Note 4 — De Juraperiode. (continued 2)
Reading edition
De eerste mosasauri zijn reeds in 1766 bij Maastricht gevonden door eenen officier Drouin, die de beenderen opkocht, welke door de werklieden in de steengroeven ontdekt waren. Hoffman, een officier van gezondheid, zette de onderzoekingen van Drouin voort en verzamelde eene groote menigte bouwstoffen, die bij den dood van den bezitter in 1782 in handen van Petrus Camper overgingen.
Toen in 1793 het Fransche leger Maastricht binnengetrokken was, zond de generaal Kleber naar den Jardin des Plantes te Parijs den fossielen kop van den mosasaurus, die toen in handen was van het kerkbestuur. Faujas de Saint-Fons bestudeerde dien en meende in het Maastrichtsche dier, zooals het toen genoemd werd, eenen grooten krokodil te herkennen. De kop is twee meters lang. Cuvier beschreef den schedel en de wervelkolom, en beoordeelde het zoölogische karakter van het dier juister, hoewel hij den juisten aard der ledematen nog niet voldoende kon vaststellen. Toch herkende hij reeds, dat het eene soort van vinnen waren, die hij vergeleek met die der dolfijnen en der plesiosauren.
In 1841 vond R. Owen naast den bekenden mosasaurus eene nieuwe familie, den leiodon, die aan zijne tanden herkend kon worden. Door die ontdekking nam wel het aantal vormen toe, doch de kennis van de beenderen der soort ging er niet door vooruit.
Iets later (1845) vond Goldfuss weder eene nieuwe soort, den Amerikaanschen mosasaurus, waarvan het geraamte thans te Rome bewaard wordt. Daardoor was onze kennis der mosasauri werkelijk vooruitgegaan. Nadat een tijdlang geene nieuwe ontdekkingen plaats hadden, werd de kennis dier wezens onverwacht vermeerderd door de onverwachte opgravingen aan de overzijde van den Atlantischen Oceaan.
Professor Cope beschreef in zijn groot werk over de gewervelde dieren uit de krijtperiode drie nieuwe soorten (Platecarpus, Clidastes en Sironectes), die te zamen 21 families vertegenwoordigden.
Professor Marsh eindelijk, die 1400 exemplaren van mosasauri bezit, ontstak in 1872 licht over den bouw der schouderbladeren, het bekken en de ledematen. Acht jaren later (1880) beschreef hij het borstbeen. Ook ontdekte hij den aard der huidbekleedsels. Aan de vijf nieuwe families door hem bepaald, voegde Dollo nog twee toe.