 meter lang, en dat het gedeelte van den kop en de wervelkolom, dat bekend is, reeds 12 meters lang is, hetgeen voor het geheele dier eene lengte van 16 tot 17 meters geeft. De iguanodons waren dikwijls tien meters lang; de grootste heeft eenen kop van 1,20 meters en de voorpooten waren 2,50 meters lang.

Fig. 227. De Pterodactylus.
Fig. 227. De Pterodactylus.

Fig. 227. De Pterodactylus.

Zonder zelfs te spreken van de oude wereld der ichthyosauren, der plesiosauren, der labyrinthodonten, der paleotheriums, is de periode der dinosauren voldoende, om getuigenis af te leggen van de verscheidenheid van de voortbrengselen der levenskracht, zelfs op onze nietige planeet. De natuur zelf beantwoordt hen, die aan hare vruchtbaarheid twijfelen, en wij behoeven aan hare wonderen niets toe te voegen.

Noch de denkbeeldige dieren, door de fabelleer van alle volkeren verzonnen, noch de spooksels, door de vrees geschapen in de sombere tijden, toen de menschelijke gedachte scheen te sluimeren en te droomen, zouden kunnen wedijveren met de fantastische voortbrengselen der aarde tijdens den oorsprong der viervoetige dieren en der zoogdieren. Het is, alsof de natuur van alles in kolossale verhoudingen de proef genomen heeft, vóórdat zij kon besluiten tot de vormen, die eens in de menschheid moesten eindigen.

Terwijl de zeeën doorploegd werden door reusachtige kruipende dieren, ichthyosauren, plesiosauren, pliosauren, nothosauren, waarvan de tegenwoordige natuur ons geen flauw denkbeeld kan geven; terwijl op het vasteland de dinosauren heerschten, misschien wel de merkwaardigste dieren, ons door de oudheid nagelaten, waren de hemelen met niet minder vreemde wezens bevolkt, met dieren, die noch vogels, noch kruipende dieren waren, of liever met dieren, die tegelijk vogels waren, zonder veeren en met tanden gewapend, tegelijk warmbloedige kruipende dieren, die noch konden loopen, noch konden zwemmen. Het zijn in den waren zin des woords de draken uit de fabelleer, en de meest rijke verbeelding kan zich geene verzameling van zóó vreemde monsters denken, of zij hebben tijdens de Juraperiode geleefd.

Niet alleen door hunne grootte onderscheidden zich de kruipende dieren in de oude tijden: ook door de talrijke en zeldzame vormen, die zij aannamen. Wij wijzen hier op de dieren, die niet, zooals de vliegende draken, door middel hunner ribben vlogen, of zooals de vogels, door vleugels met aan de uiteinden vergroeide middelhandsbeenderen, of zooals de vleermuizen door vleugels, waarbij de duim alleen vrij is, maar door middel van vleugels, die gesteund werden door eenen zeer langen vinger, terwijl de andere vingers hunne gewone lengte en hunne klauwen behouden hadden. Die vliegende reptielen (vreemde tegenstelling) hadden eenen langen hals, en den bek van een vogel.

De pterodactyli waren dieren, die zich met kracht en snel door de lucht konden voortbewegen: hunne voorste ledematen zijn dan ook geheel daartoe ingericht. Bij de vogels, de dieren der lucht bij uitnemendheid, bestaan de vleugels uit onbuigzame pennen, die met haar ééne uiteinde bevestigd zijn aan eene platte en bijna onbeweeglijke stomp; de twee beenderen van den middenarm kunnen niet om elkander draaien, en de handwortel bestaat slechts uit twee kleine beentjes; de hand bestaat uit eenen weinig ontwikkelden duim, eenen pink en eenen middenvinger, die uit twee leden bestaat. Het vliegorgaan der zich in de lucht bewegende zoogdieren, zooals de vleermuizen, is geheel anders samengesteld. Bij de laatste dient een zeer dun vlies, tusschen de voorste en achterste ledematen en de huid, voor het vliegen; om dat vlies te dragen, moeten de vingers bijzonder lang zijn.

Fig. 228. De dinosauren: Stegosaurus en Compsonotus in een landschap van araucaria’s.
Fig. 228. De dinosauren: Stegosaurus en Compsonotus in een landschap van araucaria’s.

Fig. 228. De dinosauren: Stegosaurus en Compsonotus in een landschap van araucaria’s.

Evenals verscheidene andere dieren dier periode, vertoont de pterodactylus een mengsel van zeer verschillende karaktertrekken. De hals, gevormd uit zeven wervels, wijst op een zoogdier, de vliezen, die voor het vliegen dienen en zich uitstrekken tusschen de vóór- en achterpooten, behooren tot de vleermuizen, terwijl men den pterodactylus naar den bouw van den voet onder de kruipende dieren moet rangschikken; de zoogdieren toch hebben aan alle vingers hetzelfde aantal leden; de kruipende dieren daarentegen, en met name de hagedis, hebben het kleinste aantal leden aan den vinger, die de plaats van den duim inneemt, en één lid meer aan iederen volgenden vinger, tot aan den laatsten, die één minder heeft dan de vorige.

De pterodactylus, die dezelfde inrichting der vingers heeft, wordt dus onder de hagedissen gerangschikt; het was eene soort van vliegende hagedis van middelmatige grootte, en, te oordeelen naar het aantal insecten, dat men dicht bij zijne overblijfselen vindt, een insecteneter. Het hoofdvoedsel schijnt uit libellulae bestaan te hebben, waarvan men eene zeer schoone soort bij hunne overblijfselen vindt. Men heeft opgemerkt, dat de pterodactylus geene verdedigingswapenen of haren bezat; in de afdruksels vindt men daarvan geen spoor. Blz. 422 geeft een denkbeeld van zijne grootte in vergelijking met die van de vleermuis.

In de lithographische steen van Beieren, waarin zoovele merkwaardige dieren gevonden zijn, die uitstekend bewaard zijn gebleven, heeft men in 1873 eenen rhamphorynchus gevonden, met volkomen gaven vleugel. Uit dat exemplaar blijkt, dat de vleugel een vlies was, dat op dat der vleermuizen geleek, glad en netvormig. Het vlies was aan de binnenzijde aan den geheelen arm verbonden, de vijfde vinger, die lang uitgerekt was, steunde het tot aan het uiteinde. De staart was zeer lang en de staartwervels werden vastgehouden door beenige pezen; de merkwaardige toestel, die men aan het uiteinde van den staart van den rhamphorynchus waarneemt, deed klaarblijkelijk dienst als roer.

De zooeven genoemde karaktertrekken zijn zóó bijzonder, dat het niet te verwonderen is, dat de pterodactyli, ook wel pterosauri en ornithoscelidae genoemd, nu eens als vogels, dan weder als kruipende dieren beschouwd zijn, of ook wel als dieren, tusschen beide klassen instaande. Het onderzoek der fossielen heeft onze vroegere begrippen over de verschillende groepen van dieren in velerlei opzichten gewijzigd; wij kennen thans vogels, met tanden als bij de zoogdieren, en zoogdieren met vogelbekken; sommige wezens zijn zóó vreemdsoortig, dat zij door de uitstekendste ontleedkundigen nu eens beschouwd zijn als gevleugelde reptielen, dan weder als vogels, die over een groot gedeelte van hun skelet op reptielen geleken. De verdeeling in klassen, orden en families, zooals wij die aannemen, bestaat in de natuur niet; er zijn schakels, die de ééne soort met de andere vereenigen. Indien de dinosauri eenigszins den overgang vertegenwoordigen tusschen de kruipende dieren, en de vogels en de zoogdieren, dan verbinden de pterodactyli de kruipende dieren met de vogels, doch liggen zij dichter bij de laatste dan bij de eerste. Evenals de dinosauri zijn de pterosauri tot nu toe alleen gevonden in de secundaire formaties van Europa en Noord-Amerika. Ook bij deze dieren vindt men verscheidene typen.

De pterodactyli der Juraperiode van West-Europa hadden de grootte van musschen, lijsters en duiven. Maar in de Vereenigde Staten heeft Marsh in de krijtformatie van Kansas beenderen gevonden van het geslacht pteranodon, die behoord hebben tot dieren, wier vleugeluitgebreidheid zes of zeven meters bedroeg! Deze monsters moeten in de krijtperiode te Amerika tamelijk talrijk geweest zijn; de Amerikaansche natuuronderzoeker verzekert toch, dat in Yale-College te New-Haven (Connecticut) beenderen van meer dan 600 reuzenpteranodons gevonden worden.

Die vreemde bevolking der secundaire periode is, zooals wij zagen, met de labyrinthodonten begonnen. Stellen wij ons behalve die vreemde vormen ook nog de woeste kreten van al die kruipende dieren voor: het geloei en gehuil der dinosauri, het gekwaak van den labyrinthodon, dien reusachtigen kikvorsch, aan den oever van de zilte meren!

Al die dieren richten eene vreeselijke verwoesting aan onder de vreedzame menigte der weekdieren. Zij vermalen de parelmoerkleurige schelpen en voeden zich met visschen en kruipende dieren. Geen enkel wezen kan aan hunne verscheurende kaken weerstand bieden; zij worden de heerschers der wereld.

