← Table of contents
De stille kracht

Note 11 — VIERDE HOOFDSTUK.

Reading edition

Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs de opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong, die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf, schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte schemeren de leêge pendoppo11, met hare rissen van afwachtende stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings