De vervormingen van den bodem in onzen tijd.
Reading edition
Verandering der kusten.—Mondingen en delta’s.— Werking van het stroomende water.—Langzame schommelingen.—Rijzingen.—Dalingen.—Het land en de zee.—De natuur zet haren arbeid voort.
Langzamerhand verandert alles om ons heen. De grond zelf, dien wij gewoon zijn te beschouwen als het type van wat onveranderlijk is, verandert onophoudelijk. Het is daarom verkeerd, te zeggen, dat er bepaalde geologische perioden zijn, die de schepping der wereld voorstellen, en dat die schepping thans voleindigd is. Ook onze periode is „geologisch”, en zelfs niet minder dan de voorafgaande.
De oppervlakte der aarde, in haar geheel beschouwd, verandert. Regen, vorst, warmte, wind, onweer, beken, bergstroomen, verweren de toppen der bergen, waarvan de bouwstoffen afgerukt, medegesleept, verbrijzeld, tot zand vermorzeld en door de mondingen der rivieren naar zee gevoerd worden. Ook knaagt de zee voortdurend aan de oevers; daardoor worden de kusten steiler en wordt de bodem verhoogd door de losgelaten bouwstoffen. Bovendien eindelijk werken nog voortdurend de inwendige krachten der aarde: enkele streken rijzen, terwijl andere dalen. Laat ons zoo kort mogelijk de bewijzen voor die veranderingen nagaan, en die zooveel mogelijk op het terrein zelf bestudeeren.
Wij kunnen uitgaan van twee algemeene grondbeginselen: 1º. Overal, waar de kust steil is, wint de zee; 2º. aan de mondingen der rivieren wijkt de zee terug. In het eerste geval knaagt zij aan de klippen, die tot strandkeien verbrijzeld worden; in het tweede geval draagt de zee zand aan, dat den bodem der zee verheft en haar doet wijken. Er zijn wel is waar uitzonderingen op die regels, onder andere kunnen de zeestroomingen en de golven het water een eind binnenwaarts voeren of de keisteenen gebruiken om nieuwe kustgrenzen te vormen, maar in het algemeen zijn die twee oorzaken voldoende, om de geheele gesteldheid onzer planeet te veranderen, onafhankelijk van de rijzingen en dalingen van den bodem.
Iedereen b.v. kent Havre. Men weet, dat die stad nog geen vier eeuwen oud is en in 1516 door Frans I is gesticht. De geheele vlakte, waarop die belangrijke stad zoo snel is opgekomen, is gevormd door aanslibbing van de Seine en bezinking van het zand, dat bij springvloed door de zee is uitgeworpen; de geheele plek was tot aan deze eeuw moeras. De Seine sleept het zand mede, dat zij langzaam neerlegt aan hare monding, en tot zelfs een eind ver in zee. Maar bij springtij en storm drijft de zee dat bezinksel terug en wijzigt zij daardoor onophoudelijk den ondergrond. Het gevolg hiervan is, dat het gebied der zee gedurig afneemt. De rechteroever der Seine wordt voorbij Havre al langer en langer, de linkeroever verandert eveneens, zoodat het zeestrand bij Trouville al breeder en breeder wordt. Zoo ziet men, hoe alles om ons heen verandert door nog steeds werkende oorzaken, en dat daartoe volstrekt geene groote omwentelingen in de natuur noodig zijn. Fig. 99 toont ons aan, hoe de zee langzamerhand den voet der rotssteilten bij Kaap la Hève ondermijnt, en wel vooral bij storm en springtij, en hoe daardoor die banken van krijt, mergel en klei verteerd worden; het gevolg hiervan is, dat vertikale muren van honderd meters hoog overhellen, en dat door het voortdurend invreten in den voet der rots de eeuwenoude steenlagen worden uitgegraven. Daardoor levert die kust eenen schilderachtigen aanblik op.

Fig. 99. Kaap la Hève en hare geologische samenstelling.
Sedert het begin der elfde eeuw zijn reeds 1400 meters door de werking der zee ingevreten.

Fig. 100. Klip aan de Middellandsche zee.
Oorspronkelijk hadden de kusten van alle zeeën eene geringe helling: de vertikale muren en de rotssteilten zijn het gevolg van het invreten der zee; dat voortdurend wegbijten geeft het aanzijn aan de keisteenen, die men op het strand vindt. Men kan zelfs een karakteristiek verschil waarnemen tusschen het profiel van klippen, die langzamerhand weggebeten worden door eene zee met standvastigen waterspiegel, zooals de Middellandsche zee, waar bijna geene getijden zijn, en de klippen van den Atlantischen Oceaan. In het eerste geval vertoonen de klippen, waartegen de golven aanklotsen, een enkel profiel (fig. 100), in het tweede geval is het profiel dubbel: het ééne is geteekend door den vloed, het andere door de ebbe (fig. 101).

Fig. 101. Klip aan den Atlantischen Oceaan.
Behoudens de kleine verschillen, veroorzaakt door de aantrekking van het vaste land, door de veranderingen in luchtdruk, door den invloed der getijden, mag men den waterspiegel der zee als bijna standvastig beschouwen; die waterspiegel is dan ook het beste merkteeken ter vergelijking. Indien men van eeuw tot eeuw aan eene kust eene verandering van de waterhoogte waarneemt, dan is men zeker, dat niet de zee in hoogte veranderd is, maar de grond. De zee houdt steeds dezelfde gemiddelde hoogte, omdat de hoeveelheid water, die in den vorm van regen of sneeuw neervalt, gelijk is aan die welke door verdamping der zee opstijgt; dit kan trouwens niet anders, daar de wolken gevormd worden door verdamping van het water der zee en der rivieren.
Men schat de hoogte van den regen, die ieder jaar op de geheele aarde neervalt, op 1,50 meter. Dit is dus ook juist het bedrag, dat verdampt, om de wolken te vormen. Indien die waterdamp buiten de aarde kwam, zou de zee van jaar tot jaar lager worden. Maar het water valt in den vorm van regen weder in den Oceaan neer, of het wordt door de rivieren weder naar den Oceaan toegevoerd. Indien het regent, keert een deel van het neervallende water onmiddellijk weder door verdamping in den dampkring terug; het overblijvende water dringt in den bodem, totdat het eene laag ondoordringbare klei vindt. Het glijdt dan over die laag heen, totdat het eindelijk eene bron vormt, in de nabijheid van de oppervlakte der aarde. Dit is de oorsprong van alle bronnen, beken en rivieren. Men vindt bronnen op alle hoogten, van de toppen der bergen af, tot op den bodem der zee. Die verdamping, die verdichting tot wolken boven in de lucht, en dat neerslaan als regen, maakt van de aarde eenen grooten distilleerketel. De zonnewarmte, die noodig is, om die hoeveelheid water op te heffen tot de gemiddelde hoogte der wolken, komt overeen met den arbeid, die verricht zoude worden door 1500 milliard paarden, zeven uren per dag werkende!
Iedere rivier, hetzij zij haren oorsprong vindt in de gletschers, zooals de Rijn, de Rhône, de Po, de Garonne, of in de bergstroomen, zooals de Seine, de Loire enz, volgt eene sterke helling, die haar in den regentijd eene groote snelheid geeft, zoodat de terreinen, waardoor zij stroomt, sterk veranderen. Zij graaft valleien, maakt gesteenten los, rolt steenen voort, verbrijzelt die en sleept ze mede, zoodat zij eene groote hoeveelheid zand en slijk medevoert. Op het bovengedeelte van haren loop bijt zij den bodem uit; op het tweede gedeelte, waar de stroom nog krachtig genoeg is om de stoffen mede te voeren, maar breeder en regelmatiger, graaft zij hare bedding niet meer uit, doch vult zij die evenmin weder aan; op het derde gedeelte, waar zij tot de zeevlakte nadert, wordt de helling flauw en zet zij de medegevoerde stoffen af, zoodat daar aanslibbing plaats vindt. Zoo komt de Rhône, die haren oorsprong op 1760 meters hoogte in de Alpen heeft, in het meer van Genève met eene gemiddelde helling van 7,40 meter per kilometer. Bij haar binnentreden in dat meer zet zij reeds zóóveel stoffen af, dat het meer van Genève sterk in lengte en diepte afneemt; dit is reeds van geslacht tot geslacht merkbaar. Van Genève tot Lyon is de helling slechts 1 meter per kilometer; van Lyon tot Beaucaire is zij 0,40 meter, en van Beaucaire tot Arles 0,12 meter; van Arles tot aan zee is er slechts eene helling van 1 meter op de 50 kilometers; de rivier heeft daar op sommige plaatsen eene breedte van verscheidene kilometers, hare snelheid, die te Genève en zelfs te Lyon nog zoo groot was, is bijna nul en al het zand spreidt zich daar uit over eene groote uitgestrektheid, die door de golven en de zeestroomingen voortdurend gewijzigd wordt. Dit is de wijze, waarop iedere rivier de gedaante der planeet wijzigt. Enkele rivieren, zooals de Seine, de Gironde, de Theems, de Hudson, houden eene voldoende snelheid en worden door de zeestroomingen voldoende uitgeschuurd, om hare monding vrij te houden, en daardoor de vestiging van groote havenplaatsen, zooals Havre, Bordeaux, London, New-York, mogelijk te maken; andere, zooals de Rhône, de Po, de Nijl, de Donau, voeren haar zand zóó langzaam weg, dat langzamerhand de bodem verhoogd wordt en de doortocht voor schepen onmogelijk wordt.
De geheele golf van Lyon, van de Pyreneën tot Marseille, levert bewijzen op van de veranderingen, die aan de monding eener rivier plaats vinden. Voor tweeduizend jaren, vóór de Romeinsche overheersching en gedurende dien tijd, had men eene rij van bloeiende steden langs die golf: Illiberris, Ruscino, Narbonne, Agde, Aigues-Mortes, St. Gilles, Heraclea, Rhodanusia. Vier van die bloeiende steden zijn geheel verdwenen, en slechts puinhoopen zijn er van overgebleven. De overige zijn dood, en haar tegenwoordige toestand is slechts de schaduw van hare vroegere grootheid. Eertijds waren de mondingen diep en bevaarbaar, en langs de kusten waren lagunen, evenals die van Venetië, voor de scheepvaart geopend. Maar de bedding der rivier rijst langzaam en de steden, eertijds door hare stroomen gevoed, en als het ware uit de lagunen geboren, zijn thans met die lagunen gestorven. De bosschen zijn onverstandig door den mensch geveld. De lagunen zijn in poelen, de poelen in koortsverwekkende moerassen veranderd. Reeds eeuwen lang tracht men de grootste oppervlakte dier moerassen droog te maken, maar de grond is nog steeds niet vast genoeg voor den plantengroei.

