Note 12 — VIERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey, deed als een kanon openspringen de ajer-blanda12-flesch, en liet in het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen, of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd, smeekte het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—, samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn hart geheel, zeide hij haar de woeling, die reeds dagen lang borrelde onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was, dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat gevoel nu onverstandig en onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde, onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde, dat onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar, in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk, dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden: alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals herhaalde zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen, ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen, bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon, voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû. Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten.