VIERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
I.
Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest, om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter was samengesteld uit veel stil Hollandsche degelijkheid, een meestal ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht, maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden, beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge ambtenaren—Raden van Indië en Directeuren. En al zag zijn oog dus verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving, verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund met een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit, trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran, maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S., jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart hij geen belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn Regenten?
Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld, anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw.
Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die de post hem dagelijks bracht; en voor zijne vrouw was hij zoo blind, Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar, en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel; die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten, maar wie zelfs nooit aanzweemt iets van het in elkaâr geslingerd complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde, dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken, hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.… als hij over ze dacht, werd een sluimerende teederheid in hem wakker.
De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten, een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich het gelaat van een vijand niet denken. En elken dag kwamen de brieven, en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine, vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed hierover diep in zich.
Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.
Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet geleerd. Hij dacht niet volgens de tintwisseling van zijn leven, hij dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid, onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch dacht.
II.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat Java is … Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en winzuchtig, rond en koel, plantte voet en vlag op de in-een stortende keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie van den bloedvreemden, zielvreemden grond.
Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher met éen enkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, maar hij weet zich stil de meerdere. Hij is zich bewust van de stille kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo blijven: het heden verdwijnt. Onuitgesproken hoopt hij, dat God zal oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.
En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.
III.
—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn waardigheid.
De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden zich, toekijkende van verre.
Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken.
—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck.
—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr hierheen gekomen. Zie hem, hoe hij doet! Hij is dronken, hij is dronken en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren!
Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een onverstaanbare rede.
—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is?
De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd.
—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en tot wien u spreekt?
De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt, met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig, vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.… De overmaat zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit zijne langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich, torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem bezwoer.… Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden. Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de oogen.
—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je herkent.
De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch. Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde: hij wilde niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen, machteloos.… De stoet verdween in het donker.
Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte de slaven van haar genot.… Zij minachtte dien Regent en het was haar een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond, met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie, en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn verdriet. En van haar man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-, allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd.
Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde, dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich kòn gedragen als de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie. Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor ontslag voordragen.… Het kon niet anders.
Hij kleedde zich, sprak met Vermalen en ging met dezen naar de Kaboepaten; beiden drongen zij door tot den Regent, niettegenstaande de aarzeling der volgelingen, niettegenstaande de inbreuk op de etiquette. Zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zagen zij niet. Maar zij vonden den Regent in zijn slaapvertrek. Hij lag op zijn bed, de oogen open, somber bijkomende, nog niet genoeg tot het leven teruggekeerd, om geheel te bevroeden de vreemdheid van dat bezoek; de rezident, de assistent-rezident voor zijn bed. Toch herkende hij hen, maar hij sprak niet. Terwijl zij hem beiden poogden te doen inzien het hoogst onbehoorlijke van zijn gedragingen, staarde hij hen beiden onbeschaamd aan en volhardde in zijn zwijgen. Het was zoo vreemd, dat de beide ambtenaren elkaâr aanzagen en met den blik afvroegen of de Regent niet krankzinnig was, of hij wel toerekenbaar was. Hij had nog geen woord gesproken, hij zweeg steeds. Hoewel Van Oudijck hem dreigde met ontslag, bleef hij zwijgen, starende met onbeschaamde oogen in de oogen van den rezident. Hij opende niet de lippen, hij volhardde in een volkomen geluideloosheid. Nauwlijks schetste een glimlach van ironie zich om zijn mond. De ambtenaren, werkelijk denkende, dat de Regent krankzinnig was, trokken de schouders op, verlieten het vertrek.