Fig. 102. Geleidelijke vermindering van de zee aan de monding van de Po.
Men begrijpt, dat de rivieren aan hare monding de neiging hebben, aan het vaste land uitbreiding te geven ten koste van de zee, en om de stoffen af te zetten, die aan de bergen ontrukt zijn door de bergstroomen en die tot poeder verbrijzeld zijn. Dit is reeds voldoende, om den vorm der landen langzamerhand te wijzigen. De monding van de Po geeft hiervan een merkwaardig voorbeeld. Fig. 102 doet ons reeds bij den eersten oogopslag zien, hoe de Adriatische zee is afgenomen door de aanslibbing van de Po. De stad Adria was ten tijde der Etrusken, voor drieduizend jaren, aan den oever der zee gelegen. Zij is thans 26 kilometers van het meest nabijzijnde gedeelte der zee verwijderd; de Adige en de verschillende zeearmen van de Po, drijven den oever der zee langzaam terug; de hoofdmonding van de Po is thans 35 kilometers van den meridiaan over Adria verwijderd. De winst van het land op de zee bedraagt jaarlijks zeventig meters. Jaarlijks worden door de rivier 42 760 000 cubieke meters slib aangebracht, of 1,36 cub. meter in de secunde. De Donau voert jaarlijks slechts 35 500 000 cubieke meters slib aan.
De dijken werden reeds in de XIIIde eeuw aangelegd; daardoor is het land beveiligd tegen de jaarlijksche overstroomingen, maar de bedding der rivier rijst, zoodat de oppervlakte van het water van de Po iets hooger is dan de bodem der omliggende streken; bij de hooge waterstanden van 1870 en 1872 stond het van twee tot vier meters boven den straatweg. Als een dijkbreuk plaats heeft na den regentijd, dan veroorzaken de overstroomingen overal verwoesting en dood. Als de dijken niet verwoest worden, worden de bewoonde streken eilanden: uit onze kaart ziet men, dat Ravenna voor drieduizend jaren eene zeehaven was; dit was zelfs nog het geval ten tijde van Augustus, die de haven uitbreidde; thans ligt de stad op 7 kilometers van de zee.
Dezelfde verschijnselen neemt men waar, als men de monding van den Tiber beschouwt te Ostia bij Rome. Ostia beteekent monding. Die haven is aan de monding van den Tiber gesticht door Ancus Marcius. Thans bevinden zich de puinhoopen van het oude Ostia op 4000 meters van de monding. De vloot van Scipio Africanus vertrok uit die haven naar Spanje. De bevolking, die vroeger uit 80000 inwoners bestond, is thans tot 50 gedaald, en die 50 verlaten de plaats nog des zomers om de malaria. Het tegenwoordige dorp is in 830 door Gregorius IV gesticht. In 1596 werd aan den oever der zee de toren San Michele gebouwd; deze is thans 700 meters van de zee gelegen. Reeds ten tijde der Romeinsche keizers moest men de haven en het kanaal van Fiumicino graven, om de verzande monding der rivier te vervangen. Sedert 1662 bedraagt de vooruitschuiving van de delta van den Tiber gemiddeld 3,90 meters ’s jaars. Fig. 103 geeft ons rekenschap van de verplaatsing der kust.

Fig. 103. Langzame landaanwinning aan de monding van den Tiber.

Fig. 104. Langzame landaanwinning aan de monding van den Nijl.
De Mississipi en de Ganges zijn nog merkwaardiger. De eerste heeft zijn slib tot op 40 kilometers in zee gevoerd; de Ganges en de Brahmapoutra storten in de baai van Bengalen jaarlijks 1 milliard 132 millioen cubieke meters slib!
Wij zouden nog veel meer voorbeelden kunnen noemen. Wij hebben echter alleen de meest sprekende typen gekozen. Het is natuurlijk, dat die landaanwinning alleen plaats heeft, als er geene andere factoren in het spel zijn; een aantal monden vertoonen juist een tegenovergesteld verschijnsel door den vorm der rotsen, door de zeestroomingen of de dalingen van den bodem; het resultaat is echter steeds langzame vervorming. Slechts weinige plekken zijn in het geheel niet veranderd, zelfs van de historische tijden gerekend.
Door dien arbeid van het water worden de bergen lager en de bodem der zee hooger. De Rijn voert in zijn water 6/1000 deelen slib mede, de Garonne 10/1000, de Indus van 2/1000 tot 5/1000. Het is natuurlijk, dat dit maxima zijn, die alleen bereikt worden bij sterken was. Er zijn dagen, waarop de Donau 1250000 cubieke meters slib naar zee voert. Elisée Réclus berekent, dat alle stroomen te zamen jaarlijks 10 cubieke kilometers slib in zee storten. Indien dit zich regelmatig verspreidde over den bodem der zee, dan zoude dat bezinksel in 341 jaren 1 centimeter dik zijn, en dus in 34 millioen jaren 1 kilometer. Al het water der rivieren en stroomen vormt slechts een klein deel van het water der oceanen. Nemen wij aan, dat de gemiddelde diepte der oceanen vijf kilometers bedraagt, dan zoude de hoeveelheid water, die in zee stroomt, eerst in 5½ millioen jaren gelijk zijn aan al het water, dat de zee bevat.
Onverbiddelijk moet de gedaante der aarde veranderen. Indien geen enkele oorzaak rijzingen of dalingen van den bodem teweegbracht, dan zoude alleen door de werking van het water de aarde eindelijk volkomen glad worden, en bedekt met eene laag water van eenige honderden meters diepte. Maar ook de oppervlakte van den bodem wordt gewijzigd. Toch is van eeuw tot eeuw de invloed der aanslibbing alleen duidelijk merkbaar. Zoo zal mettertijd de Middellandsche zee eene aaneenschakeling van meren worden, en nog later een reusachtige stroom. De zee van Azof verandert langzamerhand door de nadering der oevers in eene rivier. De golf van Venetië zal mettertijd niets anders zijn dan het verlengde van de vallei van de Po, en de twee groote bekkens der Middellandsche zee, gescheiden door de onderzeesche zandbank, die Sicilië met Afrika verbindt, zullen twee meren vormen, die al nauwer en nauwer zullen worden en den grootsten stroom der wereld zullen voeden. Dan zullen de Dnieper, de Donau en de Po slechts bijrivieren van dien stroom zijn; misschien zelfs dat de Nijl, die thans reeds zoo weinig beteekent aan zijne monding, al zijn water door verdamping zal verliezen, vóórdat hij den breeden stroom bereikt.
Een dergelijke toestand is werkelijk reeds op Mars aanwezig, welke planeet, ouder dan de aarde, geene wereldzee meer bevat, maar alleen binnenzeeën, stroomen en kanalen.
Niet alleen, dat het water langzamerhand de gedaante der aarde wijzigt, het speelt tevens eene belangrijke rol in de geologische samenstelling der verschillende deelen en in het bewaren van de overblijfselen van levende wezens.
In de Gangesdelta en die van de Brahmapoutra, eene uitgestrektheid van 166400 vierkante kilometers, waarover de twee stroomen hun slib afzetten ter dikte van 60 tot 70 centimeters in de eeuw, vindt men verschillende soorten van krokodillen. Die dieren komen in grooten getale in het brakke water voor over de geheele lijn der zandbanken, waar de delta het snelst aangroeit. Men vindt ze bij honderden bij elkander in de kreken, of zich koesterend in de zon op de ondiepten. Zij vallen menschen en vee aan, werpen zich op de onvoorzichtigen, die in de rivier baden en op de huisdieren of wilde dieren, die daar komen drinken. Dikwijls kan men daar een drijvend lijk zien, dat door eenen krokodil met zulk eene drift wordt aangegrepen, dat het dier, om zijne prooi beter te kunnen vasthouden, half boven water uitsteekt. De gewoonten en de verspreiding dier dieren stellen hen bloot, om in de horizontale lagen van het fijne slib bedolven te worden, dat jaarlijks in de Golf van Bengalen over honderden vierkante kilometers wordt afgezet. De bewoners van het land, die verdronken zijn in die stroomen, worden de prooi van die gulzige dieren, en ook de overblijfselen der dieren zelf worden in de nieuwe formaties begraven. Daarbij komt, dat jaarlijks zoovele lijken van arme Hindoe’s in den Ganges geworpen worden, dat men steeds in het vloeibare slib eenige beenderen of eenige overblijfselen van hun geraamte vindt.
Die bezinkingen worden gesteenten, en de beenderen, die zij bevatten, versteenen evenzoo. De aard, de dichtheid, de dikte, de kleur, de hardheid der lagen hangen af van den aard der voortgestuwde stoffen en de snelheid van het water. De rangschikking in de bezinkselen hangt het meest af van de snelheid van het stroomende water; indien dit toch eene bepaalde snelheid heeft, kan het alleen deeltjes van bepaalde grootte en bepaald gewicht medevoeren. Hieruit volgt, dat naarmate de kracht van den stroom toeneemt of afneemt, de afgezette stoffen reeds gerangschikt zijn naar hare grootte, haren vorm en haar soortelijk gewicht. Verschillende omstandigheden wijzigen den aard der afgezette stoffen. Zoo wordt den éénen tijd van het jaar hout medegevoerd, den anderen tijd slijk. Bereikt de stroom zijne grootste snelheid dan kan hij keisteenan verspreiden over eene oppervlakte, waar bij laag water alleen een fijn bezinksel wordt afgezet.
Maar wij mogen ons niet te ver laten medevoeren door die bijzonderheden, daar het schade zoude doen aan ons overzicht van de verschillende oorzaken, die den bodem hebben gewijzigd. Wij komen thans tot eene andere oorzaak van wijziging, niet minder belangrijk dan de vorige, de rijzingen en dalingen van den bodem. Nemen wij bijvoorbeeld de bekende baai van Mont-Saint-Michel op de grenzen van Bretagne en Normandië. Ten tijde van de Romeinsche verovering en in de eerste eeuwen na Christus strekte zich een onmetelijk woud over die streken uit: het was het bosch van Scissey, waarin verschillende kloosters gesticht werden. Mont-Saint-Michel, toen Mont-Tombe genoemd, lag op 20 kilometers van de zee in het midden van het bosch. Thans ligt het in het midden van eene naakte kust, die tweemalen daags bij vloed bedolven wordt onder de golven der zee, die tot aan de dijken voortgaat, tot op twee kilometers daarvan af en over eene breedte van 30 kilometers. In die geheele streek vindt men aan weerszijden van het strand, dat door den vloed bedekt wordt, reeds op geringe diepte alle soorten van boomstammen.
Een handschrift uit de 9de of 10de eeuw verhaalt, dat Mont-Saint-Michel reeds lang het bosch verloren heeft, waarmede het omringd was, dat God die streek veranderd heeft om den dienst van den heiligen aartsengel voor te bereiden, en dat de zee alles heeft weggevaagd, om den pelgrims, die van alle zijden komen toestroomen, eenen goeden weg te verschaffen. De eerste abdij, aan den dienst van den heiligen Michaël gewijd, was in 709 gesticht, en reeds toen stroomde de zee om den berg; de oude kronieken der abdij leggen immers den aartsengel de woorden in pelago (in de zee) in den mond.

