Note 1 — VIERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het groote gevolg van districthoofden op hunne kleine paardjes, achter, de kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de pasàngrahan1 en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den slendang2 en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende de hiëratische lenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van de hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond, dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had, in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij, dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn loopbaan, naar een eervolle plaats onder de menschen, hetzij van aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder gedachte aan morgen.… Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven, en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel, verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet, had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid. Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest; alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijn vóor zich zag. En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn kinderen moesten zijn.