Hoe dikwijls Van Oudijck ook al te doen had gehad met het bijgeloof der Javanen, steeds maakte het hem razend, als tegenstrijdig aan wat hij noemde de wetten van natuur en leven. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een Javaan afbrengen van het correcte spoor zijner ingeboren hoffelijkheid. Wat men hem nu ook onder het oog zoû willen brengen, de Regent zoû zwijgen, volharden in het volkomen zwijgen, hem opgelegd door de doekoen. Zoo meende hij veilig te zijn, voor wie hij meende, dat waren zijn vijanden. En dit vooropgezette idee van vijandschap met wien hij zoo gaarne had willen beschouwen als jong-broederlijke medebestuurder, ontstemde Van Oudijck het meest.
Hij ging, met Léonie en Doddy, terug naar Laboewangi. Thuis gevoelde hij een enkel oogenblik het prettige van weêr in zijn eigen huis te zijn, een genot van eigen huiselijkheid, dat hem steeds zeer streelde: het materieele pleizier van zijn eigen bed te zien, zijn eigen schrijftafel en stoelen, zijn eigen koffie te drinken, bereid als hij het gewoon was. Die kleine streelingen brachten hem even in goed humeur, maar aanstonds voelde hij weêr al zijne bitterheid toen hij onder een stapel brieven op zijn bureau herkende de verdraaide handschriften van een paar duistere schrijvers. Werktuigelijk opende hij ze het eerst, en walgde toen hij las den naam van Léonie, samengekoppeld met dien van Theo. Niets was voor die ellendelingen heilig: zij vonden uit de monsterlijkste combinaties, de onnatuurlijkste lasteringen, en gruwlijkste betichtingen tot bloedschande toe. Bij al dit vuil, dat men naar zijn vrouw en zijn zoon smeet, stegen zij beiden hooger en zuiverder in zijne liefde, tot een top van onschendbaarheid, beminde hij beiden met nog grooter en inniger teederheid. Maar al zijn omgewoelde bitterheid gaf hem geheel zijne ontstemming terug. Feitelijk was ze, omdat hij voor ontslag moest voordragen den Regent van Ngadjiwa, en dit niet gaarne deed. Maar deze enkele noodzakelijkheid verbitterde zijn geheele bestaan, maakte hem zenuwachtig en ziek. Als hij niet kon volgen de lijn, die hij had vastgesteld, als het leven afweek van de door hem—Van Oudijck—a priori vastgestelde gebeurlijkheden, maakte hem deze onwilligheid, deze opstand van het leven zenuwachtig en ziek. Hij had zich nu eenmaal voorgenomen na den dood van den ouden Pangéran omhoog te heffen het zinkende geslacht der Adiningrats, zoowel uit liefdevolle herinnering aan den uitstekenden Javaanschen prins, zoowel om zijne rezidents-instructie, als om een gevoel van nobele menschelijkheid en verborgen poëzie in zichzelven. En nooit had het gekund. Dadelijk had hem tegengewerkt—onbewust, door de kracht der dingen—de oude Raden-Ajoe Pangéran, die alles verspeelde, verdobbelde, die zich en de haren ruïneerde. Als een vriend had hij haar terecht gewezen. Zij was niet ontoegankelijk voor zijn raad geweest, maar hare passie was sterker gebleken. Haar zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi, had Van Oudijck reeds dadelijk, nog voor den dood van zijn vader, geoordeeld als onbekwaam voor de werkelijke betrekking van Regent: klein hoogmoedig op zijn bloed, onbeduidend, nooit op de hoogte van het werkelijke leven, zonder talent van regeeren of hart voor den minderen man, zeer fanatiek, altijd bezig met doekoens, met heilige berekeningen—petangans—; altijd gesloten en levende in een droom van duistere mystiek, en blind voor wat welvaart en gerechtigheid zoû zijn voor zijn Javaansche onderdanen. En de bevolking toch aanbad hem, zoowel om zijn adel, als omdat hij een roep had van heiligheid en van een vèrreikende macht te bezitten: een goddelijke tooverkracht. Stil, in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten in flesschen het water, dat bij het bad gestroomd was over zijn lichaam, als een geneesmiddel, heilzaam voor verschillende ziekte. Zoo was de oudste broeder, en de jongere had zich dien vorigen nacht geheel vergeten, bezeten van waanzin door spel en drank.… Met deze zonen wankelde ten ondergang het eens zoo schitterend geslacht: hunne kinderen waren jong; enkele neven waren patih in Laboewangi, in naburige rezidentie’s, maar in hen vloeide ook geen drup meer van het edele bloed. Neen, hij, Van Oudijck, had nooit gekund, wat hij zoo gaarne had willen doen. Zij, wier belang hij voorstond, werkten zelven hem tegen. Het was met hen gedaan.
Maar waarom het zoo zijn moest, begreep hij niet en ontstemde hem, maakte hem bitter.
Hij had zich nu eenmaal voorgesteld een heel andere lijn, een mooie lijn van stijging—zooals hij zijn eigen leven ook voor zich zag—en de lijn van het leven krinkelde verward naar omlaag. En hij begreep niet wat sterker zoû kunnen zijn dan hij, als hij wilde. Was het hem niet altijd zoo gegaan in zijn leven en loopbaan, dat wat hij sterk wilde, gebeurd was met de logica, die hijzelve van dag tot dag gesteld had aan de dingen, die gebeuren gingen? Zijn eerzucht had nu gesteld die logica van de stijgende lijn, want zijn eerzucht had als doel zich gesteld die oprichting van dat Javaansche geslacht.…
Zoû hij falen? Te falen in de streving naar een doel, dat hij zich als ambtenaar gesteld had—hij zoû het zich nooit vergeven. Tot nog toe had hij steeds kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde bereiken, was—hemzelven onbewust—niet alléen een doel van ambtenaar, een deel van zijn werkkring. Wat hij nu wilde bereiken, was een doel, waarvan de idee sproot uit zijne menschelijkheid, uit het edele van hemzelven. Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een ideaal van Westerling in het Oosten, en van Westerling, die het Oosten zag, zooals hij het zien wilde en alleen zien kon.
En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot éene kracht, die hem tegenwerkte, die spotte met zijn voorstelling, die lachte om zijn ideaal, en die des te sterker was naarmate zij dieper verborgen bleef—hij zoû het nooit willen toegeven: zijn natuur was niet om ze te erkennen en zelfs hare klaarduidelijkste openbaring zoû voor zijn ziel een raadsel zijn, en mythe blijven.
IV.
Van Oudijck was dien dag naar het bureau geweest, toen hij, thuiskomende, dadelijk tegemoet werd gekomen door Léonie.
—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zeide zij. Al sedert een uur, Otto. Zij zoû je gaarne willen spreken. Zij heeft op je gewacht.
—Léonie, zeide hij. Zie eens deze brieven in. Ik ontving dikwijls van die pamfletten, en ik heb je er nooit over gesproken. Maar misschien is het beter, dat je er niet onbekend meê blijft. Misschien is het beter, dat je weet. Maar, ik bid je, trek je er niets van aan. Ik hoef je niet te verzekeren, dat ik geen oogenblik ook maar het minste geloof van al die smerigheid. Wees er dus niet ontstemd over en geef mij straks die brieven persoonlijk terug. Laat ze niet slingeren.… En laat de Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen.…