Mont-Saint-Michel.
In 1822, na eenen storm, die het strand had omgewoeld, vond men op tien voet onder het zand eenen straatweg, met platte steenen geplaveid, de sporen dragende van eenen ouden Romeinschen weg, die door den moerassigen bodem van het oude bosch gelegd was.
Wij mogen aannemen, dat in het jaar 709 de hoogste vloed 12 meters boven de hoogte bij laagwater was. Thans bedraagt deze 15,50 meter. De zee heeft dus in hoogte 3,50 meters gewonnen, dat wil zeggen, de bodem is 3,50 meters gedaald, of 33 centimeters in de eeuw.
Volgens een verhaal uit de zesde eeuw kwamen in de baai op denzelfden dag (15 April 565) de twee bisschoppen, Sint-Patern en Sint-Scubilio, om. Den dag vóór hunnen dood gingen zij elkander te gemoet. Het was de dag vóór nieuwe maan en de vloed kwam te zes uren op. Zij waren door den vloed van elkander gescheiden door eene watervlakte van vier kilometers. Thans heeft de zeearm eene breedte van twaalf kilometers.
Zoo kan men een aantal voorbeelden geven van daling van den bodem. In de nabijheid van het vorige bosch was een ander bosch, waarin Dol gelegen is. Thans strekt zich om Dol eene groote vlakte uit, die langzamerhand daalt en alleen door dijken tegen de zee beveiligd kan worden. In die moeras vindt men alle sporen der bedolven bosschen: eiken, kastanjes, populieren enz.
In de twaalfde eeuw was de rivier de Rance, die van Dinan naar St. Malo stroomt, 70 meters breed (bij laag water). Thans is de breedte (eveneens bij laag water) 1100 meters. Die geheele vallei is onder de golven neergedaald.
Bij overlevering weet men, dat het eiland Jersey in de historische tijden met het vaste land verbonden was, en dat ten tijde der eerste bisschoppen (in het jaar 400) de bewoners van het eiland verplicht waren, den bisschop eene plank te brengen, om bij laag water eene rivier over te steken. Het onderzoek der zeekaarten bevestigt die overlevering. Men kan in de zee eene landengte terugvinden, waardoor Jersey een tijd lang hare laatste verbinding met het vaste land gehouden heeft. In die richting kan men over eene lengte van 32 kilometers eene onafgebroken reeks van onderzeesche steenachtige hoogten vinden, die ons die verbinding ten duidelijkste aanwijzen. Op Jersey en Guernsey bedekt thans eene watermassa van 15 meters den bodem, waarop nog in 1340 bosschen en weilanden waren.
De zee bijt ook de klippen weg langs de kust van Calvados. Bij Caen heeft men op zes meters onder laag water overblijfselen van bootjes uit de XVde eeuw gevonden. Bij Cherbourg vindt men op den bodem der zee overblijfselen van een uitgestrekt bosch, bestaande uit thans nog bestaande boomsoorten. Enkele boomstompen staan zelfs nog overeind.
In de baai van Douarnenez (Finistère) bestond eertijds eene beroemde stad, Is. Die stad was nog bloeiend in de eerste eeuwen onzer jaartelling, hoewel zij toen reeds door de zee bedreigd werd en door dijken werd beschermd. Hare verwoesting door de zee dagteekent, volgens de overlevering, van het jaar 444. Men ziet thans nog bij laag water oude muren, die den naam dragen van „Mogher Greghi”, muren der Grieken.
De geschiedenis van de verwoesting dier stad verdient een oogenblik onze aandacht. De overlevering verhaalt, dat de stad Is tegen den Oceaan verdedigd werd door stevige dijken, waarvan de sluizen éénmaal in iedere maand onder toezicht van den koning geopend werden, om het overtollige water af te voeren. De stad was prachtig, het paleis weelderig ingericht, en het hof zedeloos. De dochter des konings, prinses Dahut, was schoon, doch zeer behaagziek en onzedelijk, zoodat zij zich, niettegenstaande haar vader een ernstig vorst was, aan de grootste bandeloosheid overgaf. Koning Gradlon, haar vader, had beloofd, een einde te zullen maken aan de losbandige handelingen zijner dochter, maar hij liet zich steeds door zijne goedhartigheid medesleepen. De jeugdige prinses smeedde een komplot, om het koninklijke gezag te vermeesteren en de oude koning werd in zijn eigen paleis gevangen gehouden. De prinses hield nu het toezicht over het openen der sluizen, en vatte het dwaze plan op om ze bij springtij zelf te openen!... Het was avond; de koning zag St.-Guenolëus, den apostel van Bretagne komen, die hem de onvoorzichtigheid zijner dochter mededeelde: de zee drong in de stad door, de storm stuwde het water voort, en daar de geheele stad op het punt was te verdwijnen, bleef hem niets over dan de vlucht. Toch wilde de koning zijne dochter nog redden: hij liet haar halen, plaatste haar vóór zich op zijn paard en begaf zich, gevolgd door eenige hovelingen, naar de poorten der stad. Toen hij die poorten bereikt had, hoorde hij een akelig gebulder; omziende, zag hij, dat waar vroeger de stad Is gestaan had, zich eene onmetelijke baai uitstrekte, waarin de sterren haar licht weerkaatsten. En al meer en meer naderden hem de golven. Reeds wilden zij hem bereiken en omverwerpen, daar hoorde hij eene stem: „Gradlon, indien gij niet wilt omkomen, laat dan den demon los, dien gij met u voert.” Verschrikt voelde Dahut, hoe hare krachten haar verlieten, een sluier bedekte hare oogen, hare handen, die stuipachtig de borst haars vaders omklemden, verstijfden en vielen langs haar neer: zij stortte in de golven. En zie, nauwelijks hadden de golven haar verzwolgen, of het water bleef stil staan. De koning kwam behouden te Quimper en vestigde daar zijne residentie.
Zeker is dit verhaal eene legende, maar toch bevat het eenen grond van waarheid: de overstrooming eener groote stad in de Vde eeuw onzer jaartelling.
Behalve Is zijn ook door de zee verzwolgen: de stad Herbadilla (bij Nantes), in 580,—Tolente, bij Brest;—Nazado, bij Erquy;—Gardoine, in de vlakte van Dol, ten tijde van Karel den Groote. Van den mond der Loire tot Finistère vindt men geen enkel gedeelte, waar niet overstroomde steden gevonden worden, en geen strand, waar men niet sporen vindt, waaruit blijkt, dat die plaatsen vroeger bewoond waren.
Op de kust bij Duinkerken, daar waar thans het strand door de zee bedekt wordt, waren eertijds bosschen. Het strand te Etaples (bij Montreuil) bevatte een zoo groot aantal in het zand bedolven boomen, dat de staat het recht verpachtte, om ze uit te graven.
België en Nederland dalen langzaam; de grond der steden, in de nabijheid der kust gebouwd, is beneden de oppervlakte der zee, zelfs bij de laagste getijden; op verscheidene plaatsen komt de zee bij hoog water boven de daken der huizen. Indien die streken toch bewoond zijn en tot het oude land behooren, dan hebben zij dat te danken, niet aan de natuur, maar aan de door de menschen vervaardigde dijken, en dat wel sedert de oudste tijden van de geschiedenis van Nederland. Nog steeds worden die streken met bewonderenswaardige volharding tegen de zee beveiligd.

Verwoesting der stad Is in de Vde eeuw onzer jaartelling.
Wij behoeven slechts eenige feiten mede te deelen, om een denkbeeld te verkrijgen van den strijd, dien de inwoners van Nederland tegen het water hebben te leveren.
In de 12de en 13de eeuw verwoesting der kust: 140 000 slachtoffers.
In 1282, vorming der Zuiderzee, door instrooming van het water in het meer Flevo.
In 1321, 100 000 slachtoffers.
In 1421, 72 dorpen verzwolgen aan den mond van de Maas.
In 1427, 55 dorpen verwoest.
In 1570, doorbraak van de dijken aan den mond van de Maas, 10 000 slachtoffers.
In 1531, vergrooting van de Haarlemmermeer.
In 1717, nieuwe overstrooming, 12 000 slachtoffers, de grond is tien meters onder de vloedlijn gedaald.
In 1775 overstrooming en tal van rampen, enz.
De kronieken van Nederland bevatten de treurigste verhalen van die vreeselijke werking der zee op eenen steeds dalenden bodem. In de jaren 1421, 1427 en 1446 werden meer dan tweehonderd dorpen van Friesland en Zeeland verzwolgen. Langen tijd zag men de spitsen der torens boven het water uitsteken. Het eiland der Batavieren, reeds tijdens Tacitus bewoond, ligt thans onder de laagwaterlijn. Bij hevige westerstormen staan de golven op de Hollandsche kust 5½ meter boven de straten van Amsterdam.
De Zuiderzee, die eene oppervlakte heeft van 196 670 hectaren en eene diepte heeft van 1 tot 8 meters, is eerst in de dertiende eeuw ontstaan. De tijd is waarschijnlijk niet meer ver af, dat menschenhanden haar zullen droog maken en dienstbaar zullen maken aan den landbouw, zooals dit ook geschied is met de Haarlemmermeer, die 21 kilometers lang en 10 kilometers breed was en 724 millioen cubieke meters water bevatte. Ten tijde van Tacitus was de Zuiderzee vast land met enkele meren, waarvan het grootste het meer Flevo was. Toen stroomde de IJsel daar doorheen, en stortte zich deze, zijnen loop vervolgende, tusschen Vlieland en Terschelling in zee.

Fig. 107. Zeeuwsche eilanden, onder de zee verdwenen.
Dezelfde verschijnselen als aan de Nederlandsche kusten neemt men ook waar aan den mond der Gironde. Men behoeft slechts de kaarten van het jaar 1752 met die van 1842 te vergelijken, om te zien, dat de zee daar in dien tijd 1200 meters is vooruitgegaan. In 1774 was de vloedlijn te Soulac 950 meters van de kerk verwijderd, in 1865 nog slechts 560 meters.
De rots van Cordouan maakte eertijds deel uit van het vaste land; in het jaar 1500 was zij er bij laag water alleen door eene nauwe en doorwaadbare geul van gescheiden. Thans is zij zeven kilometers van de kust verwijderd en men kan alleen bij laag water den toren bereiken. Zelfs kan men wiskundig aantoonen, hoeveel de jaarlijksche daling bedraagt. Immers door de daling van den bodem heeft men den vuurtoren moeten verhoogen, opdat het licht over dezelfde uitgestrektheid zichtbaar zoude zijn als eene eeuw geleden. De daling bedraagt drie meters in de eeuw. Hier heeft echter ook het inbijten van het zeewater zich met de daling van den bodem vereenigd.
Het eiland Aix, tegenover Rochefort, is in het jaar 1400 van Rochefort losgeraakt; thans ligt het er verscheidene kilometers van verwijderd.
Hetzelfde is het geval met Arcachon, en op de kust van Landes tot aan Spanje. Zeer merkbaar is die vooruitschuiving der zee te Saint-Jean-de-Luz. De stad strekte zich eertijds noordwaarts uit: een klooster der Benedictijnen, dat daar vroeger stond, is thans onder het water bedolven en verwoest, met uitzondering van twee putten, wier metselwerk weerstand heeft geboden aan het water, en waaruit men nog zoet water putten kan. Jaarlijks gaat de zee twee meters vooruit.