Wat eene vreemde en fantastische dierenwereld. Beeldhouwers en schilders hebben voorheen en thans de wereld verrijkt met wezens, die nooit bestaan hebben. Gelooft men, dat de sphynxen der Egyptenaren, op het zand neergehurkt, de centauren, de faunen, de Grieksche satyrs, de Hindoesche en Perzische griffioenen, de slangenengelen van Raphaël, geene verwante vormen vinden onder de levende wezens, die de aarde in die oude tijden bevolkt hebben? De dinosauri, de iguanodons, de plesiosauren kunnen, zoo zeggen wij met Edgard Quinet, wel degelijk wedijveren met de draken met vlammenden muil van Medea; de vliegende slangen met de slangen van Laocoön; de oudste herkauwende dieren en de groote tandelooze dieren, de mylodon en het megatherium met de gekroonde stieren van Babel, de geheimzinnige dromatheriums en dinotheriums met de reusachtige sphynxen van Thebe, de ichthyosauren met de draken van Hercules en de harpyen van Homerus, de hipparions met hunne gevingerde voeten met de paarden van Neptunus of met het monster van Rubens met de opgeheven manen. Men zou den stamvader der honden, den amphicyon willen zien en hem hooren blaffen op den kruisweg van de schepping der tertiaire zoogdieren. Indien de Grieksche en moderne kunstenaar onmogelijke vormen moest verzinnen, dan had hij slechts te putten in de bewerktuigde wereld; hij zou geheel gereedgemaakte vormen gevonden hebben in de werkplaats der natuur; hij zou realist zijn, niettegenstaande hij de grenzen der tegenwoordige wereld overschreed.

Ieder wezen heeft zijn natuurlijk kader. Even moeilijk als het voor ons zoude zijn, zich den kameel voor te stellen zonder hem in den geest met de woestijn te verbinden, evenzoo moeilijk is het, zich de krokodillen der Juraperiode in eene andere omlijsting te denken dan die van dien tijd. Zij waagden zich op het strand, doch vonden vóór zich een laag, moerassig, smal eiland, het Liaseiland, dat geene krachtige pogingen vereischte, om er bezit van te nemen. Indien de hagedissen zich op den modder hadden gesleept en geene prooi ze aantrok, gingen zij niet verder. Een korte, vormlooze, handvormige poot, de achterarm tegen het lichaam gedrukt, ziedaar alles wat noodig is om die bank te bezetten, die beurtelings onder water, beurtelings boven water, een tweeslachtig verblijf aanbood aan tweeslachtige wezens. En daar op dien verdroogden modder, waarop alle schepselen zich langzaam bewogen, geen gevaar te vermijden viel, was er geen noodzakelijkheid of verlangen, om te vluchten of zich te haasten. Zoo kan men zeggen, dat de aarde haren stempel gedrukt heeft op de bewoners van dien tijd en het aanzijn gaf aan de kruipende dieren. Daar waar een vaste bodem ontbrak, kon zich de wijze van voortbewegen der landdieren niet ontwikkelen. De dieren behoefden noch te loopen, noch te rennen, noch te vliegen; kruipen was voldoende. Met de hagedissen waagden zich ook de schildpadden op het land; daar het hun alleen te doen was, zich op den grond neer te zetten, en die vaste grond slechts eene kleine uitgestrektheid had, behoefden zij zich niet te haasten; zij hadden slechts te kruipen, om hun erfgoed te bemachtigen, en verkregen alzoo den stempel der onbewegelijkheid. Als op die smalle landtong, de poot zich niet kon ontwikkelen door beweging en snelheid, hoe kon dan de vleugel zich ontwikkelen? Men kan zich alleen vleugels denken, indien zich groote uitgestrektheden aan den horizon openen, indien men die moet doorklieven, om eene van verre zichtbare prooi te bereiken, of om van klimaat te veranderen door verhuizing naar eene andere landstreek.

Doch welk wezen had op dat woeste strand der Juraperiode behoefte om eene vlucht te nemen, teneinde een zoo klein gebied te doorloopen. Daarom ontbreken de vogels nog. Als het eerste spoor van eenen vleugel verschijnt, is het de vleugel van een reptiel, den pterodactylus, met den getanden muil van eene hagedis, en twee vliezige vleugels. Die vleugels zijn voor hem voldoende, want hij behoeft geene wijde oceanen over te steken, om vastelanden te bereiken, die nog niet bestaan; hij behoeft zich nog niet in één oogwenk van eene ongenaakbare rots in eene diepe vallei te werpen. Er zijn nog geene bergen of valleien, het is slechts een effen, smal, ingekorven terrein, waar al de voorwerpen in elkanders nabijheid zijn gelegen. Indien het kruipende dier, in het moeras verborgen, eenen zwerm libellulae in het voorbijvliegen kan grijpen of eenen grooten kever, dan is dat voldoende voor zijne voeding.

De tijd voor het ware vliegen is nog niet gekomen; de vleugel met zijne groote vleugelwijdte ontwikkelt zich eerst, als het vasteland zich ontwikkeld heeft, als de bergen zijn opgerezen, de valleien uitgediept, het klimaat gewijzigd is, en de eilandgroepen te voorschijn zijn getreden, die aan de vogels op hunne verre tochten tot rustplaats kunnen strekken.