Léonie, de brieven in de hand, voerde de prinses meê uit de achtergalerij. Zij was een waardige, grijze vrouw, met een trotsche koninklijkheid in haar nog slank figuur, de oogen somber zwart; den mond, door het betelsap als breeder geteekend, en waarin de afgevijlde, zwart gelakte tanden grijnsden, was als een maskergrimas en bedierf het edel-hooge van hare uitdrukking. Zij droeg een zwart satijnen kabaia met juweelen gesloten. Het waren vooral hare grijze haren, hare sombere oogen, die haar een bizondere mengeling gaven van eerbiedwaardigheid en smeulenden hartstocht. Er lag over haren ouderdom een tragiek. Zelve voelde zij een noodlot tragisch drukken op haar en de haren en hare eenige hoop stelde zij in de vérreikende, gode-machtige kracht van haar oudsten zoon, Soenario, den Regent van Laboewangi. Terwijl zij nu Van Oudijck voorging in het kantoor, zag Léonie, in de middengalerij, de brieven in. Het waren verzen in vuile taal, over haar en Addy en Theo. Altijd in den egoïstischen droom van haar eigen leven, bemoeide zij zich nooit veel met wat de menschen dachten en spraken, vooral omdat zij wist, dat zij ze met hare verschijning, met haar glimlach, aanstonds weêr allen tot zich terug won. Zij had die rustige innemendheid, die niet te weêrstaan was. Zij sprak zelve nooit kwaad, uit onverschilligheid; zij was harmonisch vergoêlijkend voor alles en iedereen; en zij was bemind—als men haar zag. Maar de vieze brieven, uitgespogen uit een duisteren hoek, vond zij onaangenaam, lastig, ook al geloofde Van Oudijck niet. Wat, als hij eens gelooven ging? Zij moest daarop zijn voorbereid. Zij moest vooral voor dien mogelijken dag bewaren hare innemendste rustigheid, geheel hare onkwetsbaarheid en onschendbaarheid. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte haar zoo, wie had er belang bij om zóo van haar te schrijven aan haar man? Hoe vreemd, dat het bekend was.… Addy, Theo? Hoe wist men? Oerip? Neen, Oerip niet.… Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles bekend? Zij had immers altijd gemeend, dat wat gebeurde in de geheime alkoven, nooit openbaar zoû zijn voor de wereld. Zij had zelfs gemeend—een naïveteit—dat de mannen nooit spraken onder elkaâr over haar; wel over andere vrouwen, maar niet over haar.… In haren geest waren zulke naïve illuzies, trots al hare ondervinding: een naïveteit, die harmonieerde met het poëtische—half pervers, half kinderlijk—van hare rozekleurende verbeelding. Kon zij dan niet altijd geheim houden de verborgenheden van haar mysterie, de verborgenheden der werkelijkheid? Een oogenblik hinderde het haar, de werkelijkheid, die zich, trots hare correctheid, toch openbaarde.… Gedachten en droomen bleven altijd geheim. Het werkelijke gebeuren gaf zoo veel last. Een oogenblik dacht zij voortaan voorzichtiger nog te zijn, zich te onthouden.… Maar voor haar blik zag zij Theo, zag zij Addy, haar blonde en haar bruine liefde, en zij voelde zich te zwak.… Zij wist, dat zij hierin hare hartstochten niet kon overwinnen, hoewel zij ze leidde. Zouden ze toch, niettegenstaande al haren tact, eenmaal haar ondergang zijn? Maar zij lachte om dat idee; zij had een vast vertrouwen op hare onkwetsbaarheid, hare onschendbaarheid. Het leven gleed steeds van haar af.