Fig. 108. De vuurtoren van Cordouan en het eiland in de 16de eeuw.
In de Middellandsche zee, aan het uiteinde der Adriatische zee, is Venetië een voorbeeld van de langzame daling van den bodem: deze bedraagt 0,155 meter in de eeuw. Het plaveisel van het Marco-plein, dat reeds eenmaal is opgehoogd, wordt van tijd tot tijd overstroomd door het water dat bij springvloed doorsijpelt. Het is dus zeker, dat de bodem van Nederland, België, Normandië, Bretagne en een gedeelte van de Fransche kust van den Atlantischen Oceaan daalt. Hoeveel bedraagt die daling? Sommigen schatten die op 2 meters in de eeuw, en beweren, dat Normandië en Bretagne in tien eeuwen 20 meters zullen gedaald zijn, dat alle havens aan het kanaal en aan den Oceaan zullen verwoest worden, en dat later Parijs eene zeestad zal worden, om nog later, over een twintigtal eeuwen, onder het water te verdwijnen; anderen daarentegen zijn van meening, dat dit nog wel zevenmaal langer zal duren. Het is echter slechts eene vraag van tijd. Het feit op zichzelf is niet betwistbaar. Over eenige eeuwen zal Parijs zeehaven geworden zijn, uitsluitend door de krachten der natuur, later zal diezelfde streek langzaam onder de zee verdwijnen, tenzij ten minste die daling ophoude en er eene rijzing op volgt, wat mogelijk is, maar volstrekt niet zeker.

Fig. 109. De vuurtoren van Cordouan.
De Seine is te Parijs slechts 26 meters boven den gemiddelden waterspiegel der zee gelegen. In toekomstige eeuwen zullen het Pantheon, de sterrenwacht, de Triomfboog, de toekomstige gebouwen van Montmartre, Père-Lachaise en Mont-Valérien boven de zee uitsteken als de laatste getuigen van vervlogen eeuwen. Maar het is hoogstwaarschijnlijk, dat die heerlijke stad niet zoolang leven zal, en dat zij over vier- vijf- of zesduizend jaren reeds vergeten zal zijn, als de brandpunten der beschaving zich naar gene zijde van den Atlantischen Oceaan zullen hebben verplaatst.
Wat Holland, de baai St.-Michel, Venetië, Cordouan en andere betreft, valt er aan het dalen van den bodem niet te twijfelen. In andere gevallen komt nog bij die daling de verwering der kusten door de golven der zee. Somtijds ook, zooals bij Kaap la Hève is de uitbreiding van de zee alleen het gevolg van het knagen aan de kusten, zonder dat de bodem gedaald is. Overal waar de rotsen ondermijnd worden door het water, wordt de kust weggebeten. In Engeland vindt men daarvan een aantal voorbeelden. Het eiland Sheppey in Kent, verliest meer dan eene hectare in het jaar, en als dit zoo voortgaat, is de tijd niet ver meer verwijderd, dat het geheele eiland verdwenen is. Verder oostwaarts ziet men de kerk van Reculver, die ten tijde van Hendrik VIII op 1600 meters van de zee verwijderd was. In 1781 was er nog een aanzienlijke afstand tusschen den muur van het kerkhof en de klip; in 1804 werd een deel van het kerkhof bedolven; in 1834 vond Lyell menschenbeenderen en een stuk van eene houten doodkist, die uit de ingestorte glooiing uitstak, thans blijft de kerk alleen staan door eenen kunstmatigen dijk van steenen en palen, die haar beschermt (fig. 110 en 111).
Op de kust van Suffolk is de stad Dunwich, eertijds de belangrijkste haven van die streek, door het inwerken van het water op de rotsen, waarop zij gebouwd was, geheel verwoest. De verwoesting begon in de 11de en is in de 18de eeuw voleindigd.
Te Harwich, Folkestone, St. Leonard, Hastings, New-Haven wordt de kust door de zee afgeknaagd, die op verschillende punten meer dan honderd meters in de eeuw vooruitgaat. Men houdt met die afneming der Engelsche kusten op sommige plaatsen zóózeer rekening, dat men ze bij koopactes schat op 1 meter in het jaar.
Ook in Turkije, b.v. te Gallipoli, knaagt de zee aan de rotsen. Dikwijls kan de mensch die verwoesting der klippen in bedwang houden door de golven te beletten, tot den voet der steilte door te dringen. Niet ver van Dover verheft zich de beroemde klip, die de Engelschen aan Shakespeare gewijd hebben ter herinnering aan de schoone beschrijving, door hem daarvan in „King Lear” gegeven. Om die historische plek, de rotsen en de daarop gebouwde huizen, den spoortrein, te beschermen, heeft men door mijngangen het geheele bovenste deel der rots, wier voet verteerd was, laten springen. Door middel van 9 000 kilogram kruit heeft men één milliard kilogram verbrijzeld en doen neêrstorten, welke massa eene bank vormt van zeven tot acht hectaren, die door hare glooiing in de eerste eeuwen de verwoesting der rots belet, welke reeds gedurende achttien eeuwen over eene lengte van twee kilometers afgeknaagd was.

Fig. 110. Het voortwoekeren der zee: De kerk van Reculver in 1781.
Kan men reeds van geslacht tot geslacht en zelfs van jaar tot jaar dat knagen der zee volgen bij klippen op het vasteland gelegen, des te sterker komt dit uit op eilanden. Enkele sterk glooiende eilanden, die vroeger eene groote uitgestrektheid hadden, zijn bijna geheel verdwenen. Zoo kan men in de Noordzee het eiland Helgoland noemen, dat bestaat uit bonte zandsteen, en dat over zijnen geheelen omtrek omgeven is door eene rotssteilte van 60 meters hoogte. In de elfde eeuw strekte het zich uit over eene oppervlakte van 900 vierkante kilometers, was het zeer vruchtbaar, en rijk aan graan, vee en pluimgedierte. Thans is er nog slechts eene bank over van 2 kilometers lengte en 600 meters breedte, en vindt men er onvruchtbare weilanden en enkele aardappelvelden. Zoo zouden wij nog een groot aantal voorbeelden kunnen noemen.

Fig. 111. De kerk van Reculver in 1834.
Indien eenerzijds de zee aan het vasteland knaagt, kunnen wij anderzijds voorbeelden genoeg vinden, hoe het vasteland aanwint ten koste van de zee. Wij hebben reeds gesproken over de monden der rivieren en zullen thans enkele voorbeelden geven van de rijzing van den bodem.
In Bretagne vormden het vlek Batz tusschen de Loire en de Vilaine, le Croisic en Pouliguen, eertijds een eiland. Langzamerhand is de ruimte tusschen het eiland en het vasteland in eene moeras veranderd. Strabo verhaalt, dat dit eiland bewoond werd door Samnitische priesteressen, die daar eenen wreeden en onzinnigen godsdienst uitoefenden. De zoutmoerassen zijn door de zee verlaten.
Te Carnac wijkt de zee terug, te Hennebont eveneens; te Brouage, niet ver van Rochefort, is de zee teruggeweken en heeft zij plaats gemaakt voor zoutpoelen. De vrachtdieren worden thans vastgemaakt aan dezelfde ringen, waaraan tijdens het beleg van La Rochelle (1627) de schepen van Richelieu bevestigd werden. Het stadje Brouage, dat thans om zijne ongezonde ligging verlaten is, krijgt in zijne grachten alleen bij springvloed water.
In Rochefort zijn de scheepshellingen, die ten tijde van Lodewijk XIV vervaardigd zijn, thans 1,25 meter te hoog; in de zoutpoelen daar ter plaatse bemerkt men, dat van jaar tot jaar de bodem rijst, en moet men, om het water te doen binnenstroomen, dat het zout moet leveren, meer en meer tot de kust naderen, en de oude verdampingsbekkens laten liggen, die nu eene breede strook vormen achter de thans in gebruik zijnde bekkens.
Ten zuiden van den mond der Loire vindt men het eiland Noirmontiers, eertijds een op zich zelf staand eiland, thans bij eb aan het land verbonden. De gemeente Bourgneuf heeft in honderd jaren 500 hectaren aangewonnen. De baai van Aiguillon schijnt het overblijfsel te zijn van de oude golf van Poitou, die zich tot Niort, Luçon en Courçon uitstrekte; aanslibbingen en misschien ook eene rijzing van de kust hebben in betrekkelijk korten tijd eene landaanwinst van 500 000 hectaren geleverd: men berekent, dat de zee jaarlijks dertig hectaren afstaat; blijft dit zoo voortduren, dan is van de geheele golf van Poitou over honderd jaren niets meer over.
Op de kust der Vendée, bij Aiguillon, bezaten de monniken van Saint-Michel-en-l’Herm een onmetelijk terrein met visscherijen en paardenstoeterijen, die honderdduizenden guldens jaarlijks opbrachten; daar zij wenschten de landaanwinningen voor zich te behouden en vreesden, dat de koning hun die vermeerdering zoude betwisten, luidden hunne eigendomstitels: in het westen tot aan Amerika. Men ziet, dat zij de noodige voorzorgsmaatregelen genomen hadden. Hendrik IV durfde des avonds bij stormweder niet over te steken naar het eiland Noirmoutiers, hoewel die overtocht thans bij elk mogelijk weder op paarden of ezels geschiedt.
Bij al die oorzaken van verandering der kusten moeten wij nog de zandduinen voegen, door den zeewind voortgestuwd. Op de kust van de Landes in Gascogne brengt de zee jaarlijks 6 millioen cubieke meters zand aan! Dat zand, door den wind voortgedreven, vormt heuvels, somtijds bergen. Er zijn er van 80 tot 90 meters hoogte. In Afrika, op de lage zandoevers, waar de Oceaan aan de Sahara grenst, bereiken de duinen van kaap Bojador en kaap Verde dikwijls eene hoogte van 120 tot 180 meters. Men heeft van eeuw tot eeuw dorpen zien bedelven onder het fijne stof. In Gascogne zijn de dorpen Lislan en Lélos geheel verdwenen. Het dorpje Mimizan is nog bijtijds gered door palen en beplantingen. Sommige duinen verplaatsen zich 20 tot 25 meters jaarlijks. De mensch houdt ze thans tegen door beplantingen, die den wind geen vat geven.
Indien de zeewind en de landwind gemiddeld met elkander evenwicht maken, blijven de duinen op hunne plaats; wat zij den éénen dag winnen, verliezen zij den volgenden dag. Maar indien de zeewind de overhand heeft, breiden zij zich hoe langer zoo verder uit en vormen zij wandelende heuvels, die onverbiddelijk in het land binnendringen. Zoo bedekken de duinen van Santec in de nabijheid van Saint-Pol-de Leon (Finistère) eene streek, die tot in 1616 bewoond en vruchtbaar was; men kon nog in het begin dezer eeuw, de klok van den toren en enkele schoorsteenen boven het zand zien uitsteken. De duinen gingen jaarlijks 537 meters vooruit! Men heeft dien voortgang tegengehouden door beplanting.

