Note 5 — VIERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
In de galerij ontmoetten zij de Raden-Ajoe, een klein onderdrukt vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Zij naderde weenende; zij vroeg, zij smeekte vergeving. Van Oudijck zeide haar, dat de Regent steeds zweeg, wat hij hem gedreigd had, zweeg met een onverklaarbaar, maar klaarduidelijk voorgenomen zwijgen. Toen fluisterde de Raden-Ajoe, dat de Regent een doekoen5 geraadpleegd had, die hem een djimat6 gegeven had en verzekerd had, dat zoo hij maar volhardde in een volkomen zwijgen, zijne vijanden geen vat op hem zouden hebben. Bang smeekte zij hulp, vergeving, hare kinderen verzamelend rondom zich heen. Na den patih ontboden te hebben en hem te hebben opgedragen den Regent zooveel mogelijk te bewaken, gingen de ambtenaren heen.