Wij zien dus, dat de tijdperken niet voorbijgaan zonder een levend beeld van zich achter te laten. Zij drukken op onuitwischbare wijze hunnen stempel op de elkander opvolgende schepselen. Zij herleven daarin. Ieder oogenblik van de eeuwigheid heeft zich dus vastgezet in een type, eene soort, eene familie, die daarvan de vertegenwoordiger is. Indien de woestijn verdween, dan zoude deze nog in den kameel afgebeeld zijn. Uit dat oogpunt teekent de rij der georganiseerde wezens de rij der groote vervlogen tijdperken. Iedere plant, ieder dier, tot zijn type teruggebracht, is als het ware een vast punt in de opvolging der gebeurtenissen, die de geschiedenis der aarde vormen.

Pterodactylus en vleermuis.
Pterodactylus en vleermuis.

Pterodactylus en vleermuis.

Toch wane men niet, dat die wonderlijke Juraperiode, de grootste en vruchtbaarste van de geheele geschiedenis der aarde, alleen die ontzaglijke en fantastische dinosauri en gevleugelde reptielen heeft voortgebracht; het was hare bestemming, om nog eenen stap verder te gaan op de baan der schepping, en om zich nog op andere wijze te openbaren dan door die geweldige krachtsuitingen; zij heeft het voorrecht gehad, den vogel het aanzijn te schenken, nog wel niet de zwaluw of de nachtegaal, maar den laagst ontwikkelden, den oorspronkelijken vogel.

Fig. 230. Staart van den archeopteryx.
Fig. 230. Staart van den archeopteryx.

Fig. 230. Staart van den archeopteryx.

Fig. 231. Fossiele overblijfselen van den archeopteryx te Solenhofen in de Juraformatie gevonden.
Fig. 231. Fossiele overblijfselen van den archeopteryx te Solenhofen in de Juraformatie gevonden.

Fig. 231. Fossiele overblijfselen van den archeopteryx te Solenhofen in de Juraformatie gevonden.

De ontdekking der eerste veeren van den fossielen vogel was hoogst belangrijk. Zij dateert van 1860 en is gedaan in de bovenste Juraformatie van Beieren, in de lithographische steen van Solenhofen. De geologen twijfelden aan de echtheid van de veer, totdat men in het volgende jaar in dezelfde formatie en vlak bij de plaats, waar de veer gevonden was, een gedeelte ontdekte van het lichaam van den oorspronkelijken vogel, die den naam kreeg van archeopteryx. Het duurde verscheidene jaren, eer het mogelijk was, nauwkeuriger kennis omtrent dien vogel op te doen. In 1863 gaf Owen er voor het eerst eene beschrijving van. In 1877 werd een tweede exemplaar, schooner en vollediger, gevonden op 14 kilometers van de plek, waar het eerste gevonden is. Het eerste exemplaar is aangekocht door het Museüm van Londen, het tweede door dat van Berlijn. Het onderzoek van dat laatste exemplaar heeft geleerd, dat de schedel reeds den eigenaardigen vorm van eenen vogelschedel heeft, maar dat hij voorzien is van kaken met tanden in tandkassen. De grootte van dien vogel komt overeen met die van eene duif. De staart is hoogst merkwaardig. Hij is zeer lang en bestaat uit 20 wervels, die ieder aan weerszijden eene veer dragen. Door die wervels is het meer de staart van een kruipend dier dan van eenen vogel. De archeopteryx vult juist de leege ruimte aan tusschen de kruipende dieren en de vogels. Reeds lang wist men, dat de vogels vervormde kruipende dieren zijn; maar men kende nog geene fossielen uit dien overgangstijd. De archeopteryx is dus in ieder opzicht eene der belangrijkste ontdekkingen der paleontologie.

Fig. 232. De archeopteryx (de oudste fossiele vogel).
Fig. 232. De archeopteryx (de oudste fossiele vogel).

Fig. 232. De archeopteryx (de oudste fossiele vogel).

En toch was de ontdekking van dat dier nog slechts een voorspel van de ontdekkingen, onlangs in Amerika gedaan naar aanleiding der eerste fossiele vogels; die ontdekkingen waren zóó belangrijk en talrijk, dat Marsh aan de voornaamste ontdekkingen een folio boekdeel wijdt, dat als het ware alleen nog maar eenen ontleedkundigen catalogus vormt van de onderzochte exemplaren. Uit dat prachtige werk, de vrucht van doorwrochte studie, zullen wij enkele exemplaren als typen kiezen, indien wij in ons volgend hoofdstuk de krijtperiode behandelen, waarin die dieren tot hunne grootste ontwikkeling gekomen zijn.

