Note 2 — De Juraperiode. (continued 2)
Reading edition
Was de ontdekking dezer wezens moeilijk, hunne uitgraving was het nog meer, en slechts onder de grootste voorzorgen kon men die tot een goed einde brengen. De beenderen toch hadden weinig vastheid en vielen tot stof, zoodra men ze vrijmaakte. Om aan dit groote bezwaar te gemoet te komen, nam men zijne toevlucht tot eene handelwijze, die herinnert aan die, welke de tuinlieden toepassen, om graszoden over te planten. Evenmin als zij de grashalmen één voor één uittrekken, om ze zóó over te brengen, maar de aarde, die de graszoden draagt, bij platen losmaken, zoo deed men ook met de beenderen der iguanodons. Men hakte de klei, die de beenderen bevatte, in blokken, en men besloot deze in dien toestand naar de oppervlakte te brengen. Doch die blokken, waarvan enkele 1,50 meters lang en breed, en 60 centimeters hoog waren, liepen door hunne groote afmetingen gevaar van in stukken te vallen. Dit moest tot elken prijs vermeden worden. Daarom omgaf men ze met een hard omhulsel, door ze in gips te dompelen. Zoo werd het blok aan vier zijden bepleisterd, waarna men het naar de oppervlakte bracht. Daarna omgaf men het door ijzeren hoepels en bekleedde ook de beide vrije uiteinden met gips. Vervolgens kreeg het blok een volgnummer, en alle blokken, die tot eenzelfde dier behoorden, werden met eene zelfde letter gemerkt: zoo vermeed men het gevaar, dat de kop van het ééne dier op den romp van het andere geplaatst werd. Bovendien werd nog eene teekening gemaakt van de ligging der verschillende blokken van ieder exemplaar, ten einde ze later nauwkeurig in den stand te plaatsen, dien zij innamen, toen zij nog deel uitmaakten van de kleilaag. Het totale gewicht der blokken bedroeg met hun omhulsel 110 000 kilogram; zij werden per spoor naar Brussel vervoerd, waar zij ongedeerd in het Museum van natuurlijke historie aankwamen.