Maar toch wilde zij zich voorbereiden, op wat gebeuren kon. Zij stelde geen hooger ideaal aan haar leven dan te zijn zonder pijn. zonder smart, zonder armoê, en hare passie’s te maken tot de slaven van haar genot, zoodat zij zoo lang mogelijk genot zoû hebben, zoo lang mogelijk dit leven zoû leven kunnen. Zij bedacht wat zij zeggen en doen zoû als Van Oudijck haar eens ondervroeg, in twijfel om de anonieme brieven. Zij bedacht of zij met Theo toch maar niet breken zoû. Addy was haar genoeg. En zij verloor zich in hare voorbereidingen, als in vage combinaties van een tooneelspel, dat gebeuren ging. Tot zij eensklaps luide de stem van de Raden-Ajoe Pangéran hoorde klinken in het kantoor, tegen de kalme stem van haar man in. Zij luisterde, nieuwsgierig voorgevoelende een drama en zoo rustig blij, dat ook dit drama van haar afgleed. Zij sloop in Van Oudijcks slaapkamer; de tusschendeuren stonden altijd voor de luchtigheid open en een schutsel alleen scheidde slaapkamer en kantoor. Langs het schutsel gluurde zij uit. En zij zag de oude prinses, opgewonden als zij nog nooit een Javaansche vrouw gezien had. De Raden-Ajoe, in het Maleisch, bezwoer Van Oudijck; deze, in het Hollandsch, verzekerde haar, dat het onmogelijk was. Léonie luisterde aandachtiger. En zij hoorde nu, hoe de oude vorstin smeekte, dat de rezident genade zoû hebben met haar tweeden zoon, den Regent van Ngadjiwa. Zij bezwoer Van Oudijck toch te denken aan haar gemaal, den Pangéran, dien hij bemind had als een vader, die hem bemind had als een zoon—met genegenheid, inniger dan het gevoel van „ouderen en jongeren broeder”; zij bezwoer hem te denken aan hun roemrijk verleden, aan de glorie der Adiningrats, steeds de trouwe vrienden der Compagnie, in oorlog hare bondgenooten, in vrede hare trouwste vazallen: zij bezwoer hem niet ten ondergang te doemen hun geslacht, waarop na den dood van den Pangéran drukte een noodlot en het dreef een afgrond van heilloos verderf in. Voor den rezident stond zij als eene Niobe, als een tragische moeder, opgeheven de armen in de zielswarmte van hare betuigingen, tranen weenende uit hare sombere oogen, en alleen de breede mond, geverfd met het bruine betelsap, was als een maskergrijns. Maar in dien grijns ontwelden haar de vloeiende zinnen van betuiging, bezwering, en hare handen wrongen zich smeekende samen, en hare vuist klopte in boete op de borst. Van Oudijck antwoordde haar met een vaste, maar zachte stem, haar zeggende hoe innig hij zeker had liefgehad den ouden Pangéran, hoe hoog hij stelde het oude geslacht, hoe niemand liever dan hij hoog zoû willen houden hunne hoogheid. Maar toen werd hij strenger en hij vroeg haar aan wie de Adiningrats te wijten hadden het noodlot, dat hen nu achtervolgde? En de oogen in hare oogen, zeide hij haar, dat het was aan haar! Zij deinsde terug, opvlammend in woede, maar hij zeide het haar nog eens en nog eens. Hare zonen waren hàre kinderen; bigot en trotsch en speelziek. En in het spel, in dien lagen hartstocht, verongelukte hunne grootheid. In de onverzadelijkheid van hun winzucht wankelde hun geslacht ten ondergang. Hoe dikwijls ging niet een maand voorbij, dat te Ngadjiwa de Regent niet uitbetaalde de traktementen der hoofden? Zij betuigde, het was waar: op háar aandringen had haar zoon het geld der kas genomen, geleend, om speelschulden te voldoen. Maar zij bezwoer ook, het zoû nooit meer gebeuren! En waar, vroeg Van Oudijck, had ooit een Regent, afstammeling van een aloud geslacht, zich zoo gedragen als op het race-bal de Regent van Ngadjiwa? Zij klaagde, de moeder: het was waar, het was waar; het noodlot klemde zich vast aan hun schreden en had met waanzin haar zoon beneveld, maar nooit, nooit zoû het meer gebeuren. Zij zwoer bij de ziel van den ouden Pangéran, dat het nooit meer gebeuren zoû, dat haar zoon zijne waardigheid zoû herwinnen. Maar heftiger werd Van Oudijck en hij verweet haar, dat zij nooit goeden invloed had uitgeoefend op hare zonen en hare neven. Dat zij de slechte geest was van haar geslacht, omdat een demon van speelzucht en winzucht haar vast had in zijn klauwen. Zij begon op te gillen van smart, de oude vorstin, die op den rezident, den Hollander van geen bloed en geboorte, neêrzag; smart, omdat hij zoo dorst spreken en recht er toe had. Zij sloeg hare armen uit, zij smeekte hem om genade; zij smeekte niet haar jongeren zoon voor