Note 3 — VIERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal ’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident, paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den totalizator.… Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle kanten stroomde het vol, in de twee hôtels; ieder huisgezin borg logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en -zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten. Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.… Dat was uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van srimpi’s3 tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem bekoring, onweêrstaanbaar.…