Al die landvogels (meer dan duizend in aantal) zijn gevonden naast pterodactyli van 25 voet vleugelwijdte, mosasauri, sauropoden en reusachtige stegosauri. Volgens Marsh vindt men in de Amerikaansche Juraformaties kleine dinosauri, wier beenderen, van het skelet gescheiden, als de schedel ontbreekt, niet kunnen onderscheiden worden van die der vogels uit dezelfde lagen. Enkele van deze leefden op de boomen en onderscheidden zich van de vogels alleen door de afwezigheid van veeren. Hoe zijn die veeren ontstaan? Wij hebben eene aanwijzing daarvan in het vliegen van den galeopithecus, de vliegende eekhorentjes, de vliegende hagedissen en de vliegende kikvorschen. Bij de oorspronkelijke vogels, die op de boomen leefden en die van tak op tak sprongen, waren zelfs reeds rudimentaire veeren een voordeel, want zij zouden eenen grooteren sprong naar beneden hebben mogelijk gemaakt of de kracht van den val hebben kunnen breken. Naarmate de veeren groeiden, werd het lichaam warmer en het bloed werkzamer. Met het toenemen van het aantal veeren zoude het vermogen om te vliegen zijn toegenomen; die verhoogde werkzaamheid zoude weer eenen vollediger bloedsomloop tengevolge hebben enz.

De ramphorynchus kan ons een zeer goed denkbeeld geven van die kleine vliegende dinosauri.

De leer van de ontwikkeling der ongeboren vrucht heeft reeds lang de overeenkomst aangetoond van de schubben en stekels der kruipende dieren, en de wratvormige stompjes, die bij de ongeboren vrucht der vogels, de eerste sporen van het gevederte zijn. Het is dus geene wetenschappelijke ketterij, aan te nemen, dat er kruipende dieren geweest zijn, met veeren bekleed; dit is misschien het geval geweest met den compsognathes en den archeopteryx. Naar de onderzoekingen van Carl Vogt, op het tweede exemplaar gedaan, had de eerste vogel ongetwijfeld een naakt lichaam. Hij schrijft daaromtrent het volgende:

Aan iedere hand heeft hij drie lange en slanke vingers, met kromme, scherpe klauwen. De duim is de kortste; de beide andere zijn bijna even lang; toch heeft de tweede de overhand. Die twee vingers waren klaarblijkelijk met elkander verbonden door peesachtige vliezen. De duim bestaat uit twee leden en een middelhandsbeen, en de andere vingers uit drie leden en een middelhandsbeen.

De vleugels waren aan den voorarm en de hand bevestigd, zonder dat men in het skelet eene bijzondere aanpassing voor dat doel vindt. De duim was vrij, evenals de twee andere vingers. Indien men in zijne gedachte alle veeren wegneemt, dan heeft men eene drievingerige hand van een kruipend dier voor oogen, zooals de compsognathes en vele andere dinosauri gehad hebben blijkens de sporen hunner voetstappen.

Ik durf beweren, dat geen enkele geleerde, wien men het skelet van eenen archeopteryx zonder veeren liet zien, zou kunnen vermoeden, dat dit dier bij zijn leven vleugels bezeten heeft.

Later zullen wij de ontwikkeling der vogels volgen, indien wij de tertiaire periode bestudeeren.

De insecten, wier verschijning wij reeds vóór de dagen der steenkoolperiode begroet hebben (blz. 263) nemen gedurende de Juraperiode snel toe, en ontwikkelen zich evenzeer tot volkomener soorten. Ook hier openbaart zich de groote wet van den vooruitgang, zooals wij die leerden kennen in het geheele dierenrijk. Wij zagen, dat de insecten der primaire periode behoorden tot de lagere soorten, de rechtvleugeligen, de netvleugeligen en de halfvleugeligen (zooals kakkerlakken, krekels, sprinkhanen, witte mieren, waterjuffers), en dat men in die oude formaties nog geene overblijfselen van insecten gevonden heeft, die behoorden tot de hoogere orden der vliesvleugeligen, tweevleugeligen of vlinders, bijen, mieren of kapellen. In de oudste bezinksels der Juraperiode, in het trias, heeft Oswald Heer, alleen in Zwitserland, tweeduizend exemplaren gevonden, aldus verdeeld over 143 soorten:

Rechtvleugeligen 7 soorten.

Netvleugeligen 7 soorten.

Schildvleugeligen 116 soorten.

Vliesvleugeligen 1 soorten.

Halfvleugeligen 12 soorten.

Men ziet, dat de schildvleugeligen de groote meerderheid uitmaken. Die insecten leveren de helft der fossiele soorten, en wijzen er op, dat het vasteland met bosschen begroeid was.

Fig. 233 en 234 stellen vleugels van eenen fossielen kever en van eene fossiele waterjuffer voor, gevonden in de oölitische formatie van Stonesfield, bij Oxford.