Fig. 112. Dorp onder de duinen begraven.
In ons land heeft men dezelfde verschijnselen waargenomen. Van 1421 tot 1625 is het dorp Petten eenmaal geheel vernield en heeft het tweemaal zóóveel verloren, dat men de huizen landwaarts heeft moeten verplaatsen. De Hondsbossche zeedijk was in de zeventiende eeuw nog door duinen van 350 meters breedte beschermd; sedert dien tijd is dat duin weggeslagen. Van 1660 tot 1839 is de laagwaterlijn 670 meters oostwaarts verplaatst.
De voet der duinen is langs de kust van Noord-Holland van 1843 tot 1853 gemiddeld 20 meters geweken. Op sommige plaatsen is door aanstuiving het weggeslagene weder teruggegeven.
Van Noordwijk-buiten en Katwijk-buiten is herhaaldelijk een deel der huizen door stormvloeden weggeslagen. Het huis te Britten, waarvan in 1694 nog de fundamenten gezien zijn, lag een paar duizend meters van het tegenwoordige strand. De kerk te Scheveningen ligt op 1800 meters van de plaats, waar de vorige gestaan heeft.
Op Voorne en Goeree hebben zich de duinen eveneens oostwaarts verplaatst, zóó zelfs dat de zee gronden heeft vermeesterd, die vroeger aan den binnenkant der duinen lagen.
Men ziet, dat een aantal oorzaken inwerken op den vorm der kusten. Somtijds worden de brokstukken der klippen als keisteenen en zand langs de kusten medegevoerd door de vloedgolven, en worden daardoor banken gevormd. Dit is het geval op de kusten van het Kanaal, aan den mond van de Somme, op de kusten van Vlaanderen, Holland en het oosten van Engeland. De zeestroomen, de windrichting en de loop van het zand, dat naar de monden der stroomen gevoerd wordt, veranderen dus op ingewikkelde wijze de gedaante der kusten.
Doch keeren wij tot de beweging van den bodem terug.
Het duidelijkst blijkt de langzame doch zekere verandering van den bodem in Zweden en het geheele Scandinavische schiereiland, dat aan de ééne zijde rijst, terwijl het aan de andere zijde daalt. Reeds in 1730 had de Zweedsche sterrenkundige Celsius (bekend door den honderddeeligen thermometer) uit de berichten van boeren en visschers afgeleid, dat de Bothnische golf van jaar tot jaar in diepte en uitgestrektheid afneemt; oudere lieden wezen hem verschillende punten van de kust aan, waar de zee in hunne jeugd nog kwam; de namen der plaatsen, de binnenwaartsche ligging van vroegere havens, de overblijfselen van booten, ver van de zee gevonden, de volkszangen, konden daaromtrent geenen twijfel overlaten. Was het hier de zee, die gedaald, of de grond, die gerezen was? Toen ten tijde was men algemeen van gevoelen, dat de bodem onveranderlijk was, en zoowel Celsius als de andere geleerden van zijnen tijd schreven de verandering toe aan eene vermindering van het water der Baltische Zee. Het volgende jaar, in 1731, trok hij met Linnaeus eene merklijn aan den voet van eene rots op het eiland Loeffgrund, en dertien jaren later was het water 0,18 meter gezakt. Hij werd door de theologen van Stockholm en Upsala, die beweerden dat de schepping onveranderlijk was, van onrechtzinnigheid beschuldigd, en zelfs werd het Parlement geroepen, om het vraagstuk door stemming te beslissen. De vertegenwoordigers van het volk en den adel hadden zóóveel gezond verstand, dat zij zich onbevoegd verklaarden; maar de geestelijkheid en de burgerij verklaarden de nieuwe meening kettersch! De geschiedenis der kerkelijke ijdelheid zal toch steeds merkwaardig blijven!
Doch de uitspraak der Zweedsche theologen belette de aarde niet te veranderen. Sedert Celsius en Linnaeus heeft men de waarnemingen voortgezet, en heeft men duidelijk aangetoond, dat werkelijk de bodem van Zweden merkbaar in het noorden rijst en in het zuiden daalt. De scheidingslijn loopt van de Zweedsche kust naar die van Sleeswijk-Holstein, tot voorbij Bornholm en Laaland. Volgens de laatste opmetingen (1884) is de noordelijke kust in 153 jaren 2,10 meters gestegen. Daarentegen daalt het zuidelijk uiteinde van het Scandinavisch schiereiland en ook Jutland langzaam. Oude bosschen aan de kust der zee zijn verzwolgen en dalen nog steeds. Enkele straten van Trelleborg, Istad, Malmö staan thans onder water: de laatste stad is sedert 1731 1,55 meters gedaald.
Tot op 27 meters hoogte vindt men zeeschelpen, die overeenkomen met die, welke thans in die zeeën gevonden worden.
Toen men de kanalen groef, die bij Stockholm het Mölarmeer met de zee verbinden, kwamen oude begraven schepen te voorschijn. Toen men eenen heuvel afgroef, vond men eene houten woning, op 15 meters diepte onder het zand, de klei en de grint bedolven.
Ook in Devonshire en in Cornwall (Engeland) vond men onder de zee begraven bosschen; bij laag water vindt men een aantal zwart geworden stompen van boomen, en pootaarde, waarin hazelnoten, takken, bladeren en beenderen gevonden worden. Die stompen staan alle vertikaal: de daling moet dus langzaam en zonder schokken hebben plaats gehad.
Van Kessing tot Cromer (Norfolk) is een bosch van 64 kilometers lengte zichtbaar bij laag water; dat bosch bestaat uit boomstammen, die nog met de wortels aan den grond bevestigd zijn; er zijn er onder, die van 60 tot 90 centimeters middellijn hebben, en de kleibedding, waarin zij gevonden worden, bevat eene groote hoeveelheid plantaardige stoffen. Zij komen te voorschijn, zoo dikwijls de golven bij laag water het zand en de keisteenen hebben weggeruimd, die ze bedekken.
Ook te Plumstead, te Dagenham, en andere gedeelten van de Theems, tusschen Woolwich en Erith, kan men bij laag water de overblijfselen vinden van een bosch, waarover tegenwoordig de Theems stroomt; men heeft daar onder 6 tot 8 voet aangeslibden grond, eenen bodem gevonden, bestaande uit takken, bladeren, en sporen van boomen en beenderen van dieren uit het tegenwoordig tijdperk. Die daling is van jongen datum, evenals alle vorige. De stad Londen is op een oud bosch gebouwd, dat eertijds bewoond werd door dierenrassen, waarvan men de overblijfselen heeft weergevonden.
Die dalingen en rijzingen hebben niet alleen in het tegenwoordige tijdperk plaats gehad; ook eertijds deed zich ditzelfde verschijnsel voor, en daaruit kan de verscheidenheid in de hoogte van de aardschors verklaard worden.
Groenland, thans overdekt met ijs en bezaaid met puinhoopen, was, zooals de naam aanduidt; eertijds een vruchtbaar land. Na de reizen, in 983 en 986 door Erik den Roode gedaan, werd het land langs de kusten gekoloniseerd. Thans bedekt het ijs meer dan de helft van de twee milliard vierkante kilometers zijner oppervlakte. Het is na de ijsperiode gerezen, en die rijzing heeft banken van schelpen, overeenkomende met die, welke thans in de naburige zee gevonden worden, tot 50 meters opgevoerd. De expeditie van 1879 tot 1883 op last van de Deensche regeering ondernomen, heeft eene ruïne gevonden uit de middeleeuwen, op eene klip gelegen, die zóózeer gedaald is, dat de zee den voet aanraakt. De westelijke kust daalt langzaam maar zeker.
Niet ver van Groenland vindt men op de oude zeekaarten op 57° N.B. en 30° W.L. „het verdronken Bussland”, waarvan men thans geen spoor meer terugvindt. Daar staat thans 748 vademen water boven eenen onderzeeschen berg, waaromheen aan weerszijden de diepte 1200 vademen bedraagt. Toch wezen nog in 1777 de zeekaarten daar eene klip aan. Nog verder teruggaande in de geschiedenis vindt men in 1380 het verhaal van twee Venetiaansche edelen, Nicola en Antonio Zeni, die, door eenen storm overvallen, zijn opgenomen door eene Christelijke bevolking, die een groot eiland bewoonde, waarop honderd steden en honderd dorpen gevonden werden. Was dat eiland Bussland of een deel van Groenland? De geschiedenis zwijgt er over. Waarschijnlijk is daar een verdronken eiland.
Wij mogen na het voorgaande als zeker aannemen, dat de westkust van Groenland, het zuidelijk uiteinde van Zweden, Pruisen, Hannover, Holland, België, Vlaanderen, Picardië, Normandië, een groot deel van Bretagne, (de Vendée, Poitou, Saintonge schijnen te rijzen), de Landes en Gascogne tot aan Spanje, de kust der Adriatische zee, de Nijldelta en de streek van het Suezkanaal, de monden van den Indus en de Gangesdelta, dalen. De oostkust van Noord-Amerika tusschen Florida en New-Foundland, en Brazilië van den mond der Amazonenrivier tot aan de Pornahyba, de Amazonenvallei, die over 500 kilometers door den Oceaan bedekt is en de Andes, waarop Quito gebouwd is, schijnen langzaam te dalen. Daarentegen rijzen Spitsbergen, de Oostkust van Siberië, Noorwegen en de Scandinavische Alpen, Schotland, Sardinië, Tunis, de beide oevers der Roode zee en Turkestan.