te dragen voor ontslag bij de Regeering, die doen zoû als de rezident zeide, op zoû volgen den raad van zoo hoog geacht ambtenaar: zij smeekte ontferming te hebben en nog geduld te willen oefenen. Zij zoû spreken met haar zoon, Soenario met zijn broeder: zij zouden tot rede brengen zijn door drank en spel en vrouwen verwilderde zinnen. O, zoo de rezident maar ontferming had, zoo hij zich maar liet vermurwen! Maar Van Oudijck bleef onverbiddelijk. Geduld had hij zoo lang al geoefend. Het was nu ten einde. Sedert haar zoon, onder invloed van de doekoen, vertrouwende op zijn djimat, hem weêrstaan had met zijn insolente zwijgen, dat hem, naar zijn vertrouwen, onkwetsbaar voor vijanden maakte—zoû hij toonen, dat hij, de rezident, de machthebbende van de Regeering, de vertegenwoordiger der Koningin, de sterkste was, trots doekoen en djimat. Het kon niet anders: zijn geduld was ten einde, zijn liefde voor den Pangéran liet niet toe meerdere toegeeflijkheid; zijn gevoel van eerbied voor hun geslacht kon hij niet overdragen op een onwaardigen zoon. Het was beslist: de Regent zoû ontslagen worden.
De vorstin had hem aangehoord, niet kunnende gelooven aan zijne woorden, ziende gapen voor haar den afgrond. En met een kreet als van een gewonde leeuwin, met een gil van smart, trok zij uit haar wrong de juweelen pinnen, zoodat hare lange grijze haren stroomende vielen om haar heen; met éen scheurenden ruk trok zij open de satijnen kabaia; zich niet meer meester van smart, van wanhoop, die haar omwolkte uit den gapenden afgrond, stortte zij neêr voor de voeten van den Europeaan, greep krachtig met beide handen zijn voet, plantte die met éene beweging, die Van Oudijck wankelen deed, op haar neêrgebogen nek en riep uit, gilde uit, dat zij, de dochter der sultans van Madoera voor eeuwig zoû zijn zijn slavin, dat zij zwoer niets te zullen zijn dan zijn slavin, zoo hij slechts dezen keer nog genade had met haren zoon en haar geslacht niet stootte in den afgrond van schande, die zij gapen zag om zich heen. En zij klemde den voet van den Europeaan, als met een wanhopige kracht, en zij hield, als een juk van slavernij, dien voet met de zool en de hak van den schoen gedrukt in hare stroomende grauwe haren, op haar ter aarde gebogen nek. Van Oudijck trilde van ontroering. Hij begreep dat deze hooghartige vrouw nooit zoo, zichtbaar spontaan, zich vernederen zoû tot de diepste vernedering, die zij bedenken kon, zich niet zoû laten gaan tot de heftigste werkelijkheidsuiting van smart, die een vrouw ooit kon openbaren—het haar los, en den voet van den heerscher geplant op haar nek—als zij niet geschokt was in het diepst van haar ziel, als zij zich niet wanhopig gevoelde tot zelfvernietiging toe. En hij aarzelde een oogenblik. Maar ook maar een oogenblik. Hij was een man van overdachte beginselen, van a priori vastgestelde logiek: onveranderbaar in besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie. Met heel veel eerbied bevrijdde hij eindelijk zijn voet uit den klemmenden greep der vorstin, stak haar beide zijn handen toe, en hief haar vol ontzag en met zichtbaar medelijden, zichtbare ontroering, op van den vloer. Hij deed haar zitten, en, gebroken, opsnikkende viel zij neêr. Zij dacht een oogenblik te hebben gewonnen, bespeurende zijne zachtheid. Maar toen hij kalm, maar beslist, het hoofd schudde als ontkenning, begreep zij, dat het gedaan was. Zij hijgde naar adem, half in zwijm, steeds de kabaia open, de haren los. Op dit oogenblik trad Léonie binnen. Zij had het drama voor hare oogen zien spelen en zij was litterair ontroerd. Zij gevoelde iets als medelijden. Zij naderde de vorstin, die zich stortte in hare armen, vrouw zoekende vrouw in de radelooze wanhoop van die onvermijdelijke rampzaligheid. En Léonie, de mooie oogen naar Van Oudijck, murmelde éen woord van voorspraak en fluisterde: geef toe! Het was in hare dorre ziel éene levende opbloeiïng van medelijden. Geef toe, fluisterde zij nog eens. En voor de tweede maal weifelde Van Oudijck. Nooit had hij zijn vrouw iets geweigerd, hoe kostbaar het was, wat zij vroeg. Maar dit was de opoffering van zijn beginsel: het nooit terugkomen op een besluit, het vast doorzetten van eenmaal gewild gebeuren. Zoo had hij altijd beheerscht de toekomst. Zoo gebeurde het altijd als hij wilde. Zoo had hij nooit getoond eenige zwakheid. En hij zeide, dat het niet kon.
Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige oogenblikken, dat de mensch niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar den drang der stille machten. Die oogenblikken eerbiedigde, erkende, kende hij niet en nooit. Hij was de man van het heldere, logische doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de krachten, die te zamen zijn de almachtige stille kracht, zoû hij nooit weten. Dat er volkeren zijn, die ze meer beheerschen, die kracht, dan de Westersche, zoû hij bespotten. Dat er enkelen zijn in die volkeren, individuen, in wier hand ze haar almacht verliest en werktuig wordt,—om de vooronderstelling alleen zoû hij ophalen zijn schouders, en doorgaan. Geene ondervinding zoû hem leeren. Hij zoû misschien een oogenblik niet begrijpen.… Maar dan, dadelijk weêr, vatte hij vast in zijn mannehand de ketting van zijn logiek en schakelde de ijzeren feitschalmen samen.…
Misschien, als hij had toegegeven, ware zijn leven anders geweest.
Hij zag Léonie de oude vorstin, gebroken, in snikken, uitbrengen zijn kantoor.
Een diep gevoel, een algeheel hem ontroerend medelijden, deed vochtig worden zijn oogen. En voor die vochtige oogen verscheen hem het beeld van den Javaan, dien hij lief had gehad als een vader.
Maar toegeven deed hij niet.
V.
Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een weldadigheidsfeest te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte, droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen, omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû nemen om het feest op touw te zetten, maar als hij haar nam—was de onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig verschillende opinie’s en smaken—zoû maken dat men nooit tot een einde kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een twistzieke natuur.
Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal, te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren, streelde hare ijdelheid en hare werklust.
Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche bevolking iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident; aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid, die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide, merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en wie hem zoû vervangen. Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout, en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de oppassers; een paar heeren, die den rezident moesten spreken, liepen in de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten wachten, omdat de rezident met den schout sprak.… Léonie, aan het schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn, dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck, nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden soigneeren.
Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer ongeveer vijfhonderd gulden aan.
Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De mannen lieten zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê. Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen.
Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.… een opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze te spotten.
De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij reeds had laten sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas, dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas dadelijk aan den mond.
Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident, waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan, wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de stof van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen vertrouwen kon.
En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn.
Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes, lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok.
Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk. Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het natuurlijk eenvoudige leven. Wat hij niet zag en hoorde en voelde, dat was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was.
VI.
Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand geoorloofd was. De ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families, des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui, op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al overhalen. Zij hadden een dollen avond.
Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen, Chineezen, Arabieren, rondom de draagkeukentjes, die walmden. En angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende, vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend. En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.
Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.
Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen in de bussen der blijde verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow, aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste effect.
Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne, hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de poffertjeskachel heen.
En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering over zichzelven. In zijn kleine wereld voelde hij zich koning en tevens diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit had gevoeld.
Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende, doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader.…
Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte.…
Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van de laan de witte hadji haar verschrikt had.…