De rijkdom der insectenfauna bewijst, dat het vasteland in dien tijd eene groote uitgestrektheid had en dat wij hier niet meer de kleine eilanden der liaszee voor oogen hebben. Het bestaan van waterjuffers en schildvleugelige insecten in zoo groote hoeveelheden wijst op rivieren of zoetwaterbekkens. Wij weten, dat alle kleine eilanden van den Atlantischen Oceaan slechts aan zeer weinige waterdieren tot verblijfplaats strekken; de Canarische eilanden, Madera, de Azoren bezitten er slechts enkele. De reden is eenvoudig: de beken zijn te klein, en op sommige tijden van het jaar bijna geheel uitgedroogd, hetgeen een beletsel is voor het bestaan van zoetwaterdieren. Een eiland moet eene zekere uitgestrektheid hebben, opdat de beken er niet uitdrogen. Al weten wij nu, dat er in de Juraperiode waarschijnlijk meer water viel dan thans, en dat de regen zich over het geheele jaar regelmatiger verdeelde, dan thans op de genoemde eilanden het geval is, toch mogen wij uit het groote aantal zoetwaterinsecten opmaken, dat de eilanden der Juraperiode zeer groot waren.

Tijdens de Juraperiode huppelden in Frankrijk en Engeland kleine krekels in de struiken, de waterjuffers schommelden door de lucht, de kakkerlakken en witte mieren zochten hun voedsel in de bosschen, en vroolijke zwermen van waterkevers verlustigden zich op de oppervlakte van het water.

Ook vond men daar reeds de sprinkhanen met hunne onharmonische en knersende geluiden.

In overeenstemming met andere klassen van dieren moeten de oorspronkelijke insecten groote afmetingen gehad hebben en vormen, die meer of minder van de tegenwoordige verschilden. Wij hebben reeds in de steenkoolperiode gesproken over de reusachtige grootte van den titanophasma. Doch in de Juraperiode hadden de insecten reeds dezelfde afmetingen als in onzen tijd.

Indien wij op het aantal families letten, dan zien wij, dat dit op een warm klimaat wijst; wij herinneren o.a. aan de witte mieren en de kakkerlakken; de laatsten hebben veel meer overeenkomst met die der warme luchtstreken dan met de onze. Hetzelfde is met de planten het geval. De cycadeën en de groote boomvarens komen alleen in de verzengde luchtstreken voor.

Fig. 233. Vleugel van eenen kever, in de oölitische formatie bewaard gebleven.
Fig. 233. Vleugel van eenen kever, in de oölitische formatie bewaard gebleven.

Fig. 233. Vleugel van eenen kever, in de oölitische formatie bewaard gebleven.

De araucaria’s strekken zich uit van de warme tot de gematigde luchtstreken en de thuya zelfs tot zeer noordelijke breedten, en toch zijn dit de twee boomsoorten onder de naaldboomen, die het meest naar het zuiden afdalen; zij zijn dus niet in tegenspraak met de vroeger gegeven onderstelling, hoewel wij uit hunne aanwezigheid niet mogen besluiten tot een warm klimaat. Niet alleen de lucht, doch ook de zee had op onze breedte eene hoogere temperatuur dan thans; de ammonieten, nauw verwant met de nautili, die thans nog in de Indische zee leven, leveren daarvoor het bewijs, evenals de pentacriniden, die alleen op de kusten der Antillen voorkomen.

De insecten, die reeds in grooten getale en in groote verscheidenheid voorkwamen in de Juraperiode, leggen dus evenals de overige planten en dieren getuigenis af omtrent de temperatuur in dien tijd. Doch zoo aanstonds zullen wij daarvoor een ander bewijs verkrijgen in de koralen der Jurazeeën. Vóórdat wij echter van de insecten en vooral van de schildvleugeligen uit dien tijd afstappen, moeten wij nog opmerken, dat wij ook bij hen belangrijke feiten kunnen waarnemen ten gunste van de aanpassing der soorten naar de levensvoorwaarden. Zoo zijn de insecten, die in het water leven, slechts gering in aantal, in vergelijking met die, welke op het land voorkomen; in de zee komen slechts zeer weinigen voor; die gelede dieren zijn niet voor het zeeleven gebouwd, en worden daarin dan ook vervangen door de schaaldieren. Toch zijn er enkele insecten, die een groot gedeelte van hun leven onder de zee doorbrengen. Hooren wij, wat Audouin daaromtrent mededeelt:

Fig. 234. Fossiele waterjuffer der Juraperiode.
Fig. 234. Fossiele waterjuffer der Juraperiode.

Fig. 234. Fossiele waterjuffer der Juraperiode.

Op eene reis, in 1822 langs de kusten der Vendée, bezocht ik een aantal eilanden van den Oceaan, ten einde schaaldieren en andere zeedieren te verzamelen. Eens was ik in den loop van September bezig met het doorzoeken van het eiland Noirmoutiers, en ik had gebruik gemaakt van de eb, om tot op 200 vademen in de zeebedding voort te gaan, toen ik plotseling te midden dier diepte getroffen werd door een uiterst klein dier, dat ik dadelijk als een insect herkende. Het liep snel over de oppervlakte der steenen, over het zeewier, over de sponzen en de overige voorwerpen, zooeven door de zee verlaten, en die nog vochtig waren door de laatste golf.