Fig. 113. In zee verzinkend bosch op de kust van Zweden.
Oudtijds was Engeland met Frankrijk verbonden. Aan weerszijden van het kanaal is de geologische gesteldheid van den bodem dezelfde; men vindt er dezelfde formaties, en de in Frankrijk waargenomen rijzingen zetten zich in Engeland, aan de overzijde van het kanaal, voort. Engeland heeft geene enkele plant, geen enkel dier, dat niet van het vasteland afkomstig is. Bij het nauw van Calais heeft de vereeniging van de wateren van den Atlantischen Oceaan met die der Noordzee plaats gehad: de afstand van de Engelsche en Fransche kust is daar nog thans slechts 22 kilometers en de grootste diepte is daar 57 meters. Wanneer is het nauw van Calais ontstaan? Dit is moeilijk uit te maken; zeker is het, dat het in het tegenwoordig tijdperk, en misschien wel na het optreden van den mensch moet geschied zijn. Een sterke stormvloed kan voldoende geweest zijn, om den doorgang te openen. Het nauw van Calais wordt steeds dieper. Eene eerste kaart van den bodem van het kanaal van het jaar 1737 geeft 29 vademen voor de grootste diepte tusschen Dover en Calais; zij wijst bovendien eene bank aan over de geheele breedte van het nauw, waarboven slechts 19 vademen water stond. In 1737 was dus de grootste diepte 47 meters. De kaart, in 1876 vervaardigd, naar aanleiding van het plan van den onderzeeschen tunnel tusschen Frankrijk en Engeland, geeft voor dat maximum 57 meters. Het kanaal zou dus in 139 jaren 10 meters dieper geworden zijn. Wel kunnen wij op de peilingen van de vorige eeuw niet volkomen vertrouwen, maar aan de daling van den bodem valt toch niet te twijfelen. Tusschen Folkstone en kaap Gris-Nez vindt men banken, die slechts vijf of zes meters onder water liggen. De landengte van Dover–Calais is dus nog zichtbaar.
Het nauw van Calais wordt niet alleen dieper, het wordt ook breeder. De rotssteilte van kaap Gris-Nez, het uiteinde van Frankrijk, dat het dichtst bij Engeland gelegen is, wijkt jaarlijks 25 centimeters terug. Ditzelfde is bij Dover het geval.
Ook Ierland is in de tegenwoordige geologische periode van Engeland gescheiden.
Evenals Engeland eertijds aan Frankrijk verbonden was, zoo was ook Afrika aan Europa verbonden. De straat van Gibraltar heeft niet altijd bestaan. Reeds de ouden hadden, met het oog op den symmetrischen vorm van beide kusten, daarvan een vermoeden: volgens hen had Hercules den doorgang tusschen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche zee geopend. Sallustius beschouwt het zelfs als eene ongerijmdheid; dat men Europa en Afrika verschillende namen heeft gegeven. Evenals het nauw van Calais, zoo wordt ook de straat van Gibraltar wijder onder den invloed der verschijnselen in den dampkring, de stormvloeden en de zeestroomingen. Uit een dierkundig oogpunt kan men het oorspronkelijke verband tusschen Afrika en Europa hieruit afleiden, dat in het noorden van Afrika geene enkele soort van levende weekdieren gevonden wordt, die niet ook in het zuiden van Spanje voorkomt.
De straat van Gibraltar, oudtijds bekend onder den naam van „de Zuilen van Hercules” om de reusachtige rotsen, die beide kusten begrenzen, wordt van eeuw tot eeuw wijder en dieper. Plinius, Pomponius Mela, Avienus spreken van boomrijke eilanden, die haar doorsneden; er zou zelfs een tempel gestaan hebben ter eere van Hercules. Volgens Plinius was de kleinste breedte 10 of 11 kilometers, de grootste breedte 14½ kilometer. Thans is de grootste breedte 16 kilometers. De zee heeft de stad Belo verzwolgen, op 12 kilometers ten oosten van Tarifa, en in de baai van Gibraltar zelf, een deel der stad Carteya.
Hoeveel landen zijn sedert het optreden der menschheid reeds verdwenen! Allen, die de oude letteren liefhebben, hebben in Plato de schoone bladzijden gelezen, gewijd aan de herinnering van Atlantis, dat geheimzinnige land, dat eertijds bestond tusschen Europa en Amerika, en waarop een vroeger menschengeslacht geleefd heeft. Zeker is het, dat in de miocene periode de planten en dieren van Europa en Amerika dezelfde waren, hoezeer zij ook thans mogen verschillen. Waarschijnlijk was dus in dien tijd het verdwenen vasteland, dat zijnen naam gegeven heeft aan den Atlantischen Oceaan, door eilanden aan Europa zoowel als aan Amerika verbonden. De bewoners der Canarische eilanden zijn zelfs wel eens beschouwd als de afstammelingen der oudste menschheid, die Atlantis bewoonde.
Het eiland Madagascar is ongetwijfeld een stuk van een vastland, onder de golven gedaald. Hoewel niet zoo ver van Afrika verwijderd, heeft het toch geheel andere plant- en diersoorten; er komen zelfs slangen en apen voor, die nergens anders op de aarde gevonden worden. Hetzelfde is met het eiland Ceylon het geval. Het behoorde ongetwijfeld met Madagascar en de Seychellen tot een oud vastland, thans in den Indischen Oceaan ondergegaan.
De meeste Antillen schijnen te behooren tot een vastland, dat niet met Noord Amerika in betrekking stond. Iedereen weet, dat Nieuw-Zeeland eene geheel op zich zelf staande planten- en dierenwereld bezit. Noch de levende soorten, noch de fossielen komen overeen met die van Australië of Zuid-Amerika.

Fig. 114. Langzame teruggang van den waterval der Niagara.
Naar de zoo merkwaardige versteeningen, te Pikermi gevonden: hipparion’s, antilopen, giraffen, mastodonten, rhinocerossen, dinotheriums, machaerodonten, te oordeelen, is Griekenland het overblijfsel van een oud vastland, dat uitgestrekte bosschen en overvloedige weilanden bezat, en dat zich tot Afrika uitstrekte over de streken, thans aangewezen door de eilanden van den Griekschen Archipel en de Zee van Kandia.

Fig. 115. Panorama van den waterval der Niagara.
Alles verandert met grootere of kleinere snelheid. Wie kent niet bij name den prachtigen waterval van de Niagara! Deze levert een prachtig voorbeeld van de langzame uitholling eener diepe vallei in het harde gesteente. De rivier stroomt over eene hooge bergvlakte, waarin het bekken van het Eriemeer eene uitholling vormt. Het gedeelte, waar de rivier uit het meer komt, is meer dan 1600 meters breed en ligt meer dan 100 meters boven het Ontariomeer, dat 48 kilometers daarvan verwijderd is. Als de Niagara het Eriemeer verlaat, op de 25 eerste kilometers van haren loop, wordt zij begrensd door oevers, die bijna even hoog liggen als het aangrenzend land, ten westen opper-Canada en ten oosten de staat New-York; de oevers zijn daar nergens meer dan 9 of 12 meters boven de oppervlakte van het land. De rivier, op sommige plaatsen 4800 meters breed, en op verschillende plaatsen doorsneden door lage, en boomrijke eilanden, vormt eenen helderen en rustigen stroom; het verval bedraagt slechts 4,50 meters op eene uitgestrektheid van verscheidene kilometers; de rivier gelijkt in dat gedeelte van haren loop op eenen arm van het Eriemeer. Maar spoedig verandert zij van karakter, en zoodra zij den waterval nadert, loopt zij schuimend over eene bedding van steenachtige en oneffen kalksteen, en doorloopt zij zoo eenen weg van omstreeks 1600 meters, totdat zij eindelijk, aan den waterval gekomen, vertikaal neervalt van eene hoogte van 50 meters. Een eiland, aan den rand van den val gelegen, verdeelt de Niagara in twee watervlakten; de grootste is 530, de kleinste 180 meters breed. Nadat het water zich gestort heeft in een diep bekken, stroomt het met groote snelheid in een nauw kanaal met groote helling over eene uitgestrektheid van elf kilometers. Die bergkloof, die slechts van 200 tot 400 meters breed is, en van 60 tot 90 meters diep, eindigt plotseling te Queenstown in eene lange rij van rotssteilten tegenover den oever van het Ontariomeer. Zoodra de Niagara die engte voorbij is, komt zij in eene vlakte, die zóó weinig hooger ligt dan het Ontariomeer, dat de elf kilometers, begrepen tusschen Queenstown en de oevers van dat meer, slechts een verval hebben van 12 centimeters.
Een blik op dien waterval wijst reeds op eene voortdurende verwoesting; het gedeelte van het bekken, dat in de laatste 150 jaren ontstaan is, en dat in diepte, breedte en aard overeenkomt met het overige deel van de engte, die zich beneden uitstrekt over eene lengte van elf kilometers, doet ons besluiten, dat de geheele bergkloof op dezelfde wijze gegraven is, door teruggang van den waterval.
In het jaar 1885 heeft Wesson nagegaan, hoeveel de waterval teruggaat, nadat reeds Bakewell in 1829 en Lyell in 1841 hetzelfde hadden gedaan. Fig. 114 geeft de merklijnen van dien teruggang aan, volgens de officieele kaart der Vereenigde Staten van Amerika. Die teruggang is niet regelmatig; maar van 1842 tot 1883 bedraagt hij 77 meters, of gemiddeld 1,88 meter ’s jaars. Naar dien maatstaf zoude de waterval eerst voor 6000 jaren begonnen zijn terug te gaan, te beginnen bij Queenstown. Lyell had over eene kleinere uitgestrektheid voor dien teruggang 0,30 meters ’s jaars gevonden, hetgeen dus op eenen tijd van 35000 jaren zoude wijzen. Eertijds stroomde de rivier in eene andere bedding, waarvan men de sporen niet ver van de tegenwoordige bedding terugvindt.

Fig. 116. Waterval van de Niagara.
Deze veranderingen gaan ongemerkt voorbij voor den mensch, waarnemer van éénen dag, omdat ons leven te kort is en onze tijd in beslag wordt genomen door andere, minder belangrijke onderwerpen.
Wij zagen zooeven, dat alle bergen langzaam verweren onder den invloed van den dampkring. Dit blijkt duidelijk, zoodra wij oude historische herinneringen raadplegen. Zoo vraagt hij, die voor het eerst Rome, „de stad der zeven heuvelen” bezoekt, waar de zeven heuvelen zijn. Zij zijn gedaald, hunne overblijfselen hebben de valleien, die er tusschen lagen (vooral het Forum) gevuld, en het zijn thans slechts nietige hoogten.
In praehistorische tijden was de Seine eene veel breedere rivier dan thans. Te Parijs was zij verscheidene kilometers breed en 37 meters hooger dan thans.
Voortdurende verandering! Hier graaft het water den bodem uit, daar verhoogt het den bodem weder, door het slib af te zetten, dat bij groote overstroomingen is aangevoerd, of door eene bedding te vormen uit de bouwstoffen, door den regen aan de bergen ontnomen.

