Hoofdstuk XI.
Reading edition
En hiermede meen ik tot een tijdstip gekomen te zijn, waarop dit onderzoek zeer geschikt voorloopig door mij kan gestaakt worden. De politiek toch der Nederlanders onderging langzamerhand een groote verandering ten opzichte van de Philippijnen. De Wit schreef in 1625 aan De Carpentier: “Over de door Muijser veroverde beide joncken en de gevangen gemaakte Chinesen zijn tot nog toe geen klachten uit China gekomen”. Dat men hiervoor reeds bang was geweest bewees wel de in de instructie van Muijser opgenomen bepaling, dat de buit niet naar Japan of Formosa, maar naar Batavia gevoerd moest worden. De Nederlanders koesterden nl. de gegronde vrees, dat de Chineezen tengevolge van die rooftochten den pas begonnen handel op Formosa en Batavia weder zouden laten varen. Bovendien werd het voordeel voor de onzen steeds geringer, omdat de Chineezen meer en meer met kleine zeer snel bezeilde jonkjes naar de Philippijnen overstaken, waarmee zij bij stil weer zoo wisten te wrikken en te roeien, dat het onmogelijk was ze met onze vaartuigen in te halen. Het gevolg was, dat er vooreerst geen tochten meer werden gedaan om den Chineeschen den handel op Manila te beletten. De Hollanders begonnen van nu af het vaarwater van Malakka en Macao meer met hun schepen te bekruisen, terwijl ook de Spanjaarden hun taktiek veranderden en in 1626 een bezetting legden op Formosa. Mocht het blijken, dat het mij gelukt is de verrichtingen der Hollanders tegen de Spanjaarden duidelijker in het licht te stellen dan door mijn voorgangers is geschied, dan zal ik stellig mijn onderzoek in dezen, uit liefde voor onze koloniale geschiedenis, voortzetten en ten einde brengen.