Op het eerste gezicht vermoedde ik, dat dit kleine insect, dat ontegenzeggelijk tot de carabidae behoorde, waarvan alle soorten vleeschetende landdieren zijn, bij toeval daar aanwezig was, en dat ik het misschien zelf had medegevoerd. Toch vond ik het dier merkwaardig genoeg, om het mede te nemen. Doch spoedig zag ik een tweede en een derde exemplaar. Nog iets verder zag ik een vierde en zoo had ik binnen zes minuten een tiental bijeen... Den volgenden dag kwam ik terug, toen het water begon te vallen, met het doel om den teruggang van het water stap voor stap te volgen. Eerst was ik zeer verbaasd, dat ik niettegenstaande mijn ijverig zoeken geen enkel van die insecten ontmoette op het terrein, dat het eerst bloot lag. Eerst nadat het water een eind gezakt was, begon ik ze op te merken. Ik zag er meer dan 15, maar in plaats van ze te vangen, bestudeerde ik hunne bewegingen en besloot de plaats niet te verlaten, vóórdat zij die zelf verlaten hadden.

Weldra had ik reden mij over mijn geduld te verheugen. Ik kon mij namelijk overtuigen, dat zoodra de zee de plaats, door één der insecten ingenomen, blootlegde, het insect daarvan gebruik maakte, om dadelijk weg te loopen en vlug over den vochtigen grond voortliep; doch zoodra de vloed opkwam en den grond bedekte, zag ik telkens die kleine insecten in plaats van hun heil in de vlucht te zoeken, zich snel verbergen onder eenen naburigen steen, die dadelijk daarop onder water geraakte en door eene telkens aangroeiende watermassa werd bedekt.

Het was dus buiten twijfel, dat die kleine dieren den bodem der zee niet verlieten, om de kust op te zoeken, en dat zij gedurende den duur van den vloed, d.i. 6 uren lang, naar gelang van de plaatsen door 20, 30 of 40 voet water bedekt waren.

Hieruit volgt, dat de dieren slechts met groote tusschenpoozen, en dan nog slechts kort, vrij in de lucht kunnen ademen, en dat zij veel langer onder water dan boven water zijn. Maar de natuur, die naarmate de wezens aan grootere gevaren zijn blootgesteld, betere voorzorgen neemt tot hun behoud, heeft het kleine insect het middel gegeven, zich met eene luchtbel te omgeven, en gemaakt, dat die luchtbel aan het dier niet gemakkelijk ontsnappen kan.

Indien men met het bloote oog of liever met eene loupe de oppervlakte zijner vleugels beschouwt, of zijnen kop, zijn middenlijf, zijne sprieten, zijne pooten, in één woord, zijn geheele lichaam, dan ziet men, dat het bedekt is met haartjes, waarvan enkele eene tamelijke lengte hebben.

Indien men dan plotseling het insect van de lucht in het zeewater overbrengt, dan bemerkt men, dat ieder dier haren eene kleine laag elastische vloeistof bevat, die eerst tot kleine ovaalvormige lichamen vereenigd, weldra eenen kleinen bol vormt, die zijn lichaam van alle zijden omgeeft, en die nooit ontsnapt, hoe het dier zich ook beweegt. Het insect neemt steeds eene kleine luchtlaag mede, en indien het zich onder eenen steen verschuilt, is het tijdelijk in dezelfde omstandigheden als de zich vrij in de lucht bewegende insecten.

Het door Audouin bestudeerde insect was de aepus marinus; later heeft Charles Robin in 1848 te Dieppe eene tweede soort ontdekt en de waarnemingen van Robin hebben die van Audouin bevestigd; die van Coquerel, te Brest gedaan, zijn echter nog vollediger; hij is zelfs zoo gelukkig geweest, de larve te ontdekken.

De aepus Robini, zoo zegt hij, wordt alleen gevonden onder steenen, die stevig aan den grond vastzitten, op plaatsen die bedekt zijn met grof grint, en steeds onder de laagwater-lijn. Als de zee zich terugtrekt, en het zand nog vochtig is, ziet men er geen’ enkelen; zij zijn dan in kleine gaten tamelijk diep verborgen. Zij komen eerst te voorschijn, zoodra de grond minder vochtig wordt, en men ziet ze met groote snelheid aanstormen, als men den steen optilt, die hun tot schuilplaats diende.