Fig. 117. De tempel van Serapis te Pozzuoli.
In de schoone golf van Napels, op dien tooverachtigen oever, waar de geschiedkundige herinneringen, zich parend aan de schoonheden der natuur, ons zooveel te denken geven, vindt men te midden der puinhoopen van Pozzuoli den ouden tempel van Jupiter Serapis, een merkwaardig getuigenis van de veranderlijkheid van den bodem. Die tempel, omstreeks 105 vóór Christus gebouwd, aan de kust der zee, maar ver boven den waterspiegel, en door Septimius Severus met kostbaar marmer versierd tusschen de jaren 194 en 211 na Christus, later weder door Severus Alexander tusschen 222 en 235 verfraaid, werd door Alarik in 410 en door Genserik in 445 verwoest. De bodem, waarop die tempel gebouwd is, is onder den waterspiegel gedaald. De drie prachtige marmeren zuilen, die er nog van over zijn, elk bestaande uit één enkel blok van 12,5 meter hoogte, zijn zóóver gedaald, dat zij nog slechts 6,30 meter hoog zijn. Deze daling heeft plaats gehad in de middeleeuwen en is geëindigd in de XVde eeuw; het bovengedeelte van de ondergedompelde zuilen is over eene hoogte van 2,70 meter door steenetende weekdieren, die toen evenals thans in zee leefden, aangetast, zoodat zij bezaaid zijn met kleine gaten, waarin men nog thans hunne schelpen vindt. Die gaatjes zijn zóó diep, dat zij wijzen op een langdurig verblijf van die diertjes in de zuilen, want naarmate de dieren ouder en grooter worden, vergrooten zij hunne woning. Het ondergedeelte der zuilen is niet aangetast, omdat dit in den bodem der zee was ingedrongen, en tot eene hoogte van 3,60 meters bedekt was met modder en vulkanische slakken.
Op het einde der 15de eeuw begon diezelfde bodem weder langzaam te rijzen. In eene oorkonde van October 1503 staat geschreven, dat Ferdinand en Isabella aan de hoogeschool te Pozzuoli een gedeelte afstaan van de streek, waar de zee van terugwijkt; na dien tijd kan men in de oorkonden die langzame rijzing volgen. In 1749 was de tempel geheel uit het water te voorschijn getreden, en het omringende land drooggeworden. In 1807 zag de bouwkundige, die belast was met de herstelling der puinhoopen, nooit water op de straat, behalve wanneer de zuidewind hevig waaide. Maar de grond begon toch weer te dalen. Van 1822 tot 1838 bedroeg die daling 25 millimeters in de vier jaren, zoodat men in 1838 dagelijks visch ving op plaatsen, waar in 1807 bij stil weder nooit een druppel water stond. In 1857 en 1858 vond Lyell, dat er 0,60 meter water op de straat stond. Nog steeds daalt de bodem. Die merkwaardige schommelingen in den bodem, door den tempel van Serapis zoo duidelijk voor den dag komend, zijn in die geheele streek zichtbaar. Zoo zijn te Pozzuoli zelf de tempel van Neptunus en die der Nymfen onder water; hetzelfde is met twee Romeinsche wegen het geval; langs de kust vindt men overal schelpen, en aan de andere zijde van Napels, te Sorrente, heeft men op eene zekere diepte onder zee stukken van Romeinsche gebouwen gevonden. Op het eiland Capri (het beroemde Capua der ouden) is één der paleizen van Tiberius door het water bedekt.
Men mag met Babbage en Lyell aannemen, dat de warmte op de ééne of andere wijze de oorzaak is van de verschijnselen, die de verandering in de hoogte van den tempel bepalen. De warme bron van dien tempel, de onmiddellijke nabijheid van den Solfatare en de Monte-Nuova, de warme bronnen van Nero, op de tegenover gelegen kust van de golf van Baja, de kokende bronnen, de oude vulkanen van Ischia en de Vesuvius, ziedaar een aantal omstandigheden, die dit vermoeden wettigen. Vergelijkt men toch de dagteekening der voornaamste schommelingen met de geschiedenis dezer landstreek, dan is een zeker verband niet te miskennen tusschen iedere rijzing en eene plaatselijke ontwikkeling van vulkanische warmte, terwijl iedere periode van daling samenvalt met eenen toestand van rust in den onderaardschen vuurhaard. Zóó lag bij voorbeeld, vóór onze jaartelling, toen de talrijke vulkanen van Ischia hunne uitbarstingen deden gevoelen, en de Phlegreïsche velden bekend waren wegens hun vulkanisch karakter, de bodem, waarop de tempel van Serapis rust, hoog boven het water. Toen werd de Vesuvius als een uitgedoofde krater beschouwd; maar toen in de eerste eeuw na Christus die vulkaan weder tot uitbarsting kwam, kon men geene enkele uitbarsting meer op het eiland Ischia of in de golf van Baja aanwijzen. Toen was de tempel aan het dalen. In de vijf eeuwen, die de groote uitbarsting van den Vesuvius van 1631 voorafgingen, was de vulkaan zeer rustig, maar toen had men uitbarstingen te Solfatare in 1198, te Ischia in 1302, terwijl de Monte-Nuovo in 1538 ontstond. In die periode rees de bodem van den tempel weder. Eindelijk begon de Vesuvius weer te werken, zooals nog steeds het geval is, en na dien tijd daalt de bodem van den tempel weer.
Deze verschijnselen komen overeen met de onderstelling, dat zoodra er zich bij toeneming der inwendige warmte lava vormt, zonder dat deze eenen gemakkelijken uitweg vindt, de omringende bodem rijst; terwijl diezelfde bodem daalt, zoodra de rotsen, daaronder gelegen, afkoelen en zich samentrekken, en de lava langzaam vast wordt en in volume afneemt.
De Monte-Nuovo, die merkwaardige berg, wiens hoogte 132 meters en wiens omtrek aan den voet 2400 meters bedraagt, en die in ééne nacht ontstond op de plek van het oude Lucrinische meer, is uit een geologisch oogpunt zeer belangrijk. Gedurende 492 jaren was de Vesuvius betrekkelijk rustig geweest (terwijl de Etna juist bijzonder krachtig werkzaam was) en nog bijna honderd jaren daarna had er geene uitbarsting plaats. Den 29sten September 1538, rees, na twee dagen van aanhoudende aardbevingen, de kust zóóveel, dat de zee over eenen weg van tweehonderd schreden terugging. In den namiddag zag men op de plaats, waar thans de Monte-Nuovo staat, den grond eerst vier meters inzakken en daarna rijzen; na eenige uren opende zich de grond en spuwde hij vuur, asch en steenen uit. Des avonds braakte de grond, evenals een vulkaan, met gevaarlijk geraas, groote steenblokken uit. De geheele streek werd bedekt onder eenen regen van puimsteen en asch. Twee ooggetuigen, die elkander niet kenden, en wier handschriften eerst veel later zijn teruggevonden, deelen mede, dat de nieuwe vulkaan tot op 2400 meters aardmassa’s en steenen opwierp zoo groot als ossen. Den volgenden morgen zag men, dat een hooge berg uit den grond was opgerezen. De uitbarsting duurde onafgebroken twee dagen en twee nachten voort; toen men na afloop der uitbarsting den nieuwen berg besteeg, zag men op den top eenen krater van 400 meters omtrek; de steenen, die daarin neergevallen waren, geleken op blazen, die uit kokend water losraken. Den vierden dag begon de uitbarsting weer, en den zevenden dag was zij zóó hevig, dat verscheidene personen, die op den berg waren, door de steenen gedood werden of door den rook verstikten. Merkwaardig is het, dat de krater inwendig tot aan den voet van den berg doorloopt: het benedenvlak, op 126 meters van den top, ligt slechts op 5,70 meters van de oppervlakte der zee verwijderd. Het is een krater, die overeenkomt met die op de maan.

Fig. 118. De storm.
Die geheele streek is van vulkanischen aard. Daar was, zooals men weet, volgens Virgilius de onderwereld gelegen (Phlegreïsche velden). Men vindt daar het meer van Averno, de Solfatare, de Sibyllijnsche grot, enz. Ook vindt men daar de beroemde Hondsgrot, waarin een hond verstikt wordt door het onzichtbare koolzuur, dat tot op één voet van den bodem stijgt, terwijl de mensen gewone dampkringslucht ademt. Daar vindt men ook de zweetbaden van Nero, een gang in den berg, waarvan de temperatuur 55° bedraagt: een jongen gaat naakt met eenen leegen emmer en rauwe eieren in de gaanderij en komt na drie minuten terug, met den emmer vol warm water, de eieren gekookt, en het lichaam zoo rood als een kreeft. Ook de Solfatare is zóó hol, dat de grond tot op eenen grooten afstand beeft, als men er met den voet op trapt.
Ten slotte wijzen wij nog op de verwoestingen, door de vulkanen en de aardbevingen aangericht; in het jaar 79, toen Pompeji, Herculanum en Stabia verwoest werden, en op de verwoesting van Ischia (1883).
Bij al deze oorzaken van verwoesting moeten wij nog de stormen voegen. Onophoudelijk werken zij mede tot de vernieling der kusten. Duidelijk komt dit uit aan de kusten van den Atlantischen Oceaan. Bij donkeren hemel en hevigen wind, ziet men het heir der schuimende golven uit de zee opkomen en de rotsen beuken. Zij storten vooruit, botsen tegen elkander, werpen zich met blinde woede op de klippen. Alles wat van de klip kan losgemaakt worden, wordt weggespoeld, vermorzeld en medegesleurd, en een naakt geraamte met fantastische vormen blijft over. De rotsen zelf worden tot keisteenen vermalen, als zij het water niet doorlaten. De brokstukken zelf worden door de golven gebruikt als geschut tegen de muren. Als de golven onmiddellijk tegen den voet der rotssteilte kunnen aanstroomen, dan rammeien zij die rotsen, zooals eertijds de stormrammen de oude vestingmuren rammeiden, en brengen zij den berg zelf aan het wankelen. De kracht der golven bij eenen storm is verbazend. Door de klippen en hindernissen geprikkeld, stijgen zij dikwijls tot 20, 50 of 100 meters tegen de rotsen op als schuimend stof, dat in de lucht weer neervalt. Men heeft dikwijls drukkingen waargenomen van 35000 kilogram op éénen vierkanten meter. Ontzaglijke steenblokken, als beschutting tegen de dijken geplaatst, die duizenden kilogrammen wegen, worden voortgerold en zelfs weggeslingerd ten speelbal van den woedenden storm; te Cherbourg is het zwaarste vestinggeschut verplaatst. Tot op 1500 meters afstand kan men met gevoelige werktuigen het beven van den grond aantoonen. Een ieder kent het spreekwoord: Gutta cavat lapidem, non vi, sed saepe cadendo, de waterdruppel holt den steen uit, niet met geweld, maar door dikwijls te vallen. Het regenwater verandert den bodem, graaft afgronden, veroorzaakt ophoopingen van grond en aardschuivingen, en dat alles door zijne weekmakende en oplossende werking.
Te Lons-le-Saulnier hebben aanhoudend, o.a. in 1703, 1712, 1738, 1792, 1814, 1836 en 1848 aardstortingen plaats gehad. Het schijnt, dat eene soort van onderaardsche rivier onder de stad doorloopt en langzamerhand de mergel ondermijnt. In 1792 verdween plotseling een molen, huizen daalden in eenen afgrond neer en werden met 15 meters water bedekt. Toen men den afgrond wilde vullen, teneinde de naburige straten te beveiligen, wierp men er 15711 karrevrachten puin in, zonder hem te kunnen vullen.
Een ander merkwaardig voorbeeld van de werking van het water is opgemerkt in Georgia bij Milledgevile. Toen Lyell in 1846 die streek bezocht, merkte hij op, dat het water in 20 jaren eene bergkloof had gegraven van 16 meters diepte tegen 54 meters breedte en 300 meters lengte, en dat wel in een terrein, dat eertijds boomrijk, nooit eenige merkbare verandering had ondergaan. Toen de boomen geveld waren, ontstonden er spleten van negen centimeters in de klei, tengevolge van de zomerwarmte; in den regentijd begon het water de spleet te verwijden. Zóó werd langzamerhand die breede bergkloof gevormd. Een nauwkeurig onderzoek, in het jaar 1885 in de Vereenigde Staten gedaan, heeft aangetoond, dat het regenwater jaarlijks 385 kilogram per hectare aan de berghellingen ontneemt, om het weg te voeren in de valleien, rivieren en in de zee.
En wat te zeggen van de bergstortingen, door het water veroorzaakt? Steile en vooroverhangende rotsen, die boven de velden hingen, raken plotseling los en glijden langs de hellingen af; neerstortend doen zij stofwolken opstijgen, die gelijken op de asch, door vulkanen uitgeworpen; de geheele vallei is in duisternis gehuld, de grond dreunt onder het botsen en stooten der rotsblokken. Als de duisternis is opgetrokken, dan ziet men puinhoopen en rotsblokken, dáár waar eertijds groene weiden en vruchtbare akkers gelegen waren; de bergstroom is in eenen modderpoel veranderd, en de muur van rotsen heeft zijnen ouden vorm verloren.
Vreeselijk waren de gevolgen van het neerstorten van een deel van den Rossberg, den 2den September 1806. Die berg, ten noorden van de Rigi gelegen, in het midden van het schiereiland, begrensd door de meren van Zug, Egeri en Lowerz, bestaat uit lagen van stevig samengepakte stoffen, op eene kleibedding rustend, die door het water ondermijnd wordt. Reeds op een onbekend tijdstip was het dorp Rotten door de instorting van eenen bergwand verwoest; maar in 1806 was de vernieling nog veel ontzettender. Het had langen tijd geregend, en de kleilagen waren langzamerhand in eene modderachtige massa veranderd; eindelijk begonnen de bovenste rotsen, nu zij haren steun misten, langs de helling af te glijden. Plotseling stortte de geheele massa, met hare bosschen, weiden, hutten en bewoners in de vlakte neer; de tegen elkander botsende rotsen sloegen vlammen uit; het water der diepe lagen, plotseling in damp veranderd, spoot uit den grond, en ontzettende massa’s steen en modder werden als uit den mond van eenen vulkaan uitgeworpen. De prachtige buitenplaatsen van Goldau en vier dorpen, door omstreeks duizend menschen bewoond, verdwenen onder de puinhoopen, en de woedende golf, door het storten van het puin in het meer van Lowerz tot eene hoogte van twintig meters opgeheven, vaagde alle woningen weg. Het gedeelte van den berg, dat ingestort was, was vier kilometers lang, 320 meters breed en 32 meters hoog, d. i. 40 millioen cubieke meters.
Minder hevig was de bergstorting, die in het jaar 1881 de helft van het dorpje Elm in Zwitserland vernielde. Deze ramp was het gevolg van onvoorzichtigheid. Gedurende eeuwen waren leigroeven gegraven, in eene vooruitstekende rots, zonder dat men zich de moeite gaf de rots te schoren. Reeds vóór de instorting verwachtte men het onheil: er had zich in den grond boven de groeve eene spleet gevormd, die jaarlijks breeder en dieper werd. Eindelijk brak de grond door: tien millioen cubieke meters steen stortten zich uit over het dorp Unterthal en stootten tegen eenen daar tegenover gelegen berg aan, die de ontzettende massa steenen weer in de vlakte terugkaatste.
Zoo zien wij, hoe de verschijnselen in den dampkring, het ijs en de bergstroomen de onvermoeibare werklieden zijn, die een geheel net van gangen, engten, valleien in de bergen gevormd hebben. Die werklieden verlagen nog steeds de hooge toppen der bergen en voeren de bouwstoffen, aan de hellingen ontnomen, naar de vlakten en naar zee.
Ook de temperatuur werkt op den bodem; over dag zetten de stoffen uit onder den invloed der zonnewarmte, des nachts krimpen zij in door de uitstraling, zoodat de geheele massa rijst en daalt; het bedrag dier verandering is dikwijls meetbaar. De sterrenwachten te Armagh, in Ierland, te Grenève, te Neuchatel staan, blijkens de waarnemingen, daar gedaan, niet volkomen stil, maar schommelen naar gelang van het jaargetijde; die te Neuchatel helt bovendien langzamerhand naar het westen over door eene verschuiving van den grond. Indien men bij sterrenwachten zoodanige schommelingen waarneemt, dan is dit niet het gevolg van mindere stevigheid van den grond, waarop die gebouwen geplaatst zijn, maar eenvoudig van de nauwkeurigheid der waarnemingen, die op zoodanige inrichtingen worden volbracht, en die den sterrenkundige in staat stellen, de geringste afwijkingen aan te toonen.
Een ander voorbeeld van de rijzingen en dalingen van den grond, wordt, voor zoover de bodem der zee betreft, door de koraaleilanden of atollen geleverd. Die ringvormige eilanden werden door koralen gebouwd, die alleen op geringe diepte onder den waterspiegel kunnen tieren en evenmin kunnen leven boven den kam der golven. De hoogte der koralen staat dus in nauw verband met die van den waterspiegel. Indien een koraaleiland aan het dalen is, groeien de koralen evenals boomen aan, zóódanig dat zij steeds gelijk blijven met den waterspiegel. Fig. 120 maakt dit duidelijk. Als het eiland daalt, neemt de diepte van het water daarboven toe; het is alsof de waterspiegel rees, en het koraaleiland verkrijgt de hoogten A, B, C. In den Stillen Oceaan en in de Indische zee vindt men koraaleilanden, die eene hoogte hebben van meer dan 1000 meters.

Eene aardbeving.
Merkwaardige scheppingen! Terwijl de golven met hun wit schuim de koraalriffen beuken, zijn de atollen van binnen kalm als een meer. Door het doorschijnende water heen ziet men het prachtig gekleurde bosch op den bodem van het water bloeien, bij duizenden en tienduizenden vermenigvuldigen de koraalbloemen hare schitterende sterren; alles is licht en leven in die nieuwe tuinen der Hesperiden; zelfs het veelkleurige mos, dat de tusschenruimten vult, bestaat uit millioenen koraaldiertjes. De kleine bouwlieden leven en werken zonder ophouden. Al rukt de storm de grootste steenblokken af, de bevolking herstelt dag en nacht het verlies. Geen monster uit het dierenrijk, geene inspanning door menschenhanden, kan ooit iets wrochten, dat wedijveren kan met de onmetelijke eilanden, door de nietige koraaldiertjes op den bodem der zee opgericht.

Fig. 120. Vertikale doorsnede van een koraaleiland op verschillende tijdstippen.
Als wij zeiden, hoe de langzaam voortgaande werking van natuurverschijnselen de verandering van den aardbol verklaren kan, dan wilden wij daarmede niet beweren, dat alle veranderingen steeds langs rustigen en langzamen weg hebben plaats gehad. Van tijd tot tijd toch hebben in de natuur, niet minder dan in de menschheid, omwentelingen plaats. Overstroomingen, vulkanische uitbarstingen, aardbevingen, cyclonen, stormen, grondverschuivingen, het kruien van het ijs, ziedaar een aantal verschijnselen, die zich wel is waar beperken tot bepaalde streken, maar die toch eenen grooten invloed hebben op de gedaante der aarde. Steden zijn verwoest door aardbevingen; Herculanum, Stabia en Pompeji zijn onder de asch van den Vesuvius bedolven; Lissabon is in 1755 door eene schrikkelijke aardbeving geteisterd; Murcia is in 1879 overstroomd; Ischia is in 1883 door eene aardbeving verwoest (2443 dooden); de uitbarstingen van den vulkaan Krakatau heeft in 1883 aan 40000 menschen het leven gekost; de aardbevingen van Spanje (1884) aan 2500 slachtoffers; de aardbeving in Centraal-Azië, in de vallei van Cashmir aan 2700. De uitbarsting van den vulkaan Krakatau is waarschijnlijk de grootste geologische omwenteling in de geschiedenis der menschheid. Die vulkaan, in de Sunda-straat, heeft meer dan 18000 milliard kubieke meters puimsteen en water aan de ingewanden der aarde ontrukt, waarvan twee derden neergevallen is binnen eenen kring van 15 kilometers straal, en het overige derde zich tot zulk eene hoogte in den vorm van waterdamp, fijn stof, enz. verspreid heeft, dat nog een jaar later het avondrood daarvan het gevolg was. Het geraas der uitbarsting is tot op ontzettende afstanden gehoord; de golvingen in de zee hebben zich tot op onze kusten voortgeplant; de evenwichtstoestand in den dampkring is zóózeer verstoord, dat die storing zich over den omtrek der aarde in 35 uren heeft voortgeplant, en zelfs tweemalen den omtrek der aarde heeft doorloopen. De geheele Sunda-straat is door die uitbarsting gewijzigd en nog thans (1885) zet zich die wijziging voort door de zeestroomingen.

Fig. 121. Een koraaleiland.
Al willen wij niet beweren, dat een ontzettende zondvloed de geheele aarde zoude hebben veranderd, en al kan men een groot gedeelte van de verplaatsingen en bezinkingen verklaren door bergstroomen en aanslibbing, zoo kan men toch de overleveringen over den zondvloed niet geheel verwerpen. De oude overleveringen stemmen te zeer overeen, dan dat men kan twijfelen aan eene overstrooming, in vroegeren tijd in de nabijheid van den berg Ararat, in Armenië plaats gegrepen. Ongetwijfeld hebben de eerste menschenstammen, die daar begonnen te ontwaken in den dageraad der beschaving, eene overstrooming beleefd, veroorzaakt door de Caspische, de Zwarte of de Middellandsche zee, of misschien door den Euphraat. Zeker is het, dat dergelijke omwentelingen invloed hebben gehad op den vorm der aarde.
Bij al die veranderingen van den bodem moet nog die van het klimaat gevoegd worden, die alle vorige in belangrijkheid overtreft door haren invloed op het planten- en dierenrijk. De zeestroomingen, die zich wijzigen met de verandering in hoogte der bekkens en oevers, de doorgraving van landengten, de verbreeding van zeestraten, de verwoesting van kapen, de rijzing van landen, dat alles wijzigt reeds het klimaat der verschillende streken. Zonder den Oceaan en den golfstroom, die met zijn lauw water langs de kusten van Frankrijk, Engeland, Nederland en Zweden stroomt, zouden onze streken veel kouder zijn dan thans het geval is, en zouden wij hier het klimaat hebben van Poltava of de Donkozakken. Zoo ook hangt de hoeveelheid water, die jaarlijks op ieder land valt, van de verdamping der zee af, van de windrichting, de gedaante van den bodem; en de invloed, daardoor op het leven uitgeoefend, hangt af van de geologische samenstelling van het land. Bovendien verandert langzaam van jaar tot jaar de schuinte der zonnestralen door de verandering van de helling der ecliptica. Zoo zouden wij nog kunnen spreken over mogelijke veranderingen in breedte, of over veranderingen van den waterspiegel.... Maar het voorgaande is genoeg, om onze lezers te overtuigen van den invloed van het klimaat op den toestand der aarde.
Zoo hebben wij dan in dit hoofdstuk trachten duidelijk te maken, dat het werk der schepping—dat is de voortdurende verandering van wezens en zaken—nog steeds voortduurt; dat zij ons door het tegenwoordige over het verledene doet oordeelen, dat zij in hetgeen thans geschiedt, ons de verklaring schenkt van wat heeft plaats gegrepen sedert het ontstaan der aardsche nevelvlek, sedert de vorming van het protoplasma, sedert het ontstaan van de eerste plant en het eerste dier, tot aan den tegenwoordigen toestand der natuur. Ook de toekomst is reeds als kiem in het heden aanwezig, zooals het heden in kiem voorkwam in het verledene. Ons doel is bereikt, zoo wij hebben aangetoond, dat de wereld vóór de schepping van den mensch is gewijzigd door dezelfde oorzaken, die nog steeds onder onze oogen werken.
Bij de levende wezens is die verandering eene veredeling, eene opklimming tot meerdere volmaking. De geschiedenis der wereld is de stamboom van haren vooruitgang.