Het leven dier merkwaardige insecten hangt dus geheel af van de getijden. Zij blijven onder het water in slaap, zoolang het hoog water is, en bewegen zich eerst, als de zee teruggaat. Indien de Oceaan ten gevolge eener storing in de natuurwetten minder regelmatig onze kusten blootlegde, zou dat insect zeker moeten omkomen; merkwaardig voorbeeld van de schoone harmonie, die wij bij iederen stap op het gebied der natuur waarnemen. Vandaar, dat het insect niet gevonden wordt op de kusten der Middellandsche zee, waar geene getijden bestaan.

Fig. 235. Verschillende kalkscheeden (snavels of rostra) van belemnieten uit de Juraperiode.
Fig. 235. Verschillende kalkscheeden (snavels of rostra) van belemnieten uit de Juraperiode.

Fig. 235. Verschillende kalkscheeden (snavels of rostra) van belemnieten uit de Juraperiode.

Fig. 236. Terebratula digona.
Fig. 236. Terebratula digona.

Fig. 236. Terebratula digona.

Fig. 237. Rynchonellae van verschillende zijden gezien.
Fig. 237. Rynchonellae van verschillende zijden gezien.

Fig. 237. Rynchonellae van verschillende zijden gezien.

Dit voorbeeld, ontleend aan de schildvleugelige insecten, één der oudste onder de fossielen, verschaft ons veel licht omtrent den oorsprong der soorten. Ieder dier verandert, om zich aan te passen naar de gewijzigde levensvoorwaarden. Dit is evenzoo het geval geweest met de blind geworden insecten, die in holen leven; hunne haren zijn langer geworden, daar de tastzin in de plaats van den gezichtszin is getreden. Doch keeren wij terug tot de Juraperiode en voltooien wij hare beschrijving. Wij hebben de geheele bevolking dier periode besproken, wij moeten nog alleen de weekdieren en de lagere dieren bespreken, die nog steeds, niettegenstaande den vooruitgang, zijn blijven voortbestaan. En waarom zouden zij ook niet zijn blijven voortbestaan? Immers die dieren, wier levensvoorwaarden niet gewijzigd zijn, b.v. die, welke op den bodem der zee leven, veranderen niet. De levenskracht der planeet is niet uitgeput, het zoude dus mogelijk zijn, dat nog steeds het protoplasma het aanzijn schenkt aan de organismen der azoïsche periode.

Fig. 238. Stuk van eenen steenklomp, die uitsluitend bestaat uit rhynchonellae.
Fig. 238. Stuk van eenen steenklomp, die uitsluitend bestaat uit rhynchonellae.

Fig. 238. Stuk van eenen steenklomp, die uitsluitend bestaat uit rhynchonellae.

Wij zagen in het begin van dit hoofdstuk, dat de Juraformatie over een groot gedeelte van Frankrijk bloot ligt. Eene belangrijke strook strekt zich uit van het westen naar het oosten, en wordt breeder naarmate men het Juragebergte nadert; zij loopt over La Rochelle, Nevers, Dyon, Langres, Chaumont, Neufchâteau, Nancy, Metz, Luxemburg, en vertakt zich naar het zuidoosten over de Jura en de Alpen. Die bodem is zóó rijk aan fossielen, dat de meeste kinderen zich daar reeds van hunne vroegste jeugd, zonder het te weten, met geologie en paleontologie bezighouden. In groote menigte vindt men daar kegels (fig. 235) van alle grootten, van één tot 20 centimeters. Die zwarte en puntige kegels worden door de landlieden dondersteenen genoemd. Men heeft ze vroeger dikwijls aangezien voor spelingen der natuur, of steenachtige verhardingen, voor druipsteenen, vischtanden, en somtijds heeft men ze ook duivelsklauwen genoemd. Men vindt ze in zóó grooten getale, dat men slechts te bukken heeft om ze te vinden. Die puntige kegelvormige steenen is het eenige wat overgebleven is van een koppootig weekdier, dat in de zeeën dier periode zeer verspreid was, het zijn kalkscheeden van belemnieten; wij zullen ze zoo aanstonds meer in bijzonderheden bespreken. In het Museum te Parijs vindt men eene plaat leisteen uit het lias van Engeland, waar men op eene oppervlakte van 25 vierkante decimeters meer dan 900 van die kalkscheeden telt.

Met die kalkscheeden van belemnieten vindt men, als de meest gewone fossielen, de terebratulae en de rynchonellae. Die versteende schelpen, die iets grooter zijn dan abrikozenpitten, hebben somtijds sierlijke vormen. De eerste zijn amandelvormig, en hebben aan de rugklep zijdelingsche aanhangsels, zoogenaamde ooren, de laatste zijn gewoonlijk waaiersgewijs geplooid. Men vindt ze dikwijls in zóó groote hoeveelheden, dat steenblokken van eenige kilogrammen geheel bestaan uit eene opeenhooping van die schelpen, die men gemakkelijk van elkander kan losmaken. De terebratulae en de rynchonellae waren armpootige weekdieren, die ook in de Jurazeeën in grooten getale voorkwamen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings